Naar inhoud

Onderzoeken Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2018

Zoek binnen deze data in WooGLe

The impact of the new European IVD-classification rules on the notified body involvement; a study on the IVDs registered in the Netherlands | RIVM

In-vitro diagnostica (IVDs) zijn medische hulpmiddelen om lichaamsmateriaal zoals urine of bloed te testen. Voorbeelden van deze producten zijn zwangerschapstesten, testen om het gehalte van glucose of cholesterol in het bloed te meten en testen die de bloedgroep bepalen. Om te waarborgen dat deze producten veilig en effectief in het gebruik zijn, moeten fabrikanten een procedure doorlopen voordat de IVD's mogen worden verkocht. De huidige wetgeving bevat twee lijsten waarop IVD's zijn onderverdeeld in een 'midden' en een 'hoog' risico. IVD's die niet op deze lijst staan worden automatisch ingeschaald als 'laag' risico. Een voorbeeld van een IVD met een hoog risico is een hiv-test, terwijl een bloedbuisje of zwangerschapstest een laag risico heeft. Voor IVD's met een hoog risico geldt een zwaardere toelatingsprocedure en is een extra goedkeuring door een externe partij, een zogenaamde notified body, nodig. Voor laag risico IVD's mogen fabrikanten zelf de toelatingsprocedure uitvoeren. Dit systeem met lijsten voldoet niet meer. Daarom is het in de nieuwe Europese wetgeving voor IVD's, die in 2022 in werking treedt, veranderd. Het risico van IVD's wordt dan volgens nieuw opgestelde regels bepaald en trapsgewijs in vier klassen onderverdeeld. Factoren die van invloed zijn op het risico zijn bijvoorbeeld de ernst van de aandoening waarop wordt getest en mogelijke gevolgen van een onjuiste testuitslag. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat hierdoor veel meer IVD's in een hogere risicoklasse zullen vallen (84 in plaats van 7 procent). Dat betekent dat het aantal IVD's waarvoor de fabrikant goedkeuring van een notified body nodig heeft om het product op de markt te mogen brengen, veel groter zal zijn. Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ).
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Handreiking Stakeholderparticipatie | RIVM

Met onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek zet het RIVM zich in voor een gezonde bevolking in een gezonde leefomgeving. Met de resultaten adviseert en ondersteunt het professionals en overheden. Het is dan ook van belang dat de onderzoeken daadwerkelijk antwoorden geven op de vragen die leven in de samenleving en handelingsperspectieven bieden die aansluiten bij de praktijk. Om dat te bereiken worden burgers en stakeholders doelbewust bij onderzoeken betrokken. Dit levert inzichten op in onder meer belangen, overtuigingen en onzekerheden, wat een completer beeld geeft van de vraagstelling of van de gevolgen van onderzoeksresultaten. Het RIVM zet specifieke methoden in voor deze zogeheten stakeholdersparticipatie. Het heeft de Handreiking Stakeholderparticipatie laten opstellen als hulpmiddel om de deelname van stakeholders te organiseren. Dit gebeurt aan de hand van vijf vragen, namelijk waarom wil je stakeholderparticipatie, waarover gaat het, welke stakeholders wil je laten deelnemen, hoeveel participatie wil je, en welke vorm kies je? Participatievormen variëren van interviews afnemen, focusgroepen organiseren, tot een product ontwikkelen met stakeholders.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Safe re-entry for workers into plant protection product treated crops | RIVM

Werknemers komen in aanraking met gewasbeschermingsmiddelen wanneer ze gewassen die daarmee zijn behandeld, verzorgen, inspecteren of oogsten. Voordat een gewasbeschermingsmiddel wordt toegelaten voor verkoop en gebruik wordt daarom beoordeeld of dit veilig is. In opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft het RIVM drie vragen rondom deze veiligheidsbeoordeling beantwoord. Het RIVM heeft een methode ontwikkeld om te berekenen tot hoeveel dagen nadat een gewas is behandeld een werknemer handschoenen moet dragen. Momenteel kan op het etiket van het middel staan dat het verplicht is om handschoenen te dragen, maar staat er niet bij voor hoe lang dat nodig is. Meestal wordt een algemene periode van twee weken aangehouden, maar met de nieuwe methode kan dat preciezer worden aangeven. RIVM beveelt aan om de berekening toe te voegen aan de in Europa gangbare methode voor het bepalen van werknemer blootstelling, zodat deze periode op het etiket van in Nederland toegelaten gewasbeschermingsmiddelen kan worden aangegeven. Het RIVM beschrijft in dit rapport een methode uit de literatuur om de opname van droge restanten via de huid te bepalen. Om te bepalen wanneer een gewas veilig kan worden aangeraakt is het belangrijk de opname via de huid van gedroogde restanten van bestrijdingsmiddelen te kunnen bepalen. Momenteel wordt op basis van opname van het vloeibare middel de veiligheid beoordeeld. Voordat deze methode internationaal kan worden gebruikt moet de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) deze methode accepteren. Het RIVM adviseert daarom om te onderzoeken hoe deze methode hiervoor in aanmerking kan komen. Chemische stoffen worden geclassificeerd op basis van eigenschappen: bijvoorbeeld een aanduiding van het mogelijke gevaar voor de gezondheid. Zo kan een stof irritatie veroorzaken bij contact met de huid of allergische reacties veroorzaken. Dit geldt ook voor de stoffen die in gewasbeschermingsmiddelen zitten. Deze middelen worden in verdunde vorm gebruikt. Voor de veiligheid van de werknemers is het van belang om te weten of het verdunde middel en de gedroogde resten op planten nog schadelijke eigenschappen bezitten. Hierover heeft het RIVM geen gegevens kunnen vinden in de literatuur. Daarom adviseert het RIVM om te testen of spuitverdunningen van enkele middelen en de droge restanten daarvan nog schadelijke eigenschappen bezitten.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Monitoringsrapportage NSL 2018 : Stand van zaken Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit | RIVM

Er zijn nog lokale overschrijdingen In het grootste deel van Nederland liggen de berekende concentraties stikstofdioxide en fijnstof in 2017 onder de Europese grenswaarden. In een aantal drukke straten in binnensteden wordt de grenswaarde voor stikstofdioxide nog overschreden. Wel is het aantal locaties waarop deze overschrijdingen plaatsvinden gedaald ten opzichte van 2016. De grenswaarde voor fijnstof wordt ook op een aantal locaties overschreden, vooral in gebieden met intensieve veehouderijen. Ontwikkelingen concentraties Ten opzichte van 2016 is de gemiddelde concentratie stikstofdioxide in in 2017 Nederland iets gedaald. Voor de komende jaren wordt een verdere afname verwacht, ook van het aantal overschrijdingen in binnensteden. In de prognoses gaat de afname van de concentraties echter sneller dan recente metingen laten zien. Het is dan ook moeilijk een betrouwbare uitspraak te doen over het tempo. De gemiddelde concentratie fijnstof in Nederland is in 2017 nagenoeg gelijk aan die van 2016. De afname van de afgelopen jaren stagneert momenteel. Het aantal overschrijdingen van de grenswaarde voor fijnstof in gebieden met intensieve veehouderijen is iets toegenomen ten opzichte van vorig jaar. Dit komt vooral doordat dit jaar meer veehouderijen nauwkeurig in beeld zijn gebracht. Het is onzeker hoe de gemiddelde concentratie fijnstof zich de komende jaren zal ontwikkelen. Deze conclusies blijken uit de monitoring van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Lagere concentraties stikstofdioxide en fijnstof verbeteren de volksgezondheid, ook wanneer concentraties al onder de Europese grenswaarden liggen. Onzekerheden en risico's Voor de berekeningen voor het NSL moeten overheden actuele gegevens over wegverkeer en veehouderijen aanleveren. De kwaliteit van veel van deze gegevens is de laatste jaren sterk verbeterd. Aandacht voor datakwaliteit blijft van belang om een betrouwbaar beeld te kunnen geven van de luchtkwaliteit. De concentraties stikstofdioxide en fijnstof liggen op verscheidene locaties dicht bij de Europese grenswaarden. Geringe stijgingen van de concentraties kunnen het aantal overschrijdingen sterk beïnvloeden. Hierdoor is het aantal overschrijdingen gevoelig voor onzekerheden in de berekeningen.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Gemeten en berekende concentraties stikstof(di)oxiden en fijnstof in de periode 2010 t/m 2015 (Update) : Een test van de standaardrekenmethoden 1 en 2 | RIVM

Concentraties van stikstofdioxiden en fijnstof die in de lucht langs wegen zijn berekend, liggen in de periode 2010 tot en met 2015 gemiddeld dicht bij concentraties die daar zijn gemeten. De rekenmethoden voor de luchtkwaliteit voldoen ruimschoots aan de eisen in de Europese richtlijnen, en daarmee ook aan de Nederlandse wetgeving. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM waarin reken- en meetresultaten van luchtkwaliteit zijn vergeleken. Dit onderzoek is uitgevoerd voor het ministerie van Infrastructuur en Milieu. Voor zowel stikstofdioxide als voor fijnstof voldoen de modellen ruimschoots aan de eisen die de EU richtlijn aan berekeningen stelt. Overigens kennen zowel metingen als berekeningen onzekerheden van enkele microgrammen. Hoewel het mogelijk is om met berekeningen en metingen de luchtkwaliteit goed in beeld te krijgen en te beoordelen, is het bij de interpretatie belangrijk de onzekerheden te onderkennen. In de onderzochte periode zijn circa 190 gemeten concentraties fijnstof (PM10), zo'n 100 concentraties kleiner fijnstof (PM2,5) en ruim 2300 gemeten concentraties stikstofdioxide vergeleken met de resultaten van de officiële standaardrekenmethoden voor luchtkwaliteit. De conclusies komen nauw overeen met een vergelijkbare analyse van het RIVM uit 2013.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

22nd EURL-Salmonella interlaboratory comparison study (2017) on typing of Salmonella spp | RIVM

De Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) van de 28 Europese lidstaten scoorden in 2017 goed bij de kwaliteitscontrole op Salmonella-typering. Uit de analyse van alle NRL's als groep bleek dat de laboratoria aan 98 procent van de geteste stammen de juiste naam konden geven. Vijftien laboratoria hebben, behalve de standaardtoets (serotypering) op Salmonella, extra typeringen op DNA-niveau uitgevoerd met behulp van de zogeheten PFGE-typering (Pulsed Field Gel Electroforese). Deze preciezere typering kan soms nodig zijn om de bron van een besmetting op te sporen. Om de kwaliteit ervan te toetsen moeten de laboratoria elf extra stammen met deze methode typeren. Elf van de vijftien deelnemende laboratoria waren daartoe in staat. Sinds 1992 zijn de NRL's van de Europese lidstaten verplicht om deel te nemen aan jaarlijkse kwaliteitstoetsen, die bestaan uit zogeheten ringonderzoeken voor Salmonella. Elke lidstaat wijst een laboratorium aan, het Nationale Referentie Laboratorium (NRL), dat namens dat land verantwoordelijk is om Salmonella in monsters van levensmiddelen of dieren aan te tonen en te typeren. Om te controleren of de laboratoria hun werk goed uitvoeren moeten zij onder andere twintig Salmonella-stammen op juiste wijze identificeren. Soms doen ook landen van buiten de Europese Unie vrijwillig mee. In 2017 waren dat de EU-kandidaat-lidstaten Macedonië en Servië, de European Free Trade Association (EFTA)-landen IJsland, Noorwegen en Zwitserland, en Israël. De organisatie van het ringonderzoek is in handen van het Europese Unie Referentie Laboratorium (EURL) voor Salmonella (EURL-Salmonella), dat is ondergebracht bij het RIVM in Nederland.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

20th EURL-Salmonella interlaboratory comparison study (2015) on typing of Salmonella spp | RIVM

De Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) van de 28 Europese lidstaten scoorden in 2015 goed bij de kwaliteitscontrole op Salmonella-typering. Eén laboratorium had hiervoor een herkansing nodig. Uit de analyse van alle NRL's als groep bleek dat de laboratoria aan 97 procent van de geteste stammen de juiste naam konden geven. Zestien laboratoria hebben, behalve de standaardtoets (serotypering) op Salmonella, extra typeringen op DNA-niveau uitgevoerd met behulp van de zogeheten PFGE-typering (Pulsed Field Gel Electroforese). Deze preciezere typering kan soms nodig zijn om de bron van een besmetting op te sporen. Om de kwaliteit ervan te toetsen moeten de laboratoria tien extra stammen met deze methode typeren. Veertien van de zestien deelnemende laboratoria waren daartoe in staat. Sinds 1992 zijn de NRL's van de Europese lidstaten verplicht om deel te nemen aan jaarlijkse kwaliteitstoetsen, die bestaan uit zogeheten ringonderzoeken voor Salmonella. Elke lidstaat wijst een laboratorium aan, het Nationale Referentie Laboratorium (NRL), dat namens dat land verantwoordelijk is om Salmonella in monsters van levensmiddelen of dieren aan te tonen en te typeren. Om te controleren of de laboratoria hun werk goed uitvoeren moeten zij onder andere twintig Salmonella-stammen op juiste wijze identificeren. Soms doen ook landen van buiten de Europese Unie vrijwillig mee. In 2015 waren dat de kandidaat-lidstaten Macedonië en Turkije, en de EFTA-landen IJsland, Noorwegen en Zwitserland. EFTA staat voor European Free Trade Association. De organisatie van het ringonderzoek is in handen van het Europese Unie Referentie Laboratorium (EURL) voor Salmonella (EURL-Salmonella), dat is ondergebracht bij het RIVM in Nederland.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

21st EURL-Salmonella interlaboratory comparison study (2016) on typing of Salmonella spp | RIVM

De Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) van de 28 Europese lidstaten scoorden in 2016 goed bij de kwaliteitscontrole op Salmonella-typering. Uit de analyse van alle NRL's als groep bleek dat de laboratoria aan 99 procent van de geteste stammen de juiste naam konden geven. Vijftien laboratoria hebben, behalve de standaardtoets (serotypering) op Salmonella, extra typeringen op DNA niveau uitgevoerd met behulp van de zogeheten PFGE-typering (Pulsed Field Gel Electroforese). Deze preciezere typering kan soms nodig zijn om de bron van een besmetting op te sporen. Om de kwaliteit ervan te toetsen moeten de laboratoria tien extra stammen met deze methode typeren. Dertien van de vijftien deelnemende laboratoria waren daartoe in staat. Sinds 1992 zijn de NRL's van de Europese lidstaten verplicht om deel te nemen aan jaarlijkse kwaliteitstoetsen, die bestaan uit zogeheten ringonderzoeken voor Salmonella. Elke lidstaat wijst een laboratorium aan, het Nationale Referentie Laboratorium (NRL), dat namens dat land verantwoordelijk is om Salmonella in monsters van levensmiddelen of dieren aan te tonen en te typeren. Om te controleren of de laboratoria hun werk goed uitvoeren moeten zij onder andere twintig Salmonella-stammen op juiste wijze identificeren. Soms doen ook landen van buiten de Europese Unie vrijwillig mee. In 2016 waren dat de kandidaat-lidstaten Macedonië en Servië, en de EFTA-landen IJsland, Noorwegen en Zwitserland. EFTA staat voor European Free Trade Association. De organisatie van het ringonderzoek is in handen van het Europese Unie Referentie Laboratorium (EURL) voor Salmonella (EURL-Salmonella), dat is ondergebracht bij het RIVM in Nederland.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Kinkhoestvaccinatie van zwangeren en het vaccinatieschema voor hun baby's. Aanpassing gewenst? | RIVM

De kinkhoestbacterie kan een infectie van de luchtwegen veroorzaken waardoor hevige hoestbuien ontstaan. Bij hele jonge baby's kunnen de ademhalingsproblemen zo groot zijn dat ze in het ziekenhuis moeten worden opgenomen en soms zelfs overlijden. Door vrouwen tijdens de zwangerschap te vaccineren tegen kinkhoest zijn baby's direct vanaf de geboorte beschermd. De kinkhoestvaccinatie wordt vanaf eind 2019 landelijk aan zwangere vrouwen aangeboden. Hierdoor zijn baby's vanaf de geboorte tegen kinkhoest beschermd. De Gezondheidsraad adviseert de minister van VWS of het huidige schema voor baby's moet worden aangepast nadat de kinkhoestvaccinatie van zwangere vrouwen is ingevoerd. Als ondersteuning voor dit advies heeft het RIVM informatie over de beschermende effecten van twee vaccinatieschema's op de baby op een rij gezet. Het gaat niet alleen om kinkhoest maar om alle ziekten waartegen in het eerste levensjaar wordt gevaccineerd, zoals difterie, tetanus en polio. Wanneer een zwangere vrouw tegen kinkhoest wordt gevaccineerd, maakt zij antistoffen aan tegen deze ziekteverwekker. De antistoffen van de moeder komen via de navelstreng in het bloed van het kind. Antistoffen van de moeder beschermen het kind maar verhinderen ook dat het kind zelf antistoffen aanmaakt. Ze worden geleidelijk weer afgebroken waardoor de bescherming minder wordt en het kind beschermd moet gaan worden door het te vaccineren. Het is van belang om het juiste moment te vinden om het kind te vaccineren. Op dit moment worden baby's drie keer gevaccineerd: als ze twee, drie en vier maanden oud zijn. In het andere schema gebeurt dit twee keer: als de baby drie en vijf maanden oud is. Bij het 3-5-schema wordt een maand later met vaccineren gestart dan bij het huidige 2-3-4-schema en is de periode tussen de inentingen wat langer. Het aantal vaccinaties voor de baby wordt dan van drie naar twee teruggebracht. Dit schema belast hen minder en brengt minder kosten met zich mee. Uit de beschikbare informatie blijkt dat vaccinaties volgens een 3-5-schema - inclusief een kinkhoestvaccinatie tijdens de zwangerschap - voldoende bescherming biedt tegen de ziekten waartegen in het eerste levensjaar gevaccineerd wordt.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Het amnionmembraan : Een verkenning | RIVM

Het RIVM heeft een verkenning uitgevoerd naar nieuwe ontwikkelingen en mogelijke risico's rondom het gebruik van het zogeheten amnionmembraan, zowel in Nederland als daarbuiten. Het membraan wordt al decennia als transplantaat gebruikt in de oogheelkunde om beschadigd hoornvlies te laten herstellen. Het amnionmembraan is een zeer dun vlies dat uit een placenta wordt gehaald. In Nederland wordt het in beperkte mate gebruikt. Vooral in de internationale literatuur zijn nieuwe ontwikkelingen rondom het amnionmembraan beschreven. Zo wordt onderzocht of beschadigde weefsels kunnen herstellen door stamcellen uit gezond vergelijkbaar weefsel te halen en op amnionmembraan te laten groeien. Het membraan kan daarna met stamcellen in het beschadigde weefsel worden geplaatst. Een andere ontwikkeling die wordt onderzocht is of stamcellen uit het amnionmembraan kunnen worden gebruikt om beschadigingen in verschillende weefsels te herstellen, zoals in spieren. In Nederland wordt het amnionmembraan voornamelijk ingezet om schade aan het hoornvlies van het oog te bedekken. In de literatuur zijn een beperkt aantal risico's bij het gebruik van het amnionmembraan beschreven, zoals pijn. Voor zover bekend zijn er in Nederland geen complicaties gemeld bij behandelingen met het amnionmembraan.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

The National Immunisation Programme in the Netherlands : Surveillance and developments in 2017-2018 | RIVM

In 2017 kregen ongeveer 760.000 kinderen van 0 tot 19 jaar samen 2.140.000 vaccinaties vanuit het Rijksvaccinatieprogramma (RVP). De deelname aan het RVP is hoog onder kinderen jonger dan 10 jaar, ondanks de daling van ongeveer 2 tot 3 procent voor de meeste vaccinaties sinds 2014. Een uitzondering op de hoge deelname is het aantal meisjes dat zich tegen het humaan papillomavirus (HPV) heeft laten vaccineren, dat met 15 procent is gedaald sinds 2016. Het aantal meldingen (1383) van mogelijke bijwerkingen van vaccins in 2017 was lager dan het jaar ervoor (1483). RVP-ziekten Het aantal patiënten met meningokokkenziekte door MenW blijft stijgen, met 80 patiënten in 2017 en 78 tot en met augustus 2018. Daarom is sinds mei 2018 de MenC-vaccinatie op de leeftijd van 14 maanden vervangen door MenACWY-vaccinatie. Het percentage mensen dat aan MenW-ziekte overlijdt is aanzienlijk hoger (17 procent) dan bij andere meningokokken serogroepen. In 2017 was het aantal meldingen van mazelen met 16 gevallen laag, maar wat hoger dan in voorgaande twee jaren. Het aantal meldingen van kinkhoest was in lijn met 2016 (28,7 vergeleken met 32,6 per 10.000). Er overleden drie mensen aan kinkhoest, één jonge zuigeling en twee ouderen. Het aantal meldingen van acute hepatitis B bleef stabiel (0,7 per 100.000 populatie). Ook het aantal mensen dat ziek werd van een type pneumokokkenziekte waartegen het vaccin beschermt, bleef erg laag in 2017/2018. Net als voorgaande waren er in 2017 weinig meldingen van bof (46), Haemophilus influenzae type b (Hib; 46), meningokokken serogroep C (MenC; 9), difterie (4), tetanus (1), rodehond (0) en polio (0). De inwoners van Bonaire, St. Eustatius en Saba zijn overwegend goed beschermd tegen ziekten uit het RVP. Alleen de bescherming tegen mazelen en difterie is voor sommige leeftijdsgroepen niet optimaal. Alertheid is geboden om eventuele patiënten snel op te sporen om te voorkomen dat deze ziekten zich vanuit omliggende landen verspreiden. Daar zijn sinds kort uitbraken gaande. Nieuwe adviezen en besluiten In juli 2018 heeft de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) besloten om de MenACWY-vaccinatie vanaf oktober 2018 uit te bereiden naar 13-14- jarigen; in 2019 komt er een inhaalcampagne voor alle 15-18-jarigen. Ook is besloten om vaccinatie tegen het rotavirus aan te bieden aan risicogroepen en dat kinkhoestvaccinatie voor zwangeren via het RVP wordt georganiseerd door jeugdgezondheidszorg organisaties. De Gezondheidsraad adviseert vaccinatie tegen pneumokokken aan te bieden aan 60-plussers.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Ontwikkelingen in de stikstofdepositie | RIVM

Het RIVM heeft beschreven wat de samenstelling is van de stikstof die tussen 2005 en 2016 in Nederland op het oppervlak (bodem en planten) is neergedaald. Ook is beschreven op welke manier het RIVM deze zogeheten stikstofdepositie bepaalt. Hiervoor wordt onder andere gekeken in hoeverre ammoniak bijdraagt aan de totale stikstofdepositie. Ammoniak is een belangrijk onderdeel van de totale depositie van stikstof. In de onderzochte periode bestond de totale stikstofdepositie (N)voor tweederde uit ammoniak (NH3-N) en voor eenderde uitstikstofoxiden (NOx-N). De landelijk gemiddelde stikstofdepositie bedroeg in 1990 ruim 2700 mol stikstof per hectare en is sindsdien geleidelijk gedaald tot ruim 1700 mol stikstof per hectare in 2016. De daling is de laatste jaren afgevlakt. Dit komt onder andere doordat de ammoniakuitstoot niet meer daalde. Volgens de 'Emissieramingen luchtverontreinigende stoffen Nederland - rapportage-2017' van het Planbureau voor de Leefomgeving zal de totale uitstoot en daardoor ook de depositie van stikstof in de toekomst weer verder afnemen. De uitstoot van ammoniak wordt gebruikt om de concentraties hiervan in de lucht te berekenen, en op basis daarvan de depositie van ammoniak. De berekeningen worden vervolgens gecorrigeerd met de gemeten concentraties. Over de gehele periode tussen 2005 en 2016 is de berekende uitstoot van ammoniak gedaald. De gemeten ammoniakconcentratie over dezelfde periode steeg licht. Deze tegengestelde tendensen zijn nader onderzocht. Meerdere factoren hebben invloed op de concentraties ammoniak in de lucht. Doordat de lucht de afgelopen jaren minder vervuilende stoffen bevat waaraan ammoniak zich kan binden, zoals stikstof- en zwaveloxiden, is er relatief meer ammoniak in de atmosfeer overgebleven. Het uiteenlopen van de ontwikkelingen in de gerapporteerde emissies en de gemeten concentraties kan dus gedeeltelijk worden verklaard door de afgenomen emissies van stikstof- en zwaveloxiden. Het RIVM onderzoekt momenteel verder of er mogelijke verklaringen vanuit de emissiekant zijn voor het resterende verschil tussen de gerapporteerde emissies en de gemeten concentratie van ammoniak door de jaren heen. Dit onderzoek zal eind 2018 afgerond worden.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Regio's in beweging naar een toekomstbestendig gezondheidssysteem : Landelijke Monitor Proeftuinen - reflectie op 5 jaar proeftuinen | RIVM

In Nederland zijn regionaal diverse samenwerkingsinitiatieven ontstaan om het zorgsysteem toekomstbestendig te maken. Het doel van deze initiatieven is om de gezondheid van de bevolking en de kwaliteit van zorg te verbeteren en de groei in (zorg)uitgaven te beperken (Triple Aim). Aangezien gezondheid niet alleen vanuit het zorgdomein wordt beïnvloedt, werken in deze initiatieven meerdere partijen zoals zorgverzekeraars, zorgaanbieders, burgervertegenwoordiging en gemeenten in wisselende samenstelling samen om de overgang naar een 'gezondheidssysteem' te bewerkstelligen. Om dit te bereiken worden tal van interventies en strategieën ingezet, zoals een burgercoöperatie, inzet van medisch specialisten in de huisartspraktijk en een data- en kennisinfrastructuur voor de regio. Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) heeft in 2013 negen regio's benoemd tot 'proeftuinen'. Het RIVM heeft tussen 2013 en 2018 in opdracht van het ministerie de ontwikkeling van deze proeftuinen in kaart gebracht. Op basis van de ontwikkelingen heeft het RIVM acht leidende principes geformuleerd die belangrijk zijn om een regionaal samenwerkingsinitiatief zowel qua structuur als proces goed in te richten. Onderwerpen die terugkomen in deze principes zijn bijvoorbeeld: een gezamenlijke visie, onderling vertrouwen, leiderschap, politiek draagvlak en een data- en kennisinfrastructuur. Dit rapport geeft inzicht in hoe de principes het beste kunnen worden vormgegeven. De proeftuinen die stapsgewijs hebben ingezet op de acht leidende principes, boekten de meeste vooruitgang richting een gezondheidssysteem. Voor alle proeftuinen bleek de opgave moeilijker dan ze vooraf verwacht hadden. Zo zijn de eerste positieve resultaten zichtbaar op interventieniveau, maar zijn nog geen resultaten te verwachten op het niveau van de regionale populatie. Grotere veranderingen in het zorgsysteem, zowel qua verschuiving van budgetten, bekostiging als data- en kennisinfrastructuur, hebben in beperkte mate plaatsgevonden. Voor een versnelling van de beweging naar een gezondheidssysteem is onder andere het gevoel van urgentie in het huidige zorgsysteem nog te laag. Regionale en landelijke stakeholders hebben elkaar in deze transitie nodig. Het is complex maar samen is meer mogelijk, waarbij experimenteren en samen leren centraal staan.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

on-typeable Haemophilus influenzae invasive blood isolates are mainly phosphorylcholine negative and show decreased complement-mediated killing in comparison to colonizing isolates from the oropharynx, which is associated with lower binding of IgM and CRP | RIVM

on-typeable Haemophilus influenzae invasive blood isolates are mainly phosphorylcholine negative and show decreased complement-mediated killing in comparison to colonizing isolates from the oropharynx, which is associated with lower binding of IgM and CRP | RIVM
Jaar: 2018 Onderzoek

Geboortezorg in beeld : een nulmeting en eerste ervaringen met het werken met integrale bekostiging | RIVM

In Nederland zijn de afgelopen jaren meerdere maatregelen genomen om de kwaliteit van de geboortezorg en de samenwerking tussen de verschillende zorgverleners te verbeteren. Aanleiding waren de relatief hoge sterftecijfers rond geboortes in Nederland. Om de samenwerking tussen zorgaanbieders te verbeteren kunnen alle onderdelen van de geboortezorg sinds 2017 gezamenlijk worden gecontracteerd in één zogenoemd integraal bekostigingscontract. Deze nieuwe bekostiging vraagt om organisatorische veranderingen, waaronder de vorming van een integrale geboortezorg organisatie (igo). Hier zijn de zorgaanbieders zoals verloskundigen, gynaecologen, kraamzorg, en een ziekenhuis in ondergebracht. In de bestaande bekostigingssystematiek vergoeden de zorgverzekeraars de onderdelen van de zorg rondom zwangerschap en geboorte afzonderlijk aan de verschillende zorgaanbieders. Per 1 januari 2017 hebben zes igo's vrijwillig integrale-bekostigingscontracten gesloten met zorgverzekeraars. Als nulmeting heeft het RIVM de gezondheid, verrichtingen en zorguitgaven van de geboortezorg in kaart gebracht in de periode voorafgaand aan de overstap naar integrale bekostiging (2015-2016). Uit dit onderzoek blijkt dat de uitgaven aan de geboortezorg voor de igo's in deze periode iets lager lijken te zijn (ongeveer 180 euro per zwangerschap minder) dan in de regio's die niet zijn overgestapt in 2017. Verder verschillen de igo's van de overige regio's, in de periode voorafgaand aan de overstap in de zorg die zij leverden: meer ruggenprikken (25% versus 21%) en minder keizersneden (14% versus 16%)- de beschikbaarheid van ruggenprikken en zo min mogelijk keizersnedes zijn positieve graadmeters voor de kwaliteit van de zorg voor moeder en kind. Wat de gezondheid van moeder en kind betreft zijn er geen verschillen gevonden. De partijen die bij de igo's zijn betrokken, zijn positief over het integrale tarief. Het levert in hun regio een intensievere, meer gestructureerde samenwerking tussen de zorgverleners op. Ook is de samenwerking minder vrijblijvend dan voorheen. Wel is het een zeer complexe en tijdrovende klus om de integrale bekostiging in te voeren. Specifieke kennis blijft nodig op organisatorisch, fiscaal en financieel vlak. Het RIVM monitort de komende jaren in opdracht van het ministerie van VWS de overgang naar integrale bekostiging in de geboortezorg. In 2020 wordt een eindrapport gepubliceerd, waarvoor de gegevens uit onderliggend onderzoek als nulmeting dienen.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Geen relatie tussen veranderingen in organisatorische aspecten met betrekking tot vaccineren binnen de jeugdgezondheidszorg en ontwikkeling in aantal gevaccineerden 2013-2017 | RIVM

