Naar inhoud

Onderzoeken Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 1997

Zoek binnen deze data in WooGLe

Generatie en substitutie van verkeer door uitbreiding van de hoofdinfrastructuur; de gevolgen voor de landelijke milieudruk | RIVM

De vraagstelling van dit rapport is: welke verandering in landelijke milieudruk brengt aanleg en verbetering van de hoofdinfrastructuur in Nederland met zich mee? Er is een indicatieve berekening gemaakt van de gevolgen van uitbreiding en aanpassing van de hoofdinfrastructuur (uitbreiding hoofdwegennet, aanleg HSL-Zuid en -Oost en Betuwelijn) in Nederland voor de periode 1995-2020. De hoofdconclusies hieruit zijn: a) de voorziene uitbreiding en aanpassing van de hoofdinfrastructuur in de periode 1995-2020 heeft een milieudruk-verhogend effect. Zonder uitbreiding van de hoofdinfrastructuur zou in 2020 het energiegebruik van de doelgroep verkeer en vervoer op Nederlands grondgebied ongeveer 2-6% lager zijn, b) de toename van de milieudruk op Nederlands grondgebied wordt veroorzaakt door de voorgenomen uitbreiding van de weginfrastructuur die tot generatie van wegverkeer leidt. De aanleg van hogesnelheidslijnen en de Betuwelijn leiden weliswaar tot een lager energiegebruik, maar deze verlaging is ten opzichte van de verhoging door uitbreiding van de weginfrastructuur zo weinig, dat de invloed op het netto-effect gering is.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Procedures for extracting organic micro-pollutants from water samples to monitor toxicological stress | RIVM

Methoden werden gevalideerd die deel uitmaken van toxiciteitsmonitoring van het aquatische milieucompartiment. Een methode is recent toegepast in een gezamenlijke proefmonitoring van het RIVM en RIZA voor het karteren van de potentiele toxiciteit van Nederlandse oppervlaktewateren als de Potentieel Aangetaste Fractie van soorten (PAFgemeten). Drie gedeeltelijk in Standard Operating Procedures vastgelegde procedures voor het verkrijgen van een 'waterconcentraat' van een oppervlaktewatermonster werden met elkaar vergeleken. Zij zijn alle gebaseerd op het toepassen van macro-reticulaire harsen van het type XAD bij het extraheren van organische micro-verontreinigingen uit water, maar verschillen in de wijze waarop de toxicanten naar de waterfase worden teruggebracht. De geschiktheid van de methoden werd geevalueerd door de chemische opbrengst van goed gedefinieerde testmengsels met elkaar te vergelijken. Bij twee methoden werd toenemend verlies van teststoffen vastgesteld in het (semi-)vluchtige gebied van 0,1 tot 100 Pa.m3/mol. Bij een nieuwe toepassing, gebaseerd op elutie met super-critical fluid extraction, kon de grens waarboven volledig verlies van (vluchtige) stoffen optrad verhoogd worden naar 2000 Pa.m3/mol.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Ugilec 141, PCB's en dioxinen in paling uit de Roer | RIVM

Naar aanleiding van vragen over het gezondheidsrisico bij sportvissers in het geval van consumptie van eigen gevangen paling uit de Roer werd in 1993 een onderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van PCB's, dioxinen en Ugilec 141 in deze paling. Gebruik makend van door het Laboratorium voor Organisch-analytische Chemie ontwikkelde analysemethoden voor Ugilec 141, planaire-, mono-ortho- en indicator PCB's en PCDD/F's, werd de voorbewerking voor de verschillende stofgroepen gecombineerd uitgevoerd. De verschillende komponentengroepen kwamen voor op niveaus varierend van pg/g vet tot ug/g vet. Planaire PCB's kwamen voor op niveau van 0.2-0.8 ng/g vet en PCDD/F's op een niveau van 0.1-12 pg/g vet. Mono-ortho PCB's, indicator PCB's en Ugilec 141 zijn aangetoond op een niveau van 0.1-1.2 ug/g vet. De som van de gehalten van de onderzochte componentengroepen, uitgedrukt in 2,3,7,8-TCDD equivalenten (TEQ), werd hoofdzakelijk bepaald door de bijdrage van de planaire PCB's en de som van de twee onderzochte mono-ortho PCB's, namelijk ruim 90%. Door het toekennen van een relatief hoge toxiciteitsequivalentiefactor van 0.1, in combinatie met hoge gehalte, leverde PCB 126 de grootste bijdrage aan de totale toxiciteit. Ugilec 141 en de PCDD/F's droegen elk aan het totaal gehalte uitgedrukt in TEQ voor ongeveer 4% bij. Voor de onderzochte stofgroepen geldt dat de gehalten in paling afkomstig uit de Roer een dalende trend te zien geven in de tijd. Tegelijkertijd kan worden vastgesteld dat de aangetoonde niveaus in paling afkomstig uit de Roer boven de niveaus liggen van die in overige Nederlandse oppervlaktewateren.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Naar een indicator voor functionele diversiteit van microbiele gemeenschappen | RIVM

De voorlopige resultaten zijn beschreven van de ontwikkeling van een indicator voor de functionele diversiteit van microbiele populaties met behulp van microtiterplaten van Biolog. Voor dit doel werden zowel aquatische als terrestrische milieu monsters getoetst. Het rapport beschrijft de experimentele procedure en de uitwerking van de meetgegevens. In het rapport worden twee biodiversiteitsindicatoren onderscheiden, berekend uit de log-logistische relatie tussen de gemeten activiteit en het aantal kolonie vormende eenheden (CFU). Een indicator is de helling in het buigpunt, de andere indicator is de logaritme van de CFU die nodig is om 50% van de maximale activiteit te bereiken. De functionaliteit van de indicatoren wordt bediscussieerd.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

De Ruimteclaims en ruimtelijke ontwikkelingen in de zoekgebieden voor de toekomstige nationale luchtvaartinfrastructuur (TNLI). Quick scan met Ruimtescanner | RIVM

De keuze van een vestigingsplaats voor een nieuwe nationale luchthaven vraagt om een analyse van de effecten van deze aanleg op het ruimtegebruik in de regio. Dit rapport beschrijft hoe het geografisch informatiesysteem De Ruimtescanner dit simuleert op basis van databestanden van het huidige gebruik en aannames over veranderingen van ruimteclaims en attractiviteit onder invloed van de luchthaven. De Ruimtescanner berekent de ruimte die toekomstige woon- en werkgebieden opeisen op basis van onder meer de schatting van de toename van het aantal (in)directe arbeidsplaatsen, de ruimte die deze arbeidsplaatsen vragen en beoordeling van de aantrekkelijkheid van de regio voor wonen en werken die onder andere door de geluidsbelasting verandert. Uitgaande van deze aannames simuleert Ruimtescanner het ruimtegebruik in de diverse regio's na aanleg van de luchthaven en -ter vergelijking- volgens het European Coordination scenario. Deze kaarten geven een eerste indruk van het effect van de aanleg en laten zien waar dit conflicteert met het huidige beleid en de criteria aangebracht door de begeleidingscommissie.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Calculation and Mapping of Critical Thresholds in Europe: Status Report 1997 | RIVM

Dit vierde rapport van het Coordination Center for Effects (CCE) beschrijft de mehtoden voor kritische grenswaarden en resultaten die worden ingezet voor het tweede NOx protocol onder de Convention on Long Range Transboundary Air Pollution van de VN-Economische Commissie voor Europa (UN/ECE-CLRTAP). Het CCE is een door de UN/ECE-CLRTAP gemandateerde organisatie die verantwoordelijk is voor de ontwikkeling van grenswaarden (critical thresholds) voor deposities en concentraties van luchtvervuilers, waarboven risico voor schade aan ecosystemen bestaat. Het rapport bevat resultaten van critical loads voor verzuring en vermesting benevens critical levels voor troposferisch ozone. Deze critical thresholds worden in het RAINS model gebruikt voor de doorrekening van effecten van emissiereducties van geoxideed en gereduceerd stikstof, van vluchtige organische stoffen en van zwaveldioxide. Het RAINS model in combinatie met critical thresholds worden momenteel ook gebruikt voor de ondersteuning van de verzurings en troposferisch-ozon strategie van de EU. Tenslotte bevat het rapport een 20 tal rapportages van wetenschappelijke instellingen in Europa, die deel uitmaken van het CCE netwerk.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Emissiereductiepercentages voor prioritaire stoffen: berekening van emissiereductiepercentages op grond van milieukwaliteitsdoelstellingen, voor doelgroepen, ten opzichte van de emissies in 1995 | RIVM

Door middel van modelberekeningen is aangegeven welke emissiereductiedoelstellingen voor een groot aantal prioritaire stoffen voor de compartimenten lucht, water en bodem nodig zijn om de gegeven milieukwaliteits-doelstellingen voor 2010 te bereiken. De berekeningen zijn uitgevoerd voor doelgroepen op basis van de emissies in 1995. Emissiereductiepercentages zijn vastgesteld op basis van een aantal rekenexercities waarin een kwantitatieve relatie wordt gelegd tussen milieukwaliteitsnormen en de bijbehorende emissiedoelen. Door emissiereducties te berekenen op basis van de best beschikbare lokale emissiegegevens uit de Emissieregistratie wordt tevens inzicht gegeven in het aantal bronnen waarvoor emissiereducties benodigd is, de geografische ligging daarvan en de reducties die op lokaal niveau nodig zijn om de gewenste lokale milieukwaliteit te bewerkstelligen. Er zijn 48 stof/compartiment combinaties doorgerekend, voor 20 daarvan wordt geen overschrijding van het Maximaal Toelaatbaar Risico nivo (MTR) of Grenswaarde berekend. Stoffen waarbij voor veel bronnen overschrijding van het MTR (of Grenswaarde) wordt berekend zijn benzeen, etheen, fluoride, Benzo(a)pyreen en pm10 (fijn stof) naar lucht en koper, zink en nikkel naar water. Koper, cadmium en zink belasting uit de landbouw kunnen op termijn tot overschrijding van milieukwaliteitsdoelen voor bodem of grondwater leiden. Voor het bereiken van de Streefwaarde (of Verwaarloosbaar Risico (VR)) zijn voor praktisch alle stof/compartiment combinaties die zijn doorgerekend aanzienlijke reducties nodig
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Oppervlaktewater als bron voor drinkwater: prognose van de gezondheidsrisico's | RIVM

Onderzoek is verricht naar de mogelijke toekomstige gezondheidsrisico's verbonden aan een toename in het gebruik van oppervlaktewater als bron voor drinkwater. Voor een aantal bestrijdingsmiddelen, zware metalen, micro-organismen en desinfectiebijproducten zijn de toekomstige gezondheidsrisico's bepaald met behulp van de ketenbenadering van emissie van deze stoffen en micro-organismen in het milieu tot en met de concentratie in drinkwater. Om inzicht te krijgen in het effect van de drinkwaterbereiding op de (toekomstige) drinkwaterkwaliteit zijn diverse zuiveringsmethoden doorgerekend. Geconcludeerd kan worden dat de kwaliteit van het oppervlaktewater met als functie drinkwater voor de beschouwde bestrijdingsmiddelen in zeer lichte mate zal verbeteren tot 2015, daarentegen zal er voor de zware metalen en micro-oganismen nauwelijks een verandering optreden tot 2020. Stoffen (bestrijdingsmiddelen en zware metalen) vormen nauwelijks een bedreiging voor de drinkwaterkwaliteit. Verwijdering van micro-organismen vereist een uitgebreide zuivering, waarbij een zuivering gebaseerd op bodempassage met gesloten terugwinning de meest gewenste methode is. Als alternatief kunnen technieken als membraanfiltratie en chemische desinfectie worden toegepast. De hoeveelheid gevormde desinfectiebijproducten overschrijdt in veel gevallen de desbetreffende risicogrenzen. Dit rapport geeft een momentopname van de kwaliteitsaspecten van een aantal zuiveringstypen volgens het 'worst-case' scenario. Het geeft aan welke factoren (stoffen/micro-organismen en zuiveringsstappen), gelet op de ontwikkeling van de ruwwaterkwaliteit, in de toekomst een rol zouden kunnen gaan spelen.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

A probabilistic approach for deriving acceptable human intake limits and human health risks from toxicological studies: general framework | RIVM

De standaardmethode voor het afleiden van een 'veilig' of acceptabel innameniveau zoals de ADI (acceptable daily intake), TDI (tolerable daily intake) of RfD (reference dose) houdt geen rekening met onzekerheden aanwezig in de schatting van het 'no-adverse-effect' niveau. Het gebruik van het product van onzekerheidsfactoren bij de afleiding van de ADI, leidt tot een opeenstapeling van 'worst-case' aannames. Dit laatste introduceert een conservatief element in de normstelling. Hoewel voor de preventieve risicoschatting (de normstelling) het conservatieve karakter geen probleem hoeft te vormen, staat het ontbreken van inzicht in de onzekerheden rond de gestelde norm een accurate risicoschatting in de weg. In dit rapport wordt een algemeen raamwerk besproken waarin alle onzekerheden zo goed mogelijk worden gekwantificeerd en vervolgens door een waarschijnlijkheidsbenadering (probabilistische benadering) worden gecombineerd. Dit resulteert in een onzekerheidsverdeling voor het 'no-adverse-effect' niveau in de gevoelige humane subpopulatie. Deze benadering kan worden gebruikt voor het afleiden van normen door bijvoorbeeld het eerste percentiel van de verdeling te definieren als een ADI. Bovendien kan hetzelfde probabilistische raamwerk gebruikt worden om een onzekerheidsverdeling af te leiden voor mogelijke gezondheidseffecten bij de mens voor een gegeven blootstellingsniveau.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Greenhouse gas emissions in the Netherlands 1990-1996: Updated methodology | RIVM

Met deze rapportage van Nederlandse broeikasgasemissies, gemaakt op basis van de IPCC richtlijnen, wordt voldaan aan de verplichtingen van het monitoring mechanisme van de Europese Unie inzake broeikasgasemissies en van het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties. Indien ozonlaagaantastende stoffen buiten beschouwing worden gelaten, nam de totale Nederlandse emissies van broeikasgassen met 7% toe tussen 1990 en 1996, voornamelijk doordat de emissie van kooldioxyde (CO2) toenam. In 1996 was de CO2 emissie 7,6% hoger dan in 1990. Ook de emissie van lachgas (N2O) nam toe tussen 1990 en 1996 (+9%) terwijl de uitstoot van methaan (CH4) in deze periode juist afnam (-13%). De CO2-equivalente emissies van de drie nieuwe broeikasgassen, HFK's, PFK's en SF6,, nam tussen 1990 en 1996 toe met 25% , vooral doordat de HFK-emissie met 47% steeg. In 1996 had kooldioxyde een aandeel van 75% in de Nederlandse broeikasgasemissies, methaan 11%, lachgas 9% en de drie nieuwe broeikasgassen samen 5%. Het rapport geeft een korte beschrijving van de toepassing van de IPCC richtlijnen in Nederland. Verschillen in nationale emissiegetallen tussen IPCC-sectoren en Nederlandse doelgroepen worden verklaard.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Resultaten Meetprogramma Kwaliteit Bovenste Grondwater Landbouwbedrijven in het zandgebied (MKBGL-zand) 1992 - 1995 | RIVM

Het rapport bevat de meetresultaten van het vierjarig meetprogramma gestart in 1992 met als doel de kwaliteit van het bovenste grondwater op landbouwbedrijven in het zandgebied in beeld te brengen. Aanvullend is een multiple- regressie uitgevoerd, waarbij gebruik gemaakt is van de gegevens uit het LEI-Bedrijven Informatienet. Dit om een relatie te vinden tussen bedrijfsvoering en grondwaterkwaliteit. Het programma is een samenwerkingsproject tussen het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Landbouweconomisch Instituut (LEI-DLO). De bovenste meter van het grondwater, voorkomend binnen 5 meter beneden maaiveld, is bemonsterd op 99 bedrijven en geanalyseerd op chloride, nitraat, ammonium , kalium, opgeloste organische stof en ortho- en totaal-fosfaat. De landbouwbedrijven - 80 veehouderijbedrijven en 19 akkerbouwbedrijven - zijn gelegen in de zandgebieden. De gemiddelde nutrientenbelasting van de bodem is gedurende de meetperiode niet gewijzigd. De grondwaterkwaliteit was als gevolg van de toegenomen neerslag in de periode 1992-1995 aan sterke wijzigingen onderhevig. De nitraat- en chlorideconcentratie halveerden, terwijl de fosfaatconcentratie verdubbelde. De kalium- en ammoniumconcentratie daalden slechts licht. De voor neerslageffecten gecorrigeerde gemiddelde nitraatconcentratie in het bovenste grondwatyer onder landbouwbedrijven in het zandgebied bedraagt 158 mg.l-1. Dit is meer dan driemaal zo hoog als de grenswaarde van 50 mg.l-1. Meer dan 95% van de bedrijven in het zandgebied heeft een bedrijfsgemiddelde (gecorrigeerde) nitraatconcentratie die hoger is dan de grenswaarde. Er is een relatie gevonden tussen de grondwaterkwaliteit op de veehouderijbedrijven (nitraat en kalium) en het nutrientenoverschot, het percentage van het areaal onder mais en de grondwatertrap. Voor akkerbouwbedrijven kon geen relatie worden afgeleid, omdat het aantal bedrijven te klein was.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Environmental risk assessment of the polycyclic musks AHTN and HHCB according to the EU-TGD | RIVM

Een risico-evaluatie werd uitgevoerd van de polycyclische musken AHTN en HHCB in het milieu volgens het 'EU Technical Guidance Document for Environmental Risk Assessment for New and Existing Substances'. AHTN en HHCB worden gebruikt in geurstoffen die toegepast worden in cosmetica en wasmiddelen. Het zijn stoffen met een hoog volume waarvoor in 1995 voor Europa hoeveelheden van 585 ton voor AHTN en 1482 ton voor HHCB zijn gerapporteerd. De informatie die in deze evaluatie is gebruikt, is afkomstig van studies die aangeleverd zijn door de geurstoffen industrie, in Nederland vertegenwoordigd door de Vereniging van Geur- en Smaakstoffenfabrikanten (NEA) en het Research Institute for Fragrance Materials (RIFM). Daarnaast is gebruik gemaakt van gegevens uit de openbare literatuur. Het risico is bepaald voor waterorganismen, sedimentorganismen, bodemorganismen en vis-etende en worm-etende predatoren. De 'Predicted Environmental Concentrations' (PEC voorspelde concentraties in het milieu) zijn berekend met het 'European Union System for the Evaluation of Substances' (EUSES). Omdat monitoringgegevens beschikbaar waren voor diverse milieucompartimenten, zijn de voorspelde concentraties vergeleken met de gemeten concentraties. Vervolgens is een van deze concentraties gekozen voor gebruik in de risicokarakterisering.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

AirPEx: Air Pollution Exposure Model | RIVM

Een belangrijk onderdeel in het beoordelen van de gezondheidsrisico's van luchtverontreiniging voor de bevolking is de analyse van de inhalatoire blootstelling. Onderzoek op het gebied van inhalatoire blootstelling richt zich op het contact tussen mens en luchtverontreiniging en de entree van luchtverontreinigende stoffen in de luchtwegen. De aanleiding van dit onderzoek is de behoefte aan realistische blootstellings- en dosismaten om de gezondheidseffecten van luchtverontreinigende stoffen te evalueren. Het AirPEx (Air Pollution Exposure) model is ontwikkeld om de tijd/ruimte dynamiek van inhalatoire blootstelling van mensen aan luchtverontreiniging vast te stellen. Het model, dat operationeel is onder Windows 3.1 is geschikt om diverse blootstellings- en dosismaten voor zowel individuen als populaties/subpopulaties te schatten. Dit rapport beschrijft de theoretische basis van het AirPEx model en bevat een gebruikershandleiding voor het computerprogramma. Verscheidene voorbeelden illustreren de mogelijkheden van het AirPEx model. Het AirPEx model zal gebruikt gaan worden op het RIVM als een gereedschap in de analyse van de actuele blootstelling van de Nederlandse bevolking aan luchtverontreiniging.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Fosfaatverzadigde gronden: een overzicht. Deel 1: Technische achtergronden bij de aanpak van de fosfaatverzadigde gronden | RIVM

De technische achtergronden voor beleidskeuzen bij de aanpak van de fosfaatverzadigde gronden in Nederland hebben betrekking op de volgende vragen: (1) Voor welk gebied moet een wettelijke regeling van kracht worden? (2) Welke methode voor identificatie dient gebruikt te worden? (3) Welke kritische waarde (criterium) moet gebruikt worden bij het aanwijzen van gronden? (4) Welke verliesnorm moet gaan gelden voor de aangewezen gronden? Bij de beantwoording van deze vragen werd een aantal alternatieven gegeven, elk met hun voor- en nadelen. De beantwoording geschiedt vanuit het perspectief van een landelijke regeling. De beschreven opties en alternatieven kunnen ook gebruikt worden bij de gebiedsgerichte benadering, namelijk bij de selectie van gebieden en gronden binnen de relevante gebieden. Tenslotte worden enkele aanbevelingen voor onderzoek gedaan zoals de effecten op middellange en lange termijn voor de landbouw en het milieu bij de aanpak van de fosfaatverzadigde gronden. Op de korte termijn kan in ieder geval de vanuit de plantaardige productie gezien onnodig hoge fosfaattoestand van de landbouwgronden worden teruggebracht.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Analyse van tijdbestedingspatronen van de Nederlandse bevolking ten behoeve van een uniforme geluidsdosismaat | RIVM

