Naar inhoud

Onderzoeken Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2019

Zoek binnen deze data in WooGLe

Specific staphylococcal cassette chromosome mec (SCCmec) types and clonal complexes are associated with low-level amoxicillin/clavulanic acid and cefalotin resistance in methicillin-resistant Staphylococcus pseudintermedius. | RIVM

Specific staphylococcal cassette chromosome mec (SCCmec) types and clonal complexes are associated with low-level amoxicillin/clavulanic acid and cefalotin resistance in methicillin-resistant Staphylococcus pseudintermedius. | RIVM
Jaar: 2019 Onderzoek

De risico's van azijn bij de bestrijding van onkruid en groene aanslag door particulieren | RIVM

In Nederland zijn enkele gewasbeschermingsmiddelen met azijnzuur op de markt toegelaten waarmee particulieren onkruid mogen bestrijden op verharde delen van de tuin. Deze kant-en -klare middelen met een wettelijk gebruiksvoorschrift zijn beoordeeld op hun risico's en zijn veilig voor mens en milieu. Veel mensen gebruiken schoonmaak- of keukenazijn tegen onkruid of groene aanslag op hun terras of oprit, maar dit is niet toegestaan. Het RIVM heeft de risico's van particulier gebruik van azijn voor deze doelen vergeleken met het gebruik van toegelaten middelen. Op internet staan tips om groene aanslag en onkruid te bestrijden door azijn te gieten of te sproeien uit een fles, jerrycan of gieter of door te spuiten met een drukspuit. Azijn is te koop in concentraties tot 80 procent azijnzuur. Niet-toegelaten azijn levert vanaf 36 procent azijnzuur een risico voor waterorganismen als het wordt gespoten op grote, aaneengesloten oppervlakten die naast het water liggen. Bij spuiten met 6,6 procent azijnzuur is er al een risico voor planten naast het bespoten oppervlak. Voor bodemorganismen is dat bij concentraties vanaf 54 procent azijnzuur. Als veel azijn bij het gebruik van een gieter of fles direct in de grond loopt, kan dat een acuut risico vormen voor bodemorganismen. Ook planten, en insecten die in de bodem wonen, zoals wilde bijen en graafwespen, lopen dan mogelijk een risico. Niet-toegelaten azijn heeft ook risico's voor de gebruiker. Vanaf 10 procent kan azijn huidirritatie en ernstige oogirritatie veroorzaken als het op de huid of in de ogen komt. Vanaf 25 procent kunnen ernstige brandwonden en oogletsel ontstaan. Als gebruikers damp of nevel inademen, zullen vergelijkbare effecten op de luchtwegen optreden. De toegelaten middelen hebben een lagere concentratie azijnzuur (6 procent) en zitten in een gebruiksklare spuitfles. Bij niet-toegelaten azijn werkt de gebruiker waarschijnlijk met hogere concentraties en gaat hij zelf oplossingen verdunnen of overgieten. Omdat particulieren meestal zonder extra bescherming werken, lopen ze de kans in aanraking te komen met te hoge concentraties azijnzuur.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Monitoring van reguliere lozingen van radioactiviteit bij niet-nucleaire installaties | RIVM

Ondernemers hebben een vergunning nodig om radioactiviteit te mogen lozen naar lucht, oppervlaktewater en/of riool. Voorbeelden zijn ziekenhuizen, universiteiten en industrie. De vergunninghouders moeten aantonen dat de hoeveelheid radioactiviteit die zij lozen binnen de toegestane hoeveelheid blijft. Het RIVM heeft de mogelijkheid onderzocht om vergunninghouders op een uniforme manier monitoring te laten doen. Aanleiding voor dit onderzoek is de in 2018 herziene wetgeving. Een mogelijke aanpak is om het monitoren van lozingen in drie categorieën in te delen: Vergunninghouders zijn ook wettelijk verplicht om er alles aan te doen de lozingen van radioactief materiaal zo laag als redelijkerwijs mogelijk te houden (optimalisatie). Uit dit onderzoek blijkt dat er enigeoptimalisatie plaatsvindt, en dat er maatregelen genomen worden om de lozingen te beperken. Vergunninghouders gaven aan dat de daadwerkelijke lozingen veel lager zijn dan de vergunde lozingen. 1.Lozingen hoeven niet te worden gemonitord zolang de verwachte dosis van de vergunde lozing onder de 10 µSv per jaar blijft. In dit geval kan de lozing op basis van de ingekochte hoeveelheid worden bepaald. 2.Bij een hogere verwachte dosis, vanaf 10 µSv per jaar, moeten vergunninghouders met berekeningen aantonen dat zij de lozingslimiet niet overschrijden. Maatregelen om de lozingen te beperken, zoals filters, worden in de berekening meegenomen. 3.Bij lozingen net onder de dosisbeperking moet met metingen worden aangetoond dat de lozingen onder de vergunde lozingslimiet blijven. Vergunninghouders zijn ook wettelijk verplicht om er alles aan te doen de lozingen van radioactief materiaal zo laag als redelijkerwijs mogelijk te houden (optimalisatie). Uit dit onderzoek blijkt dat er enigeoptimalisatie plaatsvindt, en dat er maatregelen genomen worden om de lozingen te beperken. Vergunninghouders gaven aan dat de daadwerkelijke lozingen veel lager zijn dan de vergunde lozingen.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Integraal Monitorings- en Evaluatieprogramma Lelystad Airport : Voorstel voor geluid onder de routes, ultrafijn stof, hinderbeleving en gezondheid | RIVM

Lelystad Airport wordt omgebouwd tot een passagiersluchthaven om een deel van het vliegverkeer van Schiphol over te nemen. Het gebruik van het vliegveld heeft effect op de omgeving. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) wil laten onderzoeken wat de effecten zijn. Het RIVM is gevraagd om een voorstel te doen voor de onderwerpen 'geluid onder de routes', 'ultrafijn stof' en 'hinderbeleving en gezondheid'. Het voorstel beslaat een periode van vier jaar van monitoring. Daarna wordt geëvalueerd of een vervolg nodig is. Het voorstel is niet alleen bedoeld voor de bewoners van de provincie Flevoland, maar ook breder, namelijk voor degenen die onder de zogeheten aansluitroutes in Noord-Holland, Friesland, Drenthe, Gelderland en Overijssel wonen. De monitoring start al voor de opening van het vliegveld met een nul-meting Het vliegtuiggeluid onder de routes wordt met acht vaste en vier mobiele meetposten gevolgd. De bijdrage van vliegtuigen aan ultrafijnstof wordt met drie apparaten op meerdere locaties gemeten. De meetposten geven via een website continu informatie over het geluidniveau en de ultrafijn stof concentratie. De informatie wordt ook gebruikt om de veranderingen over een langere periode te volgen. Omwonenden kunnen last hebben van het vlieggeluid. Om de hinderbeleving en gezondheid in kaart te brengen, stelt het RIVM voor om een vaste groep omwonenden één keer per jaar een online vragenlijst te laten invullen. De GGD Gezondheidsmonitor brengt elke vier jaar de hinder en slaapverstoring in kaart. Op basis van alle resultaten van het programma worden de mogelijke effecten op de gezondheid van de omwonenden bepaald.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

EURL-Salmonella Proficiency Test food-feed 2019 : Detection of Salmonella in flaxseed | RIVM

In maart 2019 organiseerde het EURL-Salmonella een ringonderzoek om Salmonella in lijnzaad aan te tonen. Alle deelnemende Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) voor Salmonella waren in staat om lage en hoge concentraties van Salmonella aan te tonen. Op één na hebben alle laboratoria een goede score behaald. Dat ene laboratorium had de resultaten van de controlemonsters verwisseld toen ze hun resultaten invoerden en hebben daarom een matige score behaald. Alle NRL's van Europese lidstaten die verantwoordelijk zijn om Salmonella in voedsel voor mensen op te sporen, zijn verplicht om aan het ringonderzoek deel te nemen. Voor de NRL's die Salmonella opsporen in diervoeder was de deelname vrijwillig. In totaal namen 42 NRL's-Salmonelladeel aan dit ringonderzoek: 37 NRL's van 28 Europese lidstaten en 5 NRL's van andere Europese landen. De laboratoria hebben een internationaal erkende analysemethode gebruikt om Salmonella in de lijnzaadmonsters aan te tonen. Elk laboratorium kreeg een pakket toegestuurd met lijnzaadmonsters die ofwel besmet waren met twee verschillende concentraties Salmonella Typhimurium, of geen Salmonella bevatten. De monsters zijn op het laboratorium van het EURL-Salmonella kunstmatig besmet met Salmonella. Het EURL-Salmonella is gevestigd bij het Nederlandse Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Monitoringsrapportage NSL 2019 : Stand van zaken Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit | RIVM

Vrijwel in heel Nederland liggen de berekende concentraties stikstofdioxide en fijnstof in 2018 onder de Europese grenswaarden. In een aantal drukke straten in binnensteden wordt de grenswaarde voor stikstofdioxide nog overschreden. Wel neemt het aantal overschrijdingen af. De komende jaren zal deze ontwikkeling naar verwachting doorzetten. Het is moeilijk aan te geven in welk tempo dat zal gaan. De gemiddelde concentratie fijnstof in Nederland is in 2018 gestegen ten opzichte van 2017, na een daling in de jaren ervoor. In het grootste deel van het land zijn de grenswaarden niet overschreden. Een uitzondering daarop zijn enkele locaties in gebieden met intensieve veehouderijen. Het aantal overschrijdingen is daar toegenomen ten opzichte van 2017. Dit komt mede doordat de gemeenten meer veehouderijen hebben opgegeven om mee te nemen in de berekeningen over 2018. Een mogelijke andere factor zijn de uitzonderlijke weersomstandigheden van dat jaar, zoals de droogte. Naar verwachting zal de gemiddelde fijnstofconcentratie waar de bevolking aan blootstaat de komende jaren afnemen. Net als bij stikstofdioxide is onzeker hoeveel dit zal zijn. Lagere concentraties stikstofdioxide en fijnstof verbeteren de volksgezondheid, ook wanneer concentraties al onder de Europese grenswaarden liggen. De concentraties stikstofdioxide en fijnstof liggen op meerdere locaties dicht bij de Europese grenswaarden. Het gevolg is dat door kleine veranderingen in die concentraties het aantal overschrijdingen sterk kan veranderen. Onzekerheden in de berekeningen hebben daarom ook invloed op het aantal overschrijdingen.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Geluidhinder rond Nederlandse luchthavens : Monitoring, enquêtes en blootstelling-responsrelaties | RIVM

De overheid stelt een maximum aan de hoeveelheid geluid die vliegtuigen mogen veroorzaken voor mensen die rond Nederlandse luchthavens wonen. Zo wordt de omvang van geluidhinder en nadelige gezondheidseffecten beperkt. Om te kunnen volgen of dit beleid succesvol is, moet helder zijn waar enin hoeverre mensen last hebben van geluid van vliegverkeer. Dat kan door bewoners rond alle Nederlandse luchthavens regelmatig te vragen naar de geluidhinder die zij ervaren. Zo'n terugkerende enquête is een aanvulling op de berekening van de geluidhinder met een blootstelling-responsrelatie, en kan gebruikt worden om vast te stellen of de berekening van de geluidhinder nog klopt. Ook kan de enquête in kaart brengen hoe de situatie tussen de luchthavens verschilt. Per luchthaven kan namelijk de hoeveelheid geluid verschillen, maar ook de leefomgeving en de plannen van de luchthavens om uit te breiden of te veranderen. Als het nodig is, kan de informatie uit de enquête worden gebruikt om beleid aan te passen aan de regionale situatie. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Volgens het RIVM is devierjaarlijkse GGD Gezondheidsmonitor geschikt als enquête om de ervaren geluidhinder van omwonenden vast te stellen en te vergelijken met de berekende hinder.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Kennisscan hinder door luchtvaartgeluid : Effecten van woningisolatie en niet-akoestische factoren | RIVM

Geluid van vliegverkeer kan hinder veroorzaken. Hiertegen worden maatregelen genomen door bijvoorbeeld woningen te isoleren. Tot nu toe is nauwelijks systematisch geëvalueerd of deze maatregelen effect hebben. Het RIVM raadt aan om dit wel systematisch te doen. Bij deze evaluatie is het belangrijk om niet alleen de feitelijkeveranderingen in geluidniveaus te onderzoeken. Net zo belangrijk is om rekening te houden met andere factoren die invloed hebben op de mate van hinder. Inzicht in hoe deze zogeheten niet-akoestische factoren met elkaar samenhangen is relevant. Kennis over deze factoren biedt aanknopingspunten om maatregelen te ontwikkelen die de hinder beperken of verminderen. Voorbeelden van niet-akoestische factoren zijn persoonlijke en 'situationele' factoren. Zo is de ene persoon gevoeliger voor geluid dan de andere. Dat kan komen door erfelijke factoren, ziekte, medicijngebruik of anderszins. Dit gegeven heeft een sterke invloed op de mate waarin mensen zijn gehinderd door geluid. Maar ook de tevredenheid met de woning en woonomgeving bepalen in welke mate mensen last hebben van geluid van vliegverkeer. Wat de onderlinge samenhang betreft, is het bijvoorbeeld belangrijk om mensen duidelijkheid te bieden over toekomstige geluidniveaus of maatregelen tegen geluid (bijvoorbeeld isolatie) en wie daarvoor in aanmerking komen. Die duidelijkheid kan namelijk het vertrouwen versterken in de overheid of organisatie die ze uitvoert en dat leidt weer tot minder hinder. Dit zijn de belangrijkste conclusies van een kennisscan die het RIVM heeft uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW). De resultaten worden meegenomen in de nieuwe Luchtvaartnota, die in 2019 verschijnt. Hierin staan de hoofdlijnen van het rijksbeleid voor de luchtvaart en luchthavens in Nederland tussen 2020 en 2050.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Vliegtuiggeluid: meten, berekenen en beleven : Een verkenning van wensen en ontwikkelopties | RIVM

Er is maatschappelijke onvrede over de berekende hoeveelheid geluid die vliegtuigen produceren. Omwonenden vertrouwen de informatie die de overheid hierover geeft niet. Zij willen dat het vliegtuiggeluid wordt gemeten. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) heeftdaarom beloofd dat berekeningen en metingen van vliegtuiggeluid worden verbeterd. Dat is moeilijker dan het lijkt. IenW heeft daarom het RIVM, het KNMI en het Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum (NLR) om advies gevraagd. Volgens de drie organisaties zijn er veel mogelijkheden om de meet- en rekenwijze te verbeteren. Wel kost het tijd om verschillen van inzicht tussen belanghebbenden over de methoden op te lossen. Het streven is namelijk dat alle betrokken partijen het zo goed mogelijk eens zijn over hoe de werkzaamheden uitgevoerd en verbeterd moeten worden. Om dit te realiseren adviseren het RIVM, het NLR en het KNMI een landelijke werkstructuur in te voeren. Dit houdt in dat rond elke luchthaven van nationale betekenis een vastgesteld pakket aan taken wordt uitgevoerd (het vliegtuiggeluid meten en berekenen, de verschillen verklaren, hinder in kaart brengen, burgers informeren, enzovoort). Een onafhankelijke groep van experts ziet erop toe dat relevante onderwerpen worden onderzocht en nuttige verbeteringen worden overgenomen. Onderdeel van het standaard pakket is om de verschillen tussen de metingen en de berekeningen te onderzoeken en te verklaren. De resultaten worden gebruikt om de berekeningen te verbeteren en het publiek beter te informeren over vliegtuiggeluid. Ook wordt systematisch gekeken naar de effecten van vliegtuiggeluid: hoe beleven omwonenden het geluid, in welke mate ervaren zij geluidhinder en slaapverstoring, en wat zijn de mogelijke gezondheidseffecten? Het RIVM, het KNMI en het NLR bevelen verder aan om zo veel mogelijk uit te gaan van bestaande voorzieningen en beschikbare data. Ook moeten lokale initiatieven waar mogelijk worden betrokken. De nieuwe gegevens over geluid door vliegverkeer moeten voor iedereen herkenbaar zijn en zo een solide basis vormen voor beleidsmatige beslissingen en betrouwbare informatie voor burgers.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Arbeidsongevallen met uitzendkrachten en met vaste werknemers: verkenning naar oorzaken | RIVM

Uitzendkrachten hebben relatief vaker een ongeluk op het werk dan werknemers met een vast contract. Het RIVM is begonnen met onder-zoek of de oorzaak tussen de ongevallen van uitzendkrachten en vaste werknemers verschilt. Er blijken tussen uitzendkrachten en vaste werk-nemers geen grote verschillen te zijn op het gebied van opleiding en ervaring, de algemene instructies die ze krijgen, de kwaliteit van het gebruikte gereedschap of apparatuur, en de aard van de gemaakte menselijke fouten. Wel zijn er een paar kleine verschillen gevonden. Bij uitzendkrachten wordt 'competentie' vaker aangegeven als oorzaak van een ongeval dan bij vaste medewerkers. De reden ervan is niet bekend. Daar staat te-genover dat uitzendkrachten gereedschap of apparatuur vaker op de voorgeschreven manier gebruiken dan vaste krachten. Ook blijken uit-zendkrachten vaker specifieke werkinstructies te krijgen. Verder blijkt dat bij uitzendkrachten vaker toezicht op het werk is dan bij vaste werk-nemers. Een gebrekkig toezicht en instructie zijn dus op basis van de onderzochte gegevens geen verklaring. Om beter inzicht in de oorzaken te krijgen is meer onderzoek nodig. Dan kunnen gerichte maatregelen worden genomen om ongevallen te voor-komen. Zo waren voor dit onderzoek geen gegevens over ZZP'ers be-schikbaar. Deze informatie is wel nodig om een volledig beeld te krijgen van arbeidsongevallen onder flexwerkers. Het onderzoek richtte zich specifiek op uitzendkrachten omdat zij een van de grootste groepen flexwerkers waren in 2018. Alleen mannelijke uitzendkrachten, in twee leeftijdscategorieën, die werkten in twee secto-ren (voedingsmiddelen en metaal(producten) maken) zijn in dit onder-zoek meegenomen. Dit onderzoek is uitgevoerd vanwege de vraag of flexwerkers dezelfde bescherming tegen arbeidsongevallen krijgen als werknemers in vaste dienst. Dit is vooral relevant, omdat het aantal flexwerkers naar verwachting blijft toenemen.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Advies inrichting validatie en innovatiepunt (VIP) asbest | RIVM

Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) wil een Validatie- en Innovatie- (VIP) voor asbest oprichten. Het VIP gaat de risico's van nieuwe producten en technieken voor asbestverwijdering beoordelen. Het ministerie wil hiermee stimuleren dat asbesthoudende materialen slimmer en efficiënter worden verwijderd. De staatssecretaris heeft het RIVM gevraagd het VIP vorm te geven. In het voorstel van het RIVM staat centraal dat de beoordeling van nieuwe manieren om asbest te verwijderen snel, onafhankelijk en eenduidig verloopt. Transparantie, onafhankelijkheid, draagvlak voor de werkwijzen en criteria zijn daarbij essentieel. Ook moet de juridische status van het VIP wettelijk worden verankerd in de regelgeving voor asbest. Verder moet het VIP aansluiten bij de andere maatregelen die het SZW heeft aangekondigd in kader van asbestverwijderingen. Het RIVM stelt ook voor om het VIP te laten bestaan uit een onafhankelijke voorzitter en een team experts die elkaar kunnen vervangen. Een secretaris ondersteunt het team. Het voorstel van het RIVM wordt de komende maanden uitgewerkt. Asbest kan kanker veroorzaken. Vroeger werd het materiaal veel gebruikt bij de bouw van huizen en fabrieken. Zo kwam het onder meer terecht in vensterbanken en daken. Sinds 1993 mag asbest niet meer worden gebruikt. Asbesthoudend materiaal moet volgens wettelijke voorschriften worden verwijderd.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Het risico op kanker bij aanpassing van de toetswaarde voor de eindbeoordeling bij asbestsaneringen | RIVM

Asbest is een kankerverwekkende stof die in veel oudere huizen en andere gebouwen is gebruikt. Asbesthoudend materiaal moet daarom zorgvuldig en volgens wettelijke voorschriften worden verwijderd. Daarna wordt gecontroleerd of de ruimte weer veilig kan worden betreden door werknemers of terugkerende bewoners. Deze eindbeoordeling geeft aan of de concentratie asbest in de ruimte onder de toegestane hoeveelheid blijft. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) wil het stelsel voor asbestsanering verbeteren. Een onderdeel van de verbeterslag is de eindbeoordeling. Uitgangspunt is dat de strengste eisen alleen worden gesteld als het nodig is. Het RIVM heeft daarom verkend of het risico op kanker voor saneerders en omwonenden verandert bij een minder strenge eindbeoordeling. Daarvoor is het risico op kanker berekend met een 'soepelere' toetswaarde (maximaal 10.000 vezels in totaal per kubieke meter in plaats van 2000 vezels per kubieke meter). Het risico blijkt iets groter te worden maar blijft onder de gestelde streefwaarde. Dit geldt vooral voor saneerders die de afscherming rondom het asbest afbreken en daarna nog andere werkzaamheden verrichten in dezelfde ruimte. Voor andere werknemers en bewoners neemt het risico minder toe. Dit onderzoek geeft nog geen volledig beeld van de blootstelling. Saneerders staan namelijk ook bij andere werkzaamheden bloot aan asbest. De werkgever moet beoordelen of de totale blootstelling aan asbest op een werkdag onder de grenswaarde blijft. De eisen voor de eindbeoordeling zijn in het huidige Nederlandse stelsel afhankelijk van de risicoklasse van de sanering. Er zijn drie risicoklassen: 1 (er komen weinig vezels vrij bij de sanering), 2 (er komen zoveel vezels vrij dat beschermingsmaatregelen nodig zijn), en 2A (er komen vezels vrij van de gevaarlijkste soort asbest). De berekening in dit onderzoek geldt voor de strengste risicoklasse (2A). Hierbij wordt nu gemeten of de concentratie asbestvezels na de sanering onder de 2000 per kubieke meter blijft.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Guidelines on the benefit-risk assessment of the presence of phthalates in certain medical devices covering phthalates which are carcinogenic, mutagenic, toxic to reproduction (CMR) or have endocrine-disrupting (ED) properties. | RIVM

Guidelines on the benefit-risk assessment of the presence of phthalates in certain medical devices covering phthalates which are carcinogenic, mutagenic, toxic to reproduction (CMR) or have endocrine-disrupting (ED) properties. | RIVM
Jaar: 2019 Onderzoek

Geschat effect van lagere zout- en suikergehalten in voedingsmiddelen op de dagelijkse zout- en suikerinname in Nederland : Akkoord Verbetering Productsamenstelling 2014-2020 | RIVM

Vanuit het Akkoord Verbetering Productsamenstelling (AVP) maakt de voedingsindustrie sinds 2014 afspraken om de hoeveelheid zout, suiker en (verzadigd) vet in voedingsmiddelen te verminderen. Volgens het RIVM worden met deze afspraken kleine stappen gezet om de dagelijkse inname van zout en suiker te verlagen. Deze conclusie trok het RIVM ook in het vorige voortgangsverslag (tot halverwege 2017). Naast de verbetering van de productsamenstelling is het belangrijk dat consumenten voor gezondere producten kiezen om veel minder zout en suiker binnen te krijgen. Het RIVM berekent op verzoek van het ministerie van VWS tijdens de looptijd van het akkoord enkele keren het effect van de afspraken op de dagelijkse zout- en suikerinname. Volgens de laatste schattingen (tot halverwege 2019) kunnen volwassen Nederlanders door de afspraken gemiddeld per dag 0,5 gram minder zout (een snufje zout) en 4 gram minder suiker (een suikerklontje) binnenkrijgen ten opzichte van de situatie voor het akkoord. Dit keer is ook gekeken naar het effect van de afspraken die sinds halverwege 2017 zijn toegevoegd. Het effect van deze afspraken binnen de genoemde totale afname was klein: hierdoor krijgen Nederlanders dagelijks gemiddeld 0,05 gram zout minder binnen dan de geschatte inname voor die tijd. Voor suiker is dat 1,5 gram minder per dag. Een volwassen Nederlander krijgt elke dag gemiddeld 8,7 gram zout en 114 gram suiker binnen via voeding. Dit is ruim boven de aanbevolen hoeveelheden. De norm voor zout is 6 gram per dag. Er bestaat geen norm voor de totale hoeveelheid suiker die mensen binnenkrijgen, maar het streven is dat daar zo min mogelijk aan producten toegevoegde suiker bij zit. De afspraken voor het AVP moeten in 2020 het gewenste resultaat hebben. Het RIVM maakt de schattingen op basis van voedselconsumptiecijfers (VCP) en gegevens van producenten over hun producten (NEVO). Uitgangspunten van de berekening zijn dat alle producenten aan de afspraak meedoen en dat zij alle afspraken nakomen. Ook is ervan uitgegaan dat Nederlanders dezelfde producten zijn blijven eten als de jaren ervoor. Over verzadigd vet zijn minder afspraken gemaakt en alleen voor hele specifieke producten. De impact van deze afspraken is naar verwachting minimaal en is daardoor niet doorgerekend.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Ervaringen met drinkwaterrestricties in het buitenland en verkenning van de mogelijkheden voor Nederland | RIVM

In landen als Frankrijk, Spanje, Engeland, Zuid-Afrika en Australië komen regelmatig lange, droge periodes voor. Hierdoor ontstaan soms tekorten aan drinkwater. Om dat te voorkomen, kan de overheid of het drinkwaterbedrijf het gebruik van drinkwater voor huishoudens en bedrijven beperken. Deze noodmaatregel is vaak opgebouwd uit meerdere fases waarin het watergebruik steeds meer wordt beperkt. Waarschijnlijk zullen ook in Nederland vaker warme, droge zomers voorkomen. Het RIVM heeft daarom op basis van ervaringen in het buitenland de mogelijkheden voor een escalatiesysteem in Nederland verkend. Het voorgestelde escalatiesysteem bestaat uit vier fases. In de normale situatie (fase 1) zijn er geen beperkingen. In de 'waakzaamheidsfase' (fase 2) worden burgers en bedrijven opgeroepen om drinkwater te besparen, vooral tijdens de piekuren in de ochtend en de avond. Vanaf de alarmtoestand (fase 3) zijn bepaalde handelingen niet meer toegestaan. Voorbeelden zijn drinkwater gebruiken om tuinen te besproeien en privézwembaden te vullen. In een crisissituatie (fase 4) mag drinkwater alleen worden gebruikt voor consumptie, gezondheidsdoelen en hygiëne. In extreme gevallen kan een drinkwatertekort ontstaan door een combinatie van een grote vraag naar drinkwater en een beperkt 'aanbod'. De vraag naar drinkwater is in warme en droge zomers veel groter dan normaal. Als dit samenvalt met een verontreiniging van de bron van het drinkwater, is het mogelijk dat drinkwaterbedrijven tijdelijk niet de gevraagde hoeveelheid drinkwater kunnen produceren. Water kan bijvoorbeeld verontreinigd raken na een ongeval met chemische stoffen op een rivier, waardoor het niet meer bruikbaar is voor de drinkwaterproductie. Door de droogteperiode in de zomer van 2018 konden enkele Nederlandse drinkwaterbedrijven tijdens de piekuren bijna niet meer de gevraagde hoeveelheid water leveren. Zij hebben huishoudens en bedrijven toen gevraagd om vooral tijdens de avonduren zo min mogelijk water te gebruiken. Een echte crisissituatie was er niet. Het RIVM heeft deze verkenning van een escalatiesysteem in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat uitgevoerd. De Nederlandse overheid moet nog beslissen of zij een systeem van drinkwaterbeperkingen wil invoeren.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Kleinschalige dialogen over DNA-aanpassing in embryo's : Verkenning van de mogelijke vormgeving van een brede maatschappelijke dialoog | RIVM

Het RIVM wil voorbereid zijn op ontwikkelingen op het gebied van gezondheid, en burgers daar bij betrekken. Een van die ontwikkelingen is 'kiembaanmodificatie', waarmee DNA in zaadcellen, onbevruchte of bevruchte eicellen (embryo's) kan worden aangepast. Deze techniek kan bijvoorbeeld worden ingezet om ernstige erfelijke ziekten te voorkomen. Als voorbereiding op een brede maatschappelijke dialoog over dit onderwerp (zie www.dnadialoog.nl ) heeft het RIVM in juni 2019 twee groepsgesprekken met burgers georganiseerd. Op basis van de gesprekken doet het RIVM aanbevelingen over de inhoud en de vorm van de DNA-dialoog. Zo is het belangrijk in de dialoog voldoende tijd te reserveren om te bespreken welk onderzoek nog nodig is voordat de techniek echt in ziekenhuizen kan worden toegepast. Ook moet er voldoende balans zijn tussen kansen van de techniek en mogelijke negatieve effecten. In de groepsgesprekken zijn zes 'lessen om een dialoog te voeren' van het Rathenau Instituut uitgeprobeerd. Een voorbeeld is ruimte geven aan verschillende perspectieven en benoemen wat nog onzeker is aan het gebruik van de techniek. De lessen bleken geschikt om vooraf de dialoog vorm te geven. Ook hielpen ze de gespreksleider om de gesprekken te begeleiden. Om de discussie op gang te brengen zijn twee toekomstscenario's van het Rathenau Instituut geschetst waarin het mogelijk is om DNA aan te passen. Deze scenario's bleken de deelnemers te helpen om dieper op de verschillende thema's binnen dit onderwerp in te gaan. Het gesprek ging onder andere in op de vraag wanneer het wel of niet acceptabel is om DNA aan te passen. Vinden we het goed om erfelijke ziekten ermee uit te bannen? Mag het ook worden gebruikt om een kindje 'gewenste' eigenschappen te geven? Wie mag hierover beslissen? Wie gaat het betalen? Wie kan je DNA-profiel bekijken (privacy), en is het wel veilig?
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Maatregelen geneesmiddelentekorten; stand van zaken najaar 2019 | RIVM

Steeds vaker zijn medicijnen niet verkrijgbaar. In Nederland, maar ook in andere landen. In 2017 stelde de Werkgroep Geneesmiddelentekorten 27 maatregelen voor om tekorten aan medicijnen in Nederland te verkleinen. Deze maatregelen moeten er ook voor zorgen dat patiënten zo min mogelijk last hebben van de gevolgen van de tekorten. Uit een evaluatie van het RIVM blijkt dat sommige maatregelen helpen om de gevolgen voor patiënten zo klein mogelijk te houden. Zo is het Meldpunt Geneesmiddelentekorten opgericht. Bij dit Meldpunt melden fabrikanten dreigende tekorten. Vervolgens worden oplossingen gezocht om tekorten te voorkómen of de consequenties op te vangen. Ook kan soms een geneesmiddel uit een ander land worden geïmporteerd of krijgt de patiënt tijdelijk een kleinere hoeveelheid mee dan gebruikelijk. De maatregelen helpen vooral om de gevolgen zo klein mogelijk te houden, maar niet of nauwelijks om tekorten te voorkomen. Daarom zijn extra maatregelen voorgesteld, zoals grotere voorraden aanleggen. Het RIVM adviseert de werkgroep om goed te kijken welke van de voorgestelde maatregelen kunnen helpen. Tekorten aan medicijnen hebben meerdere oorzaken. Dat komt onder andere doordat veel partijen bij de hele keten zijn betrokken en van elkaar afhankelijk zijn: van de ontwikkeling en productie tot het moment dat een patiënt het medicijn krijgt. Zo kan een fabrikant geen medicijn maken als er geen kwalitatief goede grondstof is te krijgen. Andere oorzaken zijn natuurrampen en besluiten van fabrikanten om bepaalde medicijnen om financiële redenen niet meer te produceren. Ook zijn er strengere eisen in de internationale wet- en regelgeving voor bijvoorbeeld de kwaliteit van grondstoffen. Omdat de oorzaken van tekorten aan medicijnen vaak buiten Nederland liggen, is het nodig om samen met andere landen op te trekken om de tekorten terug te dringen.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

The 24th EURL-Salmonella workshop : 28 and 29 May 2019, Amersfoort, the Netherlands | RIVM

Het RIVM heeft de verslagen gebundeld van de presentaties van de 24e jaarlijkse workshop voor de Europese Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) voor Salmonella (28-29 mei 2019). Het doel van de workshop is dat het overkoepelende orgaan, het Europese Referentie Laboratorium (EURL) voor Salmonella, en de NRL's informatie uitwisselen. Een terugkerend onderwerp zijn de ringonderzoeken die het EURL jaarlijks organiseert om de kwaliteit van de NRL-laboratoria te controleren. De NRL's scoorden goed in de studies van 2018-2019. In dit rapport staan de ringonderzoeken kort beschreven. Een uitgebreidere weergave van de resultaten wordt per ringonderzoek gepubliceerd. Salmonella mag niet in voedsel en dieren zitten. Toch wordt de bacterie soms gevonden in verschillende producten. Zo is Salmonella aangetroffen in pluimvee, diervoeder, eetbare bladeren en schelpdieren. Andere informatie gaat over het gebruik van Whole Genome Sequencing, een relatief nieuwe techniek, om Salmonella gedetailleerd te karakteriseren. De organisatie van de jaarlijkse workshop is in handen van het EURL voor Salmonella, dat onderdeel is van het RIVM. De hoofdtaak van het EURL-Salmonella is toezien op de kwaliteit van de nationale referentielaboratoria voor deze bacterie in Europa.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Optimalisatie stralingsblootstelling CT-verrichtingen | RIVM

Voor medische onderzoeken kan ioniserende straling worden gebruikt. Om de nadelen daarvan te beperken, is het belangrijk de dosis straling zo laag mogelijk te houden. Een grote bron van medische straling is de CT-scanner, waarmee ziektes worden opgespoord. Het gebruik van de CT-scanner zorgt voor meer dan de helft van de medische stralingsdosis voor de Nederlandse bevolking. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat ziekenhuizen hun best doen om patiënten aan zo min mogelijk straling van CT-scans bloot te stellen. Ook blijkt dat de persoon die met de CT-scanner werkt hieraan een belangrijke bijdrage levert. Deze persoon noemen we ook wel de medisch beeldvormings- en bestralingsdeskundige (MBB’er). De MBB’er werkt samen met de klinisch fysicus: de persoon die de apparaten en de hoeveelheid straling in de gaten houdt. De MBB’er gebruikt de technieken die in de CT-scanner zelf worden toegepast om de stralingsdosis automatisch te verlagen. Dit gebeurt bijvoorbeeld op basis van het postuur van de patiënt. Ook kan de MBB’er de CT-instellingen met de hand instellen. Dit kan op basis van bijvoorbeeld het type onderzoek of de leeftijd van de patiënt. Het is niet altijd precies bekend hoeveel minder straling wordt gegeven met deze aanpassingen. Als ziekenhuizen een nieuwe CT-scanner in gebruik nemen, verbeteren zij minstens de helft van de protocollen voor de CT-onderzoeken die door de leverancier in het apparaat zijn gezet. Om de hoeveelheid straling per gemaakte scan nog verder te verlagen, is het belangrijk om goede afspraken te maken. Bijvoorbeeld over wie wanneer de protocollen tegen het licht houdt. Elke keer dat dit gebeurt, kan het team bepalen of verbeteringen mogelijk zijn. Het team bestaat ideaal uit een MBB’er, klinisch fysicus en een radioloog. Voor dit onderzoek is aan een aantal ziekenhuizen gevraagd wat zij doen om de stralingsdosis bij CT-onderzoeken zo laag mogelijk te houden.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Resistente darmbacteriën bij open water zwemmers | RIVM

Mensen die regelmatig in open water zwemmen hebben vaker bacteriën in hun darmen die ongevoelig (resistent) zijn voor bepaalde soorten antibiotica dan de gemiddelde Nederlander. Daaruit maken wetenschappers op dat zwemmen in open water kans geeft om resistente bacteriën binnen te krijgen. Aandacht voor de kwaliteit van oppervlaktewater waarin gezwommen wordt, blijft daarmee belangrijk. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Het RIVM adviseert daarom organisatoren van zwemwedstrijden om de kwaliteit van oppervlaktewater te onderzoeken. Daarnaast raadt het RIVM mensen aan om te zwemmen op officiële of andere goed onderzochte zwemlocaties. De kwaliteit van water van officiële locaties moet voldoen aan de Europese regels. Wetenschappers onderzochten de ontlasting van deelnemers van open water zwemwedstrijden en city swims. Zij meten of er resistente bacteriën (de ESBL-producerende E. coli) in voor kwamen. Dit deden zij voor én na het evenement. Het aantal zwemmers bij wie dat het geval was, was voor en na het evenement gelijk, maar dus hoger dan bij de gemiddelde Nederlander. De kans is groot dat er geen verschil was tussen 'voor en na' het zwemevenement omdat deze mensen vaker in open water zwemmen. Zo kunnen zij vaker in contact komen met de bacteriën. Mensen komen niet alleen via oppervlaktewater in aanraking met resistente bacteriën. Dit kan ook via andere mensen, via de omgeving, via contact met dieren of via het eten van (dierlijke) producten.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Antibioticaresistente bacteriën, resistentiegenen en antibioticaresiduen in mest | RIVM

In mest blijken bacteriën voor te komen die ongevoelig (resistent) zijn voor bepaalde soorten antibiotica. Ook zijn er in mest resten van antibiotica gevonden. Mest van landbouwhuisdieren, zoals koeien en varkens, wordt gebruikt om landbouwgrond mee te bemesten. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Wetenschappers onderzochten hoeveel resistente bacteriën via mest in het Nederlandse milieu (in bodem en water) terechtkomen. In de onderzochte mest zijn bijzonder resistente micro-organismen (BMRO), namelijk de ESBL-producerende bacterie E. coli gemeten. Het voorkomen van deze bacterie verschilt per diersoort. Het komt tussen 40 procent (mest van leghennen) en 90 procent (mest van kalveren) voor. De hoogste concentraties ESBL-producerende E. coli zijn gevonden in mest van leghennen. De hoeveelheid mest die op het land wordt gebracht verschilt per diersoort. Doordat er veel minder pluimveemest op het land terecht komt dan mest van andere diersoorten, belasten alle soorten mest het milieu met ongeveer dezelfde hoeveelheid. Naast mest van landbouwhuisdieren is afvalwater de belangrijkste 'bron' waardoor resistente bacteriën in het milieu belanden. Resistente bacteriën komen met menselijke ontlasting in afvalwaterzuiveringsinstallaties terecht. Doordat de bacteriën daar niet helemaal worden verwijderd, belanden ze dus in het oppervlaktewater, zoals een rivier. Wetenschappers laten met dit onderzoek zien dat de totale hoeveelheid resistentie die vanuit mest op de bodem belandt ongeveer hetzelfde is als de hoeveelheid die vanuit afvalwater in het oppervlaktewater terecht komt. Vanuit mest en bodem belandt slechts een deel van de resistente bacteriën in oppervlaktewater. Daarom is afvalwater van mensen een grotere bron van resistente bacteriën in water dan mest. Mensen kunnen in aanraking komen met resistentie in het milieu na contact met water.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Carbapenemase-producerende Enterobacteriaceae (CPE) in het riool in Utrecht | RIVM

Bij metingen in het riool van zes woonwijken in Utrecht zijn bijzonder resistente bacteriën CPE (carbapenemase-producerende Enterobacteriaceae) aangetroffen. Dit betekent dat CPE voorkomen onder de bevolking, en niet alleen bij mensen in zorginstellingen. Rioolwateronderzoek blijkt een efficiënte methode om te kunnen bepalen of deze bacterie onder Nederlanders aanwezig is. Bovendien is deze methode niet belastend omdat mensen niet individueel onderzocht hoeven te worden. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Het RIVM adviseert daarom om zeldzame resistente bacteriën ook in rioolwater te meten. Dan wordt op nationaal niveau duidelijk of en waar ongeveer mensen drager van CPE of van andere bijzonder resistente micro-organismen (BRMO) zijn. In Nederland worden CPE nog maar af en toe bij mensen vastgesteld. Ze komen vaker voor in andere delen van de wereld, zoals Zuidoost Azië, Zuid-Europa en Noord-Afrika. Mensen die daar op reis zijn geweest, hebben de grootste kans om CPE te hebben. Dit is vooral het geval als ze daar in het ziekenhuis hebben gelegen. Gezonde mensen worden meestal niet ziek van CPE. Kwetsbare mensen, zoals ouderen en ziekenhuispatiënten, kunnen dat wel. Ziekte door CPE is moeilijk te behandelen omdat ze resistent zijn tegen typen antibiotica die als laatste redmiddel worden gebruikt. Deze bacteriën vormen daardoor een bedreiging voor de volksgezondheid. Het is dan ook belangrijk dat deze resistente bacteriën zich niet verder verspreiden onder mensen, dieren en in het milieu. Er bestaan verschillende typen van CPE. In afvalwater van woonwijken kwamen in dit onderzoek soms andere typen CPE voor dan in de onderzochte zorginstellingen. Door te vergelijken welke typen op verschillende plekken in het riool voorkomen, kan worden achterhaald hoe CPE zich onder mensen verspreiden. Deze informatie helpt om te voorkomen dat meer infecties optreden en de bacterie zich verspreidt. Voor dit onderzoek heeft het RIVM rioolwater onderzocht op negen plekken in de stad Utrecht: in zes woonwijken en bij een ziekenhuis, verpleeghuis en asielzoekerscentrum. De rioolwaterzuiveringsinstallatie in Utrecht zuivert elke dag het afvalwater uit deze wijken en instellingen. Naast de 9 meetpunten zijn metingen uitgevoerd in het verzamelde rioolwater van de hele binnenstad van Utrecht dat bij de RWZI binnenkomt. Dit was nodig om te kijken of de 9 meetpunten representatief waren voor de hele stad.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Kwaliteitscontrole parameters van het Nederlandse down-, edwards- en patausyndroom screeningslaboratorium Star-SHL met de eerste trimester combinatietest, 2018 | RIVM