Dit rapport bevat een erratum d.d. 29-05-2019 op de laatste pagina De afgelopen jaren hebben iets minder kinderen zich laten vaccineren tegen ziekten vanuit het Rijksvaccinatieprogramma. De daling is sterker voor de HPV-vaccinatie die aan meisjes wordt aangeboden. Er is nog geen sluitende verklaring voor gevonden. Het RIVM heeft onderzocht of organisatorische veranderingen bij de Jeugdgezondheidszorg (JGZ) hier invloed op hebben; zij zijn verantwoordelijk voor de vaccinaties, die voor het merendeel via de consultatiebureaus worden gegeven. Uit het onderzoek blijkt dat er zowel positieve als negatieve organisatorische veranderingen zijn geweest. Er is geen verband gevonden met de daling in aantal vaccinaties. Ongeveer twee derde van de jeugdgezondheidsorganisaties heeft aan het onderzoek meegedaan, waardoor op basis van dit onderzoek geen volledig beeld van Nederland is gekregen. Vanuit de jeugdgezondheidszorg kwamen signalen dat ouders minder vaak op het consultatiebureau komen en zij het gebruik van JGZ minder als vanzelfsprekend zien. Dit zou te maken kunnen hebben met een afnemende toegankelijkheid van de Jeugdgezondheidszorg inzake de vaccinaties. Het RIVM heeft daarom in kaart gebracht welke organisatorische veranderingen tussen 2013 en 2017 bij de Jeugdgezondheidszorg hebben plaatsgevonden. Hoewel een aantal locaties zijn gesloten, is de gemiddelde afstand tot het consultatiebureau gelijk gebleven. De openingstijden van consultatiebureaus zijn verruimd ten opzichte van 2000 (bijvoorbeeld ook in de weekenden en 's avonds). Het aantal kinderen dat een consultatiebureau bezocht was in 2016 iets lager dan in 2015. Ook wordt het aantal bezoeken aan een consultatiebureau vaker aangepast aan de behoeften van de ouder. De vier 'contactmomenten' per jaar waarop de vaccinaties aan baby's en peuters worden toegediend, zijn niet veranderd. Verder hebben meer consultatiebureaus ouders een herinnering voorafgaand aan het bezoek gestuurd. Ook bieden een aantal organisaties extra voorlichting voor ouders over vaccinaties. De Jeugdgezondheidszorg noemt zelf als belangrijkste oorzaken de toenemende kritische houding van ouders, de invloed van fake news en berichtgeving in de media, het wantrouwen richting de overheid en de farmaceutische industrie, en een laag gevoel van urgentie doordat kinderziektes verdwijnen.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Pilot Belevingsthermometer : Peilen van de beleving van veiligheid bij omwonenden van chemische industrie | RIVM

Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) heeft het RIVM gevraagd een instrument te ontwikkelen waarmee het mogelijk is te peilen hoe veilig omwonenden van chemische industrie zich voelen. In een pilot is de eerste opzet van het instrument ontwikkeld en getest in twee steden? één met veel chemische industrie in de omgeving (Zaandam), en één met enkele chemiebedrijven in de stad (Deventer). Het belangrijkste doel van dit onderzoek is het ontwikkelen van een nieuw instrument. Het ontwikkelde instrument bestaat uit een vragenlijst die inzicht geeft in hoe veilig omwonenden activiteiten met gevaarlijke stoffen ervaren. De antwoorden maken ook duidelijk welke factoren samenhangen met hun veiligheidsbeleving. De vragenlijst blijkt geschikt te zijn om veiligheidsbeleving te meten en kan periodiek worden ingezet om trends te kunnen waarnemen. Ook doet het RIVM concrete suggesties om de vragenlijst te verbeteren, zoals het aanpassen van de volgorde van de vragenlijst. Daarnaast moet een effectieve werkwijze worden gekozen om voldoende representatieve deelnemers te werven. Naast de ontwikkelde methode bevat dit rapport ook een enkele inhoudelijke opbrengsten van de pilot. Omdat de deelnemers aan de pilot de inwoners van de twee steden onvoldoende weerspiegelden, zijn de inhoudelijke opbrengsten van de pilot indicatief. Uit dit onderzoek blijkt dat deelnemers uit de stad met enkele chemiebedrijven de veiligheid positiever beleven dan deelnemers uit de stad die nabij veel chemische industrie ligt. De factor die het meest samenhangt met de veiligheidsbeleving is de mate waarin mensen positief zijn over de omgeving waarin zij wonen. Hoe positiever mensen hun woonomgeving ervaren hoe positiever de veiligheidsbeleving en andersom. Ook de mate waarin mensen erop vertrouwen dat overheden en bedrijven een ongeval kunnen voorkómen, hangt samen met de veiligheidsbeleving. Hoe groter dit vertrouwen, hoe groter de veiligheidsbeleving en andersom. Hetzelfde geldt voor het vertrouwen of hulpdiensten in staat zijn de gevolgen van een ongeval met gevaarlijke stoffen te beperken. Tot slot voelen mensen zich ook veiliger als ze erop vertrouwen dat zij zelf de gevolgen van een mogelijk ongeval kunnen beperken.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Verkenning van extreem-laagfrequente (ELF) magneetvelden bij verschillende bronnen : Een aanvulling op eerdere metingen. | RIVM

In 2008/2009 heeft het RIVM op verzoek van de GGD'en metingen verricht bij bronnen van extreem-laagfrequente magneetvelden, zoals ondergrondse kabels, transformatorhuisjes en huishoudelijke apparaten. Als aanvulling hierop zijn in 2017/2018 metingen uitgevoerd bij opladers van elektrische auto's en fietsen, (transformatorhuisjes op) zonneparken, bij zonnepanelen (bij omvormers waar gelijkstroom in wisselstroom wordt omgezet), en bij enkele andere huishoudelijke apparaten. Als een apparaat of installatie aan staat, is een magneetveld aanwezig, waarvan de sterkte afhankelijk is van de bron en de afstand. De verkennende metingen geven een indruk van de veldsterkte op verschillende afstanden van de bronnen. Deze gegevens kunnen de GGD'en helpen vragen te beantwoorden over de magneetveldzone van andere bronnen dan de hoogspanningslijnen. De rijksoverheid hanteert een voorzorgsbeleid om geen nieuwe woningen bij bovengrondse hoogspanningslijnen te bouwen in de zone waar het jaargemiddelde magneetveld sterker is dan 0,4 microtesla. De Gezondheidsraad adviseerde in april 2018 om dit voorzorgsbeleid voort te zetten en te overwegen het beleid uit te breiden naar andere bronnen die tot langdurige blootstelling aan magneetvelden kunnen leiden. Mede daarom vragen mensen zich af hoe het zit met magneetvelden van andere bronnen dan hoogspanningslijnen. Onderzocht is vanaf welke afstand het magneetveld zwakker dan 0,4 microtesla wordt. Bij opladers van huishoudelijke apparaten is dat tot op een afstand van enkele centimeters van de bron het geval, bij transformators op zonneparken tot enkele meters. De jaargemiddelde waarde ligt lager dan de gemeten waarde. Een apparaat of installatie staat immers niet altijd (maximaal) aan en mensen bevinden zich niet het hele jaar dicht bij het apparaat of de installatie.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Verkenning werkwijze controle en beoordeling grondwaterkwaliteitsdata in LMG, KMG, PMG | RIVM

In Nederland bestaan drie monitoringsprogramma's die data verzamelen over de kwaliteit van het grondwater: een van het RIVM (het Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit, LMG) en twee van de provincies (het KRW Monitoringsprogramma Grondwaterkwaliteit, KMG, en het Provinciale Monitoringsprogramma grondwaterkwaliteit, PMG). Er wordt aan gewerkt om deze data in één systeem onder te brengen, de Basisregistratie Ondergrond (BRO). Het is dan ook belangrijk dat de data onderling vergelijkbaar zijn. In dat verband heeft het RIVM in kaart gebracht hoe de data worden gevalideerd. Het bestaande protocol, dat de partijen voor de validatie gebruiken, geeft ruimte voor vrijheden op dit gebied. Uit de verkenning blijkt dat voor het protocol uiteenlopende software wordt gebruikt om de data te controleren en te beoordelen. Bovendien worden de controle en beoordeling door verschillende partijen uitgevoerd (het RIVM, de provincies of een ingehuurde partij). Ook verschilt de manier waarop de data uiteindelijk worden vastgelegd. Deze constatering heeft geleid tot de afspraak in het Platform Meetnetbeheerders Bodem- en Grondwaterkwaliteit om te komen tot een geautomatiseerde standaard voor de controle en beoordeling van de data. Het is van belang dat dit gebeurt onder de verantwoordelijkheid van de partijen die de data aanleveren, de zogeheten bronhouders. Ondanks deze verschillen kan naar verwachting minstens 90 procent van de data gevalideerd en met voldoende kwaliteitsborging in de BRO worden opgenomen. 5 tot 10 procent behoeft een aanpassing die met feiten kan worden onderbouwd. Ongeveer 2 procent van de data staat dan nog ter discussie. Over dit laatste deel moet een panel van experts afwegen welke informatie in de BRO wordt opgenomen en op welke wijze. Ook voor de behandeling van deze groep data is het belangrijk om tot een uniforme werkwijze te komen.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Kwaliteitscontrole parameters van de Nederlandse Downsyndroom screening laboratoria met de combinatietest, 2017 | RIVM

De kwaliteit van de eerste trimester combinatietesten op Downsyndroom uitgevoerd door zeven Nederlandse screeningslaboratoria, voldeed in 2017 in het algemeen aan de daarvoor gestelde eisen. Dit blijkt uit een evaluatie van het RIVM. Hiermee wordt voldaan aan de opdracht van het ministerie van VWS aan het RIVM om de kwaliteit van de combinatietest te laten bewaken. De screening op het syndroom van Down middels de combinatietest is sinds 1 januari 2007 voor iedereen beschikbaar in een landelijk screeningsprogramma. Later is de screening op de syndromen van Edwards en Patau aan de hand van de combinatietest toegevoegd. Sinds april 2017 wordt de Niet Invasieve Prenatale Test (NIPT) aangeboden als eerste prenatale test op Down-, Edwards-, en Patau syndroom binnen het studieverband van de TRIDENT-2 studie. Hierdoor kozen vele vrouwen voor de NIPT en niet meer voor de combinatietest. Vanwege de teruglopende aantallen zijn 6 van de 7 laboratoria in Nederland vanaf oktober gefaseerd gestopt met het analyseren van de combinatietest. Vanaf 1 december 2017 worden biochemie analyses alleen nog door het Star-SHL laboratorium in Rotterdam gedaan. In 2017 zijn in totaal 21307 screeningstests uitgevoerd; daarmee liet 12,3% van de zwangeren een combinatie test uitvoeren. Dit percentage is een gemiddelde gebaseerd op het totale jaar 2017, waarbij opgelet moet worden dat de NIPT in april 2017 werd ingevoerd. Het deelname percentage in het eerste kwartaal van 2017 was 38,9%, terwijl het deelname percentage aan de combinatietest in december 2017 4,1% was. De laboratoria voeren alle bloedanalyses binnen de combinatietest uit. De kansberekening op basis van die bloedanalyse en de nekplooimeting kan óf door het laboratorium óf door een deel van de echocentra in Nederland worden uitgevoerd. Bij de laboratoria heeft de kansberekening in 2017 voor 61% van de totaal afgenomen combinatietesten plaatsgevonden. Voor de evaluatie van een deel van de kwaliteitsindicatoren waren alleen de gegevens over de kansberekening van de laboratoria beschikbaar. Aanvullend heeft het regionaal centrum Stichting Prenatale Screening Noord Nederland (SPSNN) de perifeer-uitgevoerde berekeningen beschikbaar gesteld. De leeftijd waarop de test in 2017 het meest frequent wordt afgenomen varieert van 31,0 tot 32,4 jaar tussen de laboratoria. Het aandeel zwangeren dat volgens de screeningtest een verhoogde kans heeft op een kind met het syndroom van Down ligt bij alle laboratoria tussen de 3,4 en 6,8 procent. Deze verschillen ontstaan onder andere doordat de gemiddelde leeftijd van zwangeren die voor deze screeningstests kiezen per regio iets verschilt.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Staat van Zoönosen 2017 | RIVM

Dit rapport bevat een erratum d.d. 18-12-2018 op pagina 96 en 97. Zoönosen zijn infecties die tussen dieren en mensen overgedragen kunnen worden. De zoönosen die voor Nederland van belang zijn, worden elk jaar op een rij gezet in de Staat van Zoönosen. Dit rapport geeft jaarlijks een overzicht van de trends van de zoönosen die onder andere vanwege hun besmettelijkheid moeten worden gemeld bij de GGD (als het mensen betreft) of de NVWA (dieren). Ook worden een aantal bijzondere zoönotische ontwikkelingen, onderzoeken of uitbraken belicht, en wordt een jaarlijks wisselend zoönose gerelateerd thema besproken. Evenals in vorige jaren zijn er in 2017 bij de meeste zoönosen geen opmerkelijke veranderingen waargenomen. Bacteriële infecties die via voedsel overgedragen worden (Campylobacter, Listeria monocytoge­nes, Salmonella en STEC) zorgden ook in 2017 voor de meeste humane besmettingen. Het aantal gevallen van leptospirose is nog steeds hoog te noemen, hoewel het wederom lager was dan in het voorgaande jaar. Verder zette de stijging van het aantal patiënten met een orthohantavirus-infectie in 2017 door. Bij honden werd Brucella canis, dat in 2016 voor het eerst bij hen in Nederland is aangetoond, in 2017 weer bij meerdere geïmporteerde honden gevonden. Behalve Chlamydia psittaci zijn er meer Chlamydia-soorten die zoönotische infecties bij mensen kunnen veroorzaken. Sinds 2013 is bij zes Nederlandse patiënten Chlamydia caviae geconstateerd, en in 2017 bij één patiënt een Chlamydia felis-infectie. Uit een onderzoek naar antibioti­caresistentie blijkt dat ESBL-genen vooral worden overgedragen tussen mensen onderling, en minder tussen dieren en mensen. ESBL-genen kunnen enzymen maken die de bacterie ongevoelig maakt voor antibiotica, waardoor de antibiotica niet meer werken. De resistentie verspreidt zich doordat de ESBL-genen kunnen worden doorgegeven aan andere bacteriën. Het thema van dit jaar is de integrale aanpak bij zoönosen, oftewel One Health. Voor de preventie, signalering en bestrijding van zoönosen is een goede samenwerking tussen verschillende disciplines van groot belang. De One Health-gedachte gaat ervan uit dat mens, dier en de omgeving geen gescheiden onderdelen zijn en dat ontwikkelingen bij het ene onderdeel invloed heeft op de andere onderdelen. Uitgelegd wordt hoe dit One Health-principe is ontstaan. Daarnaast wordt aan de hand van twee recente uitbraken van zoönosen, Seoulvirus bij ratten en Brucella canis bij honden, beschreven hoe de samenwerking in Nederland is georganiseerd.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Aqueous-phase photooxygenation of enes, amines, sulfides and polycyclic aromatics by singlet (a1Äg) oxygen: prediction of rate constants using orbital energies, substituent factors and quantitative structure-property relationships | RIVM

Aqueous-phase photooxygenation of enes, amines, sulfides and polycyclic aromatics by singlet (a1Äg) oxygen: prediction of rate constants using orbital energies, substituent factors and quantitative structure-property relationships | RIVM
Jaar: 2018 Onderzoek

Antibioticaresistente bacteriën in afvalwater en mest - workshops over mogelijke beheersmaatregelen | RIVM

Via rioolwater en dierlijke mest komen bacteriën die resistent zijn tegen antibiotica in bodem, lucht en water terecht. Aanvullende zuiveringstechnieken voor afvalwater en mest zouden het aantal antibioticaresistente bacteriën en restanten antibiotica in het milieu kunnen verminderen. Of de aanwezigheid van resistente bacteriën in het milieu gevolgen heeft voor de volksgezondheid is vooralsnog onduidelijk. Daarom kunnen aan belanghebbenden nog geen aanbevelingen gegeven worden of en zo ja, welke aanvullende (technische) maatregelen de gezondheid beschermen. Hiervoor is meer onderzoek nodig. Duidelijk is dat algemeen geldende maatregelen om antibiotica voor mensen en dieren terughoudend te gebruiken, ook het milieu ten goede komen. Hierdoor komen er namelijk via het riool en dierlijke mest minder antibioticaresistente bacteriën in het milieu terecht. Verder is het voor belanghebbenden, zoals waterbeheerders, van belang om goed te worden geïnformeerd over hoeveel en welke resistente bacteriën in het milieu voorkomen. Deze informatie hebben zij onder andere nodig om te kunnen ze beslissen of maatregelen nodig zijn. Dit blijkt uit twee workshops die het RIVM heeft georganiseerd om te bespreken welke maatregelen kansrijk zijn. Vertegenwoordigers van betrokken departementen, kennisinstellingen, adviesbureaus, brancheverenigingen en uitvoeringsorganisaties namen eraan deel.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Carbapenemase-producerende Enterobacteriaceae (CPE) in ziekenhuisafvalwater | RIVM

Carbapenemase-producerende Enterobacteriaceae (CPE) kunnen ontstekingen veroorzaken die met de gangbare antibiotica moeilijk te behandelen zijn. Ze vormen daardoor een bedreiging voor de medische zorg. Het is dan ook belangrijk dat deze resistente bacteriën zich niet verder verspreiden onder mensen, dieren en in het milieu. Het RIVM heeft onderzocht of het zinvol is om afvalwater van ziekenhuizen te zuiveren om de verspreiding van CPE in het milieu tegen te gaan. Het afvalwater van ziekenhuizen blijkt echter maar een klein deel te bevatten van het aantal van deze bacteriën dat via afvalwater in het oppervlaktewater terechtkomt. Deze maatregel kan er daarom niet voor zorgen dat er substantieel minder CPE in het milieu terechtkomen. Antibioticaresistente bacteriën komen met menselijke ontlasting vanuit ziekenhuizen alsook vanuit de algemene bevolking in afvalwaterzuiveringsinstallaties terecht. Aangezien de bacteriën daar niet volledig worden verwijderd, belanden ze vervolgens in het oppervlaktewater. Voor dit onderzoek is bij vijf ziekenhuizen en bij de bijbehorende afvalwaterzuiveringsinstallaties het afvalwater gedurende 24 uur gemeten. De hoeveelheid aangetroffen CPE varieerden sterk per meetmoment. Meestal is minder dan 10 procent van het totale aantal CPE in de afvalwaterzuivering afkomstig van het afvalwater van ziekenhuizen. Bij sommige ziekenhuizen (een derde van de metingen) konden de aantallen op bepaalde momenten oplopen tot 10 tot 60 procent. Ook komt maar een klein deel van restanten van antibiotica (residuen) van het afvalwater van ziekenhuizen.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Geluidmonitor 2017 : Meting en validatie van geluidproductie door rijkswegen en spoorwegen | RIVM

Het RIVM valideert jaarlijks geluid-berekeningsresultaten van de wegen spoorwegbeheerder, Rijkswaterstaat en ProRail. Dit gebeurt met een steekproef van metingen. Zowel de validatie als de berekeningen zijn een verplichting die voortkomt uit de Wet Milieubeheer. Validatie 2016 In 2016 lag de gemeten geluidproductie langs rijkswegen gemiddeld 2 decibel hoger dan de berekende waarden. Langs het spoor kwam in 2016 de gemeten en berekende geluidproductie gemiddeld met elkaar overeen. Dit beeld komt overeen met de resultaten van de jaren 2013, 2014 en 2015. Zowel bij rijks- als spoorwegen variëren de verschillen tussen rekenen en meten op afzonderlijke trajecten. Deze lopen uiteen van 2 decibel lager tot 6 decibel hoger bij rijkswegen, en 4 decibel lager tot 6 decibel hoger bij spoorwegen. Metingen 2017 Dit rapport geeft ook meetresultaten over 2017. Deze resultaten zullen in de geluidmonitor 2018 worden vergeleken met de rekenresultaten van Rijkswaterstaat en ProRail van 2018. De weg- en spoorbeheerder publiceren deze resultaten in de tweede helft van 2018. Daarna kunnen de resultaten worden vergeleken.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Study on methodology to perform an environmental noise and health assessment - a guidance document for local authorities in Europe | RIVM

De Europese richtlijn voor de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai (Environmental Noise Directive, END) is voor lokale overheden het belangrijkste instrument om niveaus van geluidoverlast te bepalen. Tevens is de richtlijn bedoeld om vanuit het gezondheidsperspectief de effecten van maatregelen te evalueren. Ook kan ze de effecten van alternatieve oplossingen inzichtelijk maken. Daarnaast stimuleert de richtlijn dat de lidstaten actie ondernemen om de effecten van geluidsoverlast te beperken. Annex III van de richtlijn wordt op dit moment aangepast en zal een methode bevatten om de gezondheidseffecten van omgevingsgeluid van verschillende bronnen, zoals weg- en treinverkeer, volgens de nieuwste inzichten te berekenen. Als voorbereiding op deze update heeft het RIVM in samenwerking met internationale partners een handreiking opgesteld. Hierbij worden niet alleen hinder en slaapverstoring als gezondheidseffecten meegenomen, maar ook hart- en vaatziekten en cognitieve effecten bij kinderen (extra leesachterstand door geluid). Het document is toegankelijk verwoord zodat lokale overheden er eenvoudig gebruik van kunnen maken. De handreiking is opgesteld in opdracht van de EU. In het document worden de stappen van een gezondheidskundige evaluatie voor omgevingsgeluid (Health Impact Assessment) een voor een beschreven. Daarnaast worden de bijbehorende aannames, beslissingen en eisen uitgelegd. Vervolgens worden voor twee indicatoren de feitelijke rekenmethodes verder toegelicht: het aantal gezonde levensjaren gecorrigeerd voor ziekte, handicap en dood (DALY), en het aantal mensen dat nadelige effecten ondervindt van geluid (NafP). Tot slot wordt als voorbeeld een gezondheidskundige evaluatie van geluid in Düsseldorf beschreven.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Publieksperceptie van Stralingsrisico's: Betekenis voor Risicocommunicatie | RIVM

Het algemene publiek oordeelt anders over de risico's van een ongeval waarbij straling vrijkomt dan experts. Beide groepen schatten de kans dat er een ernstig incident plaatsvindt in als heel klein. Echter, anders dan deskundigen verwachten burgers ten onrechte dat een kernongeval onder de bevolking veel sterfgevallen en misvormingen veroorzaakt, ook op grote afstand. Dit verschil bestaat doordat het publiek zijn mening op andere factoren baseert dan deskundigen, die zich vooral op technische informatie baseren. Voor effectieve communicatie over stralingsrisico's is het van belang om goed aan te sluiten bij wat mensen weten en denken. Vier factoren zijn belangrijk voor de manier waarop het publiek een risico beoordeelt. Als eerste is er de bekendheid met het risico. Wanneer mensen weinig bekend zijn met een risico, zullen ze deze als groot zien. Communicatie over risico's van straling dient zich dus juist te richten op het vergroten van kennis over bijvoorbeeld de werking van centrales. Ook persoonlijke omstandigheden en ervaringen zijn van invloed op de beleving van een risico. Mensen vormen een 'plaatje' (kennis, ideeën en beelden) over de gevolgen van een kernongeval. Door dit 'plaatje' naast dat van deskundigen te leggen, kan worden gezien waar de verschillen zitten. Dit kunnen dan speerpunten worden voor communicatie. Uit eerder onderzoek naar deze verschillen blijkt dat er vooral behoefte is aan informatie over welke maatregelen mensen kunnen nemen bij een ongeval en waar zich überhaupt kerncentrales bevinden. Als derde is er de houding tegenover een bepaalde activiteit. Die houding is positiever naarmate mensen er voordelen van ervaren en meer vertrouwen hebben in relevante regelgevende en toezichthoudende instanties. Om dit vertrouwen te behouden en te vergroten is het belangrijk dat communicatie vanuit deze instanties transparant en feitelijk juist is. Een uitdaging hierbij is dat wetenschappelijke informatie vaak op verschillende, alternatieve manieren kan worden uitgelegd. Dit is iets wat vertrouwen in instanties en hun interpretatie van deze informatie onder druk kan zetten. Ten slotte zijn er signalen uit de sociale omgeving aan de hand waarvan mensen een oordeel vormen over een risico, bijvoorbeeld van vrienden of de sociale media. Aangezien de sociale media steeds belangrijker worden, doen instanties er goed aan om ook via deze kanalen contact te hebben met burgers. Een goed opgezette sociale media strategie is hierbij belangrijk. Men moet rekening houden met wat mensen al weten en denken, maar ook met de uitdagingen van sociale media zoals de aanwezigheid van partijen die hun doelstellingen willen ondermijnen.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Meldingen over en hinder van Laagfrequent Geluid of het horen van een bromtoon in Nederland: Inventarisatie | RIVM

De laatste jaren is er meer aandacht voor laagfrequent geluid en het horen van een hinderlijke bromtoon, en mogelijke gezondheidseffecten daarvan. Hinder is meestal een van de eerste reacties op dit type geluid en gaat vaak samen met secundaire effecten als hoofdpijn, concentratieproblemen, hartkloppingen en slaapproblemen. Aangetoonde effecten van laagfrequent geluid zijn hinder en slaapverstoring. Het aantal klachten dat aan blootstelling aan laag frequent geluid wordt toegeschreven, lijkt toe te nemen, net als de bezorgdheid erover. Niet alleen in Nederland maar ook elders. Het is echter niet mogelijk precies aan te geven hoeveel mensen last hebben van laag frequent geluid. Dat komt onder andere doordat er niet systematisch onderzoek naar wordt gedaan. Zo is het in veel gevallen niet mogelijk om een duidelijke bron van laag frequent geluid aan te wijzen en het effect op het welzijn en de gezondheid van mensen te duiden. Bovendien denken mensen soms last te hebben van dit type geluid, maar is dat niet altijd de bron. Ook lijken er sterke verschillen in de mate van hinder te bestaan tussen steden, regio's en buurten. Laag frequente geluiden komen veel voor in het dagelijks leven en worden geproduceerd door natuurlijke bronnen (golven, wind) of door de mens, zoals industriële installaties, huishoudelijke apparaten en wegverkeer. Door geluidsisolerende maatregelen om luidere geluiden te bestrijden, zoals stil wegdek en geluidschermen, wordt laag frequent geluid meer gehoord. Volgens voorlopige schattingen is ongeveer twee procent van de Nederlanders van 18 jaar en ouder ernstig gehinderd door laagfrequent geluid. Het RIVM beveelt aan om het probleem voor potentiële bronnen, zoals wegverkeer, ventilatie- en koelingssystemen en warmtepompen, systematischer te onderzoeken. Vanwege de sterke verschillen tussen buurten en regio's zou dit op een standaard manier en minstens op wijkniveau moeten gebeuren. Door toekomstige ontwikkelingen is het mogelijk dat laag frequent geluid toeneemt. Te denken valt aan een toenemend gebruik van mechanische ventilatie, warmtepompen en koeling systemen vanwege klimaatverandering en de energie transitie. Het RIVM raadt daarom aan deze ontwikkelingen nauwlettend in de gaten te houden.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Cleaning Products Fact Sheet : Default parameters for estimating consumer exposure - Updated version 2018 | RIVM

Dit rapport bevat een erratum d.d. 13-9-2018 op pagina 247 Om mogelijke risico's van chemische stoffen in consumentenproducten te kunnen beoordelen, is een goede schatting nodig van de mate waarin mensen eraan blootstaan als zij het product gebruiken. Voor deze schatting heeft het RIVM het computerprogramma ConsExpo ontwikkeld, waarvoor recentelijk een webapplicatie is gemaakt (ConsExpo Web). Hiermee kan bijvoorbeeld de blootstelling van een bepaalde chemische stof binnenshuis tijdens het gebruik van bijvoorbeeld verf, schoonmaakmiddelen of cosmetica worden berekend. Voor de gebruikers van ConsExpo Web zijn Factsheets geschreven waarin standaardmodellen en standaardwaarden (defaults) staan voorgeschreven. Door deze modellen en waarden te gebruiken, wordt de blootstellingsschatting op een transparante en gestandaardiseerde manier uitgevoerd. Er zijn meerdere Factsheets, waarvan, in navolging op de Factsheet Algemeen in 2014, nu de Schoonmaakmiddelen Factsheet is herzien. In de Schoonmaakmiddelen Factsheet staan standaardwaarden die bruikbaar zijn om de blootstelling aan een stof in een schoonmaakmiddel te schatten. Voorbeelden van die waarden zijn de frequentie van het gebruik en hoeveelheden van het gebruikte product. In de herziene versie staan de nieuwste beschikbare databronnen beschreven, is de nieuwe informatie beoordeeld en waar nodig zijn de standaardwaarden aangepast. Parallel aan de publicatie van de herziene Schoonmaakmiddelen Factsheet zullen ook de gepubliceerde standaardwaarden in de ConsExpo-database van onder meer wasmiddelen, afwasmiddelen, allesreinigers, schuurmiddelen, badkamerreinigers, vloer-, tapijt, -en meubelreinigingsmiddelen worden vernieuwd.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Quality of the Gradko passive samplers in the MAN monitoring network | RIVM