Een tijdbestedingsanalyse werd uitgevoerd van slaapgedrag, ontspanning, en verblijf in en om het huis van de Nederlandse bevolking om de ontwikkeling van een stelsel van geluidsdosismaten te ondersteunen uit te voeren door de Gezondheidsraad. De basisgegevens voor de activiteitenanalyses zijn ontleend aan een in 1994 onder toezicht van het RIVM uitgevoerd tijdbestedingsonderzoek. De gegevens die verkregen zijn in het tijdbestedingsonderzoek omvatten 24 uurs activiteitenpatronen (resolutie van een kwartier) van 4769 personen, alsmede een groot aantal persoonlijke kenmerken. De analyses richten zich zowel op het populatiegemiddelde als op de verschillen tussen subgroepen in het totale activiteitenpatronenbestand. Op basis van de analyses kan geconcludeerd worden dat de Nederlanders de meeste tijd binnen doorbrengen (79-87%), ontspanning vooral thuis in de avonduren plaatsvindt en dat men gemiddeld 8 uur slaapt van 23:00 tot 7:00 uur. Vooral in het slaappatroon zitten nogal wat verschillen tussen de leeftijdscategorien. Kinderen gaan aanzienlijk vroeger naar bed dan volwassenen, maar staan wel op dezelfde tijd op, hetgeen resulteert in een langere slaapperiode.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Optimalisatie van het Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit | RIVM

Het Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit (LMG) is ingericht rond 1985. Bij de inrichting is afgesproken dat na ca. 10 jaar een optimalisatie van het meetnet zou plaatsvinden. Dit rapport beschrijft de optimalisatieprocedure en de resultaten ervan. Op basis van diverse workshops en de RIVM-strategie is de doelstelling van de optimalisatie gedefinieerd als: Het halveren van de kosten en de benodigde capaciteit voor het LMG ten opzichte van 1996, waarbij een stabiel meetnet in stand wordt gehouden, met een maximaal behoud van (beleidsrelevante) informatieverstrekking. Het nieuwe LMG-bemonsteringsschema, dat voldoet aan deze doelstelling en een aantal randvoorwaarden, ziet er als volgt uit: de ondiepe filters in de zandgebieden worden 1 maal per jaar bemonsterd; de ondiepe filters in de overige gebieden eens per 2 jaar; alle diepe filters 1 maal per 4 jaar; ondiepe filters die tot nu toe alle jaren een chlorideconcentratie groter dan 1000 g/m3 te zien geven worden 1 maal per 4 jaar bemonsterd, ongeacht het bodemtype; de categorie oeverinfiltratie, enkele putten in havenslib en enkele andere lokaal beinvloede putten komen te vervallen. Op deze wijze wordt het jaarlijks aantal te bemonsteren filters teruggebracht van ca. 756 tot ca. 350.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Uncertainty analysis of EUSES: Improving risk management through probabilistic risk assessment | RIVM

In de risicobeoordeling van nieuwe en bestaande stoffen wordt voor het karakteriseren van risico gebruik gemaakt van een deterministisch quotient van de blootstellingsconcentratie, of de dosis, en een geen-effect niveau. Een gevoel van onzekerheid wordt aangepakt door het introduceren van worst-case aannames in de methodologie. Deze procedure leidt tot een beoordeling met een onbekende graad van conservatisme en het is daarom aan te bevelen om onzekerheden op een kwantitatieve manier te behandelen. Dit rapport is een discussiedocument dat de voordelen en mogelijkheden van een probabilistisch risicokader beschrijft. Verschillende opties voor probabilistische risicobeoordelingen worden geillustreerd met voorbeeldberekeningen.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit; Resultaten 1994 | RIVM

Het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB) heeft als primaire doelstelling de trendmatige veranderingen na te gaan in de kwaliteit van de bodem ten gevolge van diffuse belasting van de bodem. Het object van onderzoek is de toplaag van de bodem (0-10 cm); daarnaast wordt ook een diepere bodemlaag en het bovenste grondwater onderzocht. Het LMB wordt in samenwerking met LEI-DLO en AB-DLO uitgevoerd. Jaarlijks worden een 2-tal combinaties van bodemgebruik en grondsoort bemonsterd, bestaande uit ca. 20 locaties per combinatie. In 1993 is gestart met de bemonstering van landbouwgrond op zandgrond. Voor het bodemgebruik landbouw is het bedrijf de schaal van de locatie. De categorieen die in 1994 zijn onderzocht, zijn melkveehouderijbedrijven met een groot aandeel intensieve veehouderij op zandgrond en bos op zandgrond. Naast algemene kwaliteitsparameters zijn parameters onderzocht die gerelateerd zijn aan de milieuthema's vermesting en verspreiding. Vermestingsparameters zijn fosfaat (bodem en grondwater) , nitraat, kalium en ammonium (grondwater). Voor verspreiding zijn zware metalen onderzocht (bodem en grondwater). Voorts zijn bodemgehalten aan PAK en een aantal organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB) bepaald.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

The application of the GWP concept in climate policy | RIVM

Global Warming Potentials (GWP's) zijn dimensieloze getallen waarmee de relatieve bijdrage van emissies van lang-levende broeikasgassen aan de versterking van het broeikaseffect kan worden beoordeeld. Zowel de wetenschappelijke aspecten van het Global Warming Potential concept (GWP) als het gebruik van dit concept in klimaatbeleid worden geanalyseerd en becommentarieerd. Dit concept kan worden gebruikt door beleidsmakers om de effectiviteit van klimaatbeleid te beoordelen en als een hulpmiddel om verschillende beleidsopties te evalueren. Er wordt gesteld dat verschillende factoren die de GWP van een gas beinvloeden: verschillen in berekeningsmethoden, onzekerheden in spectrale gegevens, de keuze van een specifieke tijdshorizon en een range van GWP-waarden die bepaald wordt door de gebruikte emissiescenarios, de ontwikkeling van klimaatbeleid niet hoeven te verhinderen vanwege de overheersende bijdrage van CO2 aan de versterking van het broeikaseffect. Resultaten van berekeningen voor een aantal scenarios laten zien dat de relatieve bijdrage van CO2 aan de versterking van het broeikaseffect (die nu meer dan 60% is) voor die scenario's gedurende de volgende eeuw op zijn minst op dat niveau blijft maar in de meeste gevallen stijgt. Dit vergemakkelijkt het besluitvormingsproces in klimaatbeleid door prioriteit te geven aan CO2 als belangrijkste broeikasgas.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Onderzoek aan drainwater in de kleigebieden van Nederland; Deel II: Interpretatie van de gegevens | RIVM

Dit onderzoek in de periode 1992-1995 omvatte een twee- of meermalige bemonstering van water uit drains en sloten van circa 30 boerderijen verspreid over de zeekleigebieden van Nederland. De samenstelling van het drainwater is gebruikt voor een beschrijving van de effecten van het weer (neerslag min verdamping) en de verdeling van de verblijftijden van het water in de bodem. De uitspoeling van nitraat door drains onder bouwland is bij benadering een lineaire functie van de stikstof-belasting aan maaiveld, waarbij de aard van de bodem (zand, zavel, klei) en de grondwater-stand (Gt) bepalende factoren zijn. De uitspoeling bij diepe grondwaterstanden is 10 tot 25% van de belasting, nadat rekening is gehouden met een reductie als gevolg van de oxidatie van sulfiden en/of het voorkomen van kwel. De uitspoeling is voor grasland kleiner dan voor bouwland. Bij grasland (en de teelt van graszaad) is de uitspoeling van nitraat bij benadering een lineaire functie van de belasting, na aftrek van opname door het gewas, bodemtype en Gt. Uit het onderzoek van het drainwater in de kleigebieden blijkt dat de uitspoeling van fosfaat relatief constante concentraties aan ortho- en totaal-fosfaat oplevert, die verschillen voor bouwland (0.10 mg.l-1 als ortho-P), voor recent grasland (0.20 mg.l-1 als ortho-P) en voor oud permanent grasland (0.40 mg.l-1 als ortho-P).
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Handleiding CAR Parking | RIVM

Dit rapport is de gebruikershandleiding bij het programma CAR Parking. CAR Parking is ontwikkeld om de luchtkwaliteit in de directe omgeving van parkeervoorzieningen te beoordelen en te toetsen aan de norm voor benzeen. Het model berekent de emissie van benzeen door auto's in de parkeergarage en de bijdrage aan de benzeenconcentratie in de omgeving van de parkeergarage. Door de gebruiker in te voeren gegevens betreffen verkeerskenmerken (zoals aantal bezoekende auto's per dag, gemiddelde rijsnelheid, parkeerduur), gebouwkenmerken (zoals afmetingen van gevels, aantal parkeerlagen, afstand tussen parkeerlagen), ventilatie-kenmerken (zoals open deel van gevels, capaciteit eventuele mechanische ventilatie) en omgevingskenmerken (aanwezigheid andere gebouwen). Per gevel worden de bijdragen aan de benzeenconcentratie berekend op door de gebruiker gekozen afstanden. CAR Parking is een Window applicatie. Bij deze handleiding horen 2 diskettes met installatie software.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Developments in infants exposure to dioxins, furans and PCBs and potential health consequences in the Netherlands | RIVM

De tijdtrends (m.b.v. PBPK modellering) en geassocieerde gezondheidseffecten, van pre- en postnatale blootstelling van zuigelingen aan dioxinen, furanen en PCBs werden ge-evalueerd. Op basis van de PBPK modellering wordt in 1998 een daling van ca. 20% in de dioxine gehalten in moedermelk verwacht, ten opzichte van 1993. In de evaluatie van de epidemiologische onderzoeken worden een aantal kritische kant-tekeningen geplaatst bij de blootstellingskarakterisering en de data-analyse van de studies. Door het ontbreken van duidelijke blootstellings-respons relaties kan geen kwantitatieve schatting van het gezondheidsrisico voor zuigelingen worden uitgevoerd. Gepoolde en/of her-analyse van de bestaande data zouden meer inzicht kunnen geven in de inconsistenties in de tot nu toe gerapporteerde data.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Infectious gastroenteritis - opportunities for dose response modeling | RIVM

Pathogene micro-organismen die het menselijk lichaam binnendringen via voeding of door het drinken van besmet water, krijgen te maken met een door de gastheer opgeworpen systeem van barrieres. Teneinde delen van het spijsverteringskanaal te bereiken die geschikt zijn voor groei en hechting, moet elk van de tussenliggende barrieres overwonnen worden. De gangbare visie op infectie gaat ervan uit dat minstens een van de ingeslikte pathogenen moet overleven om te kunnen koloniseren. Dit is de basis voor dosis-responsmodellen zoals toegepast bij de microbiologische risico-analyse. Afweermechanismen tegen infectie en invasie door micro-organismen kunnen immunologisch zijn of non-immunologisch. In dit rapport wordt de geldigheid van het Beta-Poissonmodel voor meer dan een barriere gedemonstreerd en wordt enige aandacht besteed aan het 'single-hit' principe. Ook besproken wordt een benadering in de afleiding van het Beta-Poissonmodel, en aangetoond wordt dat deze benadering voor bepaalde parameterwaarden resultaten oplevert die verschillen van de exacte formule. Tenslotte worden enkele aanzetten gedaan tot modellen, waarbij extra informatie over infectie en ziekte kan worden gebruikt.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Is sperm quality actually declining? A literature survey | RIVM

De kwaliteit van menselijk zaad is recent ter discussie gekomen naar aanleiding van publicaties die wezen op een teruggang in sperma-aantallen in de tijd. In 1992 verscheen een meta-analyse van epidemiologische studies, waarin Carlsen en collega's een 50% reductie in sperma-aantallen over de laatste 50 jaar beschreven. Deze studie resulteerde in uitgebreide berichtgeving in de media. De gesuggereerde reductie werd in de wetenschappelijk literatuur sterk bekritiseerd, bovendien vertoonden andere studies op dit gebied tegenstrijdige resultaten. Dit onderzoek werd uitgevoerd om de waarschijnlijkheid van een reductie in spermakwaliteit vast te stellen, door een kritische analyse van de studie door Carlsen en andere studies op dit gebied. De opzet en uitvoering van elk van de studies werd geevalueerd met het oog op bronnen van bias en confounders, methoden van sperma-analyse en statistiek, teneinde de validiteit van de resultaten te beoordelen. De kwalitatieve analyses van zowel de meta-analyse van Carlsen als de primaire epidemiologische studies gaven aan dat de onderbouwing van de conclusie dat de kwaliteit en/of kwantiteit van het menselijk sperma de laatste decennia is afgenomen niet overtuigend is.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

CONSEXPO 2: Consumer Exposure and Uptake Models | RIVM

Het programma en de achtergronden in het rapport zijn bedoeld voor de blootstellingsschatting van chemische stoffen in consumentenproducten. Consumentenproducten omvatten een grote diversiteit aan producten, daaronder vallen ook detergenten en pesticiden. Al deze producten bevatten mogelijkerwijs gevaarlijke stoffen, zowel actieve ingredienten als verontreinigingen. Een blootstellingsschatting omvat meer dan het meten van productconcentraties. Stoffen komen in de lucht of in het water en producten worden mogelijk verdund. Ook de duur van contact en de verblijftijd in huis bepalen de blootstelling. Het onderliggende rapport bevat een modelmatige benadering, gebaseerd op contact-, blootstellings- en opnamemodellen. Voor elke blootstellingsroute zijn mathematische modellen aanwezig. Een algemeen raamwerk verbindt de modellen zoals ze door een gebruiker geselecteerd zijn. In het programma kunnen ook stochastische parameters gegeven worden die verdelingen van blootstelling en opname opleveren, hieruit kan een willekeurig percentiel opgevraagd worden. Het programma is verbonden met een database, waarin voorgedefinieerde blootstellings- en opnamescenarios komen te staan.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Maximum Permissible Concentrations and Negligible Concentrations for pesticides | RIVM

In het rapport worden Maximaal Toelaatbare Risiconiveaus (MTR's) en Verwaarloosbare Risiconiveaus (VR's) voor een aantal pesticiden afgeleid, die door het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu gebruikt kunnen worden voor het vaststellen van milieukwaliteitsdoelstellingen. Voor een aantal van de in het rapport opgenomen pesticiden zijn al eerder MTR's en VR's voorgesteld ten behoeve van de MILBOWA-notitie. Dit betreft de bestrijdingsmiddelen atrazine, azinfos-methyl, diazinon, malathion, parathion-ethyl en TBTO. Voor deze pesticiden geldt dat de voorstellen gedaan in het bijgevoegde rapport gebruikt kunnen worden om de bestaande milieukwaliteitsdoelstellingen te herzien. MTR's en VR's zijn eerst voor de afzonderlijke milieucompartimenten afgeleid op basis van ecotoxicologische gegevens door toepassing van extrapolatiemethoden. Vervolgens zijn deze MTR's en VR's voor de verschillende compartimenten water, sediment en bodem geharmoniseerd met behulp van de zogenaamde evenwichtspartitiemethode. Voor sedimentorganismen zijn geen geschikte gegevens beschikbaar, zodat alle MTR's en VR's voor sediment afgeleid zijn met de evenwichtspartitiemethode uit de MTR's en VR's voor water, gebruikmakend van partitiecoefficienten tussen water en sediment. MTR's afgeleid met de evenwichtspartitiemethode worden als minder betrouwbaar beschouwd dan MTR's afgeleid op een directe manier op basis van ecotoxicologische gegevens voor het betreffende compartiment. Ook voor het compartiment bodem ontbreken veelal gegevens. Zo zijn voor 31 bestrijdingsmiddelen geen ecotoxicologische data voor bodemorganismen beschikbaar. Voor waterorganismen is de situatie beter, al zijn chronische gegevens schaars. Geconcludeerd kan worden dat het gebrek aan ecotoxicologische gegevens een groot knelpunt vormt bij het afleiden van MTR's en VR's voor pesticiden. Voor wat de betrouwbaarheid van het MTR betreft kan de volgende algemene lijn worden aangehouden: MTR gebaseerd op statistische extrapolatie en experimentele gegevens > MTR gebaseerd op de gemodificeerde EPA-methode. Hierbij moet worden opgemerkt dat per stof en per compartiment ook rekening moet worden gehouden met de betrouwbaarheid van de onderliggende gegevens. Uit een vergelijking van de MTR's en VR's met metingen van bestrijdingsmiddelen in het milieu blijkt dat deze concentraties van bestrijdingsmiddelen frequent en op vele plaatsen deze risiconiveaus overschrijden.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Luchtvaart en milieu: indicatieve effecten van heffingen en substitutie naar rail | RIVM

Op verzoek van de Commissie vergroening belastingen zijn de gevolgen doorgerekend van enkele heffingen, gericht op de luchtvaart en de substitutie van luchtvaartpassagiers naar rail. Bij de heffingen gaat het om kerosineheffingen en heffingen op tickets. Uit de berekeningen blijkt, dat dergelijke heffingen forse effecten kunnen hebben op het aantal Schipholpassagiers en de CO2-emissie door de luchtvaart, vooral, wanneer ze mondiaal worden ingevoerd. Heffingen op brandstof hebben een relatief groter effect op de CO2-emissie dan heffingen op tickets, aangezien ze tot (extra) efficiencymaatregelen leiden. Substitutie van luchtvaart naar rail (HSL) leidt tot een lagere CO2- en NOx-emissie, aangezien per reizigerskilometer de HSL een veel lagere CO2-emissie (82%) en NOx-emissie (96% lager) heeft dan een luchtvaartpassagier.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

CO2-emissiereductie door wegverkeer; verkenning van vergaande maatregelen | RIVM

De werkgroep 'broeikasgasemissies wegverkeer' (bestaande uit beleidsmedewerkers van de ministeries Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Economische Zaken en Verkeer en Waterstaat) heeft voorstellen voor vergaande maatregelen en maatregelpakketten geformuleerd ter reductie van de CO2-emissie van het wegverkeer. De voorstellen zijn door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu en de Adviesdienst Verkeer en Vervoer doorgerekend op hun effect. Dit document bevat een verantwoording van deze berekeningen en geeft de resultaten. De hoofdconclusies zijn: 1) Wanneer wordt uitgegaan van de 2010-emissiedoelstelling (10% reductie ten opzichte van niveau 1986) laat de verkenning zien dat alleen met de zwaarste varianten van de extra conventionele maatregelen (verhoging brandstofprijzen, CO2-normering, verlaging snelheden) de doelstelling van CO2-emissie voor wegverkeer in zicht komt. 'Extra' betekent extra ten opzichte van het huidige beleid. 2) De verkenning laat zien dat met een vergaand maatregelenpakket in eerste instantie gericht op de stedelijke milieuproblematiek (ruimtelijke ordening, volumebeperking en stimulering elektrische voertuigen e.d.) de doelstelling voor 2010 (19,5 Mton) (nagenoeg) haalbaar lijkt, maar wel op langere termijn (in circa 2020).
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Bijdragen aan Colloquium 'Verkeer, Milieu en Techniek'. RIVM, Bilthoven, 24 september 1997 | RIVM

Op dit colloquium zijn 34 papers gepresenteerd door een breed scala aan onderzoekers van binnen en buiten het RIVM. Het onderwerp betreft de relatie tussen verkeer, milieu en techniek. Deze relatie is op verschillende wijzen uitgewerkt: ingegaan werd onder andere op de toekomst van de vrachtwagenmotor, brandstoffen voor het wegverkeer, dynamische levenscyclusanalyse van personenauto's, emissie- en brandstofgebruikmodellen, geluid en nieuwe voertuig- en vervoerstechnologieen.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Woningbouw, milieu-effecten van technische voorzieningen uit het plan van aanpak Duurzaam Bouwen | RIVM

In deze model studie worden de milieu-effecten van een aantal technische maatregelen uit het plan van aanpak Duurzaam Bouwen beschouwd, over de periode 1995-2020. Het betreffen maatregelen voor de reductie van energie-, water- en materiaalverbruik in de woningbouw. Het model berekent de milieu-effecten uit een fysisch-causale beschrijving van woningen. De maatregelen worden geinstrumenteerd door regelgeving (op het vlak van de energieprestatie van nieuwbouwwoningen), convenanten en voorlichting, naast de instrumenten die vanuit het beleid worden ingezet waarmee Duurzaam Bouwen een raakvlak heeft. Voor elk van de maatregelen is een scenario opgesteld dat zowel de autonome ontwikkelingen weergeeft als de impuls die daaraan door Duurzaam Bouwen wordt gegeven. Het instrumentarium zal waarschijnlijk tot het jaar 2005 in gebruik zijn. Aangenomen is dat na dit jaar het instrumentarium zal blijven voortbestaan, zodat er sprake is van een voortdurende penetratie van de betrokken maatregelen.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Maximum Permissible Concentrations and Negligible Concentrations for metals, taking background concentrations into account | RIVM