De kwaliteit van de eerste trimester combinatietesten op down-, edwards- en patausyndroom voldeed in 2018 aan de gestelde eisen. Dit blijkt uit een evaluatie van het RIVM. Het RIVM bewaakt de kwaliteit van de combinatietest in de opdracht van het ministerie van VWS. Sinds 1 januari 2007 kunnen alle zwangere vrouwen in Nederland laten onderzoeken welke kans zij hebben op een kind met het syndroom van Down. Later zijn hier de syndromen van Edwards en Patau aan toegevoegd. De combinatietest bestaat uit een bloedonderzoek bij de zwangere en een nekplooimeting via een echo bij de foetus. Een laboratorium voert alle bloedanalyses voor de combinatietest uit. De kansberekening op basis van die bloedanalyse en de nekplooimeting kan óf door het laboratorium óf door een deel van de echocentra in Nederland worden uitgevoerd. In 2018 is voor 44 procent van het totaal aantal combinatietesten de kans in het laboratorium berekend. Sinds april 2017 voert alleen het Star-shl laboratorium in Rotterdam de bloedonderzoeken uit omdat het aantal combinatietesten is afgenomen. Dit komt doordat zwangeren sindsdien ook op een andere manier de kans op de drie syndromen kunnen laten onderzoeken, namelijk met de Niet Invasieve Prenatale Test (NIPT). In 2018 zijn in totaal 4445 combinatietesten uitgevoerd: 2,6 procent van de zwangere vrouwen liet dat jaar een combinatietest uitvoeren. Het aandeel zwangere vrouwen dat volgens de screeningtest een verhoogde kans heeft op een kind met het syndroom van Down is 4,45 procent, op edwardssyndroom 0,87 procent en op patausyndroom 0,49 procent.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

De invloed van landbouwactiviteiten op bijzonder resistente bacteriën in oppervlaktewater: ESBL en AmpC-producerende E. coli. | RIVM

In het algemeen komen door landbouw weinig resistente bacteriën in oppervlaktewater, zoals sloten en rivieren. Toch kunnen op sommige momenten en plaatsen grote hoeveelheden resistente bacteriën in het water terechtkomen. Dat hangt af van de hoeveelheid regen en het type landbouwactiviteit. Vooral in gemeenten met veel leghennen zijn vaker en meer resistente bacteriën in het oppervlaktewater aangetroffen dan in gemeenten met minder leghennen. De aanwezigheid van andere dieren dan leghennen of het uitrijden van mest blijken geen merkbare invloed te hebben. Lozingen van rioolwater hebben meer effect op het aantal resistente bacteriën dan landbouwactiviteiten. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Resistente bacteriën kunnen in de bodem terechtkomen vanuit de ontlasting van landbouwhuisdieren. Dat kan gebeuren wanneer de mest over het land wordt verspreid of de stallen worden schoongemaakt. Het kan ook via de uitwerpselen van dieren in de wei, zoals koeien en schapen, of van vrije uitloopdieren, zoals leghennen. Door regen kunnen de bacteriën vanuit de bodem in het oppervlaktewater terechtkomen. Hoe meer regenwater, hoe meer dat gebeurt. Rioolwater wordt op oppervlaktewater geloosd nadat rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI's) het hebben gezuiverd. Als er heel veel regen valt, is er te veel rioolwater en wordt een deel van het rioolwater ongezuiverd geloosd. Eerder RIVM-onderzoek toonde aan dat lozingen van zowel gezuiverd als ongezuiverd rioolwater de aantallen resistente bacteriën in het oppervlakteater vergroten. Dit keer zijn 51 wateren in landbouwgebied, verspreid over Nederland, onderzocht. In deze wateren komt geen rioolwater, waardoor de invloed van landbouw goed kon worden onderzocht. Elke maand zijn twee soorten resistente bacteriën (de ESBL-producerende E. coli en de AmpC-producerende E. coli) gemeten. Deze aantallen zijn gecombineerd met gegevens over het aantal dieren in het gebied en de hoeveelheid mest die over het land is uitgereden. Ook is gekeken naar de het seizoen, omdat niet in alle seizoenen mest wordt uitgereden. Ten slotte zijn gegevens over de hoeveelheid regen gebruikt.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

(Kosten)effectiviteit van twee interventies: Welzijn op recept en Gecombineerde Leefstijlinterventie bij Kinderen | RIVM

Bij lokale preventieve gezondheidsinterventies werken de zorg en de gemeente soms samen. Dit gaat niet altijd vanzelf, onder andere omdat de geldstromen niet helder zijn en de kosten en baten bij verschillende partijen terechtkomen. Een voorbeeld van een lokale interventie is Welzijn op recept. Hierbij verwijst de huisarts mensen met lichte psychische klachten, zoals rouw of eenzaamheid, door naar sociale activiteiten in de buurt. Betrokken organisaties hebben de indruk dat deelnemers van Welzijn op recept zich beter voelen en minder vaak onnodig de huisarts bezoeken. Om die indruk te bevestigen moet worden onderzocht of de interventie effect heeft. Dit blijkt uit een verkenning van het RIVM naar het nut van een kosten-baten rekentool voor Welzijn op recept, in opdracht van het ministerie van VWS. Een rekentool die de kosten en baten in geld uitdrukt heeft voor betrokken organisaties weinig meerwaarde. Aanbieders van zorg en ondersteuning willen vooral de interventie beter organiseren en de effecten op de deelnemers vergroten. Succesvolle elementen van Welzijn op recept zijn de verwijzing van de huisarts, korte lijnen en goede samenwerking tussen de huisarts en de welzijnscoach. Dit organisatievraagstuk is belangrijker dan de financiering. Landelijk gezien kan een rekentool geldstromen inzichtelijk maken en structuur aanbrengen in de financiering van het grijze gebied tussen zorg en welzijn. Maar ook daarvoor is eerst meer kennis nodig over de effectiviteit van de interventie. VWS heeft ook gevraagd wat de beste maatregel is om overgewicht bij kinderen tegen te gaan. Hoewel verschillende interventies voeding, beweging en gedrag combineren, variëren ze nogal in opzet en effectiviteit. Zo zijn er interventies voor thuis en op school. Ook verschillen de resultaten. Om te kunnen zeggen welk type het meest effectief is, is uitgebreid literatuuronderzoek nodig.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

The National Immunisation Programme in the Netherlands: Surveillance and developments in 2018-2019 | RIVM

In 2018 zijn ongeveer 880.000 kinderen van 0 tot 19 jaar gevaccineerd via het Rijksvaccinatieprogramma (RVP). In totaal ontvingen zij 2.266.000 vaccinaties. De daling in deelname aan het RVP die sinds 2014 was te zien, is tot stilstand gekomen. Net als in voorgaande jaren waren er in 2018 weinig meldingen van Haemophilus influenzae type b (Hib; 43), meningokokken-C (3), difterie (2), tetanus (1), rodehond (0) en polio (0). Het aantal meldingen van bof was iets hoger (73 versus 46 in 2017); het aantal meldingen van kinkhoest bleef onverminderd hoog (4897). In 2018 overleed een jonge zuigeling aan kinkhoest, en begin 2019 een zuigeling en een ongevaccineerde oudere patiënt. Het aantal gevallen van mazelen nam toe van 24 in 2018 tot 45 in de eerste helft van 2019. In juni 2019 begon een lokale uitbraak van mazelen in Urk, een gemeente met relatief weinig gevaccineerde mensen. De uitbraak is inmiddels voorbij. Het aantal mensen met pneumokokkenziekte door een serotype dat in het vaccin zit bleef erg laag (1 kind jonger dan 5 jaar). Wel hebben wat meer mensen pneumokokkenziekte gekregen door serotypes die niet in het vaccin zitten (70 kinderen jonger dan 5 jaar in winterseizoen 2018/2019 ten opzichte van 46 in 2017/2018). Door een stijging van het aantal gemelde meningokokkenziekte type W sinds 2015 is in 2018 de MenACWY-vaccinatie ingevoerd. In de eerste zes maanden van 2019 daalde het aantal meldingen van meningokokkenziekte type W (39). Alleen bij mensen die ouder zijn dan 80 was deze daling niet te zien. De Gezondheidsraad heeft geadviseerd dat de eerste vaccinatie van een baby kan worden uitgesteld wanneer de moeder tegen kinkhoest is gevaccineerd tijdens de zwangerschap. Het aantal vaccinaties voor de baby kan hierdoor worden teruggebracht van drie naar twee. De vaccinatie voor zwangeren start in december 2019. Het ministerie van VWS heeft op advies van de Gezondheidsraad besloten om de HPVvaccinatie ook voor jongens aan te bieden en de leeftijd van vaccinatie te verlagen van 12 naar 9 jaar. Ook wordt gekeken naar de mogelijkheden om ongevaccineerde jongens en meisjes de vaccinatie tot en met 26 jaar nog aan te bieden.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Cosmetovigilance in the Netherlands 2017-2018 | RIVM

Cosmetica zijn in principe veilig maar kunnen soms huidklachten veroorzaken, zoals roodheid en jeuk. Het RIVM beheert sinds 2009 een systeem waarin deelnemende dermatologen ongewenste en allergische reacties na gebruik van cosmetica kunnen registreren (CESES, Consumer Exposure Skin Effects and Surveillance). In het afgelopen jaar meldden de dermatologen vooral klachten op het gezicht en de handen na gebruik van make-up, huid- of gezichtsverzorgingsproducten en haarproducten. De meest gestelde diagnose is contactallergie. Geurstoffen en (meth)acrylaten veroorzaakten de meeste allergische reacties. Dit blijkt uit een overzicht van de 53 meldingen die binnen CESES tussen 1 oktober 2017 en 31 december 2018 zijn afgerond. Om te bepalen welk ingrediënt de klacht veroorzaakt, voeren dermatologen bij deze patiënten een allergieonderzoek uit, indien nodig met specifieke ingrediënten uit het verdachte product. Geurstoffen vormen een diverse groep stoffen. Relatief veel geurstoffen hebben allergene eigenschappen. Ook in vorige jaren werden veel gemelde klachten veroorzaakt door geurstoffen. (Meth)acrylaten worden veel gebruikt in nagelproducten. Ze vormen een hard laagje na polymerisatie, bijvoorbeeld na blootstelling aan UV-licht. De monomeren kunnen een allergie veroorzaken als ze in contact komen met de huid. Het aantal reacties veroorzaakt door (meth)acrylaten is hoger dan in voorgaande jaren. Ongeveer de helft van deze meldingen betrof klachten bij professionals door gebruik van nagelproducten (bijvoorbeeld nagelstylistes). In vergelijking met voorgaande jaren zijn er minder meldingen van klachten veroorzaakt door isothiazolinonen. Dit komt waarschijnlijk door de aanscherping van de Europese Cosmetica wetgeving ter beperking van het gebruik van methylisothiazolinone (MI) met ingang van begin 2018. Er zijn drie meldingen van reacties op tatoeages. In alle drie de gevallen ging het om een reactie op rode inkt. In geen van de gevallen kon het allergene bestanddeel worden gevonden. VWS heeft besloten CESES eind 2018 te beëindigen. Onderzocht wordt of er een andere manier voor dermatologen is om ongewenste huidreacties veroorzaakt door cosmetica en mogelijk andere consumentenproducten te kunnen blijven monitoren.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Staat van Zoönosen 2018 | RIVM

Dit rapport bevat een erratum d.d. 13-02-2020 op de pagina's 88-89 Zoönosen zijn infectieziekten die van dieren naar mensen kunnen worden overgedragen. Evenals in vorige jaren waren er in 2018 geen opmerkelijke veranderingen te zien in de mate waarin zoönosen voorkomen in Nederland. Ook in 2018 zorgden bacteriële infecties via voedsel, zoals Campylobacter, Listeria monocytogenes, Salmonella en STEC, voor de meeste infecties bij mensen. Het aantal mensen met een STEC-infectie is, na de daling van de afgelopen jaren, weer iets gestegen ten opzichte van 2017. In 2014 is het aantal gevallen van leptospirose sterk gestegen, waarna het aantal langzaam is afgenomen. De ziekte kan onder andere worden opgelopen door te zwemmen in oppervlaktewater dat met rattenurine is besmet. Ook in 2018 is het aantal gevallen weer lager, maar nog wel hoger dan voor 2014. Teken kunnen diverse zoönosen overbrengen. De ziekte van Lyme is de bekendste en komt het meest voor. Een minder bekende zoönose is een infectie met Borrelia miyamotoi. In 2018 is voor de tweede keer in Nederland bij iemand deze diagnose gesteld. Net als in de afgelopen drie jaar zijn de Nederlandse vogels (vooral merels) ook in 2018 hard getroffen door het Usutuvirus. Deze zoönose veroorzaakte nauwelijks ernstige ziekteverschijnselen bij mensen. Dit blijkt uit de Staat van Zoönosen 2018. Het RIVM geeft elk jaar een overzicht van de zoönosen die voor Nederland van belang zijn en welke ontwikkelingen daarin te zien zijn. Het gaat om de zoönosen die onder andere vanwege hun besmettelijkheid moeten worden gemeld bij de GGD (voor mensen) of de NVWA (voor dieren). Het themahoofdstuk van de Staat van Zoonosen gaat dit jaar over preventie van zoönosen, met de nadruk op de productieketen van dierlijk voedsel. Het hoofdstuk geeft onder andere een globaal overzicht van maatregelen in Nederland om zoönosen bij mensen te voorkomen. Zo worden melkgeiten gevaccineerd tegen q-koorts. Het personeel van slachterijen treft hygiënemaatregelen om te voorkomen dat zij zichzelf en het vlees besmetten. Voorbeelden daarvan zijn bedrijfskleding dragen, handen wassen en niet eten, roken of drinken tijdens de werkzaamheden. Ook kunnen consumenten thuis besmetting voorkomen, bijvoorbeeld door hun eten onder de juiste temperaturen te bewaren.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Tuberculose in Nederland 2018 : Surveillancerapport inclusief rapportage monitoring van interventies | RIVM

Dit rapport bevat een erratum d.d. 15-01-2020 op pagina 86 Het aantal tbc-patiënten in Nederland daalt de laatste tien jaar geleidelijk. In 2018 was er een kleine toename doordat er meer tbc bij minderjarige asielzoekers uit Eritrea voorkwam. In 2018 zijn er 806 patiënten gerapporteerd, ten opzichte van 783 in 2017. Tuberculose komt vaker voor bij personen die niet in Nederland zijn geboren; in 2018 waren dat meer dan driekwart van de zieken. Net als in de voorgaande jaren kwam de grootste groep patiënten uit Eritrea (133), gevolgd door Marokko (66) en India (46). In Afrika en Azië komt deze ziekte veel voor. Meer dan de helft van de tbc-patiënten die geboren zijn in het buitenland, verbleef relatief kort (minder dan vijf jaar) in Nederland. Dit zijn grotendeels asielzoekers die in 2015 en 2016 in Europa kwamen. Dit blijkt uit de cijfers over 2018. Het RIVM rapporteert deze cijfers jaarlijks om de effecten te monitoren van maatregelen om tuberculose in Nederland terug te dringen. Deze maatregelen staan beschreven in het Nationaal Plan Tuberculosebestrijding 2016-2020. Tuberculose wordt door een bacterie veroorzaakt en moet worden gemeld bij de GGD in de woonplaats van de patiënt. In 2018 ging meer dan driekwart van de patiënten zelf naar een dokter. Veertien procent is gevonden door risicogroepen, zoals immigranten en asielzoekers, bij aankomst in Nederland te onderzoeken op tuberculose. Tuberculose kan besmettelijk zijn, bijvoorbeeld als het in de longen zit, maar dat hoeft niet. De besmettelijkste vorm (open tuberculose) is in 2018 bij een kwart van de patiënten geconstateerd. Door zo vroeg mogelijk op te sporen wie in de omgeving van een patiënt besmet is geraakt, kon worden voorkomen dat meer mensen tuberculose krijgen. Zes procent van de patiënten in 2018 is op deze manier gevonden.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Potentiële stralingsbelasting na het overlijden van patiënten behandeld met radioactieve stoffen | RIVM

Om bepaalde ziekten (zoals prostaatkanker) te behandelen krijgen patiënten radioactieve stoffen toegediend, bijvoorbeeld via een infuus of een pil. Door de behandeling kunnen deze patiënten tijdelijk zelf een bron van straling worden en mensen in hun directe omgeving aan straling blootstellen. Dit kan ook gebeuren als een patiënt kort na behandeling overlijdt en daarna wordt begraven of gecremeerd. Als bekend is dat de patiënt een bron van straling is, kunnen maatregelen worden genomen om de blootstelling te beperken. Die gaan bijvoorbeeld over het afstand houden tot de patiënt. Als dit niet bekend is, en dus geen maatregelen zijn getroffen, kunnen naasten en personeel van een uitvaartorganisatie worden blootgesteld aan extra straling. Bij een crematie kunnen ook medewerkers van crematoria en omwonenden worden blootgesteld aan de straling die vrijkomt. Het RIVM heeft daarom onderzocht wat de blootstelling kan zijn wanneer een patiënt kort na een behandeling met radioactieve stoffen overlijdt en er geen maatregelen zijn getroffen. De blootstelling blijkt het hoogst indien een patiënt die lijdt aan neuroblastoom of schildklierkanker kort na de behandeling met jodium-131 overlijdt. De (over het hele lichaam) meest blootgestelde personen zijn familieleden en werknemers van uitvaartorganisaties die betrokken zijn bij de verzorging van de overledene. De berekende blootstelling is in deze gevallen lager dan de dosiscriteria. Als er meer tijd zit tussen de behandeling en overlijden, zal de blootstelling in alle gevallen (veel) lager zijn. Als de overledene wordt gecremeerd, is de extra blootstelling van mensen die in de buurt van het crematorium wonen lager dan de natuurlijke straling die wij allen tijdens twee dagen ontvangen. Het is onwaarschijnlijk dat personen die in de uitvaartsector werken de onderzochte situaties meer dan 1 à 2 keer in een jaar tegenkomen.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Creating safe and sustainable material loops in a circular economy : Proposal for a tiered modular framework to assess options for material recycling | RIVM

Het RIVM heeft de basis gelegd voor een raamwerk om te beoordelen of grondstoffen uit afval veilig én duurzaam kunnen worden gebruikt. Met deze integrale benadering wordt de risicobeoordeling van stoffen naast de voordelen van hergebruik voor het milieu geplaatst, bijvoorbeeld hoeveel uitstoot van CO2 wordt bespaard. Door dit allebei inzichtelijk te maken wordt duidelijk wat nodig is om de risico's voor het milieu voldoende te beperken en wat die inspanning oplevert aan duurzaamheid. Op basis van deze informatie kunnen zowel de industrie als beleidsmakers een afweging maken over het gebruik van teruggewonnen grondstoffen. Andere waarden, zoals economische kosten en sociale acceptatie, zijn nog buiten beschouwing gebleven. Het raamwerk voegt wettelijk vastgestelde regels, bestaande risicogrenzen en nieuwe methoden samen tot één samenhangend, getrapt systeem. Het ondersteunt zo het uitgangspunt van de Nederlandse overheid om efficiënt om te gaan met grondstoffen en het milieu minder te belasten. De veiligheid voor mens en milieu is een randvoorwaarde voor de overgang naar de circulaire economie, waarin zo veel mogelijk materialen uit afvalstromen opnieuw worden gebruikt. Materiaal dat wordt gerecycled, kan risico's voor het milieu met zich meebrengen wanneer het bijvoorbeeld zeer zorgwekkende stoffen (ZZS), geneesmiddelresten, bestrijdingsmiddelen of ziekteverwekkers bevat. Wetgeving en beleidskaders voorkomen de risico's gedeeltelijk. De huidige regelgeving is echter nog onvoldoende ingericht op het gebruik van gerecycled materiaal. Zo kan de regelgeving het gebruik van stoffen in nieuwe producten verbieden, zoals brandvertragers, terwijl ze in afvalstromen zitten van producten die zijn gemaakt toen het verbod nog niet gold. Daarnaast kan regelgeving ontbreken, bijvoorbeeld voor geneesmiddelresten. Het raamwerk is met drie casussen getest: fosfaat terugwinnen uit afvalwater, piepschuim recyclen en het gebruik van rubbergranulaat uit oude autobanden. Het RIVM wil met de industrie en de overheid in gesprek over de praktische toepasbaarheid van het raamwerk en de verdere uitwerking ervan. Door het raamwerk uit te breiden met andere veiligheids-en duurzaamheidsthema's, wordt het breder toepasbaar.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Seoulvirus bij gehouden ratten in Nederland | RIVM

Ratten kunnen het seoulvirus bij zich dragen. Dit virus kan op mensen worden overdragen als zij in contact komen met urine, keutels of speeksel van besmette ratten. Het RIVM heeft daarom onderzoek gedaan bij 175 ratten van 29 particuliere eigenaren, 7 hobbyfokkers en 9 commerciële fokkers van (voeder)ratten in Nederland. Eén rat van een particuliere eigenaar droeg het virus bij zich. Bij 1 hobbyfokker was een kwart van de geteste ratten besmet. Bij 2 commerciële (voeder)rattenfokkers was dit ongeveer de helft van de geteste ratten. Hoeveel besmette ratten er in Nederland precies zijn, is moeilijk te bepalen. Het is niet bekend hoeveel ratten er in Nederland worden gehouden en gefokt. Ook blijken er veel ratten uit het buitenland te worden ingevoerd. Sinds 2016 is seoulvirus bij 5 patiënten in Nederland aangetoond. Ze hadden allemaal contact gehad met tamme huisdierratten of voederratten. Om te voorkomen dat meer mensen ziek worden is betere voorlichting voor particulieren en bedrijven belangrijk. Bijvoorbeeld over de mate waarin seoulvirus voorkomt, over ziekteverschijnselen en over hygiënemaatregelen. Een voorbeeld is handen wassen na contact met ratten. Of het nat maken van het strooisel bij het schoonmaken van de kooi om te voorkomen dat verzorgers besmette stofdeeltjes inademen. Om te voorkomen dat seoulvirus binnen en tussen bedrijven wordt verspreid, zijn maatregelen nodig. Welke maatregelen effectief en haalbaar zijn, moet nog worden onderzocht. Een klein deel van de mensen die geïnfecteerd raken met seoulvirus wordt ziek. Meestal krijgen ze milde klachten zoals grieperigheid. Soms ontstaan klachten zoals koorts, overgeven, diarree, algehele malaise, spierzwakte in de benen en lage rugpijn. Heel soms zijn de klachten ernstiger: zoals leverontsteking, nierfalen of inwendige bloedingen. Ratten worden zelf niet ziek van het virus.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Standard time, summer time and health : A literature study into the health effects of different time settings | RIVM

De Europese Commissie heeft in 2018 voorgesteld dat alle lidstaten een vaste tijdinstelling kiezen voor het hele jaar, en dus niet meer wisselen tussen standaardtijd (wintertijd) en zomertijd. Het RIVM heeft een internationaal literatuuronderzoek uitgevoerd naar de effecten op de gezondheid van deze twee tijdinstellingen, inclusief de effecten van de wisselingen. Het blijkt beter te zijn voor de volksgezondheid wanneer Nederland het hele jaar door de standaardtijd zou aanhouden. In Nederland wisselen we nu twee keer per jaar tussen de standaardtijd en zomertijd. Direct na de wisselingen slapen mensen slechter; vooral direct na de wisseling naar de zomertijd slapen mensen korter. Ook zijn er gezondheidseffecten te zien na de wisselingen. Zo komen er meer hartinfarcten voor direct na de wisseling naar de zomertijd. Zulke directe effecten treden niet meer op bij een vaste tijdinstelling voor het hele jaar. Vooral zonlicht heeft invloed op het bioritme van de mens - het moment waarop we 's ochtends wakker worden en 's avonds slaperig. Het is voor de volksgezondheid dan ook het beste om een tijd in te stellen die aansluit op het natuurlijke dag- en nachtritme op aarde. Dat betekent een instelling waarbij de zon vroeg opkomt, wat het geval is bij de standaardtijd. Wanneer we het hele jaar door zomertijd instellen, is dat voor de gezondheid minder gunstig dan het hele jaar door standaardtijd. Dit blijkt uit studies naar slaap- en gezondheidsaspecten, zoals slaapduur en -kwaliteit, overgewicht, het aantal mensen met kanker, en de levensverwachting in het algemeen. Voor de volksgezondheid zou het zelfs nog beter zijn als Nederland de tijd rond de nulmeridiaan in Greenwich (Engeland) het hele jaar door instelt; dat is 1 uur vroeger dan onze standaardtijd. De huidige standaardtijd voor Nederland is sinds de Tweede Wereldoorlog wettelijk ingesteld, hoewel het geografisch gezien in de zone van de nulmeridiaan ligt. Dit literatuuronderzoek is in opdracht van het ministerie van VWS uitgevoerd. De studies waarop deze conclusies zijn gebaseerd, gaan over andere landen dan Nederland.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Dreigingen uit het buitenland voor de volksgezondheid in Nederland. Een quickscan | RIVM

Mondiale ontwikkelingen, zoals klimaatverandering, toenemende mobiliteit en technologische ontwikkelingen, veroorzaken steeds vaker dreigingen voor de volksgezondheid in Nederland. Om meer inzicht te krijgen in dit type dreigingen heeft het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) het RIVM de opdracht gegeven hier een quickscan naar te doen. Belangrijke dreigingen van buitenaf zijn onder andere extreem weer door klimaatverandering en de aantasting van de leefomgeving, zoals lucht-, bodem- en waterverontreiniging. Ook wordt het steeds lastiger om bijvoorbeeld de kwaliteit te controleren van producten die buiten Nederland zijn geproduceerd, zoals medicijnen of nieuwe tabaksproducten. Door de toenemende mobiliteit (immigratie en wegtrekkende hoogopgeleide jongeren) is in Caribisch Nederland de vraag naar zorg groter dan het aanbod. De resultaten geven geen volledig beeld van alle mogelijke dreigingen en oplossingsrichtingen. Het is een eerste stap om meer zicht te krijgen op de effecten van globalisering op onze volksgezondheid. Het ministerie van VWS wil deze quickscan gebruiken als startpunt voor verdere discussie over prioriteiten en om (interdepartementaal) beleid te ontwikkelen. Deze achtergrondrapportage beschrijft de resultaten in detail en de manier waarop het RIVM hiertoe is gekomen. Daarnaast zijn de resultaten van de quickscan weergegeven in een serie infographics
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Contra-expertise op bepalingen van radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht van Urenco Nederland B.V. Periode 2017 | RIVM

De fabriek Urenco Nederland, die uranium verrijkt, meet hoeveel radioactiviteit het in het eigen afvalwater en ventilatielucht loost. Het RIVM controleert deze metingen acht keer per jaar. Met deze 'contra-expertise' controleert RIVM of de analyses die Urenco zelf uitvoert, betrouwbaar zijn. De te analyseren monsters worden verspreid over het jaar door Urenco genomen. Net als in voorgaande jaren komen de totaal-alfa resultaten en de gamma-analyses van afvalwater uit de contra-expertise in 2017 redelijk overeen. Uit de metingen blijkt dat de activiteitsconcentraties in afvalwater in de acht monsters betrekkelijk laag zijn: 0,4 - 9 kBq.m-3 voor totaal-alfa en 0,4 - 14 kBq.m-3 voor totaal-bèta. In het monster met 14 kBq.m-3 aan totaal-bèta activiteitsconcentratie was waarschijnlijk het natuurlijke nuclide 40K de oorzaak van deze verhoging. De radioactiviteit in ventilatielucht ligt zeer dicht bij het niveau van de hoeveelheid radon die van nature in de buitenlucht aanwezig is. Voor totaal alfa is een activiteitsconcentratie van 0,006 - 0,04 mBq.m-3 gevonden en voor totaal bèta 0,02 - 0,23 mBq.m-3. De resultaten van de meetwaarden van Urenco in ventilatielucht kwamen redelijk overeen met de RIVM-analyses. In buitenlucht wordt de natuurlijke totaal alfa en bèta-activiteit veroorzaakt door radon-dochters, net als de verhouding tussen de totaal alfa- en totaal bèta-activiteit. De verhouding zou heel anders zijn wanneer uranium vrijkomt. Daarom is het aannemelijk dat er in 2017 geen uranium in ventilatielucht is vrijgekomen. RIVM voert de contra-expertises jaarlijks uit in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Contra-expertise op bepalingen van radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht van COVRA N.V. Periode 2017 | RIVM

De Centrale Organisatie voor Radioactief Afval (COVRA) meet hoeveel radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht wordt geloosd. Het RIVM controleert deze metingen acht keer per jaar. Met deze 'contra-expertise' controleert het RIVM of de analyses die COVRA zelf uitvoert, betrouwbaar zijn. De te analyseren monsters worden verspreid over het jaar door COVRA genomen. Net als in voorgaande jaren komen de gamma-analyses van afvalwater uit de contra-expertise in 2017 op hoofdlijnen overeen met de resultaten van de COVRA. De analyses van het RIVM en COVRA in de gamma-spectrometrische resultaten, de resultaten van de totaal-alfa bepaling, tritiumbepaling en de 14C-bepaling in afvalwater kwamen redelijk tot goed overeen. Hoewel het RIVM en COVRA verschillende meetprincipes gebruiken, komen de totaal bèta-meetwaarden van het RIVM en de rest bèta-meetwaarden van COVRA in 2017 goed overeen. Ook kwamen de resultaten van het RIVM en COVRA van de ventilatieluchtmonsters van het Afvalverwerkingsgebouw (AVG) en het Hoogradioactief Afval Behandelings- en Opslag Gebouw (HABOG) goed overeen. Het RIVM voert de contra-expertises jaarlijks uit in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Contra-expertise op bepalingen van radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht van de kernenergiecentrale Borssele. Periode 2017 | RIVM

De kerncentrale Borssele (KCB) meet hoeveel radioactiviteit de centrale in afvalwater en ventilatielucht loost. Het RIVM controleert deze metingen acht keer per jaar. Met deze 'contra-expertise' controleert RIVM of de analyses die de kerncentrale zelf uitvoert, betrouwbaar zijn. De te analyseren monsters worden verspreid over het jaar door KCB genomen. Net als in voorgaande jaren komen de gamma-analyses van afvalwater uit de contra-expertise in 2017 op hoofdlijnen overeen met de resultaten van de kerncentrale. Enkele verschillen waren zichtbaar bij radionucliden in twee afvalwatermonsters. In de overige zes monsters was de overeenstemming goed. De overeenkomst in de 3H-data was redelijk, maar kan nog worden verbeterd. Zowel de kerncentrale als het RIVM heeft geen strontium-isotopen en alfa-activiteit in het afvalwater aangetroffen. In ventilatielucht heeft zowel het RIVM als de kerncentrale geen gamma-activiteit aangetroffen. De resultaten van de bepaling van 3H en 14C in ventilatielucht, bemonsterd met een zeolietpatroon van 2017 kwamen goed (3H) en redelijk (14C) overeen. Het RIVM voert de contra-expertises jaarlijks uit in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Contra-expertise op bepalingen van radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht van NRG. Periode 2017 | RIVM

Het nucleair bedrijf NRG te Petten meet hoeveel radioactiviteit het in het eigen afvalwater en ventilatielucht loost. Het RIVM controleert deze metingen acht keer per jaar. Met deze 'contra-expertise' controleert RIVM of de analyses die NRG zelf uitvoert, betrouwbaar zijn. De te analyseren monsters worden verspreid over het jaar door NRG genomen. Net als in voorgaande jaren komen de totaal-alfa resultaten en de gamma-analyses van afvalwater uit de contra-expertise in 2017 (zeer) goed overeen. De overeenstemming in de totaal-beta resultaten is matig en kan aanzienlijk worden verbeterd. Dit resultaat wordt deels verklaard doordat er veel kortlevende beta-stralers in het afvalwater aanwezig zijn. Een andere verklaring zijn verschillen in de meetmethoden van NRG en het RIVM. De vergelijking in de 3H resultaten in afvalwater is goed. De ventilatieluchtresultaten geven geen reden voor discussie. In vijf monsters heeft RIVM een zeer lage activiteitsconcentratie aan 131I gevonden, in zes monsters 133Xe, in acht monsters 137Cs, in zeven monsters 191Os, en in één monster een zeer lage activiteitsconcentratie aan 203Hg. Al deze waarden vallen ruim onder de detectiegrens van NRG. De meetwaarden voor totaal-alfa en totaal-bèta in ventilatielucht liggen, op enkele uitzonderingen na, onder de detectiegrens. De activiteits-concentraties in enkele monsters liggen in de range van wat er in buitenlucht wordt aangetroffen en hebben waarschijnlijk een natuurlijke oorsprong. Het RIVM voert de contra-expertises jaarlijks uit in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Gammastralingsniveaumetingen aan de terreingrens van COVRA N.V. te Borsele in 2018 met het MONET-meetnet | RIVM

Het gammastralingsniveau aan de terreingrens van de Centrale Organisatie voor Radioactief Afval (COVRA N.V.) te Borsele lag in 2018 onder het toegestane maximum van 40 microsievert per jaar. De hoogste vastgestelde dosis is 3,0 microsievert. Dit blijkt uit controlemetingen van het RIVM. Het RIVM rapporteert jaarlijks in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) en toetst of COVRA N.V. aan de vergunningseis voldoet. COVRA N.V. moet ervoor zorgen dat personen buiten de terreingrens aan maximaal 40 microsievert per jaar worden blootgesteld. Dat is in de kernenergiewetvergunning vastgesteld. Om de maximale effectieve dosis te berekenen wordt het gammastralingsniveau op twaalf locaties langs de terreingrens gemeten. Dit gebeurt met het door het RIVM beheerde MONET-meetnet. Van de metingen wordt vervolgens de hoeveelheid die van nature voorkomt afgetrokken (natuurlijke achtergrondwaarde). De resulterende meetwaarde wordt gecorrigeerd met de zogeheten Actuele Blootstellings Correctiefactor (ABC-factor). Een ABC-factor hangt samen met de bestemming van het gebied waar de effectieve gammastralingsdosis kan worden opgelopen. Na het gebruik van de ABC-factor is de berekende maximale effectieve gammadosis 3,0 microsievert per jaar. Dit is ruim onder de maximaal toegestane jaarlijkse limiet. In dit rapport zijn de daggemiddelden van de metingen van de twaalf MONET-monitoren aan de terreingrens van COVRA N.V. in 2018 weergegeven. Ook wordt uitgelegd hoe voor elk meetpunt de natuurlijke achtergrondwaarde is bepaald.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Stralingsniveaumetingen aan de terreingrens van de EPZ kerncentrale Borssele in 2018 | RIVM

Het gammastralingsniveau aan de terreingrens van kerncentrale Borssele lag in 2018 onder het toegestane maximum van 10 microsievert per jaar. De hoogste vastgestelde dosis is 0,8 microsievert. Dit blijkt uit controlemetingen van het RIVM. Het RIVM rapporteert jaarlijks in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) of de kerncentrale aan de vergunningseis voldoet. De kerncentrale moet ervoor zorgen dat de blootstelling van personen buiten de terreingrens maximaal 10 microsievert per jaar is. Dat is in de revisie van de kernenergiewetvergunning van 2016 vastgelegd. Om de maximale effectieve dosis te berekenen wordt op de terreingrens het gammastralingsniveau gemeten. Dit gebeurt met het door het RIVM beheerde MONET-meetnet. Van de meting wordt vervolgens de natuurlijke achtergrondwaarde afgetrokken. De resulterende meetwaarde wordt gecorrigeerd met de zogeheten Actuele Blootstelling Correctiefactor (ABC-factor). Een ABC-factor hangt samen met de bestemming van het gebied waar de effectieve stralingsdosis kan worden opgelopen. Rond het terrein van kerncentrale Borssele is de bestemming uitsluitend industriële doeleinden en daarvoor geldt een ABC-factor van 0,2. Na de toepassing van deze ABC-factor is de berekende maximale effectieve dosis 0,8 microsievert per jaar. In 2018 is met acht monitoren op de terreingrens het gammastralingsniveau continu gemeten. In dit rapport zijn de daggemiddelden van de metingen van de MONET-monitoren rond de kerncentrale in 2018 weergegeven. Ook wordt uitgelegd hoe voor elk meetpunt de natuurlijke achtergrondwaarde is bepaald.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Loodinname via kraanwater : Blootstellings- en risicobeoordeling voor diverse risicogroepen | RIVM

Mensen kunnen via kraanwater lood binnenkrijgen. Dit is vooral het geval bij oude huizen die nog loden waterleidingen hebben. Ook kan in huizen met nieuwe leidingen en kranen die nog niet goed zijn doorgespoeld, tijdelijk meer lood in het kraanwater zitten. Het RIVM heeft berekend dat kraanwater in deze situaties een grote bijdrage kan leveren aan de totale dagelijkse blootstelling aan lood via voedsel en water. Voor baby's die flesvoeding krijgen met kraanwater uit deze leidingen kan die bijdrage oplopen tot 80 procent. Bewoners krijgen in deze situaties meer lood binnen dan wat als veilig wordt beschouwd. Bewoners van oude huizen met loden waterleidingen kunnen hun blootstelling aan lood verlagen door oude loden leidingen te laten vervangen. Bewoners van huizen met nieuwe leidingen en/of kranen wordt aangeraden het doorspoeladvies op te volgen. Blootstelling aan lood kan een negatief effect hebben op het IQ van kinderen. Bij volwassenen kan het een grotere kans op nierziekten of een hogere bloeddruk geven. Het RIVM heeft berekend wat vier risicogroepen (het ongeboren kind, flesgevoede baby's, kinderen tot 7 jaar, en volwassenen) aan lood kunnen binnenkrijgen. Omdat mensen ook via voedsel worden blootgesteld aan lood, is deze bron ook meegenomen in de berekeningen. De berekende totale inname is ten slotte vergeleken met de grenswaarde, waarboven schadelijke effecten kunnen optreden. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) als ondersteuning van de GGD'en. GGD'en zullen de onderzoekresultaten en conclusies gebruiken om met relevante partners één duidelijke voorlichtingsboodschap te maken.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2019 | RIVM

Dit rapport bevat een erratum d.d. 02-12-2019 na pagina 46 Op basis van ritgegevens over het jaar 2018 heeft het RIVM berekend hoeveel ambulances er in Nederland nodig zijn. Op werkdagen overdag zijn er 626 ambulances nodig, twaalf meer dan uit de doorrekening over 2017 bleek. De berekeningen wijzen uit dat er op zaterdagen overdag twaalf en op zondagen overdag elf ambulances meer nodig zijn dan in het referentiekader-2018 was bepaald. De stijging op landelijk niveau van twaalf ambulances is groter dan in het referentiekader-2018. Toen waren er nog vijf ambulances meer nodig ten opzichte van het voorgaande jaar. De toename komt doordat er 2 procent meer spoedeisende inzetten waren dan in 2017. Ook steeg de gemiddelde ritduur in 2018: met 3,2 procent voor inzetten voor levensbedreigende situaties (A1-urgentie), met 2,4 procent voor inzetten voor niet levensbedreigende situaties (A2-urgentie), en met 5,8 procent voor planbare inzetten. Het aantal inzetten in de planbare ambulancezorg daalde met 3,0 procent. De benodigde capaciteit van de ambulancezorg in Nederland wordt berekend met behulp van een zogeheten referentiekader. Dit kader definieert het aantal ambulances waarmee de ambulancezorg in Nederland kan worden uitgevoerd. Dit gebeurt op basis van een aantal randvoorwaarden, zoals de tijd na een melding waarbinnen een ambulance ter plaatse moet zijn en de spreiding van de standplaatsen over het land. In opdracht van het ministerie van VWS heeft het RIVM het referentiekader in 2019 geactualiseerd met cijfers over het gebruik van ambulancezorg in Nederland in 2018.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Environmental radioactivity in the Netherlands : Results in 2017 | RIVM

In 2017 voldeed Nederland aan de Europese verplichting om elk jaar te meten hoeveel radioactiviteit in het milieu en in voeding zit. Alle landen van de Europese Unie zijn volgens het Euratom-verdrag uit 1957 verplicht om dat te doen. Nederland volgt daarbij de aanbevelingen op uit 2000 om de metingen op een bepaalde manier te doen. De metingen leveren achtergrondwaarden op, ofwel radioactiviteitsniveaus die er onder normale omstandigheden zijn. Deze waarden kunnen bij bijvoorbeeld calamiteiten of rampen als referentie dienen. Het RIVM brengt namens Nederland verslag uit aan de Europese Unie over radioactiviteit in het milieu. Radioactiviteit in lucht, voedsel, melk, gras en veevoer De radioactiviteitsniveaus in lucht laten een normaal beeld zien, net als in eerdere jaren. De radioactiviteitsniveaus in voedsel en melk liggen net als in vorige jaren onder de Europese limieten voor consumptie en export. Eén van de bijna 2.600 monsters is hierop een uitzondering. Dit was een wild zwijn-monster waarvan het radioactiviteitsniveau ongeveer 10 procent hoger was dan de limiet. Als iemand één keer van dit dier eet, is het risico voor de gezondheid gering. Ook de radioactiviteitsniveaus in gras en veevoer laten een normaal beeld zien, net als de jaren ervoor. Radioactiviteit in oppervlaktewater, zeewater en drinkwater De radioactiviteitsniveaus in oppervlaktewater en zeewater zijn vergelijkbaar met die van eerdere jaren. De niveaus van het merendeel van de monsters (95 procent) van ongezuiverd water voor de drinkwaterproductie liggen onder de zogeheten referentiewaarde: boven deze waarde moet verder onderzoek worden uitgevoerd. De niveaus van een klein aantal monsters ongezuiverd water (20) zaten daar licht boven. Deze verhogingen zijn zo klein dat ze niet schadelijk zijn voor de gezondheid. Het vervolgonderzoek liet ziet dat de niveaus in het gezuiverde drinkwater ruim onder de referentiewaarden lagen.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Zout-, suiker- en verzadigd vetgehalten in voedingsmiddelen : RIVM Herformuleringsmonitor 2018 | RIVM