Het Meetnet Ammoniak in Natuurgebieden (MAN) meet ammoniakconcentraties in de lucht op ongeveer 280 locaties in natuurgebieden, als onderdeel van het Programma Aanpak Stikstof (PAS). De metingen worden uitgevoerd met passieve samplers van Gradko die elke maand verwisseld worden. Belangrijke voordelen van deze samplers zijn hun compactheid, onopvallendheid en de eenvoudige wijze van bemonsteren. Ook zijn zij goedkoper dan andere commercieel verkrijgbare samplers. Een nadeel is echter dat zij minder nauwkeurig zijn dan andere, duurdere samplers. Om dit nadeel te verhelpen, worden de Gradko-samplers elke maand gekalibreerd aan zes referentie-instrumenten van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit die verspreid over Nederland staan opgesteld in gebieden met verschillende verontreinigingsniveaus. In dit rapport wordt de kwaliteit van Gradko passieve samplers onderzocht, voor en na de uitgevoerde kalibratie. Zonder kalibratie zijn de metingen van de Gradko-samplers systematisch te hoog, vooral in het lage concentratiebereik. Na kalibratie is deze systematische afwijking niet meer aanwezig. De kalibratieprocedure corrigeert de metingen ook voor meteorologische invloeden, wat de ruis in de metingen vermindert. De nauwkeurigheid van de gekalibreerde Gradko-metingen is dan goed vergelijkbaar met die van verschillende andere goedkope meettechnieken. Omdat de meetlocaties in publiek toegankelijke terreinen zijn geplaatst en het MAN gebruik maakt van de inzet van vrijwilligers en natuurbeheerders, is het eenvoudige en robuuste ontwerp van de Gradko-samplers zeer geschikt voor de toepassing in Nederlandse natuurgebieden.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Basisnotitie Coördinatiepunt Assessment en Monitoring nieuwe drugs | RIVM

In 1999 is een Coördinatiepunt Assessment en Monitoring nieuwe drugs (CAM) opgericht. Het doel van het CAM is om indien nodig zo snel mogelijk een risicobeoordeling uit te voeren op nieuw verschenen drugs in het gebruikscircuit. Aan de hand van de risicobeoordeling kan het beleid ten aanzien van deze nieuwe drugs worden bepaald. Het CAM bestaat uit een voorzitter, een coördinator en een secretariaat en wordt ondersteund door een Commissie Risicobeoordeling nieuwe drugs waarin diverse deskundigen op het gebied van drugs en drugsgebruik zijn vertegenwoordigd. De coördinator en het secretariaat worden vanuit het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) geleverd. Er is een protocol voor de risicobeoordelingsprocedure dat is opgesteld door de Commissie Risicobeoordeling nieuwe drugs. Het doel en de werkwijze van het CAM en de samenstelling van de Commissie Risicobeoordeling nieuwe drugs staan beschreven in deze Basisnotitie. De Basisnotitie vervangt de vorige versie uit 2011 en is opgesteld vanwege wijzigingen in procedures en de samenstelling van de Commissie Risicobeoordeling nieuwe drugs. Naast het uitvoeren van risicobeoordelingen, is het CAM voor de leden van de Commissie Risicobeoordeling nieuwe drugs ook een centraal punt waar informatie over nieuwe stoffen uitgewisseld wordt en voor de volksgezondheid relevante trends bijgehouden worden. Het CAM en de Commissie Risicobeoordeling nieuwe drugs zijn formeel ingesteld via het Besluit Commissie Risicobeoordeling nieuwe drugs 2003. De leden van de Commissie en de onafhankelijke voorzitter worden door de Minister benoemd. Het CAM is sinds 1 januari 2006 ondergebracht bij het RIVM.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Eenheid van Taal in de Nederlandse zorg : Van eenduidige informatie-uitwisseling tot hulpmiddel voor betere zorg | RIVM

Zorgverleners en patiënten wisselen steeds meer gezondheidsinformatie uit via informatiesystemen. Om efficiënte en veilige zorg te kunnen verlenen is het van belang dat deze informatie voor alle betrokken zorgverleners dezelfde betekenis of bedoeling heeft. Dit is vooral relevant bij de overdracht van informatie tussen zorgverleners, zoals tussen huisarts en ziekenhuis. Dit noemen we Eenheid van Taal in de zorg. Het gaat niet zozeer om hetzelfde taalgebruik, maar om afspraken wanneer en hoe welke vaktermen in computersystemen worden gebruikt bij de uitwisseling en het hergebruik van informatie, zonder dat het aan betekenis verliest. Momenteel beschrijven zorgverleners een ziekte of aandoening vaak met uiteenlopende digitale termen en codes in hun systemen. Hierdoor kost het tijd om medische informatie te duiden en bij de overdracht in het 'volgende' digitale zorgsysteem te verwerken. Het RIVM en het expertisecentrum e-health Nictiz bevelen aan om een gemeenschappelijk woordenboek op te stellen met drie, elkaar aanvullende, basistalen waarmee het grootste deel van de zorg is omvat. Dit woordenboek wordt gekoppeld aan de systemen van de zorgverlener of de patiënt. Via het woordenboek zet dat systeem ziektes en aandoeningen om naar eenduidige termen (en eventueel in codes). Op deze manier wordt de zorgverlener administratief ontlast, worden minder fouten gemaakt en wordt de zorg veiliger en efficiënter. Ook bevelen het RIVM en Nictiz aan om dit gedeelde woordenboek te gebruiken voor administratieve en kwaliteitsgegevens. Voor statistische doeleinden bijvoorbeeld is het belangrijk dat de nationale en internationale gegevens over ziekten en aandoeningen worden herkend en ontsloten. In dit onderzoek hebben het RIVM en Nictiz met betrokkenen uit het veld gezocht naar mogelijkheden om Eenheid van Taal te bevorderen. De aanbevelingen zijn in september 2018 besproken in het Informatieberaad Zorg, waarin overheid en zorgsector samenwerken om meer samenhang in de zorgbrede informatievoorziening te realiseren. De deelnemers aan het informatieberaad onderschrijven het belang van Eenheid van Taal en adviseren het met beleid toe te passen.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Voorbij de brand: Leren van ongevallen bij de brandweer : Resultaten van een pilotonderzoek met Storybuilder | RIVM

Het werk van de brandweer kan voor het brandweerpersoneel zelf gevaarlijke situaties en (bijna-)ongevallen met zich meebrengen, waardoor ze gewond kunnen raken. Dit kan gebeuren als ze in actie zijn bij een brand, of tijdens voorbereidende activiteiten op de kazerne of trainingsactiviteiten. Denk aan werken met een (ketting)zaag, duikwerkzaamheden of situaties waarin gevaarlijke stoffen vrijkomen. Om de veiligheid van de werknemers te verbeteren, wil de brandweer leren van incidenten. Het RIVM heeft daarom met de brandweer een instrument ontwikkeld dat door alle veiligheidsregio's gebruikt kan worden om op eenduidige wijze gegevens te verzamelen en te analyseren. Zo ontstaat een betere samenwerking tussen de veiligheidsregio's om incidenten te voorkomen. Momenteel worden incidenten bij brandweerpersoneel per veiligheidsregio geregistreerd. Voor dit onderzoek is met zes veiligheidsregio's systematisch informatie verzameld over 140 (bijna-)ongevallen en gevaarlijke situaties bij de brandweer. Welk type ongeval is (bijna) opgetreden, welke veiligheidsmaatregelen hebben hierbij mogelijk gefaald en met welk gereedschap werd er gewerkt? Het ontwikkelde instrument is gebaseerd op Storybuilder, een bestaand instrument voor nationaal onderzoek naar alle ernstige, meldingsplichtige arbeidsongevallen. Dit onderzoek is een pilot waarbij de ontwikkeling van het instrument voorop stond. Niet alle ongevallen in Nederland zijn meegenomen. De gebruikte ongevallen zijn daarom niet representatief, maar geven een indruk. Om het instrument op nationaal niveau te kunnen gebruiken, is het gewenst om het verder te ontwikkelen en aanvullend onderzoek te doen. Het onderzoek maakt ook duidelijk dat Storybuilder aangepast kan worden om binnen een specifieke sector incidenten te analyseren.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Tuberculose in Nederland 2017 : Surveillancerapport - inclusief rapportage monitoring van interventies | RIVM

In 2017 is het aantal tuberculosepatiënten in Nederland aanzienlijk afgenomen, na een toename in de twee jaar ervoor. In 2017 zijn 787 tbc-patiënten gerapporteerd, ten opzichte van 862 in 2015 en 887 in 2016. Bijna driekwart van het totale aantal tbc-patiënten in Nederland komt uit gebieden waar deze infectieziekte veel voorkomt, zoals Afrika en Azië. Net als in de voorgaande jaren kwam de grootste groep patiënten uit Eritrea (94), gevolgd door Marokko (73) en Somalië (58). Meerdere factoren zorgden voor de daling. Dat zijn onder andere de afnemende instroom van migranten in 2016 en 2017 en de afname van tuberculose onder de Nederlandse bevolking. Tuberculose wordt door een bacterie veroorzaakt en moet gemeld worden bij de GGD in de woonplaats van de patiënt. Het merendeel van de patiënten (tachtig procent) ging zelf naar een dokter; tien procent werd gevonden via de screening van een risicogroep en acht procent door personen in de omgeving van besmettelijke patiënten te onderzoeken. Door besmette contacten zo vroeg mogelijk op te sporen en te behandelen, kon worden voorkomen dat meer mensen tuberculose kregen. Tuberculose kan besmettelijk zijn, bijvoorbeeld als het in de longen zit, maar dat hoeft niet. De besmettelijkste vorm (open tuberculose) is in 2017 bij een kwart van de patiënten geconstateerd. Dit blijkt uit de cijfers over 2017. Het RIVM rapporteert deze cijfers jaarlijks om de voortgang te monitoren van maatregelen om tuberculose in Nederland terug te dringen. Hiertoe is in 2016 het Nationaal Plan Tuberculosebestrijding 2016-2020 opgesteld. Volgens dit plan moeten bijvoorbeeld alle tbc-patiënten een hiv-test aangeboden krijgen, omdat een hiv-infectie het risico op tuberculose verhoogt. In Nederland steeg het percentage tbc-patiënten dat op hiv werd getest van 28 in 2008 naar 75 in 2017. In 2017 hadden 23 tbc-patiënten een hiv-infectie. Een ander doel van het Nationaal Plan Tuberculosebestrijding 2016-2020 is dat 90 procent van tbc-patiënten de behandeling met medicijnen voltooit en dus niet voortijdig stopt. Voor een succesvolle behandeling moeten patiënten namelijk een lange periode (zes maanden of meer) verschillende medicijnen tegelijk innemen. In 2016 is dit doel behaald bij de patiënten die niet resistent zijn tegen het belangrijkste medicijn tegen tuberculose (rifampicine). De behandelresultaten van 2017 zijn nog niet bekend. Wanneer de tbc-bacterie ongevoelig is voor rifampicine, is er sprake van rifampicine-resistente tuberculose. Dan is een complexe en langdurigere behandeling nodig. In Nederland schommelde het aantal patiënten de laatste vijf jaar tussen de tien en de twintig. In 2017 waren het er elf.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Horizon scan of medical technologies : Technologies with an expected impact on the organisation and expenditure of healthcare | RIVM

Medische technologie ontwikkelt zich snel. Nieuwe, veelbelovende technologieën kunnen kansen bieden voor een betere kwaliteit en efficiëntere organisatie van zorg. Innovaties sluiten echter niet altijd volledig aan bij medische en maatschappelijke behoeften of worden nog niet optimaal benut. Professionals in de gezondheidszorg, patiënten, zorgverzekeraars, industrie en de overheid vinden het belangrijk dat dit verbetert. Om dit te realiseren is het van belang dat relevante stakeholders al in een vroeg stadium van ontwikkeling samen optrekken. Dit blijkt uit een ‘horizonscan’ van medische technologieën, die het RIVM uitvoerde in opdracht van het ministerie van VWS. In de ‘horizonscan’ zijn technologieën beschreven die een grote impact op de samenleving kunnen hebben. e-Health, robots om de ouderenzorg te ondersteunen, en het 3D-printen van bijvoorbeeld implantaten of modellen van organen waarmee operaties kunnen worden voorbereid, bieden grote mogelijkheden. Naar verwachting kunnen deze technologieën de organisatie van de zorg en de kosten van de zorg beïnvloeden, zowel positief als negatief. De precieze impact van deze technologieën is moeilijk te voorspellen. Ook andere technologieën hebben mogelijk grote impact. Zo wordt nanotechnologie beschouwd als een technologie die de mogelijkheden vergroot voor andere innovatieve ontwikkelingen, bijvoorbeeld voor vroege diagnose en behandeling van kanker; personalised medicine (zorg op maat) als een ontwikkeling die mede mogelijk wordt gemaakt door veelbelovende medische technologieën. Daarnaast zijn er niet-medische technologieën die grote impact kunnen hebben op de gezondheidszorg. Voorbeelden hiervan zijn ‘big data’ en kunstmatige intelligentie. Het samenbrengen van stakeholders is de eerste, belangrijke stap om de technologische mogelijkheden en de medische en maatschappelijke behoeften beter op elkaar te laten aansluiten. Dit kan richting geven aan de ontwikkelaars van technologie. Ook kan het organisaties in de gezondheidszorg helpen om veelbelovende medische technologie optimaal te benutten.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Inventarisatie mogelijke bestaande blootstellingssituaties in Nederland : Onderzoek voor de implementatie van richtlijn 2013/59/Euratom | RIVM

Het RIVM heeft situaties in kaart gebracht die sinds 6 februari 2018 mogelijk onder de stralingsregelgeving vallen en waarin mensen kunnen blootstaan aan ioniserende straling. Dergelijke situaties worden 'bestaande blootstellingsituaties' genoemd. Deze inventarisatie is nodig voor eventuele beleidskeuzes over dergelijke situaties. Het gaat dus niet om situaties die nu al onder toezicht staan van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS), zoals kerncentrales of röntgentoestellen. Sinds 6 februari 2018 moeten lidstaten bestaande blootstellingsituaties inventariseren op grond van nieuwe Europese voorschriften over stralingsbescherming. Deze voorschriften zijn geïmplementeerd in het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming (Bbs). In dit onderzoek zijn 24 blootstellingsituaties geïnventariseerd waarvan er vijftien zijn aangemerkt als mogelijke bestaande blootstellingsituatie. De overige negen zijn situaties waarop het Bbs niet van toepassing is, of situaties die al onder het controlestelsel blijken te vallen ('geplande blootstellingsituaties'). De blootstelling in gebouwen aan radon en thoron, en aan externe straling behoren sinds de nieuwe wetgeving tot mogelijke bestaande blootstellingsituaties. Deze drie blootstellingsituaties leiden voor een gemiddelde inwoner van Nederland gezamenlijk tot een dosis van ongeveer 1 millisievert per jaar. Dit komt overeen met circa 40 procent van de totale gemiddelde jaarlijkse blootstelling aan ioniserende straling in Nederland. Een blootstelling van 1 millisievert per jaar is relatief laag in vergelijking met de in Europese regelgeving gebruikte 'referentieniveaus', die tussen de 1 en 20 millisievert per jaar moeten liggen. Voor de resterende twaalf mogelijke bestaande blootstellingsituaties is de mate van blootstelling aanzienlijk lager, en in bijna alle gevallen lokaal van aard. De inventarisatie is uitgevoerd in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Antifouling systems for pleasure boats : Overview of current systems and exploration of safer alternatives | RIVM

Op pleziervaartuigen worden momenteel vaak verven gebruikt die ervoor zorgen dat er op het oppervlak onder water geen algen en schelpdieren aangroeien (antifouling). Deze verven bevatten giftige stoffen. De Nederlandse overheid wil stimuleren dat booteigenaren overstappen naar minder milieubelastende antifouling-systemen. Het RIVM heeft daarom een overzicht gemaakt van de huidige en toekomstige mogelijkheden om aangroei op het onderwateroppervlak van plezierboten te voorkomen. Een aantal systemen is naar verwachting aanzienlijk minder milieubelastend dan de huidige. Het RIVM doet ook suggesties om het gebruik van dergelijke schonere antifouling-systemen te bevorderen. De huidige antifouling-verven zijn vaak 'zelfslijpende verven' met koper als bestrijdingsmiddel en zink als hulpstof: de verf slijt tijdens het varen af waarmee de stoffen steeds opnieuw uit de coating vrij komen. Hierdoor komen zware metalen in het water terecht die het milieu belasten. Er zijn al verschillende systemen zonder bestrijdingsmiddelen beschikbaar voor pleziervaartuigen, waarvan een deel waarschijnlijk minder milieubelastend is dan de zelfslijpende verven met bestrijdingsmiddelen. Dit gaat onder meer om harde 'foul release coatings', andere harde coatings, folies met kunststof 'stekeltjes', en systemen op basis van ultrasoon geluid. Sommige veelbelovende antifouling-systemen bevinden zich nog in de onderzoeksfase, zoals het gebruik van ultraviolet licht en de ontwikkeling van natuurlijke, goed afbreekbare bestrijdingsmiddelen die in de coating blijven. Het RIVM raadt aan te onderzoeken wat de wettelijke mogelijkheden zijn om het gebruik van middelen die bestrijdingsmiddelen bevatten en zelfslijpende verven te verminderen. Daarnaast zou het voor consumenten duidelijker moeten zijn hoe goed of slecht de bestaande mogelijkheden scoren op het gebied van werkzaamheid, veiligheid en milieubelasting. Ook is het wenselijk dat er een gestandaardiseerde test komt om de werkzaamheid van antifouling-systemen onder verschillende omstandigheden beter vast te stellen.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Registratie voedselgerelateerde uitbraken : in Nederland, 2017 | RIVM

Mensen kunnen ziek worden van voedsel. Als twee of meer mensen tegelijk ziek worden na het eten van hetzelfde voedsel, wordt dat een uitbraak door een voedselgerelateerde infectie genoemd. In 2017 waren er, evenals in 2016, meer voedselgerelateerde uitbraken bekend dan in 2015. In 2017 zijn in totaal 666 uitbraken met 2995 zieken gemeld, ten opzichte van 594 uitbraken met 2731 zieken in 2016 en 406 uitbraken en 1850 zieken in 2015. Het is niet duidelijk of het aantal uitbraken daadwerkelijk toeneemt of dat er steeds meer uitbraken worden gemeld. Net als in voorgaande jaren blijft norovirus de belangrijkste veroorzaker van geregistreerde voedselgerelateerde uitbraken, gevolgd door de bacteriën Salmonella en Campylobacter. De cijfers zijn afkomstig van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en de GGD'en. Zij registreren en onderzoeken voedselgerelateerde infecties en vergiftigingen om meer zieken en uitbraken te voorkomen. Daartoe proberen ze vanuit hun eigen werkveld te achterhalen wat de besmettingsbronnen waren en de aard van de ziekteverwekkers. De NVWA onderzoekt het voedsel op ziekteverwekkers en de herkomst en plaats waar het wordt bereid of is verkocht. De GGD richt zich op de personen die hebben blootgestaan aan besmet voedsel en probeert via hen de mogelijke bronnen te herleiden. De meldingen van beide instanties worden samengevoegd en als één geheel geanalyseerd door het RIVM. Deze geïntegreerde aanpak levert inzichten op in oorzaken van voedselgerelateerde uitbraken in Nederland, de mate waarin ze voorkomen en mogelijke veranderingen hierin door de jaren heen. De genoemde getallen zijn evenwel een onderschatting van het werkelijke aantal voedselgerelateerde uitbraken en het aantal zieken. Dit komt onder andere doordat niet iedere zieke naar de huisarts gaat of de NVWA informeert. Ook is niet altijd duidelijk dat besmet voedsel de oorzaak van ziekte is.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Jaarverslag Bureau REACH 2017 : Grip op chemische stoffen | RIVM

Chemische stoffen zijn niet weg te denken uit onze maatschappij. Voorbeelden zijn weekmakers in plastic, brandvertragers in matrassen en oplosmiddelen in verf. Om ervoor te zorgen dat veilig met deze stoffen wordt omgegaan, zowel tijdens de productie als bij het gebruik, is Europese wetgeving opgesteld. De belangrijkste zijn twee Europese verordeningen: REACH (registratie, evaluatie, autorisatie en restrictie van chemische stoffen) ) en CLP (classificatie, labelling en packaging van stoffen en mengsels). In opdracht van de ministeries I&M, VWS en SZW ondersteunt en adviseert Bureau REACH van het RIVM het Europees Chemicaliën Agentschap (ECHA) en (buitenlandse) overheden bij de uitvoering van REACH en CLP. Dit jaarverslag beschrijft in hoofdlijnen de activiteiten in 2017 en belicht enkele specifieke cases. Zo was er in 2017 veel aandacht voor nieuwe stoffen waarover zorgen bestaan in bijvoorbeeld drinkwater (zoals GenX) en risico's als mensen aan verschillende stoffen tegelijk bloot worden gesteld. Als de risicoanalyse van stoffen nog vragen oproepen, kan Bureau REACH de producent of importeur om aanvullende informatie over de schadelijkheid van een stof vragen. Op basis van de uitkomst wordt bepaald of een stof als zeer ernstige zorgwekkende stof (ZZS) moet worden getypeerd. Ook kan Bureau REACH voorstellen indienen om stoffen in te delen op basis van Europees vastgestelde gevaren (classificatie volgens CLP). Daarbij worden afspraken gemaakt over hoe de gevaarseigenschappen van een stof op etiketten aangeduid moeten worden zodra deze boven de grenswaarde in een product aanwezig is. Verder beoordeelt Bureau REACH dossiers van stoffen die door andere landen en de industrie worden ingediend.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Advies voor een handreiking met afwegingskader risicoanalyse ZZS in afval | RIVM

Veel initiatieven zijn gaande, zowel in beleid als in de praktijk, om afval te hergebruiken (op weg naar een meer circulaire economie). Afval kan schadelijke stoffen bevatten die niet in het milieu mogen komen. Om te voorkomen dat dat gebeurt, gelden voorschriften. Voor afval dat zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) bevat gelden extra regels op basis waarvan wordt afgewogen of het afval kan worden hergebruikt of moet worden vernietigd. Deze voorschriften maken deel uit van een nieuwe versie van het landelijke afvalbeheerplan (LAP3), dat eind 2017 is verschenen. Een onderdeel van het afvalbeheerplan is een risicoanalyse van de ZZS in afval, als de stoffen niet van het afval kunnen worden gescheiden. Het RIVM geeft in een handreiking en afwegingskader adviezen hoe de risicoanalyse van de ZZS in afval uit te voeren. De handreiking bestaat uit een stappenschema op basis waarvan een vergunninghouder kan afwegen of het afval veilig te recyclen is. Daarvoor moet de vergunninghouder eerst nagaan of de ZZS afgescheiden kunnen worden van de afvalstroom. Dit heeft de voorkeur. Als dat niet kan, is een risicoanalyse nodig van het ZZS-houdende afval voor de beoogde toepassing. De uitkomst daarvan geeft uitsluitsel of de risico's van de aanwezige ZZS aanvaardbaar zijn of niet. Uitgangspunt voor de risicoanalyse zijn de aspecten die volgens LAP3 dienen te worden meegewogen. Een voorbeeld is de mate waarin de ZZS uit het beoogde product vrijkomt. Als de risico's nog onvoldoende helder zijn, biedt het stappenplan een mogelijkheid om ze nader te bepalen. Als de risico's dan nog onaanvaardbaar blijken, kan geen vergunning worden afgegeven voor de toepassing. Er zal dan naar een minder risicovolle toepassing van het ZZS-houdende afval gezocht moeten worden, waarbij de risico's wel aanvaardbaar blijken. Het afwegingskader geeft wat meer achtergrondinformatie over enkele aspecten uit LAP3. Daarnaast biedt het overwegingen en aanbevelingen om de risicoanalyse verder te ontwikkelen.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Evaluatie programma Van Afval naar Grondstof (VANG) 2014 - 2016 | RIVM

Tussen 2014 en 2016 is het programma Van Afval naar Grondstof (VANG) uitgevoerd, als voorloper van het rijksbrede programma 'Nederland circulair in 2050'. De acties van VANG zijn ondertussen afgerond óf opgenomen in het rijksbrede programma, dat in 2016 van start ging. Voor het ministerie van Infrastructuur & Waterstaat (I&W) heeft het RIVM geëvalueerd welke doelen en ambities van het VANG-programma in 2016 zijn bereikt. Hieruit blijkt dat veel zaken in gang zijn gezet, maar niet alle doelen zijn behaald. Een versnelling is nodig om ze alsnog te realiseren. Een belangrijk doel was (en is) om minder afval te storten of te verbranden en meer te recyclen. De planning om in tien jaar tijd de hoeveelheid gestort en verbrand afval te halveren (2012 - 2022), blijkt niet op koers te liggen. Inspanningen hiervoor van bedrijven, (lokale) overheden en consumenten blijven nog achter. De hoeveelheid gestort of verbrand afval daalde eerst, maar is daarna weer gestegen (van 86 procent in 2015 naar 92 procent in 2016, vergeleken met de situatie in 2012). Ook het doel om 75 procent van het huishoudelijk afval in 2020 te scheiden, is nog een stevige uitdaging: in 2016 stond de teller op 54 procent. De afvalcijfers vanaf 2017 vielen buiten de kaders van deze evaluatie. Met VANG zijn ook op andere fronten stappen gezet. Een groot deel van het programma was erop gericht om innovatieve oplossingen voor duurzame productie en consumptie te stimuleren. Een voorbeeld is producten slimmer te ontwerpen en te gebruiken, zodat ze minder afval veroorzaken. Producten kunnen bijvoorbeeld langer meegaan door ze geschikter te maken voor reparatie. Het RIVM kan niet aangeven of de doelstellingen voor duurzamere productie en consumptie zijn bereikt, omdat deze algemeen zijn geformuleerd en niet in getallen uitgedrukt. Het RIVM raadt dan ook aan om deze doelstellingen bij nieuw beleid specifieker en beter meetbaar te maken. Deze evaluatie levert bouwstenen voor de formele Beleidsevaluatie Duurzaamheid, die gepland staat voor 2019.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Risicobeoordeling 42 opkomende stoffen in oppervlaktewaterbronnen voor drinkwaterbereiding : Probleemstoffen op basis van Protocol monitoring en toetsing drinkwaterbronnen KRW | RIVM

Dit rapport bevat een erratum d.d. 16-10-2018 op pagina 97 Om ervoor te zorgen dat drinkwater schoon blijft, controleren waterbeheerders en drinkwaterbedrijven of 'nieuwe' verontreinigende stoffen in het oppervlaktewater aanwezig zijn. Deze stoffen worden zo genoemd omdat het nieuw aangetroffen verontreinigingen zijn waar nog geen wettelijke norm voor bestaat. Om tijdig te signaleren of deze stoffen in oppervlaktewater zitten, wordt gekeken of de concentratie niet boven de signaleringswaarde van 0,1 microgram per liter uitkomt. Als dat wel het geval is, wordt nader onderzocht of de stof risico's voor de gezondheid kan veroorzaken. Van 2013 tot en met 2015 blijken 42 stoffen deze signaleringswaarde te hebben overschreden in oppervlaktewater dat voor de drinkwatervoorziening wordt gebruikt. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat zij geen risico voor de gezondheid vormen via drinkwater. Bij de 42 onderzochte stoffen gaat het onder andere om bestrijdingsmiddelen, medicijnresten, zoetstoffen en industriële stoffen. Ze zijn in het oppervlaktewater terechtgekomen via lozingen door de industrie, de rioolwaterzuiveringsinstallatie of via de landbouw. De meeste van deze stoffen worden niet volledig verwijderd in een eenvoudige oppervlaktewaterzuivering. Om mogelijke gezondheidsrisico's te kunnen duiden, heeft het RIVM voor deze nieuwe stoffen 'drinkwaterrichtwaarden' afgeleid - als deze nog niet bestonden. Dit zijn de concentraties waarbij het water nog veilig is om te drinken. Deze richtwaarden zijn niet wettelijk vastgelegd maar dienen als richtlijn voor de gezondheid. Voor dit onderzoek zijn de drinkwaterrichtwaarden vergeleken met de hoogste concentraties van de 42 stoffen die in de oppervlaktewaterbronnen voor drinkwater zijn aangetroffen. Voor elk stof bleef de gemeten concentratie ruim onder de drinkwaterrichtwaarde, voor de meeste stoffen meer dan een factor 10. Deze risicobeoordeling is uitgevoerd voor het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) ter ondersteuning van de toetsing van de doelen in de Kaderrichtlijn Water (KRW).
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Mixture exposure to PFAS: A Relative Potency Factor approach | RIVM

PFAS is een grote stofgroep van poly- en perfluoralkylverbindingen. Ze hebben onder andere een vuilafstotende werking en worden daarom bijvoorbeeld in kleding verwerkt. Van de bekendste, zoals PFOA en PFOS, is onderzocht welke eigenschappen ze hebben en welke hoeveelheid mensen ervan binnen mogen krijgen zonder negatieve effecten op de gezondheid te veroorzaken. In 2016 heeft het RIVM voor PFOA zo'n hoeveelheid afgeleid. Van de meeste andere verbindingen in deze stofgroep is echter veel minder bekend. PFAS stoffen komen vaak gezamenlijk als verontreiniging voor in grond, grondwater of drinkwater. Om de ernst van dergelijke verontreiniging beter te kunnen inschatten, heeft het RIVM onderzocht in hoeverre het mogelijk is om de schadelijkheid van een aantal PFAS ten opzichte van PFOA uit te drukken. Dat kan door gebruik te maken van zogeheten Relative Potency Factors (RPF). Hierbij wordt de blootstelling aan een PFAS-mengsel uitgedrukt in een vergelijkbare hoeveelheid PFOA. Deze methode kan worden gebruikt bij het omgaan met verontreiniging met PFAS in het milieu, zoals bij een verontreiniging in grond, grondwater of drinkwater. Gemeten PFAS-hoeveelheden worden eenvoudig in PFOA-eenheden uitgedrukt, zodat ze vergeleken kunnen worden met voor bodem of (drink)water geldende PFOA-normen. Aan het gebruik van de RPF-methode kleeft wel een belangrijke voorwaarde, namelijk dat een (beperkte) set aan vergelijkbare toxiciteitsgegevens voor individuele PFAS-verbindingen beschikbaar is. Voor het relevante gezondheidseffect (op de lever van proefdieren) bleek dergelijke informatie voor elf PFAS verbindingen beschikbaar. Dit effect is onderzocht omdat de lever bij mens en proefdieren het gevoeligst op PFOA reageert. Het ongewenste effect is een vergroting van de lever (hypertrofie).
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Beleving Woonomgeving in Nederland : Inventarisatie Verstoringen 2016 | RIVM