Maximaal Toelaatbare Risiconiveaus (MTR's) en Verwaarloosbare Risiconiveaus (VR's) voor een aantal zware metalen werden vastgesteld. Een aantal van deze waarden, die eerder door het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu zijn gebruikt voor het vaststellen van milieukwaliteitsdoelstellingen (MILBOWA-notitie), zijn herzien, voor de overige metalen zijn nieuwe waarden vastgesteld. In de MILBOWA-notitie is aangegeven dat milieukwaliteitsdoelstellingen na verloop van tijd op basis van nieuwe wetenschappelijke informatie opnieuw geevalueerd dienen te worden. Het huidige rapport bevat de resultaten van deze evaluatie. Tijdens het vaststellen van milieukwaliteitsdoelstellingen in MILBOWA voor metalen kwam naar voren dat in sommige gevallen het MTR en/of VR lager was dan de achtergrondconcentratie. In deze gevallen is de milieukwaliteitsdoelstelling gelijk gesteld aan de achtergrondconcentratie. Er werd geconcludeerd dat de voorgestelde methodologie niet gebruikt kan worden voor het afleiden van MTR's en VR's voor metalen en andere van nature voorkomende stoffen. De in dit rapport voorgestelde MTR's en VR's zijn gebaseerd op het toegevoegd risico concept. Daarnaast zijn de (ecotoxicologische) data die gebruikt zijn voor het afleiden van de MTR's en VR's aangevuld en is er rekening gehouden met het TCB-advies over het toegevoegd risicoconcept. De voorgestelde MTR's en VR's kunnen door het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu worden gebruikt voor het vaststellen van milieukwaliteitsdoelstellingen. Er wordt gesproken over een Maximaal Toelaatbare Toevoeging (MTT) en Verwaarloosbare Toevoeging (VT) conform het beleid inzake straling. Voor van nature voorkomende stoffen is het MTR/VR samengesteld uit de achtergrondconcentratie (AC) en de MTT/VT. In formulevorm: MTR=AC+MTT en VR=AC+(MTT/100). De termen MTT en VT zijn door het RIVM geintroduceerd om aan te duiden wat de concentratie is die door antropogene activiteiten bovenop het achtergrondniveau toelaatbaar geacht wordt. De achtergrondconcentratie wordt als een gegeven beschouwd en de MTT is gelijk aan de antropogene toevoeging. Op de MTT kan indien noodzakelijk en gewenst, beleidsmatig een risicoreductiebeleid gebaseerd worden. De MTR's en VR's voor metalen zijn gebaseerd op de Toegevoegd Risico methode. Beleidsmatig wordt hierbij de achtergrondconcentratie als een gegeven beschouwd en kunnen de effecten veroorzaakt door (het beschikbare deel van) de achtergrondconcentratie genegeerd worden. Desondanks kan de toegevoegd risico methode worden toegepast om de mogelijke effecten van de beschikbare fractie van de achtergrondconcentratie voor metalen op het MTR te onderzoeken. In dit rapport is zulk een evaluatie uitgevoerd, waarbij verschillende niveaus van beschikbaarheid zijn aangenomen.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Schematisatie van bodembedekking en kwel in Nederland voor SMART/MOVE | RIVM

De basiskaarten van SMART/MOVE werden verbeterd, waarin een bodemfysische en chemische schematisatie is gecombineerd met ruimtelijke informatie over de verspreiding van vegetatie-eenheden. Het gaat hierbij om kaarten die (natuurlijke) landbedekking, bodemtype, grondwatertrap en kwel weergeven. Voor het schematiseren van de bodembedekking waren diverse nieuwe bestanden beschikbaar gekomen. Een nieuwe schematisatie is samengesteld uit de meest relevante bestanden. De vijf onderscheiden klassen zijn loofbos, dennenbos, sparrenbos, hoogveen en heide, en onbemeste graslanden. Een nader onderscheid binnen de onbemeste graslanden is gemaakt, maar dit wordt door SMART/MOVE nog niet gebruikt. De resolutie van het bestand is in principe 25 meter, maar voor concrete toepassingen wordt een resolutie van 250 meter aanbevolen. Voor het maken van de kwelfluxkaart zijn twee nieuwe kwelkaarten van RIVM/Landelijk Grondwatermodel (LGM), zuid-, centraal- en oost-Nederland) en RIZA (MOZART/NAGROM, west-Nederland) gecombineerd.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Modeling of Ah-receptor dependent P450 induction I. Cellular model definition and its incorporation in a PBPK model of 2,3,7,8-TCDD | RIVM

De extrapolatie van de toxiciteit van chemische stoffen van proefdieren naar de mens vindt traditioneel plaats op basis van de dagelijks toegediende hoeveelheid van een stof. Echter, voor stoffen met sterk accumulerende eigenschappen zoals 2,3,7,8-TetraChloroDibenzo-p-Dioxine (TCDD) ligt een extrapolatie op basis van de hoeveelheid van de stof die zich in het lichaam opgehoopt heeft meer voor de hand. Het uitvoeren van een dergelijke extrapolatie vereist het kwantificeren van de ophoping van TCDD in het lichaam. Om het accumulatiemechanisme in de risicoschatting van TCDD op te nemen is een algemeen geldend model voor de interacties van liganden (dioxinen, maar ook polycyclische aromatische koolwaterstoffen) met de Ah-receptor in de cel ontwikkeld. Het model bevat de binding van de ligand aan de Ah-receptor, de binding van het ligand-Ah-receptor complex aan specifieke DNA bindingssequenties ('Xenobiotic Responsive Elements'), Ah-receptor afhankelijke de novo P450 synthese en de binding van de ligand aan de geinduceerde P450 eiwitten, inclusief het metabolisme van de ligand. Dit Ah-receptor P450 inductiemodel werd opgenomen in een fysiologisch georienteerd farmacokinetisch model ('PBPK model') voor de rat. Dit ratten-PBPK-model is voor TCDD gekalibreerd en gevalideerd en zal naar de mens geschaald worden. Vervolgens zal het humane PBPK model gebruikt worden om het voor de mens veilig geachte blootstellingsniveau van TCDD te berekenen. Dit blootstellingsniveau zal vergeleken worden met de, middels vergelijkbare methoden, door de WHO en, meer recent, de Gezondheidsraad berekende 'Tolerable Daily Intake' voor TCDD.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Schatting van de totale stralingsbelasting van het Energie-onderzoek Centrum Nederland, Mallinckrodt Medical B.V. en het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek van de Europese Unie | RIVM

Het Energie-onderzoek Centrum Nederland (ECN), Mallinckrodt Medical B.V. en het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek van de Europese Unie, die op hetzelfde bedrijventerrein in Petten zijn gevestigd, beschikken over diverse vergunningen in het kader van de Kernenergiewet. Teneinde een beter inzicht te verkrijgen in de mogelijke cumulatie van stralingsrisico's voor de nabije omgeving, is een berekening gemaakt van de dosis die een omwonende kan oplopen ten gevolge van alle vergunde activiteiten. Bij lozen van de maximaal vergunde hoeveelheden is de dosis ten hoogste 10 microSv/a in een duingebied direct grenzend aan het ECN-terrein. De belangrijkste nucliden zijn Ar-41, Kr-85 en Xe-133 voor wat betreft de externe bestraling door radioactiviteit in de lucht, Co-60 voor externe bestraling van op de grond gedeponeerde activiteit en H-3 en I-131 door (potentiele) consumptie van melk uit hetzelfde gebied afkomstig. De dosis door de maximaal vergunde lozingen in zee bedraagt circa 0,1 microSv/a. De externe bestraling direct vanaf het terrein is afkomstig van besmette materialen die op het terrein zijn opgeslagen, en van de reactoren, versnellers en andere apparatuur aanwezig in verschillende gebouwen. Ze varieert sterk in de tijd en bedraagt bij benadering 20 microSv/a bij een verblijfsduur van 300 u/a op de locatie waar de hoogste waarde is gemeten. De totale maximale dosis voor multifunctioneel gebruik van de omgeving bedraagt dus circa 30 microSv/a. De dosis ten gevolge van de hoogste reele lucht- en waterlozingen is meer dan een factor tien lager dan dit berekende maximum.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Bacteriological detection of Salmonella in the presence of competitive micro-organisms (A collaborative study amongst the National Reference Laboratories for Salmonella) | RIVM

Het Communautair Referentie Laboratorium voor Salmonella heeft een tweede bacteriologisch ringonderzoek georganiseerd met deelname van de Nationale Referentie Laboratoria voor Salmonella. Het belangrijkste doel van dit onderzoek was verschillen tussen de NRLs in de resultaten van Salmonella detectie in aanwezigheid van storingsflora te evalueren. Hiervoor werden de ISO 6579 methode (voorgestelde referentiemethode) en, facultatief, de eigen methode van een laboratorium voor de Salmonella detectie in kippenfaeces gebruikt. Acht van de zeventien laboratoria isoleerden Salmonella uit alle 30 positieve capsules met het gebruik van de volledige ISO 6579 methode. Het aantal positieve isolaties met het gebruik van seleniet/cystine als selectief ophopingsmedium was gemiddeld significant lager vergeleken met het gebruik van Rappaport-Vassiliadis. Vanwege het aantal positieve isolaties dat gevonden werd met het gebruik van een aantal alternatieve media lijkt het zinvol in een volgend ringonderzoek andere selectieve media te testen.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Concentraties van totaal en zeswaardig chroom, arseen en koper in de lucht bij houtverduurzamingsbedrijven in Nederland. Evaluatie van de risico's voor omwonenden | RIVM

Het doel van dit onderzoek was om een zo breed mogelijk beeld te krijgen van: de luchtemissies en -concentraties van koper, arseen en totaal en zeswaardig chroom bij houtverduurzamingsbedrijven; de mogelijke gezondheidsrisico's voor omwonenden; de milieubelasting van bodem en oppervlaktewater in de omgeving van de bedrijven. De concentraties totaal chroom, koper en arseen bij de autoclaven, de fixeerinstallaties en op de terreingrens, benedenwinds van de houtopslag en de referentielocaties bleken beneden de detectielimiet. Bij twee opeenvolgende metingen vlakbij een partij vers behandeld, nog nadampend hout werd gemiddeld 21, 7, 108 en 83 ng m-3 voor resp. arseen, zeswaardig chroom, totaal chroom en koper gevonden. Het uit de autoclaven geemitteerde chroom was grotendeels zeswaardig. Bij de fixeerinstallaties was ongeveer 10% van het geemitteerde chroom zeswaardig, bij de terreingrens en benedenwinds van de houtopslag was dit minder dan 5%. Het koper, chroom en arseen bevonden zich vooral in inadembare aerosoldeeltjes (de zgn. PM10 fractie). Deze concentraties lagen gemiddeld beneden de adviesgrenswaarden en Maximaal Toegestane Risico concentraties van de onderzochte componenten voor langjarige blootstelling. De orale en dermale blootstelling zijn gering. Met behulp van een atmosferisch transportmodel zijn de concentraties berekend van koper, chroom (totaal) en arseen in de bodem en het oppervlaktewater in de omgeving van de bedrijven. Ook deze concentraties liggen beneden de streef-, interventie- en achtergrondwaarden voor bodem en de grens- en achtergrondwaarden voor oppervlaktewater in Nederland.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Literatuuronderzoek plutoniumanalyses | RIVM

Dit rapport beschrijft de laatste ontwikkelingen in de radiochemische bepaling van plutonium in monstermatrices zoals luchtstoffilters, regenwater, gras en bodem. De radiochemische scheiding van plutonium van storende alfastralers, zoals americium en curium, is door de recente ontwikkeling van specifieke kolommaterialen sterk vereenvoudigd. Speciale aandacht wordt besteed aan de mate van arbeidsintensiviteit van de diverse methodes, aan de preparaatbereiding en aan de meest optimale detectie.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

De natuurplanner; Decision Support Systeem natuur en milieu. Versie 1.1 | RIVM

De Natuurplanner is een Decision Support Systeem voor de ondersteuning van het natuur- en milieubeleid van rijk en provincie, bedoeld voor: normstelling, voorspelling, dominante stress analyse, afweging tussen gebiedsgerichte, effectgerichte en generieke maatregelen, en bepaling van kosten. Het heeft een resolutie met grids van 250 bij 250 meter als kleinste eenheden. De kern bestaat nu uit een multistress model (SMART/MOVE) voor verzuring, vermesting en verdroging van natuurlijke vegetaties. Daarnaast zijn er reeds functies voor het tonen van diverse bestanden zoals: bodemkaart, vegetatiekaart, grondwatertrappenkaart, kaarten van alle natuurdoeltypen afgeleid uit het bestand FLORBASE, en scenario's voor verzuring, vermesting en verdroging uit de Milieuverkenningen. Uitbreiding voor zout, beheer/successie, versnippering, fauna, aquatische ecosystemen, ecotoxicologische aspecten en klimaat zijn in voorbereiding.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Test results of serotyping Salmonella strains in the Member States of the European Union (A collaborative study amongst the National Reference Laboratories for Salmonella) | RIVM

Het Communautair Referentie Laboratorium (CRL) voor Salmonella heeft een ringonderzoek voor de serotypering van Salmonella georganiseerd. De Nationale Referentie Laboratoria (NRLs) voor Salmonella uit 14 van de 15 lidstaten van de Europese Unie deden aan het onderzoek mee. Het doel was te onderzoeken of de NRLs serotypen van Salmonella enterica subsp. enterica correct konden identificeren. Twintig serotypen van Salmonella enterica subsp. enterica werden door het CRL geselecteerd. Deze moesten door de NRLs met de routinematig gebruikte serotyperingsmethode worden onderzocht. Door het gebruik van veel voorkomende serotypen en de mogelijkheid voor een NRL stammen door te sturen naar een ander gespecialiseerd laboratorium, werden betere resultaten verkregen vergeleken met een eerder ringonderzoek. De reden voor de meeste incorrecte identificaties was een incorrecte detectie van H antigenen.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Prospectief vaccinatie onderzoek; antistofrespons bij kinderen in het Rijksvaccinatieprogramma, een longitudinaal onderzoek | RIVM

In 1980 is een uniek longitudinaal onderzoek gestart naar de antistofrespons op de vaccinaties in het kader van het Rijksvaccinatieprogramma bij kinderen in Nederland. Door middel van advertenties in (para-)medische tijdschriften zijn ouders benaderd voor deelname van hun kinderen, ruim 130 kinderen hebben uiteindelijk aan dit onderzoek deelgenomen. Inmiddels zijn de resultaten van de eerste twaalf bloedmonsters van ieder kind geanalyseerd; een dertiende bloedmonster is in het voorjaar van 1997 verzameld om nog een uitspraak te kunnen doen over de persistentie van de antistofniveaus tot 15-17 jarige leeftijd. In dit rapport wordt een tussentijdse beschrijving gegeven van de gemeten antistofniveau's tegen difterie, tetanus, kinkhoest, polio, bof, mazelen en rubella. De deelnemende kinderen zijn goed beschermd kort na de laatste vaccinatie in het Rijksvaccinatieprogramma. Na analyse van het laatste monster zal een eindrapportage volgen.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Infecties met HIV,HBV, en HCV onder injecterende druggebruikers in Heerlen/Maastricht | RIVM

In dit project wordt de prevalentie vastgesteld van HIV, hepatitis B (HBV), hepatitis C (HCV) en het risicogedrag onder injecterende druggebruikers (IDs) in Heerlen/Maastricht. Er werd nagegaan of er belangrijke verschillen zijn ten opzichte van de meting twee jaar geleden. Het risico werd ingeschat op verdere verspreiding van HIV naar andere IDs, niet-injecterende druggebruikers en de rest van de algemene bevolking. Tussen 7 oktober en 5 december 1996 werd bij 203 IDs uit Heerlen en omstreken en 101 IDs uit Maastricht een speekselmonster, een bloedmonster en een vragenlijst naar risicogedrag afgenomen. Van de 304 IDs waren 36 HIV-positief. Risicofactoren voor HIV-infectie waren geen vast adres hebben, gevangenisstraf, actueel spuiten, polydruggebruik en jonger dan 16 jaar bij eerste spuit. Van de 209 actuele spuiters had 17% in de laatste zes maanden een gebruikte spuit of naald van een ander geleend, 11% had een spuit of naald uitgeleend en 30% had een gebruikt watje, lepel, filter of spoelwater (spuitattributen) geleend. Vijfenveertig procent van de IDs had in de laatste zes maanden een vaste seksuele partner gehad. Bij 40% hiervan was dat geen druggebruiker, bij 13% een niet-injecterende druggebruiker. In vier van de vijf vaste relaties werd nooit een condoom gebruikt. De prevalenties van anti-HBV, HBsAg en anti-HCV waren respectievelijk 63%, 6% en 74%. Concluderend is de prevalentie van HIV onder IDs in Heerlen/Maastricht ongeveer 12%, vergelijkbaar met het niveau in de meting van 1994. De prevalentie van HIV onder IDs uit Heerlen e.o. was vijf keer zo hoog als die onder IDs uit Maastricht ; een dergelijk verschil is in 1994 niet vastgesteld. Het risicogedrag is in vergelijking met 1994 niet in belangrijke mate veranderd. Nieuwe HIV-infecties komen nog steeds voor als gevolg van het lenen van gebruikte spuiten en naalden en mogelijk ook via seksuele transmissie. Vooral vaste partners kunnen een risico lopen. Via deze weg is verspreiding naar niet-IDs aannemelijk. Transmissie van HBV en HCV via gebruikte spuitattributen en seksuele contacten (alleen HBV) lijkt waarschijnlijk.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

PCDitch, een model voor eutrofiering en vegetatie-ontwikkeling in sloten | RIVM

Overmatige bemesting van landbouwpercelen belast poldersloten op een dusdanige wijze dat er een omslag kan optreden van helder water, met ondergedoken waterplanten, naar een volledige kroosbedekking, die aeroob leven verstoort en de biodiversiteit ernstig vermindert. PCDitch is een functioneel model van een sloot. Het beschrijft dynamisch de nutrientenhuishouding in water, sediment en vegetatie, en de competitie tussen verschillende vegetatiegroepen. PCDitch is gekalibreerd op de proefsloten van de Sinderhoeve, met gebruik van gegevens van de Landbouw-Universiteit Wageningen en het DLO-StaringCentrum. De waargenomen dominantie van ondergedoken planten bij lage, en kroos bij hoge belasting , werd door het model bevredigend gesimuleerd. Ook is het model toegepast op de sloten in Noord-Holland, gebruikmakend van veldgegevens van het Hoogheemraadschap van Uitwaterende Sluizen in Hollands Noorderkwartier. Tenslotte wordt een methode gepresenteerd, die een relatie legt tussen de nutrientenbelasting en de dominante vegetatiegroep. Het model voorspelt het bestaan van een 'kritische belasting' of 'kritische concentratie' in het toevoerende water, waarboven kroosdominantie te verwachten is. De kritische belasting hangt af van grondsoort, verblijftijd en waterdiepte. De afgeleide dosis-effect-curven hebben in dit stadium een voorlopig karakter.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Pienter project: description of the serum bank, with information on participants gleaned from questionnaires | RIVM

In oktober 1995 - december 1996 is het Pienter-project uitgevoerd. Doel was een representatieve serumbank opzetten voor sero-epidemiologische studies o.a. ter evaluatie van het Rijksvaccinatieprogramma (RVP). In het Pienter-project werden sera en vragenlijsten verzameld van de algemene Nederlandse bevolking (0-79 jaar) door middel van een cross-sectioneel populatie-onderzoek, inclusief een non-respons onderzoek. Daarnaast werden acht gemeenten met een lage vaccinatiegraad gekozen zodat meer niet-gevaccineerde personen in het onderzoek zouden meedoen. Een serumbank met 9.973 monsters is beschikbaar voor vele sero-epidemiologische studies. Vrouwelijke deelnemers, deelnemers met een lage SES, deelnemers met de Nederlandse nationaliteit en deelnemers geboren in Nederland waren iets oververtegenwoordigd in het Pienter-project, vergeleken met cijfers van het CBS. De deelnemers waren representatief voor de Nederlandse bevolking qua burgerlijke staat, religie en gezondheid, vergeleken met cijfers van het CBS. De deelnemers vonden vaccinatie tegen polio het meest belangrijk. Vaccinatie tegen difterie, tetanus, kinkhoest en Hib werd ongeveer even belangrijk gevonden en vaccinatie tegen mazelen, bof en rode hond werden minder belangrijk gevonden. Bevindelijk gereformeerde deelnemers gaven aan de verschillende vaccinaties uit het RVP minder belangrijk te vinden dan deelnemers van de gereformeerde bond en deelnemers met geen of een religie en zij gaven aan minder vaak deel te hebben genomen aan het RVP. Respondenten van de gereformeerde bond en de bevindelijk gereformeerde deelnemers uit de landelijke steekproef gaven vaker aan te hebben deelgenomen aan het RVP en vonden de vaccinaties uit het RVP belangrijker dan de deelnemers uit de lage vaccinatiegraad gemeenten. Interessant is om na te gaan of de verschillen in (mening over) vaccinatie die gevonden werden tussen de verschillende religieuze groeperingen en tussen de landelijke steekproef en de lage vaccinatiegraad gemeenten ook gereflecteerd worden in de seroprevalenties voor ziekten waartegen vaccinatie beschikbaar is.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Gezondheidsrisico's en normstelling voor huishoudwater | RIVM

Huishoudwater is een verzamelnaam voor water te gebruiken in huishoudens voor andere toepassingen dan drinkwater. De mogelijke toepassingen voor huishoudwater kunnen zijn het toilet, de wasmachine en de buitenkraan (voor tuinsproeien en autowassen). Het gebruik van huishoudwater sluit aan bij de duurzame ontwikkeling van het milieu en de watervoorziening. Voor huishoudwater zullen mogelijk minder strenge kwaliteitseisen van toepassing zijn dan voor drinkwater. De belangrijkste risicofactor voor de consument is een verhoogde kans op het krijgen van een maagdarminfectie na blootstelling aan pathogene micro-organismen, met name virussen en protozoa. In dit rapport is onder andere een risico-analyse uitgevoerd voor een huishoudwaterproject met een bekende kwaliteit van de waterbron. Deze analyse geeft aan dat de gezondheidsrisicoĂľs met betrekking tot pathogene micro-organismen voor de toepassingen wasmachine, toiletspoeling en buitenkraan niet verwaarloosbaar zijn.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Greenhouse Gas Emission Accounting: preliminary study as input to a joint International IPCC Expert Meeting/CKO-CCB Workshop on Comparison of Top-down versus Bottom-up Emission Estimates | RIVM