Het Nederlandse voedingsbeleid is erop gericht om het voor consumenten gemakkelijk te maken voor gezonde producten te kiezen. Dat gebeurt onder andere door producenten te stimuleren om de hoeveelheid zout, suiker en verzadigd vet in voedingsmiddelen te verlagen. Het RIVM brengt daarom elke twee jaar in kaart hoeveel zout, suiker en verzadigd vet in het aanbod van voedingsmiddelen in supermarkten zit. Voor een aantal productgroepen hebben producenten afspraken gemaakt over maximale gehalten. Het RIVM inventariseert ook hoeveel producten aan deze afspraken voldoen. Het percentage producten dat in 2018 op of onder de afgesproken maximum gehalten uitkwam, varieert. Voor zout is dat bij 85 procent van de vleeswaren het geval, bij 58 procent van de vleesconserven, bij 68 procent van de soepen en bouillons en bij 71 procent van de sauzen. Voor verzadigd vet zit 94 procent van de vleeswaren en 72 procent van de cakes die bereid zijn met margarine op of onder het gestelde maximum. De afspraken over de maximale gehalten vloeien voort uit het Akkoord Verbetering Productsamenstelling dat het ministerie van VWS in 2014 heeft gesloten met de brancheorganisaties van voedingsmiddelenindustrie, supermarkten, horeca en catering om de samenstelling van voedingsmiddelen te verbeteren. De afspraken gelden voor een klein deel van het productaanbod. Door voor meer producten afspraken te maken en/of bestaande afspraken aan te scherpen, kan meer resultaat worden behaald. Om de productsamenstelling te volgen is in 2018 een nieuwe werkwijze ontwikkeld. Daardoor kan op basis van deze monitor niet worden gezegd of de gehalten door de jaren heen zijn gedaald en in welke mate. De nieuwe werkwijze maakt gebruik van productgegevens in de Levensmiddelendatabank. Dit is een database met productgegevens die door supermarkten en fabrikanten worden aangeleverd. Door de nieuwe werkwijze zijn gegevens over veel meer producten beschikbaar (ruim 50.000 producten) dan voorheen. Bij eerdere 'monitors' zijn onder andere metingen van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) gebruikt. Voor sommige productgroepen kan met gegevens van de Levensmiddelendatabank niet worden bepaald of producten aan het afgesproken maximum voldoen. Bijvoorbeeld omdat de afspraak gaat over toegevoegde suikers terwijl alleen informatie over het totale suikergehalte aanwezig is.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Bestrijdingsmiddelen en omwonenden : Samenvattend rapport over blootstelling en mogelijke gezondheidseffecten | RIVM

In de landbouw wordt regelmatig met bestrijdingsmiddelen gewerkt. Omwonenden maken zich zorgen of dit een risico vormt voor hun gezondheid. Een consortium van kennisinstituten heeft gemeten in hoeverre omwonenden van bollenvelden in contact komen met bestrijdingsmiddelen. Uit dit Onderzoek Blootstelling Omwonenden (OBO) blijkt dat zij bestrijdingsmiddelen binnenkrijgen. Dit kan het gevolg zijn van het gebruik van deze middelen in de omgeving, maar andere bronnen, zoals voedsel, kunnen daar ook aan bijdragen. Van de onderzochte bestrijdingsmiddelen overschreden de gemeten gehalten in de lucht of urine geen risicogrenzen. Maar volgens het RIVM moeten eventuele gezondheidsrisico's van omwonenden voor alle gebruikte bestrijdingsmiddelen preciezer worden ingeschat. Restanten van bestrijdingsmiddelen die op de onderzochte bollenvelden zijn gebruikt, zijn teruggevonden in de buitenlucht rond woningen in de buurt. Ook in het stof op de deurmat en in het huisstof zaten resten. Daarnaast zijn ze aangetroffen in de urine van omwonenden van bloembollenvelden, zowel bij volwassenen als bij kinderen. Dit was ook het geval in de urine van mensen die op meer dan 500 meter afstand van agrarische velden woonden. Bij bollentelers en hun gezinsleden zijn hogere concentraties bestrijdingsmiddelen gemeten dan bij andere omwonenden. De OBO-resultaten laten zien dat de blootstelling aan de onderzochte middelen niet te laag wordt ingeschat in de huidige toelatingsbeoordeling. Wel kan de beoordelingsmethode worden verbeterd met nieuwe kennis die het OBO heeft opgeleverd. Dit betreft onder andere kennis over de manier waarop bestrijdingsmiddelen zich verspreiden via de verwaaide druppels van spuitvloeistof (drift), via verdamping en via huisstof. Ook moet rekening worden gehouden met de totale blootstelling van meerdere bestrijdingsmiddelen, en moeten dus alle teeltsoorten en bestrijdingsmiddelen in een gebied worden meegenomen. Naar aanleiding van de zorgen van omwonenden is in 2018 een verkenning uitgevoerd naar de gezondheidssituatie van omwonenden van landbouwgrond. Toen is onderzocht of zij vaker dan niet-omwonenden bepaalde gezondheidsproblemen hebben. Er kwamen geen gezondheidsproblemen naar voren die samenhingen met de bollen-teelt. Er waren wel indicaties voor gezondheidsproblemen in andere teelten. Het RIVM vindt het daarom nodig om een brede werkgroep te laten verkennen of en hoe nader gezondheidsonderzoek ingevuld kan worden. Dan zou ook naar andere aandoeningen en klachten moeten worden gekeken, zoals effecten op cognitieve ontwikkeling of autisme, dan in de verkenning mogelijk was. Ook verdient de gezondheid van kwetsbare groepen, zoals kinderen jonger dan 16 weken, speciale aandacht. Het RIVM pleit voor de oprichting van een kennisplatform waar mensen terecht kunnen met vragen over gewasbescherming en gezondheid. Ook ondersteunt het RIVM het streven naar een duurzame landbouw waarbij het gebruik van bestrijdingsmiddelen wordt beperkt.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

HO/ILO work-related burden of disease and injury: Protocol for systematic reviews of exposure to occupational ergonomic risk factors and of the effect of exposure to occupational ergonomic risk factors on osteoarthritis of hip or knee and selected other m | RIVM

HO/ILO work-related burden of disease and injury: Protocol for systematic reviews of exposure to occupational ergonomic risk factors and of the effect of exposure to occupational ergonomic risk factors on osteoarthritis of hip or knee and selected other m | RIVM
Jaar: 2019 Onderzoek

Modellen om de humane blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen te berekenen: een stand van zaken | RIVM

Mensen kunnen op twee manieren worden blootgesteld aan gewasbeschermingsmiddelen: tijdens of na het gebruik van deze middelen, en via resten van deze middelen die ze via voeding binnenkrijgen. Iedereen wordt blootgesteld via voeding. De blootstelling tijdens of na het gebruik geldt voor vier groepen: degenen die de middelen gebruiken, de mensen die in de gewassenteelt werken, degenen die zich buiten het terrein bevinden (zoals fietsers), en de omwonenden van landbouwgrond. Met modellen wordt voor al deze groepen berekend hoe groot de blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen is. Het RIVM heeft een overzicht gemaakt van de rekenmodellen die sinds begin 2000 in Nederland zijn gebruikt. Daaruit blijkt dat de modellen de afgelopen jaren zijn verbeterd en op Europees niveau meer zijn geharmoniseerd. De modellen voor de blootstelling via voeding zijn verder ontwikkeld dan die van de blootstelling tijdens of na het gebruik. Dit komt mede doordat er veel gegevens zijn over de voedselconsumptie en over de concentraties van resten van gewasbeschermingsmiddelen in verschillende voedingsmiddelen. Voor de blootstelling tijdens of na het gebruik zijn veel minder gegevens beschikbaar. Veel van het huidige onderzoek is erop gericht om dat te verbeteren. Voor beide soorten modellen wordt eraan gewerkt om de beoordeling van risico's van blootstelling aan mengsels van stoffen te verbeteren. Hetzelfde geldt voor de risico's van de totale blootstelling aan een stof vanuit verschillende bronnen. Het RIVM onderstreept het belang om beide aspecten zo snel als mogelijk een plek te geven in de risicobeoordeling van gewasbeschermingsmiddelen.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

GGD-richtlijn medische milieukunde: omgevingsgeluid en gezondheid | RIVM

Kijk voor de meest actuele versie op https://www.rivm.nl/ggd-richtlijn-mmk-omgevingsgeluid De GGD'en hebben de richtlijn 'Omgevingsgeluid en gezondheid' ontwikkeld. De richtlijn behandelt geluid door wegverkeer, railverkeer, vliegverkeer, bedrijven en industrie. De richtlijn helpt GGD'en om geluid te beoordelen en burgers en beleidsmakers te adviseren bij vragen over geluid. Het doel is de lokale geluidsituatie en de gezondheid zo veel mogelijk te verbeteren. Ook bevat de richtlijn een overzicht van de nieuwste wetenschappelijke inzichten over geluid en gezondheid. Gezondheidseffecten van geluid Geluid in de leefomgeving heeft invloed op de gezondheid. Mensen kunnen er last van hebben als ze geluid horen (hinder). Ook kan het ervoor zorgen dat ze minder goed slapen of de dagelijkse activiteiten verstoren. Verder kunnen mensen er stress van krijgen. Als mensen lange tijd aan te veel geluid blootstaan, kan dat aanleiding geven tot chronische effecten, zoals verhoogde bloeddruk en verhoogde niveaus van het stresshormoon cortisol. Dit verhoogt het risico op hart- en vaatziekten. Ook kan geluid een negatieve invloed hebben op de leerprestaties van kinderen. Wetenschappers denken dat een rustige omgeving helpt om te herstellen van de negatieve effecten van geluid. Groeiend probleem Naar verwachting zal geluid in de toekomst voor meer gezondheids-problemen zorgen. Er komt steeds meer geluid en woningen liggen bijvoorbeeld dichter bij bronnen van geluid. Gezondheidskundige effecten van geluid verdienen daarom aandacht van beleidsmakers en overheden. De Omgevingswet geeft gemeenten meer ruimte om zelf afwegingen te maken in de ruimtelijke ordening. Het is belangrijk om gezondheid bij die afwegingen te betrekken. De GGD-richtlijnen medische milieukunde (MMK) zijn gemaakt zodat GGD'en op dezelfde manier en zo goed mogelijk te werk gaan. De richtlijnen worden gemaakt door professionals van de GGD'en. De coördinatie ervan ligt bij het RIVM.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Template for safety assessment of plant food supplements | RIVM

Consumenten gebruiken voedingssupplementen met kruiden vanwege hun natuurlijke imago en (veronderstelde) gezondheidsvoordelen. Deze kruidenpreparaten moeten veilig zijn volgens de Algemene Levensmiddelen Verordening en het Warenwetbesluit Kruidenpreparaten. Vaak is het lastig om de veiligheid te beoordelen. Er is namelijk weinig informatie beschikbaar over de samenstelling van het voedingssupplement en de mogelijk schadelijke eigenschappen van de ingrediënten. Het RIVM heeft nu een sjabloon ontwikkeld waarmee de veiligheid van voedingssupplementen, en in het bijzonder kruidenpreparaten, op eenzelfde manier beoordeeld kan worden. Het sjabloon geeft eerst aan welke gegevens beschreven moeten worden. Afhankelijk van de hoeveelheid en kwaliteit van de beschikbare gegevens geeft het RIVM aan hoe hiermee de veiligheid beoordeeld kan worden. Er zijn veel verschillende voedingssupplementen te koop, onder meer via internet. De veiligheid en samenstelling van voedingssupplementen worden niet beoordeeld, bijvoorbeeld in een toelatingsprocedure, vóórdat ze op de markt worden gebracht. Dit wordt alleen gedaan als er aanwijzingen zijn dat een supplement misschien een risico voor de gezondheid vormt. Een eventuele beoordeling door de overheid gebeurt pas nadat de producten al op de markt beschikbaar zijn.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Evaluatie distributie jodiumtabletten | RIVM

Bij een kernongeval kunnen stoffen vrijkomen die zich via de lucht verspreiden, zoals radioactief jodium. Dit kan schildklierkanker veroorzaken bij kinderen en jongvolwassenen. Jodiumtabletten beschermen tegen dit effect. In het najaar van 2017 heeft de rijksoverheid in Nederland jodiumtabletten verspreid onder inwoners die binnen een afstand van 100 kilometer tot een kerncentrale wonen. Het gaat om mensen tot en met 40 jaar, en ouders van kinderen tot 18 jaar. Zij hebben zo de tabletten in huis voor het geval zich een ernstig stralingsongeval voordoet waarbij radioactief jodium vrijkomt. Bijna 80 procent van de doelgroep zegt de tabletten te hebben ontvangen. Meer dan 70 procent weet na een jaar nog waar ze de tabletten hebben opgeborgen. De begeleidende informatiebrief was volgens de meeste ontvangers duidelijk (89 procent). Zestig procent van de deelnemers zegt instructies van de overheid af te wachten als er een kernongeval plaatsvindt. Maar ze zullen dat niet altijd doen: ongeveer 30 procent zegt bij een kernongeval het gebied direct te verlaten. De helft zou zijn kind meteen een tablet laten innemen, dus zonder een bericht van de overheid af te wachten. Niet veel mensen waren op de hoogte van de begeleidende informatiecampagne van de overheid (zoals tv-spotjes) waarom zij de jodiumtabletten ontvingen. Dit blijkt uit een onderzoek onder ruim 4900 personen (binnen en buiten het gebied waarin de jodiumtabletten zijn verspreid) van het RIVM. Zij vulden in december 2017 een lijst in met vragen of de tabletten zijn ontvangen, en of de begeleidende informatie duidelijk was. Ook is gevraagd of mensen vertrouwen hebben in de overheid en de veiligheidsmaatregelen. In december 2018 vulde 60 procent van hen nog een keer een vragenlijst in.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Zeer Zorgwekkende Stoffen in de circulaire maakindustrie | RIVM

De Nederlandse overheid wil ervoor zorgen dat in 2050 zo veel mogelijk producten en materialen opnieuw worden gebruikt. Hiervoor is een overgang nodig naar een circulaire economie. Een onderdeel van de economie is de zogeheten maakindustrie. Hierin worden producten gemaakt van onder andere metalen en kunststoffen. Dit zijn allerlei producten, van elektrische fietsen tot graafmachines. Om de maakindustrie circulair te krijgen moet duidelijk zijn welke materialen en producten hierin worden gebruikt. Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) en TNO hebben daarom een overzicht gemaakt van de belangrijkste grondstoffen, materialen en producten van de maakindustrie. In veel van deze grondstoffen, materialen en producten blijken Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) te zitten. Die stoffen zijn uiterst schadelijk voor mens en milieu, waardoor de materialen en dergelijke waar ze in zitten mogelijk niet kunnen worden hergebruikt. Ook blijkt vaak informatie te ontbreken over welke stof waar precies in zit. Dit blijkt uit aanvullend onderzoek van het RIVM. Het overzicht van ZZS in de producten en materialen van de maakindustrie is niet compleet vanwege de korte doorlooptijd van het RIVM-onderzoek. Het RIVM beveelt aan dat de overheid en de maakindustrie vervolgonderzoek (laten) uitvoeren. Het RIVM adviseert ook een betere informatievoorziening over ZZS op te zetten. ZZS kunnen in de grondstoffen zitten of om functionele redenen aan producten worden toegevoegd. De Nederlandse overheid wil het gebruik van ZZS minimaliseren zodat materialen veilig kunnen worden hergebruikt in een circulaire economie.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Meldingen van milieugerelateerde gezondheidsklachten bij GGD'en : Periode 2017 - 2018 | RIVM

Als het om milieu en gezondheid gaat nemen mensen vooral contact op met de GGD vanwege klachten over het binnenmilieu (60 procent). De meeste meldingen komen van bewoners van huurwoningen. Volgens hen zijn vooral schimmels, plaagdieren en vocht de oorzaak van hun klachten over het binnenmilieu. Dit blijkt uit een analyse door het RIVM van de ruim zeven duizend meldingen die de GGD'en in Nederland in 2017 en 2018 hebben geregistreerd. De meeste meldingen (een derde) gaan over bezorgdheid: mensen maken zich zorgen over zaken die schadelijk kunnen zijn voor hun gezondheid. Dat kan zowel in huis zijn als in de omgeving. Ze zijn vooral bezorgd over de gevolgen van asbest en schimmels. Op de tweede en derde plaats van de meldingen staan klachten aan de luchtwegen (20 procent) en hinder (16 procent), zoals geur- en geluidhinder. De meldingen in 2017 en 2018 komen overeen met de meldingen in de afgelopen tien jaar. Wel is het aantal meldingen over (laagfrequent) geluid en houtrook bij de GGD gestegen.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Prevalence, risk factors and genetic characterisation of extended-spectrum beta-lactamase and carbapenemase-producing Enterobacteriaceae (ESBL-E and CPE): a community-based cross-sectional study, the Netherlands, 2014 to 2016. | RIVM

Prevalence, risk factors and genetic characterisation of extended-spectrum beta-lactamase and carbapenemase-producing Enterobacteriaceae (ESBL-E and CPE): a community-based cross-sectional study, the Netherlands, 2014 to 2016. | RIVM
Jaar: 2019 Onderzoek

Standaardtijd, zomertijd en gezondheid : Literatuuronderzoek naar gezondheidseffecten van verschillende tijdinstellingen | RIVM

Dit rapport bevat een erratum d.d. 31-10-2019 op pagina 65 De Europese Commissie heeft in 2018 voorgesteld dat alle lidstaten een vaste tijdinstelling kiezen voor het hele jaar, en dus niet meer wisselen tussen standaardtijd (wintertijd) en zomertijd. Het RIVM heeft een internationaal literatuuronderzoek uitgevoerd naar de effecten op de gezondheid van deze twee tijdinstellingen, inclusief de effecten van de wisselingen. Het blijkt beter te zijn voor de volksgezondheid wanneer Nederland het hele jaar door de standaardtijd zou aanhouden. In Nederland wisselen we nu twee keer per jaar tussen de standaardtijd en zomertijd. Direct na de wisselingen slapen mensen slechter; vooral direct na de wisseling naar de zomertijd slapen mensen korter. Ook zijn er gezondheidseffecten te zien na de wisselingen. Zo komen er meer hartinfarcten voor direct na de wisseling naar de zomertijd. Zulke directe effecten treden niet meer op bij een vaste tijdinstelling voor het hele jaar. Vooral zonlicht heeft invloed op het bioritme van de mens - het moment waarop we 's ochtends wakker worden en 's avonds slaperig. Het is voor de volksgezondheid dan ook het beste om een tijd in te stellen die aansluit op het natuurlijke dag- en nachtritme op aarde. Dat betekent een instelling waarbij de zon vroeg opkomt, wat het geval is bij de standaardtijd. Wanneer we het hele jaar door zomertijd instellen, is dat voor de gezondheid minder gunstig dan het hele jaar door standaardtijd. Dit blijkt uit studies naar slaap- en gezondheidsaspecten, zoals slaapduur en -kwaliteit, overgewicht, het aantal mensen met kanker, en de levensverwachting in het algemeen. Voor de volksgezondheid zou het zelfs nog beter zijn als Nederland de tijd rond de nulmeridiaan in Greenwich (Engeland) het hele jaar door instelt; dat is 1 uur vroeger dan onze standaardtijd. De huidige standaardtijd voor Nederland is sinds de Tweede Wereldoorlog wettelijk ingesteld, hoewel het geografisch gezien in de zone van de nulmeridiaan ligt. Dit literatuuronderzoek is in opdracht van het ministerie van VWS uitgevoerd. De studies waarop deze conclusies zijn gebaseerd, gaan over andere landen dan Nederland
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Geluidmonitor 2018 : Meting en validatie van geluidproductie door rijkswegen en spoorwegen | RIVM

Gemeten en berekende geluidniveaus over 2017 zijn met elkaar vergeleken. De gemeten geluidniveaus langs rijkswegen lagen gemiddeld 2 decibel hoger dan de berekende waarden. Langs het spoor waren de gemeten en berekende geluidniveaus gemiddeld hetzelfde. Dit beeld komt overeen met de resultaten van de jaren 2013-2016. Zowel bij rijks- als spoorwegen varieert op sommige trajecten de mate waarin de berekende en gemeten geluidniveaus verschillen. Eind 2019 presenteert het RIVM een rapport waarbij de achtergrond van de bevindingen uit de Geluidmonitor 2018 is onderzocht. De weg- en spoorbeheerder, Rijkswaterstaat en ProRail, berekenen elk jaar hoeveel geluid het verkeer op de weg en het spoor maakt. Het RIVM toetst elk jaar met metingen de resultaten van de berekeningen. Zowel deze validatie als de berekeningen zijn een verplichting vanwege de Wet milieubeheer. Deze monitor bevat de door het RIVM gemeten geluidniveaus in 2018. De weg- en spoorbeheerder maken de berekeningen over 2018 in de tweede helft van 2019 openbaar. Deze berekeningen worden in de Geluidmonitor 2019 vergeleken met de gemeten geluidniveaus in 2018. Deze monitor verschijnt in 2020.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Development of methods for extraction and analytical characterization of carbon-based nanomaterials (nanoplastics and carbon nanotubes) in biological and environmental matrices by asymmetrical flow field-flow fractionation. | RIVM

Development of methods for extraction and analytical characterization of carbon-based nanomaterials (nanoplastics and carbon nanotubes) in biological and environmental matrices by asymmetrical flow field-flow fractionation. | RIVM
Jaar: 2019 Onderzoek

Toepassing van antibiotica en alternatieven : Kansen en belemmeringen | RIVM

Om te voorkomen dat bacteriën ongevoelig worden voor antibiotica, is het belangrijk dat zorgprofessionals ze alleen voorschrijven als ze echt nodig zijn. En het liefst alleen voor de bacterie die de infectie veroorzaakt. Maar het gewenste antibioticum is niet altijd op voorraad. Patiënten krijgen dan een ander antibioticum, dat soms tegen meer soorten bacteriën werkt dan nodig is. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Onderzocht is of er belemmeringen zijn voor goed gebruik van antibiotica in de eerstelijnszorg; zorg waar mensen zelf zonder verwijzing naartoe kunnen gaan. Om te bepalen of een antibioticum zin heeft, is het belangrijk om te testen of een infectie wordt veroorzaakt door een bacterie of virus. Bij een virusinfectie werken antibiotica niet. Uit gesprekken met zorgprofessionals blijkt dat de kosten van een test geen reden zijn om van de test af te zien. Als een patiënt ernstig ziek is, kan niet altijd op de uitslag van een test worden gewacht en wordt gelijk een antibioticum voorgeschreven. Sommige antibiotica worden niet volledig vergoed; de patiënt moet dan zelf een bedrag bijbetalen. Dit kan oplopen tot enkele tientallen euro's. Toch zien de geïnterviewde experts niet dat dit een belemmering is voor patiënten. Het gemak van een éénmaal daagse, korte kuur weegt vaak zwaarder dan de bijbetaling. In de wetenschappelijke literatuur zijn enkele alternatieve middelen beschreven die niet geregistreerd zijn als medicijn, maar wel worden gebruikt tegen infecties. Zoals Cranberry-capsules om urineweginfecties te voorkomen. Er zijn nog weinig goede wetenschappelijke studies uitgevoerd om te kijken of deze middelen echt goed werken. Er zijn ook kansen om het ontstaan van ongevoeligheid voor antibiotica verder tegen te gaan, zoals het ontwikkelen van nieuwe diagnostische tests, het slimmer inzetten van bestaande antibiotica en de ontwikkeling van geneesmiddelen met een ander type werking dan antibiotica. Daarnaast is het belangrijk dat zorgprofessionals kritisch blijven kijken naar het voorschrijven van antibiotica.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Epidemiologische data van Ziekten van het botspierstelsel en bindweefsel : Achtergrondrapport voor Programma Zinnige Zorg | RIVM

In Nederland hebben veel mensen klachten en aandoeningen aan hun botten, gewrichten en spieren. De oorzaak van deze aandoeningen aan 'het bewegingsapparaat' is vaak divers en onbekend. Mensen kunnen er pijn door hebben en veel minder goed hun dagelijkse activiteiten en werk doen. Op verzoek van Zorginstituut Nederland heeft het RIVM voor tien aandoeningen aan het bewegingsapparaat op een rij gezet hoe vaak ze voorkomen in Nederland. Daarnaast is beschreven hoe vaak mensen met deze aandoeningen een beroep doen op de zorg en wat de kosten daarvan zijn - nu (2017) en in de toekomst (2030). Zorginstituut Nederland heeft de tien aandoeningen gekozen. Door de vergrijzing stijgt tussen 2017 en 2030 vooral het aantal mensen met ouderdomsziekten, zoals artrose en jicht. In 2017 hadden bijna 480.000 mensen in Nederland jicht. Dit aantal zal tot 2030 met 22 procent stijgen naar 580.000. Ook zullen door de vergrijzing meer mensen vanwege aandoeningen aan het bewegingsapparaat gebruikmaken van de zorg. Het aantal mensen dat in 2017 de medisch specialist en het ziekenhuis bezocht voor reumatoïde artritis is met bijna 90.000 hoger dan de andere aandoeningen aan het bewegingsapparaat. Door de vergrijzing zal dit aantal verder stijgen naar 102.000 mensen (13,9 procent stijging). Het zorggebruik voor sommige andere aandoeningen stijgt veel minder. Zo neemt het aantal bezoekers met een veelvoorkomende schouderaandoening (schoudersyndroom) aan het ziekenhuis en de medisch specialist toe met 4,1 procent van 83.800 in 2017 naar 87.300 in 2030. Deze kl eine stijging komt vooral omdat mensen van middelbare leeftijd het schoudersyndroom hebben, en niet de ouderen. De totale groep mensen van middelbare leeftijd blijft de komende jaren ongeveer even groot. Door de vergrijzing stijgen de kosten van de zorg voor aandoeningen aan het bewegingsapparaat. Zo stijgen de kosten voor ziekenhuiszorg en medisch specialist voor jicht met 24,2 procent, van 14,2 miljoen euro in 2017 naar 17,6 miljoen in 2030. Dit overzicht is een achtergrondrapport bij het Programma Zinnige Zorg van Zorginstituut Nederland. In dit programma wordt systematisch bekeken of het basispakket van de zorgverzekering onnodige of ineffectieve zorg bevat. Op deze manier wil Zorginstituut Nederland een toegankelijke en betaalbare gezondheidszorg mogelijk maken.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Chemische samenstelling van vijftig stookoliemonsters 2017-2018 | RIVM

In 2017 en 2018 zijn in opdracht van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) brandstofmonsters van 50 zeeschepen in de Rotterdamse haven onderzocht. Het ging om schepen die van buiten Europa kwamen. De ILT wil duidelijkheid over de chemische samenstelling van stookolie om te kunnen beoordelen of de uitstoot van zeeschepen een risico vormt voor het milieu. Nadat laboratoria de chemische samenstelling hebben bepaald, heeft het RIVM deze meetresultaten geanalyseerd en geïnterpreteerd. De chemische samenstelling van de stookolie laat voor een aantal stoffen een normaal beeld zien. Zo voldoet de concentratie zwavel in alle monsters aan de norm. Wel blijkt de stookolie schadelijke stoffen te bevatten en stoffen die als zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) zijn aangemerkt. In Europa is afgesproken om deze stoffen geleidelijk aan niet meer te gebruiken. De aangetroffen zeer zorgwekkende stoffen zijn onder andere lood(verbindingen), trichlooretheen en cyclododecatrieen en mogen niet in stookolie zitten. De schadelijke polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's), zoals naftaleen en benzo(a)pyreen, zitten in stookolie omdat ze van nature in ruwe aardolie voorkomen. Deze stoffen zijn echter in zeer hoge gehalten in de stookolie van enkele zeeschepen aangetroffen, waardoor de samenstelling van deze olie anders is dan verwacht. De samenstelling van stookolie kan doorgaans sterk variëren, wat vooral door het productieproces komt. Ruwe aardolie wordt in een raffinaderij verhit en afgekoeld om verschillende soorten aardolieproducten te maken. Aan de restantolie die na dit proces 'overblijft', worden organische vloeistoffen toegevoegd om deze ook als stookolie te kunnen gebruiken. Hoewel dit bijmengen nodig is, is het vaak niet duidelijk welke stoffen hiervoor worden gebruikt en of ze daarvoor zijn toegestaan. De gemeten afwijkingen in de brandstofmonsters kunnen er op duiden dat de olie met ongewenste vloeistoffen is bijgemengd.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Particulier gebruik biociden (2014-2017) | RIVM

Het Nederlandse beleid heeft als doel dat particulieren minder bestrijdingsmiddelen gebruiken. Het RIVM heeft daarom de verkoopcijfers en de keuzes van consumenten geanalyseerd. Uit het consumentenonderzoek blijkt dat mensen in 2017 evenveel chemische bestrijdingsmiddelen hebben gebruikt om groene aanslag te verwijderen (algengroei) en muizen en ratten te bestrijden, als daarvoor. Dit bevestigt het beeld van de tot nu toe beschikbare verkoopcijfers voor de periode 2014-2017.
Jaar: 2019 Onderzoek

Marktontwikkeling en leveringszekerheid voor medische radionucliden : Aanvulling op RIVM rapport 2019-0101 | RIVM

Het RIVM heeft aanvullend onderzoek gedaan naar de leveringszekerheid van diagnostische en therapeutische radionucliden voor Nederland en naar de effecten van het niet bouwen van de Pallas reactor, de beoogde opvolger van de HFR. Radioactieve stoffen kunnen worden gebruikt om een diagnose te stellen. Ook kunnen ze verschillende soorten kanker behandelen of pijn bestrijden bij terminale patiënten, zogenoemde therapeutische radionucliden. De meeste medische radionucliden worden in Europa gemaakt in zes kernreactoren, waarvan er één in Nederland staat (de HFR). Op één reactor na zijn deze installaties op gevorderde leeftijd en zullen ze vroeg of laat moeten sluiten. De markt is op dit moment fragiel: als één grote reactor of één van de gespecialiseerde laboratoria onverwacht uitvalt, kunnen op wereldschaal leveringsproblemen ontstaan. Bij een onverwachte uitval kunnen de overige reactoren de vraag lang niet altijd opvangen, wat de leveringszekerheid voor de wereld (en dus ook voor Nederland) vrij onzeker maakt. Dat geldt zowel voor diagnostische als therapeutische radionucliden. De vraag naar molybdeen-99/technetium-99m in de wereld zal op de lange termijn stijgen. Geschatte percentages variëren van 5% tot 8% jaarlijkse stijging van de vraag in de opkomende economieën. De groei in de omzet van de therapeutische isotopen zal veel hoger zijn. Bij een vraaggroei voor lutetium-177 van 7% per jaar bijvoorbeeld zijn er al binnen vijf jaar tekorten te verwachten. Om de productieketen van medische radionucliden toekomstbestendig te maken, is een overgang nodig naar een prijsstelling nodig die alle kosten in de keten dekt. In het afgelopen jaar is er meer duidelijkheid gekomen over de aanbodkant van de productie van medische radionucliden. Er zijn initiatieven gaande in Duitsland, Frankrijk en België om de bestaande productiecapaciteit voor medische radionucliden te vergroten en nieuwe capaciteit te bouwen. Zelfs wanneer al deze initiatieven slagen, zullen zij echter niet de productiecapaciteit kunnen vervangen van de reactoren in België (BR2) en Nederland (HFR) die op termijn gaan sluiten. De Europese Commissie heeft onlangs de voorzieningszekerheid van medische radio-isotopen laten onderzoeken. Die studie concludeert dat het, ondanks de genoemde initiatieven, nodig is in de EU nóg een reactor te bouwen om de EU zelfvoorzienend te laten blijven en tekorten op wereldschaal te voorkomen. De studie wijst Pallas hiervoor aan als de gerede kandidaat om de benodigde productiecapaciteit in de komende decennia te garanderen. Nederland is in de unieke positie dat een groot deel van de leveringsketen binnen eigen land aanwezig is: van onderzoek en ontwikkeling, via productie van radionucliden tot de verwerking daarvan tot radiofarmaceutische producten. Hierdoor heeft Nederland ook een goede positie om het land te blijven waar nieuwe radiofarmaceutische producten ontwikkeld worden. De nabijheid van academische ziekenhuizen, een reactor, gespecialiseerde laboratoria dragen daaraan bij. Mocht de HFR sluiten zonder dat de Pallas-reactor wordt gerealiseerd, dan verliest Nederland haar positie binnen die leveringsketen. De kans is dan groot dat de radiofarmacie haar werk van Petten naar het buitenland zal verplaatsen. Daarnaast zal dit grote en negatieve gevolgen hebben voor de (lokale) werkgelegenheid in de nucleaire sector: een derde van de mensen die in Nederland in de nucleaire sector werken en ongeveer 1000 bij toeleveranciers zullen hun baan verliezen. De nucleaire kennisinfrastructuur zal hieronder lijden. Ook vervallen dan de diensten die vanuit Petten worden geleverd aan de nucleaire industrie, andere industrietakken en overheden. Aanvulling In Amerika wordt gebouwd aan het SHINE-project. Deze installatie is een gevorderd nieuwbouwproject voor het maken van onder meer molybdeen-99. SHINE heeft besloten om ook een vestiging in Europa te openen. Waar deze vestiging zal komen staat nog niet vast, dat zou in Nederland kunnen zijn. De Europese fabriek wordt een kopie van de Amerikaanse. SHINE geeft zelf aan dat deze tweede fabriek in Europa in 2025 al grote hoeveelheden molybdeen-99 op de markt zal kunnen brengen. Dit is mogelijk wat optimistisch. Naast molybdeen-99 beoogt het SHINE-concept ook het radionuclide jodium-131 te leveren, dat is een therapeutisch radionuclide voor de behandeling van schildklierkanker. SHINE geeft zelf aan binnenkort lutetium(-177)chloride te kunnen leveren, waarbij het lutetium in reactoren wordt bestraald. Op de langere duur verwacht SHINE deze bestraling ook met hun eigen apparatuur te kunnen doen. We verwachten niet dat met het SHINE-concept binnen tientallen jaren mogelijk zal zijn het hele palet aan reactor-geproduceerde medische radionucliden te maken. Het SHINE-concept is daarmee geen complete vervanging van een reactor die medische radionucliden maakt.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Verspreiding van GenX stoffen in het milieu : Metingen in Nederland 2013-2018 | RIVM

De GenX-technologie wordt gebruikt om stoffen te maken, fluorpolymeren. Deze stoffen worden onder andere gebruikt om coatings voor antiaanbaklagen te maken. Bij het GenX-proces kunnen stoffen vrijkomen die moeilijk afbreken en makkelijk in water oplossen (FRD-903, FRD-902). Daardoor verspreiden deze stoffen zich snel in het milieu en zijn ze er niet meer makkelijk uit te verwijderen. Via het milieu kunnen de stoffen ook in de voedselketen terechtkomen. Er bestaan zorgen over de mogelijke effecten van GenX-stoffen op mens en milieu. Om de verspreiding van GenX-stoffen zo veel mogelijk te beperken is het belangrijk om te weten waar deze stoffen in Nederland in het milieu zitten. Daarom heeft het RIVM de beschikbare metingen naar GenX-stoffen over de periode 2013-2018 verzameld. Uit de metingen blijkt dat de stoffen voorkomen op de plekken waar de GenX-technologie wordt gebruikt (in Dordrecht). Daarnaast zijn ze gevonden op plekken waar de halffabricaten en afval van het GenX-proces worden verwerkt (in de provincies Noord-Brabant en Zeeland). Een landsdekkend beeld ontbreekt. Mogelijk zijn er nog andere bronnen waardoor GenX-stoffen in het milieu terechtkomen. De gevonden gehalten zijn soms hoger dan de (voorlopige) risicogrenzen voor deze stoffen. Dit geldt zowel voor metingen in oppervlaktewater en grond als in grondwater. Dit betekent niet dat er meteen risico's zijn. Wel kan een overschrijding een reden zijn om er verder onderzoek naar te doen. Metingen van GenX-stoffen beperken zich nu tot die delen van Nederland waar de GenX-stoffen naar verwachting voorkomen. Er lopen initiatieven om stoffen uit de PFAS-groep, waar de GenX-stoffen onder vallen, op verschillende plekken verspreid over Nederland te meten. Hiermee wordt mogelijk duidelijk waar deze stoffen nog meer voorkomen en uit welke (andere) bronnen ze komen. Dit kan helpen om eventuele risico's beter te kunnen beheersen. De effectiefste manier om risico's te beheersen van stoffen die slecht te verwijderen zijn uit het milieu, is de uitstoot bij de bron aan te pakken.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Indicatieve waterkwaliteitsnormen voor gewasbeschermings-middelen : Normvoorstellen voor 28 stoffen | RIVM

Het RIVM doet voorstellen voor zogeheten indicatieve waterkwaliteitsnormen voor een aantal bestrijdingsmiddelen. Waterbeheerders meten de meeste van deze stoffen, maar er bestaan nog geen normen voor. Dit maakt het moeilijk het beleid voor de waterkwaliteit te evalueren en probleemstoffen aan te pakken. De nieuwe indicatieve normen geven waterbeheerders een eerste indruk of zij zich zorgen moeten maken over stoffen die zij in hun gebied vinden. Het RIVM heeft de voorgestelde normen vergeleken met meetgegevens uit 2017. Op basis hiervan zal bijna de helft van de stoffen naar verwachting de norm niet overschrijden. Voor de overige stoffen is dat niet zeker, omdat precieze gegevens ontbreken. Voor acequinocyl, azadirachtine-A, bifenazaat, pyrethrine, pyridalyl en tribenuron-methyl is een betere analysemethode nodig. Dit om de lage concentraties van de stoffen die bij de voorgestelde norm horen, te kunnen meten. Bij de indicatieve normen is rekening gehouden met de mate waarin mensen aan de stoffen worden blootgesteld als zij vis en visproducten eten. Dit is van belang voor stoffen die zich ophopen in vis of schadelijk kunnen zijn voor mensen. Toch bepalen in bijna alle gevallen de directe effecten op waterorganismen de hoogte van de indicatieve norm. Voor het insecticide spirotetramat is de afgeleide waarde onzeker, omdat voor deze stof de goede testen ontbreken. Indicatieve normen zijn gebaseerd op informatie uit een klein aantal databases. De bronnen van deze gegevens worden niet uitgebreid gecontroleerd. Daardoor heeft een indicatieve norm meer onzekerheden dan een gedegen norm, waarbij wel alle informatie wordt bekeken. Bij een overschrijding van een indicatieve norm kan zo'n uitgebreidere normbepaling nauwkeuriger aangeven of er een risico is.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Verkenning Economische Evaluaties Implantaten | RIVM

Het kost vaak veel geld om nieuwe medische hulpmiddelen, zoals implantaten, te ontwikkelen. Ook zijn ze niet altijd kostenbesparend in het gebruik. Informatie over hoe de kosten zich verhouden tot de mate waarin ze de gezondheid en/of de kwaliteit van leven van patiënten verbeteren is daarom van belang. Deze informatie kan worden verkregen door middel van zogeheten kosteneffectiviteitstudies. Verzekeraars, artsen en instanties die beoordelen of een implantaat wordt vergoed, besteden echter weinig aandacht aan de kosteneffectiviteit van implantaten. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Het RIVM adviseert om bij de zorginkoop van implantaten informatie over kosteneffectiviteit mee te laten wegen. Ook bij andere afwegingen zou kosteneffectiviteit meer betrokken kunnen worden. Bijvoorbeeld bij de afweging of de zorgverzekering een product vergoedt. Verder kan transparanter worden welke factoren nu meewegen bij het besluit om implantaten te vergoeden. Om medicijnen vergoed te krijgen, moeten fabrikanten uitgebreide studies doen naar de kosteneffectiviteit. Bij implantaten is geen informatie over kosteneffectiviteit vereist. Daarnaast is vaak onduidelijk wat een (nieuw) implantaat precies kost. Voor dit onderzoek bekeek het RIVM in de wetenschappelijke literatuur de kosteneffectiviteit van drie implantaten: heupprothesen, de sterilisatiemethode Essure en bekkenbodemmatjes. De economische evaluaties in de wetenschappelijke literatuur zijn niet altijd compleet en kwalitatief niet goed. Bijwerkingen worden erin onderschat of komen niet aan bod. Als daar wel aandacht voor is, is dat vaak alleen voor de bijwerkingen op korte termijn. Hierdoor kan een te rooskleurig beeld ontstaan van de kosteneffectiviteit van het desbetreffende implantaat.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Cost-effectiveness of selective digestive decontamination (SDD) versus selective oropharyngeal decontamination (SOD) in intensive care units with low levels of antimicrobial resistance: an individual patient data meta-analysis. | RIVM

Cost-effectiveness of selective digestive decontamination (SDD) versus selective oropharyngeal decontamination (SOD) in intensive care units with low levels of antimicrobial resistance: an individual patient data meta-analysis. | RIVM
Jaar: 2019 Onderzoek

Beoordeling hergebruik van luier- en incontinentiemateriaal : Stappenplan en risicobeoordelingskader voor de mogelijke risico's van stoffen en pathogenen in producten | RIVM

Elk jaar komen in Nederland meer dan 160 miljoen kilo gebruikte luiers voor baby's en incontinentiemateriaal voor volwassenen bij het afval terecht. Om de hoeveelheid luierafval te verminderen, kunnen materialen opnieuw worden gebruikt. Ook kunnen er nieuwe producten van worden gemaakt, zoals plastic flessen voor schoonmaakmiddelen. Het is belangrijk dat deze nieuwe producten en materialen veilig zijn voor mens en milieu. Om dat te beoordelen heeft het RIVM een stappenplan ontwikkeld. Hiermee kunnen degenen die deze materialen verwerken, de benodigde gegevens verzamelen om een risicobeoordeling te doen. In luiers en in incontinentiemateriaal komen ziekteverwekkers en medicijnresten terecht die mensen via hun urine en ontlasting uitscheiden. In het luiermateriaal zelf zitten plastics, cellulose en korrels die het vocht opnemen. Ook geeft het stappenplan vergunningverleners voor nieuwe producten en materialen handvatten om een risicobeoordeling uit te voeren. Naast de risicobeoordeling kunnen vergunningverleners en beleidsmakers naar andere voor- en nadelen kijken, zoals duurzaamheid. De producent blijft eindverantwoordelijk voor de veiligheid van zijn product. Twee afvalverwerkers hebben het stappenplan getest om het praktisch uitvoerbaar te maken. De eerste stap in de risicobeoordeling bestaat uit een algemene en relatief strenge inschatting van mogelijke risico's. Hoe veiliger het materiaal of afval is, hoe meer keuze er is om nieuwe materialen van de luiers te maken. Als het mogelijk niet veilig is, wordt in de volgende stap getoetst of de risico's van ziekteverwekkers of medicijnresten klein genoeg worden tijdens het verwerkingsproces. Ziekteverwekkers kunnen bijvoorbeeld door verhitting worden gedood. Als er daarna nog risico's zijn, wordt gekeken of ongewenste stoffen uit de gemaakte materialen vrijkomen. Als dat nog het geval is, is het misschien mogelijk om er specifieke producten van te maken waaruit de schadelijke stoffen niet kunnen vrijkomen.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Methodology for the calculation of emissions from product usage by consumers, construction and services | RIVM