Inwoners van Nederland hebben in hun woonomgeving vooral hinder van geluid dat wordt veroorzaakt door wegverkeer, burenlawaai en vliegverkeer. Bij wegverkeer zorgt verkeer op wegen met een snelheidsbeperking tot 50 kilometer per uur, brommers en scooters voor de meeste geluidhinder. Burenlawaai wordt vooral veroorzaakt door 'contactgeluiden' in woningen (traplopen, slaan met deuren, lopen op harde vloeren) en geluid dat buren buiten maken. Geluidhinder door militair vliegverkeer is afgenomen; de hinder door de burgerluchtvaart op landelijk niveau blijft ongeveer gelijk. Treinverkeer valt landelijk gezien buiten de top 3 van wegverkeer, burenlawaai en vliegverkeer, maar kan lokaal voor veel hinder zorgen, vooral als er veel goederenvervoer is. Geurhinder wordt vooral veroorzaakt door activiteiten van de buren waarbij verbrandingsprocessen (bij barbecues, vuurkorven, openhaarden en allesbranders) een belangrijke rol spelen. Dit gaat vaak samen met geluidhinder. Wegverkeer is met afstand de belangrijkste bron van hinder door trillingen, gevolgd door bouw- en sloopactiviteiten en vliegtuigen en helikopters. Geluid kan tot slaapverstoring leiden. Vooral geluid van wegverkeer, van buren en van recreatieve activiteiten (zoals kermissen en sportvelden) zorgen daarvoor. Slaapverstoring door vliegverkeer komt voornamelijk voor in de omgeving van Schiphol. Dat is minder het geval rond de regionale burgerluchthavens omdat daar minder nachtvluchten zijn. Een opvallende toename van de slaapverstoring komt door overvliegende helikopters, vooral in het westen van het land. Bronnen die nu en in de toekomst voor hinder kunnen zorgen zijn bijvoorbeeld drones en bronnen van laagfrequent geluid (laag zoemend of brommend geluid zoals van een ventilator of airconditioning). Acht procent van de Nederlandse bevolking heeft last van laagfrequent geluid. Hierbij is vaak niet één bron als oorzaak aan te wijzen. De omvang van het probleem vormt een signaal voor de overheid om deze overlast in beleid mee te wegen. Bovenstaande blijkt uit de zevende landelijke Inventarisatie Verstoringen, die het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (I&W) ongeveer eens in de zes jaar laat uitvoeren over de beleving van de woonomgeving. Dit keer namen ruim 8000 inwoners van Nederland van 16 jaar en ouder eraan deel. Het onderzoek is uitgevoerd door het RIVM en het CBS.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Het gebruik van biomonitoring en sensoring binnen de arbeidsomstandigheden - praktische en ethische overwegingen | RIVM

Met het oog op hun veiligheid worden werknemers zo min mogelijk aan chemische stoffen blootgesteld. Er zijn meerdere methoden om blootstelling te meten. Twee veelbelovende technieken die de huidige meetmethoden kunnen aanvullen, zijn biomonitoring voor de blootstelling in het lichaam en sensoring voor de blootstelling buiten het lichaam. De informatie die deze technieken opleveren kan worden gebruikt om de gezondheid van werknemers beter te beschermen. Zorgvuldigheid in het gebruik van de technieken is geboden. Dat betreft bijvoorbeeld het voldoen aan de privacywetgeving in het omgaan met persoonsgegevens, de beslisruimte die werknemers wordt geboden om meetmethoden toe te staan (zelfbeschikking) of het opleggen van verantwoordelijkheden aan werknemers om hun gedrag aan te passen aan meetuitslagen. Voorwaarde is dat de balans tussen voor- en nadelen van deze metingen voor werknemers positief uitpakt. Dit vraagt om een brede karakterisering van de gevolgen van het gebruik van de technieken vanuit verschillende perspectieven. Om die balans positief uit te laten pakken, is het nodig dat de beschikbare informatie over blootstellingen daadwerkelijk wordt gebruikt. Dit blijkt uit een studie van het RIVM waarin de praktische en ethische voor- en nadelen ten opzichte van de huidige technieken op een rij zijn gezet. Dit rapport kan afwegingen in de Sociaal-Economische Raad (SER) over de vraag of deze technieken in Nederland meer kunnen worden ingezet, onderbouwen. Beschreven wordt hoe effectief de technieken zijn, in hoeverre ze ingrijpend kunnen zijn en in welk opzicht. Ook is aangegeven wat de rechten, plichten en verantwoordelijkheden zijn van de werknemer, werkgever, bedrijfsarts en de arbeidshygiënist (blootstellingsdeskundige). Deze partijen hebben de verantwoordelijkheid om samen te bepalen of de blootstellingsmetingen en maatregelen om blootstelling te beperken 'in redelijke verhouding' staan tot het doel. Bij biomonitoring worden stoffen gemeten in lichaamsmateriaal zoals bloed of urine. Het wordt in Nederland al op kleine schaal gebruikt, waar dit elders in Europa en in de Verenigde Staten al op grotere schaal gebeurd. Biomonitoring is een goede aanvulling als stoffen moeilijk te meten zijn in de lucht of als mensen vooral via de huid aan stoffen blootstaan. Een nadeel is dat gemeten wordt in lichaamsvloeistoffen. Ook is het aantal stoffen waarvoor meetprotocollen en biologische grenswaarden beschikbaar zijn nog beperkt. Bij sensoring wordt de blootstelling aan stoffen buiten het lichaam gemeten met kleine elektronische apparaatjes. Voordelen zijn dat ze direct uitslag geven van de metingen en gemakkelijk te dragen zijn. Een nadeel is dat het lastig is om metingen aan specifieke activiteiten van de werknemer te koppelen. Ook zijn ze nog niet geschikt om de blootstelling te toetsen aan grenswaarden.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Staat van Infectieziekten in Nederland, 2017 | RIVM

In 2017 is het aantal mensen dat in Nederland ziek werd van meningokokken W opnieuw sterk toegenomen. In 2017 zijn 80 patiënten gemeld, ten opzichte van gemiddeld 4 patiënten per jaar vóór 2015. Vanwege deze toename is de meningokokken C-vaccinatie die baby's van 14 maanden krijgen, vanaf 1 mei 2018 vervangen door een vaccin dat tegen meer typen meningokokken beschermt (ACWY). Het meningokokken ACWY-vaccin wordt vanaf het najaar 2018 ook aangeboden aan tieners die geboren zijn tussen 2001 en 2004. Daarnaast blijkt dat het aantal patiënten met legionella sinds 2012 is gestegen, van 291 mensen in 2012 naar 561 in 2017. Een deel van deze infecties is door Nederlanders op reis in het buitenland opgelopen. Vooral het aantal infecties dat in Nederland is opgelopen, was in 2017 hoger dan in voorgaande jaren, met een piek in de zomermaanden. De oorzaak van de stijging is onduidelijk; wel is er een relatie met warm en nat weer. De infectieziekten waaraan in 2017 de meeste 'gezonde levensjaren' in Nederland verloren gingen, zijn griep, pneumokokkenziekte en legionella. Dit blijkt uit de Staat van Infectieziekten van het RIVM. Deze jaarlijkse rapportage geeft beleidsmakers bij onder andere het ministerie van VWS, GGD-en en het RIVM een overzicht van de belangrijkste ontwikkelingen van infectieziekten in Nederland en in het buitenland. De Staat van Infectieziekten bevat elk jaar een verdiepend thema. Dit keer is dat 'Infectieziekten-epidemiologie anno 2018'. Hierin wordt besproken wat de sterke toename van digitale gegevens in de laatste jaren betekent voor onderzoek naar de mate waarin infectie­ziekten voorkomen en naar plotselinge uitbraken van ziekten. Zo is het mogelijk om uitbraken van ziekten eerder op te sporen doordat steeds meer genetische gegevens van ziekteverwekkers beschikbaar komen. De nieuwe data en methoden zijn een belangrijke aanvulling op de 'klassieke' methoden maar kunnen deze niet vervangen.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Annual report Surveillance of influenza and other respiratory infections: Winter 2017/2018 | RIVM

Griep = In de winter van 2017/2018 duurde de griepepidemie 18 weken. Dat is langer dan het gemiddelde van de afgelopen 20 jaar (negen weken). In totaal zijn tussen oktober 2017 en mei 2018 ongeveer 900.000 mensen ziek geworden door het griepvirus. Naar schatting bezochten 340.000 mensen de huisarts met griepachtige klachten. Daarnaast waren ziekenhuizen tijdelijk overbelast door de vele patiënten die vanwege complicaties van griep (meestal longontsteking) moesten worden opgenomen; naar schatting ruim 16.000. Ook zijn er tijdens de epidemie 9.500 meer mensen overleden dan gebruikelijk is in het griepseizoen (oktober tot mei). Tijdens de gehele epidemie zijn mensen vooral ziek geworden van het type B (Yamagata-lijn) griepvirus. Het is niet eerder voorgekomen dat een type B-griepvirus vanaf het begin van de epidemie overheerst. Effectiviteit griepvaccin In het onderzochte seizoen heeft het vaccin bij 44 procent van de mensen die zich tegen de griep hebben laten vaccineren, voorkomen dat ze griepvirus B kregen. De Yamagata-lijn van griepvirus type B zat niet in het vaccin van het afgelopen seizoen. De redelijke bescherming die het vaccin bood komt doordat er wel een ander type B in zat. De lange duur van de griepepidemie kan dan ook niet verklaard worden door de lage effectiviteit van het vaccin.De effectiviteit van het vaccin kan per seizoen sterk verschillen. Dat komt omdat de samenstelling van het griepvaccin een half jaar van tevoren wordt bepaald op basis van de virussen die het seizoen ervoor in de wereld heersten. Griepvirussen kunnen echter veranderen of andere virussen kunnen overheersen tegen de tijd dat het griepseizoen in Nederland aanbreekt. Daardoor kan van tevoren nooit precies worden voorspeld welke virussen zullen overheersen. Meldingsplichtige luchtweginfecties Sommige luchtweginfecties moeten bij de GGD worden gemeld om te voorkomen dat ze zich verder verspreiden. Opvallend in 2017 was de toename van het aantal meldingen van legionella naar 561, het hoogste aantal ooit gerapporteerd. Het aantal gemelde gevallen van tuberculose (787) is gedaald. Het aantal meldingen van Q-koorts (23) en psittacose (52) bleef stabiel. Q-koorts, psittacose en legionella ziekten uiten zich meestal in de vorm van longontstekingen. Het aantal gemelde gevallen is een onderschatting van het werkelijke aantal, omdat vaak niet op deze ziekten wordt getest als mensen een longontsteking hebben.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2018 | RIVM

Op basis van ritgegevens over het jaar 2017 heeft het RIVM berekend hoeveel ambulances er in Nederland nodig zijn. Op werkdagen overdag zijn er 614 ambulances nodig, vijf meer dan uit de doorrekening over 2016 bleek. Op werkdagen in de avond zijn drie ambulances meer nodig. De berekeningen wijzen uit dat er in het weekend, op zaterdagen overdag en in de nacht van zaterdag op zondag, twee ambulances minder nodig zijn. Op andere uren van de weekenddagen varieert het aantal extra benodigde ambulances tussen nul en één. De stijging op landelijk niveau van vijf ambulances was minder groot dan in 2016. Toen waren er nog tien ambulances meer nodig ten opzichte van het voorgaande jaar. De afnemende stijging heeft te maken met de relatief lichte groei van het aantal ingezette ambulances in 2017. Het aantal spoedeisende inzetten steeg in 2017 met 0,3 procent ten opzichte van 2016, het aantal inzetten in de planbare ambulancezorg daalde met 0,8 procent. De benodigde capaciteit van de ambulancezorg in Nederland wordt berekend met behulp van een zogeheten referentiekader. Dit kader definieert het aantal ambulances waarmee de ambulancezorg in Nederland kan worden uitgevoerd. Dit gebeurt op basis van een aantal randvoorwaarden, zoals de tijd na een melding waarbinnen een ambulance ter plaatse moet zijn en de spreiding van de standplaatsen over het land. In opdracht van het ministerie van VWS heeft het RIVM het referentiekader in 2018 geactualiseerd met cijfers over het gebruik van ambulancezorg in Nederland in 2017.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

National Action Plan on STIs, HIV and Sexual Health : 2017-2022 | RIVM

Het Nationale Actieplan soa, hiv en seksuele gezondheid presenteert voor de komende vijf jaar een integrale aanpak waarin een positieve benadering van seksualiteit centraal staat. Uitgangspunt van seksuele gezondheid is dat inwoners van Nederland goed geïnformeerd zijn om hierover verstandige keuzes te maken. Behalve goede preventieve maatregelen moeten zij bij problemen toegang hebben tot laagdrempelige en betaalbare zorg. Het actieplan bestaat uit zes pijlers. Twee daarvan zijn overkoepelende onderwerpen: seksuele vorming en surveillance & monitoring. Seksuele vorming is de basis voor een gezonde seksuele ontwikkeling en is belangrijk om soa, hiv, ongewenste zwangerschap en seksueel geweld te voorkomen. Surveillance betekent bijhouden bij hoeveel mensen er problemen optreden. Deze gegevens zijn nodig om effectieve maatregelen, behandeling en beleid, op te kunnen zetten. Vervolgens wordt het effect daarvan in kaart gebracht (monitoring). De andere vier pijlers benoemen specifieke doelen voor soa, hiv, ongewenste zwangerschap en seksueel geweld, vooral onder kwetsbare groepen. Een van de doelen is het verminderen van klachten door de geslachtsziekte chlamydia. Een andere ambitie: jaarlijks de helft minder mensen die syfilis, gonorroe en hiv oplopen. De volgende hiv-doelstellingen zijn in het actieplan opgenomen: 95 procent van de mensen met hiv in 2022 weet dat ze de ziekte heeft, 95 procent van hen is onder behandeling en bij 95 procent is het hiv-virus niet meer aantoonbaar. Een ander streven is dat in Nederland geen mensen meer overlijden aan aids. Om ongewenste zwangerschappen te voorkomen is het belangrijk dat alle mensen in Nederland laagdrempelige toegang hebben tot anticonceptiemiddelen en goede informatie. Belangrijk is het tegengaan van seksueel geweld en zorg voor de slachtoffers. Op scholen is daarom structurele aandacht nodig voor grensoverschrijdend gedrag. Hiervoor staat (bij)scholing van professionals in zorg en onderwijs centraal. Het Nationaal Actieplan soa, hiv en seksuele gezondheid 2017-2022 is onder de regie van het RIVM tot stand gekomen in samenwerking met de voornaamste veldpartijen die werken op het gebied van seksuele gezondheid.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Indicatieve magneetveldzones rond bovengrondse hoogspanningslijnen : Toelichting bij de geactualiseerde Netkaart | RIVM

Het RIVM heeft de Netkaart uit 2005 waarop de bovengrondse hoogspanningslijnen in Nederland zijn weergegeven, geactualiseerd. De Netkaart is aangepast, omdat nu betere gegevens over het hoogspanningsnet beschikbaar zijn. Ook is het hoogspanningsnet op een aantal plaatsen veranderd, bijvoorbeeld doordat nieuwe hoogspanningslijnen zijn aangelegd of bestaande lijnen ondergronds zijn gebracht, verplaatst of afgebroken. De kaart is een hulpmiddel voor gemeenten bij de besluitvorming over de inrichting van de ruimte nabij bovengrondse hoogspanningslijnen. De Netkaart geeft een indicatie van de breedte van de magneetveldzone langs de bovengrondse hoogspanningslijnen. Als binnen deze zone nieuwe bestemmingsplannen worden gemaakt, wordt aangeraden om voor die specifieke locatie de zone te bepalen. De Rijksoverheid adviseert om in deze 'specifieke magneetveldzone' vanwege het voorzorgsbeleid 'zoveel als redelijkerwijs mogelijk' te voorkomen dat kinderen langdurig blootstaan aan een jaargemiddelde magneetveldsterkte van meer dan 0,4 microtesla. Netbeheerder TenneT heeft de gegevens, die nodig zijn om de specifieke magneetveldzone te kunnen berekenen, de afgelopen vijf jaar systematisch in een register vastgelegd. Daardoor zijn de gegevens over het elektriciteitstransport dat maximaal door de lijnen gaat, de locaties van de masten en de manier waarop de elektriciteitsdraden in de masten hangen nauwkeuriger, betrouwbaarder en navolgbaarder beschikbaar dan voorheen. Door de nieuwe gegevens voor de hoogspanningslijnen zijn de indicatieve magneetveldzones van de meeste lijnen veranderd. Voor 62 procent van de lijnen is de zone smaller geworden, voor 30 procent is deze breder. Voor 8 procent van de lijnen is de zone hetzelfde gebleven. Door de veranderingen in de gegevens van TenneT kunnen ook de specifieke magneetveldzones anders zijn. Dit kan van belang zijn voor de besluiten over de inrichting van de ruimte nabij bovengrondse hoogspanningslijnen.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Microbiologische risicobeoordeling eierketens : Achtergrondstudie ten behoeve van een integrale risicobeoordeling van de eierketens door de NVWA | RIVM

Eieren en de producten waarin ze worden verwerkt, kunnen besmet zijn met ziekteverwekkers, vooral bacteriën, waardoor mensen er ziek van kunnen worden. Elke schakel in de keten, van boerderij tot bord, kan bijdragen aan dit risico. Het RIVM heeft daarom op een rij gezet hoeveel mensen er ziek van worden, welke risico's er per onderdeel van de keten zijn en welke maatregelen kunnen worden genomen om de risico's te verkleinen. Dit levert input voor een integrale risicobeoordeling van de eierketen door de NVWA. De eieren die in Nederland worden gegeten, worden grotendeels gelegd door Nederlandse kippen. Een deel wordt geïmporteerd, onder andere eieren die in de eiproductenindustrie worden verwerkt. De omvang van de sector is aanzienlijk: jaarlijks worden er ruim 10 miljard consumptieeieren geproduceerd en worden er ruim 3 miljard in Nederland geconsumeerd. Tweederde van de Nederlandse productie wordt geëxporteerd, vooral naar Duitsland. Het risico voor de consument wordt mede bepaald door de manier waarop hij met eieren omgaat. Een goede hygiëne bij het gebruik van eieren thuis verkleint dit risico aanzienlijk. Ook is het belangrijk om eieren en gerechten waarin ze rauw worden verwerkt, goed te verhitten. Ongeveer drie procent van het aantal mensen dat ziek wordt van ziekteverwekkers die ze via voedsel binnenkrijgen, kan worden toegeschreven aan de consumptie van besmette eieren en producten waarin ze zijn verwerkt. Voedselinfecties door eieren worden voornamelijk veroorzaakt door een besmetting met de Salmonellabacterie (vooral de Salmonella Enteritidis). Dankzij maatregelen die in de afgelopen jaren in de pluimveesector zijn genomen, is het aantal infecties door besmette eieren afgenomen. Desondanks vormen eieren samen met varkensvlees nog steeds de grootste bron van Salmonellainfecties bij de mens. In verschillende schakels van de eierketen zijn maatregelen mogelijk om de microbiologische risico's verder te beheersen. Zo kunnen bestaande maatregelen worden aangescherpt, zoals de Salmonella-monitoring en hygiënemaatregelen in de productieketen. Daarnaast is een goede opleiding van het management en kennis van regelgeving belangrijk. Om het risico van grotere besmettingsrisico's door schaalvergroting te beperken is het van belang dat deze samengaat met modernisering en beter opgeleide werknemers.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Home as a place of noise control for the elderly? A cross-sectional study on potential mediating effects and associations between road traffic noise exposure, access to a quiet side, dwelling-related green and noise annoyance. | RIVM

Home as a place of noise control for the elderly? A cross-sectional study on potential mediating effects and associations between road traffic noise exposure, access to a quiet side, dwelling-related green and noise annoyance. | RIVM
Jaar: 2018 Onderzoek

Aandacht voor 'ageing' binnen de chemische industrie : Bedrijven over de risico's als gevolg van het verouderen van chemische installaties | RIVM

Bij bedrijven die met chemische stoffen werken, kunnen incidenten ontstaan doordat installaties zijn verouderd. Dit aandachtspunt wordt in Nederland vaak benoemd met de Engelse terminologie: 'ageing of the process industry' of kortweg 'ageing'. Sinds 2015 zijn zogeheten Brzo-bedrijven (Besluit risico's zware ongevallen) verplicht om de veiligheidsrisico's die samenhangen met veroudering en corrosie van hun installaties in kaart te brengen en te beheersen. Vanaf 2017 besteden Brzo-inspectiediensten bij hun inspecties aandacht aan ageing van installaties. Als voorbereiding op de inspectie heeft het RIVM een enquête uitgezet om inzichtelijk te maken hoeveel aandacht Brzo-relevante branches besteden aan ageing. Van de zeventien benaderde brancheorganisaties hebben er negen inhoudelijk gereageerd. Uit de enquête bleek ten eerste dat ageing nog niet bij alle branches expliciet wordt meegenomen bij de beheersing van de risico's. Eind 2016 staan veel bedrijven nog aan het begin om ageing hierin mee te nemen. Bij de meeste brancheorganisaties wordt ageing wel intern besproken. Ten tweede blijken bedrijven verschillende definities van ageing te gebruiken. Bij de 'smallere' definitie gaat ageing alleen over materiaaldegradatie. De 'bredere' gaat niet alleen over het materiaaldegradatie zoals roest en slijtage, maar ook over het verouderden van de gebruikte technieken, procedures en kennis. De helft van de brancheorganisaties gebruikt de bredere. Inmiddels zijn verschillende initiatieven ondernomen om meer aandacht te krijgen voor ageing bij overheid en bedrijven.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

De invloed van veroudering van installaties ('ageing') op de oorzaak van ongevallen met gevaarlijke stoffen | RIVM

Er zijn verschillende oorzaken voor incidenten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven die met grote hoeveelheden van deze stoffen werken. In Nederland is bij ongeveer 30% van de ongevallen bij dit type bedrijf veroudering van de installaties (mede)oorzaak van de incidenten. Dit concludeert het RIVM op basis van een analyse van incidentenrapportages van incidenten bij Brzo-bedrijven (Brzo; het Besluit risico's zware ongevallen). Aanleiding voor dit onderzoek is de Europese richtlijn Seveso-III, die bedrijven verplicht om aandacht te besteden aan veroudering van hun installaties. De richtlijn is in Nederland via het Brzo van 2015 ingevoerd. Deze regelgeving bevat geen definitie van veroudering. De Europese Unie hanteert een brede definitie van veroudering, die het RIVM voor dit onderzoek heeft gebruikt. Behalve door slijtage van materiaal kunnen incidenten bij dit type bedrijven ook zijn veroorzaakt door veroudering van de procedures, de organisatie en de kennis om veilig met de installatie te werken. Er is nog niet veel onderzoek gedaan naar veroudering. De geconstateerde 30% komt overeen met het percentage dat Engels onderzoek uit 2008 heeft aangetoond.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Assessment of human health and environmental risks of new developments in modern biotechnology : Policy report | RIVM

Door de snelle ontwikkelingen in de moderne biotechnologie, worden er in de komende tien jaar veel nieuwe toepassingen verwacht. Om hierop voorbereid te zijn heeft het RIVM onderzocht of de huidige risicobeoordeling voor mens en milieu nog volstaat. Dit is gedaan voor bijna dertig geselecteerde nieuwe toepassingen. De huidige risicobeoordeling blijkt voor de helft van deze toepassingen op orde te zijn. Voor de andere helft van de onderzochte toepassingen zal de methode van risicobeoordeling (mogelijk) niet meer passen of is er onvoldoende kennis of informatie om de risico's voor mens en milieu goed te kunnen beoordelen. In dit onderzoek is de risicobeoordelingsmethode voor genetisch gemodificeerde organismen getoetst. Deze methode is opgezet voor levende organismen waarvan het erfelijk materiaal is aangepast, zoals tot nu toe bij de meeste biotechnologische toepassingen het geval is. Er komen nu ook toepassingen aan die niet bestaan uit organismen, en waarvoor deze risicobeoordelingsmethode dus niet logischerwijs het meest geëigend is. Op de korte termijn geldt dat bijvoorbeeld voor de zogeheten RNA-spray, waarmee plaaginsecten op gewassen worden onderdrukt. Voor enkele toepassingen die nog in een vroeg ontwikkelingsstadium zijn, is nu nog onduidelijk of de bestaande beoordelingsmethode bruikbaar is. Dit geldt bijvoorbeeld voor 'orthogonale systemen' waarbij andere bouwstenen of een andere codering van DNA wordt gebruikt dan nu in de natuur voorkomt. Om de verwachte knelpunten in de risicobeoordeling op te lossen, is het nodig om lering te trekken uit andere bestaande risicobeoordelingsmethoden, bestaande informatie en kennis bij elkaar te brengen en om ontbrekende kennis op te bouwen.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Gezondheidsrisico's arseen in bodem en grondwater in Apeldoorn | RIVM

De bodem en het grondwater in Apeldoorn en omgeving bevatten arseen; dit zit er grotendeels van nature in, maar een deel is vermoedelijk veroorzaakt door de mens. Op sommige plaatsen komt arseen via het grondwater aan de oppervlakte. Uit dit onderzoek blijkt echter dat er geen probleem voor de gezondheid is. Dit geldt voor kinderen die op de bodem of bij waterspeelplaatsen spelen en voor mensen die zelfgeteelde groenten eten. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM en Wageningen Environmental Research, dat in opdracht van de gemeente Apeldoorn is uitgevoerd. Zij hebben een methode ontwikkeld om de gezondheidsrisico's te beoordelen. De aandacht gaat hierbij vooral uit naar de blootstelling aan arseen van kinderen die gronddeeltjes inslikken en mensen die zelf groenten telen en consumeren. Om de blootstelling te bepalen, is eerst het arseengehalte in de bodem gemeten op 25 locaties op moestuincomplexen en plaatsen waar kinderen kunnen spelen. Vervolgens is bepaald hoeveel arseen er in het lichaam opgenomen wordt als mensen bodemmateriaal binnenkrijgen dat arseen bevat ('relatieve orale biobeschikbaarheid'). Daarnaast is het arseengehalte in groenten van moestuinen gemeten. Hiermee is de blootstelling via de consumptie van zelfgeteelde groenten bepaald.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland : Rapportage 2018 | RIVM

Nieuwe concentratie- en depositiekaarten voor NSL en PAS: 2017 Het RIVM geeft jaarlijks op kaarten weer hoe in Nederland de gemeten concentraties in de lucht waren van onder andere stikstofdioxide en fijn stof. Dit rapport beschrijft de situatie in 2017. Ook is aangegeven in welke mate stikstof op de bodem neerslaat. Daarnaast zijn toekomstberekeningen voor deze stoffen gemaakt voor de periode 2018 tot en met 2030. De kaarten worden gemaakt voor het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), een programma om de luchtkwaliteit in Nederland te verbeteren. Verder dienen de gegevens over de uitstoot en de toekomstscenario's als basis voor de monitoring van het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Met deze programma's worden onder andere de effecten getoetst van ruimtelijke plannen op de concentraties van vervuilende stoffen in de lucht. Stikstofdioxide- en fijnstofconcentraties min of meer gelijk aan inschattingen van vorig jaar De gemeten concentraties stikstofdioxide (NO2) zijn in 2017 iets lager dan in 2016. De inschattingen van de concentraties voor 2020-2030 zijn ongeveer hetzelfde als de inschattingen die vorig jaar zijn gemaakt. De fijnstofconcentraties (PM10 en PM2,5) geven een soortgelijk beeld: de concentraties over 2017 zijn ongeveer gelijk aan die van 2016, maar de inschattingen voor 2020-2030 zijn iets lager zijn dan vorig jaar werd geschat. Over het algemeen zijn de emissies in toekomstscenario's niet veel gewijzigd. De kleine veranderingen zijn veroorzaakt doordat de kaarten zijn geijkt met behulp van de nieuwste meetgegevens. Verwachte daling van neerslag stikstof op de bodem tot 2030 grotendeels ongewijzigd De gemiddelde hoeveelheid stikstof die op de bodem neerslaat, daalt naar verwachting de komende jaren. Dit komt doordat de uitstoot van verkeer, scheepvaart en de landbouw daalt. De daling gemiddeld over Nederland tot 2030 is ongeveer gelijk aan de inschatting daarvan die daar vorig jaar van is gemaakt.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Towards a policy decision on Aedes japonicus : Risk assessment of Aedes japonicus in the Netherlands | RIVM

De overheid wil de kans op ziekten, die door muggen overgedragen worden, beperken en daarom de vestiging van invasieve exotische muggen in Nederland beperken. Het RIVM en het CMV hebben op verzoek van VWS onderzocht welke aanpak gekozen kan worden voor de Aziatische bosmug Aedes japonicus. Een effectieve aanpak vergt maatwerk en vraagt om keuzes. Een goede aanpak hangt af van de kans op overdracht van ziekten door een specifieke muggensoort, het effect van de bestrijding en de kosten daarvan. In Nederland zijn muggen als overbrenger van ziekten op dit moment geen groot probleem. Voordat muggen op grote schaal ziekten kunnen verspreiden zijn er twee randvoorwaarden nodig. Er moeten muggen (die van nature ook vaak mensen bijten) aanwezig zijn die ziekten kunnen overbrengen, en er moeten ziekteverwekkers aanwezig zijn die door muggen overgebracht kunnen worden. In Nederland komen zulke ziekteverwekkers niet of nauwelijks voor. Bovendien komen in Nederland vooral muggen voor die niet goed in staat zijn om ziekten over te dragen. De vestiging van specifieke exotische muggen zou het risico op overdracht van ziekten in Nederland kunnen vergroten. De Aziatische bosmug is in 2012 aangetroffen in Nederland en bleek al in grote delen van Lelystad voor te komen. In de afgelopen jaren is het leefgebied van deze soort uitgebreid. Daarmee wordt het moeilijker om de mug te bestrijden en stijgen de kosten voor de bestrijding. Daartegenover staat dat het risico van overdracht van ziekten door de Aziatische bosmug klein is. Deze mug speelt geen belangrijke rol bij uitbraken van door muggen overdraagbare zieken. Alleen onder specifieke omstandigheden in het laboratorium en veld kan Aziatische bosmug ziekteverwekkers overbrengen. Wereldwijd zijn slechts enkele patiënten bekend die mogelijk via deze mug ziek zijn geworden. Het risico van de Aziatische bosmug in Nederland is vergelijkbaar met dat van een aantal inheemse muggensoorten. De Aziatische bosmug zorgt voor een klein toegevoegd risico op verspreiding van ziekten in Nederland.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Gebruik en risico's van energiedranken bij kinderen en jongeren in Nederland | RIVM