Voor de broeikasgassen CO2, CH4 en N2O zijn bottom-up gegevens van officiele nationale inventarisaties (de z.g. National Communications) vergeleken met gegevens van EDGAR (Emission Database for Global Atmospheric Research) en top-down resultaten van emissieschattingen op basis van verspreidings- en klimaatmodellen die gebruik hebben gemaakt van gemeten concentraties in de atmosfeer. Het doel van deze voorstudie was om de mogelijkheden van hoe verschillende typen emissie-inventarisaties met elkaar vergeleken kunnen worden; een methode te ontwikkelen om de vergelijkingen uit te voeren; om op basis van een verschillenanalyse mogelijke terreinen voor verbeteringen van de IPCC methode voor emissieschattingen in kaart te brengen. De belangrijkste conclusie is dat een internationaal programma voor review en evaluatie van nationale inventarisaties van broeikasgassen nuttig is omdat het gebruik van zowel bottom-up als top-down emissiegegevens het wetenschappelijk inzicht in mondiale en regionale budgetten vergroot en vergelijking van data het bereiken van overeenstemming over de gegevens tussen wetenschappers en beleidsmakers stimuleert. Het is momenteel niet mogelijk om voor CO2 met een top-down analyse gebruik makend van atmosferische metingen de CO2 emissies van fossiele brandstoffen nauwkeuriger te schatten dan met bottom-up methoden. Voor CH4 een mondiale en zonale vergelijking van bottom-up en top-down resultaten van verspreidingsmodellen is mogelijk en een reductie van de onzekerheid voor specifieke bronnen is haalbaar. Onzekerheden in de N2O emissies zijn zo groot dat we mogen verwachten dat top-down en bottom-up emissieschattingen beiden kunnen profiteren van een zorvuldige resultatenanalyse. De vergelijking van nationale inventarisaties met EDGAR gegevens heeft terreinen voor verdere verbetering van IPCC Guidelines in kaart gebracht.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Stofselectie voor afleiden van 'voorstellen voor interventiewaarden' | RIVM

Er is een inventarisatie gemaakt van stoffen en stofgroepen waarvoor een voorstel voor een interventiewaarde afgeleid zou kunnen worden. Voor selectie van stoffen waarvoor een 'voorstel voor een interventiewaarde' wordt afgeleid (bij voorkeur groepswaarden voor een gehele stofgroep), is een viertal criteria opgesteld waaraan een stof moet worden getoetst: i) toxiciteit, ii) voorkomen in bodem en/of grondwater, iii) verblijftijd van een stof in bodem en uitspoeling naar grondwater, iv) bestaan van andere toetsingskaders. De geinventariseerde stoffen en stofgroepen zijn ingedeeld in een drietal groepen waarvoor wordt aanbevolen wel (in het kader van de 4e tranche), eventueel, of geen 'voorstel voor een interventiewaarde' af te leiden. Om aansluiting te bewerkstelligen met de behoeften vanuit de praktijk wordt om reacties gevraagd over stofselectie vanuit de provincies, gemeenten, waterschappen, RIMH's, adviesbureaus, bedrijfsleven en andere partijen die betrokken zijn bij (water)bodem-veldonderzoek.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Validatie en prestatiekenmerken van de elementanalyse van koolstof, stikstof en zwavel in vaste stoffen | RIVM

De elementanalyse van koolstof, stikstof en zwavel in vaste monsters kan eenvoudig en relatief snel worden uitgevoerd met de Elemental Analyzer (Model EA 1108) van Fisons Instruments in diverse typen vaste stof monsters. Een hoeveelheid monster wordt afgewogen en de Elemental Analyzer bepaalt de elementgehaltes in de gewenste eenheid. De kalibratie en de controle van de kalibratie duurt in totaal 2 uur. Een enkelvoudige analyse duurt vervolgens ongeveer 1 kwartier. Na optimalisatie van het apparaat en de methode is een Standard Operating Procedure (SOP) uitgebracht voor de elementanalyse van koolstof, stikstof en zwavel in vaste stoffen. De aantoonbaarheidsgrens bedraagt voor stikstof 2 mg/g, voor koolstof 2 mg/g en voor zwavel 5 mg/g. De precisie in cystine is voor stikstof is 6 mg/g (5,1%), voor koolstof 3 mg/g (1,0%) en voor zwavel 6 mg/g (2,2%).
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Tracerexperiment uitgevoerd in april/mei 1996 ten behoeve van de In Situ Biorestauratie te Asten | RIVM

Ter afsluiting van de praktijksanering in het kader van het project "in situ biorestauratie van een met olie verontreinigde bodem", is een tracerexperiment op de locatie te Asten uitgevoerd. Bij deze saneringstechniek wordt gebruikt gemaakt van water om zuurstof (in de vorm van waterstofperoxyde) en nutrienten aan de locatie toe te voeren ter stimulering van de microbiologische afbraak van de verontreiniging. Voor een goed eindresultaat is het van belang dat de bodem uniform doorstroomd wordt. Het doel van het tracerexperiment was na te gaan in hoeverre dit bereikt is door de stroombanen en verblijftijden van het grondwater te onderzoeken. In het infiltratiewater werd chloride gedoseerd; door metingen in alle 25 onttrekkingen werden doorbraakcurves bepaald. Tussen de onttrekkingen traden grote verschillen op in het moment van chloridedoorbraak, maar de onderlinge resultaten in drie gebiedjes op de locatie vertoonden overeenkomsten. Met name in het gebied ten oosten van de bedrijfswoning begon de chlorideconcentratie al snel op te lopen en trad na ongeveer 235 uur doorbraak op. In de onttrekkingen ten westen van het tankeiland is geen doorbraak gemeten. De verschillen in doorbraaktijd kunnen waarschijnlijk toegeschreven worden aan de bodemkarakteristieken zoals bijvoorbeeld de doorlatendheid. Aan de hand van de resultaten uit het tracerexperiment kunnen de grote verschillen die te zien zijn in de gemeten benzinegehaltes in de bodem en -concentraties in het grondwater verklaard worden.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Methemoglobin formation due to nitrite: dose-effect relationship in vitro | RIVM

Dit rapport beschrijft de resultaten van een in vitro experiment naar het methemoglobine inducerende vermogen van nitriet in humaan bloed. Er werd gebruik gemaakt van verse, gehepariniseerde, veneuze bloedmonsters. Tien natriumnitriet doseringen, in een molaire verhouding, nitriet : hemoglobine, tussen 0.01 en 0.15, werden getest. Elk experiment werd in triplo uitgevoerd. De bloedmonsters werden op een temperatuur van 37 graden Celsius gehouden. De hemoglobineconcentratie, het percentage methemoglobine en de pH van het bloed werden gedurende 2 uur op vaste tijdstippen gemeten. Geen van de bloedmonsters toonde zichtbare hemolyse van het plasma na afloop van het experiment. Er werden methemoglobine percentages tot 24% geinduceerd. Er werd een lineaire relatie gevonden tussen de natriumnitriet doses en het maximale methemoglobine percentage dat werd bereikt. De lineaire regressie analyse toonde een gecorrigeerde R exp.2 > 0.99 (p=0.0001). De verhouding, natriumnitriet doses : maximaal geinduceerde hoeveelheid methemogobine in het bloedmonster, was ongeveer 0.7 voor elke dosering.
Jaar: 1997 Onderzoek

HIV-Surveillance onder intraveneuze druggebruikers en Surinaamse/Antilliaanse harddruggebruikers in Amsterdam 1996 | RIVM

In dit project wordt de prevalentie vastgesteld van HIV onder intraveneuze druggebruikers (IVDs), en onder druggebruikers van Surinaamse/Antilliaanse afkomst (SUR/ANT) in Amsterdam. Het risico wordt ingeschat op verdere verspreiding van HIV binnen beide groepen en naar de algemene bevolking. Tussen 22 mei en 17 juli 1996 zijn een speekselmonster en korte vragenlijst naar risicogedrag afgenomen bij 200 IVDs en 151 SUR/ANT in Amsterdam. Van de IVDs waren 51 seropositief, onder de SUR/ANT werden drie infecties gevonden. Achttien procent van de IVDs zei in de laatste 6 maanden een spuit of naald van een ander te hebben gebruikt ; dit niveau van riskant gedrag is vergelijkbaar met dat in andere steden in Nederland. Aangetroffen infecties onder IVDs die zeggen sinds 1991 voor het eerst gespoten te hebben of negatief getest te zijn vormen een aanwijzing voor beperkte maar continue HIV-transmissie onder de IVDs. Een op de negen IVDs heeft een niet-druggebruiker als vaste seksuele partner. Bij seksueel contact tussen vaste partners worden weinig condooms gebruikt. Concluderend is de prevalentie van HIV onder IVDs in Amsterdam is ongeveer 26%, vergelijkbaar met het niveau in 1993. De prevalentie onder SUR/ANT is 2%, en is niet significant verschillend van die in 1993. Onder IVDs blijft spuitgerelateerd risicogedrag voorkomen en er zijn tevens aanwijzingen voor een beperkte maar continue HIV-transmissie in deze groep.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Programmeringsstudie voor de ecologische consequenties van normoverschrijding (ECN) | RIVM

Dit rapport is een programmeringsstudie naar de ecologische consequenties van normoverschrijding. Methoden zijn beschikbaar om de Potentieel Aangetaste Fractie (PAF) van soorten te schatten, de 'thermometer' voor toxische stress. De vertaling van de PAF naar ecologisch relevante effecten is gedaan door NOEC overschrijding te vergelijken met acute toxiciteit in laboratoriumexperimenten. Potentiele effecten op ecosysteemsstructuur zijn gekalibreerd op effecten op twee vervuilde locaties. Een onderzoeksprogramma is gedefinieerd om de veldeffecten te onderbouwen in termen van ecosysteemprocessen en Life Support Functies.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

The incidence and genetic variability of Small Round-Structured Viruses (SRSV) in outbreaks of gastroenteritis in 1996 in the Netherlands | RIVM

Small round-structured viruses (SRSV), ook wel Norwalk-achtige virussen genoemd, zijn belangrijke verwekkers van explosies van gastroenteritis. De detectie van deze groep genetisch uiterst variabele virussen is door de recente ontwikkeling van een generische RT-PCR test sterk vereenvoudigd. Om de incidentie van SRSV bij explosies van gastroenteritis te bepalen, werden in 1996 alle bij de GGD-en gemelde explosies onderzocht volgens een standaardprotocol. Door 28 van de 60 GGD-en werden in totaal 69 explosies gemeld. In 60 van deze explosies (87%), kon met behulp van een RT-PCR SRSV worden aangetoond. Van de 69 gemelde explosies vonden de meeste (78%) in de eerste 3 maanden van 1996 plaats. De meerderheid (59%) van de explosies vond plaats in verpleeg- en verzorgingstehuizen en 25% in ziekenhuizen. Uit sequentie-analyse van de PCR producten bleek, dat stammen van alle explosies in de periode van januari tot november sterk geclusterd waren. Het betrof hier een genogroep II SRSV-type (Grimsby), een type SRSV dat ook al in 1995 in Nederland als predominant type was waargenomen. Vanaf november was een duidelijke shift naar de circulatie van een genogroup I SRSV-type (Venlo) waarneembaar. Samenvattend zijn SRSV de meest frequent voorkomende pathogenen geassocieerd met explosies van gastroenteritis die in 1996 werden gemeld aan de GGD-en in Nederland. De moleculaire analyse laat zien dat SRSV epidemisch verspreiden.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

De Ruimtescanner, geintegreerd ruimtelijk informatiesysteem voor de simulatie van toekomstig ruimtegebruik | RIVM

Scenario's voor toekomstig ruimtegebruik hanteren vaak verschillende uitgangspunten en basisgegevens en belichten meestal slechts een facet van het toekomstig ruimtegebruik. Op initiatief van het RIVM is daarom een projectgroep ingesteld om een ruimtelijk informatiesysteem te ontwikkelen - de Ruimtescanner - dat verschillende geografische rekenbestanden en rekenmodellen integreert. Uitgaande van het huidige ruimtegebruik, de verwachte ruimteclaims en aantrekkelijkheid (of attractiviteit) van gebieden, simuleert de Ruimtescanner ruimtelijke beelden. De fijnmazige kaarten geven per cel van 500 bij 500 meter het verwachte ruimtegebruik weer en maken het effect van verschillende scenario's zichtbaar. In dit rapport beschrijven we de Ruimtescanner 1.0. Dit prototype brengt basisbestanden en prognoseresultaten bij elkaar van modellen die demografische en ruimtelijk-economische ontwikkelingen voorspellen via een allocatie-module.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Geochemistry of some rare earth elements in groundwater, Vierlingsbeek, the Netherlands | RIVM

In de nabijheid van het drinkwaterpompstation Vierlingsbeek zijn uit zeven boorputten grondwatermonsters op verschillende diepten genomen. Speciatieberekeningen zijn uitgevoerd om meer inzicht te krijgen in de chemische processen van zeldzame aarden (REE). Bij de modellering is rekening gehouden met complexatie en precipitatieprocessen van opgeloste organische koolstof (DOC) en anorganische verbindingen. Uit de speciatieberekeningen bleek dat REE3+, REE(SO4)+, REE(CO3)+ en REE(DOC) de belangrijkste species zijn. De aanwezigheid van de REE's in het grondwater wordt waarschijnlijk niet veroorzaakt door het in oplossing gaan van REE-bevattende vaste fasen, maar mogelijk door desorptie van REE's aan metaalhydroxiden. Via multiple lineaire regressie is aangetoond dat de pH verreweg de meest significante grondwaterkarakteristiek is welke de variatie in REE concentraties bepaalt. Regressievergelijkingen zijn afgeleid enkel op grond van de pH, waarmee REE concentraties in grondwater kunnen worden voorspeld. Voor de praktijk van de drinkwatervoorziening betekent dit dat pH-metingen (liefst in waarnemingsputten) een gemakkelijke en redelijk betrouwbare indicator vormen voor de concentratie zeldzame aarden.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Few large, or many small dose groups? An evaluation of toxicological study designs using computer simulations | RIVM

De 'benchmark dosis' als alternatieve karakterisering van het 'no-adverse-effect niveau' in toxicologische dierstudies is de laatste jaren sterk in opgang. In deze alternatieve benadering komt de vaststelling van de NOAEL met behulp van significantie toetsing niet meer voor. In plaats daarvan worden dosis-respons gegevens geanalyseerd met behulp van regressie-analyse. De gefitte curve wordt dan gebruikt om de 'critical effect dose' (CED) te schatten behorende bij een bepaalde gepostuleerde effectgrootte. Deze alternatieve analyse-methode heeft als consequentie dat het niet meer nodig is om een minimum aantal dieren per dosisgroep te vereisen, zodat er ruimte komt voor het gebruik van meer dosisgroepen. Met enkele computer-simulatiestudies onderzochten we de theoretische consequenties van het gebruik van meer dosisgroepen, door drie proefopzetten met vier, tien en veertig dosisgroepen, maar gelijkblijvend totaal aantal dieren, onderling te vergelijken. Uit deze simulaties blijkt dat vergroten van het aantal dosisgroepen ten koste van het aantal dieren per groep, niet leidt tot een vermindering van de statistische precisie. De kracht van proefopzetten met meerdere dosisgroepen is gelegen in het feit dat zij beter in staat zijn te discrimineren tussen verschillende regressiemodellen volgens een 'goodness of fit' criterium. Daardoor zal een proefopzet met meerdere dosisgroepen meer kans hebben tot een adequate schatting van de CED te leiden dan een proefopzet met slechts enkele dosisgroepen.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

USES 2.0, The Uniform System for the Evaluation of Substances, version 2.0 ; supplement to EUSES | RIVM

Dit interimrapport beschrijft het risicobeoordelingssysteem voor landbouw- en niet-landbouwbestrijdingsmiddelen. Het zal worden geintegreerd met het European Union System for the Evaluation of Substances, EUSES 1.0, tot USES 2.0, de tweede versie van het Uniforme Beoordelingssysteem voor Stoffen. Dit rapport is primair bedoeld als tussenstap in de programmeer- en testfase van USES 2.0.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Ziektespecifieke vergelijking van de geregistreerde morbiditeit in vier huisartsenregistraties: een analyse ten behoeve van VTV-1997 | RIVM

In de Volksgezondheid Toekomst Verkenning (VTV) wordt voor het beschrijven van het voorkomen van ziekten en aandoeningen onder andere gebruik gemaakt van gegevens van huisartsgeneeskundige registraties. Een probleem voor VTV is dat de registraties in Nederland, om geheel plausibele redenen, van elkaar verschillen in de doelstelling waarvoor zij zijn opgezet. De consequentie daarvan is dat gebruikte classificatiesystemen, codeerregels en rekenwijzen nogal van elkaar kunnen verschillen en dat gemeten morbiditeit niet op voorhand vergelijkbaar is. Daarom is een vergelijkende analyse tussen de vier belangrijkste huisartsenregistraties gemaakt, zodat een beter inzicht in de betekenis van cijfers uit deze huisartsenregistraties verkregen kon worden. Deze analyse bestond uit drie onderdelen. Ten eerste is een algemene beschrijving van de registratiekenmerken van de vier huisartsenregistraties gemaakt, met speciale aandacht voor prevalentie- en incidentiebepalingen ten behoeve van VTV. Een tweede onderdeel betrof het samenstellen van een tabellarisch overzicht van de empirisch aangetroffen prevalenties en incidenties. Een derde onderdeel betrof de inhoudelijke vergelijking van de registraties per ziekte. Voor de meeste ziekten kon meer inzicht verkregen worden in de betekenis van de cijfers en voor sommige ziekten konden de aangetroffen verschillen in prevalentie en incidentie min of meer verklaard worden. Soms bleken verschillen echter onverklaarbaar groot te zijn. Beschreven zijn enkele alternatieve mogelijkheden voor het presenteren van cijfers uit huisartsenregistraties in VTV. Omdat de bestaande situatie voor VTV verre van optimaal is, wordt ten slotte gepleid voor het verkennen van de mogelijkheden om ten behoeve van VTV-2001 en volgende VTV's tot een beter passende oplossing te komen.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Effecten van prijsbeleid op verkeer en vervoer | RIVM

De aandacht voor prijsbeleid in Nederland en de Europese Unie is recentelijk toegenomen. Dit rapport geeft een overzicht van Nederlandse en internationale literatuur over de effecten van prijsbeleid op verkeer en vervoer. De aangegeven effecten worden onderscheiden naar verschillende vormen van prijsbeleid (prijsbeleid gericht op vaste kosten, op variabele kosten, subsidies en variabilisatie) en naar verschillende voertuigcategorieen (auto, vracht- en bestelauto, luchtvaart, scheepvaart , openbaar vervoer en mobiele werktuigen). De mogelijke effecten van prijsmaatregelen op het voertuigbezit, -gebruik, brandstofverbruik en emissies worden aangegeven. In de literatuur is veel bekend over de effecten van prijsmaatregelen op autobezit en -gebruik, met name is veel onderzoek verricht naar de mogelijke invloed van brandstofprijsverhogingen op het autobezit en -gebruik. Minder is bekend over de effecten van andere prijsinstrumenten. De prijsmaatregelen waar veel onderzoek naar is verricht, geven een brede range van effecten aan. Twee belangrijke verklarende factoren hiervoor zijn: de termijn waarop de effecten betrekking hebben en de invloed van het inkomensniveau. Geconcludeerd wordt dat de effecten van prijsmaatregelen afhankelijk zijn van de context waarbinnen het beleid wordt gevoerd en waarbinnen de vraag naar verkeer en vervoer tot stand komt.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Eindrapportage praktijksanering "In Situ Biorestauratie" te Asten; een evaluatie van de technische en financiele haalbaarheid | RIVM

Na zes jaar is de praktijksanering, die in Asten (N.Br.) uitgevoerd werd in het kader van het project 'in situ biorestauratie van een met olie verontreinigde bodem', afgesloten. Dankzij de lange saneringsduur zijn goede resultaten geboekt. Ten opzichte van de beginhoeveelheid is 97% van de minerale olie verdwenen, 98% van de benzine en 99% van de BTX. De gemiddelde restgehaltes in de bodem overschrijden alleen in de laag op 300 tot 350 en 350 tot 400 cm-maaiveld de streefwaarden; voor minerale olie zijn deze gehaltes respectievelijk 385 en 30 mg.kg-1 droge stof, voor BTX 9 en 6 mg.kg-1 droge stof. Benzine overschrijdt de streefwaarde alleen in de laag 300 tot 350 cm-maaiveld met een gehalte van 120 mg.kg-1 droge stof. De gemiddelde benzineconcentratie in het grondwater overschrijdt de streefwaarde nog. Deze is 540 mug.l-1. In totaal is nog 107 kg minerale olie aanwezig op de locatie. Van de 3373 kg die aanwezig was aan het begin is 330 kg met het grondwater van de locatie onttrokken, 1327 kg direct omgezet door de micro-organismen tot koolstofdioxyde en 558 kg is ingebouwd geweest in het celmateriaal van deze organismen. Waarschijnlijk is ongeveer 1051 kg omgezet in de onverzadigde zone. In vergelijking met de verwachtingen omtrent het eindresultaat die vooraf gewekt zijn, is de saneringsduur is tegengevallen en zijn de bereikte restgehalten teleurstellend. Geconcludeerd wordt dat in situ biorestauratie met waterstofperoxyde zowel technisch als financieel haalbaar is.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Apomorphine-susceptible and apomorphine-unsusceptible Wistar rats differ in their susceptibility to inflammatory and infectious diseases: a study on rats with group-specific differences in structure and reactivity of hypothalamic-pituitary-adrenal axis | RIVM

Apomorphine-susceptible and apomorphine-unsusceptible Wistar rats differ in their susceptibility to inflammatory and infectious diseases: a study on rats with group-specific differences in structure and reactivity of hypothalamic-pituitary-adrenal axis | RIVM
Jaar: 1997 Onderzoek

Prognose van de PAK-gehalten in de landbodem onder invloed van verspreiden van baggerspecie | RIVM