Het RIVM beschrijft de geactualiseerde methoden waarmee de Nederlandse Emissieregistratie berekent welke en hoeveel verontreinigende stoffen in de lucht terechtkomen door het gebruik van producten. Het gaat hier bijvoorbeeld om oplosmiddelen uit cosmetica, luchtverfrissers, spuitbussen, verf, en stoffen die vrijkomen bij het stoken van hout en het afsteken van vuurwerk. Met deze beschrijving wordt de gerapporteerde uitstoot onderbouwd. Nederland rapporteert jaarlijks volgens de meest actuele wetenschappelijke inzichten over de uitstoot van broeikasgassen, verzurende stoffen en stoffen die gerelateerd zijn aan grootschalige luchtverontreiniging. Dat is verplicht vanwege internationale verdragen, zoals het Kyoto-protocol, de EU-Emissieplafonds (NEC-Directive) en de Convention on Long-range Transboundary Air Pollution (CLRTAP). Deze rapportage is bedoeld voor de (internationale) reviewers die de Nederlandse rapportages aan de EU en VN valideren.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland : Rapportage 2019 | RIVM

Het RIVM geeft elk jaar de concentraties in de lucht in Nederland op kaarten weer, onder andere van stikstofdioxide en fijnstof. Ook wordt op kaarten aangegeven in welke mate stikstof op de bodem neerslaat. In dit rapport gaat het om de situatie in 2018. Daarnaast zijn berekeningen voor de verwachte concentraties en deposities van deze stoffen gemaakt voor 2020, 2025 en 2030. Deze GCN-kaarten worden onder andere gebruikt voor een programma om de luchtkwaliteit in Nederland te verbeteren (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit; NSL). De kaarten worden ook gebruikt bij de berekening van de effecten van ruimtelijke plannen op de concentraties vervuilende stoffen in de lucht. Stikstofdioxide- en fijnstofconcentraties in de lucht De gemeten concentraties stikstofdioxide (NO2) in de lucht zijn in 2018 gemiddeld iets lager dan in 2017. Voor 2020 worden de concentraties enkele microgrammen hoger ingeschat dan vorig jaar. Dat komt vooral door tegenvallers in de verkeersemissies. De gemeten concentraties fijnstof (PM10 en PM2,5) waren in 2018 iets hoger dan in 2017. De inschattingen voor 2020 en 2030 zijn iets lager dan de inschattingen van vorig jaar. Hogere ammoniak De gemeten concentraties ammoniak (NH3) in de lucht zijn in 2018 veel hoger dan in 2017. Vooral het extreem warme, zonnige en zeer droge weer is hiervan de oorzaak. Ammoniak is een component van stikstof. Als te veel ammoniak op de bodem neerslaat, is dat schadelijk voor de natuur (biodiversiteit). Door de hogere concentraties in de lucht was er meer ammoniak beschikbaar om op de bodem neer te slaan. Naast ammoniak zijn de stikstofoxiden een ander onderdeel van de stikstofdepositie. De depositie van stikstofoxiden daalde. De uitstoot van ammoniak is licht gestegen ten opzichte van de voorgaande jaren (2012-2016). Het RIVM maakt de GCN-kaarten in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW).
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Informative Inventory Report 2019 : Emissions of transboundary air pollutants in the Netherlands 1990-2017 | RIVM

De uitstoot van ammoniak is in 2017 gestegen ten opzichte van 2016 en ligt met 132,4 kiloton boven het maximum van 128 kiloton dat vanuit Europa voor Nederland is bepaald. De toename wordt veroorzaakt doordat nieuwe bronnen die ammoniak uitstoten zijn toegevoegd aan de emissie-inventarisatie: sfeerverwarming (open haarden en allesbranders), vreugdevuren, woningbranden en mestverwerking. Ook komt het door ontwikkelingen in de landbouw, zoals een hogere mestproductie per melkkoe en een hoger gehalte aan stikstof in het gevoerde gras. De emissie van vluchtige organische stoffen is in 2017 gestegen tot 254 kiloton en ligt daarmee boven het maximum van 185 kiloton dat vanuit Europa voor Nederland is bepaald. Ook hier komt dat vooral doordat nieuwe bronnen zijn toegevoegd, met als belangrijkste het gebruik van kuilvoer. Daarnaast blijkt door nieuwe inzichten dat consumenten er meer van uitstoten via het gebruik van schoonmaakmiddelen. De door Europa vastgestelde maxima zijn gebaseerd op de situatie in 2000. Bronnen die daarna zijn toegevoegd, hoeven voor de toetsing aan de vastgestelde maxima niet mee te tellen. Nederland heeft daartoe een verzoek opgenomen in dit rapport. Voor ammoniak zijn dat de bronnen afrijping van gewassen, gewasresten in de bodem en mestverwerking. Voor vluchtige organische stoffen zijn dat de uitstoot uit landbouwbodems en het gebruik van kuilvoer. Dit blijkt uit het Informative Inventory Report (IIR) 2019. Het RIVM analyseert en rapporteert hierin jaarlijks met diverse partnerinstituten de uitstoot van stoffen. Lidstaten van de Europese Unie zijn hiertoe verplicht. Nederland gebruikt de analyses om beleid te onderbouwen.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Methodology report on the calculation of emissions to air from the sectors Energy, Industry and Waste : as used by the Dutch Pollutant Release and Transfer Register | RIVM

Het RIVM beschrijft de geactualiseerde methoden waarmee de Nederlandse Emissieregistratie de uitstoot van verontreinigende stoffen naar de lucht berekent vanuit de sectoren Industrie, Energieopwekking en Afvalverwerking (ENINA). Met deze beschrijving wordt de gerapporteerde uitstoot onderbouwd. Nederland rapporteert jaarlijks volgens de meest actuele wetenschappelijke inzichten over de uitstoot van broeikasgassen, verzurende stoffen en stoffen die gerelateerd zijn aan grootschalige luchtverontreiniging. Dit is verplicht vanwege internationale verdragen, zoals het Kyoto-protocol, de EU-Emissieplafonds (NEC-Directive) en de Convention on Long-range Transboundary Air Pollution (CLRTAP). Doelgroep voor deze rapportage zijn de (internationale) reviewers die de Nederlandse rapportages aan de EU en VN valideren.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Risicogestuurd toezicht en handhaving: Ranking ongewenste gebeurtenissen in de bodemketen | RIVM

Bij werkzaamheden met grond, bijvoorbeeld om wegen en dijken aan te leggen, wordt de grond onder andere gekeurd, gesaneerd of verplaatst. Deze werkzaamheden kunnen negatieve effecten hebben op de gezondheid, het milieu, de economie en het welbevinden van mensen, zoals stress door geluidoverlast. Het RIVM heeft 258 van deze werkzaamheden met negatieve effecten vastgesteld. Een voorbeeld van deze 'ongewenste gebeurtenissen' is dat niet is gecontroleerd of een sanering goed is uitgevoerd. Of dat een partij vervuilde grond illegaal is vermengd met schone grond, zodat hij toch te gebruiken is. De grond kan ook door weersomstandigheden verwaaien. Experts uit tal van overheidsorganisaties en het bedrijfsleven hebben de ongewenste gebeurtenissen gerangschikt op de impact die ze hebben. Van de twintig meest ongewenste gebeurtenissen is bij ten minste een derde bewust de regels niet opgevolgd (fraude). Het merendeel van de ongewenste gebeurtenissen heeft te maken met de opslag van partijen grond, vermenging van grond en de beoordeling van de kwaliteit van partijen grond, om te bepalen waarvoor het mag worden gebruikt. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Met deze kennis kan Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) het toezicht en de handhaving gericht op werkzaamheden met grond zo efficiënt mogelijk samen met haar ketenpartners uitvoeren.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Recente ontwikkelingen in medische stralingstoepassingen : Update ioniserende straling 2018/2019 | RIVM

Het RIVM heeft een overzicht gemaakt van welke nieuwe ontwikkelingen gaande zijn bij medische technieken die ioniserende straling gebruiken. Deze technieken worden gebruikt om diagnoses te stellen of ziekten te behandelen. De meeste ontwikkelingen richten zich erop om de hoeveelheid röntgenstraling te verminderen, of om preciezer te kunnen behandelen. Voorbeelden van deze medische technieken zijn röntgenfoto's en CT-scans die beelden van de binnenkant van de mens maken om een diagnose te kunnen stellen. Radiotherapie en nucleaire therapie maken de behandeling van ziektes mogelijk. Ziekten als kanker zijn met de nieuwe beeldvormende technieken beter te zien. Ook kunnen de nieuwe technieken de kwaliteit van de beelden verbeteren, waardoor minder röntgenstraling nodig is. Door nieuwe technieken in de radiotherapie kan bijvoorbeeld kanker nog preciezer worden behandeld. Het gezonde weefsel dat rond de tumor ligt, blijft daardoor zo veel mogelijk gespaard. In 2018 en 2019 zijn in Groningen, Delft en Maastricht centra geopend waarin tumoren met een ander soort straling (protonen) worden behandeld. Deze behandeling heeft voordelen bij bijvoorbeeld sommige hersentumoren en oogtumoren. Ook hier blijft het gezonde weefsel zo veel mogelijk gespaard. Bij nucleaire therapie wordt een radioactief medicijn in de bloedbaan gebracht dat kankercellen opspoort en ze gericht bestraalt. Voor de behandeling van prostaatkanker zijn grote ontwikkelingen gaande met de radioactieve stof Lutetium. Experts verwachten hier veel van. Dit overzicht is een vervolg op een rapport uit 2014.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Surveillance of influenza and other respiratory infections: winter 2018/2019. Annual report | RIVM

Griepepidemie De griepepidemie in de winter van 2018/2019 was mild en duurde 14 weken. Dat is langer dan het gemiddelde van negen weken in de afgelopen 20 jaar, maar korter dan de lange griepepidemie van 2017/2018 (18 weken). In totaal zijn tussen oktober 2018 en mei 2019 ongeveer 400.000 mensen ziek geworden door het griepvirus. Ongeveer 165.000 mensen gingen naar de huisarts met griepachtige klachten. Minder mensen moesten vanwege complicaties van griep (meestal longontsteking) in het ziekenhuis worden opgenomen. Naar schatting waren dit er ruim 11.000, tegenover 16.000 in het griepseizoen 2017/2018. Mensen zijn vooral ziek geworden van het type A griepvirus. Tijdens de griepepidemie zijn er 2900 mensen meer overleden dan normaal is in deze periode. Effectiviteit griepvaccin In het griepseizoen 2018/2019 hadden gevaccineerden in Nederland 57 procent minder kans op griep. Dat is ongeveer hetzelfde als in vorige griepseizoenen. In Europa werkte het vaccin minder goed tegen een van de meest voorkomende griepvirussen. Internationaal wordt uitgezocht wat de reden daarvan is. De effectiviteit van het griepvaccin kan per seizoen sterk verschillen. Dat komt omdat een half jaar van tevoren wordt bepaald welke virussen in het griepvaccin komen. Dat gebeurt op basis van de virussen die het griepseizoen ervoor in de wereld het meest voorkwamen. Maar griepvirussen kunnen veranderen, of andere griepvirussen kunnen overheersen tegen de tijd dat het griepseizoen in Nederland begint. Daardoor kan van tevoren nooit precies worden voorspeld welke griepvirussen hierin omloop zullen zijn. Meldingsplichtige luchtweginfecties Sommige luchtweginfecties moeten bij de GGD worden gemeld. De GGD kan ze dan intensief volgen en als het nodig is op tijd actie ondernemen om te voorkomen dat ze zich verder verspreiden. Het aantal meldingen van legionella is in 2018 nog verder gestegen naar 584, het hoogste aantal ooit gerapporteerd. Het aantal gemelde gevallen van tuberculose (806), Q-koorts (18) en psittacose (64) bleef stabiel. Q-koorts, psittacose en legionella uiten zich meestal in de vorm van longontstekingen. Het aantal gemelde gevallen is lager dan het werkelijke aantal. Dat komt doordat vaak niet op deze ziekten wordt getest als mensen een longontsteking hebben.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

TEEB Stadtool : Actualisatie en Doorontwikkeling | RIVM

Groen en water vergroten de gezondheid en het woonplezier in de steden. Bij stedelijke ontwikkeling is er vaak onvoldoende aandacht voor dit soort baten en krijgen economische baten voorrang. Met de TEEB Stadtool kan de maatschappelijke waarde van groen en water in steden worden berekend. De tool is nu geactualiseerd en er zijn enkele baten aan toegevoegd. De vorige versie van de TEEB Stadtool komt uit oktober 2015. De nieuwe versie bevat nieuwe of geactualiseerde 'kengetallen'. Deze getallen worden gebruikt om het effect van een maatregel in te schatten in natuurlijke en vervolgens monetaire eenheden. Beschreven is welke kengetallen uit de wetenschappelijke literatuur zijn geselecteerd en waarom. Verder is de tool uitgebreid met een groot aantal nieuwe berekeningen, zoals voor het effect van groen op luchtkwaliteit, de berging van regenwater in de bodem en de opslag van koolstofdioxide door bomen. Om de tool relevant te houden wordt geadviseerd om de berekeningen van de baten elk jaar te actualiseren. Bovendien worden suggesties gedaan over de ontwikkeling van de tool in de toekomst. TEEB, The Economics of Ecosystems and Biodiversity, is een wereldwijd initiatief uit 2007 dat wordt gefaciliteerd door de Verenigde Naties. Het is erop gericht de waarde van ecosysteemdiensten en biodiversiteit te erkennen en vast te leggen. De TEEB Stadstool is in 2013 ontwikkeld in wordt sinds 2016 beheerd door het RIVM, als onderdeel van de Atlas Natuurlijk Kapitaal.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Risicogrenzen GenX (HFPO-DA) voor grond en grondwater | RIVM

De GenX-technologie wordt gebruikt om onder andere coatings te produceren, zoals Teflon. Hierbij komt de stof HFPO-DA (2,3,3,3-tetrafluor-2-(heptafluoropropoxy) propaanzuur, of FRD902/FRD903) vrij. Deze stof is giftig en verspreidt zich naar lucht, oppervlaktewater, bodem en het grondwater. In opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft het RIVM risicogrenzen bodem en grondwater voor HFPO-DA bepaald. Op basis van risicogrenzen kunnen overheden bepalen of de kwaliteit van de grond en het grondwater een risico vormt voor mens en milieu, en of maatregelen nodig zijn. Daarnaast kunnen de risicogrenzen worden gebruikt voor beslissingen over hergebruik van grond die vrijkomt bij activiteiten voor de bouw of infrastructuur. De risicogrenzen voor grond en grondwater zijn bepaald volgens de methodiek die ook wordt gebruikt om de normen van de Wet Bodembescherming en het Besluit Bodemkwaliteit af te leiden. Het uitgangspunt is mens, plant en dier te beschermen bij een blootstelling vanuit grond en grondwater. Een van de berekende risicogrenzen geeft een indicatie voor ernstige bodem of grondwaterverontreiniging (INEV). De hoogte van de andere risicogrenzen is afhankelijk van de wijze waarop de bodem wordt gebruikt. Het gaat om de volgende bodemfuncties: wonen met tuin; moestuin en volkstuin; plaatsen waar kinderen spelen; landbouw; natuur; groen met natuurwaarden; overig groen, bebouwing, infrastructuur en industrie. Door een gebrek aan betrouwbare basisgegevens over HFPO-DA zijn de risicogrenzen 'voorlopig'. Voor de beoordeling van nieuwe stoffen zoals HFPO-DA zijn meer gegevens nodig, een beoordelingsmethodiek die toegesneden is op de specifieke eigenschappen van deze stoffen, en een handelingskader om risico's te beperken
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Gezondheid in de IJmond II : Monitoring medicijngebruik 2007-2015 | RIVM

De verstrekking van medicatie voor bepaalde aandoeningen in de regio IJmond lijkt verband te houden met de uitstoot van fijn stof door Tata Steel. Er zijn nog te veel onzekerheden om te kunnen concluderen dat de uitstoot de directe oorzaak is. Zo is er geen rekening gehouden met leefstijlfactoren die invloed hebben op de medicijnverstrekking, zoals overgewicht en roken. Het gaat om medicijnen voor een verhoogde bloeddruk, diabetes en hartaandoeningen. Er zijn geen aanwijzingen dat er meer medicatie voor luchtwegaandoeningen wordt voorgeschreven. Dit blijkt uit de tweede monitor van het RIVM, waarin gegevens over het medicijngebruik van omwonenden in de jaren 2007 tot en met 2015 zijn onderzocht. De monitor maakt deel uit van een langetermijnonderzoek naar de gezondheid van omwonenden. Dit is in 2009 in gang gezet naar aanleiding van zorgen van omwonenden over de risico's van de uitstoot van luchtverontreiniging door Tata Steel. Het RIVM heeft dat jaar de samenhang tussen de uitstoot van stoffen door Tata Steel, lokale milieukwaliteit en de gezondheid van bewoners onderzocht. Daaruit bleek dat door de bijdrage van Tata Steel aan de fijnstofniveaus in de lucht iets meer gezondheidsklachten bij omwonenden kunnen optreden. Ook bleek dat er in de IJmond relatief meer mensen longkanker hebben, maar het was niet mogelijk om dit zonder meer aan de uitstoot van Tata Steel toe te schrijven. De eerste monitor, waarvan de resultaten in 2014 verschenen, betrof het medicijngebruik van bloeddrukverlagende middelen en luchtwegmedicatie in de periode 2006-2010. Daarin vond het RIVM geen verband tussen de blootstelling aan luchtverontreiniging door Tata Steel en het gebruik van bloeddrukverlagende medicatie door volwassenen. Dit gold ook voor het gebruik van luchtwegmedicatie door volwassenen en jongeren. De methode van onderzoek was destijds minder gedetailleerd dan in de tweede ronde. Beide monitors zijn in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Water (IenW) uitgevoerd. Het RIVM onderzocht het medicatiegebruik. GGD Kennemerland rapporteerde namens de gemeenten in de regio over gegevens uit de lokale gezondheidsmonitor. Zij publiceerden ook de belangrijkste bevindingen over het medicatieonderzoek in maart 2018. Eventuele effecten van grafietregens zijn in deze tweede monitoringsronde niet onderzocht.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Assurance system regarding the influence of medicinal products on results of IVD tests | RIVM

Om een diagnose te kunnen stellen, worden soms tests uitgevoerd in een laboratorium, bijvoorbeeld op basis van bloed. Sommige medicijnen kunnen invloed hebben op de diagnostische test, waardoor de uitslag niet goed is. Het is daarom belangrijk dat kennis en informatie over de invloed van medicijnen op de uitslag wordt uitgewisseld tussen bedrijven en laboratoria. Doordat deze kennis niet systematisch wordt gedeeld, is de informatie niet altijd bij hen bekend. Er is nog geen centraal punt waar laboratoria, fabrikanten van tests en farmaceutische bedrijven deze informatie kunnen vinden. Daarnaast zijn laboratoria vaak niet op de hoogte van de medicijnen die een patiënt gebruikt. Daardoor is het niet altijd meteen duidelijk dat een medicijn de oorzaak is van een afwijkende testuitslag. Dat blijkt uit onderzoek van het RIVM in opdracht voor de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). Diagnostische tests in laboratoria worden in vitro diagnostica (IVDs) genoemd. De invloed van medicijnen, zogenoemde interferenties, is niet altijd bekend op het moment dat het IVD wordt ontwikkeld. Ze komen vaak pas aan het licht nadat het in de handel is gebracht en wordt gebruikt in laboratoria. Als wordt ontdekt dat een medicijn interfereert met een diagnostische test, past de fabrikant van het IVD de gebruiksinstructies aan. Dan weten laboratoria dat ze rekening moeten houden met deze interferentie. Het is onbekend hoe vaak interferenties tussen medicijnen en IVD's voorkomen. Bij de IGJ komen per jaar één tot twee meldingen van nieuw ontdekte interferenties binnen. Het is mogelijk dat interferenties niet altijd worden ontdekt. Hierbij moet worden opgemerkt dat een arts zijn oordeel vaak niet alleen baseert op een IVD-test. Een arts voert vaak ook nog andere tests uit om een diagnose te stellen en weegt de symptomen en klachten van de patiënt mee.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Agricultural practices and water quality on farms registered for derogation in 2017 | RIVM

In Nederland mogen agrarische bedrijven die aan specifieke randvoorwaarden voldoen, meer dierlijke mest op hun land gebruiken dan in de algemene norm van de Nitraatrichtlijn is voorgeschreven. Deze verruiming wordt derogatie genoemd. Het RIVM en Wageningen Economic Research monitoren de gevolgen van deze derogatie voor de waterkwaliteit op driehonderd bedrijven. Dit rapport beschrijft de monitoringsresultaten voor derogatiebedrijven in het jaar 2017 en de trend vanaf 2006. Op basis van deze resultaten concluderen we dat de derogatie geen negatieve effecten heeft op de waterkwaliteit. Bedrijfsvoering In 2017 hebben derogatiebedrijven gemiddeld 245 kilogram stikstof uit dierlijke mest per hectare gebruikt. Een derogatiebedrijf mag 230 of 250 kilogram stikstof per hectare uit graasdiermest gebruiken, afhankelijk van de bodemsoort en regio. Door verbeteringen in de bedrijfsvoering in de afgelopen jaren wordt meer stikstof uit mest gebruikt voor de aanwas, en dus productie, van gewassen: de indicator 'stikstofbodemoverschot' is daardoor sinds 2006 met 20 procent gedaald. Een dalend stikstofbodemoverschot houdt in dat stikstof efficiënter wordt gebruikt. Hierdoor kan er minder nitraat met regenwater wegzakken naar diepere lagen in de bodem en in het grondwater terechtkomen. Grondwaterkwaliteit Bij derogatiebedrijven is daardoor sinds 2006 minder of evenveel nitraat in het grondwater terechtgekomen. Sinds 2015 ligt de gemiddelde nitraatconcentratie van derogatiebedrijven in alle regio's onder de EU-norm van 50 milligram per liter. Dit geldt voor gemiddelden per regio. Op bedrijfsniveau wordt de nitraatnorm soms nog wel overschreden, maar gemiddeld genomen voldoen steeds meer derogatiebedrijven de laatste jaren aan deze norm. De hoogste nitraatconcentraties zijn in 2017 aangetroffen in de Lössregio (38 milligram per liter) en in het zuidelijk en oostelijk deel van de Zandregio (31 milligram per liter). In deze regio's komen drogere gronden voor, waar nitraat in mindere mate in de bodem wordt afgebroken en daardoor meer kan wegzakken naar het grondwater.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Microbiological hazards in non-food consumer products | RIVM

Elke infectie is het gevolg van blootstelling aan een microbiologisch gevaar, zoals een virus of bacterie. Microbiologische gevaren zijn overdraagbaar van mens-op-mens of via voedsel, maar kunnen ook via andere bronnen worden overgedragen. In dit rapport wordt verslag gedaan van een literatuur studie naar de rol van consumenten producten (anders dan voedsel) als mogelijke bron van microbiologische gevaren. Onder dit soort consumenten producten (anders dan voedsel) worden producten verstaan die zonder recept (medicijnen zijn uitgesloten) commercieel verkrijgbaar zijn. Onder andere cosmetica en verzorgingsproducten, speelgoed, tatoeage inkt, alternatieve geneesmiddelen, tuinproducten als compost en mest, gezelschapsdieren, wasmiddelen en tabaksartikelen worden in de literatuur beschreven als potentiële bron van microbiologische gevaren, vooral bacteriën. Consumenten producten, anders dan voedsel, worden op grote schaal gebruikt. Toch zijn er in de literatuur maar zeven uitbraken van een infectieziekte beschreven waarin dit soort producten een rol hebben gespeeld. Mogelijk spelen consumenten producten anders dan voedsel slechts een bescheiden rol in de verspreiding van infectieziektes.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Onderzoek zoönosen in de vleesveehouderij in 2017 | RIVM

Dieren kunnen ziekteverwekkers bij zich dragen waar mensen ook ziek van kunnen worden. De ziekten die ze veroorzaken heten ook wel zoönosen. In 2017 onderzochten het RIVM en de NVWA hoe vaak enkele van deze ziekteverwekkers voorkwamen bij runderen die gefokt worden voor hun vlees. Hiervoor zijn runderen op 196 bedrijven onderzocht. Daarnaast hebben 129 veehouders, gezinsleden en medewerkers meegedaan aan dit onderzoek. Het RIVM heeft gekeken of dezelfde ziekteverwekkers ook bij de deelnemers voorkwamen. De meeste van deze ziekteverwekkers veroorzaken diarree, maar soms kunnen infecties ernstiger verlopen. Er is ook naar ESBL-producerende bacteriën gekeken, omdat zij ongevoelig zijn voor een groep antibiotica. Bij de onderzochte runderen komen een aantal ziekteverwekkers vaak voor. Ze zitten in de darmen van de dieren en dus ook in de mest. Het vlees kan besmet raken in het slachthuis als er mest op het vlees komt. Mensen kunnen een besmetting voorkomen door alleen rundvlees te eten als het goed gaar is. Ook is het belangrijk te voorkomen dat ander voedsel in contact komt met rauw vlees. Vooral de bacterie Campylobacter kwam veel voor bij de runderen: op 86 procent van de bedrijven. Bij veehouders en gezinsleden kwam deze bacterie bij 2 procent van de deelnemers voor. STEC en ESBL-producerende bacteriën kwamen minder vaak voor bij de runderen; namelijk op 25 procent (STEC) en 15 procent (ESBL) van de bedrijven. Eén van de deelnemers droeg de STEC-bacterie bij zich. ESBL-producerende bacteriën zijn bij 7 procent van de deelnemers gevonden. Dit is ongeveer even vaak als bij de Nederlandse bevolking. Op 4 procent van de bedrijven kwam de salmonellabacterie voor bij de runderen. Meestal waren dit typen salmonellabacteriën die bij mensen diarree kunnen veroorzaken. Salmonella is niet gevonden bij de veehouders en gezinsleden die meededen.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Next-generation multifunctional carbon-metal nanohybrids for energy and environmental applications. | RIVM

Nanotechnology has unprecedentedly revolutionized human societies over the past decades and will continue to advance our broad societal goals in the coming decades. The research, development, and particularly the application of engineered nanomaterials have shifted the focus from “less efficient” single-component nanomaterials toward “superior-performance”, next-generation multifunctional nanohybrids. Carbon nanomaterials (e.g., carbon nanotubes, graphene family nanomaterials, carbon dots, and graphitic carbon nitride) and metal/metal oxide nanoparticles (e.g., Ag, Au, CdS, Cu2O, MoS2, TiO2, and ZnO) combinations are the most commonly pursued nanohybrids (carbon−metal nanohybrids; CMNHs), which exhibit appealing properties and promising multifunctionalities for addressing multiple complex challenges faced by humanity at the critical energy−water− environment (EWE) nexus. In this frontier review, we first highlight the altered and newly emerging properties (e.g., electronic and optical attributes, particle size, shape, morphology, crystallinity, imensionality, carbon/metal ratio, and hybridization mode) of CMNHs that are distinct from those of their parent component materials. We then illustrate how these important newly emerging properties and functions of CMNHs direct their performances at the EWE nexus including energy harvesting (e.g., H2O splitting and CO2 carbon dioxide conversion), water treatment (e.g., contaminant removal and membrane technology), and environmental sensing and in situ nanoremediation. This review concludes with identifications of critical knowledge gaps and future research directions for maximizing the benefits of next-generation multifunctional CMNHs at the EWE nexus and beyond.
Jaar: 2019 Onderzoek

Risicogrenzen bodem voor het gebruik van PFAS-houdende grond en bagger voor akkerbouw en veeteelt | RIVM

PFOS en PFOA zijn chemische stoffen die van nature niet in het milieu voorkomen. Deze stoffen behoren tot de groep poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS) en zijn door mensen gemaakt. Deze stoffen zijn in veel producten toegepast. Daardoor, en door fabrieksemissies en incidenten, zijn PFAS in het milieu terechtgekomen en zitten nu onder andere in de bodem, in bagger en in het oppervlaktewater. Bagger komt vrij als watergangen worden onderhouden om bijvoorbeeld de bevaarbaarheid en de waterafvoer zeker te stellen. Deze bagger wordt vaak op het aangrenzend perceel gelegd. Op deze manier kunnen PFAS op agrarisch land terecht komen. Het RIVM heeft de risicogrenzen bepaald voor PFAS in grond voor de landbouwvormen akkerbouw en veeteelt. Dit is gedaan omdat er (nog) geen landelijke normen bestaan voor PFAS in grond en bagger voor deze bodemfuncties. Een aantal decentrale overheden, waaronder de provincie Noord-Holland en de gemeente Haarlemmermeer, hebben daarom zelf lokale normen voor grond vastgesteld. Hiervoor zijn risicogrenzen gebruikt die het RIVM eerder heeft bepaald voor niet-agrarische bodemfuncties. In opdracht van het Hoogheemraadschap van Rijnland is onderzocht of deze risicogrenzen ook veilig genoeg zijn voor akkerbouw en veeteelt. Op basis van wat nu bekend is liggen concentraties PFAS in bagger meestal onder de risicogrenzen voor grond als deze op akkerbouwland wordt gebruikt. De risicogrenzen voor veeteelt zijn strenger dan die voor akkerbouw. De verwachting is dat de bagger op de meeste plaatsen ook zal voldoen aan de risicogrenzen voor veeteelt.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Kennisoverzicht vraagstukken diffuus lood in de bodem | RIVM

Recent gepubliceerd onderzoek bevestigt dat lood in de bodem ook bij lage blootstelling een risico kan zijn voor de gezondheid van jonge kinderen (lagere IQ). Bovendien blijkt dat bij hogere blootstellingsniveaus aan lood dit ook bij volwassenen gezondheidsproblemen kan veroorzaken. Voorbeelden zijn nierfalen en hart- en vaatziekten. Het is daarom belangrijk om met maatregelen de blootstelling te verkleinen op plekken waar lood in de bodem zit. De wetenschappelijke literatuur bevestigt de uitgangspunten waarop het Nederlandse en Vlaamse bodembeleid voor lood is gebaseerd. Waar het niet mogelijk is om de bodem schoon te maken of af te graven, krijgen mensen adviezen over hoe zij de blootstelling kunnen verminderen. Bijvoorbeeld over hoe ze hun huis kunnen schoonmaken (vaker en met een dweil in plaats van statische doekjes). Aanbevolen wordt om verder te onderzoeken welke maatregelen hiervoor effectief zijn. Zo kan het toevoegen van compost aan de grond ervoor zorgen dat het lood aan de bodemdeeltjes 'vastzit' waardoor voorkomen wordt dat het lood in planten of het menselijk lichaam wordt opgenomen. Dit gebeurt echter alleen onder bepaalde omstandigheden, waardoor de effectiviteit per locatie verschilt. Dit blijkt uit een literatuurstudie van het RIVM en de Vlaamse onderzoeksorganisatie VITO naar de kennis over gezondheidsrisico's van diffuus lood in de bodem. De studie is uitgevoerd om de kennis up to date te houden en adequaat te kunnen adviseren over deze bodemverontreinigingen. Bij diffuus bodemlood gaat het om grotere gebieden met concentraties lood die door de jaren heen zijn ontstaan door menselijk handelen, bijvoorbeeld door industriële activiteiten of door land op te hogen met afvalstoffen. Door de grote hoeveelheid verontreinigingen en de kosten is het niet mogelijk om al deze vervuilde grond af te graven. Nederland en Vlaanderen zoeken daarom naar praktische en haalbare oplossingen.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Disease burden of food-related pathogens in the Netherlands, 2018 | RIVM

Het RIVM onderzoekt elk jaar hoeveel mensen ziek worden en overlijden door maag-darminfecties die zij via voedsel oplopen. Virussen, bacteriën of parasieten kunnen hier de oorzaak van zijn. Deze ziektelast wordt uitgedrukt in DALY's (Disability Adjusted Life Year). Dit is een internationale maat voor het aantal gezonde levensjaren dat verloren gaat aan ziekte of vroegtijdig overlijden. De onderzochte 14 ziekteverwekkers kunnen niet alleen via voedsel aan de mens worden overgedragen (in totaal ongeveer 40 procent). Dat kan namelijk ook via het milieu (bijvoorbeeld via oppervlaktewater), via dieren, en van mens op mens. Het verschilt per ziekteverwekker via welke van deze routes de meeste mensen ziek worden. Sommige ziekteverwekkers verspreiden zich vooral via voeding, zoals Salmonella. Voor andere ziekteverwekkers zijn andere routes belangrijker. Het rotavirus bijvoorbeeld wordt vooral van mens op mens overgedragen. Het totaal aantal DALY's als gevolg van deze 14 ziekteverwekker is in 2018 hetzelfde als in 2017 (11.000 DALY's). De ziektelast via voedsel is in 2018 geschat op 4.300 DALY's, en is daarmee bijna hetzelfde als in 2017 (4.200). De totale kosten van deze ziektelast worden geschat op 426 miljoen euro, en zijn daarmee hoger dan in 2017 (397 miljoen). Deze cost of illness zijn de directe medische kosten, maar ook de kosten voor de patiënt en/of zijn familie, zoals reiskosten, en de kosten binnen andere sectoren, bijvoorbeeld door werkverzuim. De kosten als gevolg van besmet voedsel zijn ook iets hoger: 171 miljoen euro in 2018 ten opzichte van 163 miljoen euro in 2017. De verschillen in DALY's en kosten zijn vooral een gevolg van schommelingen in het aantal infecties van de onderzochte ziekteverwekkers. Het ministerie van VWS is de opdrachtgever van dit onderzoek. De resultaten geven handvatten om meer zicht te krijgen op de ziektelast en manieren waarop de Nederlandse bevolking aan voedselinfecties wordt blootgesteld. Ook worden de ontwikkelingen door de jaren heen duidelijk.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Vijftien jaar incidentanalyse : Oorzaken, gevolgen en andere kenmerken van incidenten met gevaarlijke stoffen in de periode 2004-2018 | RIVM

Het RIVM heeft 326 incidenten met gevaarlijke stoffen geanalyseerd die tussen 2004 en 2018 plaatsvonden bij grote chemische bedrijven. Bij deze incidenten was de veiligheid van werknemers in het geding. In totaal vielen er 215 slachtoffers, onder wie vijf doden. De aard, omvang en oorzaken van de incidenten zijn in de onderzochte periode gelijk gebleven. Het jaarlijkse aantal incidenten met relatief ernstige gevolgen is in de periode ook niet wezenlijk veranderd. Bij 90 procent van de incidenten kwamen gevaarlijke stoffen vrij. Bij 28 procent ontstond een brand of explosie. Drie keer (1 procent) gingen werknemers een installatie met gevaarlijke stoffen binnen. Incidenten ontstonden vooral tijdens de normale werkzaamheden (60 procent) of tijdens het onderhoud (20 procent). Slachtoffers ademden giftige of schadelijke stoffen in of kregen brandwonden door chemische reacties of hitte. Bij de incidenten tijdens het onderhoud vielen verhoudingsgewijs meer slachtoffers. Chemische bedrijven zijn ervoor verantwoordelijk dat installaties op orde zijn en de productieprocessen en -werkzaamheden veilig worden uitgevoerd. De incidenten ontstonden doordat in de reguliere procesvoering dingen mis gingen. De afwijkingen die daar het gevolg van waren, zijn niet op tijd opgemerkt. De veiligheid kan onder meer worden verbeterd door geschikte maatregelen in te voeren om deze afwijkingen op tijd in beeld te krijgen en te herstellen. Dit verkleint onder andere de kans dat incidenten ontstaan door ongewenste menselijke handelingen of door materiaalverzwakking. Voor deze analyse zijn incidentonderzoeken van de Inspectie SZW gebruikt. In opdracht van het ministerie van SZW gaat het RIVM na wat de overeenkomsten en verschillen tussen de onderzochte incidenten zijn. Inspectiediensten kunnen de analyse gebruiken voor hun inspectie- en handhavingsstrategieën. Bedrijven kunnen de inzichten gebruiken om de veiligheid te verbeteren.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Mineral Oils in food; a review of occurrence and sources | RIVM

Minerale oliën kunnen in voedsel zitten doordat ze eraan zijn toegevoegd, of er als verontreiniging in zijn terechtgekomen. Door maatregelen en handhaving zijn de hoeveelheden in voedsel de laatste decennia afgenomen. Op basis van de gehaltes die tot nu toe bekend zijn, verwacht het RIVM in Nederland geen schadelijke gezondheidseffecten. Dit blijkt uit een evaluatie van beschikbare kennis over minerale oliën in voedsel en bronnen van waaruit minerale oliën in voedsel terecht kunnen komen. Minerale oliën worden in verschillende stappen van de productie, bereiding, distributie en opslag van voedsel gebruikt. Bijvoorbeeld als gewasbeschermingsmiddel, als smeerolie voor voedselverwerkende machines, als voedseladditief, of als toevoeging in plastic verpakkingsmateriaal. Per toepassing is de samenstelling van minerale oliën anders. Minerale oliën bestaan uit twee groepen stoffen: verzadigde koolwaterstoffen (MOSH) en aromatische koolwaterstoffen (MOAH). De mogelijke schadelijke gezondheidseffecten van deze groepen verschillen. MOSH en MOAH in voedsel zijn voornamelijk afkomstig van gezuiverde oliën. MOAH uit onvoldoende gezuiverde oliën kunnen al bij een lage blootstelling kankerverwekkend zijn. Daarom mogen deze oliën in de voedselketen niet worden gebruikt. Zo mogen bijvoorbeeld cacao, rijst en noten niet worden geïmporteerd als deze in juten zakken zijn verpakt die met ongezuiverde oliën zijn behandeld. Ondanks de algemene daling van minerale oliën in voedsel, worden er soms nog hoge gehaltes gemeten. Om te achterhalen waar ze vandaan komen en welke levensmiddelen een belangrijk aandeel leveren in de blootstelling, heeft de Europese Commissie in 2017 lidstaten opgeroepen gehalten van minerale oliën in voedselproducten te meten. In Nederland wordt dit uitgevoerd door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Op basis van de verzamelde meetgegevens, en wat de belangrijkste bronnen lijken te zijn van waaruit de minerale oliën in de producten terechtkomen, kan worden onderzocht welke maatregelen mogelijk zijn.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Marktontwikkeling en leveringszekerheid voor medische radionucliden : Uitbreiding op RIVM Rapporten 2017-0063 en 2018-0075 | RIVM

Het RIVM heeft aanvullend onderzoek gedaan naar de leveringszekerheid van diagnostische en therapeutische radionucliden voor Nederland en naar de effecten van het niet bouwen van de Pallas reactor, de beoogde opvolger van de HFR. Radioactieve stoffen kunnen worden gebruikt om een diagnose te stellen. Ook kunnen ze verschillende soorten kanker behandelen of pijn bestrijden bij terminale patiënten, zogenoemde therapeutische radionucliden. De meeste medische radionucliden worden in Europa gemaakt in zes kernreactoren, waarvan er één in Nederland staat (de HFR). Op één reactor na zijn deze installaties op gevorderde leeftijd en zullen ze vroeg of laat moeten sluiten. De markt is op dit moment fragiel: als één grote reactor of één van de gespecialiseerde laboratoria onverwacht uitvalt, kunnen op wereldschaal leveringsproblemen ontstaan. Bij een onverwachte uitval kunnen de overige reactoren de vraag lang niet altijd opvangen, wat de leveringszekerheid voor de wereld (en dus ook voor Nederland) vrij onzeker maakt. Dat geldt zowel voor diagnostische als therapeutische radionucliden. De vraag naar molybdeen-99/technetium-99m in de wereld zal op de lange termijn stijgen. Geschatte percentages variëren van 5% tot 8% jaarlijkse stijging van de vraag in de opkomende economieën. De groei in de omzet van de therapeutische isotopen zal veel hoger zijn. Bij een vraaggroei voor lutetium-177 van 7% per jaar bijvoorbeeld zijn er al binnen vijf jaar tekorten te verwachten. Om de productieketen van medische radionucliden toekomstbestendig te maken, is een overgang nodig naar een prijsstelling nodig die alle kosten in de keten dekt. In het afgelopen jaar is er meer duidelijkheid gekomen over de aanbodkant van de productie van medische radionucliden. Er zijn initiatieven gaande in Duitsland, Frankrijk en België om de bestaande productiecapaciteit voor medische radionucliden te vergroten en nieuwe capaciteit te bouwen. Zelfs wanneer al deze initiatieven slagen, zullen zij echter niet de productiecapaciteit kunnen vervangen van de reactoren in België (BR2) en Nederland (HFR) die op termijn gaan sluiten. De Europese Commissie heeft onlangs de voorzieningszekerheid van medische radio-isotopen laten onderzoeken. Die studie concludeert dat het, ondanks de genoemde initiatieven, nodig is in de EU nóg een reactor te bouwen om de EU zelfvoorzienend te laten blijven en tekorten op wereldschaal te voorkomen. De studie wijst Pallas hiervoor aan als de gerede kandidaat om de benodigde productiecapaciteit in de komende decennia te garanderen. Nederland is in de unieke positie dat een groot deel van de leveringsketen binnen eigen land aanwezig is: van onderzoek en ontwikkeling, via productie van radionucliden tot de verwerking daarvan tot radiofarmaceutische producten. Hierdoor heeft Nederland ook een goede positie om het land te blijven waar nieuwe radiofarmaceutische producten ontwikkeld worden. De nabijheid van academische ziekenhuizen, een reactor, gespecialiseerde laboratoria dragen daaraan bij. Mocht de HFR sluiten zonder dat de Pallas-reactor wordt gerealiseerd, dan verliest Nederland haar positie binnen die leveringsketen. De kans is dan groot dat de radiofarmacie haar werk van Petten naar het buitenland zal verplaatsen. Daarnaast zal dit grote en negatieve gevolgen hebben voor de (lokale) werkgelegenheid in de nucleaire sector: een derde van de mensen die in Nederland in de nucleaire sector werken en ongeveer 1000 bij toeleveranciers zullen hun baan verliezen. De nucleaire kennisinfrastructuur zal hieronder lijden. Ook vervallen dan de diensten die vanuit Petten worden geleverd aan de nucleaire industrie, andere industrietakken en overheden.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Analyse van incidenten met gevaarlijke stoffen bij grote bedrijven 2018 | RIVM