In 2015 dronk rond de 80 procent van de Nederlandse jongeren van dertien tot achttien jaar nooit of minder dan een keer per week energiedranken. Bij de meeste jongeren die energiedrank drinken is er geen reden tot zorg. Dit product past echter niet in een gezond voedingspatroon, alleen al vanwege het hoge gehalte aan suiker. Daarnaast bevatten vrijwel alle merken van deze dranken cafeïne en twee andere stoffen (taurine en D-glucuronolacton). Als je te veel van deze stoffen binnenkrijgt, kan dat klachten veroorzaken als hartkloppingen en duizeligheid. Wanneer dat is, verschilt per persoon en hangt onder andere af van het gewicht. Een kleine groep jongeren (1 tot 2 procent) drinkt regelmatig drie of meer blikjes per dag, dus dagelijks minstens 750 ml. Hierdoor lopen zij het risico gezondheidsklachten te krijgen. Deze jongeren vertonen ook vaker ander risicogedrag, zoals roken en meer alcohol drinken, ten opzichte van jongeren die geen energiedrank drinken. Om de hoge consumptie bij deze groep jongeren tegen te gaan, zouden de Jeugdgezondheidszorg en (kinder)artsen het gebruik (nog) beter kunnen signaleren. Dat gebeurt bijvoorbeeld door dit onderwerp aan te kaarten bij het 'contactmoment' met middelbare scholieren van de Jeugdgezondheidszorg. Zij en (kinder)artsen kunnen voorlichting geven en alert zijn op energiedrankgebruik bij klachten. Specifieke aandacht voor de risicogroep is daarbij van belang. Het RIVM-onderzoek bevestigt het huidige advies van het Voedingscentrum over energiedrank voor dertien- tot achttienjarigen: drink het liever niet, en anders maximaal één blikje per dag. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van VWS in samenwerking met onder andere zes GGD's. Ruim 60.000 jongeren zijn (deels anoniem) bevraagd naar de mate waarin zij energiedrank drinken. Ook zijn risico's van de desbetreffende stoffen bekeken. Daarnaast is geïnventariseerd welke klachten kunnen optreden als jongeren veel energiedrank drinken, bijvoorbeeld meer dan een liter.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Agricultural practices and water quality at farms registered for derogation in 2016 | RIVM

In Nederland mogen agrarische bedrijven die aan specifieke randvoorwaarden voldoen, meer dierlijke mest op hun land gebruiken dan in de algemene norm van de Nitraatrichtlijn is voorgeschreven. Deze verruimde toepassing wordt derogatie genoemd. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en Wageningen Economic Research monitoren de gevolgen van deze derogatie op de waterkwaliteit op 300 bedrijven. Dat doen zij in opdracht van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselveiligheid (LNV). Dit rapport beschrijft de monitoringsresultaten voor derogatiebedrijven in het jaar 2016 en de trend vanaf 2006. Bedrijfsvoering In 2016 hebben derogatiebedrijven gemiddeld evenveel dierlijke mest gebruikt als in 2015, namelijk 238 kilogram stikstof per hectare. Een derogatiebedrijf mag 230 of 250 kilogram stikstof per hectare uit graasdiermest gebruiken, afhankelijk van de bodemsoort en regio. Verbeteringen in de bedrijfsvoering in de afgelopen jaren hebben er voor gezorgd dat er meer stikstof uit mest wordt gebruikt voor de aanwas en dus productie van gewassen: de indicator "stikstofbodemoverschot" is sinds 2006 met 16% gedaald wat inhoudt dat efficiëntie van het stikstofgebruik toeneemt. En hoe lager het stikstofbodemoverschot, des te minder nitraat kan uitspoelen naar het grondwater. Grondwaterkwaliteit Bij derogatiebedrijven is de uitspoeling van nitraat naar het grondwater sinds 2006 gedaald of gelijk gebleven. Sinds 2015 ligt de gemiddelde nitraatconcentratie van derogatiebedrijven in alle regio's onder de EU-norm van 50 milligram per liter. Dit geldt voor regiogemiddelden, op bedrijfsniveau wordt de nitraatnorm soms nog wel overschreden. Maar het percentage derogatiebedrijven dat aan deze norm voldoet stijgt. De hoogste nitraatconcentraties zijn in 2016 aangetroffen in de Lössregio (35 mg/l in bodemvocht) en in Zand-230 (36 mg/l). In deze regio's komen veel gronden voor, waar nitraat in mindere mate in de bodem wordt afgebroken en daardoor meer kan uitspoelen naar het grondwater.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Gezondheidsverkenning omwonenden van landbouwpercelen | RIVM

Op landbouwpercelen worden bestrijdingsmiddelen gebruikt waaraan omwonenden kunnen zijn blootgesteld. Er bestaan zorgen over de mogelijke effecten van het gebruik van bestrijdingsmiddelen op de gezondheid van omwonenden van landbouwpercelen. Daarom hebben het RIVM, Universiteit Utrecht en NIVEL een verkenning gedaan naar de gezondheid van mensen die bij landbouwpercelen wonen. Gegevens over de feitelijke blootstelling van omwonenden aan bestrijdingsmiddelen waren voor deze verkenning niet beschikbaar. Daarom is bekeken of er een verband bestaat tussen afstand tot landbouwpercelen en oppervlakte van nabije teelten enerzijds en gegevens over ziekten en aandoeningen anderzijds. Over het algemeen vinden we geen duidelijke verbanden tussen gezondheid en de nabijheid van landbouwpercelen. Mensen die dichter bij landbouwpercelen wonen leken over het algemeen zelfs wat gezonder te zijn dan mensen die daar verder vandaan wonen. Dit kan met leefstijl te maken hebben. In tegenstelling tot dit algemene beeld werd in de nabijheid van maisteelt een hogere sterfte aan luchtwegaandoeningen gevonden. We kunnen niet zeggen of het gebruik van bestrijdingsmiddelen hiervan de oorzaak is. Daarnaast viel in de nabijheid van landbouwpercelen een aantal aandoeningen op waarvoor het verband met de hoeveelheid of nabijheid van specifieke gewassen onvoldoende eenduidig was, maar die nader onderzoek verdienen. Het gaat om een hoger geboortegewicht in de nabijheid van zomergerst, de ziekte van Parkinson bij fruitteelt, oogirritaties bij fruitteelt en om leukemie bij afwisselende granen-bieten-aardappelteelt. Aanbevolen wordt om te analyseren of de hogere sterfte aan luchtwegaandoeningen in de nabijheid van maisteelt verband houdt met gebruikte bestrijdingsmiddelen en/of andere factoren zoals fijnstof. Voor de overige genoemde teelten en aandoeningen wordt aangeraden om verder uit te zoeken of er sprake is van werkelijke verbanden. Daarnaast is het wenselijk om te bekijken welke bestrijdingsmiddelen in de genoemde teelten kunnen zijn gebruikt en te onderzoeken of schadelijke eigenschappen van deze middelen verband houden met de aandoeningen. Ten slotte bevelen de onderzoekers aan om in kaart te brengen of er aandoeningen zijn die in deze verkenning buiten beschouwing zijn gelaten, maar wel aandacht verdienen en hoe deze eventueel bestudeerd zouden kunnen worden. Parallel aan deze verkenning coördineert het RIVM een onderzoek naar de daadwerkelijke blootstelling van omwonenden aan bestrijdingsmiddelen. De eerste resultaten daarvan worden later dit jaar verwacht. De resultaten van het blootstellingsonderzoek en van deze verkenning zijn nodig om richting te geven aan vervolgonderzoek. In 2020 is de tweede verkennning verschenen: Health survey on people living in the direct vicinity of agricultural plots: additional analyses (rapportnummer 2020-0056).
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie in 2016 | RIVM

In Nederland mogen agrarische bedrijven die aan specifieke randvoorwaarden voldoen, meer dierlijke mest op hun land gebruiken dan in de algemene norm van de Nitraatrichtlijn is voorgeschreven. Deze verruimde toepassing wordt derogatie genoemd. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en Wageningen Economic Research monitoren de gevolgen van deze derogatie op de waterkwaliteit op 300 bedrijven. Dat doen zij in opdracht van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselveiligheid (LNV). Dit rapport beschrijft de monitoringsresultaten voor derogatiebedrijven in het jaar 2016 en de trend vanaf 2006. Bedrijfsvoering In 2016 hebben derogatiebedrijven gemiddeld evenveel dierlijke mest gebruikt als in 2015, namelijk 238 kilogram stikstof per hectare. Een derogatiebedrijf mag 230 of 250 kilogram stikstof per hectare uit graasdiermest gebruiken, afhankelijk van de bodemsoort en regio. Verbeteringen in de bedrijfsvoering in de afgelopen jaren hebben er voor gezorgd dat er meer stikstof uit mest wordt gebruikt voor de aanwas en dus productie van gewassen: de indicator "stikstofbodemoverschot" is sinds 2006 met 16% gedaald wat inhoudt dat efficiëntie van het stikstofgebruik toeneemt. En hoe lager het stikstofbodemoverschot, des te minder nitraat kan uitspoelen naar het grondwater. Grondwaterkwaliteit Bij derogatiebedrijven is de uitspoeling van nitraat naar het grondwater sinds 2006 gedaald of gelijk gebleven. Sinds 2015 ligt de gemiddelde nitraatconcentratie van derogatiebedrijven in alle regio's onder de EU-norm van 50 milligram per liter. Dit geldt voor regiogemiddelden, op bedrijfsniveau wordt de nitraatnorm soms nog wel overschreden. Maar het percentage derogatiebedrijven dat aan deze norm voldoet stijgt. De hoogste nitraatconcentraties zijn in 2016 aangetroffen in de Lössregio (35 mg/l in bodemvocht) en in Zand-230 (36 mg/l). In deze regio's komen veel gronden voor, waar nitraat in mindere mate in de bodem wordt afgebroken en daardoor meer kan uitspoelen naar het grondwater.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Technische en inhoudelijke beperkingen ten aanzien van SAFETI-NL 6.54 | RIVM

Met het rekenprogramma SAFETI-NL kunnen de externe veiligheidsrisico's van bedrijven en transportleidingen met gevaarlijke stoffen worden berekend. De uitkomsten van de risicoberekeningen worden gebruikt voor vergunningverlening en ruimtelijke ordening. Het rekenprogramma is ontwikkeld door het adviesbureau DNVGL. De huidige versie, 6.54, is zowel technisch als inhoudelijk verouderd. De berekende veiligheidsrisico's passen daardoor niet meer bij de actuele inzichten. In de nieuwe versie van SAFETI-NL, versie 8.1, zijn deze tekortkomingen weggenomen. Als beheerder van het rekenprogramma wil het RIVM daarom overgaan op de nieuwe versie. Inhoudelijk zijn er meer dan 40 modelverbeteringen gerealiseerd. In sommige gevallen zijn oude modellen geheel vervangen door nieuwe. In andere gevallen zijn waarden geactualiseerd naar de huidige inzichten. Technisch gezien is de belangrijkste tekortkoming dat versie 6.54 niet wordt ondersteund voor Windows 8 en Windows 10. Daardoor ervaren gebruikers steeds vaker installatieproblemen. Ook werkt het programma mogelijk niet meer met toekomstige versies van Windows. Andere tekortkomingen zijn de verouderde look and feel van het programma en dat actuele ICT-mogelijkheden die de rekencapaciteit ten goede komen, niet beschikbaar zijn. Als SAFETI-NL 8.1 in gebruik genomen wordt, dan leidt dat tot andere uitkomsten van risicoberekeningen. De aard en omvang van de verschillen in uitkomsten en de ruimtelijke consequenties ervan zijn in een afzonderlijk rapport beschreven.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Consequentieonderzoek SAFETI-NL : 8 Verschillen in uitkomsten ten opzichte van SAFETI-NL 6.54 en impact daarvan | RIVM

De externe veiligheidsrisico's van bedrijven en transportleidingen met gevaarlijke stoffen moeten berekend worden met het rekenprogramma SAFETI-NL. De uitkomsten van de risicoberekeningen worden gebruikt voor vergunningverlening en ruimtelijke ordening. In zones met een hoog risico gelden bouwbeperkingen. Hier zijn bijvoorbeeld geen woningen toegestaan. De huidige versie van het rekenprogramma, 6.54, is verouderd. Daarom wil RIVM, als beheerder van het rekenprogramma, overgaan op een nieuwe versie, SAFETI-NL 8. Met de nieuwe versie kunnen uitkomsten van risicoberekeningen en de daarbij horende zones met bouwbeperkingen veranderen. RIVM heeft voor 149 situaties bekeken wat de invoering van SAFETI-NL 8 betekent voor de bedrijven en de omgeving. Bij twee op de drie onderzochte situaties wordt de zone met bouwbeperkingen kleiner. Bij de overige situaties wordt de zone groter. In combinatie met andere factoren kan dan een ontoelaatbare situatie ontstaan waarvoor bedrijven of lokale overheden maatregelen moeten nemen. Bij 2 van de 149 onderzochte situaties was dit het geval. Het is voor het eerst dat de impact van een nieuwe versie op deze gedetailleerde manier is onderzocht. Daarbij is nauw samengewerkt met bedrijven en omgevingsdiensten.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Analyse van incidenten met gevaarlijke stoffen bij grote bedrijven 2017-2018 | RIVM

Het RIVM analyseert jaarlijks incidenten met gevaarlijke stoffen bij grote chemische bedrijven. De analyse van 2017-2018 omvat twaalf incidenten, waaronder een brand en twee explosies. Bij de overige incidenten kwamen gevaarlijke stoffen vrij. Drie mensen raakten gewond. Hun letsel was vermoedelijk van herstelbare aard. Chemische bedrijven moeten zorgen dat installaties op orde zijn en dat productieprocessen en werkzaamheden veilig worden uitgevoerd. Bij de twaalf incidenten ging het op verschillende onderdelen mis, bijvoorbeeld doordat materialen verzwakten of chemische reacties niet goed werden beheerst. De afwijkingen die daarbij ontstonden, werden door gebrek aan controle en inspectie niet tijdig ontdekt en hersteld. Bij zes incidenten had een noodmaatregel het incident nog kunnen voorkomen. Deze noodmaatregelen, zoals de installatie beschermen tegen overdruk, waren echter niet of niet adequaat geïmplementeerd of niet goed onderhouden. Bij negen incidenten waren achterliggende werkprocedures niet goed op orde of werden ze niet goed uitgevoerd. Daarnaast was de competentie en alertheid van het personeel soms ontoereikend en waren er soms onvoldoende geschikte materialen om veilig te kunnen werken. Deze jaarlijkse rapportage maakt deel uit van een meerjarige opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) om incidenten te analyseren die door de Inspectie SZW zijn onderzocht. RIVM gaat na wat de overeenkomsten en verschillen tussen deze incidenten zijn. De bevindingen kunnen gebruikt worden voor de inspectie- en handhavingsstrategieën. Bedrijven kunnen de inzichten gebruiken om hun veiligheidsbeleid te verbeteren.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Disease burden of food-related pathogens in the Netherlands, 2017 | RIVM

Het RIVM onderzoekt jaarlijks hoeveel mensen ziek worden van 14 ziekteverwekkers die via voedsel in het menselijk lichaam terechtkomen (darmpathogenen). Deze ziektelast wordt uitgedrukt in DALY's (Disability Adjusted Life Year), een internationaal gehanteerde maat voor het aantal gezonde levensjaren dat verloren gaat aan ziekte of vroegtijdig overlijden. Het aantal DALY's als gevolg van de 14 ziekteverwekkers, via voedsel, is in 2017 geschat op 4.200, en is daarmee iets lager dan in 2016 (4.700 DALY's). Ook kosten die aan deze ziekteverwekkers verbonden zijn, zijn lager: 163 miljoen euro in plaats van 173 miljoen euro in 2016. Deze cost of illness omvatten directe medische kosten, maar ook de kosten voor de patiënt en/of zijn familie, zoals reiskosten, en de kosten binnen andere sectoren, bijvoorbeeld door werkverzuim. De onderzochte ziekteverwekkers kunnen niet alleen via voedsel aan de mens worden overgedragen (circa 40 procent), maar ook via het milieu (bijvoorbeeld via oppervlaktewater), dieren, en van mens op mens. Het verschilt per ziekteverwekker hoe groot het aandeel in de 'blootstellingsroute' is. De totale ziektelast van alle routes is geschat op 11.000 DALY's, en is daarmee lager dan in 2016 (12.000 DALY's). De totale kosten zijn geschat op 391 miljoen euro en waren daarmee lager dan in 2016 (436 miljoen). De verschillen in DALY's en kosten zijn grotendeels een gevolg van schommelingen in het aantal infecties dat de 14 ziekteverwekkers veroorzaakten, net als de daaruit volgende ziektelast en kosten. Het ministerie van VWS is de opdrachtgever van dit onderzoek. De resultaten bieden handvatten om meer zicht te krijgen op het daadwerkelijke aantal voedselinfecties dat mensen jaarlijks oplopen, de bijbehorende ziektelast en de blootstellingsroutes.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Evaluatie grenswaarden voor lozing van natuurlijke radioactiviteit : Onderzoek voor de implementatie van Richtlijn 2013/59/Euratom | RIVM

Soms wordt in de niet-nucleaire industrie gewerkt met materialen die van nature radioactiviteit bevatten. Deze vorm van radioactiviteit kan in grondstoffen zitten, maar ook in producten, en in rest- en afvalstoffen. De concentraties radioactiviteit in deze stoffen zijn over het algemeen laag. Bij sommige werkzaamheden komt radioactiviteit vrij, die in de lucht of het oppervlaktewater terecht komt. Mens en milieu kunnen dan aan straling worden blootgesteld. Om dit te beperken zijn grenswaarden bepaald. Wanneer deze grenswaarden worden overschreden, moet een bedrijf een vergunning aanvragen en voldoen aan de daarin gestelde voorschriften die mens en milieu tegen straling beschermen. Uit een evaluatie van het RIVM blijkt dat sommige grenswaarden niet meer voldoen. Enkele zouden moeten worden aangescherpt. Een aantal andere grenswaarden zouden juist minder streng kunnen worden, om ze te laten aansluiten bij de nieuwe Europese regels. Het RIVM doet voorstellen voor aanpassingen. De grenswaarden zijn geëvalueerd naar aanleiding van nieuwe Europese wetgeving om mensen tegen bronnen van straling te beschermen. Deze voorschriften zijn per 6 februari 2018 opgenomen in de Nederlandse regelgeving. De geëvalueerde grenswaarden dateren van eind jaren negentig van de vorige eeuw, en zijn onder meer met deze nieuwe Europese voorschriften vergeleken.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Gezondheidseffecten van hoge en lage vitamine A-inname in Nederland : Welke kennis is beschikbaar en wat ontbreekt. Technische rapportage | RIVM

In Nederland komt het voor dat mensen weinig vitamine A innemen. Sommigen krijgen er juist veel van binnen, vooral kinderen (bijvoorbeeld als zij veel smeerleverworst eten). Met de huidige stand van de wetenschap is nog niet duidelijk of dit schadelijk is voor de gezondheid. Er zijn bijvoorbeeld aanwijzingen dat er een samenhang is tussen een hoge inname van vitamine A (retinol), een lagere botdichtheid en een verhoogd risico op botbreuken. Sluitend bewijs daarvoor ontbreekt. Vitamine A kan worden gegeten in de vorm van retinol, dat veel in dierlijke producten zit, en als caroteen, dat vooral in plantaardige producten zit. Bij een hoge inname gaat het om een teveel aan retinol; bij een lage inname is de totale vitamine A-inname van belang. Dit blijkt uit literatuuronderzoek van het RIVM waarin de stand van zaken in de wetenschappelijke literatuur sinds 2008 in kaart is gebracht. Aanleiding is de aanbeveling van de Gezondheidsraad uit 2008 om te onderzoeken of een lage en hoge inname van vitamine A in Nederland daadwerkelijk een gezondheidsprobleem vormt. Een specifieke vraag betreft de relatie tussen hoge vitamine A-inname en botgezondheid. Sinds 2008 is er geen onderzoek gepubliceerd dat deze vragen beantwoordt. De resultaten van beschikbare onderzoeken naar de inname van vitamine A betreffen situaties die niet representatief zijn voor de situatie in Nederland. De bestudeerde innames liggen namelijk ver boven of ver onder de inname van vitamine A die in Nederland voorkomt. Verder zijn de resultaten van onderzoek naar de relatie tussen vitamine A-inname en botgezondheid niet eenduidig. Er zijn verschillende methoden om de vitamine A-status te meten en de botgezondheid te bepalen. Ook worden factoren die van invloed kunnen zijn op de vitamine A-status of botgezondheid, bijvoorbeeld overgewicht of vitamine D-inname, niet altijd meegenomen. Onderzoek naar de hoeveelheid vitamine A in het lichaam kan duidelijk maken of een lage of hoge inname daadwerkelijk problemen veroorzaakt. De hoeveelheid vitamine A is echter lastig te bepalen bij grote groepen, omdat dit niet eenvoudig in bijvoorbeeld een bloedmonster kan worden gemeten. Voor de meest geschikte methode is een stukje uit de lever (biopt) nodig. Onderzoek naar de mogelijke gezondheidseffecten van een lage of hoge vitamine A-inname in Nederland zou zich in eerste instantie kunnen richten op groepen waarvan, op basis van het voedingspatroon, een lage dan wel hoge vitamine A-inname verwacht wordt.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Water quality standards for melamine : A proposal in accordance with the methodology of the Water Framework Directive | RIVM

Het RIVM doet een voorstel voor waterkwaliteitsnormen voor melamine. Melamine is een industriële stof die vooral wordt gebruikt als grondstof voor kunststoffen. De stof is meerdere malen in Nederlands oppervlaktewater gevonden en de normen kunnen worden gebruikt om de risico's voor het milieu te beoordelen. Melamine hoopt zich niet op in vis. De blootstelling van mensen of dieren via deze route is niet relevant om de waterkwaliteitsnormen te bepalen. Voor de directe effecten op waterorganismen heeft het RIVM berekend dat een concentratie van 525 microgram per liter veilig is als zij langdurig worden blootgesteld. De voorgestelde norm voor kortdurende concentratiepieken is 6 milligram per liter. De gemeten concentraties in Nederlandse wateren zijn ruim lager dan deze waarden. Het RIVM heeft ook een indicatieve norm afgeleid voor oppervlaktewater dat wordt gebruikt voor de productie van drinkwater. Deze bedraagt 50 microgram per liter en is gebaseerd op een eerder door het RIVM afgeleide voorlopige richtwaarde voor drinkwater. Het betreft een voorlopige richtwaarde, omdat geen rekening is gehouden met gelijktijdige blootstelling aan stoffen die aan melamine verwant zijn. Het RIVM beveelt aan om uitvoeriger te onderzoeken of melamine en soortgelijke stoffen gelijktijdig voorkomen en wat daarvan de risico's zijn.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Het Nederlandse gezondheidszorgsysteem in internationaal perspectief | RIVM

De gezondheid en de gezondheidszorg in Nederland zijn vergeleken met die van elf nabijgelegen Europese landen met een vergelijkbare economie en cultuur. De gezondheid van de Nederlanders komt op hoofdlijnen overeen met die van onze buren. Wel zijn er accentverschillen. De levensverwachting bij mannen is hoger dan in de meeste andere landen, terwijl vrouwen relatief minder oud worden. Verder sterven in Nederland relatief meer mensen aan kanker en relatief minder aan bepaalde hart- en vaatziekten. Daarnaast zijn de zorguitgaven van Nederland net als in de meeste andere landen hoog, maar is het aandeel van de langdurige zorg (waaronder een groot deel van de ouderenzorg) groter dan in andere landen. Dat valt op, aangezien Nederland in verhouding tot de andere landen minder is vergrijsd. Voor de gezondheidszorg is onder andere gekeken naar de kwaliteit en toegankelijkheid van medische zorg, langdurige zorg en preventie (maatregelen om gezondheid te bevorderen en ziekte te voorkomen). In Nederland is de kwaliteit en toegankelijkheid van de medische zorg over het algemeen beter of van een vergelijkbaar niveau ten opzichte van de andere landen. Over de kwaliteit en toegankelijkheid van de langdurige zorg is niet veel bekend. Omdat de vergrijzing in Nederland de komende jaren een inhaalslag zal maken ten opzichte van de andere landen, wordt het een uitdaging om iedereen in de toekomst goede, toegankelijke en betaalbare zorg te bieden. Wat preventie betreft ligt er een taak voor Nederland om het relatief hoge percentage rokers te verminderen en de dalende vaccinatiegraad tegen te gaan. Dit onderzoek is een samenwerkingsverband tussen het RIVM en het ministerie van VWS. De cijfers zijn ontleend aan enkele internationale organisaties en de Staat van Volksgezondheid en Zorg (StaatVenZ). De StaatVenZ presenteert betrouwbare, eenduidige en actuele cijfers over de volksgezondheid en zorg in Nederland. Goede informatie is belangrijk voor de overheid om een overzicht te hebben van de situatie en ontwikkelingen in volksgezondheid, zorg en kosten en zo prioriteiten te kunnen stellen voor beleid en onderzoek.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Risicobeoordelingsmethode voor organismen met een gene drive toegepast onder ingeperkt gebruik | RIVM

Een gene drive is een genetische eigenschap die nagenoeg aan alle nakomelingen kan worden doorgegeven. Hierdoor kan een gene drive zich snel en blijvend in een hele populatie verspreiden. Gene drives kunnen van nature voorkomen of door genetische modificatie in laboratoria worden gemaakt. Het hier onderzochte gebruik van een gene drive betreft deze laatste vorm. De meeste ontwikkelingen zitten nog in de onderzoeksfase en het zal nog jaren duren voordat ze in de praktijk kunnen worden gebruikt. Ondertussen is het van belang om te kunnen bepalen hoe in de onderzoeksfase in laboratoria en dierverblijven ('ingeperkt gebruik') veilig met gene drives kan worden gewerkt. Het RIVM signaleerde in 2015 dat mogelijk schadelijke effecten van organismen met een gene drive op mens en milieu niet of onvoldoende beoordeeld kunnen worden met de tot dan toe gebruikte methode van risicobeoordeling voor ingeperkt gebruik. Uit vervolgonderzoek blijkt dat de methode wel aanknopingspunten biedt voor een goede risicobeoordeling, en die zijn nu uitgewerkt. Ook blijkt dat de risicobeoordeling op basis van andere schadelijke effecten moet worden uitgevoerd dan waarmee tot nu toe ervaring was opgedaan. Daarnaast worden maatregelen voorgesteld die de mogelijke risico's bij íngeperkt gebruik tot een minimum kunnen beperken, zoals een extra veiligheidskooi of sluis in het laboratorium. Deze maatregelen verschillen per groep van organismen; voor insecten zijn ze bijvoorbeeld anders dan voor knaagdieren. Het RIVM onderstreept het belang om goed aangesloten te blijven bij de wetenschappelijke ontwikkelingen op het gebied van gene drivetoepassingen. Ook is het, mede gezien de mogelijk grensoverschrijdende effecten, nodig om in internationaal en in Europees verband in gesprek te gaan over de risicobeoordelingsmethode voor ingeperkt gebruik van gene drives. Het RIVM werkte voor dit onderzoek dan ook samen met kennisinstituten uit Engeland, België en Duitsland. Met de wetswijziging van de Regeling ggo in juli 2016 heeft het ministerie van IenW bepaald dat voor alle toepassingen met gene drives een vergunning moet worden aangevraagd. De regeling biedt met de hier beschreven risicobeoordelingsmethode voldoende flexibiliteit om de technologie toe te staan wanneer de risico's voor mens en milieu verwaarloosbaar zijn.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Risk assessment method for activities involving organisms with a gene drive under contained use | RIVM

Een gene drive is een genetische eigenschap die nagenoeg aan alle nakomelingen kan worden doorgegeven. Hierdoor kan een gene drive zich snel en blijvend in een hele populatie verspreiden. Gene drives kunnen van nature voorkomen of door genetische modificatie in laboratoria worden gemaakt. Het hier onderzochte gebruik van een gene drive betreft deze laatste vorm. De meeste ontwikkelingen zitten nog in de onderzoeksfase en het zal nog jaren duren voordat ze in de praktijk kunnen worden gebruikt. Ondertussen is het van belang om te kunnen bepalen hoe in de onderzoeksfase in laboratoria en dierverblijven ('ingeperkt gebruik') veilig met gene drives kan worden gewerkt. Het RIVM signaleerde in 2015 dat mogelijk schadelijke effecten van organismen met een gene drive op mens en milieu niet of onvoldoende beoordeeld kunnen worden met de tot dan toe gebruikte methode van risicobeoordeling voor ingeperkt gebruik. Uit vervolgonderzoek blijkt dat de methode wel aanknopingspunten biedt voor een goede risicobeoordeling, en die zijn nu uitgewerkt. Ook blijkt dat de risicobeoordeling op basis van andere schadelijke effecten moet worden uitgevoerd dan waarmee tot nu toe ervaring was opgedaan. Daarnaast worden maatregelen voorgesteld die de mogelijke risico's bij íngeperkt gebruik tot een minimum kunnen beperken, zoals een extra veiligheidskooi of sluis in het laboratorium. Deze maatregelen verschillen per groep van organismen; voor insecten zijn ze bijvoorbeeld anders dan voor knaagdieren. Het RIVM onderstreept het belang om goed aangesloten te blijven bij de wetenschappelijke ontwikkelingen op het gebied van gene drivetoepassingen. Ook is het, mede gezien de mogelijk grensoverschrijdende effecten, nodig om in internationaal en in Europees verband in gesprek te gaan over de risicobeoordelingsmethode voor ingeperkt gebruik van gene drives. Het RIVM werkte voor dit onderzoek dan ook samen met kennisinstituten uit Engeland, België en Duitsland. Met de wetswijziging van de Regeling ggo in juli 2016 heeft het ministerie van IenW bepaald dat voor alle toepassingen met gene drives een vergunning moet worden aangevraagd. De regeling biedt met de hier beschreven risicobeoordelingsmethode voldoende flexibiliteit om de technologie toe te staan wanneer de risico's voor mens en milieu verwaarloosbaar zijn.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

NethMap 2018: Consumption of antimicrobial agents and antimicrobial resistance among medically important bacteria in the Netherlands / MARAN 2018: Monitoring of Antimicrobial Resistance and Antibiotic Usage in Animals in the Netherlands in 2017 | RIVM