Regionale wateren worden eens in de vijf tot twintig jaar gebaggerd om de aan- en afvoer van water te waarborgen. De vrijkomende baggerspecie in het landelijk gebied wordt door het gehalte aan Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK) vaak in klasse 2 ingedeeld. In het beleidsstandpunt Verwijdering Baggerspecie is gesteld dat klasse 2 specie in principe na het jaar 2000 niet meer op de kant verspreid mag worden. Als vervolg op een eerdere studie naar de huidige en toekomstige waterbodemkwaliteit is een modelmatige analyse van de PAK-gehalten in verschillende typen landbodem onder invloed van het herhaald opbrengen van baggerspecie uitgevoerd. Het blijkt dat specie met gehalten tegen de bovengrens van klasse 2, alleen bij bouwland op zand geen overschrijding van de streefwaarde op termijn oplevert. Voor de overige categorieen landbodems (bouwland op klei, grasland op klei en op veen) zou een probleem kunnen optreden bij het verspreiden van specie met hoge gehalten in klasse 2, als de streefwaarde landbodem als maatgevend wordt beschouwd. Om te zien op welk concentratie-niveau het overgrote deel van de klasse 2 specie zich bevindt, zijn gemeten gestandaardiseerde sedimentgehalten t/m klasse 2 uit het landelijk waterbodembestand vergeleken met kritische niveaus, waarbij na verspreiding geen toename van de kans op overschrijding van de streefwaarde op landbodem te zien is in vergelijking met de situatie zonder baggerspecie. Er blijkt bij zand, klei- en veensloten resp. 100%, 63% en 74% van de gegevens onder de kritische niveaus te liggen. Met andere woorden, een groot deel van de vrijkomende klasse 2 specie leidt bij herhaaldelijke verspreiding niet tot een overschrijding van de streefwaarde in de landbodem. Afname van atmosferische depositie in de komende 50 jaar verruimt de mogelijkheid om PAK-houdende specie op de kant te zetten zonder de streefwaarde te overschrijden. Dit is het sterkst in geval van bouwland op klei, maar geldt in mindere mate voor de beide grasland categorieen.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Prognose van de PAK-gehalten in de landbodem onder invloed van verspreiden van baggerspecie | RIVM

Regionale wateren worden eens in de vijf tot twintig jaar gebaggerd om de aan- en afvoer van water te waarborgen. De vrijkomende baggerspecie in het landelijk gebied wordt door het gehalte aan Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK) vaak in klasse 2 ingedeeld. In het beleidsstandpunt Verwijdering Baggerspecie is gesteld dat klasse 2 specie in principe na het jaar 2000 niet meer op de kant verspreid mag worden. Als vervolg op een eerdere studie naar de huidige en toekomstige waterbodemkwaliteit is een modelmatige analyse van de PAK-gehalten in verschillende typen landbodem onder invloed van het herhaald opbrengen van baggerspecie uitgevoerd. Het blijkt dat specie met gehalten tegen de bovengrens van klasse 2, alleen bij bouwland op zand geen overschrijding van de streefwaarde op termijn oplevert. Voor de overige categorieen landbodems (bouwland op klei, grasland op klei en op veen) zou een probleem kunnen optreden bij het verspreiden van specie met hoge gehalten in klasse 2, als de streefwaarde landbodem als maatgevend wordt beschouwd. Om te zien op welk concentratie-niveau het overgrote deel van de klasse 2 specie zich bevindt, zijn gemeten gestandaardiseerde sedimentgehalten t/m klasse 2 uit het landelijk waterbodembestand vergeleken met kritische niveaus, waarbij na verspreiding geen toename van de kans op overschrijding van de streefwaarde op landbodem te zien is in vergelijking met de situatie zonder baggerspecie. Er blijkt bij zand, klei- en veensloten resp. 100%, 63% en 74% van de gegevens onder de kritische niveaus te liggen. Met andere woorden, een groot deel van de vrijkomende klasse 2 specie leidt bij herhaaldelijke verspreiding niet tot een overschrijding van de streefwaarde in de landbodem. Afname van atmosferische depositie in de komende 50 jaar verruimt de mogelijkheid om PAK-houdende specie op de kant te zetten zonder de streefwaarde te overschrijden. Dit is het sterkst in geval van bouwland op klei, maar geldt in mindere mate voor de beide grasland categorieen.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

De extractie van anionen uit grond en bouwmaterialen | RIVM

Voor de implementatie van het Bouwstoffenbesluit werd een onderzoek uitgevoerd naar extraheerbare gehalten bromide, chloride, fluoride, sulfaat en sulfide in grond en bouwmaterialen met verschillende waterige extractiemiddelen en de relatie van deze gehalten met de corresponderende totaalgehalten.Er blijkt een substantieel verschil te bestaan in extraheerbaarheid van de anionen bromide, chloride, fluoride en sulfaat uit de matrix grond en de matrix bouwmateriaal. Voor grond is de extractie voor geen van deze ionen kwantitatief, voor bouwstoffen alleen voor bromide en chloride. In geval van niet-kwantitatieve extractie neemt de extraheerbaarheid toe met stijgende pH (4.3 < pH < 14). Bij waterige extractie wordt bij een hoge pH voor alle anionen de hoogste opbrengst bereikt. Uit de literatuur is bekend dat de opbrengst van sulfide middels de toegepaste sterk zure extractie (pH 0) vrijwel volledig is, behalve voor pyriet (FeS2). Voor de bepaling van deze zwavelspecies is een extreme ontsluitingsmethode noodzakelijk. Ionchromatografie (IC) is veelal toepasbaar als analysemethode. Problemen ontstaan bij hoge ionsterkte (hoge pH extractiemiddel), met name voor fluoride en chloride. Voor fluoride is IC daarnaast ook minder geschikt vanwege de storingsgevoeligheid (organische zuren) en het niet detecteren van mogelijk complex gebonden fluoride.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Evaluation of Whole Cell Vaccine-induced humoral antibody responses in the Pertussis Serological Potency Test in relation to the Mouse Protection Test | RIVM

De Pertussis Serologische Potency Test (PSPT) is ontwikkeld als een alternatief voor de huidige Muisbeschermingstest (MBT). De PSPT is gebaseerd op het in vitro bepalen van de humorale afweerrespons tegen het hele scala aan oppervlakte antigenen van B.pertussis bacterie in muizen na immunisatie met kinkhoest whole cell vaccins (WCV). Kinkhoest-antilichaamconcentraties in muizensera wordt bepaald met behulp van de 18323-whole cell ELISA (18323-WCE). Tijdens een 'in-house' validatie studie zijn 13 kinkhoest WCV's in zowel de PSPT als de MBT getest. De overeenkomst van beide testen is aangetoond m.b.v. een chi-kwadraat test ; de werkzaamheid van WCV's in beide testen zijn niet significant verschillend (p = 0.95). Vergeleken met de MBT is de PSPT beter reproduceerbaar, hetgeen tot uiting komt in de kleinere 95% betrouwbaarheidsintervallen. Aanvullend hierop is de immunogeniteit van WCV's in antigeen-specifieke ELISA's en in vitro functionele testsystemen bestudeerd. De schatting van WCV-werkzaamheid op basis van de antilichaam responsen tegen Pertussis Toxine (PT), Filamentous Heam-aggltinine (FHA) of 69-kDa Outer Membrane Protein (OMP) was niet mogelijk door dat deze te laag en niet dosis afhankelijk waren. De antilichaam respons tegen het 92-kDa OMP correleerde niet met de overleving van muizen in de MBT, door te grote fluctuaties. De bescherming van muizen tegen een letale intracerebrale challenge is niet gerelateerd aan de humorale antilichaam respons tegen een specifiek antigeen, noch beperkt tot een afweermechanisme, maar lijkt overeen te komen met een synergistische effect van de humorale afweer respons tegen diverse zogenaamde 'beschermende' en 'niet-beschermende' antigenen. De PSPT is daarom een goed alternatief voor de MBT en geeft bovendien meer en betere informatie over de immunogeniteit, werkzaamheid en consistentie in productie van kinkhoest WCV's.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Toepassingsmogelijkheden van groot-volume-injectie gaschromatografie met infraroodspectrometrische detectie | RIVM

Onderzoek is uitgevoerd naar verbetering van de relatieve detectiegrenzen van gaschromatografie met infraroodspectrometrische detectie (GC-IR) door toepassing van zogenaamde large-volume injectie (LVI) technieken. Twee technieken zijn onderzocht, loop-type interfacing en on-column interfacing. Optimalisatie is uitgevoerd met n-alkanen in verschillende oplosmiddelen. Pesticiden, polyaromatische koolwaterstoffen en andere contaminanten zijn gebruikt voor het testen van de bruikbaarheid van het ontwikkelde systeem in de milieu-analyse. Bij 100 ul injecties blijkt de relatieve detecteerbaarheid van de niet vluchtige analieten in vergelijking met 1 ul split/splitless injecties, voor beide typen interfacing vrijwel evenredig toe te nemen met het geinjecteerde volume. Bij injectie van grotere volumes (200-400 ul) wordt de winst in relatieve gevoeligheid gedeeltelijk teniet gedaan door verontreinigingen in het oplosmiddel. De prestaties van de on-column interfacing zijn relatief beter door het geringere verlies aan vluchtige componenten en de inbouw van een detector-schakelsysteem. De praktische mogelijkheden van LVI-GC-IR worden gedemonstreerd aan de hand van de analyse van enkele monsters drink- en oppervlaktewater waaraan veel voorkomende contaminanten zijn toegevoegd op een niveau van 0.1-1 ug/l. De toegevoegde componenten zijn gedetecteerd en geidentificeerd (i) via injectie van extracten verkregen via vloeistof-vloeistof extractie en (ii) door on-line desorptie van elders bemonsterde solid phase extracted (SPE) cartridges. De mogelijkheid van (LVI-)GC-IR om door middel van functionele groepschromatogrammen te screenen op de aanwezigheid van specifieke stofklassen is een waardevolle aanvulling op gaschromatografie met massaspectrometrische en atoomemissie detectie.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Gedrag van zware metalen en nutrienten bij natuurontwikkeling in het Beerze-Reusel Stroomgebied: een probleemverkenning | RIVM

Deze studie onderzoekt of mobilisatie van zware metalen en nutrienten een beperkende factor kan zijn bij natuurontwikkeling in het Beerze-Reusel-gebied. Na een algemene bechrijving van de risico's van bodemverontreiniging bij natuurontwikkeling, worden de risico's voor een specifieke situatie berekend met behulp van een koppeling van hydrologische, zuur/nutrienten-, zware metaal- en bioaccumulatiemodellen. De studie blijft, gezien de onzekerheden in methodiek, expliciet beperkt tot een probleemverkenning. Voor twee bodemtypen, een veldpodzol en een enkeerdgrond, worden de risico's van twee verzuringsscenario's (onverminderde en verminderde zuurdepositie) en twee kwelscenario's in combinatie met bodemverontreiniging door cadmium en koper doorgerekend bij de omzetting van een weiland in een grasland-ecosysteem. Het blijkt dat onverminderde zure depositie in combinatie met bodemverontreiniging kan leiden tot problemen voor natuurontwikkeling. Dit gebeurt zowel via een direkt effect van verzuring op vegetatie, als via het effect van mobilisatie van cadmium en koper op verschillende soorten organismen en op bodembiologische processen. Door effecten op bodemfauna is op termijn tevens een sterke ophoping van organisch materiaal te verwachten, wat uiteindelijk kan leiden tot een lage diversiteit aan planten- en diersoorten. Koper levert in het algemeen minder problemen dan cadmium, maar door een blijvend stijgende koperconcentratie in het strooisel en daardoor in bodemfauna, kunnen lange termijn effecten ontstaan. Een scenario met verminderde zure depositie toont in het algemeen minder problemen, vooral bij de enkeerdgrond, echter doordat cadmium bij minder zure bodem langzamer uitspoelt kan dit voor een aantal dieren leiden tot verhoogde risico's over een langere periode. Een scenario met kwel tot 20 cm onder maaiveld blijkt nauwelijks effect te hebben.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Natuurverkenning 97 | RIVM

De natuur in Nederland gaat kwantitatief - wat betreft het totale areaal - weer vooruit, kwalitatief- wat betreft de soortenrijkdom - echter nog niet. Het Nederlandse landschap vervlakt; grootschalige openheid en streekeigen kenmerken verdwijnen. De toekomstige kwaliteit van de Nederlandse natuur wordt sterk bepaald door de realiseerbaarheid van grote eenheden aaneengesloten natuur, de milieukwaliteit en de inzet van beheersmaatregelen. Van de beoogde Ecologische Hoofdstructuur (EHS) wordt verwacht dat de soortenrijkdom (biodiversiteit) zal toenemen. Bij de uitvoering blijkt het hoge ambitieniveau van een samenhangend netwerk, bestaande uit grote eenheden natuur, niet volledig te worden gerealiseerd. Door te blijven streven naar een meer geconcentreerde invulling in grotere eenheden kan men de uiteindelijk te bereiken natuurkwaliteit alsnog verhogen. De regionale ontwikkeling van de landbouw (schaalvergroting en intensivering), de voorgaande verstedelijking en de vooralsnog hoge milieudruk blijven belangrijke risicofactoren. Vooral in Zuid- en Oost-Nederland blijft de milieukwaliteit onvoldoende om de natuurdoelen te realiseren. Om de natuurdoelstellingen te halen zal daarom de depositie van met name ammoniak verminderd moeten worden, de ruimtelijke ligging van natuur- en emissiegebieden beter op elkaar afgestemd moeten worden, of zal onvermijdelijk verlies van natuurkwaliteit gecompenseerd moeten worden door kwantitatieve (areaal) of kwalitatieve verbetering in gebieden elders.
Jaar: 1997 Onderzoek

Future health expenditure in the European Union. Estimates of demographic effects | RIVM

Dit rapport beschrijft ontwikkelingen in de kosten van de gezondheidszorg in de huidige vijftien landen van de EU in relatie tot ontwikkelingen in Bruto Binnenlandse Product (BBP), vergrijzing en bevolkingsgroei. Omdat zorgkosten o.a. sterk met de leeftijd stijgen is een aantal leeftijd-kostenfuncties opgesteld. Deze zijn geextrapoleerd in de tijd en toegepast op alle EU-landen, uitgaande van de leeftijd-kostenverdeling, zoals die eerder voor Nederland (1988) bepaald werd gebruik makend van bestaande internationale bevolkingsprognoses. Voor het jaar 2020 wordt de grootste toename van de zorgkosten (per capita) door vergrijzing (1990 = 1.00) voorspeld voor Italie (1,11), Griekenland (1,10), Spanje (1,09), Nederland en Finland (1,08), terwijl een geringere toename gevonden wordt voor Zweden (1,00), het Verenigd Koninkrijk (1,01), Oostenrijk en Belgie (1,05), Denemarken en Luxemburg (1,05). Het gewogen gemiddelde voor de EU stijgt naar verwachting van 1,00 in 1990 tot 1,06 in 2020. Schatting voor absolute kostenstijgingen (inclusief schattingen voor de bevolkingsgroei) geven grotere verschillen te zien. De grootste verwachte toename vindt daarbij plaats in Nederland (1,27), Luxemburg (1,20), Spanje (1,14), Frankrijk (1,14) en Finland (1,13), met lagere toenamen voor het Verenigd Koninkrijk (1,06), Portugal (1,09), Zweden, Italie, Ierland (1,10), Duitsland (1,11) en Oostenrijk (1,12). Retrospectief lijkt het er op dat in de meeste EU-landen, ook in Nederland, de stijging van de zorgkosten per capita redelijk in de pas is gebleven met de stijging van het BBP per capita. Na 2010 zal, zeker voor Nederland, vergrijzing echter relatief belangrijker worden, waardoor per capita de totale zorgkosten sterker kunnen stijgen en er minder ruimte is voor kostenstijgingen door andere oorzaken. Epidemiologische, medisch-technologische en sociaal-culturele veranderingen kunnen de leeftijdsverdeling van de zorgkosten en ook de vergelijkbaarheid ervan tussen landen in de toekomst echter op niet-voorspelbare wijze veranderen.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Risicoschatting bij tijdelijke normoverschrijding ; rapportage van een haalbaarheidsstudie | RIVM

Bij een normoverschrijding is een beheersbeslissing over de verhandeling van producten vaak op korte termijn gewenst. Hierbij is inzicht in de te verwachten effecten bij de mens door productgebruik noodzakelijk. Het feit dat gezondheidskundige advieswaarden zoals de aanvaarde dagelijkse inname (ADI) zijn afgeleid op basis van levenslange blootstelling, bemoeilijkt een risicoschatting bij tijdelijke overschrijding van wettelijke normen. In dit rapport is een korte inventarisatie gemaakt hoe met deze 'kortdurende' normoverschrijding kan worden omgegaan. 'Kortdurende' normen, d.w.z. normen die zijn afgeleid van korte-termijn toxiciteitsstudies, kunnen worden gebruikt om een snelle indicatie te krijgen over hoe wenselijk een beleidsactie zou kunnen zijn. Op basis van toxiciteitsgegevens en 'expert judgement' is het mogelijk om op kwalitatieve gronden een uitspraak te doen over mogelijke effecten. Een adequate kwantitatieve risicoschatting, kan worden uitgevoerd met behulp van mechanistisch verklarende modellen. Een andere mogelijkheid is het gebruik van statistische modellen die de dosis-effect curven beschrijven. Afhankelijk van de humane blootstellingssituatie kan worden gekozen voor een toxiciteitsstudie met een bepaalde studieduur. Met behulp het RIVM programma PROAST (possible risk obtained from animal studies) kan het effect bij een bepaalde blootstelling worden geschat. De effectschatting in het proefdier kan met behulp van een waarschijnlijkheidsbenadering voor onzekerheden rond inter- en intraspeciesvariatie worden geextrapoleerd naar een effectschatting in de mens. Deze methodiek kan een onderdeel vormen van de 'effectschattingsmodule' in de leidraad 'Handelen bij normoverschrijding'.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Volksgezondheid Toekomst Verkenning 1997; de som der delen | RIVM

Na de vorige Volksgezondheid Toekomst Verkenningen van 1993 worden cijfers over gezondheid, ziekte en hun oorzaken bijgesteld volgens de laatste ontwikkelingen en de nieuwste inzichten. Ingegaan wordt op vragen als: Hoe ongelijk is gezondheid en ziekte verdeeld over jong en oud, arm en rijk? Hoeveel kunnen we in Nederland nog aan gezondheid winnen door verbeteringen in de preventie van ziekten en in de medische zorg? Wat zijn reele verwachtingen over de stijging van het gebruik van gezondheidszorg? Enige trends: de levensverwachting blijft stijgen en de mannen lopen hierbij in op de vrouwen. Sommige ongezonde leefgewoonten nemen toe, zoals roken bij jongeren. De ziektelast wordt overheerst door chronische lichamelijke kwalen, vooral bij de ouderen, maar ook door de psychische problematiek. De tweede VTV wordt uitgegeven in zeven aparte 'thema-rapporten'. Dit rapport bevat de belangrijkste gegevens daaruit, met hun samenhang. Deze serie rapporten kan als achtergrond gebruikt worden bij de vorming van beleid en vormt een nuttige bron van informatie voor werkers in de gezondheidszorg, het onderwijs en de geinteresseerde lezer.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Estimates of the distribution of different fractions of PM10 in the ambient air in the Netherlands | RIVM

Op basis van een aantal rekenregels, die voor het merendeel zijn afgeleid van gegeneraliseerde meetresultaten, is een verdeling van PM10 over vijf categorien nl: PM10, PM2.5, PM0.1, secundair aerosol en koolstofhoudend aerosol berekend voor de buitenlucht in een vijftal regio's in Nederland waarbij ook onderscheid gemaakt is in de bijdrage van Nederlandse en buitenlandse bronnen. Op basis van deze analyse is een verdeling van bijdrage van Nederlandse versus buitenlandse bronnen van 40% resp. 60% afgeleid. Deze berekende bijdrage van Nederlandse bronnen is groter dan vroeger was aangenomen en wordt voornamelijk veroorzaakt doordat een groter aandeel van de grovere fractie in de PM10 samenstelling is verondersteld. De concentratiegradienten van PM10 in Nederland zijn gering. Het beeld van een homogene 'deken' van PM10 concentraties moet echter onder invloed van bovenstaande resultaten worden bijgesteld tot dat van een 'lappendeken'. Concentratieverschillen in Nederland zijn beperkt door de grote dichtheid van verschillende bronnen maar de samenstelling van het PM10 aerosol kan in verschillende gebieden in Nederland wel uiteenlopen. Doordat die verschillende bronnen hun eigen emissiekarakteristiek hebben kunnen zij lokaal de concentratie en samenstelling van PM10 toch behoorlijk beinvloeden. De berekende concentraties in het beeld van de 'lappendeken' komen goed overeen met de PM10 concentraties zoals gemeten in het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit die in een range van 35-45 mug/m3 liggen.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Opzet voor een leidraad bodembeoordeling bij natuurontwikkeling; raamwerk van een ecotoxicologische risicobeoordeling voor natuurontwikkeling binnen de Ecologische Hoofdstructuur | RIVM

Deze Leidraad kan gebruikt worden bij begrenzing, inrichting, beheer en eventueel aankoop van landbouwgronden, bestemd voor natuurontwikkeling binnen de EHS. Deze gronden zijn vaak licht verontreinigd, mogelijk zodanig dat de nagestreefde natuurdoelen niet haalbaar zijn. Daarom beoogt de Leidraad op basis van een ecotoxicologische risico-inschatting een uitspraak te doen over of een locatie vanuit het oogpunt van bodemverontreiniging kansrijk genoeg is voor de ontwikkeling van een natuurdoeltype en of deze kansrijkdom zo nodig vergroot kan worden via inrichtings- of beheersmaatregelen. De kerngedachte binnen de Leidraad is dat de risicobeoordeling rekening houdt met 'beschikbare gehalten' in de bodem, aangezien de blootstelling van organismen kan veranderen bij veranderende bodemcondities (pH, redox, organische stof) welke op kunnen treden bij de overgang van landbouw naar natuur. Het raamwerk van de Leidraad bestaat uit de volgende modules: definitie van de huidige situatie en basisgegevens, gewenste natuurdoeltypen en scenario's, prognose van de toekomstige bodemcondities, prognose van de toekomstige (metaal)concentraties, beoordeling van ecotoxicologisch risico, integratie en eindbeoordeling. Er zijn aanbevelingen opgenomen om de modules concreet in te vullen tot een operationeel systeem.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Mapping the Potentially Affected Fraction (PAF) of species as an indicator of generic toxic stress | RIVM