Het RIVM analyseert elk jaar de aard, omvang en oorzaak van incidenten met gevaarlijke stoffen bij grote chemische bedrijven in Nederland. In de analyse van 2018 waren dat er veertien. Bij twaalf incidenten kwamen gevaarlijke stoffen vrij, bij drie hiervan was er ook brand. Eén keer was er een explosie, gevolgd door een brand. In totaal raakten negen mensen gewond. Bij acht van hen was het letsel vermoedelijk tijdelijk. Eén persoon liep blijvend letsel door brandwonden op. Chemische bedrijven zijn ervoor verantwoordelijk dat installaties op orde zijn en dat productieprocessen en werkzaamheden veilig worden uitgevoerd. Bij de onderzochte incidenten ging het op verschillende onderdelen mis. Zo raakten materialen verzwakt of waren chemische processen niet goed onder controle. Hierdoor liepen de processen anders, wat niet op tijd is ontdekt en hersteld. Bedrijven hadden de noodmaatregelen die zij achter de hand moeten hebben, vaak niet of niet goed ingevoerd. Een voorbeeld van zo'n maatregel is voorkomen dat een installatie in brand raakt via ontvlambare materialen in de omgeving. Zes incidenten hadden met een noodmaatregel kunnen worden voorkomen. Bij twee incidenten was de vaardigheid van het personeel om het werk veilig uit te voeren, niet op orde. Ook is aandacht nodig voor persoonlijke beschermingsmiddelen, omdat daar bij vijf incidenten iets mee misging. Wanneer gevaarlijke stoffen vrijkomen, is het mogelijk om de schadelijke effecten te beperken. Bij acht incidenten is voorkomen dat de stoffen zich naar de omgeving verspreidden. Deze rapportage maakt deel uit van de opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) om incidenten te analyseren die de Inspectie SZW heeft onderzocht. Het RIVM gaat na wat de overeenkomsten en verschillen tussen deze incidenten zijn. De resultaten kunnen worden gebruikt voor inspectie- en handhavingsstrategieën. Bedrijven kunnen de inzichten gebruiken om hun veiligheidsbeleid te verbeteren.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Actualisatie giftige voorbeeldstoffen transport gevaarlijke stoffen | RIVM

Per 1 april 2015 is in Nederland een wet in werking getreden om gevaarlijke stoffen veilig te vervoeren. Dit zogeheten Basisnet is bedoeld om een evenwicht te creëren tussen het vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimtelijke ontwikkelingen en veiligheid voor de omgeving. De veiligheid van het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt berekend en in risico's uitgedrukt. Hiervoor zijn de stoffen in enkele categorieën samengevoegd en wordt per categorie één voorbeeldstof gebruikt voor de risicoanalyse. De huidige voorbeeldstoffen zijn in de jaren negentig van de vorige eeuw bepaald. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat de giftige voorbeeldstoffen nu niet meer representatief zijn. Ze worden niet of zelden vervoerd, of er zijn nieuwe inzichten over de giftigheid ervan. Ze zijn daarom ook moeilijk te verantwoorden aan de omgeving wanneer de werkwijze wordt uitgelegd. Het RIVM heeft verschillende mogelijkheden voor actualisatie uitgewerkt en beveelt nieuwe voorbeeldstoffen aan. Daarbij is rekening gehouden met nieuwe inzichten over de giftigheid van stoffen en hoeveel ze vervoerd worden. Bij de berekening van de risico's wordt een onderscheid gemaakt tussen gassen en vloeistoffen. Voor giftige gassen zijn de berekende risico's met de nieuwe voorbeeldstoffen lager. Voor twee stofcategorieën van giftige vloeistoffen zijn de berekende risico's lager en voor twee andere categorieën hoger. Bij de vloeistoffen met een hoger risico gaat het om klein aantal stoffen die in kleine hoeveelheden worden vervoerd. Hierdoor neemt het totale berekende risico van alle stoffen samen naar verwachting niet toe. Dit onderzoek is gebaseerd op het totaal aan stoffen dat in Nederland wordt vervoerd. Om de gevolgen voor de berekende risico's voor afzonderlijke trajecten te bepalen is gedetailleerder onderzoek nodig. Het onderzoek is uitgevoerd op verzoek van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW). Het RIVM analyseerde voor dit onderzoek recente transportaantallen van giftige stoffen, gegevens over de giftige effecten en voerde risicoberekeningen uit.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Staat van infectieziekten in Nederland, 2018 | RIVM

Dit rapport bevat een erratum d.d. 08-07-2019 op pagina 42 en d.d. 10-09-2019 op pagina 43 De tabellen met meldingen van meldingsplichtige ziekten per jaar en virologische weekstaten zijn de vinden in de Appendix. De afgelopen jaren neemt het aantal mensen dat ziek is geworden van de meningokokken type W-bacterie toe. Deze stijging zette in 2018 door (103 patiënten in 2018, 80 in 2017). Vaccinatie tegen dit type meningokok is daarom sinds mei 2018 toegevoegd aan de vaccinatie voor kinderen van 14 maanden. Daarnaast wordt deze meningokokken ACWY-vaccinatie in 2019 aangeboden aan jongeren die tussen 2001 en 2005 zijn geboren. Een deel van de jongeren uit 2004, is hier al in 2018 voor uitgenodigd. Het griepseizoen 2018-2019 verliep, met naar schatting 400.000 zieken, aanzienlijk milder dan de hevige epidemie van 2017-2018 (900.000 zieken). In juli en augustus 2018 zijn opvallend veel meldingen gedaan van kraamvrouwenkoorts door groep A streptokokken (27 patiënten). In die periode zagen huisartsen ook veel mensen met krentenbaard. Na onderzoek van het RIVM bleek dat de vrouwen die kraamvrouwenkoorts kregen relatief vaak in contact waren geweest met mensen met roodvonk, krentenbaard of keelontsteking; drie ziekten die de groep A streptokok kan veroorzaken. De infectieziekten waaraan in de afgelopen vijf jaar de meeste 'gezonde levensjaren' in Nederland verloren gingen, zijn griep, pneumokokkenziekte, en infecties met legionella, hiv en campylobacter. Dit blijkt uit de Staat van Infectieziekten van het RIVM. Deze jaarlijkse rapportage geeft beleidsmakers bij onder andere het ministerie van VWS en GGD-en een overzicht van de belangrijkste ontwikkelingen van infectieziekten in Nederland en het buitenland. Het verdiepende thema gaat dit jaar over muggen en de ziekten die deze insecten kunnen overbrengen. In de media worden vaak muggensoorten, risico's en de factoren die hierop van invloed zijn, verward. Dit kan onnodige bezorgdheid veroorzaken. Daarom is een overzicht gemaakt van welke muggensoort welke ziekten kan overbrengen, en onder welke omstandigheden. Deze kennis is belangrijk om te kunnen bepalen of er een risico is voor de Nederlandse volksgezondheid. Het is nog onduidelijk wat de invloed van klimaatverandering (temperatuurstijging, meer regen en aanhoudende droogte) is op de risico's van mugoverdraagbare ziekten.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie in 2017 | RIVM

In Nederland mogen agrarische bedrijven die aan specifieke randvoorwaarden voldoen, meer dierlijke mest op hun land gebruiken dan in de algemene norm van de Nitraatrichtlijn is voorgeschreven. Deze verruiming wordt derogatie genoemd. Het RIVM en Wageningen Economic Research monitoren de gevolgen van deze derogatie voor de waterkwaliteit op driehonderd bedrijven. Dit rapport beschrijft de monitoringsresultaten voor derogatiebedrijven in het jaar 2017 en de trend vanaf 2006. Op basis van deze resultaten concluderen we dat de derogatie geen negatieve effecten heeft op de waterkwaliteit. Bedrijfsvoering In 2017 hebben derogatiebedrijven gemiddeld 245 kilogram stikstof uit dierlijke mest per hectare gebruikt. Een derogatiebedrijf mag 230 of 250 kilogram stikstof per hectare uit graasdiermest gebruiken, afhankelijk van de bodemsoort en regio. Door verbeteringen in de bedrijfsvoering in de afgelopen jaren wordt meer stikstof uit mest gebruikt voor de aanwas, en dus productie, van gewassen: de indicator 'stikstofbodemoverschot' is daardoor sinds 2006 met 20 procent gedaald. Een dalend stikstofbodemoverschot houdt in dat stikstof efficiënter wordt gebruikt. Hierdoor kan er minder nitraat met regenwater wegzakken naar diepere lagen in de bodem en in het grondwater terechtkomen. Grondwaterkwaliteit Bij derogatiebedrijven is daardoor sinds 2006 minder of evenveel nitraat in het grondwater terechtgekomen. Sinds 2015 ligt de gemiddelde nitraatconcentratie van derogatiebedrijven in alle regio's onder de EU-norm van 50 milligram per liter. Dit geldt voor gemiddelden per regio. Op bedrijfsniveau wordt de nitraatnorm soms nog wel overschreden, maar gemiddeld genomen voldoen steeds meer derogatiebedrijven de laatste jaren aan deze norm. De hoogste regio gemiddelde nitraatconcentraties zijn in 2017 aangetroffen in de Lössregio (38 milligram per liter) en in het zuidelijk en oostelijk deel van de Zand regio (31 milligram per liter). In deze regio's komen drogere gronden voor, waar nitraat in mindere mate in de bodem wordt afgebroken en daardoor meer kan wegzakken naar het grondwater. De monitoring wordt uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselveiligheid (LNV).
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

PAS Monitoringsrapportage stikstof 2018 | RIVM

Het RIVM rapporteert over de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan in Nederlandse Natura 2000-gebieden. Dit is onderdeel van de monitoring van het Programma Aanpak Stikstof (PAS). De doelen van het PAS zijn: minder stikstof, sterkere natuur en economische ontwikkeling. De uitstoot van stikstof is de basis om te berekenen hoeveel ervan neerslaat op de bodem en de planten (stikstofdepositie). Uit deze monitoringsrapportage blijkt dat van 2014 tot en met 2017 de jaarlijkse uitstoot van stikstofoxiden met 13 kiloton is gedaald (4 procent). Stikstofoxide is de vorm van stikstof die vooral van verkeer en industrie afkomt. De jaarlijkse uitstoot van ammoniak, waarvan landbouw de belangrijkste bron is, is met 4 kiloton gestegen (3 procent). Het RIVM maakt voor het PAS ook prognoses van de hoeveelheid stikstof die in 2020 en 2030 op de bodem van Natura 2000-gebieden neerslaat. In de huidige prognose daalt de depositie. Hierbij is ervan uitgegaan dat de uitstoot van stikstofoxiden stijgt, en van ammoniak daalt. Als de ontwikkelingen in de gerapporteerde uitstoot tot 2017 echter doorzetten, is de hoeveelheid stikstofoxiden in de prognoses te hoog ingeschat en die van ammoniak te laag. Vanwege deze ontwikkelingen is het onzeker of de verwachte depositiedaling overal gaat worden gehaald. De afgelopen jaren is een verschil te zien tussen de uitstoot en de gemeten concentratie van ammoniak in de lucht. Dit komt grotendeels doordat er minder vervuilende stoffen in de lucht zitten. Ammoniak verbindt zich daardoor minder met deze stoffen en blijft langer in de lucht achter. Door dit inzicht is het verschil beter te begrijpen, maar het is geen reden om depositiecijfers aan te passen. Verder wordt de feitelijke uitstoot uit de landbouw nader onderzocht. Dit kan nauwkeurigere gegevens over de uitstoot en prognoses opleveren. Het aantal nieuwe aanvragen voor economische activiteiten die binnen het PAS kunnen plaatsvinden, neemt af. Dat komt doordat op diverse plekken de beschikbare ruimte voor economische ontwikkeling al is benut. Deze rapportage is opgesteld voordat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak heeft gedaan over het PAS.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

NethMap 2019: Consumption of antimicrobial agents and antimicrobial resistance among medically important bacteria in the Netherlands / MARAN 2019: Monitoring of Antimicrobial Resistance and Antibiotic Usage in Animals in the Netherlands in 2018 | RIVM

Wereldwijd neemt het aantal bacteriën die resistent zijn tegen antibiotica toe. In Nederland blijft dat aantal over het algemeen stabiel en is het minder hoog dan in veel andere landen. Toch blijft er reden voor zorg en alertheid. Bij sommige bacteriesoorten neemt de resistentie tegen sommige antibiotica wel langzaam toe. Vooral bij Klebsiella pneumoniae, een veel voorkomende darmbacterie, werken de laatste 5 jaar meerdere antibiotica steeds vaker minder goed. Deze bacteriën kunnen onschuldige infecties zoals een blaasontsteking veroorzaken en zijn door de resistentie moeilijker te behandelen. Ook moeten dan vaker soorten antibiotica worden gebruikt die alleen als laatste redmiddel worden gebruikt. Om resistentie te voorkomen is het belangrijk om antibiotica op de juiste manier te gebruiken en alleen als het nodig is. Huisartsen schreven in het afgelopen jaar even veel antibioticakuren voor als de jaren daarvoor. In ziekenhuizen blijft het totale antibioticagebruik wel stijgen. Voor dieren is in 2018 is ongeveer evenveel antibiotica voorgeschreven als in 2017. Ten opzichte van 2009, het referentiejaar, is het gebruik met ruim 63 procent verminderd. Voor dieren zijn de afgelopen jaren bijna geen antibiotica gebruikt die belangrijk zijn om infecties bij de mens te behandelen. Het aantal resistente bacteriën bij dieren is ongeveer gelijk gebleven. Wel is het aantal ESBL-producerende darmbacteriën verder afgenomen bij bijna alle diersoorten die voor de voedselproductie worden gebruikt. Alleen bij vleeskalveren blijft het aantal stijgen. ESBL zijn enzymen die veelgebruikte antibiotica kunnen afbreken, zoals penicillines. Dit blijkt uit de jaarlijkse rapportage NethMap/MARAN 2019. Hierin presenteren diverse organisaties gezamenlijk de gegevens over het antibioticagebruik en -resistentie in Nederland, zowel voor mensen als voor dieren. In Nederland zijn de afgelopen jaren extra maatregelen genomen om antibioticaresistentie te bestrijden. Deze maatregelen reiken verder dan de gezondheidszorg omdat resistente bacteriën ook bij dieren, in voeding en in het milieu voorkomen (One Health). Onder andere zijn 'regionale zorgnetwerken' opgezet om de samenwerking tussen verschillende zorgprofessionals te stimuleren en de kans dat resistente bacteriën worden overgedragen zo klein mogelijk te houden. Part 1: NethMap 2019 pg 1 - 166 Part 2: MARAN 2019 pg 1 - 82
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Onderzoek naar de gezondheidseffecten van kortdurende blootstelling aan ultrafijn stof rond Schiphol | RIVM

Mensen die in de buurt van Schiphol wonen staan regelmatig bloot aan verhoogde concentraties ultrafijn stof. Ultrafijn stof is het aantal zeer kleine deeltjes in de lucht (kleiner dan 0,1 micrometer). De blootstelling aan ultrafijn stof rond Schiphol kan kortdurend effect hebben op de gezondheid, blijkt uit onderzoek van het RIVM. Op zulke dagen hebben kinderen meer last van luchtwegklachten, zoals kortademigheid en piepende ademhaling. Ook gebruiken kinderen dan meer medicijnen. De effecten treden vooral op bij kinderen die al klachten aan de luchtwegen hebben en hiervoor al medicijnen gebruiken. Bij kinderen en gezonde volwassenen zijn kortdurende verminderingen in de longfunctie gemeten en bij de gezonde volwassen is ook kortdurende vermindering van de hartfunctie gemeten bij tijdelijk hogere blootstelling. Gemiddeld genomen zijn deze veranderingen klein en hoeven ze niet tot directe gezondheidsklachten te leiden. Voor individuen die hiervoor gevoelig zijn, bijvoorbeeld omdat ze astma of hartaandoeningen hebben, kunnen deze veranderingen groter zijn. De effecten treden zowel op bij ultrafijn stof afkomstig van vliegverkeer als bij ultrafijn stof van andere bronnen, zoals wegverkeer. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat de gezondheidseffecten van het vliegverkeer anders zijn dan die van het wegverkeer. De conclusies zijn gebaseerd op drie deelstudies: een studie met 191 basisschoolkinderen in woonkernen vlakbij Schiphol, een studie met 21 gezonde volwassenen direct naast Schiphol en een laboratoriumstudie met longcellen. De resultaten van dit onderzoek geven nog geen inzicht in mogelijke lange termijn gezondheidseffecten van ultrafijnstof. Dit komt aan bod in het deelonderzoek naar de effecten van langdurige blootstelling aan ultrafijn stof van vliegverkeer. De resultaten hiervan worden in 2021 verwacht.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Influenza vaccination in the Netherlands : Background information for the Health Council of the Netherlands | RIVM

Van alle infectieziekten veroorzaakt griep de meeste ziekenhuisopnames en sterfgevallen. De belangrijkste manier om dit te voorkomen, is door mensen tegen dit virus te vaccineren. Ook zorgt vaccinatie ervoor dat infecties milder verlopen. De Gezondheidsraad bereidt momenteel een nieuw advies voor over de doelgroepen van de vaccinatie en de veiligheid en effectiviteit van nieuwe vaccins. Hierbij wordt ook gekeken of griepvaccinatie voor zwangere vrouwen en kinderen een goed idee is. Als ondersteuning van dit advies geeft het RIVM een overzicht van beschikbare wetenschappelijke informatie over griepvaccinatie. Onderwerpen zijn onder andere de effectiviteit, acceptatie, impact, veiligheid en kosteneffectiviteit ervan. Op dit moment wordt in Nederland twee groepen mensen geadviseerd zich tegen de griep te laten vaccineren: alle mensen van 60 jaar en ouder, en mensen die (chronische) aandoeningen hebben en daardoor een hoger risico om complicaties te krijgen of te overlijden door de griep. Vaccinatie tijdens de zwangerschap kan zowel de moeder beschermen als het kind tot zes maanden na de geboorte. Bij kinderen kan de vaccinatie een dubbel effect hebben: zij zijn zelf beschermd tegen de griep en de vaccinatie kan de kans verkleinen dat mensen in hun omgeving de griep krijgen. Er bestaan veel verschillende vaccins tegen de griep. De vaccins die nu in Nederland worden gebruikt, beschermen matig. Ze voorkomen een derde tot de helft van de infecties. Ook geldt: hoe ouder mensen zijn op het moment dat ze zich laten vaccineren, hoe minder het vaccin hen beschermt. Recente onderzoeken laten zien dat nieuwe vaccins oudere proefpersonen beter beschermen. Deze vaccins worden nog niet gebruikt in Nederland. Vanaf 2019-2020 zal een vaccin tegen vier typen griepvirus worden gebruikt in plaats van het huidige vaccin tegen drie typen.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Milieuverkenning Overijssel: Luchtkwaliteit, geluidbelasting en gezondheid | RIVM

Het gezondheidsrisico van luchtvervuiling en het geluidniveau waar inwoners van de provincie Overijssel aan worden blootgesteld, is gemiddeld genomen lager dan het gemiddelde in Nederland. Dat komt omdat de luchtkwaliteit in de provincie beter is en de geluidbelasting lager dan het Nederlandse gemiddelde. Fijn stof zorgt voor het grootste gezondheidsrisico in de provincie. Als het voorgenomen beleid voor luchtkwaliteit wordt uitgevoerd, zal de luchtkwaliteit in de provincie naar verwachting in de toekomst verbeteren. Dit is in lijn met de ontwikkelingen in de rest van Nederland. Het is niet bekend hoe de geluidbelasting zich ontwikkelt. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM naar de milieukwaliteit in relatie tot gezondheid in de provincie Overijssel. Door de milieukwaliteit in de provincie en het bijbehorende gezondheidsrisico inzichtelijk te maken, wordt duidelijk in welke gebieden mensen wonen met een hoger gezondheidsrisico als gevolg van luchtverontreiniging en geluidbelasting. Dit is belangrijk omdat milieugerelateerde gezondheidsrisico's ook onder de huidige wettelijke grenswaarden voor luchtverontreiniging en geluid optreden. Verder is het van belang om ook naar andere milieufactoren te blijven kijken die gezondheidswinst opleveren, zoals een gezonde leefomgeving. Bronnen in de provincie, zoals provinciaal verkeer en lokale industrie, dragen ongeveer 10 procent bij aan de fijnstofconcentratie. Aan de concentraties roet- en stikstofdioxide, onder andere afkomstig van houtstook en verkeer, dragen de bronnen in de provincie ongeveer een kwart bij. Buitenlandse bronnen, waaronder landbouw en industrie, leveren de grootste bijdrage aan de luchtverontreiniging in Overijssel. De belangrijkste bron van geluidbelasting is het gemeentelijk wegverkeer. Voor de verkenning is berekend wat de concentraties van fijnstof (PM10 en PM2.5), stikstofdioxide en roet in 2016 en 2030 zijn. Ook is de huidige geluidbelasting in de provincie in kaart gebracht. Op basis van de concentratie van PM10 en stikstofdioxide, en de geluidbelasting is het milieugezondheidsrisico berekend.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Metingen en berekeningen van ultrafijn stof van vliegverkeer rond Schiphol | RIVM

Dit rapport bevat een erratum d.d. 10-03-2022 vanaf pagina 97 Het RIVM heeft het rekenmodel verbeterd waarmee de jaargemiddelde concentratie ultrafijn stof van vliegverkeer rond Schiphol wordt bepaald. Ultrafijn stof is het aantal zeer kleine deeltjes in de lucht (kleiner dan 0,1 micrometer). De nieuwe berekeningen zijn vergeleken met metingen gedurende een half jaar op tien locaties rond Schiphol. Het is voor het eerst dat dit in Nederland op deze schaal is gedaan. Het rekenmodel is op twee punten aangepast. Taxiënde vliegtuigen zijn als bron toegevoegd. Daarnaast zijn extra gegevens over de uitstoot van ultrafijn stof van vliegverkeer uit de wetenschappelijke literatuur gebruikt. Vervolgens zijn de rekenresultaten afgestemd op de meetwaarden. Het aangepaste rekenmodel blijkt op deze manier goed in staat te zijn om gemiddelde concentraties over een langere tijd te bepalen. Locaties met lagere en hogere concentraties worden goed van elkaar onderscheiden. Daarmee zijn we erin geslaagd om het rekenmodel geschikt te maken voor onderzoek naar effecten op de gezondheid als mensen langdurig aan ultrafijn stof van vliegverkeer van Schiphol blootstaan. Volgens de berekeningen is de jaargemiddelde blootstelling van omwonenden aan ultrafijn stof van vliegverkeer op Schiphol in 2017 en 2018 het hoogst op woonlocaties vlak bij de luchthaven en neemt deze af naarmate ze verder weg wonen. Wel zijn er van jaar tot jaar kleine verschillen die onder andere veroorzaakt worden door variatie in weersomstandigheden en baangebruik. Een volgend onderdeel van het onderzoeksprogramma is onderzoek naar de gezondheidseffecten van langdurige blootstelling aan ultrafijn stof van vliegverkeer. Hiervoor is informatie nodig over de mate waarin mensen die in de omgeving van Schiphol wonen aan ultrafijn stof worden blootgesteld. Om de blootstelling te kunnen bepalen, is inzicht in de concentratie ultrafijn stof in de lucht nodig. Het rekenmodel maakt het mogelijk om die informatie te verkrijgen. Metingen kennen beperkingen: het is onmogelijk om op alle locaties waar mensen wonen de concentratie van ultrafijn stof te meten. Ook zijn de metingen erg afhankelijk van de weersomstandigheden en het baangebruik. Het rekenmodel vertaalt metingen naar alle overige locaties en andere (langere) perioden.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Strategisch Programma RIVM Jaaroverzicht 2016 : Speerpuntnotities - publicaties | RIVM

Het RIVM brengt jaarlijks verslag uit van het Strategisch Programma RIVM (SPR). Het verslag is bedoeld om de eigenaar van het RIVM (VWS), de Commissie van Toezicht en geïnteresseerden binnen en buiten het instituut te informeren over het eigen onderzoek. Het SPR is bedoeld om het RIVM te voorzien van de expertise en kwaliteit om nu en in de toekomst de taken van de opdrachtgevers adequaat uit te kunnen voeren. Daarvoor worden drie typen projecten uitgevoerd: onderzoek, innovatie en expertise-ontwikkeling. Het SPR is van start gegaan met 83 projecten, die zijn ondergebracht in zes speerpunten en vier zogeheten crosscutting themes. De projecten worden in een cyclus van vier jaar uitgevoerd. In dit overzichtsrapport zijn een paar voorbeelden van projecten uitgelicht. In 2016 zijn voor alle projecten de eerste producten opgeleverd, zoals data verwerven, analyses uitvoeren en manuscripten schrijven. Ook is deelgenomen aan relevante nationale en internationale symposia en congressen. Enkele aansprekende voorbeelden van innovatie zijn: de Fruitbuit, een app waarmee gebruikers makkelijker hun dagelijkse hoeveelheid fruit kunnen bestellen; de Tekentrektrainer, een apparaat van kunsthuid waarmee zorgverleners kunnen oefenen om teken te verwijderen; en het project 2GetThere dat erop gericht is om een eerder binnen SPR ontwikkelde methode voor ammoniakmetingen op de markt te brengen. In 2016 is ruim aandacht besteed aan internationale projecten. De deelname van het RIVM aan dit soort projecten draagt bij aan de kwaliteit van het onderzoek en zorgt ervoor dat de SPR-projecten aangesloten zijn bij Europese (onderzoeks)prioriteiten. In 2016 zijn 12 projecten die in internationaal verband worden uitgevoerd, gedeeltelijk gefinancierd uit het SPR.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Puntprevalentieonderzoek naar antibioticaresistentie in verpleeghuizen | RIVM

In 2018 is in Nederland een landelijk onderzoek gestart naar dragerschap van antibioticaresistente bacteriën onder verpleeghuisbewoners. Als geheel staat de verpleeghuissector er goed voor. Door dit onderzoek is er een completer beeld van antibioticaresistentie in Nederland. Voor dit onderzoek zijn 4420 bewoners in 159 verpleeghuizen onderzocht. Er is naar twee soorten resistente darmbacteriën onderzoek gedaan (ESBL en CPE). Er werd geen CPE aangetroffen. Dat is gunstig, want er zijn nauwelijks antibiotica die infecties met deze bacterie kunnen behandelen. Het aandeel bewoners van verpleeghuizen dat een ESBL-bacterie bij zich droeg komt gemiddeld genomen overeen met het percentage in de Nederlandse bevolking. ESBL's zijn enzymen die veelgebruikte antibiotica zoals penicillines kunnen afbreken waardoor de antibiotica niet meer werken. Bij een derde van de deelnemende verpleeghuizen, kwamen meer ESBL-bacteriën onder bewoners voor dan gemiddeld in Nederland. Bij hen is extra onderzoek gedaan om te bepalen of er sprake was van verspreiding onder de bewoners. Ook kregen ze advies over maatregelen om ervoor te zorgen dat de bacteriën zich niet verder verspreiden. Het onderzoek is onderdeel van de landelijke aanpak van antibioticaresistentie door de Nederlandse overheid. Het doel is om verdere resistentie te voorkomen en de gevolgen ervan zo veel mogelijk te beperken. Tot dit onderzoek werd uitgevoerd was er nog weinig zicht op de situatie in verpleeghuizen. De landelijke aanpak is opgezet omdat bacteriën wereldwijd steeds vaker ongevoelig worden voor antibiotica. Het RIVM coördineerde de studie, die is uitgevoerd door Regionale Zorgnetwerken Antibioticaresistentie (RZN), medisch microbiologische laboratoria, en verpleeghuizen. De RZN zijn opgezet om antibioticaresistentie regionaal te voorkomen en te bestrijden.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Vaccinatiegraad en jaarverslag Rijksvaccinatieprogramma Nederland 2018 | RIVM

In het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) krijgen kinderen vaccinaties tegen besmettelijke ziekten. Het RIVM beschrijft elk jaar de belangrijkste gebeurtenissen op het gebied van het RVP en de ontwikkeling van de vaccinatiegraad. Belangrijke gebeurtenissen In 2018 hadden niet meer mensen dan normaal gesproken een ziekte waartegen via het RVP wordt ingeënt. Wel zette de stijging van het aantal mensen met meningokokkenziekte W door (103 patiënten in 2018 ten opzichte van 80 in 2017). Vanwege deze stijging is de vaccinatie tegen meningokokken C voor baby's in 2018 uitgebreid met meerdere typen. Deze meningokokken ACWY-vaccinatie wordt in 2019 ook aangeboden aan jongeren die tussen 2001 en 2005 zijn geboren (inhaalcampagne). Uit voorzorg is in 2018 een deel van de jongeren die in 2004 zijn geboren hier al voor uitgenodigd. In 2018 is besloten om de vaccinatie tegen kinkhoest voor zwangere vrouwen op te nemen in het RVP. Deze vaccinatie wordt waarschijnlijk eind 2019 ingevoerd. Hiermee kunnen zwangere vrouwen hun baby tegen kinkhoest beschermen. Voor baby's van gevaccineerde moeders wordt het vaccinatieschema aangepast (later beginnen en één inenting minder). Vaccinatiegraad Er is een einde gekomen aan de daling in het aandeel kinderen dat de vaccinaties uit het RVP krijgt. De landelijke vaccinatiegraad is hiermee nog niet terug op het oude niveau, maar is voor de meeste vaccinaties ongeveer gelijk gebleven aan het jaar ervoor. Voorlopige cijfers voor jongere kinderen laten zelfs een lichte stijging zien. De landelijke vaccinatiegraad van HPV (baarmoederhalskanker) is met 45,5 procent gelijk gebleven aan het jaar ervoor, en lijkt voor jongere meisjes ook toe te nemen. De voorlopige landelijke vaccinatiegraad van de nieuwe meningokokken ACWY-vaccinatie is hoog (87 procent). De staatssecretaris van VWS wil 16- of 17-jarigen de kans geven om gemiste RVP-vaccinaties alsnog te halen. Hiervoor komt ongeveer een tiende van de jongens in aanmerking. Dit geldt voor ongeveer de helft van de meisjes, vooral vanwege de HPV-vaccinatie.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Tussenevaluatie van de nota 'Gezonde Groei, Duurzame Oogst' : Deelproject Milieu | RIVM

De normen voor gewasbeschermingsmiddelen in oppervlaktewater worden nog te vaak overschreden. Het tussentijdse doel dat de normen in 2018 vijftig procent minder vaak worden overschreden dan in 2013, is daardoor niet gehaald. Dit doel is een onderdeel van het kabinetsbeleid om de landbouw duurzamer te maken. Het is echter onduidelijk hoe vaak en voor hoeveel stoffen de normen precies worden overschreden. De schadelijkste gewasbeschermingsmiddelen kunnen namelijk niet nauwkeurig genoeg worden gemeten. De waterschappen hebben gemeten of ruim 200 verschillende gewasbeschermingsmiddelen voorkomen in oppervlaktewateren bij landbouwpercelen. Ten minste tweederde van de meetpunten voldoet niet aan de waterkwaliteitsnormen. Volgens berekeningen veroorzaken slechts 4 stoffen 90 procent van de effecten in het oppervlaktewater. Juist deze stoffen zijn moeilijk meetbaar. Daarom beveelt het RIVM aan de monitoring van de waterkwaliteit te verbeteren. Ook blijken de normen voor de beoordeling of stoffen op de markt mogen worden toegelaten, soms minder streng te zijn dan de normen voor de waterkwaliteit, die gelden als de stof eenmaal op de markt is. Aanbevolen wordt deze normen beter op elkaar af te stemmen. Voor 5 gewassen is berekend dat de waterkwaliteit tot ruim 50 procent kan verbeteren door zogeheten geïntegreerde gewasbescherming. Bij deze werkwijze is chemische bestrijding een laatste stap, als andere manieren van plaagbestrijding niet werken. Eerst moeten preventieve maatregelen worden genomen die de landbouw minder kwetsbaar maken voor grote plagen, zoals de aanleg van bloemrijke akkerranden en meer variëren in de teelt van in landbouwgewassen. Het beleid heeft ook doelen voor grondwater en biodiversiteit opgesteld, al zijn die minder concreet. Volgens berekeningen zijn de concentraties van gewasbeschermingsmiddelen in het grondwater gemiddeld 6 procent lager geworden. Om te kunnen aangeven hoe de concentraties zich ontwikkelen, wordt de provincies aanbevolen het grondwater langere tijd te meten en de metingen beter op elkaar af te stemmen. Om te zien of de ingezette beleidsmaatregelen helpen om de achteruitgang van de biodiversiteit te stoppen, zou de biodiversiteit in Nederland langere tijd moeten worden gevolgd.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Tussenevaluatie van de nota 'Gezonde Groei, Duurzame Oogst' : Deelproject Voedselveiligheid | RIVM

De Nederlandse overheid wil dat het aantal groente- en fruitproducten op de Nederlandse markt waar te veel resten van gewasbeschermingsmiddelen op zitten, laag blijft. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat dit tussen 2013 en 2017 is gebeurd. Meer dan 95 procent van de producten bevatten concentraties die lager zijn dan wat wettelijk is toegestaan. Producten uit landen buiten Europa, zoals gojibessen, overschrijden steeds minder vaak de norm, maar deze ontwikkeling is nog niet stabiel. Aandacht voor lagere concentraties in deze producten blijft nodig. Het lage percentage producten waarop te veel resten van gewasbeschermingsmiddelen zitten, laat zien dat tuinders zorgvuldig met deze middelen omgaan. Bovendien worden producten die van buiten de EU komen extra gecontroleerd. Ook stellen supermarkten sinds het begin van deze eeuw strengere eisen aan de aanwezigheid van resten van gewasbeschermingsmiddelen op groente en fruit dan de norm. In welke mate deze maatregel invloed heeft gehad, viel buiten het bestek van dit onderzoek. Verder is de berichtgeving over resten van gewasbeschermingsmiddelen richting het publiek sinds 2010 aangepast. Het Voedingscentrum en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) verspreiden sindsdien actief informatie over resten van gewasbeschermingsmiddelen op voedsel en zijn een aanspreekpunt voor vragen. Wel blijven mensen zich zorgen maken over de aanwezigheid van gewasbeschermingsmiddelen op voedsel. Nader onderzoek is nodig om vast te stellen waar deze zorg vandaan komt en hoe deze zorg zou kunnen worden verminderd.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Investigation of the air quality around the landfill Sint Maarten 2019 : Measurements and results of the MOD field visit in January 2019 | RIVM

Begin 2019 heeft het RIVM twee weken lang de luchtkwaliteit gemeten rond de stortplaats van Philipsburg, Sint Maarten. Er zijn niet of nauwelijks schadelijke stoffen gemeten. In de meetperiode waren er geen uitslaande branden op de vuilstort. Het RIVM kan dus niet beoordelen wat de mogelijke gezondheidsrisico's zijn van stoffen die vrijkomen bij uitslaande branden op de stortplaats. Om dat wel te kunnen doen, is het noodzakelijk om tijdens een brand te meten. Deze taak zou de lokale brandweer kunnen uitvoeren. Het RIVM kan de brandweer indien nodig ondersteunen met apparatuur en kennis. De metingen zijn tussen 24 januari en 6 februari uitgevoerd door de Milieu Ongevallen Dienst (MOD) van het RIVM. Op afstanden van 500 tot 2500 meter van de stortplaats zijn op diverse plekken metingen gedaan. Op de afvalberg zelf is niet gemeten. De meetlocaties zijn zo gekozen dat ze een goed inzicht geven in de mogelijke blootstelling voor de lokale bevolking. Er zijn metingen gedaan naar: fijn stof (PM10), anorganische gassen, Vluchtige Organische Componenten (VOC), aldehyden, Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK's), dioxinen en Polychloorbifenylen (PCB). Dit is een breed 'pakket' van stoffen waar bij een brand naar kan worden gekeken. Van de 206 genomen monsters is een representatieve selectie van 90 monsters geanalyseerd in speciale laboratoria. In enkele gevallen overschrijden de gemeten concentraties aluminium en chroom de normen die gelden als mensen deze stoffen continu, hun leven lang inademen. Het gezondheidseffect van deze overschrijdingen is echter verwaarloosbaar. Voor PAK's overschrijden enkele monsters de normen die gelden als deze stoffen gedurende een heel leven via de mond zouden worden ingenomen. Dit levert een vrijwel verwaarloosbaar gezondheidsrisico op. De geurhinder die mensen ervaren kan gezondheidsklachten veroorzaken, zoals misselijkheid en hoofdpijn.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Sexually transmitted infections in the Netherlands in 2018 | RIVM

In 2018 hebben vrijwel evenveel mensen zich bij een Centrum voor Seksuele Gezondheid (CSG) laten testen op seksueel overdraagbare aandoeningen (soa) als in 2017. Het percentage dat daadwerkelijk een soa had bleef gelijk. Chlamydia bleef de meest voorkomende soa onder heteroseksuelen. Bij mannen die seks hebben met mannen (MSM) was gonorroe de meest voorkomende soa. Bij huisartspraktijken nam het aantal soa-consulten toe, voornamelijk onder personen ouder dan 25 jaar. Bij CSG's kunnen mensen die een grotere kans hebben een soa op te lopen, bijvoorbeeld jongeren onder de 25, zich gratis laten testen. In totaal zijn er in 2018 152.217 consulten geregistreerd bij de CSG's. Het aantal consulten nam af onder vrouwen en heteroseksuele mannen, maar nam toe bij MSM. Bij 18,2 procent van de consulten werd een soa gevonden. Infecties werden het vaakst gevonden bij mensen die waren gewaarschuwd voor een soa, gevolgd door mensen met hiv. Naast de CSG-cijfers worden schattingen voor de hele bevolking gemaakt op basis van gegevens over soa van 367 huisartspraktijken in 2017. Huisartsen voeren het merendeel van de soa-consulten en diagnoses uit. Chlamydia In 2018 had 13,9 procent van de CSG-bezoekers een chlamydia-infectie (2 procent minder dan in 2017; 21.021 diagnoses). Het percentage vrouwen en heteroseksuele mannen met chlamydia bleef in de afgelopen 3 jaar stabiel (respectievelijk 15 procent en 18 procent), na een aanhoudende stijging in de voorgaande jaren. Voor MSM ligt dit percentage al jaren rond de 10 procent. Het aantal geschatte diagnoses door huisartsen was in 2017 stabiel ten opzichte van 2016. Gonorroe Het aantal gonorroe-diagnoses bij de CSG is het afgelopen jaar met 9 procent toegenomen tot 7.362 infecties. De percentages mensen die het bleken te hebben, bleven stabiel ten opzichte van vorige jaren; laag onder vrouwen (1,7 procent) en heteroseksuele mannen (2,0 procent), en hoger onder MSM (11,2 procent). Het geschatte aantal diagnoses door huisartsen nam toe van 9.000 in 2016 naar 9.550 in 2017. Deze toename was vooral onder vrouwen ouder dan 25 jaar. Bij de CSG is geen antibioticaresistentie tegen het huidige 'eerste keus' antibioticum ceftriaxon gemeld. Wel is er resistentie tegen andere antibiotica. De resistentie tegen azitromycine steeg in de afgelopen jaren van 2 procent in 2012 tot 11 procent in 2018. Syfilis In 2018 was het aantal syfilis-diagnoses bij de CSG bijna gelijk aan dat in 2017 (1.224 versus 1.228). Daarvan is 96 procent bij MSM vastgesteld. Dit percentage daalde na een jarenlange stijging licht, van 2,9 procent in 2016 naar 2,6 procent in 2017 en 2,4 procent in 2018. Voornamelijk onder MSM met hiv was het percentage lager. Het percentage vrouwen en heteroseksuele mannen met de infectie bleef in 2018 zeer laag, respectievelijk 0,1 en 0,2 procent. Hiv Het aantal nieuwe diagnoses van hiv gesteld bij de CSG's is afgenomen in 2018 (249) ten opzichte van 2017 en 2016 (respectievelijk 286 en 285). Negentig procent van deze diagnoses was bij MSM. Het aantal diagnoses onder vrouwen en heteroseksuele mannen bleef zeer laag. Het aantal mensen met hiv dat in 2018 voor het eerst voor behandeling bij een van de Nederlandse hiv-behandelcentra kwam ('in zorg') was 909, wat minder was dan in 2017 (1.037). In totaal waren in 2018 20.181 mensen met hiv geregistreerd als in zorg.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Klimaatakkoord: effecten op veiligheid, gezondheid en natuur | RIVM

Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat wil de positieve en negatieve effecten van het Klimaatakkoord voor veiligheid, gezondheid en natuur in beeld brengen. Het RIVM heeft daarom onderzocht wat het afbouwen van de huidige fossiele energie bronnen, en de systemen en technieken die daardoor verdwijnen, betekent voor veiligheid, gezondheid en natuur. De maatregelen in het Klimaatakkoord kunnen, door het verdwijnen van de fossiele bronnen, winst opleveren voor gezondheid, veiligheid en natuur. Deze winst is relevant maar ook beperkt omdat CO2-reductie zich niet één-op-één vertaalt in vermindering van luchtverontreiniging of in veilligere leef- en werkomstandigheden. Het gaat hierbij nadrukkelijk om een eerste verkenning die een ruwe schatting op nationaal niveau oplevert. Internationale maatregelen kunnen de winst vergroten. Deze verkenning houdt geen rekening met de mogelijke gevolgen van de vervangende energiesystemen en technieken. Voor veiligheid gaat het vooral om het wegvallen van koolmonoxide-vergiftiging door gebruik van aardgasinstallaties in huis. Als in 2050 alle woningen gasloos zijn, worden 10-50 dodelijke slachtoffers per jaar voorkomen. Daarnaast verdwijnen risicobronnen, waardoor de kans op een ramp met tien of meer doden door deze bronnen verdwijnt. Vooral het vervallen van het transport van brandstoffen levert een belangrijke verbetering op. Voor gezondheid ligt de winst vooral in het vervangen van verbrandingsmotoren (benzine, diesel, gas) door elektromotoren. Hierdoor komen minder stikstofoxiden en fijnstof in de lucht. Geschat wordt dat deze emissies in 2030 met 10% kunnen dalen ten opzichte van 2016. De ziektelast door luchtverontreiniging zal hierdoor met één tot enkele procenten afnemen. Voor 2050 wordt een verdere daling verwacht voor stikstofoxiden en fijnstof door de klimaatmaatregelen, waardoor de afname van de ziektelast nog eens kan verdubbelen. Blootstelling aan dieselrook op de werkplek kan leiden tot longkanker en andere aandoeningen. Door het verdwijnen van dieselrook kan de werkgerelateerde ziektelast met één tot enkele procenten afnemen. Elektrische auto's maken bij lage snelheden minder geluid waardoor de geluidsoverlast binnen de bebouwde kom afneemt. Dat kan leiden tot een geluidsreductie met 1 decibel in 2030 en met 3-4 decibel in 2050. Als het lukt een vermindering met 3-4 decibel te realiseren zal de ziektelast als gevolg van geluid met 15-25% afnemen. Voor natuur is met het Klimaatakkoord winst te halen door een verdere vermindering van de stikstofdepositie. Ongeveer 10% extra vermindering in 2050 is mogelijk. Als die daling wordt gerealiseerd zal het natuuroppervlak waarvoor de stikstofbelasting onder de kritische waarde ligt toenemen. Dit heeft gunstige gevolgen voor natuur en biodiversiteit. Realiseren van de klimaatdoelen van Parijs (2015) is nodig om verdere opwarming van de aarde en de gevolgen daarvan zo veel mogelijk te voorkomen. Om aan de afspraken van Parijs te voldoen moet Nederland overstappen van fossiele brandstoffen op duurzame energiebronnen zoals zon en wind. Het (ontwerp-)Klimaatakkoord legt de maatregelen en afspraken voor deze energietransitie vast. Doel van het Klimaatakkoord is een vermindering van broeikasgassen met 49% in 2030 en met 95-100% in 2050.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Meten, modellering en beleving fase 3 : Verbeterprogramma modellen | RIVM