Wereldwijd neemt het aantal bacteriën die resistent zijn tegen antibiotica toe. In Nederland is dat aantal over het algemeen ongeveer stabiel gebleven. Toch blijft er reden voor zorg en oplettendheid. Zowel bij patiënten van huisartsen als van ziekenhuizen komen bepaalde resistente bacteriën de afgelopen 5 jaar vaker voor, de zogeheten ESBL-producerende darmbacteriën. ESBL zijn enzymen die veelgebruikte antibiotica kunnen afbreken, zoals penicillines. Deze bacteriën kunnen onschuldige infecties zoals een blaasontsteking veroorzaken die door de resistentie moeilijker te behandelen zijn. Ook moet dan vaker gebruik worden gemaakt van soorten antibiotica die alleen als laatste redmiddel worden ingezet. Om resistentie te voorkomen is het belangrijk om antibiotica op de juiste manier te gebruiken en alleen als het nodig is. In de afgelopen jaren schreven huisartsen minder antibioticakuren voor. In ziekenhuizen daarentegen steeg het totale antibioticagebruik in 2016 ten opzichte van het voorgaande jaar. Het totale antibioticagebruik voor dieren was in 2017 per saldo vergelijkbaar met 2016. In sommige diersectoren daalde het gebruik, terwijl het in andere sectoren licht toenam. Antibiotica die belangrijk zijn om infecties bij de mens te behandelen, zijn de afgelopen jaren nauwelijks meer voor dieren ingezet. Zo is het aantal ESBL's verder afgenomen bij bijna alle soorten dieren die voor de voedselproductie worden gebruikt. Een uitzondering daarop zijn vleeskalveren, waar een lichte toename is gezien. Dit blijkt uit de jaarlijkse rapportage NethMap/MARAN 2018. Hierin presenteren diverse organisaties gezamenlijk de gegevens over het antibioticagebruik en -resistentie in Nederland, zowel voor mensen als voor dieren. In de afgelopen twee jaar zijn in Nederland extra maatregelen genomen om antibioticaresistentie te bestrijden. Deze maatregelen reiken verder dan de gezondheidszorg. Resistente bacteriën houden zich immers niet aan landgrenzen en komen ook bij dieren, in voeding en in het milieu voor (One Health). Om deze aanpak te ondersteunen zijn in 2017 'regionale zorgnetwerken' opgezet. Zij hebben de taak om de samenwerking tussen verschillende zorgprofessionals te stimuleren bij het voorkomen en bestrijden van antibioticaresistentie. Daarnaast is er meer aandacht voor antibioticaresistentie in verpleeghuizen. Zo is een onderzoek gestart waarin wordt gemeten hoeveel bewoners resistente bacteriën bij zich dragen. De uitkomst hiervan wordt eind 2018 verwacht. Part 1: NethMap 2017 pg 1 - 156 Part 2: MARAN 2017 pg 1 - 78
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Pilots Antibiotic Surveillance & Stewardship in de eerstelijn, tweedelijn en langdurige zorg : Verkenning ter bevordering van "juist gebruik" van antibiotica door aan indicatie gekoppelde voorschriften in beeld te krijgen | RIVM

Dit rapport bevat een erratum d.d. 06-12-2018 na pagina 77 Antibioticaresistentie betekent dat bacteriën ongevoelig worden voor antibiotica, waardoor deze niet meer werken. Om dit te voorkomen is het belangrijk dat antibiotica alleen wordt voorgeschreven als het echt nodig is. Hoewel in Nederland relatief weinig antibiotica wordt voorgeschreven, zijn ook hier verbeteringen mogelijk. Om 'juist gebruik' te stimuleren, is inzicht nodig in het voorschrijfgedrag van artsen en zorginstellingen. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat informatie over het voorschrijfgedrag verkregen kan worden uit bestaande registratiegegevens van huisartsen, verpleeghuizen en ziekenhuizen. Hieruit kan worden achterhaald hoe vaak en om welke reden antibiotica wordt voorgeschreven. Deze informatie kan vervolgens worden vergeleken met de richtlijnen voor juist gebruik. Op deze manier wordt inzichtelijk welke (huis)artsen het al 'goed doen' en waar eventueel verbeteringen mogelijk zijn. Ook scholing en voorlichting over juist gebruik blijken belangrijk. Beroepsverenigingen van huisartsen en specialisten ouderengeneeskunde staan positief tegenover deze initiatieven en willen de resultaten opnemen in hun kwaliteitsprogramma's en scholing. Voor dit onderzoek heeft het RIVM pilots uitgevoerd in de drie zorgsectoren (huisarts, ziekenhuis, verpleeghuis). Een belangrijk voorwaarde van deze pilots was dat artsen en verpleegkundigen niet te veel zaken moesten registreren. Daarom is zo veel mogelijk gebruikgemaakt van bestaande registraties en de daarin beschikbare data. Op dit moment is van huisartsen en ziekenhuizen landelijk bekend hoeveel antibiotica zij per jaar voorschrijven. Deze informatie geeft een beeld van ontwikkelingen door de jaren heen, maar zegt niets over juist of onjuist gebruik. In ziekenhuizen bijvoorbeeld zijn veel uitzonderingen mogelijk om in afwijking van richtlijnen antibiotica voor te schrijven. Van verpleeghuizen is tot op heden veel minder informatie beschikbaar. Uit de pilot is gebleken dat het ook hier mogelijk is om op basis van bestaande data inzicht te krijgen in juist gebruik.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Mineral oils in food; a review of toxicological data and an assessment of the dietary exposure in the Netherlands | RIVM

Minerale oliën kunnen in gezuiverde vorm bewust aan voedsel worden toegevoegd, of er als verontreiniging in terechtkomen. De laatste jaren is er ophef over ontstaan omdat ze schadelijk voor de gezondheid kunnen zijn. In 2012 oordeelde de European Food Safety Authority (EFSA) dat de inname van minerale oliën via voeding mogelijk zorgwekkend is. In de discussie is het belangrijk een onderscheid te maken tussen verzadigde koolwaterstoffen (MOSH) en aromatische koolwaterstoffen (MOAH) in minerale oliën, omdat de schadelijke effecten daarvan verschillen. In het beperkte aantal studies dat sinds 2012 over MOSH is verschenen, wordt de zorg van EFSA iets afgezwakt, zo blijkt uit RIVM-onderzoek. Ook zijn volgens berekeningen van het RIVM geen gezondheidseffecten te verwachten als mensen via voedsel aan MOSH worden blootgesteld. Het RIVM wil zich meer op MOAH richten, omdat sommige kankerverwekkend zijn. Het is alleen niet mogelijk om aan te geven of mensen er te veel van binnenkrijgen omdat voor MOAH geen gezondheidskundige norm bestaat. De kankerverwekkende MOAH zitten vooral in ruwe of onvoldoende gezuiverde minerale oliën en in oliën die verhit zijn geweest. Ze zitten niet in alle bronnen vanwaaruit MOAH in voedsel terecht kunnen komen. Het totale MOAH-gehalte geeft daarom geen informatie over de vraag of de inname van die MOAH schadelijk is. Volgens het RIVM is het zinvol te achterhalen wat de bronnen zijn vanwaaruit MOAH in voedingsmiddelen terechtkomen. Dan kunnen maatregelen genomen worden om schadelijke bronnen zoveel mogelijk te vermijden. Een voorbeeld van een verontreinigende bron zijn jute zakken die met olie zijn behandeld en waarin cacaobonen worden verpakt. De bijdrage van een andere verontreinigende bron, kartonnen verpakkingen van gerecycled materiaal, lijkt in Nederland mee te vallen. Droge levensmiddelen zoals rijst, pasta, ontbijtgranen en hagelslag worden hier vaak in verpakt. De inname via deze levensmiddelen blijkt in de innameberekeningen slechts een kleine bijdrage te leveren aan de totale blootstelling aan minerale oliën door voedsel. Maatregelen om de blootstelling vanuit kartonnen verpakkingen te beperken, zullen dus een beperkt effect hebben.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Vaccinatiegraad en jaarverslag Rijksvaccinatieprogramma Nederland 2017 | RIVM

Het RIVM beschrijft jaarlijks de ontwikkelingen binnen het Rijksvaccinatieprogramma (RVP), zowel inhoudelijk als organisatorisch. Hierbij wordt aandacht besteed aan de belangrijkste gebeurtenissen in het afgelopen jaar en de ontwikkelingen op het gebied van de vaccinatiegraad. Belangrijke gebeurtenissen In 2017 waren er geen opvallende uitbraken van ziekten waartegen via het RVP wordt ingeënt. Wel is het aantal patiënten met meningokokkenziekte W verder toegenomen ten opzichte van 2015 en 2016. In mei 2018 wordt daarom de meningokokken C-vaccinatie op de leeftijd van veertien maanden vervangen door meningokokken ACWY-vaccinatie. Deze vaccinatie zal in het najaar 2018 ook worden aangeboden aan kinderen geboren tussen 1 mei 2004 en 31 december 2004. In 2017 zijn de e-learning Achtergronden RVP en de vernieuwde website ( https://rijksvaccinatieprogramma.nl/ ) beschikbaar gekomen. Verder zijn voorbereidingen getroffen voor de invoering van het vaccinatieconsult, waarin ouders vragen over het RVP kunnen bespreken. Vaccinatiegraad De vaccinatiegraad, oftewel het aandeel zuigelingen, kleuters en schoolkinderen dat de vaccinaties uit het RVP krijgt, is nog steeds hoog maar daalt de laatste jaren licht. Voor de HPV-vaccinatie is de verdere daling in de vaccinatiegraad van 8 procent ten opzichte van vorig jaar opmerkelijk. Overigens is niet alleen in Nederland een daling te zien. Belangrijkste reden om niet tegen HPV te vaccineren of daarover te twijfelen, zijn zorgen over mogelijke bijwerkingen van het HPV-vaccin. De Gezondheidsraad zal opnieuw advies uitbrengen over HPV-vaccinatie in Nederland. Een hoge vaccinatiegraad is belangrijk. Wanneer veel mensen zijn ingeënt tegen een infectieziekte, komt deze ziekte minder vaak voor (groepsbescherming). Ook kwetsbare mensen en mensen die (nog) niet zijn ingeënt, lopen dan minder risico de ziekte te krijgen. Ze worden als het ware beschermd door de ingeënte groep. Om dit effect te behouden is het belangrijk dat zoveel mogelijk mensen zijn ingeënt.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Budget impact analyse van gecombineerde leefstijlinterventie (GLI) : Raming van het benodigde budget bij opname van de GLI in de basisverzekering | RIVM

Een Gecombineerde leefstijlinterventie (GLI) is een behandeling voor mensen met obesitas (BMI 30-35), voor mensen met overgewicht (BMI 25-30) én een verhoogd risico op hart- en vaatziekten of diabetes, en voor mensen met overgewicht in combinatie met artrose of slaapapneu. De GLI is een gecombineerde aanpak om mensen te leren gezonder te eten en meer te bewegen. De behandeling duurt in totaal 2 jaar. Per 1 januari 2019 wordt een gecombineerde leefstijlinterventies vergoed uit de basisverzekering. Circa 3,5 miljoen Nederlanders tussen 18 en 75 jaar (28 procent van de bevolking) komen hiervoor in aanmerking. In opdracht van het ministerie van VWS heeft het RIVM geschat welke kosten dit de eerste vijf jaar voor de zorgverzekeraars met zich meebrengt. De kosten zullen oplopen van 5 miljoen euro in het eerste jaar naar bijna 15 miljoen euro in het vijfde jaar. Dat is het geval als per jaar 1,03 procent van de doelgroep wordt doorverwezen door de huisarts. Als meer mensen worden doorverwezen (2,5 procent per jaar), lopen de kosten op van 12 miljoen euro in het eerste jaar tot maximaal 35 miljoen euro na vijf jaar. Als er meer mensen uitvallen dan nu is geschat, zullen de kosten lager zijn; met een maximum van 24 miljoen euro in het vijfde jaar bij het hoogste verwijspercentage van 2,5 procent per jaar. De kosten zijn geschat met een Budget Impact Analyse (BIA). Hiervoor is bepaald hoeveel mensen in Nederland onder de doelgroep vallen. Vervolgens is stapsgewijs geschat hoeveel mensen door de huisarts worden doorverwezen, een intakegesprek houden, aan de behandeling beginnen en deze volledig afmaken. De cijfers van dit onderzoek zijn ontleend aan drie Nederlandse studies naar de effectiviteit van de GLI.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Sexually transmitted infections in the Netherlands in 2017 | RIVM

Het aantal mensen dat zich bij een Centrum voor Seksuele Gezondheid (CSG) heeft laten testen op seksueel overdraagbare aandoeningen (soa) is in 2017 gestegen. Het percentage dat daadwerkelijk een soa had bleef gelijk. Chlamydia bleef de meest voorkomende soa onder heteroseksuelen. Bij mannen die seks hebben met mannen (MSM) werd gonorroe het vaakst gediagnosticeerd. Ook bij huisartspraktijken nam het aantal soa-consulten toe, voornamelijk onder personen ouder dan 25 jaar. De CSG's bieden hoog-risicogroepen de mogelijkheid om zich gratis te laten testen op soa's. In totaal zijn er in 2017 150.593 consulten geregistreerd bij de CSG's, een stijging van 5 procent ten opzichte van 2016. Het percentage gevonden soa's was met 18,4 procent hetzelfde als in 2016. Infecties werden het vaakst gevonden bij mensen die waren gewaarschuwd voor een soa, gevolgd door mensen met hiv. Het percentage gevonden soa bij personen met hiv lag in 2017 wel lager dan in voorgaande jaren. Naast de CSG-cijfers worden voor dit rapport gegevens over soa gebruikt van 350 huisartspraktijken, op basis waarvan schattingen zijn gemaakt voor de hele Nederlandse bevolking. Chlamydia In 2017 had 14,3 procent van de CSG-bezoekers een chlamydia-infectie (21.404 diagnoses; een toename van 3 procent ten opzichte van 2016). Het percentage vrouwen met chlamydia bleef stabiel ten opzichte van 2016, na een aanhoudende stijging in de voorgaande jaren. Bij heteroseksuele mannen was nog een lichte stijging zichtbaar. Voor MSM ligt het percentage al jaren rond de 10 procent. Ook het aantal geschatte diagnoses die huisartsen stelden was in 2016 stabiel ten opzichte van 2015. Gonorroe Het aantal gonorroe-diagnoses bij de CSG is het afgelopen jaar met 11 procent toegenomen tot 6.764 infecties. De percentages mensen die het bleken te hebben bleven stabiel ten opzichte van vorige jaren; laag onder vrouwen (1,6 procent) en heteroseksuele mannen (1,9 procent), en hoger onder MSM (11,0 procent). Het geschatte aantal infecties dat door huisartsen werd gediagnosticeerd nam toe van 7.900 in 2015 naar 9.000 in 2016. Deze toename was vooral onder personen ouder dan 25 jaar. Geen enkele geïnfecteerde bleek resistent tegen het huidige 'eerstekeus' antibioticum ceftriaxon. Resistentie tegen azitromycine bleef daarentegen toenemen, tot 15 procent in 2017. Syfilis In 2017 was het aantal syfilis-diagnoses bij de CSG bijna gelijk aan dat in 2016 (1.228 versus 1.223). Van deze infecties werd 95 procent bij MSM vastgesteld. Het percentage MSM dat de infectie had, daalde licht van 2,9 procent in 2016 naar 2,6 procent in 2017 - na een jarenlange stijging. Deze verandering kwam voornamelijk door een lager percentage aangetroffen syfilis onder MSM met hiv. Het aantal diagnoses onder vrouwen en heteroseksuele mannen bleef in 2017 zeer laag. Respectievelijk 0,09 en 0,16 procent had de infectie. Hiv Het aantal nieuwe diagnoses van hiv gesteld bij de CSG's was vrijwel identiek als in 2016 en 2015 (respectievelijk 286, 285 en 288). Negenentachtig procent hiervan was MSM. De percentages onder vrouwen en heteroseksuele mannen bleven zeer laag. Het aantal mensen met hiv dat in 2017 voor het eerst voor behandeling bij een van de Nederlandse hiv-behandelcentra kwam ('in zorg') was 1.037. In totaal zijn in 2017 19.677 mensen met hiv geregistreerd in zorg.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Cytostatics in Dutch surface water : Use, presence and risks to the aquatic environment | RIVM

Cytostatica (medicatie bij chemokuren) zijn belangrijk voor de behandeling van kanker. Restanten van cytostatica komen via de urine in het afvalwater terecht, dat wordt gezuiverd en op oppervlaktewater geloosd. Naar aanleiding van vragen uit de zorgsector heeft het RIVM de milieurisico's van deze stoffen onderzocht. Uit dit onderzoek blijkt dat restanten van de meeste cytostatica geen risico voor het milieu in oppervlaktewater vormen. Ze worden voldoende afgebroken door het menselijk lichaam en in de rioolwaterzuiveringsinstallatie verwijderd. Van sommige andere cytostatica kon vanwege een gebrek aan milieugegevens geen beoordeling worden gemaakt. Behalve naar cytostatica is gekeken naar milieurisico's van restanten van medicatie voor immuun- en hormoontherapie. Dit zijn twee tumorspecifieke anti-kankertherapieën die de laatste jaren steeds vaker gebruikt worden vanwege hun voordelen ten opzichte van de klassieke cytostatica. De werkzame stoffen in immuuntherapie worden door het menselijk lichaam volledig afgebroken en vormen dus geen risico. Ook de twee onderzochte stoffen die gebruikt worden bij hormoontherapie, vormen geen risico voor het oppervlaktewater. Voor dit onderzoek zijn gebruiksgegevens van cytostatica in vier ziekenhuizen gebruikt, omdat deze gegevens in Nederland niet centraal worden bijgehouden. Hiermee is berekend hoeveel van deze stoffen in het oppervlaktewater terecht kan komen. Het risico voor het milieu is vervolgens bepaald door deze gegevens te vergelijken met gegevens over giftigheid voor waterorganismen. Er is niet gekeken naar gevolgen van de aanwezigheid van deze stoffen voor de drinkwaterzuivering.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Natural Capital Model : Technical documentation of the quantification, mapping and monetary valuation of urban ecosystem services | RIVM

Groen en water (natuurlijk kapitaal) is belangrijk voor de Nederlandse steden. Het draagt bij aan een gezonde, aantrekkelijke leefomgeving en heeft voordelen voor bewoners en bedrijven. Bij stedelijk ontwikkeling is daar vaak onvoldoende aandacht voor en krijgen de economische belangen voorrang. De 'maatschappelijke baten' van groen en water kunnen daardoor verloren gaan. Het RIVM presenteert modellen die acht maatschappelijke baten van stedelijk groen en water in beeld brengen. Het gaat om effecten van groen op de verkoeling van de stad, op de gezondheid, en op de luchtkwaliteit, effecten van water en groen op huizenprijzen, effecten van groen op energiebesparing door de beschutting van bomen, energieopwekking uit (snoei)restanten van groen, houtproductie, en ten slotte de aanwezigheid van groen om koolstofdioxide af te vangen om effecten van klimaatverandering tegen te gaan. De modellen geven ook aan welke effecten stedenbouwkundige plannen zullen hebben op de aanwezigheid van groen en water in steden. De modellen worden gebruikt voor de kaarten die zijn ontwikkeld voor de Atlas Natuurlijk Kapitaal. Ook leveren ze input voor het landelijke Natuurlijk Kapitaal Model. Dit landelijke model wordt ontwikkeld zodat de manieren om maatschappelijke baten te berekenen voor elke beleidsvraag hetzelfde zijn. Het RIVM heeft de rekentool voor baten van groen en water in de stad (TEEB-Stad) in beheer gekregen en zal hem verder ontwikkelen. In dit rapport staat beschreven hoe de modellen zijn opgezet en welke uitkomsten de modellen leveren. De eerste versies van de modellen worden beschreven en toekomstige ontwikkelingen van het Natuurlijk Kapitaal Model worden belicht.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2018: Een gezond vooruitzicht. Synthese | RIVM

Het gaat goed met de volksgezondheid in Nederland. We worden steeds ouder, en de meeste mensen voelen zich gezond en niet beperkt. Toch staan we voor een paar grote toekomstige opgaven. In deze synthese van de zevende Volksgezondheid Toekomst Verkenning (VTV) staat beschreven wat er op ons afkomt en hoe we daarmee om kunnen gaan. De VTV-2018 laat zien hoe onze volksgezondheid en zorg zich de komende 25 jaar ontwikkelen als we als maatschappij niets extra's zouden doen. Door de vergrijzing neemt het aantal ouderen toe. Ook wonen zij vaker alleen en zelfstandig. Er zijn straks meer mensen met chronische aandoeningen als dementie, kanker en hart- en vaatziekten, en deze aandoeningen komen vaker tegelijkertijd voor. Daardoor wordt de zorg complexer. De zorg verandert ook door technologische ontwikkelingen en omdat patiënten steeds meer zelf doen. Er komt meer druk op mantelzorgers. Daarnaast hebben we last van de drukke stad en flexibel werk. Jongeren ervaren steeds meer prestatiedruk. Dit zijn een aantal van de belangrijke opgaven waar we voor staan. Deze opgaven vragen om een nieuwe manier van werken. We zullen meer moeten samenwerken: beleidsmakers, burgers, patiënten, zorgverleners, onderzoekers én maatschappelijke organisaties. Daarbij staat de persoonlijke situatie van mensen centraal. Dit betekent ook over de grenzen van volksgezondheid en zorg heen kijken: voor een gezonde toekomst zijn een gezonde omgeving, school en werkplek van groot belang. Er gebeurt al veel in de maatschappij voor de volksgezondheid en zorg om beter voorbereid te zijn op de toekomst. Hier kunnen we van leren en verder op bouwen. De VTV verschijnt elke vier jaar, in opdracht van het ministerie van VWS. Hiermee draagt het RIVM bij aan het volksgezondheidsbeleid in Nederland. De volledige VTV-2018 is te vinden op www.vtv2018.nl
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

The 22nd EURL-Salmonella workshop : 29 and 30 May 2017, Zaandam, the Netherlands | RIVM

Het RIVM heeft de verslagen gebundeld van de presentaties van de 22e jaarlijkse workshop voor de Europese Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) voor Salmonella (29-30 mei 2017). Het doel van de workshop is dat het overkoepelende orgaan, het Europese Referentie Laboratorium (EURL) voor Salmonella, en de NRL's informatie uitwisselen. Een terugkerend onderwerp is de ringonderzoeken die het EURL jaarlijks organiseert om de kwaliteit van de NRL-laboratoria te controleren. De NRL's scoorden goed in de studies van 2016. In dit rapport staan de ringonderzoeken kort beschreven. Een uitgebreidere weergave van de resultaten wordt apart per ringonderzoek gepubliceerd. Een aantal verslagen geeft informatie over grote aantallen mensen die ziek zijn geworden door Salmonella, zogenoemde uitbraken. Het is vaak moeilijk om uit te vinden wat de bron is van een uitbraak. Bij een uitbraak met veel zieke mensen in verschillende Europese lidstaten is de bron wel gevonden, namelijk eieren uit Polen die besmet waren met Salmonella. Andere verslagen beschrijven de activiteiten om methoden te standaardiseren en te harmoniseren. Bijvoorbeeld over het testen van levensmiddelen op aanwezigheid van Salmonella. Op Europees niveau worden afspraken gemaakt over een methode, zodat de lidstaten een test op dezelfde wijze uitvoeren. Hierdoor kunnen resultaten tussen verschillende landen beter worden vergeleken. De organisatie van de jaarlijkse workshop is in handen van het EURL voor Salmonella, dat onderdeel is van het RIVM. De hoofdtaak van het EURL-Salmonella is toezien op de kwaliteit van de nationale referentielaboratoria voor deze bacterie in Europa.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Surveillance zoönosen in de melkgeiten- en melkschapenhouderij in 2016 | RIVM

Dieren kunnen verwekkers van ziekten bij zich dragen die op mensen kunnen worden overgebracht (zoönosen). In 2016 hebben het RIVM en de NVWA onderzocht of melkgeiten en melkschapen zulke ziekteverwekkers bij zich dragen; soms is dat ook bij veehouders, gezinsleden en medewerkers gedaan. Deze ziekteverwekkers veroorzaken meestal diarree maar soms kunnen de infecties ook ernstiger verlopen. Uit het onderzoek blijkt dat een paar ziekteverwekkers vaak op melkgeiten- en melkschapenbedrijven voorkomen. De gevonden bacteriën zitten in de darmen van de dieren en komen zo in de mest terecht. Een kleine hoeveelheid mest kan rauw te drinken melk of rauwmelkse kaas al besmetten. Daarnaast kunnen bezoekers van deze bedrijven besmet raken als zij contact hebben met de dieren of hun omgeving. Een besmetting kan worden voorkomen door alle melk gepasteuriseerd te consumeren of te verwerken. Bezoekers kunnen de kans op ziekte verkleinen door hun handen te wassen als ze in contact zijn geweest met de dieren of hun omgeving. Vooral de bacteriën STEC en Campylobacter zijn in hoge mate aangetroffen. STEC kwam op vrijwel alle onderzochte bedrijven voor. Campylobacter is aangetoond op 33 procent van de geiten- en op 95,8 procent van de schapenbedrijven. Bij de veehouders en gezinsleden zijn deze bacteriën veel minder gevonden. Listeria kwam in mindere mate voor? op 8,8 procent van de geiten- en 16,7 procent van de schapenbedrijven, en niet bij de mensen. Het is wel een relevante ziekteverwekker omdat rauwmelkse zachte kaas hiervoor de belangrijkste infectiebron voor mensen is. Salmonella werd niet gevonden op melkgeitenbedrijven, maar wel op 12,5 procent van de melkschapenbedrijven. Op de meeste bedrijven werd alleen een type Salmonella gevonden dat niet overgedragen wordt op de mens. ESBL-producerende bacteriën, die ongevoelig zijn voor veel antibiotica, werden aangetoond op 1,7 procent van de geitenbedrijven en 4,2 procent van de schapenbedrijven. Daarnaast werd hij bij 6,8 procent van de mensen aangetroffen. Dit percentage is niet hoger dan bij de algemene bevolking.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Diagnostiek op afstand : Randvoorwaarden en belemmeringen | RIVM

Internet maakt het mogelijk dat medische gegevens worden uitgewisseld. Bij telediagnostiek wordt op afstand een diagnose gesteld. Degene die dat doet, ziet de patiënt niet en moet er dus op kunnen vertrouwen dat de toegestuurde gegevens goed zijn. Het RIVM heeft in een verkennend onderzoek de voor- en nadelen van het gebruik van telediagnostiek in de gezondheidszorg in Nederland in kaart gebracht. Hierbij is specifiek aandacht besteed aan telediagnostiek in de dermatologie en radiologie, twee vakgebieden waarin het veel wordt gebruikt. Telediagnostiek wordt vooral gebruikt voor overleg tussen zorgprofessionals, zoals de huisarts en medisch specialist of tussen radiologen onderling. Een andere vorm is dat de patiënt medische gegevens verzamelt, zoals de bloeddruk of de bloedsuikerwaarde, waarmee een zorgverlener vanaf een andere plek een diagnose stelt. Een belangrijk voordeel van telediagnostiek is tijdsbesparing, zowel voor de arts als voor de patiënt. De patiënt hoeft niet naar de behandelend arts te reizen en de arts kan op een willekeurig moment een vraag aan een collega stellen. Ook is het vaak zo geregeld dat een medisch specialist zonder wachttijd kan worden geraadpleegd. Door telediagnostiek wisselen artsen hun kennis meer uit en wordt het leven van patiënten wat verlicht als ze hun ziekte kunnen bewaken door zelf te meten. Bijkomende voordelen zijn dat de huisarts minder hoeft door te verwijzen en dat medische gegevens direct op de juiste manier vastgelegd. Daarnaast zijn enkele zaken nodig om het risico op een verkeerde diagnose of schending van de privacy van de patiënt te beperken, of te voorkomen dat de zorgverlening niet beschikbaar is voor de patiënt. Dit zijn onder andere goede ICT-voorziening, bekwame zorgverleners, goede instructies voor de patiënten, en voldoende draagvlak binnen de zorgorganisatie om ermee te werken. Het is ook belangrijk dat zorgprofessionals duidelijke afspraken maken over hun samenwerking bij gebruik van telediagnostiek. Professionele zorgstandaarden, waarin staat beschreven hoe telediagnostiek medisch verantwoord gebruikt kan worden, zijn in Nederland nog in ontwikkeling.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Risicobeoordeling van het gebruik van thermisch gereinigde grond in Perkpolder (Zeeland) | RIVM

In Perkpolder (Zeeland) is thermisch gereinigde grond (TGG) gebruikt als vulmateriaal bij de aanleg van een dijk. TGG is grondmateriaal dat wordt verhit om organische verontreinigende stoffen te verwijderen zodat het kan worden hergebruikt. In de TGG blijken nog verontreinigingen te zitten waardoor het grondmateriaal niet aan de kwaliteitseisen van de geldende bodemwetgeving voldoet. Deze verontreinigingen hebben tijdens het aanbrengen van de TGG geen gezondheidsrisico's voor de mens veroorzaakt. Wel kan de lage zuurgraad (hoge pH-waarde) van het materiaal na direct contact lichte irritaties van de huid veroorzaken. Deze klachten trekken weg als de blootstelling ophoudt. Door de werkzaamheden kunnen gedurende korte tijd verhoogde concentraties fijn stof in de lucht aanwezig zijn geweest. Omwonenden kunnen daardoor ook blootgesteld zijn aan fijnstof van de thermisch gereinigde grond. Eventuele gezondheidseffecten zijn niet te kwantificeren, mede doordat luchtmetingen tijdens de werkzaamheden ontbreken. Gezondheidseffecten kunnen daarom niet worden uitgesloten. Behalve naar gezondheidsrisico's is naar de effecten voor het milieu gekeken. Enkele normen voor de bodem, het grondwater en het oppervlaktewater blijken te zijn overschreden. Hierdoor worden onder andere natuurlijke processen in de bodem, het grondwater en het oppervlaktewater verstoord. Ook blijken het oppervlaktewater en grondwater niet geschikt te zijn voor het gebruik in de landbouw als drinkwater voor vee of als sproeiwater. Dit blijkt uit een eerste analyse van de TGG, de bodem, het grond- en oppervlaktewater en onderzoek naar gezondheidseffecten door het RIVM. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van Rijkswaterstaat nadat twijfel was ontstaan over het gebruik van de thermisch gereinigde grond. In de toekomst moet er rekening mee worden gehouden dat stoffen uit de dijk naar het grondwater kunnen wegsijpelen. Daarom is het noodzakelijk om goed bij te houden of de aangetroffen concentraties van risicostoffen in grond- en oppervlaktewater stijgen. Indien nodig kan dan een handelingskader worden opgesteld om te voorkomen dat deze risicostoffen zich verspreiden. Verder wordt aanbevolen om bij toekomstige werkzaamheden met thermisch gereinigde grond, de grond zo min mogelijk te laten verwaaien. Tevens wordt geadviseerd om de kleilaag die op de dijk is aangelegd om direct contact te voorkomen, intact te houden.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