De Potentieel Aangetaste Fractie (PAF) is het deel van de soorten blootgesteld boven de geen-effect concentratie (NOEC). De PAF is een maat die het mogelijk maakt toxische stress tussen stoffen en gebieden onderling te vergelijken. In het rapport wordt de PAF uitgerekend voor 4 zware metalen (cadmium, koper, lood en zink) en een selectie van landbouwbestrijdingsmiddelen. PAF waarden liggen in grote delen van Nederland in de range 5-50%, met als belangrijkste probleemgebieden de hoge zandgronden van Brabant en Utrecht en belangrijkste probleemstoffen koper en zink.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

The oral bioavailability of sodium nitrite investigated in healthy adult volunteers | RIVM

Het nitraat-gehalte in drinkwater en voedingsmiddelen dreigt steeds verder toe te nemen in West-Europese landen. De toxiciteit van nitraat is laag. In het eerste deel van het maag-darmkanaal wordt echter een deel van het nitraat omgezet in nitriet, dat meer toxisch is. Het nitriet dat gevormd wordt kan alleen aanleiding geven tot systemische toxiciteit als het wordt geabsorbeerd uit het maag-darmkanaal. De orale biobeschikbaarheid van natriumnitriet werd daarom onderzocht in gezonde proefpersonen. De studie had een open, 3-weg gekruisde en gerandomiseerde proefopzet. Aan 9 proefpersonen werden 2 enkelvoudige, orale doseringen en een enkelvoudige, intraveneuze dosering van natriumnitriet toegediend. Gedurende 24 uur na doseren werden, op regelmatige tijdstippen, plasma monsters verzameld voor nitraat/nitriet analyse. Deze studie toont aan dat, onder nuchtere omstandigheden 90-95% van het nitriet wordt geabsorbeerd uit het maag-darmkanaal. Nitriet wordt snel uit het plasma geklaard met een terminale halfwaarde-tijd van ongeveer 30 minuten.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Mapping the Potentially Affected Fraction of Avian and Mammalian Target Species in the National Ecological Network | RIVM

In dit rapport wordt een methode beschreven waarmee de Potentieel Aangetaste Fractie (PAF) voor doelsoorten (vogels en zoogdieren) behorende bij de natuurdoeltypen van de ecologische hoofdstructuur in Nederland kan worden berekend. De PAF is de fractie van de doelsoorten die blootgesteld is aan concentraties die hoger zijn dan de No Effect Concentratie (NEC) van de doelsoorten. De methode wordt verduidelijkt aan de hand van drie zware metalen: cadmium, koper en zink. De PAF's voor het achtergrondgehalte van cadmium zijn tamelijk hoog (>0.1) in West- en Noord-Nederland en relatief laag in de zandstreken in het oosten, midden en zuiden van Nederland. Uitgaande van het totale gehalte van cadmium in de bodem blijkt dat het grootste deel van Nederland PAF's heeft van meer dan 10%, met uitzondering van de duinen in Noord-Holland en de Waddenzee, de Waddenzee zelf en sommige delen van Drenthe. De anthropogene bijdrage is met name hoog in de zandgebieden en speciaal in de Kempen (PAF-waarden van meer dan 50%). De PAF's voor het achtergrondgehalte van koper zijn relatief hoog in de duinen en langs de grote rivieren. De PAF's voor het totale gehalte aan koper zijn bijna even hoog als die voor het achtergrondgehalte. Hierdoor worden dan ook geen hoge PAF-waarden gevonden voor de anthropogene bijdrage (alle PAF's kleiner dan 10% en de meeste kleiner dan 1%). De PAF's voor het achtergrondgehalte van zink zijn relatief hoog in the veengebieden van West- en Noord-Nederland en langs de grote rivieren. De PAF's voor het totale gehalte zijn gemiddeld iets hoger dan die voor het achtergrondgehalte in de veengebieden in West Nederland en hetzelfde in de overige gebieden van Nederland. Hierdoor worden slechts in de westelijke veengebieden hogere PAF's gevonden (tussen 10 en 25%) voor de anthropogene bijdrage. Ondanks een aantal tekortkomingen in het toegepaste model kan niet worden uitgesloten dat significante stress optreedt bij de hoogste PAF-waarden. Validatie van de resultaten wordt wenselijk geacht.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Receptuur voor de berekening van de Indicator Effecten Toxische Stoffen (Itox) | RIVM

De rekenwijze voor de berekening van de Potentieel Aangetaste Fractie (PAF) zoals beschreven in het definitierapport van Hamers et al. (1996) is voor 49 stoffen (zware metalen, pesticiden en organische verbindingen) uitgevoerd. Voor zowel de individuele stoffen (PAF) als alle beschouwde stoffen tezamen (Itox) is de toxische druk becijferd. Uit recente emissiecijfers zijn met SimpleBox vs 2.0 voor het jaar 1995, concentraties geschat in de compartimenten oppervlaktewateren en bodems. Vervolgens is de toxische druk berekend. De rekenwijze zoals die is beschreven en gehanteerd, wordt voorgesteld om in het vervolg te gebruiken voor de becijfering van de PAF en de Itox.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Verantwoording van gegevens en procedures voor de 1e tranche interventiewaarden: van RIVM-rapporten naar de Notitie Interventie-waarden bodemsanering | RIVM

In 1994 is de Notitie Interventiewaarden Bodemsanering aangeboden aan de Tweede Kamer en zijn na goedkeuring door de Tweede Kamer de interventiewaarden van kracht geworden. Tijdens het proces van de eerste rapportage van zowel de humaan-toxicologische als ecotoxicologische onderbouwing van voorstellen voor de interventiewaarden (rapportnrs. 725201001, 725201006 en 725201007) naar de Notitie Interventiewaarden Bodemsanering zijn, mede naar aanleiding van het TCB-advies, wijzigingen aangebracht in modellen, parameters en gegevens, welke nooit gerapporteerd zijn. Dit rapport biedt een reconstructie van (wijzigingen in) gebruikte gegevens, modellen en parameters. Geconstateerd wordt dat voor een zestal stoffen de wateroplosbaarheid met een verkeerde eenheid is ingevoerd, met gevolgen voor de berekende humaan-toxicologische ernstige-bodemverontreinigingsconcentraties en in een aantal gevallen ook de interventiewaarden voor grond en/of grondwater. Ook de spreiding (onzekerheid) die voor een aantal fysisch-chemische parameters in de literatuur gevonden werd, heeft gevolgen voor de afgeleide voorstellen voor de interventiewaarden voor bodem en grondwater voor de stoffen van de 1e tranche. Op basis van deze inventarisatie worden voor een aantal stoffen voorstellen gedaan voor bijstelling van de interventiewaarde grond (dichloormethaan, pyridine, cyclohexanon en tetrahydrofuran) en voor vijf (carbaryl, carbofuran, pyridine, tetrahydrofuran en tetrahydrothiofeen) van de zes stoffen waarvan de wateroplosbaarheid foutief is ingevoerd, zijn bijstellingen noodzakelijk in de interventiewaarden grondwater. Bovendien is nu een voorstel mogelijk voor propoxur. Voor chryseen wordt een bijgesteld voorstel gedaan naar aanleiding van nieuwe gegevens verkregen bij de inventarisatie van de fysisch-chemische parameters.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Energiegebruik en emissies per vervoerwijze | RIVM

Dit rapport vormt de basis voor een realistische vergelijking tussen verschillende personen- en goederenvervoerwijzen voor wat betreft energiegebruiks- en emissiefactoren. Veel aandacht wordt besteed aan de effecten op energiegebruik en emissies van een verschuiving in de modal mix. Het energiegebruik en de emissies als gevolg van de productie van brandstof en elektriciteit zijn in de energie- en emissiefactoren verrekend. De voornaamste conclusies zijn: (1) Het elektrisch personenvervoer (tram/metro/trein) is anno 1995 energiezuiniger en heeft lagere emissiefactoren dan alle andere beschouwde vormen van gemotoriseerd personenvervoer. De stadsbus scoort bij de huidige bezettingsgraad voor wat betreft gemiddeld energiegebruik iets beter dan de personenauto in de stad, de stadsbus emitteert gemiddeld echter wel 3 maal zoveel NOx en deeltjes dan de personenauto. De touringcar heeft van alle beschouwde personenvervoerwijzen het laagste energiegebruik per reizigerkilometer. (2) Een vergelijking zoals hierboven tussen energiegebruik en emissies per reizigerkilometer van verschillende personenvervoerwijzen zegt niets over het effect op energiegebruik en emissies van een verschuiving van auto naar openbaar vervoer. edere toename van het gebruik van stadbussen ten koste van het personenautogebruik leidt bij de huidige lage bezettingsgraad van stadsbusvervoer tot een vermeden energiegebruik en emissie ter grote van het energiegebruik en de emissies die gepaard gaan met het personenautogebruik. (3) Wanneer verondersteld wordt dat de voorgenomen aanscherping van de emissienormering voor wegverkeer wordt doorgevoerd en dat emissienormering voor diesel-elektrische treinen in de periode 1995-2010 niet van de grond komt, zal de milieuwinst van elektrisch railvervoer ten opzichte van wegverkeer in 2010 kleiner zijn dan in 1995. (4) Het goederenwegvervoer door vrachtwagens en trekkers gebruikt anno 1995 ca. 2 tot 2.5 maal zoveel energie per tonkilometer als de binnenvaart en het goederenrailvervoer bij de huidige verschillen in de aard van de door de verschillende vervoerwijzen vervoerde goederen. De emissies van elektrisch goederenrailvervoer zijn zeer veel lager dan die van goederenwegvervoer en binnenvaart. (5) Gezien de snelle aanscherping van de emissiewetgeving voor vrachtwagens en trekkers en het achterblijven van emissiewetgeving bij het goederenrailvervoer en de binnenvaart zal het milieunadeel van het goederenwegvervoer bij de huidige beleidsvoornemens in de toekomst afnemen.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Een indicatorsysteem voor life support functies van de bodem in relatie tot biodiversiteit | RIVM

In het Strategisch Plan van Aanpak biodiversiteit (SPA) worden beleidsdoelstellingen ontwikkeld voor het behoud van biodiversiteit buiten de Ecologische Hoofdstructuur. Het duurzaam gebruik van ecosysteemprocessen is hierbij een belangrijk uitgangspunt voor het behoud van functies. De rijksoverheid wil een landelijk beeld van de kwaliteit van bodemecosystemen als productiemiddel (bijv. landbouw) voor de mens en als ecosysteem dat bijdraagt aan de instandhouding van een zo natuurlijk en stabiel mogelijk milieu. Aspecten zoals gesloten stofkringlopen (geen uitspoeling), natuurlijke plaagregulatie, laag energieverbruik en efficient ruimtegebruik zijn daarbij belangrijk. Het geheel aan ecologische processen dat bijdraagt aan het (natuurlijk) functioneren wordt aangeduid met de term Life Support System. De bodem is een belangrijke drager van life support functies. De meeste functies zijn een resultante van de activiteiten van bodemorganismen. Daarom is er primair behoefte aan een bodembiologisch indicatorsysteem waarmee een beeld kan worden gegeven van de mate waarin life support functies worden bedreigd. De ontwikkeling van zo'n indicator is tevens van belang voor gebruik in de milieu- en natuurverkenningen. Bij de opzet van een indicatorsysteem is uitgegaan van een functioneel gerichte invalshoek met de volgende hypothese: De bedreiging van de vitale bodemprocessen is gerelateerd aan het aantal (groepen van) soorten die aanwezig zijn voor het uitvoeren van een bepaald proces. Als referentie dient het aantal betrokken soorten in een natuurlijke ongestoorde situatie (referentie). In eerste instantie zijn de belangrijkste life support functies van de bodem geselecteerd. Vervolgens zijn bijbehorende processen beschreven, met de soortgroepen die hier verantwoordelijk voor zijn. Bij de keuze van de uiteindelijke indicatoren (=hetgeen berekend of gemeten wordt) zijn praktische aspecten als meetbaarheid, kosten van analyse en de diversiteit van vertegenwoordigde functies in beschouwing genomen. Zonder volledig te kunnen zijn, is gestreefd naar het verkrijgen van een representatieve doorsnede van het bodemecosysteem, waaruit m.b.v. modellen kwantificering van een aantal life support functies mogelijk is. Dit heeft geresulteerd in een set van 12 verschillende indicatoren.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

De milieu-effecten van verstedelijking ; literatuurstudie en synthese | RIVM

Stedelijke activiteiten veroorzaken verschillende milieu-effecten, zoals lucht-, water- en bodemverontreiniging, geluidhinder en aantasting van natuur en landschap. Het ruimtelijk beleid kan een bijdrage leveren aan het beperken van negatieve milieu-effecten door de keuze van locaties voor wonen, werken en voorzieningen te beinvloeden. Ten behoeve van beleid en onderzoek zijn in enkele recente studies diverse verstedelijkingsvarianten ontwikkeld, met verschillende uitgangspunten voor de locatie van nieuwe verstedelijking. In verschillende rapporten wordt het beheersen van 'stromen' gezien als mogelijke bijdrage van de ruimtelijke ordening aan het beperken van de milieuconsequenties van verstedelijking. Het gaat hierbij om stromen die de stad in- en uitgaan, zoals verkeer, water, energie, grondstoffen en afval. Door kringlopen van deze stromen te sluiten zouden milieu-effecten kunnen worden verminderd. In dit onderzoek staat de vraag centraal in hoeverre de milieu-effecten van verstedelijkingsvarianten aan de hand van stromen kunnen worden geanalyseerd. Daarbij ligt het accent op verkeer, energie en water. Geconcludeerd wordt dat vanuit milieu-oogpunt een zekere nabijheid tot bestaande steden, nabijheid tot haltes van openbaar vervoer, een zekere bundeling en niet te lage dichtheden gunstig zijn. Een te strikt gehanteerde uniforme verstedelijkingsstrategie voor alle gebieden is echter niet gewenst.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Standplaatskenmerken voor successiestadia van natuurdoeltypen berekend met de Natuurplanner. NEM deelproject 1.7 (abiotisch) | RIVM

Het Centraalbureau voor Statistiek (CBS), Informatie- en Kenniscentrum voor Natuur (IKC-N) en Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) coordineren gezamenlijk het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM) om daarmee de voor het Rijk relevante informatie over de toestand van de natuur te verzamelen. In het NEM deelproject 1.7 'biotisch' zijn door het IBN-DLO de indicatorsoorten beschreven van een 36-tal vegetatieontwikkelings(successie-)reeksen. Iedere reeks heeft als eindstadium een bepaald gewenst natuurdoeltype. In het hier beschreven abiotisch deelonderzoek moest voor ieder successiestadium een range bepaald worden voor vochtgehalte, nutrientenbeschikbaarheid en zuurgraad, waarbinnen deze plantengroep haar optimum heeft. Hierdoor wordt het mogelijk om op grond van de gevonden abiotische ranges, onderscheid te maken in de verschillende successiestadia. Met relatief eenvoudige middelen kan dan vastgesteld worden of een natuurgebied zich in de gewenste richting ontwikkelt. Er zijn echter onvoldoende veldmetingen beschikbaar om de abiotische ranges direct te kunnen bepalen. Daarom is een berekening uitgevoerd met behulp van het multistress vegetatiemodel SMART/MOVE in het computerprogramma de Natuurplanner. Bij een aantal natuurdoeltypen sluiten de milieuranges elkaar duidelijk uit en is er dus groot onderscheidend vermogen tussen de opeenvolgende successiestadia. Uit dit onderzoek wordt duidelijk voor welke natuurdoeltypen het onderscheid op grond van abiotische metingen te maken is en voor welke niet. Tevens is duidelijk welke milieufactoren minder onderscheidend zijn en dus niet gemeten hoeven te worden. Ook worden enkele aanbevelingen gedaan om de methode in de toekomst te verbeteren, waardoor waarschijnlijk meer successiestadia zijn te onderscheiden dan nu het geval is.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Prediction of environmental degradation rates for High Production Volume Chemicals (HPVC) using Quantitative Structure-Activity Relationships | RIVM

In het kader van het EU-project 'Fate and Activity Modelling of Environmental Pollutants using Structure-Activity Relationships' (FAME) zijn schattingen gemaakt van de (bio)degradatiesnelheden van 1073 stoffen in verschillende milieucompartimenten. Deze schattingen zijn uitgevoerd voor alle zuivere stoffen op de lijst van High Production Volume Chemicals (HPVC) lijst van de Europese Unie (4 Juni 1995). Met behulp van QSARs zijn geen schattingen te maken voor de grote groep van mengsels of slecht definieerbare substanties (> 50 % van de HPVC). De gebruikte modellen zijn Kwantitatieve (Quantitative) Structuur-Activiteits Relaties (QSARs) die in een eerder EU-project (nr. EV5V-CT92-0211 'QSARs for Predicting Fate and Effects of Chemicals in the Environment') zijn geselecteerd uit in de vakliteratuur gepubliceerde modellen. De nauwkeurigheid van de schattingen wordt in dit rapport gegeven aan de hand van eventuele validatiestudies en de statistische gegevens van de modellen. Gezien de grote hoeveelheid bestaande stoffen waarvoor nog geen of slechts enkele gegevens over de degradatie-kinetiek in het milieu beschikbaar zijn, kunnen deze schattingen dienen als aanvullende informatie voor prioritering van stoffen en voor de risico-evaluatie van bestaande stoffen in de EU die momenteel wordt uitgevoerd in het kader van de Europese 'Regulation (EEC) 793/93 on existing chemical substances'. Deze schattingen en daarmee ook de geselecteerde QSAR modellen zullen in de toekomst worden gevalideerd met behulp van data van de Europese chemische industrie, die op dit moment verzameld worden door de EU.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Effect van neerslag op nitraat in het bovenste grondwater onder landbouwbedrijven in de zandgebieden; gevolgen voor de inrichting van het MOnitoringnetwerk effecten mestbeleid op Landbouwbedrijven (MOL) | RIVM

Het RIVM en het LEI-DLO onderzochten o.a. de nitraatconcentratie van de bovenste meter van het grondwater onder landbouwbedrijven met het Meetprogramma Kwaliteit Bovenste Grondwater Landbouwbedrijven (MKBGL). Op 40 tot 99 bedrijven in het zandgebied werd jaarlijks gemeten in de periode 1992 tot en met 1995. Deze bedrijven maken deel uit van het LEI-DLO bedrijveninformatienet. De variatie in de tijd van de nitraatconcentratie in de bovenste meter grondwater is waarschijnlijk grotendeels afhankelijk van menselijk handelen en neerslag. Beleid beinvloedt het toekomstige menselijk handelen waardoor de nitraatconcentratie gaat dalen. De nitraatconcentratie is ongeveer gehalveerd tussen 1992 en 1995 terwijl het effect van beleid nog niet wordt verwacht. De nitraatconcentratie daalde nadat de neerslaghoeveelheid toenam. De mate van verdunning van de bovenste meter grondwater, gedurende 1992, 1993, 1994 en 1995 is berekend met gemeten neerslag en verdampingsgegevens en een bodemmodel. De daling is vervolgens verklaard met de verdunning. Systematische verschillen tussen jaren verdwijnen als rekening wordt gehouden met de neerslag. Andere onbekende oorzaken hebben geen duidelijke invloed gehad. Op basis van dit rapport is een voorstel gemaakt voor de inrichting van het MOL-zand. In dit voorstel zijn statistische en praktische overwegingen alsook de randvoorwaarden gesteld door het beleid geintegreerd.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Meetstrategieen voor het Nationaal Plan Kernongevallenbestrijding, Steunpunt NVIC | RIVM

Het rapport is een discussiestuk voor de protocollisering en operationalisering van meetstrategieen ten behoeve van de Volksgezondheid in het kader van de bestrijding van kernongevallen in Nederland. Het Vergiftigingen Informatie Centrum (NVIC) is door het Nationaal Plan Kernongevallen (NPK) aangewezen als Steunpunt Volksgezondheid. De rol van Steunpunt behelst onder meer het geven van advies aan de relevante ministeries, het beleidsteam ; de coordinatie van meetstrategieen en het adviseren omtrent behandeling en follow-up van slachtoffers. In het rapport wordt een overzicht gegeven van de beschikbare fysische, biologische en klinische dosimetrische methoden. Een keuze voor de idealiter uit te voeren meetstrategie wordt vervolgens beschreven. Twee handelingsplannen worden voorgesteld. Het eerste plan zal ten uitvoer worden gebracht voor en tijdens de bestrijdingsfase van het ongeval, de tweede serie metingen is van belang voor de afwikkelingsfase van het ongeval en evaluatie en follow-up van patienten. Naar aanleiding van de uitslagen van de metingen kunnen eventueel (aanvullende) directe of indirecte maatregelen worden overwogen. De hoogte van de interventieniveau's, zoals gedefinieerd in NPK 1991, dient als richtlijn voor het starten van opeenvolgende typen metingen. Deze metingen dienen te worden verricht door eerstelijns hulpverleners, de regionale gezondheidsdiensten en aangewezen ziekenhuizen. Verschillende (nog) in te vullen randvoorwaarden voor de meetstrategie VGZ vormen het besluit van dit rapport.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Source apportionment and quantification of nitrogen transport, and retention, in the River Rhine | RIVM