Nederland heeft uitgebreide wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit en geluid. Met behulp van rekenmodellen wordt dit beleid uitgevoerd en wordt getoetst of situaties aan de normen voldoen. Het is moeilijk om dit met behulp van metingen te doen; voor toekomstige situaties is het onmogelijk. Het ministerie heeft beleid opgesteld om metingen en berekeningen zich goed tot elkaar te laten verhouden. Om dit beleid te realiseren geeft het RIVM aanbevelingen op welke punten de rekenmodellen beter moeten worden beheerd en geactualiseerd, en welke acties nodig zijn om dit te bereiken. Veel onderdelen van dit onderzoek gelden voor geluid van weg- en railverkeer. Voor luchtkwaliteit is een aantal zaken al beter geregeld. Het is vooral belangrijk dat de voorschriften van de rekenmodellen transparant worden beheerd en onderhouden. Daarnaast moeten de getallen waarmee wordt gerekend regelmatig worden geactualiseerd. Verder is een duidelijke afbakening nodig waar de rekenmethoden voor geschikt zijn, en moet er een procedure zijn voor alternatieve methoden in situaties die buiten deze afbakening vallen. Wat de metingen betreft moet de manier waarop de jaargemiddelde geluidbelasting wordt bepaald beter worden vastgelegd. Daarnaast moet duidelijk worden beschreven wanneer verschillen tussen meet- en rekenresultaten significant zijn. Tot slot is het van belang dat de verantwoordelijke instanties correct, eenduidig en snel antwoord kunnen geven op vragen uit de omgeving. De voorgestelde verbeteringen zijn van belang omdat er een zeker wantrouwen over het gebruik van rekenmodellen heerst, vooral in situaties waar de normen en de berekende uitkomsten niet goed aansluiten bij de hinderbeleving. Dan worden vaak metingen ingezet, die dan niet altijd een bevredigend antwoord geven.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

New insights in the development of azole-resistance in Aspergillus fumigatus | RIVM

In dit onderzoek is gekeken naar factoren die de ontwikkeling van resistentie van de schimmel Aspergillus fumigatus beïnvloeden in plantenafval uit de bollenteelt. Anti-schimmelmiddelen, de zogenaamde azolen, worden gebruikt in de bollenteelt en in vele andere toepassingen. Resistentie van A. fumigatus ontstaat al bij zeer kleine hoeveelheden van deze azolen. Ook blijkt dat alle gebruikelijke typen azolen deze resistentie kunnen veroorzaken. Resistente A. fumigatus komt het hele jaar voor in het onderzochte plantenafval. Aspergillus fumigatus is een schimmel die groeit op dood plantenmateriaal. Deze schimmel maakt grote hoveelheden sporen die in de lucht komen die wij vervolgens kunnen inademen. Voor gezonde mensen vormt dit geen gevaar, maar voor patiënten met een verzwakt immuunsysteem kan dit zorgen voor ernstige longinfecties. De azolen waarmee we A. fumigatus bestrijden (medicinale azolen) lijken erg op de azolen die in de landbouw en voor andere toepassingen gebruikt worden. Deze medicinale azolen werken echter steeds minder goed, omdat in patienten steeds vaker resistente A. fumigatus wordt aangetroffen. Deze resistentie ontstaat door aanpassingen van de schimmel als die wordt blootgesteld aan azolen. Het resistentiemechanisme dat gevonden wordt in A. fumigatus in plantenafval in de bollenteelt is gelijk aan het resistentiemechanisme van A. fumigatus dat werd gevonden bij patiënten met Aspergillus-infecties. Het is daarom plausibel dat patiënten een infectie kunnen oplopen door het inademen van resistente sporen uit de omgeving. Beheersing van resistente A. fumigatus in plantenafval in de bollenteelt kan mogelijk infectie van patiënten met de resistente schimmel beperken. We hebben onderzocht of de ontwikkeling van resistentie afgeremd kon worden door de levenscyclus van de schimmel te verstoren. Verstoring van de levenscyclus bleek geen invloed te hebben op de ontwikkeling van resistentie. Deze studie laat zien dat opslag van plantenafval in de bollenteelt gunstig is voor de selectie van resistente A. fumigatus. Een voor de hand liggende preventieve maatregel zou daarom zijn de opslag van plantenafval in de bollenteelt te voorkomen. Of dit ook geldt voor voor opslag van plantenafval in andere bedrijfstakken is nog niet voldoende onderzocht.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Handreiking voor de afleiding van interventiewaarden voor incidentbestrijding | RIVM

Met interventiewaarden voor gevaarlijke stoffen wordt het niveau van gevaar ingeschat wanneer mensen eenmalig en kortdurend een gevaarlijke stof inademen als gevolg van een incident. Deze interventiewaarden ondersteunen de bestrijding van incidenten in Nederland. Op basis van de waarden worden beslissingen genomen om eventueel meer hulpverlenende organisaties in te zetten die betrokken zijn bij de incidentbestrijding. Ook maken ze beslissingen mogelijk over maatregelen om de bevolking te beschermen en over de communicatie met de bevolking. Vooral de Gezondheidskundig Adviseurs Gevaarlijke Stoffen (GAGS) van de GHOR/GGD en de Adviseurs Gevaarlijke Stoffen (AGS) van de brandweer maken van deze interventiewaarden gebruik. De wijze waarop interventiewaarden voor incidentbestrijding tot stand komen, is recentelijk volledig herzien. Het RIVM beschrijft de huidige methodiek, welke overwegingen hierbij worden gemaakt en hoe de kwaliteit wordt gewaarborgd. Interventiewaarden voor incidentbestrijding bestaan in Nederland sinds 1993. In opdracht van de ministeries van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) en Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) is het RIVM hiervoor sinds 2001 verantwoordelijk. Voor de interventiewaarden worden onderzoeksgegevens over gezondheidseffecten van een eenmalige blootstelling aan gevaarlijke stoffen bij proefdieren en mensen vertaald naar de algemene bevolking. Hierbij wordt rekening gehouden met groepen die extra gevoelig kunnen zijn voor de blootstelling aan deze stoffen, zoals ouderen en kinderen.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Opzet Voortgangsrapportage Nationaal Preventieakkoord | RIVM

Het Nationaal Preventieakkoord ‘Naar een gezonder Nederland’ is op 23 november 2018 gesloten. Ruim 70 partijen hebben zich verbonden aan het akkoord dat zich richt op het terugdringen van roken, overgewicht en problematisch alcoholgebruik. Voor deze thema’s is gekozen omdat deze in Nederland de grootste oorzaken van ziektelast zijn. In het akkoord zijn ambities, doelen en maatregelen vastgelegd. De partijen die deelnemen aan één of meerdere deelakkoorden hebben zich achter deze ambities geschaard en streven ernaar de doelstellingen te realiseren. In het Nationaal Preventieakkoord is ook afgesproken dat het RIVM (in samenspraak met CBS, GGD GHOR Nederland, Pharos, Trimbos-instituut en CPB) jaarlijks over de voortgang van de uitvoering van de maatregelen zal rapporteren en jaarlijks de ontwikkeling van een aantal relevante leefstijlindicatoren in beeld zal brengen die betrekking hebben op de drie thema’s. Deze voortgangsrapportage zal door het RIVM eens in de vier jaar aangevuld worden met een doorrekening van de impact van de maatregelen van het Nationaal Preventieakkoord om vast te stellen of de ambities van 2040 worden behaald. In deze memo staat beschreven hoe het RIVM invulling geeft aan de voortgangsrapportage.
Jaar: 2019 Onderzoek

Inventarisatie van legionellarisico's bij afvalwaterzuiveringsinstallaties | RIVM

Legionellabacteriën kunnen zich via de lucht verspreiden en een longontsteking veroorzaken als mensen ze inademen. Ze worden meestal verspreid door installaties die water vernevelen, zoals bubbelbaden en 'natte' koeltorens. Sinds 2012 stijgt in Nederland het aantal legionella-infecties, maar meestal is niet bekend door welke bron mensen ziek zijn geworden. De afgelopen jaren zijn meerdere gevallen van longontsteking door Legionella toegeschreven aan afvalwaterzuiveringsinstallaties. Daarom hebben Omgevingsdienst NL en STOWA de afvalwaterzuiveringsinstallaties in Nederland geïnventariseerd. Het RIVM heeft bepaald bij welke installaties Legionella mogelijk kan groeien en zich verspreiden. In totaal zijn er 709 afvalwaterzuiveringsinstallaties bekend: 382 industriële afvalwaterzuiveringsinstallaties en 327 rioolwaterzuiveringsinstallaties die huishoudelijk afvalwater zuiveren. Het merendeel van deze afvalwaterzuiveringsinstallaties vormt geen verhoogd risico. De kans dat Legionella kan vermeerderen en vrijkomen is aannemelijk bij 69 van de 382 industriële afvalwaterzuiveringsinstallaties (18 procent) en 12 van de 327 rioolwaterzuiveringsinstallaties (4 procent). Bij de helft van deze risicovollere afvalwaterzuiveringsinstallaties zijn maatregelen getroffen om te voorkomen dat legionella zich verspreidt. Onduidelijk is nog of deze maatregelen voldoende werken. Eén van de factoren die de groei van Legionella bevordert, is de biologische werkwijze om afvalwater te zuiveren met bacteriën in slib. Daarnaast bevordert industrieel afvalwater met een hoog gehalte aan eiwitten en aminozuren (levensmiddelenindustrie, hout- en papierindustrie, destructiebedrijven en petrochemische industrie) de groei van Legionella. Dat is ook het geval als het afvalwater een temperatuur heeft tussen 25 en 45 graden Celsius. De optimale groeitemperatuur is tussen 30 en 38 graden Celsius. Ten slotte stimuleert de beluchting, een onderdeel van het zuiveringsproces, de groei van legionella omdat er dan meer zuurstof in het water komt. De beluchting zorgt er ook voor dat kleine waterdruppeltjes met legionellabacteriën ontstaan en zich vervolgens via de lucht kunnen verspreiden. De bacteriën kunnen zich ook verspreiden via het water dat de zuivering verlaat. Maatregelen kunnen ervoor zorgen dat minder legionellabacteriën uit de beluchtingstank vrijkomen en de zuivering verlaten. Aanbevolen wordt om de ontbrekende of onbekende informatie uit de inventarisatie aan te vullen en de gegevens beschikbaar te maken voor onder meer brononderzoek door GGD'en.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Zonkrachtactieplan : Versie 2019 | RIVM

Jaarlijks krijgen ruim 50.000 Nederlanders te horen dat ze huidkanker hebben. Blootstelling aan UV-straling van zonlicht is daar de belangrijkste oorzaak van. Ook vergroot UV-straling de kans op staar in het oog. Verstandig zongedrag kan het risico op schade door UV-straling verkleinen. Om verstandig zonnen te stimuleren is het Zonkrachtactieplan opgesteld. Het doel van het plan is dat betrokken partijen afspraken maken over een eenduidige communicatie over UV-blootstelling. Deze afspraken zullen eraan bijdragen dat mensen bewuster en verstandiger omgaan met UV-straling. Daarnaast kan het Zonkrachtplan de kennis over UV-straling en blootstelling vergroten door een gezamenlijke kennisagenda op te stellen. Hierin staan de kennisonderdelen benoemd en geprioriteerd waar extra onderzoek nodig is en waaraan in gezamenlijkheid kan worden gewerkt. Het Zonkrachtactieplan is opgesteld door het RIVM en maatschappelijke partners die zich inspannen om huidkanker te voorkomen. Het ministerie van VWS heeft hiertoe opdracht gegeven, omdat het bezorgd is over de sterke toename van het aantal huidkankergevallen. Dit aantal is harder gestegen dan vanwege de vergrijzing en de aantasting van de ozonlaag was verwacht. Vermoedelijk komt het doordat mensen vaker en langer de huid aan UV-straling blootstellen. Door de klimaatverandering zal het aantal warme dagen toenemen. Daardoor zullen we in de toekomst vermoedelijk nog vaker buiten zijn en onze huid en ogen nog meer blootstellen aan de zon.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Grip op chemische stoffen : Jaarverslag Bureau REACH 2018 | RIVM

Chemische stoffen zijn niet weg te denken uit onze maatschappij, van weekmakers in plastic, brandvertragers in matrassen tot kleurstoffen in verf. Om ervoor te zorgen dat deze stoffen veilig worden geproduceerd en gebruikt, is Europese wetgeving van kracht. Hierin staat beschreven waar bedrijven en overheden zich aan moeten houden. Twee verordeningen zijn het belangrijkst: REACH (Registratie, Evaluatie, Autorisatie en restrictie van CHemische stoffen) en CLP (Classificatie, Labelling en Packaging van stoffen en mengsels). De verordeningen gelden voor alle Europese landen. Bureau REACH van het RIVM ondersteunt en adviseert (namens) overheden over de uitvoering van deze Europese wetgeving. Dit gebeurt in opdracht van de ministeries IenW, VWS en SZW. In dit jaarverslag staan op hoofdlijnen de activiteiten in 2018 beschreven en zijn enkele specifieke cases uitgelicht. Voorbeelden zijn de aandacht voor nieuwe stoffen in bijvoorbeeld drinkwater die als zorgwekkend worden beschouwd (zoals GenX), alternatieve testmethoden voor dierproeven, en het voorstel om de maximaal toegestane hoeveelheid PAK's in rubbergranulaat te verlagen. Bureau REACH stelt onder andere dossiers op om aanvullende informatie over de schadelijkheid van een stof te vragen aan de producent, of om de stof te identificeren als 'zeer ernstige zorgstof'. Ook kan REACH de classificatie van een stof voor heel Europa vaststellen, oftewel de duiding van de gevaarlijke eigenschappen (zoals kankerverwekkend). Verder beoordeelt Bureau REACH dossiers die door andere landen en de industrie worden ingediend.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Microbiologische gevaren in de diervoederproductieketen | RIVM

Diervoer, voer voor landbouwhuisdieren, gezelschapsdieren en vis, kan besmet zijn met humane ziekteverwekkers. Van de potentiële ziekteverwekkers voor de mens wordt Salmonella het vaakst aangetroffen in diervoer. Het zijn vooral mengvoeringrediënten van dierlijke oorsprong en eiwitrijke productstromen waar Salmonella in kan worden aangetroffen. Consumptie van besmet voer door dieren kan leiden tot infectie van dieren. Via direct contact met besmette dieren, besmet diervoer of door consumptie van bijvoorbeeld vlees of eieren van besmette dieren kan vervolgens de mens blootgesteld worden. Salmonella wordt in dieren, in dierlijke producten en bij de mens aangetroffen. En kwantitatieve gegevens zijn beschikbaar over aantallen dieren, mate van consumptie van dierlijke producten en over het voorkomen van Salmonella in dieren, diverse dierlijke producten en bij de mens. Toch zijn kwantitatieve schattingen van de bijdrage van in diervoer voorkomende Salmonella aan het totaal aantal Salmonella infecties in Nederland met de beschikbare gegevens niet mogelijk omdat onder andere gegevens over het vóórkomen van Salmonella in andere mogelijke besmettingsbronnen voor mens en dier dan diervoer veelal ontbreken. Mocht diervoer besmet zijn met Salmonella, dan kan bijvoorbeeld door verhitting van diervoer het aantal eventueel aanwezige Salmonella verlaagd worden. Voor voeders die niet verhit worden kan het verplicht stellen van het gebruik van Salmonella-vrije ingrediënten voor de productie van diervoer bijdragen aan een verlaagd risico. Zowel verhitting als het gebruik van Salmonella-vrije ingrediënten moet gekoppeld zijn aan strikte hygiëne tijdens verwerking en opslag van gereed product om het risico op besmet diervoer zoveel mogelijk beperken.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Uitdamping van stoffen uit kunstgras met rubbergranulaat tijdens een zeer hete dag : Indicatieve metingen | RIVM

Ook bij zeer hoge temperaturen komen nauwelijks chemische stoffen vrij uit een kunstgrasveld met rubbergranulaat. De concentraties van de aangetroffen stoffen (vluchtige organische stoffen, aldehyden en PAKs) zijn zo laag dat ze naar verwachting geen gezondheidsrisico's veroorzaken. Dat blijkt uit een indicatieve studie van het RIVM waarvoor op een uitzonderlijke warme dag (37 graden Celsius) metingen zijn gedaan op een kunstgrasveld. De temperatuur van rubbergranulaat liep hierbij op tot 70 graden Celsius. Van één stof, formaldehyde, is de hoogst aangetroffen concentratie iets hoger dan de Nederlandse norm voor levenslange blootstelling. Het is niet uit te sluiten dat personen die daar gevoelig voor zijn lichte irritatieklachten kunnen ervaren. De kans hierop is echter klein en eventuele klachten zullen van korte duur zijn en verdwijnen zodra de blootstelling is beëindigd. Verder kunnen mensen een bepaalde geur hebben waargenomen, veroorzaakt door zogeheten cresolen. Deze stoffen kunnen namelijk al bij hele lage concentraties geroken worden. In algemene zin kan geur hinder veroorzaken, waaronder misselijkheid, zonder dat het schadelijk is voor de gezondheid. Als de geur verdwenen is, nemen deze klachten snel af. Deze indicatieve studie is uitgevoerd in opdracht van de GGD. Ouders van jonge sporters vroegen zich af of de conclusies van de RIVM studie uit 2016 nog gelden nu het opgewarmde rubbergranulaat warmer was (tot 70 graden Celsius) dan de temperatuur die toen was aangehouden (60 graden Celsius).
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Schermgebruik, blauw licht en slaap | RIVM

Veel Nederlanders gebruiken lichtgevende schermen in de avond: het gebruik is het hoogst onder adolescenten (13-18 jaar) en volwassenen. Vaak neemt het gebruik in de avond ook aanzienlijke tijd in beslag (meer dan twee uur). Dit onderzoek bevestigt eerdere bevindingen dat frequent of langdurig schermgebruik in de avond samenhangt met verstoorde slaap. Bewustwording van het gebruik is dan ook belangrijk, voornamelijk wanneer een computer, smartphone of tablet in het uur voor het slapen gaan wordt gebruikt. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM, in samenwerking met het Amsterdam Medisch Centrum, het Nederlands Herseninstituut en Lifelines. Hierin is voor het eerst in Nederland het schermgebruik van kinderen en adolescenten (8-18 jaar) in de avond uitgebreid in kaart gebracht in samenhang met slaap. Het blijkt dat de groep die dagelijks of langdurig gebruikmaakt van een of meerdere schermen (computer, smartphone en/of tablet) tot 40 minuten korter slaapt dan de groep die dit niet, of korter, doet. De kortere slaapduur komt voornamelijk doordat deze kinderen en adolescenten later gaan slapen. Van de kinderen (8-13 jaar) gebruikt 22% dagelijks een scherm in de avond. Onder adolescenten (13-18 jaar) is dit 83%. Adolescenten die dagelijks een scherm gebruiken in het uur voor het slapen, hebben meer slaapklachten, zoals later in slaap vallen, korter slapen en 's nachts wakker worden. Ook vermelden zij meer symptomen van slaaptekort overdag, zoals moeite om wakker te blijven. Deze klachten verminderden bij adolescenten die als experiment een week lang geen scherm gebruikten of tijdens het schermgebruik een oranje bril droegen die het blauwe licht blokkeert. In de afgelopen jaren zijn steeds meer lichtgevende schermen ontwikkeld: niet alleen tv's maar ook computers, laptops, tablets en smartphones. De recent ontwikkelde schermen zenden meer blauw licht uit dan de traditionele bronnen, omdat zij gebruikmaken van led-technologie. Bekend is dat blauw licht invloed heeft op onze biologische klok, en daarmee de slaap kan verstoren. Door een structureel slaaptekort kunnen mensen zich slechter concentreren en minder goed presteren. Ook kunnen gezondheidsproblemen ontstaan. Vervolgonderzoek is nodig om te bepalen of beschikbare (ingebouwde) blauwlichtfilters op apparaten de effecten op slaap kunnen verminderen.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Bionanotechnologie - een verkenning | RIVM

DNA en RNA (dragers van erfelijke informatie) en eiwitten (vervullen veel functies) komen van nature voor in planten, mensen en dieren. Ze kunnen ook worden gebruikt voor 'slimme' technologische toepassingen op zeer kleine schaal, bijvoorbeeld voor medisch en industrieel gebruik of voor consumentenproducten. Het RIVM onderzocht wat de stand van deze bionanotechnologie is, welke toepassingen in het verschiet liggen, in welke mate de producten van deze technologie al rijp zijn om op de markt te worden gebracht, wat bekend is over mogelijke risico's voor mens en milieu, en in hoeverre het huidige scala aan wetgeving hiervoor voldoende houvast biedt. Veel toepassingen zijn nog in de onderzoeks- en ontwikkelingsfase, maar de technologie ontwikkelt zich snel. Het RIVM vindt dit type ontwikkelingen interessant en nuttig, bijvoorbeeld omdat ze een medicijn heel gericht naar een bepaalde plek in het lichaam kunnen brengen. Wel is het van belang om in een vroeg stadium van de ontwikkeling van een nieuw product expliciete aandacht te hebben voor veiligheid en duurzaamheid. Zo'n Safe-by-Design aanpak maakt het mogelijk om tijdig ongewenste effecten te signaleren en te voorkomen. Momenteel ligt de nadruk op de technologische kant van de ontwikkelingen en is de aandacht voor de mogelijk nadelige effecten zeer beperkt. Een eerste screening van mogelijke nadelige effecten laat zien dat bio-nanostructuren, of onderdelen daarvan, immuunreacties en andere nadelige effecten kunnen oproepen. Uit een eerste screening van de relevante wetgeving over stoffen (REACH) en producten (zoals cosmetica en biociden) blijkt dat de gesignaleerde effecten niet automatisch worden 'opgepakt' via de vereiste informatie over veilig gebruik. Daarbij komt dat de hoeveelheid bionanostructuren in toepassingen naar verwachting klein zal zijn. Als er kleine hoeveelheden van een stof op de markt worden gebracht, dan vraagt de wetgeving maar om beperkte informatie. Methoden zoals die nu worden gebruikt om stoffen op schadelijkheid te testen, zijn naar verwachting onvoldoende geschikt. Zie ook het rapport over "next generation" materials op de site van de EU Observatory for Nanomaterials: https://euon.echa.europa.eu/view-article/-/journal_content/title/study-…
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

4th EURL-Salmonella interlaboratory comparison study Animal Feed 2018 : Detection of Salmonella in chicken feed | RIVM

In februari 2018 organiseerde het EURL-Salmonella het vierde ringonderzoek om Salmonella in diervoeder aan te tonen. Door problemen met het te onderzoeken kippenvoer was het niet mogelijk de Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) te beoordelen op hun vermogen om Salmonella in de monsters aan te tonen. Alle NRL's van de 28 Europese lidstaten die verantwoordelijk zijn voor de opsporing van Salmonella in diervoeder, zijn verplicht om aan het onderzoek deel te nemen. In totaal namen 35 NRL's deel. Het EURL- Salmonella is gevestigd bij het Nederlandse Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Voor het ringonderzoek gebruiken de laboratoria de internationaal erkende analysemethode om Salmonella in kippenvoer aan te tonen. Elk laboratorium kreeg een pakket toegestuurd met kippenvoer dat ofwel besmet was met Salmonella Mbandaka in twee verschillende concentraties, of geen Salmonella bevatte. De monsters werden, net zoals in eerdere studies, op het laboratorium van het EURL-Salmonella kunstmatig besmet met Salmonella. Dit keer is in onverwacht weinig monsters de aanwezigheid van Salmonella aangetoond. Zeer waarschijnlijk is dit veroorzaakt doordat onbekende stoffen in de partij kippenvoer zaten die de groei van Salmonella remden.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

EURL-Salmonella Proficiency Test Primary Production, 2018 : Detection of Salmonella in boot socks with chicken faeces | RIVM

In oktober 2018 organiseerde het EURL-Salmonella een ringonderzoek om Salmonella aan te tonen in kippenmest die op overschoentjes zit. Alle deelnemers op één na waren hiertoe in staat. Eén laboratorium heeft problemen gehad met de analyse van de monsters en kon in het grootste gedeelte van de monsters geen Salmonella aantonen. Dit kwam hoogst waarschijnlijk doordat de bacteriën niet meer in leven waren na de lange transporttijd en de hoge temperaturen waaraan het pakje met monsters is blootgesteld tijdens het transport naar dit laboratorium. Deze jaarlijkse kwaliteitstoets is verplicht voor alle Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) van de Europese lidstaten die ervoor verantwoordelijk zijn Salmonella aan te tonen in de leefomgeving van dieren die voor de voedselproductie worden gehouden. In totaal hebben 36 NRL's deelgenomen: 29 NRL's afkomstig uit alle 28 EU-lidstaten, zes NRL's uit andere Europese landen en één NRL uit een niet-Europees land. Het Europese Referentielaboratorium (EURL) Salmonella is gevestigd bij het Nederlandse Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Een belangrijke taak van het EURL-Salmonella is toezien op de kwaliteit van de nationale referentielaboratoria voor deze bacterie in Europa.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Onderzoek naar mogelijke langetermijneffecten van elektromagnetische velden op de gezondheid van werknemers - update 2019 | RIVM

Er is nog geen eenduidig antwoord mogelijk op de vraag of elektromagnetische velden op de lange termijn gezondheidseffecten bij werknemers kunnen veroorzaken. Dit blijkt uit een update van het literatuuronderzoek uit 2015, waarin het RIVM dezelfde conclusie trok. Sterke elektromagnetische velden op de werkplek, zoals bij elektrisch lassen of radarinstallaties, kunnen direct gezondheidseffecten veroorzaken bij werknemers. Voorbeelden daarvan zijn prikkeling van de zenuwen of opwarming van organen. Deze update gaat in op mogelijke langetermijneffecten van blootstelling van werknemers aan elektromagnetische velden. Het gaat hierbij vooral om situaties waarin de velden zwakker zijn dan de limieten in de Europese regelgeving. Dergelijke langetermijneffecten zijn niet opgenomen in de wetgeving die werknemers in Nederland sinds 2016 beschermt. Toen deze werd opgesteld, was het niet bekend of er een verband was. In wetenschappelijk onderzoek zijn nog geen verbanden bewezen tussen de blootstelling van werknemers en het ontstaan van kanker, ziekten van het zenuwstelsel of andere ziekten op de lange termijn. Wel zijn er opnieuw aanwijzingen gevonden voor een verband tussen (laagfrequente) elektromagnetische velden en de mate waarin de zenuwziekte ALS voorkomt. Het is echter nog steeds niet duidelijk of de elektromagnetische velden de werkelijke oorzaak zijn, of andere factoren op de werkplek, zoals chemische stoffen of elektrische schokken. Bij andere ziekten van het zenuwstelsel, zoals dementie en multiple sclerose (MS), spreken onderzoeken elkaar tegen of is er nog te weinig onderzoek gedaan naar het effect van elektromagnetische velden. Er is geen verband aangetoond tussen blootstelling aan elektromagnetische velden en het ontstaan van diverse vormen van kanker en hart- en vaatziekten. Voor borstkanker (bij vrouwen) zijn er nog steeds geen aanwijzingen voor een verband. Voor hersentumoren en leukemie is er onvoldoende bewijs voor een verband. Voor andere vormen van kanker en voor afwijkingen in de voortplantingsfuncties, de zintuigen, het afweersysteem en spieren of gewrichten ontbreekt voldoende en goed onderbouwd onderzoek. In deze update is ook onderzoek betrokken naar een mogelijk verband tussen elektromagnetische velden en ongelukken of sterfte bij werknemers. Daaruit kwam een eerste aanwijzing dat ongevallen buiten werktijd vaker voorkomen bij werknemers met hoge beroepsmatige blootstelling aan elektromagnetische velden van MRI-apparatuur. Het is nog onduidelijk of dit met een korte of langdurige blootstelling samenhangt. Er is te weinig onderzoek uitgevoerd naar een verband met algemene sterfte om daarover conclusies te kunnen trekken. De update is uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van SZW.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Een inventarisatie van risicovolle behandelingen in schoonheidssalons | RIVM

Sommige behandelingen in schoonheidssalons brengen risico's met zich mee, waardoor bijvoorbeeld roodheid, zwelling of littekenvorming kan ontstaan. Het is onduidelijk of en hoe vaak dergelijke effecten optreden. Volgens veldpartijen uit de schoonheidsbranche ontstaan risico's vooral door onbekwaam handelen van de behandelaar. Maatregelen om nadelige effecten van risicovolle behandelingen te beperken zouden dan ook vooral gericht moeten zijn op het handelen en/of de opleiding van de behandelaar. Om te kunnen bepalen of maatregelen daadwerkelijk nodig zijn, is het nodig dat nadelige effecten worden gemeld of geregistreerd. Dit blijkt uit een inventarisatie van het RIVM, waarin is bekeken welke behandelingen in schoonheidssalons risicovol zijn en wat de risico's inhouden. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) wil daar inzicht in krijgen, omdat zij sinds de introductie van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) in 2016 verantwoordelijk is voor het toezicht op schoonheidssalons. Risicovolle behandelingen in schoonheidssalons zijn behandelingen die door de huid heen gaan of de huid (al dan niet bedoeld) beschadigen, of de samenhang van het huidweefsel verbreken. Voorbeelden zijn behandelingen die huidcellen chemisch (peelings) of mechanisch (zoals microdermabrasie) verwijderen of die door de huid heen gaan (bijvoorbeeld microneedling). De meeste nadelige effecten ontstaan kort na de behandeling (binnen 7 dagen) en houden kort aan (minder dan 7 dagen). Nadelige effecten die langer dan een maand aanhouden zijn bijvoorbeeld littekenvorming en veranderingen in de pigmentatie van de huid, zoals overmatige pigmentvorming. Nadelige effecten die kunnen optreden, zijn in grote lijnen terug te voeren op kenmerken van de behandeling (zoals diepte en frequentie), kenmerken van de cliënt (bijvoorbeeld huidtype), en bekwaamheid van de behandelaar (zoals kennis en ervaring). Het risico van behandelingen hangt grofweg samen met de diepte van de beschadiging van de huid die bij de behandeling wordt aangericht, en de mate van controle die de behandelaar hierover heeft.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Review on butylparaben: exposure, toxicity and risk assessment : With a focus on endocrine disrupting properties and cumulative risk assessment | RIVM

Butylparabeen wordt als conserveermiddel gebruikt omdat het de groei van schimmels en bacteriën tegengaat, bijvoorbeeld in persoonlijke verzorgingsproducten. Maar butylparabeen wordt, net als andere parabenen, ervan verdacht een hormoonverstorende werking te hebben. Hormoonverstorende stoffen kunnen de hormoonhuishouding in het menselijk lichaam in de war brengen. Het RIVM kan nog niet bepalen of butylparaben daadwerkelijk als hormoonverstorende stof moet worden beschouwd. Vanwege de waarschijnlijk geringe mate waarin consumenten worden blootgesteld en de huidige informatie over gezondheidseffecten, lijkt er geen reden tot bezorgdheid te zijn. Aanvullend onderzoek is nodig om de onzekerheden in deze conclusie te verkleinen. Persoonlijke verzorgingsproducten zijn de belangrijkste bron van de totale berekende hoeveelheid butylparaben waar consumenten in aanraking mee komen. Bij deze berekening is veiligheidshalve uitgegaan van ongustige situaties. Ook zijn er aanwijzingen dat deze producten tegenwoordig veel minder vaak parabenen bevatten. Er is geen relevante informatie beschikbaar om de blootstelling via geneesmiddelen te kunnen schatten. De inname via voedsel speelt geen rol, onder andere omdat het gebruik als toevoeging in levensmiddelen of in materialen waar voedsel mee in contact kan komen, zoals verpakkingen, in Europa is verboden. Veel studies over de eigenschappen van butylparabeen laten zien dat het een hormoongerelateerde werking heeft, of duiden erop dat butylparabeen een hormoonverstorende stof is. Of deze gegevens voldoende bewijs leveren dat butylparabeen daadwerkelijk een hormoonverstorende stof is, zullen experts verder moeten onderzoeken. Zij toetsen dan of de stof aan criteria voldoet die recentelijk voor hormoonverstorende stoffen zijn opgesteld. Het kan ook zijn dat aanvullend bewijs nodig is. Voor de risicobeoordeling van butylparaben zijn er onzekerheden. De huidige berekende blootstelling is zeer waarschijnlijk te hoog. Daarnaast wordt mogelijk onvoldoende rekening gehouden met de verschillen tussen effecten bij mensen en bij proefdieren.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Verkenning 13 wekenecho | RIVM

Het ministerie van VWS wil een landelijk wetenschappelijk onderzoek starten naar de invoering van een echo rond de 13e week van de zwangerschap. Een deel van de afwijkingen die nu bij de 20 wekenecho te zien zijn, kan namelijk al eerder bij het ongeboren kind worden ontdekt. In een Verkenning is uitgezocht wat nodig is om zo'n wetenschappelijk onderzoek vorm te geven. Er blijken veel inspanningen nodig te zijn voor dit onderzoek. Zo zal eerst een onderzoeksvraag moeten worden vastgesteld. Daarna kan begonnen worden met de onderzoeksopzet, de kwaliteitsstandaard en de informatiehuishouding. Verder moet gewerkt worden aan de kwaliteitsborging van het hele proces, aan opleiding en deskundigheidsbevordering, monitoring en evaluatie en communicatie en voorlichting. In de Verkenning wordt geadviseerd de 13 wekenecho toegankelijk te maken voor alle zwangeren en hiervoor geen eigen bijdrage te vragen. Hoewel er nog geen besluit is over de financiering, lijken de betrokken partijen voldoende capaciteit te (kunnen) hebben om het wetenschappelijk onderzoek naar de 13 wekenecho uit te voeren. In de Verkenning is ook een planning gemaakt. Sommige stappen in het proces zijn pas mogelijk als eerdere activiteiten zijn afgerond. De planning laat zien dat het onderzoek naar de 13 wekenecho op zijn vroegst eind 2020 kan starten. Voorwaarde is wel dat alle stappen zonder vertraging verlopen.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Gevolgen van houtstook voor het binnenmilieu: een verkenning van de literatuur | RIVM

Er is gebrek aan kennis over het effect van houtkachels en open haarden in woningen op de gezondheid van bewoners. Bekend is dat houtrook schadelijke stoffen bevat. Er zijn nog maar weinig wetenschappelijke onderzoeken uitgevoerd naar de gevolgen van houtstook voor het binnenmilieu en de resultaten daarvan zijn niet eenduidig. Ook ontbreekt daarin informatie over hoe vaak bewoners blootstaan aan houtrook en hoeveel houtrook uit de kachel of open haard in de binnenlucht terechtkomt. Door dit gebrek aan kennis kan geen conclusie worden getrokken in welke mate houtstook in binnenruimten schadelijk is voor de gezondheid van stokers. Dit blijkt uit een literatuuronderzoek van het RIVM naar de mogelijke gevolgen van houtstook in het binnenmilieu. Veel van de gevonden onderzoeken hebben beperkingen, zoals een te kleine onderzoeksgroep of subjectieve informatie over houtstook. Onderzoek uit Nederland ontbreekt. Aanvullend onderzoek is nodig. In meerdere onderzoeken is bekeken of bij mensen die op hout stoken meer schadelijke stoffen in huis aangetroffen worden dan bij niet-stokers. In sommige onderzoeken zijn hogere concentraties gevonden van fijn stof, vluchtige organische stoffen (VOS) en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's) in het binnenmilieu bij stokers dan bij niet-stokers. Op basis van deze onderzoeken is echter niet te zeggen wat deze hogere concentraties betekenen voor de gezondheid. Niet duidelijk is of binnenluchtkwaliteit verbetert wanneer oude kachels worden vervangen door nieuwere typen. Over de invloed van het geven van stookinstructies zijn weinig gegevens bekend. Uit het onderzoek komt naar voren dat luchtzuiveraars in huis de luchtkwaliteit binnenshuis kunnen verbeteren. Het literatuuronderzoek is uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur in Waterstaat (IenW).
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Amsterdam's Green Infrastructure : Valuing Nature's Contributions to People | RIVM

De gemeente Amsterdam heeft een strategie ontworpen om de waarde van natuur en water in de stad beter te benutten en zo het groeiende aantal inwoners een aantrekkelijke leefomgeving te bieden. In deze KwaliteitsImpuls Groen zijn vier scenario's opgesteld om de groene infrastructuur van Amsterdam uit te breiden en te verbeteren. Het RIVM heeft per scenario in kaart gebracht wat investeringen in 'groen en blauw' opleveren voor de gezondheid en het welzijn van de stedelingen en om de gevolgen van klimaatverandering, zoals wateroverlast en hitte, op te vangen. Dat varieert van minder zieken, minder ziekteverzuim en meer lichamelijke activiteit, tot een betere luchtkwaliteit, minder kosten voor de waterzuivering en een hogere vastgoedwaarde. De baten verschillen per scenario maar blijken aanzienlijk, tussen de 1 en 5 €/m2 extra groen per jaar. De baten zijn het hoogst in wijken waar nu weinig groen is en veel mensen wonen. Natuur in de stad, zoals parken, grachten en groene daken, kunnen de kwaliteit van de leefomgeving verbeteren. Sommige vormen zijn duidelijk zichtbaar, zoals parken en recreatiegebieden. Maar al het groen draagt ook bij aan complexere processen, zoals een betere luchtkwaliteit, verkoeling van de stad, biodiversiteit en de berging van water in de bodem waardoor het riool minder wordt belast. De scenario's verschillen van opzet. Het scenario Groen Dichtbij betreft meer groen in de binnenstad, bijvoorbeeld met behulp van groene daken en meer bomen. In het scenario Groenblauwe Verbindingen worden de boomstructuur in de straten hersteld en in de hele stad recreatieve fiets- en wandelpaden aangelegd. In het scenario Stadsparken worden bestaande parken verbeterd en nieuwe aangelegd. Ten slotte worden in het scenario Metropolitane Parken de grote parken aan de rand van de stad ontsloten voor recreatief gebruik door de uitbreiding van het fiets- en wandelnetwerk. Om de waarde van groen en blauw te kunnen kwantificeren is in deze studie gebruikgemaakt van het Natuurlijk Kapitaal Model, dat is ontwikkeld door het RIVM, Wageningen Environmental Research (WEnR) en het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL).
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Effecten van de impuls klimaatneutraal en circulair inkopen 2018 : Stand van zaken na een jaar pilots en leernetwerken | RIVM

De overheid werkt eraan om producten en diensten klimaatneutraal en circulair in te kopen. Dit betekent dat niet alleen op de prijs wordt gelet, maar ook op de invloed van producten en diensten op het milieu. Bijvoorbeeld door grondstoffen opnieuw te gebruiken of producten aan te schaffen waarvoor tijdens de productie en het gebruik weinig broeikasgassen worden uitgestoten. De rijksoverheid financierde in 2018 ruim honderd pilots bij verschillende overheden om ervaring op te doen met deze manier van inkopen. Daarnaast zijn tien leernetwerken opgezet om kennis en ervaringen uit te wisselen. Inkopers bij overheden konden hierin kennis opdoen en hun vragen en problemen bespreken met experts. Het RIVM heeft de resultaten en ervaringen geanalyseerd. Er kan nog niet worden gezegd of het doel (0,1 tot 0,25 Megaton minder CO2-uitstoot) wordt behaald. De meeste pilots zijn nog niet afgerond. Wel is al bekend dat door acht pilots samen naar schatting 0,042 Megaton minder CO2 wordt uitgestoten. Bij deze pilots wordt het meeste effect gerealiseerd door nieuwe windenergie uit Nederland in te kopen. Van 61 van de pilots bleek het effect op de CO2-uitstoot niet in te schatten. Dit waren bijvoorbeeld pilots die hulp hadden kregen om een visie te formuleren en te verkennen wat de circulaire opties bij leveranciers zijn. De deelnemers zijn positief over de leernetwerken en gaven aan in 2019 weer te willen meedoen. Ze konden er hun netwerk in uitbreiden en werden zich bewuster van wat circulair en klimaatneutraal inkopen inhoudt. Gebrek aan kennis over klimaatneutraal en circulair inkopen bleek een van de grootste barrières om dit in de praktijk uit te voeren; juist de uitwisseling van kennis en ervaring in de leernetwerken werd positief beoordeeld. Ook gaven de deelnemers aan dat ze dankzij de leernetwerken beter in staat zijn zelf kennis uit te wisselen met collega's en leidinggevenden. De leernetwerken hebben het werk van ruim driekwart van de deelnemers beïnvloed. Ze konden bijvoorbeeld concrete stappen bedenken om draagvlak voor circulair inkopen te vergroten of in gesprek te gaan met leveranciers.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Van gewenning naar herkenning : Een verdiepend onderzoek naar honderd ernstige arbeidsongevallen met machines | RIVM