GGD-richtlijn medische milieukunde : Luchtkwaliteit en gezondheid | RIVM

Kijk voor de meest actuele versie op www.rivm.nl/ggd-richtlijn-medische-milieukunde-luchtkwaliteit-en-gezond… Het RIVM en de GGD'en hebben de GGD-richtlijn 'Luchtkwaliteit en Gezondheid' uit 2008 geactualiseerd. De vernieuwde richtlijn biedt onder meer een actueel overzicht van wetenschappelijke studies naar gezondheid en luchtkwaliteit en de betekenis van nieuwe (Europese) beleidsontwikkelingen. Ook wordt uitgelegd hoe luchtkwaliteit wordt gemeten en berekend. De nadruk ligt op wegverkeer-gerelateerde luchtverontreiniging, maar ook de invloed van bijvoorbeeld andere verkeersbronnen (zoals scheepvaart en brommers), industrie, landbouw en houtrook op de luchtkwaliteit komt aan bod. De richtlijn is geactualiseerd, omdat de kennis over luchtverontreiniging en de effecten op de gezondheid de afgelopen jaren zijn toegenomen. Een betere luchtkwaliteit levert gezondheidswinst op, ook als de concentraties luchtvervuilende stoffen onder de gestelde normen liggen. Hoewel de luchtkwaliteit de laatste decennia is verbeterd, worden op een aantal locaties in Nederland de Europese grenswaarden overschreden. Verbetering is noodzakelijk om deze situaties positief te beïnvloeden en toekomstige hoge blootstellingen aan vervuilende stoffen te voorkomen. De richtlijn is een hulpmiddel voor de GGD'en om gemeenten en provincies te adviseren en burgers te informeren over de lokale luchtkwaliteit. GGD'en kunnen voorstellen doen om de luchtkwaliteit te verbeteren en advies geven over de ruimtelijke inrichting nabij drukke verkeerswegen. Op basis van advies van de GGD kunnen gemeenten aanvullend lokaal beleid formuleren om de bevolking, en hooggevoelige groepen in het bijzonder, te beschermen. Daarnaast kan de GGD erop wijzen dat goede communicatie tussen gemeenten en de bevolking over dit onderwerp belangrijk is en hiervoor praktische adviezen geven. De GGD-richtlijnen medische milieukunde (MMK) zijn bedoeld om het handelen van GGD'en te harmoniseren en te optimaliseren.
Jaar: 2018 Onderzoek

Het gebruik van natuur voor gezondheid in de praktijk : Gebruik, beleving en gezondheid voorafgaand aan de herinrichting van een wijkpark in Breda | RIVM

Natuur kan positieve effecten hebben op de (mentale) gezondheid en het welbevinden, doordat het mensen stimuleert elkaar te ontmoeten, te ontspannen en te bewegen. Om beter te begrijpen wat 'groenprojecten' in gemeenten concreet opleveren voor de gezondheid is het van belang de effecten te evalueren. Dit kan alleen als voorafgaand aan de verandering het gebruik van een locatie en de lokale gezondheid in beeld worden gebracht (nulmeting). Het RIVM heeft met het onderzoeksinstituut Alterra (tegenwoordige Wageningen Environmental Research) een dergelijke nulmeting uitgevoerd voor een groenproject in Breda. Daar is een park met bewoners van de buurt Geeren-Zuid opnieuw ingericht om het aantrekkelijk te maken voor ontmoetingen, ontspanning en bewegen. In Geeren-Zuid wonen veel mensen met een lage sociaaleconomische status, bij wie naar verwachting het effect van natuur op gezondheid het grootst is. In de nulmeting is het gebruik en de beleving van groen en de gezondheid van bewoners in kaart gebracht voordat het park opnieuw werd ingericht. Daarnaast zijn de betrokken professionals uit de wijk en gemeente geïnterviewd over hun verwachtingen van het effect van de herinrichting van het wijkpark. De bewoners bleken het wijkpark nog maar beperkt te gebruiken, voornamelijk voor korte bezoeken. Zij waren vooral niet tevreden over de inrichting van het groen en de beperkte mogelijkheden om het te gebruiken. Wel dacht de meerderheid dat ze het park meer zouden gaan gebruiken na de herinrichting, vooral om er te zitten, te zonnen en te kletsen, maar ook voor een wandelingetje of om de hond uit te laten. De mentale en ervaren gezondheid van de bewoners van Geeren-Zuid was slechter dan van de gemiddelde Nederlandse bevolking. De betrokken professionals uit de wijk en gemeente verwachtten dat het park door de herinrichting meer zal worden gebruikt. Inmiddels is het wijkpark heringericht en vinden er activiteiten door en met bewoners plaats. Vervolgonderzoek is nodig om te kunnen vaststellen welk effect de herinrichting en deze activiteiten op de gezondheid en het welbevinden hebben.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Clinical investigations involving medical devices : (Mis)Match between registration and notification in the Netherlands | RIVM

Om aan te tonen dat medische hulpmiddelen veilig en functioneel zijn, is onderzoek bij mensen nodig (klinisch onderzoek). Om de veiligheid van de proefpersonen (gezonde vrijwilligers of patiënten) en de wetenschappelijke kwaliteit van dit soort onderzoek te bewaken, beoordeelt een medisch-ethische toetsingscommissie (METC) van tevoren of een studie goed is opgezet. Deze commissie beoordeelt ook of de studie ethisch gezien acceptabel is. Als een klinisch onderzoek wordt uitgevoerd met een niet CE-gemarkeerd medisch hulpmiddel, moet het onderzoek ook aangemeld worden bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd in oprichting (IGJ i.o.). Dit staat bekend als de zogeheten notificatieplicht. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat deze klinische onderzoeken niet altijd worden gemeld bij de IGJ i.o. Dit kan komen doordat aanvragers niet bekend zijn met de notificatieplicht of omdat het klinisch onderzoek pas wordt gemeld als het onderzoek daadwerkelijk van start gaat. In de periode 2015-2017 is het aantal genotificeerde klinische onderzoeken wel toegenomen ten opzichte van 2011-2013. Mogelijk komt dit doordat de notificatieplicht nu beter bekend is. Afgelopen jaren heeft de IGJ i.o. in samenwerking met de Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek (CCMO) actief informatie over deze wettelijke verplichting verstrekt. Aanvragers van klinisch onderzoek bij de METC's noemden als informatiebron over de notificatieplicht de websites van de IGJ i.o. en de (CCMO), de standaardprocedures van hun ziekenhuis en cursussen voor onderzoekers.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Beheersmaatregelen rondom het gebruik van endoscopendesinfectoren : Stand van zaken naleving SFERD-handboek | RIVM

Om de kwaliteit van de reiniging en desinfectie van flexibele endoscopen te waarborgen, geldt een zogeheten veldnorm (het SFERD-handboek). Deze norm is bekend bij ziekenhuizen en zelfstandige klinieken. Er is echter nog veel verbetering mogelijk in de manier waarop de eisen uit de veldnorm in de praktijk worden uitgewerkt. Niet alle onderdelen zijn namelijk ingevoerd en de mate waarin het handboek wordt nageleefd, varieert. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Een voorbeeld. Met de systeemspecificaties moet de zorginstelling aantonen dat de endoscopendesinfector en de endoscopendroogkast functioneren zoals de fabrikant dat heeft bedoeld. Dit moet volgens de veldnorm jaarlijks worden geverifieerd. De jaarlijkse verificatie verloopt echter niet optimaal doordat de fabrikanten van de apparatuur niet alle systeemspecificaties verstrekken. Het is daardoor niet goed mogelijk om na te gaan of de apparatuur correct functioneert. Ook is aandacht nodig voor de frequentie waarmee de in het SFERD-handboek voorgeschreven testen en controles worden uitgevoerd en hoe dat technisch wordt gedaan. Er blijkt te worden afgeweken van de voorgeschreven materialen en procedures. Door deze handelswijze kunnen onjuiste resultaten en conclusies over de kwaliteit van de reiniging en desinfectie van flexibele endoscopen ontstaan.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Cumulative exposure to residues of plant protection products via food in the Netherlands | RIVM

Mensen worden via voedsel blootgesteld aan stoffen uit gewasbeschermingsmiddelen. Dit kan door verschillende soorten voedsel te eten waar verschillende stoffen op zitten, en doordat meerdere stoffen op één soort voedsel kunnen zitten. Het RIVM heeft een inschatting gemaakt van deze gelijktijdige blootstelling aan stoffen uit gewasbeschermingsmiddelen, zogenoemde cumulatieve blootstelling, via voedsel. In deze studie gaat het om stoffen die effecten op de schildklier en het zenuwstelsel kunnen hebben. De huidige gelijktijdige blootstelling aan deze stoffen heeft geen schadelijke effecten op de schildklier. Voor de stoffen die effect kunnen hebben op het zenuwstelsel kan het RIVM een risico niet uitsluiten. Dat is omdat de marge tussen de hoeveelheid die we binnenkrijgen en de hoeveelheid die als veilig wordt gezien dicht bij elkaar liggen. De werkelijke blootstelling is zeer waarschijnlijk lager dan de berekende blootstelling. Dat komt door onzekerheden in de berekeningen. Het uitgangspunt van het onderzoek is dat de hoeveelheden van stoffen die op eenzelfde orgaan hun uitwerking hebben, bij elkaar worden opgeteld. Het is nog niet mogelijk om een uitspraak te doen over de veiligheid van de gelijktijdige blootstelling aan alle stoffen uit gewasbeschermingsmiddelen via voedsel. Hiervoor moet eerst worden bepaald welke stoffen effecten op andere organen dan de schildklier en het zenuwstelsel kunnen hebben. De Europese voedselveiligheidsautoriteit EFSA werkt momenteel aan deze indeling. Hiervoor is een analyse nodig van de beschikbare gegevens over de schadelijke effecten van alle stoffen in gewasbeschermingsmiddelen.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Risicogrenzen PFOA voor grond en grondwater : Uitwerking voor generiek en gebiedsspecifiek beleid (herziene versie) | RIVM

In opdracht van de gemeente Dordrecht heeft het RIVM risicogrenzen voor perfluoroctaanzuur (PFOA) in grond en grondwater afgeleid. De gemeente kan hiermee bepalen of de kwaliteit van de grond en het grondwater een risico vormt voor mens en milieu, en of maatregelen nodig zijn. De verontreiniging door PFOA is naar verwachting eind vorige eeuw ontstaan. PFOA werd door de Dupont/Chemours fabriek in Dordrecht tot 2012 gebruikt bij de productie van polymeren. In het huidige rapport zijn generieke risicogrenzen afgeleid voor grond en grondwater volgens de interventiewaardenmethodiek, waarbij rekening gehouden wordt met blootstelling van mens en milieu vanuit grond en grondwater. Daarnaast zijn locatiespecifieke of bodemgebruik-specifieke risicogrenzen afgeleid voor grond en grondwater voor verschillende bodemgebruiksvormen. Deze zijn toegespitst op de bestemming wonen en industrie, rekening houdend met de relevante blootstellingsroutes. In deze herziene versie zijn enkele risicogrenzen voor de mens aangepast vanwege nieuwe informatie en een correctie in de doorwerking van plantopname in de risicogrenzen. De gemeente kan de afgeleide risicogrenzen gebruiken om, indien gewenst, gebiedsspecifiek beleid te maken voor het bodemgebruik en grondverzet.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Chroom-6 op de POMS-locaties van Defensie: gezondheidseffecten en verantwoordelijkheden : Bevindingen uit het onderzoek op hoofdlijnen | RIVM

Deze rapportage gaat over een onderzoek dat tussen 2014 en 2018 in opdracht van de minister van Defensie is uitgevoerd naar gezondheidsrisico's door blootstelling van Defensiepersoneel aan chroom 6. De blootstelling aan deze gevaarlijke stof heeft plaatsgevonden op vijf NAVO-materieellocaties die in de periode 1984-2006 in Nederland in gebruik waren. Op deze zogenoemde POMS-locaties (POMS: Prepositioned Organizational Materiel Storage) verrichtten medewerkers van Defensie onderhoudswerkzaamheden aan NAVO-materieel. Het chroom-6 bevond zich vooral in de grondverf van het materieel, dat vrij kon komen bij onderhoudswerkzaamheden hieraan. Blootstelling aan chroom-6 op de POMS-locaties en gezondheidseffecten De mate waarin Defensiepersoneel op de vijf POMSlocaties in contact kwam met chroom-6 verschilde per functie. Medewerkers in de technische onderhoudsfuncties werden het meest blootgesteld aan chroom-6. Dit gebeurde vooral bij bewerkingen aan materieel dat met chroom-6-houdende verf was behandeld, zoals bij schuren, maar ook bij het aanbrengen van chroom- 6-houdende verf op het materieel. De gezondheidseffecten die als gevolg van blootstelling aan chroom-6 kunnen optreden, zijn divers. Bij het Defensiepersoneel dat werkzaam was in technische onderhoudsfuncties was er sprake van blootstelling aan chroom-6 die de volgende ziekten kan hebben veroorzaakt: longkanker, neus- en neusbijholtekanker, maagkanker, chroom-6-gerelateerde allergisch contacteczeem, allergische astma en allergische rhinitis, chronische longziekten en perforatie van het neustussenschot door chroomzweren. Doordat de meeste van deze ziekten ook andere oorzaken kunnen hebben, kan in veel gevallen niet met zekerheid worden vastgesteld dat deze ziekten bij oud-werknemers het gevolg zijn van blootstelling aan chroom-6 op de POMS-locaties. Voor andere gezondheidsklachten die door (oud-)medewerkers zijn gemeld, zoals gebitsproblemen, is geen of onvoldoende wetenschappelijk bewijs gevonden voor een mogelijk verband met blootstelling aan chroom-6. Het chroom-6 waaraan Defensiepersoneel in de periode 1984-2006 heeft blootgestaan, kan nu niet meer worden aangetoond in het lichaam. Chroom-6 wordt namelijk in het lichaam omgezet in chroom-3 en vervolgens uitgescheiden. Verantwoordelijkheden, arbeidsomstandigheden en zorgplicht Defensie had in zijn rol van werkgever de verantwoordelijkheid om zowel medewerkers als bedrijfsartsen in te lichten over de risico's van blootstelling aan chroom-6- houdende verf. De meeste POMS-medewerkers hebben aangegeven niet op de hoogte te zijn geweest van de gezondheidsrisico's van chroom-6. Ook nagenoeg geen van de bedrijfsartsen bij Defensie met wie in dit onderzoek is gesproken, wist in de periode dat de POMS-locaties operationeel waren dat de werknemers mogelijk blootgesteld waren aan chroom-6. Het preventie- en zorgbeleid van Defensie voldeed niet aan de daarvoor geldende regels, zeker niet in de eerste jaren. Het ontbrak aan: (1) tijdige aandacht voor collectieve beheersmaatregelen, zoals voldoende ventilatie en afscherming van werkruimtes; (2) voldoende kwaliteit en beschikbaarheid van persoonlijke beschermingsmiddelen; (3) effectief toezicht op de naleving van de gebruiksvoorschriften daarvan; (4)een registratie van het gebruik van gevaarlijke stoffen, waaronder chroom 6; (5) een periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek voor medewerkers die gezondheidsrisico's liepen in hun werk. Is Defensie aansprakelijk voor gezondheidsschade bij (oud-)werknemers? Als een (oud-)werknemer gezondheidsproblemen heeft die door een arts zijn vastgesteld en die met een zekere mate van waarschijnlijkheid kunnen worden toegeschreven aan chroom-6, is de werkgever daarvoor aansprakelijk als (a) aan te tonen valt dat de werknemer aan chroom-6 is blootgesteld tijdens zijn of haar werk, en (b) de beschermende maatregelen op de werkvloer niet in overeenstemming waren met de voorschriften of wat anderszins kon worden geëist. Degene die schade heeft geleden wordt in die gevallen bewijsrechtelijk geholpen door de omkeringsregel, waardoor het meeste bewijs zal moeten worden geleverd door de persoon of instantie die iemand heeft laten werken met chroom-6. Voor gezondheidsschade veroorzaakt door het werken met chroom-6 na 1 februari 1995 is niet van belang of er voldoende maatregelen waren getroffen. De instantie die liet werken met chroom-6 is dan altijd aansprakelijk voor de schadelijke gevolgen daarvan. Het uiteindelijke oordeel wordt geveld door een rechter. Tot slot Aan het eind van deze rapportage wordt een aantal onderzoeksaanbevelingen gedaan gericht aan het ministerie van Defensie. Enkele van deze aanbevelingen hebben betrekking op de interne communicatie en het arbobeleid van Defensie. Andere aanbevelingen zijn gericht op verbetering van de registratie en monitoring van Defensiepersoneel. In deze rapportage worden de bevindingen uit het onderzoek naar chroom-6 op hoofdlijnen beschreven. In de tien uitgebreide deelrapporten is meer gedetailleerde informatie te vinden over het onderzoek.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Bedrijfsgeneeskundige zorg door Defensie geboden aan (ex-)POMS-medewerkers : WP7 deelonderzoek 2 | RIVM

Dit rapport maakt onderdeel uit van een serie van tien rapporten over het onderzoek naar chroom-6 op de POMS-locaties van Defensie. Dit rapport bevat geen afzonderlijke publiekssamenvatting. Een overkoepelende publiekssamenvatting van de tien rapporten is te vinden op de website van het RIVM: "Chroom-6 op de POMS-locaties van Defensie: gezondheidseffecten en verantwoordelijkheden. Bevindingen uit het onderzoek op hoofdlijnen." RIVM Rapport 2018-0061
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Gezondheidseffecten en risicobeoordeling van blootstelling aan chroom-6 op de POMS-locaties van Defensie | RIVM

6 april 2020: Het RIVM heeft in 2019 dit onderzoek geactualiseerd op basis van de nieuwste wetenschappelijke kennis. De actuele bevindingen over zowel de gezondheidseffecten als de risicobeoordeling staan beschreven in RIVM rapport 2020-0019. Dit rapport maakt onderdeel uit van een serie van tien rapporten over het onderzoek naar chroom-6 op de POMS-locaties van Defensie. Dit rapport bevat geen afzonderlijke publiekssamenvatting. Een overkoepelende publiekssamenvatting van de tien rapporten is te vinden op de website van het RIVM: "Chroom-6 op de POMS-locaties van Defensie: gezondheidseffecten en verantwoordelijkheden. Bevindingen uit het onderzoek op hoofdlijnen." RIVM Rapport 2018-0061
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Potential measures against microplastic emissions to water | RIVM

Microplastics zijn plastic deeltjes die kleiner zijn dan 5 millimeter; deze kunnen door het gebruik van producten van plastic of rubber in het milieu terechtkomen (oppervlaktewater, bodem en lucht). Er zijn nog veel onzekerheden over de effecten van microplastics voor mens en milieu. Daarom worden uit voorzorg maatregelen ontwikkeld die de uitstoot van microplastics kunnen verminderen. Het RIVM heeft de voor- en nadelen van mogelijke maatregelen op een rij gezet. Deze studie richt zich op bandenslijtage (een grote bron), verfdeeltjes en microplastics in schurende reinigingsmiddelen (een kleine bron). Het is moeilijk om effectieve en haalbare maatregelen te bedenken die de uitstoot aanzienlijk verminderen. Dit komt onder andere omdat slijtage niet volledig te voorkomen is. Een autoband moet een korte remweg hebben, wat niet kan zonder dat de banden slijten. Dit voorbeeld illustreert ook hoe producenten worden geconfronteerd met, soms tegenstrijdige, eisen op het gebied van werkzaamheid, milieu en veiligheid. Verder is gedragsverandering bij consumenten maar in beperkte mate te beïnvloeden. Zo slijten autobanden minder als de bandenspanning goed is. Vooral preventieve maatregelen lijken effectief om de uitstoot van slijtagedeeltjes te verminderen. Een voorbeeld is om de informatievoorziening over de slijtagegevoeligheid van verschillende soorten banden te verbeteren. Ook maatregelen die de bandenspanning optimaliseren, zoals controlesystemen, kunnen de uitstoot sterk verminderen. Of deze maatregelen kosteneffectief zijn, zal afhangen van de manier waarop deze worden geïmplementeerd. Ze kunnen bijvoorbeeld worden ondersteund door een wettelijke regeling, gestimuleerd worden door een financiële prikkel of onder de aandacht gebracht worden door een voorlichtingscampagne.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Achtergrondinformatie over chroom-6: gebruik, voorkomen in het leefmilieu en gedrag in het lichaam | RIVM

Dit rapport maakt onderdeel uit van een serie van tien rapporten over het onderzoek naar chroom-6 op de POMS-locaties van Defensie. Dit rapport bevat geen afzonderlijke publiekssamenvatting. Een overkoepelende publiekssamenvatting van de tien rapporten is te vinden op de website van het RIVM: "Chroom-6 op de POMS-locaties van Defensie: gezondheidseffecten en verantwoordelijkheden. Bevindingen uit het onderzoek op hoofdlijnen." RIVM Rapport 2018-0061 Het voorliggende rapport is bedoeld als wetenschappelijke rapportage met soms ingewikkelde termen. Specifiek voor dit rapport geldt dat na de samenvatting een hoofdstuk te vinden is met de specifieke antwoorden op de onderzoeksvragen in begrijpelijke taal. Daarnaast is er een brochure uitgebracht waarin de inhoud van dit rapport op begrijpelijke en verkorte wijze wordt verwoord. Deze brochure is te vinden op http://www.rivm.nl/Documenten_en_publicaties/Algemeen_Actueel/Brochures… Informatiebrochure_Wat_is_chroom_6.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Het vóórkomen van sterfte, ziekten, aandoeningen en gezondheidsklachten onder (ex-)POMS-medewerkers | RIVM

6 april 2020: Het RIVM heeft in 2019 dit onderzoek geactualiseerd op basis van de nieuwste wetenschappelijke kennis. De actuele bevindingen over zowel de gezondheidseffecten als de risicobeoordeling staan beschreven in RIVM rapport 2020-0019. Dit rapport maakt onderdeel uit van een serie van tien rapporten over het onderzoek naar chroom-6 op de POMS-locaties van Defensie. Dit rapport bevat geen afzonderlijke publiekssamenvatting. Een overkoepelende publiekssamenvatting van de tien rapporten is te vinden op de website van het RIVM: "Chroom-6 op de POMS-locaties van Defensie: gezondheidseffecten en verantwoordelijkheden. Bevindingen uit het onderzoek op hoofdlijnen." RIVM Rapport 2018-0061
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Een onderzoek naar arbeidsbescherming en veiligheid bij de POMS-sites. : WP8.2: Normen en Recht op Bescherming: Defensie-specifiek | RIVM

Dit rapport maakt onderdeel uit van een serie van tien rapporten over het onderzoek naar chroom-6 op de POMS-locaties van Defensie. Dit rapport bevat geen afzonderlijke publiekssamenvatting. Een overkoepelende publiekssamenvatting van de tien rapporten is te vinden op de website van het RIVM: "Chroom-6 op de POMS-locaties van Defensie: gezondheidseffecten en verantwoordelijkheden. Bevindingen uit het onderzoek op hoofdlijnen." RIVM Rapport 2018-0061
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Contra-expertise op bepalingen van radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht van NRG. Periode 2016 | RIVM

Het nucleair bedrijf NRG te Petten meet hoeveel radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht wordt geloosd. Het RIVM controleert deze metingen acht keer per jaar. Met deze 'contra-expertise' wordt gecontroleerd of de analyses die NRG zelf uitvoert, betrouwbaar zijn. De te analyseren monsters worden verspreid over het jaar door NRG genomen. Net als in voorgaande jaren komen de totaal-alfa resultaten en de gamma-analyses van afvalwater uit de contra-expertise in 2016 (zeer) goed overeen. De matige overeenstemming in de totaal-beta resultaten kan aanzienlijk verbeterd worden. Dit wordt deels verklaard doordat er veel kortlevende beta-stralers in het afvalwater aanwezig zijn, en deels door verschillen in de meetmethoden die NRG en het RIVM toepassen. De vergelijking in de 3H resultaten in afvalwater is goed. De ventilatieluchtresultaten geven geen reden voor discussie. In vijf monsters heeft RIVM een zeer lage activiteitsconcentratie aan 131I gevonden, in zes monsters 133Xe, in acht monsters 137Cs, in zeven monsters 191Os, en in een monster een zeer lage activiteitsconcentratie aan 203Hg. Al deze waarden vallen ruim onder de detectiegrens van NRG. De meetwaarden voor totaal-alfa en totaal-bèta in ventilatielucht liggen, op enkele uitzonderingen na, onder de detectiegrens. De activiteits-concentraties in enkele monsters liggen in de range van wat er in buitenlucht wordt aangetroffen en hebben waarschijnlijk een natuurlijke oorsprong. Het RIVM heeft de contra-expertises in 2016 uitgevoerd in opdracht van van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Contra-expertise op bepalingen van radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht van de kernenergiecentrale Borssele. Periode 2016 | RIVM

De kerncentrale Borssele (KCB) meet hoeveel radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht wordt geloosd. Het RIVM controleert deze metingen acht keer per jaar. Met deze 'contra-expertise' wordt gecontroleerd of de analyses die de kerncentrale zelf uitvoert, betrouwbaar zijn. De te analyseren monsters worden verspreid over het jaar door KCB genomen. Net als in voorgaande jaren komen de gamma-analyses van afvalwater uit de contra-expertise in 2016 op hoofdlijnen overeen met de resultaten van de kerncentrale. Enkele verschillen waren zichtbaar bij radionucliden die inhomogeen verdeeld waren in afvalwater. De overeenkomst in de 3H-data was iets minder vergeleken met de 3H-data in de voorgaande rapportage. Zowel de kerncentrale als het RIVM heeft geen strontium-isotopen en alfa-activiteit in het afvalwater aangetroffen. In ventilatielucht heeft zowel het RIVM als de kerncentrale eenmaal een zeer geringe gamma-activiteit van 131I aangetroffen. De resultaten van de bepaling van 3H en 14C in ventilatielucht, bemonsterd met een zeolietpatroon, in het eerste en derde kwartaal van 2016 kwamen redelijk overeen. Het RIVM heeft de contra-expertises uitgevoerd in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Contra-expertise op bepalingen van radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht van Urenco Nederland B.V. Periode 2016 | RIVM

De verrijkingsfabriek Urenco Nederland meet hoeveel radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht wordt geloosd. Het RIVM controleert deze metingen acht keer per jaar. Met deze 'contra-expertise' wordt gecontroleerd of de analyses die Urenco zelf uitvoert, betrouwbaar zijn. De te analyseren monsters worden verspreid over het jaar door Urenco genomen. Net als in voorgaande jaren komen de totaal-alfa resultaten en de gamma-analyses van afvalwater uit de contra-expertise in 2016 redelijk overeen. Uit de metingen blijkt dat de activiteitsconcentraties in afvalwater in zeven van de acht monsters betrekkelijk laag zijn; 0,2 - 3,6 kBq.m-3 voor totaal-alfa en 0,3 - 5 kBq.m-3 voor totaal-bèta. In het monster met een verhoogde totaal-bèta activiteitsconcentratie was het natuurlijke nuclide 40K de oorzaak van deze verhoging. De radioactiviteit in ventilatielucht ligt zeer dicht bij het niveau van de hoeveelheid radon die van nature in de buitenlucht aanwezig is. Voor totaal alfa is een activiteitsconcentratie van 0,006 - 0,06 mBq.m-3 gevonden en voor totaal bèta 0,02 - 0,35 mBq.m-3. De resultaten van de meetwaarden van Urenco in ventilatielucht kwamen redelijk overeen. In buitenlucht wordt de natuurlijke totaal alfa en bèta-activiteit veroorzaakt door radon-dochters, net als de verhouding tussen de totaal alfa- en totaal bèta-activiteit. Deze natuurlijke verhouding tussen alfa en bèta activiteit wijkt sterk af van dezelfde verhouding die het gevolg zou zijn van een besmetting door uranium. Daarom is het aannemelijk dat er in 2016, tijdens de reguliere bedrijfsvoering, geen uranium in ventilatielucht is vrijgekomen. RIVM heeft de contra-expertises in 2016 uitgevoerd in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Contra-expertise op bepalingen van radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht van COVRA N.V. : Periode 2016 | RIVM

De Centrale Organisatie voor de Opaslag van radioactief afval (COVRA) meet hoeveel radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht wordt geloosd. Het RIVM controleert deze metingen acht keer per jaar. Met deze 'contra-expertise' wordt gecontroleerd of de analyses die COVRA zelf uitvoert, betrouwbaar zijn. De te analyseren monsters worden verspreid over het jaar door COVRA genomen. Net als in voorgaande jaren komen de gamma-analyses van afvalwater uit de contra-expertise in 2016 op hoofdlijnen overeen met de resultaten van de COVRA. De analyses van het RIVM en COVRA in de gamma-spectrometrische resultaten, de resultaten van de totaal-alfa bepaling, tritiumbepaling en de 14C-bepaling in afvalwater kwamen redelijk tot goed overeen. Hoewel het RIVM en COVRA verschillende meetprincipes gebruiken, komen de totaal bèta-meetwaarden van het RIVM en de rest bèta-meetwaarden van COVRA in 2016 redelijk overeen. Ook kwamen de analyses van het RIVM en COVRA betreffende de ventilatieluchtresultaten van het Afvalverwerkingsgebouw (AVG) en het Hoogradioactief Afval Behandelings- en OpslagGebouw (HABOG) goed overeen. Het RIVM heeft de contra-expertises in 2016 uitgevoerd in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Melden bijwerkingen geneesmiddelen bij ouderen in verpleeghuizen : Mogelijkheden en beperkingen | RIVM