Voor het opstellen van effectieve maatregelen ter reductie van de toevoer van nutrienten naar zee middels rivieren, is een brontoebedeling van de nutrientvracht naar zijn oorsprong (van diffuse of puntbronnen) benodigd. Het doel van de studie was het toebedelen van de stikstofvracht naar zijn oorsprong van punt- en diffuse bronnen en het quantificeren van de stikstof vracht, emissie en retentie in de supranationale rivier de Rijn en zijn voornaamste zijrivieren. Deze overkoepelende doelstelling houdt onderzoek in naar de verschillen tussen 30 sub-stroomgebieden met betrekking tot de bijdrage van punt- en diffuse bronnen van stikstof, oppervlakspecifieke emissie en retentie. Daarbij is een vergelijking gemaakt tussen twee methoden van brontoebedeling en vrachtanalyse. Het onderzoek richt zich op de periode 1990-1995.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Monitoring Milieu-Gezondheid ; verslag van een workshop, 12 november 1996, RIVM, Bilthoven | RIVM

Deelnemers aan de bijeenkomst waren afkomstig van de Rijksoverheid (VWS, VROM), van regionale overheden (Provincies, GGD'en) en van het RIVM. Doel van de werkbijeenkomst was het bespreken van de door opdrachtgevers gewenste functionaliteit van monitoringssystemen in relatie tot de beschikbare methoden, informatiebestanden en onderzoeksmiddelen. Het programma van de werkbijeenkomst voorzag in enkele presentaties over achtergronden van monitoring, de informatiebehoefte van de opdrachtgevers, over ontwikkelingen in milieu, ruimte en gezondheidsonderzoek, effectindicatoren, en de functionaliteit van een monitoringsprogramma. Daarnaast was er, aan de hand van voorbeeld-cases, een discussie over gewenste effectgroottes, en de consequenties van fout-positieve en fout-negatieve bevindingen. In de algemene discussie aan het einde van de workshop werd beklemtoond dat monitoringsprogramma's elk afzonderlijk dienen te worden getoetst aan criteria zoals die tijdens de workshop naar voren kwamen. Er werd onderkend dat een monitoringsinstrument selectief moet worden ingezet op het gebied van milieu en gezondheid. Initiatiefnemers van monitoringsprogramma's kunnen zowel opdrachtgevers als opdrachtnemers zijn ; van groot belang is dat tijdens de ontwerpfase tussen beiden overleg plaats vindt over de doelstellingen, de beoogde effectgrootte die het systeem moet detecteren, de haalbaarheid en de betrouwbaarheid van een monitoringsprogramma (kans op type-I of type-II fouten). Op basis hiervan kunnen weloverwogen beslissingen genomen worden over het wel of niet doorgaan van deze, veelal jaren durende, programma's
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Acute intoxicaties met lampolie in 1996 | RIVM

De laatste jaren is bij het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum (NVIC) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) een toename geconstateerd in het aantal verzoeken om informatie na ingestie van lampolie. In 1996 is daarom een nader prospectief onderzoek opgezet naar intoxicaties door ingestie van lampolie. Doel van dit onderzoek is een beter inzicht te krijgen in de omstandigheden van blootstelling, de frequentie van optreden van intoxicaties en de aard en ernst van de uit de intoxicatie voortvloeiende gezondheidseffecten. In samenwerking met de Inspectie Gezondheidsbescherming (IGB) zijn vanaf medio 1996 additionele en meer gedetailleerde gegevens gevraagd met betrekking tot het specifieke blootstellingsscenario en productgegevens van de lampolie en olielampjes. Het belangrijkste risico van de ingestie van lampolie, voornamelijk door kleine kinderen, is het optreden van aspiratie en het ontstaan van chemische pneumonitis. In deze studie zijn bij meeste van de blootgestelde personen symptomen opgetreden. Prikkelhoest trad het meest frequent op gevolgd door braken en sufheid. Bij een aantal personen is chemische pneumonitis gemeld. De ingestelde therapieen waren niet alle conform de richtlijnen van het NVIC. Artsen dienen over de risico's en de ongewenste effecten hiervan geinformeerd te worden. Een belangrijk deel van de kinderen drinkt de lampolie uit het olielampje ; het verdient derhalve aanbeveling de waarschuwingen die op de flessen lampolie staan ook op de etiketten van de verpakkingen van olielampen aan te brengen. Tezamen met verbeterde kinderveilige sluitingen op de flessen kunnen deze maatregelen een bijdrage leveren in de reductie van het aantal blootstellingen aan lampolie.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Evaluatie en herziening van de meetstrategie voor Vluchtige Organische Componenten in het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit | RIVM

Dit rapport beschrijft de evaluatie en herziening van de meetstrategie voor Vluchtige Organische Componenten (VOC). Deze groep van stoffen wordt In het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit sinds 1993 gemeten. Uit de evaluatie bleek dat zowel de meetnetconfiguratie als de tijdsresolutie van de meetwaarden niet meer optimaal aansloten bij de informatie-behoeften op terreinen van beleidsondersteuning en beleidsontwikkeling. Bij de definitie van een nieuwe meetstrategie voor VOC zijn de uitgangspunten opnieuw gedefinieerd als a) het voldoen aan de meetverplichting voor benzeen en de daarmee samen-hangende informatiebehoeften (vooral het gebruik van gegevens voor het OPS- en het CAR-model is hierbij van belang) en b) de ondersteuning van het project Koolwaterstoffen 2000. Voor de meetconfiguratie is gekozen voor drie regionale stations (volgens het principe 'zuid-midden-noord') ; hierdoor wordt rekening gehouden met de invloed van buitenlandse bronnen, de invloed van het Rijnmondgebied en de grootschalige achtergrond. Voor de beschrijving van de luchtkwaliteit in steden zijn, naast een stadsstation, vier straatstations opgenomen. Tot slot is een meetpunt in het Rijnmondgebied opgenomen. In deze configuratie is een regionaal samenhangende set 'regionaal station-stadsstation-straatstation' gedefinieerd. De tijdsresolutie van de monsternemingen is een dag (voor de regionale samenhangende set van stations [regionaal-stad-straat] in het midden van Nederland, het station in het Rijnmondgebied) of een week (overige stations). Het OPS model dat maand- tot jaargemiddelde VOC concentraties op nationale schaal met een oplossend vermogen van 5x5 km berekent, maakt ter validatie gebruik van de gegevens van de regionale en, in beperkte mate, van de stedelijke stations. Het CAR model dat jaargemiddelde concentraties van verkeersgerelateerde componenten in straten berekent, vraagt ter ondersteuning de gegevens van de straat- en stadsstations. Het project Koolwaterstoffen -2000 wordt ondersteund door het meetpunt in het Rijnmond-gebied en, in mindere mate, door de regionale meetpunten in het midden en het noorden van het land.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Freundlich-adsorptievergelijkingen voor cadmium, koper en zink in de bodem op basis van literatuurgegevens | RIVM

Voor de drie zware metalen cadmium, koper en zink zijn Freundlich-adsorptievergelijkingen (Freundlich-isothermen) afgeleid door regressie op een uitgebreide literatuur dataset. De Freundlich constante werd hierbij beschreven als functie van bodemkarakteristieken zoals pH, CEC en organisch stofgehalte. Freundlich isothermen werden afgeleid op basis van zowel de totale concentratie in oplossing als de activiteit van het vrije metaalion in oplossing. De Freundlich isothermen zijn toegepast op een velddataset voor een twintigtal Nederlandse bodems. In het algemeen lijken de isothermen het gemeten gehalte te onderschatten. Niettemin bieden de isothermen een aanvulling op momenteel beschikbare partitiegegevens voor (modelmatige) schattingen van mobiliteit en biobeschikbaarheid van metalen in de bodem.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Short term toxicity of bis(tri-n-butyltin)oxide in flounder(Platichthys flesus) ; pathology and immune function | RIVM

Veldonderzoeken uitgevoerd in diverse verontreinigde kustwateren in zowel Europa als de Verenigde Staten laten een duidelijke relatie tussen vervuiling en een toegenomen prevalentie van tumoren en infectieziekten bij vissen zien. Een van de chemische verbindingen in de veelheid van xenobiotica die gevonden kunnen worden in vervuilde wateren en sedimenten is de organotinverbinding tributyltin (TBT), hoofdzakelijk afkomstig van verf waarmee scheepshuiden worden behandeld om ongewenste aangroei van onder andere algen en schelpdieren tegen te gaan. Dit rapport beschrijft een onderzoek waarin botten (Platichthys flesus) via het water werden blootgesteld aan bis(tri-n-butyltin)oxide (TBTO) onder gecontroleerde laboratoriumomstandigheden. De mogelijke histopathologische effecten aan diverse organen (kieuw, huid, ogen, lever, buiknier, ovarium/testikel, milt en maagdarmkanaal) werden onderzocht en tevens werd er een morfometrisch onderzoek van de thymus (zwezerik) uitgevoerd om de doelorganen van TBTO bij de bot vast te stellen. Daarnaast werd het functioneren van zowel de specifieke- als aspecifieke afweer onderzocht door gebruik te maken van ex vivo / in vitro immuun functietesten. Blootstelling van botten aan TBTO gehaltes in dezelfde orde van grootte als de maximaal gemeten TBT gehaltes in de veldsituatie (experiment: 17.3 mug TBT ; veld: 7.2 mug TBT) veroorzaakte sterfte na 7-12 dagen, een vermindering van de conditiefactor, kieuwlaesies en een significante onderdrukking van de aspecifieke weerstand. Er werden geen duidelijke effecten waargenomen op het relatieve volume van de thymus en op het specifieke immuunsysteem na blootstelling aan TBTO.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Interimrapportage van onderzoek naar gastro-enteritis in huisartsenpeilstations (NIVEL 1996-1997). Methoden en resultaten van de eerste vijf maanden | RIVM

Vanaf januari 1996 worden consulten wegens gastro-enteritis geregistreerd door NIVEL-peilstationartsen in Nederland. Tevens wordt sinds mei 1996 een patient-controleonderzoek uitgevoerd onder deze patienten en op leeftijd gematchte controles die de huisarts consulteren met andere klachten dan gastro-enteritis. Patienten en controles worden gevraagd een vragenlijst in te vullen en een faecesmonster te verzamelen. Met behulp van een vragenlijst wordt informatie verzameld over onder andere leeftijd, geslacht, hoogst voltooide opleiding, nationaliteit, bezoek aan buitenland, zwemmen, geconsumeerde voedselproducten, voedselbehandeling, chronische maag-darmklachten en huisdierbezit. Faecesmonsters worden onderzocht op Salmonella, Campylobacter, Yersinia, Shigella, E.coli O157/VTEC, rotavirus, adenovirus, astrovirus, SRSV en alle darmparasieten. In dit rapport worden de studie-opzet en de resultaten tot september 1996 gepresenteerd. De incidentie van gastro-enteritis, gebaseerd op de registratie van januari tot september 1996 was 0,8 per 100 persoonjaren. Een vragenlijst en faecesmonter werden ontvangen van 64% van de geregistreerde patienten. In 53% van de patienten en in 53% van de controles werd een pathogeen micro-organisme gevonden. Deze studie wordt in 1997 voortgezet.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

The second Dutch national survey on radon in dwellings: set-up of the project | RIVM

In 1994 verleende het Ministerie van VROM aan RIVM de opdracht tot het uitvoeren van een landelijk onderzoek naar radon in woningen. De opzet van dit landelijke onderzoek vormt het onderwerp van dit rapport. De doelstellingen van het onderzoek waren: a) bepalen van de gemiddelde radonconcentratie (222Rn) en de spreiding daarin voor woningen gebouwd na het afsluiten van een vergelijkbaar onderzoek in 1984, en b) vaststellen wat de relatieve bijdrage is van bodem en bouwmaterialen aan de radonconcentratie in recent gebouwde woningen. Deze gegevens zullen worden gebruikt bij het selecteren van mogelijke tegenmaatregelen en bij het evalueren van de effectiviteit van de regelgeving op het gebied van radon. Voor ieder van beide te beantwoorden vragen werd een afzonderlijke steekproef uit het Nederlandse woningbestand genomen. De eerste vraag werd beantwoord aan de hand van een steekproef van circa 1000 woningen, die in de periode 1985 tot 1993 zijn gebouwd in 52 gemeenten. De samenstelling van de steekproef wijkt voor een aantal kenmerken af van het Nederlandse woningbestand. Het meest opvallend is de oververtegenwoordiging van eengezins- en eigen woningen. De tweede vraag werd beantwoord middels een onderzoek in ongeveer 450 eengezinswoningen verdeeld over 14 gemeenten en gebouwd op uiteenlopende bodems. Geografische verschillen in bouwwijze leidden tot het onderscheiden van twee groepen gemeenten: deze met hoofdzakelijk tussenwoningen en die met vooral halfvrijstaande en vrijstaande woningen. Gegevens over radon en bronnen van radon werden verzameld met radon-meetbekers, door het plaatsen van zogenaamde PFT-bronnen en -adsorbers voor het meten van luchtstromen, het bemonsteren van grond en het invullen van een vragenlijst over bouwkundige kenmerken en ventilatiegedrag. De onderzoeksresultaten worden behandeld in RIVM rapport 610058006.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Microbial pesticides [data requirements for environmental risk assessment] | RIVM

De afzetmarkt voor microbiele pesticiden is groeiende. Derhalve wordt in de nabije toekomst naar verwachting meer onderzoek uitgevoerd met dergelijke pesticiden, niet alleen om economische en agronomische, maar ook om milieu-redenen. Omdat steeds meer chemische pesticiden van de markt worden gehaald, kunnen microbiele middelen een interessant alternatief voor boeren en tuinders worden, temeer ook daar ze een meer milieuvriendelijk imago hebben. Bij de toelating betrokken instanties dienen een consistent raamwerk op te zetten wat betreft de gegevens die aangeleverd moeten worden door de firma's. Een dergelijk raamwerk bestaat in de VS en Canada, maar niet in Europa. Wel werkt de Europese Commissie (EC) momenteel een voorstel uit. Al deze raamwerken gaan vooral over de aan te leveren gegevens in het algemeen en in mindere mate over testprotocollen (VS en Canada uitgezonderd), de wijze van rapportage en de kwaliteit van de gegevens. Ook bestaan er geen richtlijnen hoe een risicobeoordeling uitgevoerd moet worden op grond van de aangeleverde gegevens. Het wordt derhalve aanbevolen om een specifiek Nederlands raamwerk - betreffende data vereisten en vervolgens de milieu-risicobeoordeling - op te zetten als aanvulling op het EC voorstel. Dit rapport bevat een beknopt overzicht van de door de overheid gevraagde gegevens bij de toelating van microbiele pesticiden in de VS, Canada, Denemarken, Nederland en Groot-Brittannie. Deze worden vergeleken met het EC voorstel van januari 1997. Dit rapport bevat eveneens diverse aanbevelingen met betrekking tot de verdere ontwikkeling van een Nederlands raamwerk voor de te vragen gegevens, de risicobeoordeling en het risicomanagement.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

GLOBETOX Modelling the global fate of micropollutants | RIVM

De technische details van GlobeTox, een verspreidingsmodel voor toxische stoffen in het milieu, zijn beschreven. GlobeTox is ontwikkeld om als toxische stoffenmodule te functioneren binnen het geintegreerde simulatiemodel TARGETS (Tool for Assessment of Regional and Global Environmental and health Targets for Sustainability). GlobeTox is een multimedia boxmodel van het zogenaamde MacKay-type, waarin de omgeving gemodelleerd is als een serie van 30 homogene compartimenten op twee spatiele schalen: vier continentale eilanden zijn genest in een wereldwijde oceanische achtergrond. Elk van de vier continentale eilanden omvat de compartimenten atmosfeer, oppervlakte water, sediment, natuurlijke bodems en gecultiveerde bodems. Het compartiment oceaan bestaat uit zeven lagen water, ijskappen, sediment en atmosfeer. In GlobeTox wordt de verspreiding van chemicalien gemodelleerd op basis van evenwichtsvergelijkingen met behoud van massa voor alle compartimenten. Massafluxen van een chemische stof naar en van de compartimenten worden in algemene mechanistische termen weergegeven, gebaseerd op fysisch-chemische eigenschappen van de stof en karakteristieken van het compartiment. Input in GlobeTox wordt gevormd door tijdseries van emissiesnelheden in elk continent en fysisch-chemische eigenschappen (afbraakconstante en transportcoefficienten). Op basis van deze input simuleert GlobeTox concentratieprofielen van de chemische stof in de verschillende compartimenten. GlobeTox is getest met vier typische voorbeelden van toxische microverontreiningen van verschillende bronnen en met verschillende fysisch-chemische eigenschappen: DDT, PCBs, DEHP, en lood. Een eerste vergelijking van de gesimuleerde concentraties met eenvoudig te benaderen gerapporteerde gemeten concentraties, indiceert dat (i) de voorspelde concentraties de juiste orde van grootte hebben en (ii) dat de trends in de tijd redelijk lijken. Echter, verder testen en validatie van het model moet nog plaatsvinden om hierover verder uitkomst te bieden.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Bioconcentration of gaseous organic chemicals in plant leaves: comparison of experimental data with model predictions | RIVM

Stoffen zijn in het milieu verdeeld over de compartimenten bodem, lucht, water en biota. Planten kunnen stoffen accumuleren na opname uit de bodem en de lucht. Planten vormen een belangrijk onderdeel van het dieet van zowel mensen als van vee en kunnen een substantiele bijdrage leveren aan de totale dagelijkse inname van een stof door de mens. Deze studie is uitgevoerd ter onderbouwing van de implementatie van twee modellen in USES 1.0 en de Europese versie EUSES, die in 1997 beschikbaar wordt. Het Uniform Beoordelingssysteem Stoffen, USES 1.0 is ontwikkeld om het levenslang risico te schatten van indirecte blootstelling van de mens en van toppredatoren. Een van de in USES 1.0 ingebouwde blootstellingsroutes van planten is de overdracht van gasvormige stoffen uit de lucht aan bladeren van planten. Daartoe is het model van Riederer geimplementeerd. De meer uitgewerkte benadering van Trapp en Matthies houdt rekening met de dynamiek van opnameprocessen, en zal in de nieuwe Europese versie EUSES, worden opgenomen. In deze literatuurstudie zijn de modellen van Riederer en Trapp en Matthies geevalueerd door hun uitkomsten te vergelijken met experimenteel bepaalde blad-lucht partitiecoefficienten (K l/a) die in de literatuur gevonden zijn. De gevonden experimentele gegevensset is beperkt, zodat conclusies alleen met de nodige voorzichtigheid getrokken mogen worden. Voor kruidachtige planten geven beide modellen goede schattingen van de blad-lucht partitiecoefficienten tot een niveau van 1.0 E+7, met afwijkingen voor de meeste stoffen tot een factor 5. Voor stoffen waarvoor Riederer een K l/a hoger dan 1.0 E+7 voorspelt, geeft de methode van Trapp en Matthies wellicht een realistischer schatting.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Estimation methods for bioaccumulation in risk assessment of organic chemicals | RIVM

Methodes voor het inschatten van bioaccumulatie van organische stoffen worden ge-evalueerd. Deze studie is beperkt tot drie typen organismen: vis, wormen en planten (bladgewassen, wortelgewassen en gras). We stellen een simpel mechanistisch model voor dat goed presteert t.o.v. gemeten waarden. Om de dynamiek van bioaccumulatie te evalueren is een simpel een-compartimentsmodel geselecteerd en geparametriseerd. Voor specifieke fysisch-chemische eigenschappen zal de concentratie in het organisme langzaam reageren op veranderingen in de milieuconcentraties. Dit heeft in het algemeen geen invloed op de schatting van lange termijn gemiddelde concentraties die relevant zijn voor risicoanalyse.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Consumer Behaviour, a modelling perspective in the context of integrated assessment of global change | RIVM

De consumptie van producten en diensten door mensen oefent een belangrijke invloed uit op het mondiale ecosysteem. Vooralsnog wordt consumptief gedrag impliciet meegenomen in 'integrated assessment' modellen voor 'global change' (b.v TARGETS). In dit rapport worden verschillende theorieen omtrent gedrag samengebracht in een generiek gedragsmodel. Dit gedragsmodel dient als leidraad bij het ontwikkelen van een gecomputeriseerd gedragssimulatieprogramma. Zo'n simulatiemodel vormt een instrument dat gebruikt kan worden bij het verrijken en valideren van toekomstprojecties zoals die worden ontwikkeld met behulp van integrated assessment modellen, en om beleidsmakers aangrijpingspunten te bieden bij het ontwikkelen van beleidsprioriteiten en effectieve strategieen gericht op een duurzame ontwikkeling.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

De schatting van de blootstelling van de mens aan stoffen en straling ; De status van het RIVM-onderzoek | RIVM

De Sector Stoffen en Risico's van het RIVM heeft in 1994 besloten het onderzoek naar risicobeoordelingsmethoden op strategische wijze te versterken. Als onderdeel van deze doelstelling wordt in dit rapport het onderzoeksterrein van de humane blootstellingsschatting op het RIVM in kaart gebracht. Een representatief geachte selectie van humane blootstellingsschattingsmodellen voor stoffen en straling is geanalyseerd op aspecten als doelstelling, principe, mate van modelanalyse en waarden van defaultparameters. Behalve modellen voor stoffen en straling is, ter vergelijking, ook een model opgenomen voor de schatting van de blootstelling van de mens aan micro-organismen. De modellen zijn operationeel of bijna operationeel in de risicobeoordelingen die met name in de Sector Stoffen en Risico's, maar ook in de Sectoren Volksgezondheidsonderzoek en Milieuonderzoek van het RIVM, gemaakt worden. De besproken modellen hebben een concreet toepassingsgebied en staan direct ten dienste van beleidsuitvoering. De deelterreinen stoffen en straling in het blootstellingsonderzoek worden in dit rapport naast elkaar gezet. Methodologisch zijn wat betreft de blootstellingsschatting veel overeenkomsten te ontdekken, maar op het niveau van modellen en parameters ontbreekt nog een goede analyse van de overeenkomsten dan wel de gemotiveerde of ongemotiveerde verschillen. In dit rapport is een eerste aanzet daartoe gedaan. Aanbevelingen worden gedaan ten aanzien van de gewenste situatie op het RIVM. Wat betreft de wensen van de opdrachtgever ten aanzien van dit rapport en het RIVM-Directieproject Humane Blootstelling wordt geconcludeerd dat een belangrijke doelstelling van dit project, namelijk de bevordering van afstemming en communicatie op het onderzoeksterrein van de humane blootstellingsschatting, als gehaald kan worden beschouwd.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