Elk jaar verliezen circa 280 mensen lichaamsdelen, vooral vingers of delen daarvan, tijdens werkzaamheden met machines met bewegende onderdelen. Voorbeelden zijn cirkelzagen, vulmachines en transportbanden. Om dit te voorkomen is het essentieel dat medewerkers niet in aanraking kunnen komen met bewegende delen van machines. In de praktijk zijn fysieke afschermingen daarvoor lang niet altijd effectief. Afschermingen zijn bijvoorbeeld verwijderd voor onderhoud, of medewerkers zijn in de verleiding gekomen ze te omzeilen. Dit blijkt uit een nadere analyse door het RIVM van honderd ernstige arbeidsongevallen uit 2015 en 2016. Ongeveer 22 procent van alle arbeidsongevallen is een ongeval met de bewegende delen van machines. Hoewel er al vrij veel bekend is over deze ongevallen, blijven ze elk jaar een belangrijk deel uitmaken van het totaal aantal ongevallen. De analyse maakt inzichtelijk welke situaties veel voorkomen en wat de directe en indirecte oorzaken van de ongevallen zijn. Zo blijkt dat onveilige situaties en werkwijzen vaak al lange tijd aanwezig waren voordat het ongeval gebeurde. Op basis van de analyse heeft het RIVM praktische lessen voor de praktijk opgesteld. Eén van die lessen is het belang om regelmatig te checken of alles nog steeds veilig is. Bijvoorbeeld of alle machines nog in goede staat en compleet zijn, instructies voldoende helder zijn en mensen nog steeds op een veilige manier werken. Bij de analyse is gekeken naar de omstandigheden waarin de ongevallen voorkomen. Ook is beschreven hoe mensen in contact kwamen met bewegende delen van machines. Hiervoor is informatie gebruikt uit de database (Storybuilder) waarin ernstige arbeidsongevallen in Nederland worden geregistreerd, en informatie uit databronnen van de inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW).
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Inzet en effect van Maatschappelijk Verantwoord Inkopen door de Nederlandse overheid in 2015-2016 | RIVM

Overheidsorganisaties doen hun best om bij de aankoop van diensten en producten mens en milieu zo min mogelijk te belasten. Dat heet maatschappelijk verantwoord inkopen (MVI). MVI kan helpen om bijvoorbeeld de uitstoot van broeikasgassen te beperken en meer materialen te hergebruiken (circulaire economie). In andere woorden, bij MVI gaat het om meer dan alleen inkopen op basis van de laagste prijs. Het RIVM heeft berekend wat de effecten van deze inspanningen in 2015 en 2016 zijn voor productgroepen die te maken hebben met transport, energie, kantoorfaciliteiten, kantoorgebouwen, grond- weg en waterbouw en ICT. Bij deze productgroepen wordt het meeste effect van deze manier van inkopen verwacht. MVI blijkt in alle 16 onderzochte productgroepen te zijn toegepast. Hierdoor wordt in de contract- en gebruiksjaren na de uitvraag in totaal minstens 5 megaton minder koolstofdioxide uitgestoten. Het grootste effect is behaald met het maatschappelijk verantwoord inkopen van energie. Bij andere productgroepen is MVI meestal minder ambitieus ingezet en was regelmatig geen informatie beschikbaar om het effect te meten. In hoeverre MVI zich verder ontwikkelt zal uit de volgende monitor (2017-2018) blijken. Om het effect van MVI te kunnen bepalen is het belangrijk om informatie over de inkoop te verzamelen. Daarnaast zijn gegevens over de mate waarin producten het milieu belasten nodig. Om deze informatie te verzamelen blijkt het managen van het contract net zo belangrijk te zijn als de inkoop zelf. Daarom wordt aanbevolen om de benodigde informatie gedurende het hele inkoopproces te verzamelen en administreren. Tot slot is het raadzaam om voor verschillende productgroepen een database te ontsluiten die aangeeft in welke mate een product het milieu belast in zijn hele levenscyclus. Zo'n Life Cycle Assessment (LCA) maakt ook duidelijk of de milieulast op andere onderdelen van de productie- en consumptieketen wordt afgewenteld of niet.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Ontwikkeling Standaard Stresstest Hitte | RIVM

Dit rapport bevat een erratum d.d.d 19-02-2020 op pagina 123 Door klimaatverandering stijgt de temperatuur, waardoor er meer hittegolven zijn met meer hete dagen en nachten. Alle overheden (gemeenten, provincies en waterschappen) in Nederland moeten daarom vóór 2020 knelpunten van wateroverlast, hitte, droogte en overstromingen in beeld brengen. Het RIVM doet een voorstel om deze 'test voor hittestress' te standaardiseren. Hiertoe is een leidraad opgesteld voor gemeenten waarmee zij 24 mogelijke risico's in kaart kunnen brengen, verdeeld over vijf thema's: gezondheid, netwerken, water, leefbaarheid en buitenruimte. Om de hittestress te beoordelen is een nieuwe methode ontwikkeld om hittekaarten te berekenen, met de gevoelstemperatuur als uitgangspunt. Met deze nieuwe methode kan de standaard hittekaart met gevoelstemperatuur op een hete dag berekend worden. Op dit moment zijn er veel hittekaarten beschikbaar die op uiteenlopende wijze de hitte in beeld brengen. In steden is het vaak warmer dan in landelijke gebieden, onder andere door het gebruik van donkere materialen zoals asfalt en door lagere windsnelheden (hitte-eiland). Bij de standaardberekening wordt rekening gehouden met verschillende weersomstandigheden en de plaatselijke ruimtelijke situatie, het landgebruik, en de ligging van gebouwen en bomen. De gestandaardiseerde kaarten zijn in dit onderzoek uitgewerkt voor de stad Wageningen. Om de stresstest beter toepasbaar te maken is het belangrijk dat de nieuwe hittekaarten op nationale schaal worden uitgewerkt en beschikbaar komen in de Klimaat Effect Atlas. In deze digitale atlas is nu al de kaart met het aantal warme nachten opgenomen. Langdurig aanhoudende hitte kan hinder veroorzaken, variërend van slecht slapen tot een levensbedreigende verstoring van lichamelijke functies zoals bij een zonnesteek. Als gevolg van hitte overlijden meer mensen dan 'normaal', vooral ouderen en mensen met een chronische aandoening als long- en hartklachten. Het RIVM beveelt aan deze gezondheidsrisico's voor Nederland in beeld te brengen. Het gaat daarbij vooral om het aantal extra ziekenhuisopnamen als gevolg van de hitte en het aantal mensen dat extra overlijdt.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Amendments for CNOSSOS-EU : Description of issues and proposed solutions | RIVM

Dit rapport bevat een erratum d.d. 22 augustus 2019 op de pagina's 101-107 Het RIVM heeft met een Europese werkgroep verbeterpunten opgesteld voor de nieuwe Europese rekenmethode om geluidniveaus voor wegverkeer, railverkeer en industrie te berekenen. Volgens de werkgroep, waarin meerdere lidstaten vertegenwoordigd waren, is de rekenmethode met deze voorstellen flink verbeterd. Wel is nog onderzoek nodig naar de mate waarin de bodem een dempend effect heeft op geluid. Deze factor is mede bepalend voor hoeveel geluid van de bron uiteindelijk bij woningen komt. Het doel van de rekenmethode is om in Europa op uniforme wijze de geluidniveaus te berekenen op basis waarvan actieplannen worden opgesteld om de gezondheid van mensen te beschermen tegen hoge geluidniveaus. Het gaat hierbij vooral om woningen. Alle EU-lidstaten zijn vanaf 1 januari 2019 verplicht deze methode te gebruiken als ze geluidkaarten maken vanwege de Europese richtlijn omgevingslawaai. Deze geluidkaart moeten zij elke vijf jaar maken voor grote gemeenten (agglomeraties), drukke provinciale wegen, rijkswegen en hoofdspoorwegen. De verbeterpunten zullen in de volgende ronde, 2022, worden meegenomen. De meeste landen hebben in 2017 geluidkaarten gemaakt over de situatie in 2016. De werkgroep is in 2018 met instemming van de Europese Commissie aan de slag gegaan. Aanleiding was eerder onderzoek van het RIVM waaruit bleek dat de Europese rekenmethode, Cnossos-EU:2015 geheten, onduidelijkheden en fouten bevat. Ook waren verbeteringen mogelijk. De werkgroep heeft per punt aangegeven waarom ze het als een probleem zien en een onderbouwd voorstel voor verbetering opgesteld. De werkgroep beveelt ook aan een handreiking op te stellen om de hoeveelheid geluid van bijvoorbeeld treinverkeer per land zo uniform mogelijk te berekenen. Lokale situaties en verschillen in materieel kunnen er namelijk voor zorgen dat de hoeveelheid geluid vanuit deze bron per land verschilt. Naast dit rapport heeft het RIVM voorstellen opgesteld voor de letterlijke teksten voor het nieuwe Europese rekenvoorschrift. Beide documenten moeten in samenhang met het EU-rekenvoorschrift worden bezien.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Environmental monitoring in the vicinity of the Borssele nuclear power plant : Results 2018 | RIVM

Het RIVM heeft in 2018 de metingen gecontroleerd die de kerncentrale Borssele zelf in de directe omgeving van de centrale uitvoert. Hiervoor zijn de monsters geanalyseerd die in de maand mei op diverse plekken zijn genomen. In de diverse soorten monsters is geen radioactiviteit afkomstig van de kerncentrale aangetroffen. De kerncentrale Borssele heeft opdracht gegeven aan Nuclear Research and Consultancy Group (NRG) om maandelijks monsters te nemen van gras, water, luchtstof, sediment, en zeewier, en jaarlijks een grondmonster. In deze monsters stelt NRG vast of er door de kerncentrale radioactiviteit geloosd is. In het algemeen is de vergelijking tussen de data van het RIVM en NRG goed. Het RIVM heeft in enkele monsters in de Westerschelde een zeer lage hoeveelheid van 3H in de Westerschelde aangetroffen; door de locatie van kerncentrale Doel bovenstrooms van kerncentrale Borssele is de oorsprong van 3H onbekend. Zeer lage sporen van 137Cs zijn aangetroffen in zand. Dit is niet ongebruikelijk in de Nederlandse bodem als gevolg van de Chernobyl ramp.
Jaar: 2019 Onderzoek

The 23rd EURL-Salmonella workshop : 29 and 30 May 2018, Uppsala, Sweden | RIVM

Het RIVM heeft de verslagen gebundeld van de presentaties van de 23e jaarlijkse workshop voor de Europese Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) voor Salmonella (29-30 mei 2018). Het doel van de workshop is dat het overkoepelende orgaan, het Europese Referentie Laboratorium (EURL) voor Salmonella, en de NRL's informatie uitwisselen. Een terugkerend onderwerp zijn de ringonderzoeken die het EURL jaarlijks organiseert om de kwaliteit van de NRL-laboratoria te controleren. De NRL's scoorden goed in de studies van 2017. In dit rapport staan de ringonderzoeken kort beschreven. Een uitgebreidere weergave van de resultaten wordt apart per ringonderzoek gepubliceerd. Salmonella mag niet in voedsel en dieren zitten. Toch kan Salmonella soms gevonden worden in verschillende producten. Voorbeelden werden gegeven van Salmonella die in pluimvee en runderen was aangetroffen. Andere informatie betrof de (ongewenste) aanwezigheid van Salmonella in babyvoeding en in vogels en katten. De organisatie van de jaarlijkse workshop is in handen van het EURL voor Salmonella, dat onderdeel is van het RIVM. De hoofdtaak van het EURL-Salmonella is toezien op de kwaliteit van de nationale referentielaboratoria voor deze bacterie in Europa.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

An improved method of crisis response evaluation : Better learning from crises | RIVM

Het RIVM heeft zogeheten responseenheden die in actie komen bij verschillende soorten incidenten, zoals milieuongevallen, voedselgerelateerde incidenten of incidenten met infectieziekten. De verleende hulp wordt naderhand altijd geëvalueerd om in de toekomst nog beter op incidenten te kunnen reageren. De huidige evaluatiewijze biedt daarvoor echter te weinig handvatten. Het RIVM stelt daarom een verbeterde, gestructureerde methode voor om de inzet te evalueren. Deze methode biedt inzicht in achterliggende oorzaken van haperingen, waardoor ze beter kunnen worden aangepakt. In de huidige evaluatie komen vaak dezelfde verbeterpunten terug en lijken ze niet te worden aangepast. Momenteel wordt na een incident op hoofdlijnen geëvalueerd welke inzet is geleverd, of die overeenkomt met de gewenste inzet en waardoor hij eventueel afweek. Er bestaat geen vaste richtlijn die beschrijft hoe een evaluatie moet worden uitgevoerd. Daardoor verschillen de methoden in uitvoering en diepgang. Voor dit project is in de literatuur onderzocht welke methoden bekend zijn om de achterliggende oorzaken van haperingen bloot te leggen. Een combinatie van twee methoden ('eenvoudige tijdlijn' en '5 x Waarom') lijkt het meest geschikt om de evaluatie te verbeteren. Hierbij is gelet op de hoeveelheid tijd die nodig is om de methode in de praktijk uit te voeren en hoe gemakkelijk de organisatie de methode kan aanleren. Uit dit onderzoek blijkt ook dat vóórdat de evaluatiemethode wordt uitgevoerd, eerst duidelijk moet zijn wat op orde moet zijn voor een goede respons (kritische controlepunten). Dat kan bijvoorbeeld de beschikbaarheid van een gewenst aantal mensen zijn of een bepaalde vaardigheid. Bij een volgende inzet kan daar dan op worden gelet. Het RIVM heeft dit onderzoek zelf geïnitieerd en gefinancierd vanuit het Strategisch Programma RIVM (SPR). Het SPR is bedoeld om het RIVM te voorzien van de expertise en kwaliteit om nu en in de toekomst de taken van de opdrachtgevers adequaat uit te kunnen voeren.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Een verkenning van de toepasbaarheid van systeemdynamische modellering bij het uitvoeren van impactanalyses | RIVM

Het RIVM en de TU Delft hebben twee simulatierekenmodellen ontwikkeld die in kaart brengen welke mechanismen bepaalde problemen in het zorgsysteem veroorzaken en hoe die mechanismen met elkaar samenhangen. Het gaat hierbij om de organisatie en de structuur rondom de behandeling van patiënten. Het Zorginstituut Nederland heeft het RIVM gevraagd of deze zogeheten systeemdynamische modellering (SD) nuttig kan zijn om de impact te analyseren van maatregelen in de zorg. Hiervoor hebben zij twee casussen aangereikt: begeleide oefentherapie voor mensen met een vernauwing in de beenslagaders, en de op maat aangeboden vormen van controle na een behandeling van borstkanker. De systeemdynamische modellering kan inderdaad nuttig zijn omdat het de complexiteit van een verandertraject in de gezondheidszorg in beeld kan brengen. Deze mogelijkheden ontbreken in de huidige werkwijze van het Zorginstituut, waardoor effecten van een maatregel wellicht minder goed in beeld komen. Het instituut brengt de complexiteit van de twee casussen terug tot een sterk vereenvoudigd probleem. Zij werken daardoor met eenvoudige berekeningen en veel impliciete aannames. Uitgangspunt is dat een bepaalde situatie in het heden naast een gewenste situatie in de toekomst wordt gezet. In de praktijk verloopt een veranderingsproces in de zorg meestal veel minder 'lineair'. Zo kan een verandering vaak niet op korte termijn worden gerealiseerd en kan het bijvoorbeeld tijd kosten voordat positieve effecten van een maatregel merkbaar worden. Denk aan het effect op de gezondheid en de kosten van een verandering van een richtlijn om mensen met een vernauwing in de beenslagader door te verwijzen voor de oefentherapie; bijvoorbeeld naar fysiotherapeuten in plaats van naar specialisten. Dit effect is daardoor te optimistisch geschat in de werkwijze van het Zorginstituut. Het RIVM en de TU Delft pleiten ervoor eerder in de besluitvorming over een zorgproces systeemdynamische modellering toe te passen. Dan kan breder naar de problematiek worden gekeken en is er nog ruimte voor andere keuzes voor maatregelen.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Meer bewegen: doorverwijzing naar activiteiten door eerstelijnszorgverleners | RIVM

Het RIVM heeft onderzocht of en waarom huisartsen, praktijkondersteuners, jeugdartsen en jeugdverpleegkundigen mensen adviseren of concreet doorverwijzen naar programma's om meer te bewegen. Vanuit de jeugdgezondheidszorg wordt vaak aangeraden om meer te bewegen, vooral bij kinderen met overgewicht. Huisartsen doen dat in mindere mate en verwijzen vooral door wanneer het de klacht kan verhelpen waarvoor mensen op het spreekuur komen. Bewegen blijkt echter niet in alle richtlijnen voor leefstijl-gerelateerde aandoeningen te zijn opgenomen. Dit is wel het geval bij bijvoorbeeld problemen met het bewegingsapparaat, zoals aan schouder en knie, bij chronische klachten aan het zenuwstelsel en bij chronische luchtwegaandoeningen. De belangrijkste redenen waarom artsen niet doorverwijzen zijn een beperkte motivatie van patiënten om meer te bewegen, de financiële situatie van de patiënt, gebrek aan tijd tijdens het consult, en wanneer grotere/belangrijkere problemen voorrang hebben. Huisartsen geven zelden preventief advies om meer te bewegen, dus om gezondheidsproblemen te voorkomen. Dit is in lijn met de kerntaken van de huisarts, waar primaire preventie geen onderdeel van uitmaakt. Preventieve zorg voor patiënten met beginnende gezondheidsklachten of om complicaties te voorkómen is wel onderdeel van deze kerntaken. Resultaten van dit onderzoek bevestigen dit: huisartsen geven vooral beweegadvies als het gerelateerd is aan de gezondheidsklacht. Huis- en jeugdartsen kunnen mensen op verschillende manieren doorverwijzen naar een bewegingsactiviteit. Dit kan zijn naar bewegen zonder begeleiding zoals wandelen of hardlopen, naar het reguliere beweegaanbod, zoals een sportschool, naar een fysiotherapeut, of naar beweegactiviteiten die de huisartsenpraktijk zelf organiseert, zoals wandelen met patiënten. Ook kan een 'beweegmakelaar' zoals een buurtsportcoach worden ingeschakeld, die helpt om een passende activiteit te vinden, of worden doorverwezen naar een 'gecombineerde leefstijlinterventie' waarbij bijvoorbeeld ook over voeding wordt geadviseerd. Het belang van preventie in de zorg wordt de laatste jaren steeds meer erkend, ook in beleid. Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van VWS.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Greenhouse gas emissions in the Netherlands 1990-2017 : National Inventory Report 2019 | RIVM

In 2017 is de totale uitstoot van broeikasgassen van Nederland met ongeveer 1,1 procent gedaald ten opzichte van 2016. Deze daling komt vooral doordat minder kolen zijn gebruikt om elektriciteit te produceren en ruimtes te verwarmen. De totale uitstoot van broeikasgassen naar de lucht wordt uitgedrukt in CO2-equivalenten en bedroeg in 2016 193,7 miljard kilogram. Het jaar 1990 geldt als referentiejaar (het zogeheten Kyoto-basisjaar) voor de te halen doelstellingen. De uitstoot in 1990 bedroeg 221,7 miljard kilogram CO2-equivalenten. Ten opzichte van het basisjaar is de uitstoot gedaald met ongeveer 12,6 procent. De uitstoot van CO2 ligt ongeveer 1 procent boven het niveau van het basisjaar. Omdat de uitstoot van de andere broeikasgassen (methaan, distikstofoxide en gefluoreerde gassen) sinds 1990 flink is gedaald, is de totale uitstoot van broeikasgassen lager dan in 1990. Dit blijkt uit een inventarisatie van broeikasgasemissies die het RIVM jaarlijks op verzoek van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) opstelt. Met deze inventarisatie voldoet Nederland aan de nationale rapportageverplichtingen voor 2018 van het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties (UNFCCC), van het Kyoto Protocol en van het Bewakingsmechanisme Broeikasgassen van de Europese Unie. De inventarisatie bevat verder analyses van ontwikkelingen in de uitstoot van broeikasgassen tussen 1990 en 2017, een analyse van de belangrijkste bronnen die broeikasgassen uitstoten ('sleutelbronnen'), evenals de onzekerheid in hun uitstoot. Daarnaast zijn de gebruikte berekeningsmethoden en databronnen beschreven. Ten slotte bevat het een overzicht van het kwaliteitssysteem en de manier waarop de Nederlandse Emissieregistratie de berekeningen controleert.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Regelgeving conventionele en radioactieve afvalstoffen: vergelijking van begrippen en voorschriften | RIVM

Bij handelingen met radioactief materiaal kunnen rest- en afvalstoffen ontstaan. Voor het beheer van deze afvalstoffen geldt verschillende wet- en regelgeving. Dat zijn in ieder geval voorschriften voor radioactieve afvalstoffen (Kernenergiewet) en conventionele afvalstoffen (Wet milieubeheer). Met het oog op de ambities van het kabinet richting een circulaire economie in 2050, worden restmaterialen die voorheen als afval werden gezien, steeds vaker als grondstof (her)gebruikt. Om te kunnen bepalen welke wettelijke voorschriften voor deze materialen gelden, is het onder andere belangrijk om te weten wanneer het om een radioactieve (afval)stof gaat en wanneer om een conventionele (afval)stof. Dit vraagstuk kan in de praktijk tot onduidelijkheden leiden, bijvoorbeeld bij toezicht en handhaving of bij de selectie van geschikte routes om materialen te verwerken of beheren. In deze eerste verkenning beschrijft het RIVM een aantal observaties ten aanzien van de wet- en regelgeving. Hiervoor is een overzicht gemaakt van de basisbegrippen in de wet- en regelgeving voor conventioneel en radioactief afvalbeheer, de belangrijkste voorschriften die daaraan zijn verbonden en de verschillen daartussen. Hieruit blijkt onder andere dat het onderscheid tussen radioactieve (afval)stoffen en conventionele (afval)stoffen niet altijd helder is. De verkenning is uitgevoerd in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS). De ANVS kan de verkenning gebruiken bij nadere beleidsvorming over radioactief afvalbeheer. In een vervolgonderzoek wordt onder andere geïnventariseerd in hoeverre de verschillen tussen conventioneel en radioactief afvalbeheer vanuit de praktijk als probleem worden ervaren.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Microplasticvezels uit kleding : Achtergrondrapport mogelijke maatregelen | RIVM

Door slijtage van synthetische kleding tijdens het dragen en wassen ontstaan microplasticvezels. De rioolwaterzuiveringsinstallaties verwijderen 50 tot 90 procent van deze microplasticvezels. De rest wordt op het oppervlaktewater geloosd, waar ze schadelijke effecten kunnen hebben op de aanwezige organismen. Het RIVM biedt handelingsperspectieven om de hoeveelheid microplastic te verminderen die via kleding in het water terechtkomt. Dit is nodig én haalbaar als alle partijen hun bijdrage leveren. Textiel- en kledingproducenten kunnen bijvoorbeeld materialen ontwikkelen en gebruiken die minder microplasticvezels afgeven. Ook kunnen ze zo veel mogelijk duurzame, milieuvriendelijke materialen gebruiken en fleece vermijden Consumenten kunnen bijdragen door kleding niet vaker dan noodzakelijk te wassen, vloeibaar wasmiddel te gebruiken en op lage temperaturen te wassen. Ook wordt aanbevolen filters uit wasmachines en drogers niet onder de kraan af te spoelen, maar met de hand of stofzuiger schoon te maken en de inhoud bij restafval te stoppen. Voorschriften in gebruiksaanwijzingen moeten hierop worden aangepast. Wasmachinefabrikanten kunnen een effectief filter voor de machines ontwikkelen. De overheid kan aandacht voor microplasticvezels vragen in Europese regelgeving, bijvoorbeeld door een microplasticsfilter voor wasmachines te verplichten. De overheid kan ook in brede zin innovaties bevorderen met subsidies. Wereldwijd is ongeveer 70 procent van de geproduceerde textielvezels gemaakt van synthetische materialen. Organismen kunnen microplasticvezels binnenkrijgen via oppervlaktewater en doorgeven aan grotere dieren in de voedselketen. De vezels kunnen de spijsvertering van waterdieren verstoren, en ontstekingen en verminderde groei veroorzaken. Ook tijdens de productie en het gebruik van kleding komen microplasticvezels vrij, waardoor ze onder andere in de lucht terechtkomen en zich zo verder in het milieu verspreiden. Het is nog niet precies bekend wat het effect van microplastics in ons voedsel en het milieu is, maar ze horen er in ieder geval niet in thuis.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

SatGCN : Pilotstudie naar het gebruik van satellietmetingen bij de GCN-kaart van stikstofdioxide | RIVM

Het RIVM maakt jaarlijks een set kaarten waarop de gemiddelde luchtkwaliteit in Nederland staat weergegeven, de GCN-kaarten. Deze worden onder meer gebruikt voor de regelgeving van de luchtkwaliteit op nationaal, regionaal en gemeentelijk niveau. De concentraties van stoffen op de kaarten worden gebaseerd op metingen op leefniveau, in combinatie met modelberekeningen. Voor de kaart met de concentraties stikstofdioxide, een belangrijke component van luchtverontreiniging, is onderzocht of de kaart beter of goedkoper wordt als er satellietmetingen aan worden toegevoegd. Met de satellietgegevens die momenteel beschikbaar zijn, is dat nog niet het geval. De gebruikte satellietmetingen komen van het instrument OMI. De opvolger van OMI, het in oktober 2017 gelanceerde instrument TROPOMI, is gevoeliger en kan veel meer details zien. Mogelijk kan TROPOMI daardoor wel een geslaagde bijdrage aan de kaart leveren. Pas vanaf de tweede helft van 2019 zullen voldoende metingen van TROPOMI beschikbaar zijn om dit te testen. De studie is uitgevoerd door het RIVM, KNMI en TNO.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Digitale beslissingsondersteuning in de zorg : Een verkenning | RIVM

In de zorg zijn grote veranderingen gaande doordat zorgdata worden gedigitaliseerd en computers een grotere rekenkracht hebben. Door deze ontwikkelingen wordt er steeds meer geïnvesteerd in digitale systemen die artsen kunnen ondersteunen bij hun beslissingen. Zo zijn er digitale beslisbomen, waarbij de computer op basis van patiëntkenmerken en een behandelrichtlijn aangeeft wat de beste behandeling is. Ook zijn er systemen die patronen ontdekken in grote datasets en daarop adviezen baseren, zogeheten zelflerende systemen. Artsen blijken vooral beslisbomen te gebruiken. Ze gebruiken zelflerende systemen in onderzoek, maar nog niet veel in de praktijk. Dat komt onder andere omdat eenduidig bewijs voor de effectiviteit nog ontbreekt. Dit blijkt uit een verkenning van het RIVM waarin is onderzocht welke ontwikkelingen in de medische praktijk plaatsvinden rond het gebruik van digitale beslissingsondersteunende systemen. Volgens experts is een belangrijke voorwaarde om ze te gebruiken dat de praktische voordelen voor gebruikers duidelijk merkbaar moeten zijn. Bijvoorbeeld dat een diagnose sneller en efficiënter kan worden gesteld. Behalve de voordelen zijn er namelijk ook risico's. Het is bijvoorbeeld ingewikkeld om er bij zelflerende systemen voor te zorgen dat de onderliggende wiskundige modellen een correct advies (blijven) geven. Ook kan gebrek aan kennis en vaardigheden van de gebruiker een risico zijn om de waarde van de uitslagen goed in te kunnen schatten. Verder kan incorrect datamanagement een bron van fouten zijn, bijvoorbeeld wanneer de kwaliteit van data te kort schiet. Veel van de genoemde kansen en risico's gelden voor alle ICT-systemen in de zorg. Normen en standaarden kunnen in algemene zin helpen om de kwaliteit en een veilig gebruik te waarborgen. Om dat voor digitale beslissingsondersteunende systemen te realiseren, kan gebruik worden gemaakt van bestaande normen, bijvoorbeeld voor het gebruik van eHealth in de zorg. Specifieke normen voor de ontwikkeling, validatie en het gebruik van beslissingsondersteunende systemen zijn nog in ontwikkeling.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Blootstelling van consumenten aan chroom-6 | RIVM

Afgelopen jaren was er veel aandacht voor medewerkers die zijn blootgesteld aan chroom-6 door onderhoud aan defensiematerieel en treinen. Ook is chroom-6 als bestanddeel van roestwerende verf gebruikt voor vastgoed zoals huizen en kantoren. Blootstelling aan deze gevaarlijke stof kan schadelijk zijn voor de gezondheid. De vraag is of mensen in hun dagelijks leven via alledaagse producten blootstaan aan gevaarlijke hoeveelheden chroom-6. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat deze blootstelling laag is en geen risico voor de gezondheid vormt. Veel producten mogen inmiddels geen chroom-6 meer bevatten. Alleen onbedoeld kunnen consumenten via de lucht aan chroom-6 blootstaan wanneer sommige chroomhoudende producten worden bewerkt, bijvoorbeeld door ze te lassen, zagen, schuren of verbranden. Als dit niet gebeurt, komt er geen chroom-6 uit de producten vrij en is er geen risico. Consumentenproducten die kleine hoeveelheden chroom-6 bevatten zijn bijvoorbeeld gemaakt van gechromeerd metaal (zoals kranen, knoppen). Daarnaast gaat het om producten waarin het chroom-6 als onzuiverheid aanwezig is of als conserveringsmiddel wordt gebruikt, zoals in cement en tijdens het looien van leer, of om hout te beschermen tegen verwering. In het onderzoek is ook gekeken naar een mogelijke blootstelling via voedsel, drinkwater en lucht. Voedsel bevat van nature zeer kleine hoeveelheden chroom-3, de minder schadelijke vorm van chroom. In water en lucht komen ook slechts kleine hoeveelheden voor. Het is bekend dat blootstelling aan chroom-6 via de huid contactallergie kan veroorzaken. De concentraties in consumentenproducten zijn dermate laag dat ze, voor zover bekend, geen allergische reacties veroorzaken. Uit onderzoeken op de werkplek is bekend dat onder andere longkanker, maar ook andere ziekten kunnen ontstaan nadat mensen chroom-6 hebben ingeademd. Het is onvoldoende bekend in welke mate consumenten via de genoemde onbedoelde, niet-professionele handelingen blootstaan aan chroom-6. Daarom is het van belang consumenten bewust te maken van de mogelijke gevaren als zij zelf producten met chroom willen bewerken. Het is bijvoorbeeld verboden om bewerkt hout te verbranden.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Database of processing techniques and processing factors compatible with the EFSA food classification and description system FoodEx 2 Objective 1: Compendium of Representative Processing Techniques investigated in regulatory studies for pesticides. | RIVM

Database of processing techniques and processing factors compatible with the EFSA food classification and description system FoodEx 2 Objective 1: Compendium of Representative Processing Techniques investigated in regulatory studies for pesticides. | RIVM
Jaar: 2019 Onderzoek

atabase of processing techniques and processing factors compatible with the EFSA food classification and description system FoodEx 2 Objective 2: Linking the processing techniques investigated in regulatory studies with the EFSA food classification and de | RIVM

atabase of processing techniques and processing factors compatible with the EFSA food classification and description system FoodEx 2 Objective 2: Linking the processing techniques investigated in regulatory studies with the EFSA food classification and de | RIVM
Jaar: 2019 Onderzoek

Comparative genomics reveals a lack of evidence for pigeons as a main source of stx2f-carrying Escherichia coli causing disease in humans and the common existence of hybrid Shiga toxin-producing and enteropathogenic E. coli pathotypes. | RIVM

Comparative genomics reveals a lack of evidence for pigeons as a main source of stx2f-carrying Escherichia coli causing disease in humans and the common existence of hybrid Shiga toxin-producing and enteropathogenic E. coli pathotypes. | RIVM
Jaar: 2019 Onderzoek

Per- and polyfluoroalkyl substances (PFASs) in food contact materials | RIVM

Voedselcontactmaterialen zijn verpakkingsmaterialen voor levensmiddelen en gebruiksartikelen zoals pannen, servies en bakvormen. PFAS'en worden in deze materialen gebruikt omdat ze vet afstoten. Het blijkt dat sommige PFAS'en die in papier en karton zitten, in voedsel terecht kunnen komen. Hier zitten ook stoffen bij die niet in het voedselcontactmateriaal mogen worden gebruikt. Op dit moment is er onvoldoende informatie beschikbaar om van deze PFAS'en een betrouwbare blootstellingsschatting en risicobeoordeling te maken. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Het RIVM vermoedt dat deze PFAS'en in voedselcontactmaterialen zijn terechtgekomen omdat ze als onzuiverheid in de stoffen zitten waarmee papier en karton wordt behandeld (uitgangsstof). Ook kunnen diverse PFAS'en afbreken tot deze stoffen. Daarnaast is niet bekend of onzuiverheden en afbraakproducten van PFAS'en vrijkomen uit voedselcontactmaterialen van siliconen of rubber. Aanbevolen wordt te onderzoeken of de hoeveelheid PFAS'en die uit voedselcontactmaterialen in voeding kan komen, schadelijk is voor de gezondheid. In dit onderzoek moet de nadruk liggen op de stoffen in papier en karton en wat daaruit in voedsel kan terechtkomen. Het gaat dan vooral om PFAS'en zoals PFOA. De regulering van de toelating van voedselcontactmaterialen is complex georganiseerd, en slechts gedeeltelijk geharmoniseerd. Het RIVM raadt aan waar mogelijk aandacht te schenken aan uniforme, geharmoniseerde regulering van de toelating van stoffen in voedselcontactmaterialen in Europa. Het RIVM raadt ook aan om oude beoordelingen van PFAS'en opnieuw te bekijken, omdat de afgelopen jaren nieuwe informatie over de schadelijkheid van deze verbindingen beschikbaar is gekomen.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Generic Guidance to Quantitative Microbial Risk Assessment for Food and Water | RIVM

Ziekteverwekkers, die in water en voedsel voorkomen, kunnen mensen ziek maken. De kans hierop wordt met risicoschattingen berekend. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft richtlijnen opgesteld waarin staat hoe deze risicoschattingen moeten worden uitgevoerd. Het RIVM heeft dit achtergronddocument gemaakt met de meest recente kennis over deze risicoschattingen en de nieuwste rekenmethoden. De WHO en de Food and Agricultural Organization (FAO) zullen de informatie gebruiken om de richtlijnen voor microbiologische risicoschattingen (Quantitative Microbial Risk Assessment of QMRA) voor water en voedsel te actualiseren. De informatie is bruikbaar voor mensen die werken met risicoschattingen voor water- en voedselveiligheid. Een voorbeeld van de recente ontwikkelingen is een methode die het mogelijk maakt om risicoschattingen op een standaard en uniforme manier uit te voeren als er weinig of onzekere gegevens beschikbaar zijn (Bayesiaanse analyse). Verder reikt het RIVM alternatieven aan voor het gebruik van DALY's (Disability Adjusted Life Year) als maat bij 'uitbraken' van ziekten. DALY's drukken de schade of het ongemak uit (ziektelast) van verschillende ziektes, inclusief ziekten die micro-organismen via voedsel en water veroorzaken. Bij uitbraken, wanneer meerdere mensen ziek worden van dezelfde ziekteverwekker, is deze methode minder geschikt. Ook is computersoftware beschikbaar als hulpgereedschap voor het uitvoeren van risicoschattingen en ook voor training en onderwijs. Het RIVM geeft criteria voor zulke software tools en voorbeelden van bestaande, algemeen beschikbare QMRA-tools. Het RIVM is collaborating centre for Risk Assessment of Pathogens in Food and Water van de WHO.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Gebruik van diesel in zoutwinning in Nederland in relatie tot REACH | RIVM

In Nederland wordt bij de zoutwinning op land gebruik gemaakt van diesel. Een dun laagje diesel dient als afdeklaag (oliedak) op de ondergrondse cavernes waaruit het zout wordt gewonnen, zodat ze niet instorten. In de registratiedossiers in het kader van de Europese stoffenwetgeving REACH staat echter niet vermeld dat diesel als oliedak kan worden gebruikt. Hierdoor is onvoldoende duidelijk in hoeverre het gebruik risico's oplevert en welke risicobeheersmaatregelen nodig zijn. Ook wordt niet voldaan aan de eisen vanuit REACH om voor elk geregistreerd gebruik een blootstellingsscenario beschikbaar te hebben. De leveranciers van diesel die in Nederland in de zoutwinning wordt gebruikt, ontraden het gebruik ervan voor andere doeleinden dan die zij geregistreerd hebben Dit wil overigens niet zeggen dat de zoutwinnende bedrijven geen maatregelen hebben getroffen om risico's voor mens en milieu tegen te gaan. RIVM beveelt het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) aan onderzoek te (laten) doen naar de risico's van het niet-vermelde gebruik van diesel bij de zoutwinning. Het SodM heeft een vergunning verleend aan de drie bedrijven die deze vorm van zoutwinning uitvoeren in Nederland. Daarin is opgenomen dat de vergunninghouders moeten voldoen aan hun verplichtingen vanuit REACH. Zo moet de fabrikant of importeur van een stof in het registratiedossier vermelden waarvoor de stof wordt gebruikt. Ook moet worden beoordeeld of de blootstelling van mens en milieu aan de stof veilig is, en worden aangegeven welke maatregelen nodig zijn voor een veilig gebruik. Als het gebruik niet bekend is bij de producent of importeur, moet de gebruiker zelf zo'n beoordeling van de chemische veiligheid opstellen en de bijbehorende maatregelen naleven. Een van de drie zoutwinnende bedrijven in Nederland heeft hiervan een melding ingediend bij de Europese autoriteit voor chemische stoffen ECHA (European Chemicals Agency). De andere twee bedrijven hebben dit niet gedaan.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Reconstructieve toepassing van fillers | RIVM

Zogeheten fillers zijn vulmaterialen die om een medische of schoonheidsreden via een injectie worden aangebracht in het lichaam. Behandelingen met permanente fillers hebben een grotere kans op ernstige bijwerkingen dan behandelingen met niet-permanente fillers, zoals ernstige, terugkerende ontstekingen. Voor esthetische, dus 'niet-reconstructieve', toepassingen is het gebruik van permanente fillers sinds 2015 in Nederland verboden. In de praktijk mogen ze nog gebruikt worden om beschadigingen van het lichaam te herstellen die bijvoorbeeld als gevolg van een ongeval zijn ontstaan (reconstructieve toepassing). De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) heeft het RIVM daarom gevraagd om meer duidelijkheid te scheppen welke fillers in welke situatie gebruikt mogen worden. Daarvoor is uitgezocht welke fillers als permanent worden beschouwd en welke toepassingen met een filler als reconstructief moeten worden gezien. Het RIVM heeft de definities opgesteld op basis van literatuuronderzoek en interviews met wetenschappelijke verenigingen van artsen die fillers toepassen. Het RIVM definieert permanente fillers als vulmiddelen die niet volledig afbreekbaar zijn en dus in het lichaam aanwezig blijven. Volgens alle geïnterviewde wetenschappelijk verenigingen van artsen hebben permanente fillers nadelen ten opzichte van niet-permanente fillers, waardoor ze niet meer gebruikt zouden moeten worden, ook niet voor reconstructieve toepassingen.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Risicobeoordeling van GenX en PFOA in moestuingewassen in Helmond | RIVM

Mensen met een moestuin in de buurt van het bedrijf Custom Powders in Helmond kunnen veilig hun zelf geteelde groenten eten. Het bedrijf heeft in het verleden de stoffen GenX en PFOA uitgestoten waardoor deze via de lucht in het milieu zijn terechtgekomen. De zogeheten gezondheidskundige grenswaarden die voor de inname van GenX en PFOA gelden, worden niet overschreden. Dat blijkt uit onderzoek van het RIVM. In dit onderzoek is berekend hoeveel GenX en PFOA mensen binnen kunnen krijgen als zij zelf geteelde groenten eten uit een moestuin 450 meter ten noordoosten van het bedrijf. Hiervoor zijn in de eerste helft van september 2018 in het volkstuinencomplex Sluisdijk 87 monsters genomen van meerdere groenten en aardappel. Bij de beoordeling van het risico is rekening gehouden met het feit dat mensen ook via ander voedsel, drinkwater, lucht en zwemwater aan de stoffen kunnen worden blootgesteld. Bij de beoordeling is aangenomen dat mensen hun leven lang uitsluitend groenten uit hun eigen moestuin eten om onderschatting van het risico te voorkomen. De uitkomsten zijn daardoor waarschijnlijk hoger dan de werkelijke inname van GenX en PFOA bij moestuinhouders met een moestuin ten noordoosten van het bedrijf. De onderzochte groenten zijn biet, boerenkool, komkommer, paprika, rabarber, sla, sperziebonen, tomaten, ui en wortel. Informatie over hoeveel en hoe vaak deze groenten en aardappel worden gegeten, is afkomstig uit de meest recente voedselconsumptiepeiling in Nederland van 2012-2016.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Armoede, chronische stress en gezondheid in de gemeente Den Haag : Een verkenning op basis van group model building | RIVM

Mensen die in armoede leven hebben vaak te maken met chronische stress en ziekte. Ook zijn ze vaak minder gelukkig en minder goed in staat om beslissingen te nemen. Deze vier factoren hebben direct invloed op hun gezondheid. De gemeente Den Haag wil de vicieuze cirkel doorbreken tussen een verslechterende gezondheid en toenemende, aan armoede gerelateerde, chronische stress. Hiervoor heeft het RIVM met betrokken partijen in beeld gebracht welke factoren van belang zijn voor de gezondheid van mensen die in armoede leven. Deze factoren hangen met elkaar samen en kunnen elkaar bovendien versterken of tegenwerken. Door deze mechanismen te doorgronden wordt zichtbaar welke maatregelen hun gezondheid kunnen verbeteren. Een samenhangende, integrale aanpak met aandacht voor deze mechanismen wordt dan ook aanbevolen. Maatregelen die slechts op één factor zijn gericht hebben weinig tot geen effect. 'Indirecte' factoren die invloed op hebben op de gezondheid zijn de sociaaleconomische status, financiële stabiliteit, vaardigheden, toegankelijkheid van de zorg, het gebruik van de zorg, de kwaliteit van de sociale en de fysieke leefomgeving en voldoende sociale contacten. Als deze factoren beter worden, zullen de vier factoren die direct invloed hebben op de gezondheid, verbeteren en zal de gezondheid erop vooruitgaan. In het diagram staan de factoren en hun onderlinge relatie in beeld gebracht. Beleidsmaatregelen die bijvoorbeeld zowel de financiële stabiliteit als de vaardigheden van mensen in armoede verbeteren, zullen de chronische stress verminderen en daarmee een positief effect hebben op de gezondheid. En aangezien door een verbetering van de vaardigheden ook de leefstijl verbetert, neemt de kans dat ze ziek worden af. Een verandering in de factoren die in het 'causaal diagram' dichter bij de vier kernpunten staan, heeft sneller effect dan een verandering in een factor die verder weg staat. Het belang van de factoren die verder weg staan is er echter niet minder om, denk aan het positieve effect van een groene, gezonde leefomgeving. Het kost alleen meer tijd voordat het effect ervan merkbaar is. De gemeente Den Haag wil de 'gezonde levensverwachting' van mensen in armoede verbeteren en heeft dit doel opgenomen in het gezondheidsbeleid. De resultaten van dit onderzoek zullen input zijn voor dit beleid. De gebruikte methode is ook geschikt voor andere gemeenten, zolang direct betrokkenen het diagram gezamenlijk ontwikkelen.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Prevalence of healthcare-associated infections, estimated incidence and composite antimicrobial resistance index in acute care hospitals and long-term care facilities: results from two European point prevalence surveys, 2016 to 2017. | RIVM

Prevalence of healthcare-associated infections, estimated incidence and composite antimicrobial resistance index in acute care hospitals and long-term care facilities: results from two European point prevalence surveys, 2016 to 2017. | RIVM
Jaar: 2019 Onderzoek

Risicobeoordeling vanadium in en onder fietspaden Drenthe | RIVM

Staatsbosbeheer heeft in het verleden bij de aanleg van fietspaden in Drenthe materiaal gebruikt om het fietspad te verstevigen, zoals schelpen en bouwmaterialen. De twee gebruikte bouwmaterialen (Koers fietspadenmix (KFP-mix) en Duomix) bevatten het metaal vanadium. Het aanwezige vanadium veroorzaakt geen gezondheidsrisico's voor mensen die de fietspaden gebruiken of in de nabijheid ervan recreëren. Hetzelfde geldt voor grotere (huis)dieren, vogels en drinkwaterwinningen in het gebied. Wel kan het metaal processen verstoren die nodig zijn voor een gezonde bodem, zoals de afbraak van organisch materiaal. Deze effecten zullen gezien de lange en smalle vorm van de fietspaden gering zijn. Dit blijkt uit een risicobeoordeling van het RIVM op basis van onderzoeken van het gebruikte bouwmateriaal, de onderliggende bodem en het grondwater. Naar aanleiding van onderhoudswerkzaamheden aan de fietspaden is bij Staatsbosbeheer de wens ontstaan het verstevigende bouwmateriaal, zogeheten halfverhardingen, te vervangen door een product dat langer meegaat. Om te kunnen afwegen of het materiaal kan worden hergebruikt of moet worden afgevoerd, zijn keuringsonderzoeken uitgevoerd. Het materiaal, de onderliggende bodem en het grondwater zijn vervolgens beoordeeld op gezondheidsrisico's (voor recreanten en werknemers), risico's voor planten en dieren, het risico dat het metaal zich verspreidt naar de bodem en het grondwater, en risico's voor drinkwaterwinning in het gebied. Het RIVM verwacht niet dat het vanadium op korte termijn in de nabije omgeving van de fietspaden naar de bodem en het grondwater zal verspreiden. De concentraties die in het grondwater zijn gemeten, liggen onder de risicogrens voor grondwater en zijn in lijn met concentraties die van nature in Noord-Nederland kunnen worden aangetroffen. Wel zijn de grenswaarden overschreden voor de maximale concentratie die uit het bouwmateriaal mag vrijkomen. Daardoor is het vanadium in de grond terechtgekomen.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Environmental radioactivity in the Netherlands : Results in 2016 | RIVM

Dit rapport bevat een erratum d.d. 24-09-2019 op pagina 118 In 2016 voldeed Nederland aan de Europese verplichting om jaarlijks de hoeveelheid radioactiviteit in het milieu en in voeding te meten. Alle lidstaten van de Europese Unie zijn volgens het Euratom-verdrag uit 1957 verplicht deze metingen jaarlijks te verrichten. Nederland volgt daarbij de aanbevelingen die in 2000 zijn opgesteld om de metingen volgens een bepaald stramien uit te voeren. De metingen leveren achtergrondwaarden op, ofwel radioactiviteitsniveaus, die onder normale omstandigheden aanwezig zijn. Deze waarden kunnen bij bijvoorbeeld calamiteiten of rampen als referentie dienen. Het RIVM rapporteert namens Nederland aan de Europese Unie over radioactiviteit in het milieu. Radioactiviteit in lucht, voedsel, melk, gras en veevoer De radioactiviteitsniveaus in lucht laten een normaal beeld zien dat niet verschilt van voorgaande jaren. De niveaus in voedsel en melk liggen net als in voorgaande jaren duidelijk onder de Europese limieten die zijn opgesteld voor consumptie en export. Ook de radioactiviteitsniveaus in gras en veevoer laten een normaal beeld zien dat niet verschilt van voorgaande jaren. Radioactiviteit in oppervlaktewater, zeewater en drinkwater De radioactiviteitsniveaus in oppervlaktewater en zeewater verschillen niet van voorgaande jaren. In ongezuiverd water voor de drinkwaterproductie liggen de niveaus meestal onder de zogeheten screeningswaarden (boven deze waarden moet nader onderzoek worden uitgevoerd). Een uitzondering daarop zijn 19 monsters ongezuiverd water (5 procent van het totale aantal monsters) waarbij licht verhoogde niveaus zijn gemeten. Deze verhogingen zijn zodanig laag dat ze niet schadelijk zijn voor de gezondheid. Aanvullend onderzoek toonde aan dat de niveaus in het gezuiverde drinkwater ruim onder de screeningswaarden lagen.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

De impact van overstromingen op de drinkwatervoorziening : Overstromingen op basis van de Deltaprogramma scenario's 2015 | RIVM

Het RIVM heeft geanalyseerd wat de impact op de drinkwatervoorziening is wanneer delen van het zogeheten hoofdwatersysteem (Noordzee, IJsselmeergebied, grote rivieren) in Nederland overstromen. De drinkwaterbedrijven in een overstroomd gebied zullen dan hun productie van drinkwater staken. Dit kan ook bewoners van niet-overstroomde gebieden raken wanneer het desbetreffende drinkwaterproductiebedrijf aan hen levert. Drinkwaterbedrijven in gebieden die niet zijn getroffen zullen tijdelijk extra drinkwater produceren. Dit gebeurt vooral in de gebieden waar geëvacueerden worden opgevangen, omdat hierdoor een extra vraag naar drinkwater ontstaat. Er zou regionaal een knelpunt kunnen ontstaan wanneer veel geëvacueerden in hetzelfde gebied worden opgevangen. De extra drinkwaterproductie kan worden gecombineerd met een oproep om zuinig met drinkwater om te gaan. Overstromingen kunnen veel mensen treffen: circa 3,5 miljoen als het kust- of het rivierengebied volledig overstroomt en 1,7 miljoen als het zogeheten overgangsgebied volledig overstroomt. De impactanalyse is gemaakt aan de hand van de overstromingsscenario's van Rijkswaterstaat voor het kustgebied (noordwester storm), het rivierengebied (hevige regenval) en het overgangsgebied. Het Overgangsscenario is een combinatie van het Kust- en het Rivierenscenario onder minder extreme omstandigheden. Rivieren overstromen in dit scenario doordat de kustwering wordt gesloten, waardoor delen van Zuid-Holland, West-Brabant en Utrecht onder water komen te staan. De analyses brengen de maximale impact op de drinkwatervoorziening in beeld omdat ze ervan uitgaan dat de desbetreffende gebieden volledig overstromen. De kans op deze scenario's is klein, 1 keer in een miljoen jaar. Er bestaan ook realistischere scenario's die, afhankelijk van locatie en oorzaak, een kans hebben om zich eens per duizend tot eens per honderdduizend jaar voor te doen. Veiligheidsregio's en drinkwaterbedrijven zullen deze kleinschaliger overstromingsscenario's gebruiken om tot regionale impactanalyses te komen.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Verkenning van de milieuaspecten van de activiteiten die onder het Staatstoezicht op de Mijnen vallen | RIVM

De activiteiten van bedrijven waar het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) toezicht op houdt, kunnen effect hebben op milieu en natuur en gevolgen hebben voor mensen in de omgeving. Het RIVM heeft in een verkenning geïnventariseerd om welke effecten het gaat. De verkenning richt zich vooral op de reguliere werkzaamheden; incidenten komen minder aan bod. Het SodM heeft om de inventarisatie gevraagd omdat het de bescherming van het milieu en de zorg voor natuurlijke hulpbronnen intensiever bij het toezicht wil betrekken. Het desbetreffende bedrijf, de vergunningverlener en de toezichthouder hebben, ieder vanuit hun eigen rol, de verantwoordelijkheid de negatieve effecten zo veel mogelijk te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken. De SodM-sectoren zijn de olie- en gaswinning (in zee en op land), geothermie, zoutwinning, ondergrondse opslag (aardgas, CO2), windenergie op zee, netbeheer van gasleidingen en de nazorg van de kolenwinning in Limburg. Hiervoor is geïnventariseerd welke stoffen in de lucht, grond- en oppervlaktewater, bodem en de (diepe) ondergrond kunnen terechtkomen. De inventarisatie signaleert ook twintig lacunes in kennis over de milieueffecten die deels van belang zijn voor de energietransitie. Om de klimaatdoelen van Parijs (2015) te realiseren wordt veel verwacht van geothermie, windturbines, ondergrondse opslag van CO2 en wordt de olie- en gaswinning afgebouwd. Van windturbines is nog onvoldoende bekend wat de effecten van alle geplande Nederlandse windparken op zee bij elkaar op het milieu zijn. Ook zijn de gevolgen van ondergrondse opslag van CO2 in lege gasvelden onder de Noordzee onvoldoende onderzocht. Bij geothermie, de ontmanteling van de olieplatforms op zee en de ondergrondse opslag van CO2 is het van belang het toezicht zodanig te organiseren dat de activiteiten geen onbedoelde schade aan milieu en gezondheid veroorzaken. De geconstateerde kennislacunes leveren input voor een meerjarig milieuprogramma om kennis en toezicht te ontwikkelen, waar het SodM momenteel aan werkt. Voor een aantal is nader onderzoek nodig, voor andere is al onderzoek in gang gezet. Dat onderzoek kan aanleiding zijn om de praktijk, de wet- en regelgeving of het beleid aan te passen.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Towards integrated climate resilient water and sanitation safety planning : Summary report of the pan European Symposium on Water and Sanitation Safety Planning and Extreme Weather Events, April 6-7, 2017, Bilthoven, Netherlands | RIVM

Klimaatverandering veroorzaakt extreem weer, dat droogte of juist hevige regenval en overstromingen tot gevolg heeft. Extreem weer heeft effect op de productie van schoon drinkwater en de verwerking van afvalwater, en vraagt daarom de komende jaren aandacht. Dit blijkt onder andere uit het symposium dat het RIVM in april 2017 heeft georganiseerd. Onderwerp van het symposium was het gebruik van de beoordelingskaders die de WHO heeft ontwikkeld om de effecten van de klimaatverandering voor deze systemen te kunnen opvangen. Het symposium was bedoeld om bewustwording van de effecten van klimaatverandering te vergroten en kennis te delen. Ook zijn voorbeelden gegeven van de manier waarop de WHO-kaders in de praktijk worden gebruikt. De nadruk lag op ervaringen in de zogeheten pan-Europese regio van de WHO: de Europese Unie, de Balkan, Oost-Europa, de Zwarte Zee-regio en Centraal Azië. Aangezien de gevolgen van extreem weer niet altijd zijn te voorkomen, is het belangrijk om goed voorbereid te zijn en te handelen als ze zich voordoen. Aanbevelingen voor een dergelijke voorbereiding zijn onder andere beschikbare data om te zetten naar bruikbare gegevens voor de mensen die er in de praktijk mee moeten werken. Dit kan bijvoorbeeld door complexe data beter te visualiseren. Ook is risicocommunicatie belangrijk om te voorkomen dat na overstromingen infectieziekten uitbreken. Om zo veel mogelijk mensen te bereiken, is het van belang om hierover via verschillende kanalen te communiceren. Daarbij valt ook te denken aan social media-kanalen. Het symposium is georganiseerd in verband met het Verdrag Water en Gezondheid (1999). Nederland heeft dit verdrag is in 2007 ondertekend. Sinds 2016 is het ministerie van Infrastructuur en Water (IenW) voor Nederland de trekker van het onderdeel: Veilige en efficiënte management van water- en afvalwatersystemen, waarbij klimaatverandering een belangrijke factor is. Als partnerinstituut van de WHO voor de risico-analyse en -management voor ziekteverwekkers in voedsel en water, ondersteunt het RIVM het ministerie bij de uitvoering van het genoemde onderdeel, dat doorloopt in een nieuw programma voor 2019-2021. IenW en het RIVM koppelen het werk voor het verdrag aan activiteiten om de VN Duurzame Ontwikkelingsdoelen (SDG's) voor 2030 over gezondheid (doel 3) en water (doel 6) te halen.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

The biodistribution and immuno-responses of differently shaped non-modified gold particles in zebrafish embryos. | RIVM

Important questions raised in (nano)ecotoxicology are whether biodistribution of nanoparticles (NPs) is affected by particle shape and to what extent local adverse responses are subsequently initiated. For nanomedicine, these same questions become important when the labeled NPs lose the labeling. In this study, we investigated the biodistribution patterns of gold nanoparticles (AuNPs) as well as immune-related local and systemic sublethal markers of exposure and behavioral assessment. Hatched zebrafish embryos were exposed to four differently shaped non-coated AuNPs with comparable sizes: nanospheres, nanorods, nano-urchins, and nanobipyramids. Shape-dependent trafficking of the particles resulted in a different distribution of the particles over the target organs. The differences across the distribution patterns indicate that the particles behave slightly different, although they eventually reach the same target organs – yet in different ratios. Mainly local induction of the immune system was observed, whereas systemic immune responses were not clearly visible. Macrophages were found to take AuNPs from the body fluid, be transferred into the veins and transported to digestive organs for clearance. No significant behavioral toxicological responses in zebrafish embryos were observed after exposure. The trafficking of the particles in the macrophages indicates that the particles are removed via the mononuclear phagocytic system. The different ratios in which the particles are distributed over the target organs indicate that the shape influences their behavior and eventually possibly the toxicity of the particles. The observed shape-dependent biodistribution patterns might be beneficial for shape-specific targeting in nanomedicine and stress the importance of incorporating shape-features in nanosafety assessment.
Jaar: 2019 Onderzoek

Risicobeoordeling van blootstelling aan chroom-6 binnen het re-integratieproject tROM | RIVM

6 april 2020: Het RIVM heeft in 2019 dit onderzoek geactualiseerd op basis van de nieuwste wetenschappelijke kennis. De actuele bevindingen over zowel de gezondheidseffecten als de risicobeoordeling staan beschreven in RIVM rapport 2020-0021. Dit rapport maakt onderdeel uit van een serie van tien rapporten over het onderzoek naar chroom-6 bij tROM Tilburg. Dit rapport bevat geen afzonderlijke publiekssamenvatting. Een overkoepelende publiekssamenvatting van de tien rapporten is te vinden op de website van het RIVM: 'Chroom-6 bij het re-integratieproject tROM: gezondheidsrisico's en verantwoordelijkheden - Bevindingen uit het onderzoek op hoofdlijnen (RIVM Rapport 2018-0164)'.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Nadelige gezondheidseffecten en ziekten veroorzaakt door chroom-6 : Indeling in categorieën van causaliteit in relatie tot chroom-6-blootstelling | RIVM

6 april 2020: Het RIVM heeft in 2019 dit onderzoek geactualiseerd op basis van de nieuwste wetenschappelijke kennis. De actuele bevindingen over zowel de gezondheidseffecten als de risicobeoordeling staan beschreven in RIVM rapport 2020-0021. Dit rapport maakt onderdeel uit van een serie van tien rapporten over het onderzoek naar chroom-6 bij tROM Tilburg. Dit rapport bevat geen afzonderlijke publiekssamenvatting. Een overkoepelende publiekssamenvatting van de tien rapporten is te vinden op de website van het RIVM: "Chroom-6 bij het re-integratieproject tROM: gezondheidsrisico's en verantwoordelijkheden - Bevindingen uit het onderzoek op hoofdlijnen (RIVM Rapport 2018-0164)"
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Een onderzoek naar regelgeving, arbeidsomstandigheden, informatievoorziening en bejegening bij het tROM-project in Tilburg : Onderzoek in het kader van het chroom-6 onderzoek Tilburg | RIVM

Dit rapport maakt onderdeel uit van een serie van tien rapporten over het onderzoek naar chroom-6 bij tROM Tilburg. Dit rapport bevat geen afzonderlijke publiekssamenvatting. Een overkoepelende publiekssamenvatting van de tien rapporten is te vinden op de website van het RIVM: "Chroom-6 bij het re-integratieproject tROM: gezondheidsrisico's en verantwoordelijkheden - Bevindingen uit het onderzoek op hoofdlijnen (RIVM Rapport 2018-0164)".
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Achtergrondinformatie over chroom-6: gebruik, voorkomen in het leefmilieu en gedrag in het lichaam | RIVM

Dit rapport maakt onderdeel uit van een serie van tien rapporten over het onderzoek naar chroom-6 bij tROM Tilburg. Dit rapport bevat geen afzonderlijke publiekssamenvatting. Een overkoepelende publiekssamenvatting van de tien rapporten is te vinden op de website van het RIVM: "Chroom-6 bij het re-integratieproject tROM: gezondheidsrisico's en verantwoordelijkheden - Bevindingen uit het onderzoek op hoofdlijnen (RIVM Rapport 2018-0164)"
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Chroom-6 bij het re-integratieproject tROM. Gezondheidsrisico's en verantwoordelijkheden. Bevindingen uit het onderzoek op hoofdlijnen | RIVM

6 april 2020: Het RIVM heeft in 2019 dit onderzoek geactualiseerd op basis van de nieuwste wetenschappelijke kennis. De actuele bevindingen over zowel de gezondheidseffecten als de risicobeoordeling staan beschreven in RIVM rapport 2020-0021. Tussen 2004 en 2012 hebben ongeveer achthonderd mensen die op dat moment geen werk hadden, deelgenomen aan het re-integratieproject tROM van de gemeente Tilburg. Zij waren wettelijk verplicht op deze manier werkervaring op te doen om in aanmerking te komen voor een bijstandsuitkering. De deelnemers aan het tROM-project voerden restauratiewerkzaamheden uit aan museumtreinen in een werkplaats van NedTrain in Tilburg. Daar werden oude verflagen van de treinen verwijderd. In 2015 kwamen er signalen dat er in de verflagen chroom-6 had gezeten, een schadelijke stof. Op verzoek van de gemeente Tilburg heeft het RIVM vervolgens onderzoek gedaan naar deze problematiek. De resultaten staan in dit rapport. Het beschrijft de arbeidsomstandigheden, de blootstelling aan chroom-6 en de gezondheidsrisico's voor deelnemers, begeleiders en andere betrokkenen bij het tROM-project. Blootstelling aan chroom-6 en mogelijke gezondheidsrisico's Uit het onderzoek blijkt inderdaad dat de oude verflagen van de museumtreinen chroom-6 bevatten. Deelnemers aan het tROM-project en hun trajectbegeleiders van de gemeente Tilburg zijn op de tROM-locatie via het schuurstof blootgesteld aan chroom-6. Ook mensen die níet aan de treinen werkten maar wel in dezelfde hal aanwezig waren, kunnen, zij het in mindere mate, zijn blootgesteld aan chroom-6. De blootstelling is ontstaan doordat de beschermende maatregelen op de werkvloer niet consequent zijn uitgevoerd hoewel zij formeel van kracht waren. Ook de persoonlijke beschermingsmiddelen schoten tekort. Ze werden wel uitgereikt, maar waren vaak van inferieure kwaliteit of in onvoldoende mate aanwezig. De blootstelling aan chroom-6 kan bij de betrokkenen schadelijke gezondheidseffecten hebben gehad. Het risico op gezondheidseffecten is afhankelijk van de aard, de intensiteit, de frequentie en de duur van de blootstelling. Daarover is voor het tROM-project geen gedetailleerde informatie beschikbaar. Het is daardoor niet mogelijk om voor de aanwezigen op de tROMwerkplaats precies te bepalen hoe groot de kans op gezondheidseffecten is geweest. Daardoor is ook niet te zeggen of en hoeveel mensen er daadwerkelijk ziek zijn geworden (of eventueel nog kunnen worden) door blootstelling aan chroom-6 op de tROM-locatie. Verschillende deelnemers aan het tROM-project en betrokken (oud-)medewerkers van de gemeente Tilburg hebben gezondheidsklachten. Ziekten die door chroom-6 kunnen worden veroorzaakt, kunnen echter ook ándere oorzaken hebben. Het is dus onbekend hoeveel van de gezondheidsklachten van tROM-betrokkenen zijn toe te schrijven aan chroom-6. Verantwoordelijkheden van de gemeente Tilburg en andere partijen De gemeente Tilburg was verantwoordelijk voor de arbeidsomstandigheden op de tROM-werkplaats. In de praktijk werd deze verantwoordelijkheid neergelegd bij het management van het tROM-project. Bij dit management was tijdens het tROM-project niets bekend over de mogelijke aanwezigheid van chroom-6 op de treinen. Ook de deelnemers aan het tROM-project, hun trajectbegeleiders en andere betrokkenen vanuit de gemeente Tilburg hadden hiervan geen weet. Anders lag dit bij NS/NedTrain, dat formeel bij het tROM-project was betrokken en ondersteuning, begeleiding en materialen leverde. NS/NedTrain was er bij de start van het tROM-project in 2004 van op de hoogte dat de NS tot begin jaren negentig verf voor zijn treinen had gebruikt waarin het schadelijke chroom-6 zat. In een Risico-Inventarisatie en -Evaluatie (RI&E) die een extern bureau in 2005 voor het tROM-project heeft opgesteld, is de aanwezigheid van schuurstof in de werkplaats aangemerkt als een verbeterpunt. Dat er chroom-6 in het stof zou kunnen zitten, werd daarbij echter niet als risicofactor onderkend. Na de RI&E zijn beschermingsmaatregelen ingevoerd, maar deze waren niet voldoende om de blootstelling aan stof bij het schuren adequaat te verminderen. Van een systematisch arbozorgsysteem was binnen het tROM-project geen sprake. De voorlichting en instructie aan tROM-deelnemers over de omgang met gevaarlijke stoffen was onvoldoende. Er was ook geen arbeidsgezondheidskundige begeleiding van de deelnemers en er werd geen lichamelijk medisch onderzoek aangeboden. De meeste tROM-deelnemers zijn niet op vrijwillige basis ingeschakeld bij de werkzaamheden aan de treinen. Ook de vrijheid om te kiezen welke werkzaamheden zij zouden verrichten, was gering. Uit de wet- en regelgeving blijkt dat mensen die zijn blootgesteld aan chroom-6 op de tROM-locatie én gezondheidsschade hebben geleden die in voldoende mate kan worden toegeschreven aan chroom-6, in aanmerking komen voor een schadevergoeding. De gemeente Tilburg, NedTrain en mogelijk anderen, waaronder uitleners van arbeidskrachten, kunnen aansprakelijk worden gesteld.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Regional differences in chlamydia and gonorrhoeae positivity rate among heterosexual STI clinic visitors in the Netherlands: contribution of client and regional characteristics as assessed by cross-sectional surveillance data. | RIVM

Regional differences in chlamydia and gonorrhoeae positivity rate among heterosexual STI clinic visitors in the Netherlands: contribution of client and regional characteristics as assessed by cross-sectional surveillance data. | RIVM
Jaar: 2019 Onderzoek

Maatschappelijke kosten-batenanalyse van beleidsmaatregelen om alcoholgebruik te verminderen | RIVM

Als alle kosten en baten van alcohol worden opgeteld, waren de kosten in 2013 ongeveer 2,3 tot 4,2 miljard euro. Kosten kunnen bijvoorbeeld ontstaan door een lagere arbeidsproductiviteit, door inzet van politie en justitie, en door verkeersongevallen. De baten van alcoholgebruik zijn bijvoorbeeld de accijnsinkomsten voor de overheid. Als we ook private kosten meenemen in de berekening, zoals de kosten van voortijdige sterfte en verlies aan kwaliteit van leven, dan waren de kosten in 2013 4,2 tot 6,1 miljard euro. In deze kostenschattingen is het welzijn dat mensen bij het drinken van alcohol kunnen ervaren niet meegenomen, omdat het moeilijk is om dit in maat en getal uit te drukken. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM en drie andere organisaties. Maatregelen zijn mogelijk om mensen minder alcohol te laten drinken, zoals een accijnsverhoging, een beperking van het aantal verkooppunten en een totaalverbod op alcoholreclame en -sponsoring. Zulke maatregelen kunnen de samenleving forse besparingen opleveren en hebben daarmee netto een positief effect op de Nederlandse samenleving. Voorbeelden van die positieve effecten zijn minder sterfte en betere kwaliteit van leven doordat ziekten die met alcoholgebruik samenhangen worden voorkomen. Ook wordt de arbeidsproductiviteit hoger, zijn er minder verkeersongevallen en is minder inzet van politie en justitie nodig. Op de lange termijn, over een periode van 50 jaar, levert een accijnsverhoging van 50 procent tussen de 4,5 en 10,7 miljard euro op. Bij een accijnsverhoging van 200 procent is dat 12,2 tot 35,8 miljard euro. Het saldo van kosten en baten na 50 jaar is 1,8 tot 4,3 miljard euro wanneer 10 procent van de verkooppunten worden gesloten. Dit bedrag loopt op tot 4,6 tot 10,7 miljard euro als 25 procent van de verkooppunten sluit. Een mediaban levert de samenleving circa 3,5 tot 7,8 miljard euro op na 50 jaar, maar hierover bestaat meer onzekerheid. Dit is een herziene versie van een onderzoek uit 2016. Nieuwe inzichten en nieuwe cijfers waren de aanleiding voor deze herziening. Voor beide rapporten is een zogeheten maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) uitgevoerd waarbij de drie genoemde beleidsmaatregelen zijn doorgerekend. MKBA's zijn een hulpmiddel om de welvaartseffecten van maatregelen in kaart te brengen en kunnen beleidsmakers ondersteunen bij hun beslissingen over toekomstig overheidsbeleid.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Long-term complications of transvaginal mesh implants : A literature review | RIVM

Bekkenbodemmatjes worden al sinds 2002 gebruikt en kunnen worden geplaatst bij verzakkingen in het bekkenbodemgebied. Naar aanleiding van klachten zijn in Nederland sinds 2011-2012 maatregelen getroffen. Sindsdien worden bekkenbodemmatjes alleen nog geplaatst wanneer alternatieve behandelingen zoals fysiotherapie, een pessarium, en een operatie met behulp van lichaamseigen materiaal onvoldoende effect hebben gehad. Bovendien mogen de behandelingen uitsluitend in een beperkt aantal, gespecialiseerde centra worden uitgevoerd door erkende specialisten. Dit omdat de plaatsing precisie en maatwerk vergt. Het RIVM heeft in de internationale wetenschappelijke literatuur onderzocht welke complicaties een jaar of langer na de plaatsing van bekkenbodemmatjes zijn opgetreden. Dit zijn pijn, het zichtbaar worden van het bekkenbodemmatje in de vagina, incontinentie en pijn bij het vrijen. Ook kan opnieuw een verzakking optreden, bijvoorbeeld op een andere plaats dan waar het matje is geplaatst. Hoe vaak de onderzochte complicaties voorkomen varieert sterk in de literatuur. Daarnaast zijn in de literatuur weinig gegevens te vinden over de duur en de ernst van deze complicaties. Dit komt onder andere doordat de complicaties internationaal niet eenduidig worden geïnventariseerd. In de internationale media is veel aandacht voor complicaties bij bekkenbodemmatjes. Uit klachten die gemeld zijn bij Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) tussen 2009 en 2012 blijkt dat er ernstige complicaties op kunnen treden. Het RIVM pleit daarom voor een gestandaardiseerde richtlijn om complicaties van bekkenbodemmatjes te rapporteren. Inmiddels zijn er vernieuwde producten op de markt gekomen die naar verwachting minder complicaties veroorzaken. In deze literatuurstudie zijn voornamelijk complicaties gevonden bij producten die niet meer op de Nederlandse markt zijn.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Transcatheter aortic heart valves in Europe : A market surveillance study | RIVM

Slecht functionerende hartkleppen kunnen worden vervangen door een prothese. Hiervoor zijn de afgelopen jaren nieuwe technieken ontwikkeld die minder belastend zijn voor de patiënt, bijvoorbeeld het inbrengen van de prothese via een katheter. De eerste van deze zogeheten transkatheter aortaklep vervangende implantaten (TAVI) kwamen in 2007 beschikbaar in Europa. Sindsdien zijn wereldwijd meer dan 300.000 TAVI's geplaatst, en zijn de producten verder ontwikkeld. Vanwege haar taak als toezichthouder heeft de Inspectie voor Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) het RIVM gevraagd de technische documentatie te beoordelen van vijf TAVI-producten. Geen van de dossiers bevatte onderdelen die onvoldoende waren, en één dossier had alleen maar onderdelen die goed of bijna goed waren. De andere vier dossiers hadden één tot twee onderdelen van middelmatige kwaliteit. In de dossieronderdelen "klinische evaluatie" en "post-market surveillance" zijn enkele tekortkomingen gevonden waardoor de productveiligheid en een veilig gebruik van de producten onvoldoende zijn gegarandeerd op deze punten. Een tekortkoming in het dossier betekent niet direct dat het product minderwaardig is. Met volledige en correcte dossiers onderbouwen fabrikanten de veiligheid van het product voor de patiënt. Regelgeving vereist dat fabrikanten de tekortkomingen in hun dossiers zorgvuldig onderzoeken en oplossen. Fabrikanten geven aan dat zij hun dossiers momenteel verbeteren om te kunnen voldoen aan de nieuwe regelgeving voor medische hulpmiddelen uit 2017.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

The combined EURL-Salmonella interlaboratory comparison study for Food and Primary production (2017) : Detection of Salmonella in hygiene swabs | RIVM

In oktober 2017 is het gecombineerde EURL-Salmonella-ringonderzoek gehouden om Salmonella aan te tonen in sponsjes die gebruikt worden om oppervlakten van te onderzoeken materialen te bemonsteren. De sponsjes zijn gebruikt, omdat ze geschikt zijn als monster voor zowel de NRL's Voedsel, als de NRL's Dieren voor de voedselproductie. Om praktische redenen zijn deze NRL's dit jaar samengevoegd. Alle deelnemers waren in staat om Salmonella in de sponsjes op te sporen. Ook hebben de laboratoria de meegestuurde controlemonsters correct geanalyseerd. Eén laboratorium heeft een fout gemaakt in de rapportage van het controlemonster waarin Salmonella was aangetroffen. Hierdoor kreeg dit laboratorium een matige score. Bijna alle laboratoria konden de monsters waar geen Salmonella aan was toegevoegd (blanco), als zodanig opsporen. Eén laboratorium vond echter Salmonella in twee van de zes blanco monsters en scoorde daardoor een onvoldoende. Dit laboratorium heeft in de herkansing wel alle monsters goed beoordeeld. Deze kwaliteitstoets is verplicht voor alle Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) van de Europese lidstaten die ervoor verantwoordelijk zijn om Salmonella in voedsel aan te tonen; het is vrijwillig voor NRL's die Salmonella aantonen in de leefomgeving van dieren die voor de voedselproductie worden gehouden. Deze laatste laboratoria hadden in maart 2017 al deelgenomen aan het verplichte EURL-ringonderzoek naar Salmonella. In totaal hebben 56 NRL's deelgenomen: 33 NRL's om Salmonella in voedsel aan te tonen en 23 NRL's om Salmonella aan te tonen in leefomgeving voor dieren die voor de voedselproductie worden gehouden. De NRL's waren afkomstig uit alle 28 EU lidstaten, vier NRL's uit andere Europese landen en één NRL uit een niet-Europees land. Het Europese Referentielaboratorium (EURL) Salmonella is gevestigd bij het Nederlandse Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Een belangrijke taak van het EURL-Salmonella is toezien op de kwaliteit van de nationale referentielaboratoria voor deze bacterie in Europa.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Herpes zoster in the Netherlands : Background information for the Health Council | RIVM

Gordelroos wordt veroorzaakt door een infectie met het varicellazostervirus. Dit virus veroorzaakt ook waterpokken. Nadat iemand waterpokken heeft gekregen, blijft het virus in het lichaam achter zonder actief te zijn. Als het virus later weer actief wordt, kan het gordelroos veroorzaken. In Nederland bepaalt de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) welke vaccinaties landelijk worden aangeboden. De minister neemt die beslissing op basis van een advies van de Gezondheidsraad. Momenteel bereidt de Gezondheidsraad een nieuw advies voor over vaccinatie tegen gordelroos. In 2016 kwam vaccinatie tegen gordelroos met het toen beschikbare vaccin Zostavax® niet in aanmerking voor een landelijk aanbod. Het vaccin bood onvoldoende bescherming. Volgens de Gezondheidsraad zou de vaccinatie opnieuw kunnen worden overwogen zodra er een nieuw vaccin op de markt zou komen. Dit was begin 2018 het geval (Shingrix®). Als ondersteuning van het advies door de Gezondheidsraad heeft het RIVM achtergrondinformatie verzameld over vaccinatie tegen gordelroos en de mate waarin het in Nederland voorkomt. Zo'n overzicht wordt gemaakt wanneer de Gezondheidsraad een advies over een mogelijke nieuwe vaccinatie voorbereidt. Het document bevat onder meer informatie over het aantal mensen in Nederland dat jaarlijks ziek wordt, de werkzaamheid en veiligheid van vaccins en de mening van het publiek over gordelroosvaccinatie. Gordelroos begint meestal met jeuk, tintelingen of hevige, brandende of stekende pijn. Na enkele dagen verschijnen groepen blaasjes op het lichaam, meestal rond de buik of taille. Na tien tot veertien dagen drogen de blaasjes in tot korstjes. Soms kan gordelroos ernstige complicaties veroorzaken, zoals zenuwpijn (postherpetische neuralgie of PHN) of een ontsteking van de aangezichtszenuw. Zenuwpijn kan aanhouden nadat de blaasjes zijn verdwenen, soms zelfs lange tijd. Mensen overlijden zelden als gevolg van gordelroos. De kans dat iemand in zijn leven gordelroos krijgt is 23 tot 30 procent. Het komt vooral voor bij volwassenen die ouder zijn dan 50 jaar.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Ontwikkelingen in emissies en concentraties van ammoniak in Nederland tussen 2005 en 2016 | RIVM

Ammoniak heeft effecten op het milieu en de volksgezondheid. Daarom meet het RIVM de concentraties van ammoniak in de lucht. Daarnaast stelt het RIVM vast hoeveel ammoniak elk jaar in Nederland door de industrie, de landbouw, het verkeer en dergelijke wordt uitgestoten (emissie). Voor de meeste luchtvervuilende stoffen zijn de ontwikkelingen van de concentraties in de lucht en de emissies met elkaar in lijn. Sinds 2005 worden echter hogere ammoniakconcentraties in de lucht gemeten, maar zijn de vastgestelde emissies lager. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat driekwart van dit verschil kan worden verklaard door veranderingen in de atmosferische en chemische processen. Door beleidsmaatregelen is de chemische samenstelling van de lucht veranderd. Er worden steeds minder zwavel- en stikstofdioxiden uitgestoten, waardoor de lucht schoner wordt. Deze gassen kunnen met ammoniak fijnstof vormen. Als er minder gassen in de lucht zijn wordt er minder fijnstof gevormd. Er blijft dan meer ammoniak in de lucht aanwezig. Dit verklaart de hogere concentratie van ammoniak in de lucht voor ongeveer 40 procent. Een ander gevolg van de schonere lucht is dat er minder verzurende stoffen in de lucht aanwezig zijn. Hierdoor worden de bodem en de vegetatie minder zuur, met als gevolg dat er minder ammoniak kan neerslaan. Dit verklaart ongeveer 20 procent van de hogere concentratie van ammoniak. De weersomstandigheden, in combinatie met een aantal andere factoren, verklaren ook nog eens 15 procent. De Commissie Deskundigen Meststoffenwet (CDM) heeft in een recent advies aan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) een aantal factoren aangegeven waardoor de emissies tussen 2005 en 2016 mogelijk minder zijn gedaald dan tot nu toe werd aangenomen. Een voorbeeld hiervan is de verminderde werking van combi-luchtwassers. Het RIVM heeft uitgerekend dat met deze factoren het resterende deel van het verschil te verklaren valt.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

The impact of the new Cleaning Products Fact Sheet 2018 on consumer exposure estimation | RIVM

Als consumenten schoonmaakmiddelen gebruiken, komen zij in aanraking met chemische stoffen. Om mogelijke risico's daarvan te kunnen beoordelen, is een goede schatting nodig van de mate waarin mensen blootstaan. De Schoonmaakmiddelen Factsheet die helpt om deze blootstelling in te schatten, is recentelijk herzien. Op basis van nieuwe literatuur en herinterpretatie van bestaande data zijn een aantal standaardwaarden waarmee wordt gerekend, aangepast. Voor sommige producten (onder andere allesreiniger spray en badkamer spray) wordt een hogere blootstelling berekend, terwijl de blootstelling voor andere producten (waaronder vloeibare wasmiddelen en vloeibare vloerreiniger) omlaag lijkt te gaan. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM waarin de impact van de nieuwe gegevens op de geschatte blootstelling is onderzocht. De impact op de geschatte blootstelling hangt af van de samenstelling van het schoonmaakmiddel en de manier waarop het wordt gebruikt. Daarnaast is van invloed of mensen via de huid aan het middel blootstaan of dat ze stoffen hieruit inhaleren. De impact is geëvalueerd door de consumentenblootstellingsschattingen uitgevoerd op basis van de vorige factsheet (2006) te vergelijken met die op basis van de herziene versie uit 2018. De factsheet is opgesteld voor gebruikers van ConsExpo, het computermodel dat het RIVM heeft ontwikkeld om de blootstelling te berekenen. In de factsheet staan standaardmodellen en standaardwaarden voorgeschreven om de blootstelling van consumenten aan stoffen uit schoonmaakmiddelen op een transparante en gestandaardiseerde manier te schatten.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Feasibility study into expanding the neonatal heel prick screening test | RIVM

In de eerste week na de geboorte worden enkele druppels bloed uit de hiel van het kind onderzocht op een aantal ernstige, zeldzame aangeboren ziektes. In 2015 heeft de Gezondheidsraad de minister van VWS geadviseerd om de hielprik met veertien aandoeningen uit te breiden. Het RIVM heeft in een zogeheten uitvoeringstoets onderzocht of deze uitbreiding haalbaar is. Dit blijkt het geval te zijn, mits de uitbreiding gefaseerd wordt doorgevoerd. Ook blijkt dat de uitbreiding alleen onder een aantal randvoorwaarden kan plaatsvinden, zoals voldoende personeel en financiële middelen, beschikbaarheid van flexibele ICT-functionaliteiten, en een goede aansluiting op de zorg. In 2017 zijn inmiddels de eerste twee (alfa- en bèta-thalassemie) van de veertien aandoeningen toegevoegd aan het programma. De uitbreiding is een complex proces, onder meer vanwege het grote aantal aandoeningen, de logistiek en organisatie in de laboratoria, de beschikbaarheid en kwaliteit van testmethodes, de aanvullende onderzoeken die nog moeten plaatsvinden, en de aansluiting op de zorg. Het betreft bovendien zeldzame aandoeningen die nog niet door veel landen zijn opgenomen in het screeningspakket. Hierdoor is ook op internationaal niveau slechts beperkte kennis beschikbaar. Na elk van de onderzoeken is sprake van een go/no go-moment. Dan moet de minister besluiten of de aandoening de implementatiefase in kan gaan of dat eerst verder onderzoek nodig is. Ook kan het zijn dat het nog niet haalbaar is om de aandoening (op dat moment) toe te voegen aan de hielprikscreening. Onder de betrokken beroepsgroepen, patiëntenorganisaties en andere stakeholders bestaat voldoende draagvlak voor de verdere uitbreiding. De huidige neonatale hielprikscreening mag echter niet onder druk komen te staan door de (voorbereidingen voor de) uitbreiding.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1

Apps under the medical devices legislation | RIVM

Steeds meer mensen gebruiken digitale hulpmiddelen, waaronder apps, om hun gezondheid of levensstijl in kaart te brengen, of als ondersteuning bij een ziekte. Het aanbod van dergelijke tools is groot en varieert van tips om te stoppen met roken, een tool om de hartslag te meten tot hulp bij psychische problemen. De meeste apps over gezondheid en lifestyle zijn gratis. Het ministerie van VWS wil weten welke producten verkrijgbaar zijn en of deze producten volgens de voorschriften voor medische hulpmiddelen in de handel zijn gebracht. Het RIVM heeft daarom in een verkennende studie gekeken naar het aanbod in Nederland, onderzocht of de apps medische hulpmiddelen zijn, en zo ja of een CE-markering aanwezig is. Deze markering geeft aan dat een product als medisch hulpmiddel op de markt is gebracht. Een medisch hulpmiddel is een instrument, toestel of apparaat (inclusief software) dat een fabrikant heeft ontwikkeld om een diagnose te stellen, ziekten of gebreken te voorkomen of te behandelen. Op basis van regels wordt bepaald of een product een medisch hulpmiddel is of niet. De fabrikant van een medisch hulpmiddel is verantwoordelijkheid voor de kwaliteit en veiligheid ervan; het toezicht ligt bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). Op basis van de beperkte beschikbare informatie bleek 21 procent van de 271 onderzochte apps een medisch hulpmiddel te zijn. Bij ruim de helft van dit percentage was de benodigde CE-markering niet te vinden. Ondanks de regels voor medische hulpmiddelen blijft er ruimte voor interpretatie of apps eronder vallen. De nieuwe regelgeving voor medische hulpmiddelen, die in 2020 in werking treedt, heeft gevolgen voor de risicoclassificatie van gezondheidsapps. Dan wordt software, en dus ook apps, op basis van andere regels ingedeeld in risicoklassen. Een aanzienlijk deel van de apps zal hierdoor in een hogere risicoklasse vallen. Daarvoor geldt een zwaardere toelatingsprocedure en is een extra goedkeuring door een externe partij, een zogenaamde notified body, nodig. Voor apps met een laag risico mogen fabrikanten zelf de toelatingsprocedure blijven uitvoeren.
Jaar: 2019 Onderzoek Documenten: 1