EUSES: Guidance document on emission estimation | RIVM

Sinds het begin van het milieubeleid in de Europese Unie (EU) in 1973 zijn inmiddels de principes van preventie en risico-reductie stevig verankerd in regelgeving door de Europese Commissie tezamen met het concept van risicobeoordeling en -beheer van stoffen. De principes van de risicobeoordeling van nieuwe en bestaande stoffen zijn neergelegd in EC-richtlijnen. De richtlijnen worden ondersteund met een uitgebreid pakket Technical Guidance Documents (TGDs) In opdracht van het European Chemicals Bureau van de EU is een computerprogramma ontwikkeld voor de beoordeling van stoffen, het EUSES (European Union System for the Evaluation of Substances). Voor de schatting van emissies maakt EUSES gebruik van de tabellen uit het TGD. Dit rapport is geschreven om als leidraad te dienen bij het gebruik van deze emissietabellen, die destijds door het RIVM zijn opgesteld. Zij vormen als het ware een vangnet voor al die gevallen bij de beoordeling van een stof, waar geen of onvoldoende specifieke gegevens beschikbaar zijn over concentraties in, of emissies naar het milieu. In dit rapport worden eerst aspecten van de levenscyclus, emissies en bronnen en emissieschatting behandeld. Vervolgens wordt de opzet van de emissietabellen besproken, waarbij ingegaan wordt op het onderscheid in het productieniveau en de categorieen die gehanteerd worden (op basis van het TGD). Tot slot wordt voor een aantal (fictieve) stoffen op basis van de omschrijving van de functie van de stoffen aangegeven hoe zij gecategoriseerd worden en wat de uitkomsten volgens de emissietabellen zijn.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Mengseltoxiciteit: een algemeen overzicht en evaluatie van de veiligheidsfactor van 100 toegepast in het stoffenbeleid | RIVM

De bandbreedte tussen het maximaal toelaatbare risico (MTR) en het verwaarloosbare risico (VR) van 100, wordt beschouwd als een veiligheidsfactor voor het optreden van combinatiewerkingen tussen stoffen. Het huidige rapport (i) geeft een overzicht van de normstellingsprocedure in het algemeen, (ii) geeft een overzicht van algemene begrippen binnen de mengseltoxicologie, (iii) verkent de aannemelijkheid van het optreden van combinatie-effecten in het lage dosisgebied, (iv) geeft een overzicht van strategieen die gevolgd kunnen worden in de risico-evaluatie van mengsels en (v) bevat een evaluatie van de veiligheidsfactor van 100 die wordt gebruikt voor combinatietoxicologie.Er wordt geconcludeerd dat bij lage blootstellingsniveaus, dat wil zeggen blootstellingsniveaus op of onder de norm, interacties tussen stoffen zoals synergisme en antagonisme onwaarschijnlijk zullen zijn. Bij deze lage doseringen kan verwacht worden dat respons-additie ook niet aan de orde zal zijn als wordt aangenomen dat de respons op de afzonderlijke stoffen nul is. Dosis-additie daarentegen is een fenomeen dat bij lage doseringen niet kan worden uitgesloten, dus ook niet bij blootstellingen onder de norm. Er zal dus bij de risico-evaluatie van mengsels van stoffen altijd rekening moeten worden gehouden met het mogelijk optreden van (partiele) dosis-additie. De veiligheidsfactor van 100 kan worden beschouwd als een beleidsmatige 'tool' om te corrigeren voor combinatietoxiciteit in normstellingsprocedures. Om enigzins inzicht te krijgen in de 'veiligheidsmarge' die het gebruik van een factor 100 met zich meebrengt, is voor elke stof de fractionele opvulling van de norm berekend. Door de stoffen te groeperen en binnen een stofgroep volledige dosis-additiviteit te veronderstellen, kon de mate van overschrijding van de MTR worden berekend. In totaal werden 318 drempelwaarde stoffen in 14 stofgroepen ondergebracht. In alle gevallen bleek de veiligheidsfactor van 100 ruim voldoende. Voor bijna alle groepen zou een factor 10 al toereikend kunnen zijn.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

A database of methane concentrations as measured in the Netherlands and Europe | RIVM

Om meer inzicht te verkrijgen in de emissies en bronnen en putten van methaan op kleine schaal is het project 'Bronnen, ruimtelijke opschaling en validatie van Methaan emissies in Nederland en West-Europa' gestart in de 2e fase van het Nationaal Onderzoeksprogramma Mondiale Luchtverontreiniging en Klimaatverandering (NOP-2). Het doel van dit project is om een gevalideerde database van CH4 emissies te realiseren op een schaal van 5x5 km en 25x25 km voor Nederland en Europa respectievelijk voor de belangrijkste broncategorieen. Validatie van de CH4 emissies gebeurt door resultaten van berekeningen met atmosfeermodellen te vergelijken met metingen van CH4 in de buitenlucht. Een product van dit project is een gegevensbestand van methaanconcentraties zoals gemeten in Nederland en Europa. In dit rapport worden de gegevens van methaanmetingen zoals ze zijn uitgevoerd op 4 locaties in Nederland en op 3 locaties in noord-west Europa gedurende de periode 1990-1994 bijeengebracht. Behalve gegevens over CH4-concentraties in de buitenlucht, zijn ook meteorologische gegevens, zoals gemeten door het KNMI in de buurt van de Nederlandse CH4-meetstations, in de database bijeengebracht. De bronnen van de gegevens, het gegevensformaat, de procedures voor gegevensbewerking en de gegevensbestanden die zijn gemaakt om de data op een systematische manier op te kunnen slaan worden beschreven. Verder worden tijdreeksen van de metingen over de periode 1990-1994 gepresenteerd.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

A Hundred Year (1890 - 1990) Database for Integrated Environmental Assessments (HYDE, version 1.1) | RIVM

Het testen met historische gegevens is een belangerijke stap tijdens de validatie van simulatiemodellen. Vanwege de brede strekking en omvang hebben 'global change' modellen een enorme behoefte aan historische data. Dit rapport presenteert een update van het eerste HYDE-rapport, met een verbeterde en uitgebreide verzameling historische gegevens. De database bestaat niet alleen uit algemene onderwerpen zoals bevolking, nationaal product, toegevoegde waarde van industrie en diensten, maar bevat ook specifieke data wat betreft de energie/economie sector, de atmosfeer en de oceanen, en de terrestrische biosfeer. Waar mogelijk zijn de data op landenbasis verzameld voor de periode 1890 - 1990. Sommige data zijn geografisch expliciet.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Interactions of nutrients and toxicants in the foodchain of aquatic ecosystems | RIVM

Verslag van een workshop gehouden op 16 en 17 september 1996 in Woudschoten, Zeist. De workshop werd georganiseerd op verzoek van en in samenwerking met het Directoraat-Generaal Milieubeheer van het Ministerie voor VROM. De stand van zaken m.b.t. de interactie werd besproken. Zestien presentaties van wetenschappers uit verschillende landen zijn in dit rapport opgenomen. Enige afsluitende conclusies waren: bij het terugdringen van eutrofiering zal het belang van de interactie toenemen ; de interactie is vooral van belang bij persistente hydrofobe verbindingen een zware metalen ; ondanks het feit dat eutrofe systemen als sink voor toxicanten kunnen dienen verdient het geen aanbeveling om die systemen eutroof te houden ; het heeft geen zin prioriteiten te stellen in de emissiereductie tussen nutrienten en toxische stoffen, beide dienen voortvarend aangepakt te worden.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Volksgezondheidseffecten van verstoring ; een inventarisatie van volksgezondheids-indicatoren en lokale monitoringsactiviteiten m.b.t. verstoring | RIVM

Uit beschikbare literatuur zijn relevante gezondheidseffecten van geluid, geur en lokale luchtverontreiniging geinventariseerd en geselecteerd op basis van hun bruikbaarheid als indicator voor de monitoring van verstoring. Voor geluid kunnen hinder, klachten en slaapverstoring momenteel al toegepast worden. Voor geur zijn hinder en klachten bruikbare gezondheidsindicatoren. Overige gezondheidsindicatoren (medicijngebruik, ervaren gezondheid, voorkomen van luchtwegaandoeningen, bloeddruk, hart- en vaatziekten en geboortegewicht) dienen nader ontwikkeld te worden (blootstelling-responsgegevens of databestanden) voor toekomstige toepassingen, al worden enkele indicatoren al in beperkte mate toegepast. Vervolgens is geinventariseerd of er op gemeentelijk, regionaal en provinciaal niveau gegevens over gezondheidsindicatoren voor verstoring verzameld worden. Uit literatuuronderzoek en interview-gegevens blijkt dat er nog weinig aansluiting is tussen de verschillende milieumonitoringssystemen van gemeenten onderling. Op provinciaal niveau lijkt momenteel weinig aandacht te bestaan voor verstoringsaspecten als geluid en geur bij het opzetten van een monitoringssysteem. Er is op gemeentelijk, regionaal en landelijk niveau belangstelling voor gelijksoortige effectindicatoren voor verstoring, maar de wijze van gegevensverzameling en vragenlijstonderzoek lopen meestal zo uiteen dat gegevensuitwisseling en onderlinge vergelijkingen momenteel niet mogelijk zijn. Afstemming en standaardisatie van de monitorings- en onderzoeksactiviteiten op de verschillende bestuurlijke niveaus zijn gewenst om vergelijking met andere regio's en het landelijke beeld mogelijk te maken. Dit is van belang om de bijdrage van verschillende overheden aan het behalen van de nationale doelstellingen te monitoren. Er wordt aanbevolen de geselecteerde gezondheidsindicatoren verder te ontwikkelen voor de monitoring van gezondheidseffecten van verstoring. Daarnaast is het gewenst om een proefproject op te zetten waarin verschillende overheden tot een (gedeeltelijke) integratie proberen te komen van de monitoringssystemen en gezondheidsindicatoren voor verstoring.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Consequenties van ijzercyanidecomplexen in strooizout | RIVM

Op grond van een vraag over de implicaties van het gebruik van complexe ijzercyaniden als antiklonteringsmiddel in strooizout, zijn zowel de humaan-toxicologische als de eco-toxicologische risico's van dergelijk gebruik nader ge-evalueerd. Directe risico's bleken niet aanwezig. Tevens is onderzoek uitgevoerd naar de cyanidegehalten in monsters zuiveringsslib uit plaatsen met een gemengd rioolstelsel. Deze monsters werden genomen kort na afloop van de vorstperiode en de be-eindiging van de gladheidsbestrijding begin 1996. Uit dit onderzoek is gebleken dat de cyanidegehalten in dit slib de grenswaarde benaderen, waarbij het slib moet worden beschouwd als een gevaarlijke afvalstof. Onder speciale omstandigheden, zoals een extra hoge dosering strooizout, zullen zich dus moeilijkheden kunnen voordoen bij de afzet en de verwerking van slib afkomstig van zuiveringsinstallaties die gekoppeld zijn aan een gemengd rioolstelsel.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Guidance document on the derivation of maximum permissible risk levels for human intake of soil contaminants | RIVM

Dit rapport bevat een basale beschrijving van de achtereenvolgende stappen in de gevolgde procedure bij de afleiding van het humaan-toxicologische Maximum Toelaatbaar Risico (MTR) voor bodemcontaminanten. In de afgelopen jaren is deze methode toegepast voor een groot aantal chemische stoffen (deze resultaten zijn gepubliceerd als aparte RIVM-rapporten). Tevens wordt een omschrijving gegeven van de problemen die zich bij de stappen kunnen voordoen. Op de meer algemene aspecten van de risicoschatting, gericht op het afleiden van grenswaarden voor chemische stoffen, wordt ingegaan en verwijzingen naar enige elementaire achtergrondliteratuur worden gegeven. De aanpak bij de afleiding van MTR's zoals hier beschreven is pragmatisch omdat gebruik werd gemaakt van reeds bestaande toxicologische evaluaties zoals opgesteld door nationale en internationale instanties. Op deze manier werd gepoogd ongewenste duplicering van werk te vermijden. Aanvullend literatuuronderzoek is zo selectief mogelijk verwerkt. De afleiding van de MTR zoals hier beschreven verloopt via een vastliggende werkwijze maar niettemin is het een onvermijdelijk en regelmatig in het rapport terugkerend punt dat voor een adequate beoordeling van de verschillende toxicologische eindpunten enige vakinhoudelijke expertise nodig is.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Postvaccinale gebeurtenissen na toediening van RIVM vaccins in het Rijksvaccinatieprogramma ; deel 1. meldingen in 1994 | RIVM

Vermoede bijwerkingen van vaccinaties van het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) worden in Nederlandcentraal geregistreerd door het RIVM sinds 1962. De bewaking van de veiligheid van het RVP, vanaf 1984 in nauwe samenwerking met de Gezondheidsraad, is gebaseerd op een passief systeem, dat steunt op vrijwillige spontane meldingen. Omdat behoefte bestaat aan een completer beeld van de binnengekomen meldingen is besloten alle meldingen van vermoede bijwerkingen per kalenderjaar te rapporteren. Trends in aard en aantal worden zo sneller zichtbaar en vergelijkingen tussen verschillende jaren, vaccins en eventueel vaccinatieschema's zijn daarmee mogelijk. Dit is het eerste jaaroverzicht dat is opgesteld. In 1994 zijn over een totaal van circa 2 miljoen vaccinaties 712 postvaccinale gebeurtenissen gemeld; bij 12 kinderen was het een meervoudige melding met vermoede bijwerkingen na twee verschillende vaccinaties. Wegens gebrek aan gegevens was in 2% (16) van de gevallen geen beoordeling op causaliteit mogelijk. Van de wel beoordeelbare meldingen werd in 85% (590) een mogelijk causaal verband met de vaccinaties vastgesteld; deze gelden daarmee als bijwerking. De overige 106 (15%) postvaccinale gebeurtenissen waren coincidenteel. De toename van het aantal meldingen die al in 1993 zichtbaar werd lijkt te berusten op een afname van onderrapportage en niet op een werkelijke stijging in het aantal bijwerkingen.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Health effects of freshwater bathing among primary school children; Design for a randomised exposure study | RIVM

Om eventuele gezondheidseffecten van recreatie in zoetwaterplassen die voldoen aan de huidige zwemwaternormen vast te stellen, is grootschalig epidemiologisch onderzoek bij baders nodig. Een opzet wordt beschreven van een onderzoek bij schoolkinderen, dat uiteindelijk tot doel heeft de huidige zwemwaternormen te evalueren. Het betreft een gerandomiseerde expositiestudie, waarvan in de zomer van 1996 een pilot is uitgevoerd om de haalbaarheid van het onderzoek en de gehanteerde onderzoeksmethoden uit te testen. 69 zwemmers en 74 niet-zemmers in de leeftijd van 9-14 jaar namen gedurende twee onderzoeksdagen at random deel aan estafetteraces en trefbal in het water, of aan sport- en spelactiviteiten op de kant. Het zwemwater, dat goedgekeurd was door de provincie, werd op de onderzoeksdag uitvoerig bemonsterd om blootstelling van de zwemmers aan microbiologische waterkwaliteitsparameters vast te stellen. Met behulp van vragenlijsten werd het optreden van gezondheidsklachten nagegaan. Uit de pilotstudie is gebleken dat gezondheidseffecten van recreatie in zoet water kunnen worden bestudeerd bij leerlingen op een basisschool met behulp van geringe wijzigingen in de gepresenteerde onderzoeksopzet. Wel is gebleken dat het onderzoek tijdrovend en complex is en sterk afhankelijk van de bereidheid van scholen en ouders om deel te nemen, alsmede van de weersomstandigheden in de zomer.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Effect of greenhouse gas emissions on stratospheric ozone depletion | RIVM

De aantasting van de ozonlaag wordt voornamelijk veroorzaakt door de toename in emissie van chloor- en broomhoudende verbindingen als CFK's, halonen, koolstoftetrachloride, methylchloroform en methylbromide. Emissies van broeikasgassen kunnen de aantasting van de ozonlaag be-invloeden via atmosferische interacties. In deze studie hebben wij de interacties in de atmosfeer onderzocht tussen het broeikaseffect en de aantasting van de ozonlaag vanuit het oogpunt van emissies van antropogene stoffen in het verleden en in de toekomst: CFK's, halonen, CH4, N2O, NOx, CO en CO2. De toename in emissies van chloor- en broomhoudende verbindingen is verantwoordelijk voor een trend in ozon kolom van -5,8% per decennium op gematigde breedte van 1980 tot 1990. De toename in CH4 emissies vermindert deze ozontrend met +1,4% per decennium tot -4,4% per decennium, hetgeen goed overeenkomt met TOMS- en Dobsonmetingen. De toename in N2O emissies heeft nauwelijks effect op deze ozontrend. De afname in temperatuur in de stratosfeer door een stijging van CO2 emissies vermindert de ozonafbraak eveneens, wat ook kan gebeuren door een toename in NOx emissies. Deze interacties kunnen het herstel van de ozonlaag in de komende decennia bespoedigen. Door een toename in CH4 emissies volgens het IS92a scenario kunnen 1980 ozonniveaus in ongeveer 2060 bereikt worden vergeleken met 2080 als CH4 emissies niet toenemen. De temperatuurafname in de stratosfeer kan initieel het herstel van de ozonlaag met een aantal jaren versnellen. Hierbij wordt een mogelijke extra ozonafbraak door de vorming van polaire stratosferische wolken over grote delen van de aarde niet meegenomen.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

Grondwaterkwaliteit in stedelijk gebied en op locaties met oeverinfiltratie ; twee selecties uit het Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit | RIVM

Binnen het Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit (LMG) en de Provinciale Meetnetten Grondwaterkwaliteit (PMG) worden jaarlijks monsters genomen in enkele honderden grondwaterstandsbuizen over heel Nederland. De putten hebben filters op ca. 10 en 25 m-mv. Het doel van dit onderzoek is een beeld te geven van de grondwaterkwaliteit (en de verandering ervan in de tijd) in stedelijk gebied en van de grondwaterkwaliteit in putten met oeverinfiltratie, op basis van gegevens uit deze meetnetten. Er zijn 65 putten geselecteerd in stedelijk gebied en 34 putten met oeverinfiltratie. Beide selecties blijken een grote spreiding te hebben in grondwatersamenstelling. Om na te gaan of de grondwaterkwaliteit in van de twee selecties wordt beinvloed door bebouwing respectievelijk infiltrerend oppervlaktewater is voor elke put op beide diepteniveaus een vergelijking gemaakt met de dichtstbijzijnde omliggende put die niet tot een van beide selecties behoort. Voor een aantal locaties met oeverinfiltratie is bovendien een vergelijking gemaakt tussen het grondwater en het infiltrerende oppervlaktewater. Er wordt geconcludeerd dat de grondwatersamenstelling in stedelijk gebied afwijkt van de directe omgeving door onder andere hogere concentraties aan chloride, natrium, kalium, nitraat en bicarbonaat. Het grondwater in de putten met oeverinfiltratie wordt duidelijk beinvloed door infiltrerend oppervlaktewater. De veranderingen in de watersamenstelling over de periode 1984-1995 zijn significant doch gering.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1

The Future of the Global Environment: A Model-based Analysis Supporting UNEP's First Global Environment Outlook | RIVM

Dit rapport bevat de details van de scenario-analyse in de gelijktijdig verschijnende eerste Global Environment Outlook, onder auspicien van UNEP. Dit is een proeve van een wereldmilieuverkenning tot 2015 met een doorkijkje naar 2050. De studie is uitgevoerd ten behoeve van de tussenbalans van Agenda 21, vijf jaar na 'Rio' en tien jaar na 'Brundtland'. De scenario-analyse is gebaseerd op slechts een scenario, het Conventional Development scenario. Impliciet daarin is dat hoewel de gemiddelde welvaart stijgt, de verschillen in de wereld alleen maar toenemen. De analyse met behulp van gedetailleerde milieumodellen versterkt dat beeld. Het landbouwareaal breidt sterk uit om aan de toenemende vraag naar voedsel te voldoen, bij achterblijvende landbouwproductiviteit in Afrika en Azie. Van de natuurgebieden blijft niet veel over, en wat overblijft komt onder grote druk. De verhouding tussen beschikbaar en benodigd zoet water wordt ongunstiger, met sterke regionale verschillen. Handel in voedsel wordt een steeds belangrijker factor, zowel voor welvaart als voor de vraag waar op de wereld het milieu het meest belast wordt. De noodzakelijke transities op het gebied van gezondheid en demografische ontwikkelingen worden geillustreerd met case-studies over India, Mexico en Nederland. Milieubeheer zal gaandeweg een belangrijker factor worden bij het bevorderen van een gezonde levensverwachting in ontwikkelingslanden. Toekomstige generaties zullen steeds effectiever omspringen met energie, land en water. Maar hoewel het onderzochte scenario op dit punt tamelijk optimistisch is, zijn de veronderstelde efficiencyverbeteringen over het geheel genomen onvoldoende om de groei van de behoefte op te vangen. Aan de andere kant laten voorlopige berekeningen zien dat er technisch gesproken veel ruimte is om de druk op natuurlijke hulpbronnen te verminderen - aangenomen dat de politieke wil aanwezig is.
Jaar: 1997 Onderzoek Documenten: 1