Specialisten in ouderengeneeskunde vinden het belangrijk dat kennis wordt verzameld over bijwerkingen van medicijnen bij ouderen. Deze kennis kan worden gebruikt om deze kwetsbare groep mensen optimaal te behandelen, en daarmee de kwaliteit van hun leven te verbeteren. Bij het Bijwerkingencentrum Lareb worden echter maar weinig bijwerkingen door het gebruik van medicijnen bij ouderen gemeld. Hierdoor blijft de kennis over bijwerkingen bij ouderen beperkt. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM en het Bijwerkingencentrum Lareb. Ruim een miljoen mensen van 65 jaar of ouder gebruikt vijf of meer medicijnen, ook wel polyfarmacie genoemd. Als mensen ouder worden, treden allerlei veranderingen op in het lichaam die invloed kunnen hebben op de werking en bijwerkingen van medicijnen. De combinatie van lichamelijke veranderingen en polyfarmacie leidt mogelijk tot andere bijwerkingen bij ouderen. Voordat medicijnen op de markt mogen worden gebracht, worden ze uitgebreid onderzocht op werking en bijwerkingen. Dit wordt vaak bij relatief jonge en gezonde volwassenen onderzocht, en in veel mindere mate met oudere personen. Na de markttoelating worden bijwerkingen maar in zeer beperkte mate gemeld door bewoners van verpleeghuizen en hun zorgverleners. Het RIVM en Bijwerkingencentrum Lareb ontwikkelden en testten een methode om bijwerkingen bij ouderen in het verpleeghuis systematisch in kaart te brengen. Het aantal verpleeghuizen en specialisten in ouderengeneeskunde dat meedeed was echter te laag om een uitspraak te kunnen doen over de haalbaarheid van de methode. Wel werd duidelijk dat het melden van bijwerkingen bij verpleeghuisbewoners gestimuleerd moet worden. Dat kan bijvoorbeeld door het bewustzijn hierover te vergroten en het melden beter in te passen in het werkproces van de zorgverleners in verpleeghuizen.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

De toekomstverwachtingen over ATMP's | RIVM

Advanced Therapy Medicinal Products (ATMP's) zijn geneesmiddelen voor geavanceerde therapie, zoals celtherapie en gentherapie. De meeste ATMP's zijn bedoeld om ernstige, vaak zeldzame aandoeningen te behandelen. Ze kunnen levensverlengend, soms zelfs genezend zijn, of de kwaliteit van leven sterk verbeteren. Ondanks de ontwikkelingen van de afgelopen 20 jaren zijn de hoge verwachtingen nog niet uitgekomen. Wel blijft de techniek hoopgevend en worden er tussen 5 en 10 jaar nieuwe producten verwacht. Dit blijkt uit een verkenning van de ontwikkelingen van ATMP's die het RIVM in opdracht van het ministerie van VWS heeft uitgevoerd. In algemene zin wordt bij ATMP's een (bijvoorbeeld ontbrekende) eigenschap aan cellen toegevoegd die bepaalde processen in het lichaam in gang zet. Zo kunnen bijvoorbeeld kankercellen worden uitgeschakeld of een stollingsfactor worden gemaakt. In Nederland wordt veel onderzoek met ATMP's bij patiënten gedaan en stijgt het aantal studies met ATMP's die in een vergevorderde ontwikkelingsfase zijn. Komende jaren zullen voor verschillende vormen van kanker behandelingen met zogenoemde CAR-T-cellen beschikbaar komen. Met deze ATMP's worden afweercellen van de patiënt bewerkt om de tumor te herkennen en uit te schakelen. Een andere hoopvolle ontwikkeling is gentherapie voor zeldzame aandoeningen als hemofilie B. Deze ziekte is met gentherapie te genezen. Deze ervaringen kunnen als prototype dienen om andere ziekten te behandelen. Verschillende factoren belemmeren dat ATMP's beschikbaar komen. Zo zijn ATMPs moeilijk in te passen in de huidige wetgeving voor markttoelating van geneesmiddelen. De zogeheten hospital exemption procedure is een belangrijke optie om een ATMP toe kunnen passen bij de patiënt, zonder markttoelatingsprocedure. Het ATMP wordt dan door een ziekenhuis gemaakt van de eigen cellen van de patiënt. Elk land geeft de hospital exemption procedure een eigen invulling, maar naar verwachting zal de Europese Unie deze regeling voor alle lidstaten gelijk willen trekken. Deskundigen vrezen hierdoor dat de regeling dan minder gunstig wordt in Nederland. Andere belemmerende factoren zijn financiering (de ontwikkeling van ATMP's is kostbaar) en de snel veranderende technologie om ATMP's te maken (waardoor het ATMP onbedoeld kan veranderen). Ook is er een maatschappelijk druk om ATMP's al beschikbaar te maken voor patiënten zonder dat het werkingsmechanisme goed bekend is. Verbetermogelijkheden zijn onder andere een flexibele en pragmatische toepassing van de geneesmiddelenregelgeving en meer geld voor onderzoek naar het ingewikkelde werkingsmechanisme van ATMP's.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Bacteriofagen : Huidige kennis, onderzoek en toepassingen | RIVM

Bacteriofagen (ofwel fagen) zijn virussen die bacteriën kunnen doden. Ze werden begin vorige eeuw ontdekt, ongeveer tegelijk met antibiotica. Fagen hebben een ander werkingsmechanisme dan antibiotica. In theorie zouden ze daarom kunnen worden ingezet om infecties te behandelen die ongevoelig zijn voor antibiotica. Er is echter nog te weinig onderbouwd klinisch onderzoek beschikbaar om de meerwaarde van bacteriofaagbehandeling te kennen en dit veilig en voor meerdere soorten infecties te kunnen doen. Dit blijkt uit een inventarisatie die het RIVM heeft gemaakt van de huidige kennis over bacteriofagen voor de behandeling van infecties bij mensen. Een faag werkt heel specifiek tegen één type bacterie, terwijl antibiotica werkzaam zijn tegen meerdere bacteriesoorten. Hierdoor kunnen fagen niet zo snel worden ingezet tegen infecties: eerst moet de ziekmakende bacterie geïdentificeerd en opgekweekt worden, waarna er een bijpassende faag of fagen bij moeten worden gezocht. Om deze praktische redenen hadden antibiotica meer succes en is het gebruik van fagen op de achtergrond geraakt. De kennis over de precieze werking van bacteriofagen bij behandeling van infecties, hoe ze zich gedragen in het lichaam, welke dosering en behandelduur nodig zijn, en de risico's van gebruik is nog beperkt. Door het tijdrovende en complexe bereidingsproces zijn bacteriofagen niet geschikt om acute infecties te behandelen. In theorie zouden ze wel bij chronische infecties kunnen werken, bijvoorbeeld voor oppervlakkige huidinfecties. Om vragen over zulke toepassingen en de meerwaarde daarvan te beantwoorden is gecontroleerd klinisch onderzoek noodzakelijk, maar dat ontbreekt nog. Daar komt bij dat de huidige Europese wet- en regelgeving voor geneesmiddelen niet gemaakt is voor patiëntspecifieke biologische producten, zoals bacteriofagen. In Europees verband wordt erover nagedacht om de wet- en regelgeving voor biologische producten te veranderen. In andere sectoren, zoals landbouw en voedselproductie, gelden minder strenge regels voor werkzaamheid en het gebruik van deze producten dan voor gebruik bij mensen. In deze sectoren worden fagen al wel ingezet.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

The 20th EU Interlaboratory comparison study in primary production (2017) : Detection of Salmonella in chicken faeces | RIVM

Dit rapport bevat een erratum d.d. 17-7-2018 na pagina 34 In maart 2017 vond het twintigste EURL-Salmonella ringonderzoek naar Salmonella plaats. Deze jaarlijkse kwaliteitstoets is verplicht voor alle Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) van de Europese lidstaten die verantwoordelijk zijn voor het aantonen van Salmonella in dierlijke mest. Resultaten. Alle deelnemers waren in staat om Salmonella op te sporen in de kunstmatig besmette kippenmestmonsters. Ook hebben de laboratoria de meegestuurde controlemonsters correct geanalyseerd. Eén laboratorium heeft een fout gemaakt met het labelen van de monsters en heeft daardoor de twee controlemonsters verwisseld. Hiervoor kreeg dit laboratorium een matige score. Bijna alle laboratoria konden de monsters waar geen Salmonella aan was toegevoegd (blanco) als zodanig opsporen. Eén laboratorium vond echter Salmonella in drie van de zes blanco monsters en scoorde daardoor een onvoldoende. Deelnemers. In totaal hebben 36 NRL's deelgenomen: 29 NRL's van 28 lidstaten in de EU, zes NRL's uit kandidaat-landen voor het EU-lidmaatschap of landen van de European Free Trade Association (EFTA) en één niet-Europees NRL dat op verzoek van de Europese Commissie is toegevoegd (Israël). Het Europese Referentie Laboratorium (EURL) Salmonella is gevestigd bij het Nederlandse Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). De hoofdtaak van het EURL-Salmonella is toezien op de kwaliteit van de nationale referentielaboratoria voor deze bacterie in Europa. Werkwijze. Elk laboratorium kreeg een pakket toegestuurd met daarin de monsters met kippenmest. De kippenmest is op het EURL-laboratorium besmet met de Salmonella-bacterie in twee concentraties (hoog en laag). Ook zijn er onbesmette blanco monsters meegestuurd. De laboratoria dienden de monsters te analyseren volgens de internationaal voorgeschreven methode op de aanwezigheid van Salmonella.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Stralingsniveaumetingen aan het terrein van de EPZ kerncentrale te Borssele in 2016 | RIVM

Het gammastralingsniveau aan de terreingrens van de kerncentrale in Borssele lag in 2016 onder het toegestane maximum. Dit blijkt uit controlemetingen van het RIVM. Het RIVM rapporteert jaarlijks in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) of de kerncentrale aan de vergunningseis voldoet. Volgens de revisie van de kernenergiewetvergunning van 2016 moet de kerncentrale ervoor zorgen dat personen buiten de terreingrens een stralingsdosis ontvangen van hoogstens 10 microsievert per jaar. Om dit te controleren wordt op minimaal vier punten op de terreingrens het gammastralingsniveau gemeten. Dit gebeurt met het door het RIVM beheerde MONET-meetnet. Van de meting wordt vervolgens de natuurlijke achtergrondwaarde afgetrokken. Om het resultaat te vergelijken met het toegestane niveau, wordt de zogeheten Actuele Blootstelling Correctiefactor (ABC-factor) toegepast. ABC-factoren hangen samen met de bestemming van het gebied waar de effectieve stralingsdosis kan worden opgelopen. Rond het terrein van de kerncentrale in Borssele geldt voor de kerncentrale een ABC-factor van 0,2. In dit rapport zijn de daggemiddelden van de metingen van de MONET-monitoren rond de kerncentrale in 2016 weergegeven. Ook wordt uitgelegd hoe voor elk meetpunt de natuurlijke achtergrondwaarde is bepaald. In 2016 was de hoogste waarde van de stralingsdosis op de vier locaties waar continu metingen zijn verricht, na aftrek van de natuurlijke achtergrond, 5,7 microsievert per jaar. Na de toepassing van de ABC-factor is de berekende maximale effectieve dosis 1,1 microsievert per jaar. Deze dosis is lager dan de vergunde maximale stralingsdosis van 10 microsievert per jaar.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Beoordeling van risico's voor mens en milieu van nieuwe ontwikkelingen in de moderne biotechnologie : Beleidssignalering | RIVM

Door de snelle ontwikkelingen in de moderne biotechnologie, worden er in de komende tien jaar veel nieuwe toepassingen verwacht. Om hierop voorbereid te zijn heeft het RIVM onderzocht of de huidige risicobeoordeling voor mens en milieu nog volstaat. Dit is gedaan voor bijna dertig geselecteerde nieuwe toepassingen. De huidige risicobeoordeling blijkt voor de helft van deze toepassingen op orde te zijn. Voor de andere helft van de onderzochte toepassingen zal de methode van risicobeoordeling (mogelijk) niet meer passen of is er onvoldoende kennis of informatie om de risico's voor mens en milieu goed te kunnen beoordelen. In dit onderzoek is de risicobeoordelingsmethode voor genetisch gemodificeerde organismen getoetst. Deze methode is opgezet voor levende organismen waarvan het erfelijk materiaal is aangepast, zoals tot nu toe bij de meeste biotechnologische toepassingen het geval is. Er komen nu ook toepassingen aan die niet bestaan uit organismen, en waarvoor deze risicobeoordelingsmethode dus niet logischerwijs het meest geëigend is. Op de korte termijn geldt dat bijvoorbeeld voor de zogeheten RNA-spray, waarmee plaaginsecten op gewassen worden onderdrukt. Voor enkele toepassingen die nog in een vroeg ontwikkelingsstadium zijn, is nu nog onduidelijk of de bestaande beoordelingsmethode bruikbaar is. Dit geldt bijvoorbeeld voor 'orthogonale systemen' waarbij andere bouwstenen of een andere codering van DNA wordt gebruikt dan nu in de natuur voorkomt. Om de verwachte knelpunten in de risicobeoordeling op te lossen, is het nodig om lering te trekken uit andere bestaande risicobeoordelingsmethoden, bestaande informatie en kennis bij elkaar te brengen en om ontbrekende kennis op te bouwen.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Nationaal Actieplan soa, hiv en seksuele gezondheid : 2017-2022 | RIVM

Het Nationale Actieplan soa, hiv en seksuele gezondheid presenteert voor de komende vijf jaar een integrale aanpak waarin een positieve benadering van seksualiteit centraal staat. Uitgangspunt van seksuele gezondheid is dat inwoners van Nederland goed geïnformeerd zijn om hierover verstandige keuzes te maken. Behalve goede preventieve maatregelen moeten zij bij problemen toegang hebben tot laagdrempelige en betaalbare zorg. Het actieplan bestaat uit zes pijlers. Twee daarvan zijn overkoepelende onderwerpen: seksuele vorming en surveillance & monitoring. Seksuele vorming is de basis voor een gezonde seksuele ontwikkeling en is belangrijk om soa, hiv, ongewenste zwangerschap en seksueel geweld te voorkomen. Surveillance betekent bijhouden bij hoeveel mensen er problemen optreden. Deze gegevens zijn nodig om effectieve maatregelen, behandeling en beleid, op te kunnen zetten. Vervolgens wordt het effect daarvan in kaart gebracht (monitoring). De andere vier pijlers benoemen specifieke doelen voor soa, hiv, ongewenste zwangerschap en seksueel geweld, vooral onder kwetsbare groepen. Een van de doelen is het verminderen van klachten door de geslachtsziekte chlamydia. Een andere ambitie: jaarlijks de helft minder mensen die syfilis, gonorroe en hiv oplopen. De volgende hiv-doelstellingen zijn in het actieplan opgenomen: 95 procent van de mensen met hiv in 2022 weet dat ze de ziekte heeft, 95 procent van hen is onder behandeling en bij 95 procent is het hiv-virus niet meer aantoonbaar. Een ander streven is dat in Nederland geen mensen meer overlijden aan aids. Om ongewenste zwangerschappen te voorkomen is het belangrijk dat alle mensen in Nederland laagdrempelige toegang hebben tot anticonceptiemiddelen en goede informatie. Belangrijk is het tegengaan van seksueel geweld en zorg voor de slachtoffers. Op scholen is daarom structurele aandacht nodig voor grensoverschrijdend gedrag. Hiervoor staat (bij)scholing van professionals in zorg en onderwijs centraal. Het Nationaal Actieplan soa, hiv en seksuele gezondheid 2017-2022 is onder de regie van het RIVM tot stand gekomen in samenwerking met de voornaamste veldpartijen die werken op het gebied van seksuele gezondheid.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Bewust Omgaan met Veiligheid: doelen en effectmaten in het risico- en veiligheidsbeleid | RIVM

Het RIVM heeft voor verschillende beleidsterreinen van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) in kaart gebracht welke effecten bedreigingen van de fysieke leefomgeving kunnen hebben en welke veiligheidsdoelen door de overheid gesteld worden om die effecten te voorkomen, verkleinen of beheersen. In het eerste deel van de opdracht (Van Zijverden et al., Een scan van de veiligheid en kwaliteit van onze leefomgeving. RIVM briefrapport 2017-0030) zijn voor 25 onderwerpen effecten voor gezondheid, ecologie, economische schade en maatschappelijke impact op een rij gezet. Uit het onderzoek blijkt dat voor de gezondheidseffecten gegevens bekend zijn. De effecten voor ecologie, economische schade en maatschappelijke impact zijn meestal niet goed bekend en blijken in het tweede deel van het onderzoek niet expliciet meegenomen in de doelen voor het risico- en veiligheidsbeleid. Met deze effecten wordt impliciet rekening gehouden. Het beleid van het ministerie gaat uit van een beleidsmatig basisbeschermingsniveau en van een streven om de veiligheid en de kwaliteit van onze leefomgeving verder te verbeteren. Voor een veilige en gezonde leefomgeving is het belangrijk te weten wat de actuele situatie in de fysieke leefomgeving is en hoe de samenleving de veiligheid waardeert. Voorbeelden van vraagstukken zijn het risico van overstromingen, veiligheid bij brand of explosies, luchtverkeersveiligheid, veiligheid op de weg, in scheepvaart en op het spoor. Ook gaat het om de effecten van vervuilende stoffen in lucht, water en bodem en van het gebruik van nanomaterialen en biotechnologie. De samenleving heeft behoefte aan een zekere mate van eenduidigheid en consistentie in risico-afwegingen voor al deze veiligheidsvraagstukken. Om dat goed te doen, zijn voldoende gegevens nodig om risico's vanuit verschillende invalshoeken te kunnen karakteriseren. Momenteel wordt hoofdzakelijk gekeken naar gezondheidseffecten, uitgedrukt in de kans op dodelijke slachtoffers of aantallen slachtoffers. Bij dit onderzoek worden ook diverse nieuwe (technologische) ontwikkelingen die gepaard gaan met onzekere risico's betrokken. Hiervoor blijken, mede door methodologische problemen, nog geen geschikte effectmaten te zijn ontwikkeld. Het RIVM pleit voor een brede, transparante beoordeling van risico's en effecten. Hiervoor moeten samenhangende risico- en effectmaten ontwikkeld worden die op zowel technische als sociaalwetenschappelijke inzichten moeten worden gebaseerd. De veiligheid van situaties hangt immers samen met wat de maatschappij aanvaardbaar vindt.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Greenhouse gas emissions in the Netherlands 1990-2016 | RIVM

In 2016 is de totale uitstoot van broeikasgassen van Nederland met ongeveer 0,2 procent gestegen ten opzichte van de uitstoot in 2015. Deze stijging komt vooral doordat er meer aardgas is verbruikt om ruimtes te verwarmen. Daarentegen staat dat de uitstoot van de electriciteitsproductie is afgenomen. De totale uitstoot van broeikasgassen naar de lucht wordt uitgedrukt in CO2-equivalenten en bedroeg in 2016 195,2 miljard kilogram. Ten opzichte van het zogeheten Kyoto-basisjaar (222,9 miljard kilogram CO2-equivalenten) is dit een afname van ongeveer 12,4 procent. Dit basisjaar, dat afhankelijk van het broeikasgas 1990 of 1995 is, dient voor het Kyoto Protocol als referentiejaar voor de uitstoot van broeikasgassen. De emissie van CO2 lag in 2014 voor het eerst onder het niveau van het basisjaar 1990. Sindsdien is de CO2-uitstoot toegenomen met circa 5 procent en komt hij boven het niveau van het basisjaar 1990 (+1,6 procent) te liggen. Deze toename werd voor de totale emissie van broeikasgassen ruim gecompenseerd door de lagere emissies van methaan, distikstofoxide en gefluoreerde gassen (CH4, N2O en F-gassen). Dit blijkt uit een inventarisatie van broeikasgasemissies die het RIVM jaarlijks op verzoek van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) opstelt. Met deze inventarisatie voldoet Nederland aan de nationale rapportageverplichtingen voor 2018 van het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties (UNFCCC), van het Kyoto Protocol en van het Bewakingsmechanisme Broeikasgassen van de Europese Unie. De inventarisatie bevat verder trendanalyses voor de uitstoot van broeikasgassen in de periode 1990-2016, een analyse van belangrijkste emissiebronnen ('sleutelbronnen'), evenals de onzekerheid in hun emissies. Daarnaast zijn in de inventarisatie de gebruikte berekeningsmethoden beschreven, evenals databronnen en gebruikte emissiefactoren. Ten slotte bevat het een overzicht van het kwaliteitssysteem en de validatie van de emissiecijfers door de Nederlandse Emissieregistratie.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Methodology for the calculation of emissions from product usage by consumers, construction and services | RIVM

Het RIVM heeft beschreven hoe de Nederlandse Emissieregistratie de uitstoot berekent van verontreinigende stoffen door het gebruik van producten. Nederland is vanwege internationale verdragen, zoals het Kyoto-protocol, de EU-Emissieplafonds (NEC-Directive) en de Convention on Long-range Transboundary Air Pollution (CLRTAP), verplicht om jaarlijks volgens de meest actuele wetenschappelijk inzichten te rapporteren over de uitstoot van broeikasgassen, verzurende stoffen en stoffen die gerelateerd zijn aan grootschalige luchtverontreiniging. De gerapporteerde uitstoot door productgebruik wordt met de methoden beschreven in dit rapport onderbouwd. Deze rapportage is bedoeld voor de (internationale) reviewers die de Nederlandse rapportages aan de EU en VN valideren.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Methodology report on the calculation of emissions to air from the sectors Energy, Industry and Waste (Update 2017), as used by the Dutch Pollutant Release and Transfer Register | RIVM

Het RIVM beschrijft in deze technische rapportage de geactualiseerde methoden waarmee de Nederlandse Emissieregistratie de uitstoot van verontreinigende stoffen naar de lucht berekent vanuit de sectoren Industrie, Energieopwekking en Afvalverwerking. Nederland is vanwege internationale verdragen, zoals het Kyoto-protocol, de EU-Emissieplafonds (NEC-Directive) en de Convention on Long-range Transboundary Air Pollution (CLRTAP), verplicht om steeds volgens de meest actuele wetenschappelijk inzichten te rapporteren over de uitstoot van broeikasgassen, verzurende stoffen en stoffen die gerelateerd zijn aan grootschalige luchtverontreiniging. Met deze beschrijving wordt de gerapporteerde uitstoot onderbouwd. Doelgroep voor deze rapportage zijn de (internationale) reviewers die de Nederlandse rapportages aan de EU en VN valideren.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Measuring the effect of Sustainable Public Procurement | RIVM

Veel inkopers bij overheidsorganisaties doen hun best om bij de aankoop van diensten en producten rekening te houden met mogelijke effecten op mens en milieu. Met Maatschappelijk Verantwoord Inkopen (MVI) wordt dus niet alleen naar de prijs van een product gekeken. MVI kan bijvoorbeeld helpen de uitstoot van broeikasgassen te beperken en bijdragen aan meer hergebruik van materialen (circulaire economie). Het RIVM presenteert een manier om te berekenen welke effecten deze inspanningen hebben. Deze werkwijze is gebruikt om acht productgroepen te analyseren: Dienstauto's, Buitenlandse dienstreizen, Contractvervoer (voor bijvoorbeeld leerlingen), Transportdiensten (taxi's en post), Bedrijfskleding, Elektriciteit, Zonnepanelen en Gas. De analyse van de overheidsinkopen in 2015 en 2016 laat zien dat MVI bij de acht productgroepen een positief effect heeft. Zo wordt er in totaal minstens 4,9 megaton minder koolstofdioxide uitgestoten tijdens de contractperiodes en gebruiksduur van de diensten en producten. Ook was er winst te zien door onder andere minder uitstoot van schadelijke stoffen, recycling en werkgelegenheid voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Tegelijkertijd laat de analyse zien dat MVI niet altijd wordt toegepast en dat de mate waarin MVI wordt toegepast varieert. Daarnaast blijkt het meenemen van MVI in een aanbesteding geen garantie voor effect. Dit komt doordat niet alle minimumeisen beter zijn dan wat er gemiddeld op de markt beschikbaar is én doordat eisen en gunningscriteria niet altijd in de uiteindelijke contracten terechtkomen. De gepresenteerde werkwijze laat zien dat al met relatief eenvoudige informatie (zoals het aantal gereden kilometers) het effect van MVI kan worden berekend, maar dat deze informatie vaak ontbreekt. Aanbestedende diensten die willen weten wat het effect is van hun MVI-inspanning, wordt daarom aanbevolen deze informatie parallel aan het inkoopproces te gaan verzamelen en administreren. Voor verschillende productgroepen is het raadzaam een database te gaan ontsluiten en gebruiken die aangeeft in welke mate een product het milieu belast in haar hele levenscyclus. Zo'n Life Cycle Assessment (LCA) maakt inzichtelijk of, en in welke mate, de last op andere onderdelen van de productie- en consumptieketen wordt afgewend. De Nederlandse versie van het rapport vindt u hier: https://rivm.nl/Documenten_en_publicaties/Wetenschappelijk/Rapporten/20…
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Informative Inventory Report 2018 : Emissions of transboundary air pollutants in the Netherlands 1990-2016 | RIVM

De uitstoot van ammoniak is in 2016 gestegen ten opzichte van 2015 en ligt met 127,4 kiloton onder het maximum dat vanuit Europa voor Nederland is bepaald. De toename wordt vooral veroorzaakt doordat er meer melk- en kalfkoeien gehouden worden. De toename wordt voor een deel afgezwakt door een gemiddeld lagere uitstoot als gevolg van schonere stalsystemen. De berekeningen voor de ammoniakemissie uit de landbouw zijn complex omdat veel factoren er invloed op hebben. Dat zijn bijvoorbeeld de diersoort, de leeftijdscategorie, de huisvesting en de wijze waarop de mest op het land wordt gebruikt. Nieuwe inzichten in deze emissiefactoren zorgen ervoor dat de totale uitstoot van ammoniak tussen 1990 en 2015 met terugwerkende kracht over de gehele linie naar beneden is bijgesteld. Zo blijkt de mate waarin rundveevoer wordt verteerd, voor een lagere hoeveelheid ammoniakaal stikstof (TAN) in de rundveemest te zorgen dan eerder was berekend. Daardoor komt er minder ammoniak vrij als de mest op het land wordt gebruikt. Binnen de gestelde periode waren een paar veranderingen te zien als gevolg van de nieuwe inzichten. Zo is de emissiefactor voor bovengrond gebruik van mest naar beneden bijgesteld, waardoor de uitstoot in de eerste helft van de jaren negentig omlaag is gegaan. Daar staat tegenover dat de emissiefactoren voor een aantal emissiearme manieren van mest op het land verspreiden (uitrijden), hoger zijn geworden. Desondanks blijft het emissiearme uitrijden van mest nog altijd een effectieve maatregel om de uitstoot van ammoniak zoveel mogelijk te beperken. De uitstoot van stikstofoxiden, zwaveldioxiden en niet-methaan vluchtige organische stoffen blijven net als in voorgaande jaren licht dalen. Voor deze stoffen blijft Nederland voldoen aan de gestelde 'plafonds'. Ook is de uitstoot van koolmonoxide, fijnstof, zware metalen en persistente organische stoffen tussen 1990 en 2016 bijna zonder uitzondering gedaald. Dit komt vooral door schonere brandstoffen, schonere automotoren en door emissiebeperkende maatregelen in de industrie, met apparatuur om stof, stikstofdioxide en zwaveldioxide af te vangen. Dit en meer blijkt uit de Informative Inventory Report (IIR) 2018. Het RIVM analyseert en rapporteert hierin jaarlijks met diverse partnerinstituten de uitstoot van stoffen. Lidstaten van de Europese Unie zijn hiertoe verplicht. Nederland gebruikt de analyses om beleid te onderbouwen.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Inter-laboratorium vergelijking van de bepaling van BTEX in buitenlucht | RIVM

De luchtkwaliteits-meetnetten van Nederland en Vlaanderen werken nauw samen in de Overleggroep Luchtmonitoring (OLM). In het kader van deze samenwerking worden ook onderzoeken georganiseerd waarbij de meetnetten hun meetmethoden kunnen vergelijken. In 2014 heeft het RIVM een onderzoek georganiseerd waarbij de meetmethoden voor benzeen en andere aromatische koolwaterstoffen (BTEX) van 5 netwerken zijn vergeleken. Deze stoffen komen vooral in hoge concentraties in de lucht voor na industriele emissies. De resultaten van dit onderzoek laten zien dat 3 meetnetten acceptabel tot goed presteren, waarbij de prestaties wel deels afhankelijk lijken te zijn van het type meetinstrument dat is gebruikt. De prestaties van de andere meetnetten - in casu meetinstrumenten - zijn minder goed. Hiervoor zijn verschillende oorzaken aanwijsbaar.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Policy framework for Prenatal and Neonatal Screening | RIVM

Het Beleidskader Pre- en Neonatale Screeningen geeft een overzicht van de wettelijke en beleidsmatige kaders voor vijf screeningen die tijdens de zwangerschap en kort na de geboorte preventief worden aangeboden. Deze kaders zijn door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) vastgesteld. Er zijn drie screeningen voor het ongeboren kind: op het syndroom van down, op enkele infectieziekten zoals hiv, en lichamelijke afwijkingen. De screeningen vlak na de geboorte betreffen het gehoor van het kind en de hielprik. Het RIVM voert sinds 2006 de regie op de bevolkingsonderzoeken en bewaakt vanuit die rol de kwaliteit, bereikbaarheid en betaalbaarheid ervan. Het beleidskader is een instrument om de regie te voeren. De uitvoering ligt bij de uitvoeringsorganisaties. Het beleidskader beschrijft eveneens hoe partijen samenwerken die betrokken zijn bij de voorbereiding van, besluitvorming over en uitvoering van de pre- en neonatale screeningen. Voor een goede kwaliteit van de screening is het immers van belang dat alle logistieke en inhoudelijke processen goed op elkaar aansluiten. Vooral de 'overgang' van een uitslag van een bevolkingsonderzoek naar een diagnose en behandeling is een belangrijke stap, waarvoor partijen binnen het bevolkingsonderzoek en de zorg gezamenlijk verantwoordelijk zijn. Daarnaast worden de kaders weergegeven die relevant zijn voor de nadere uitwerking van de draaiboeken van de screeningen. Deze draaiboeken zijn vooral gericht op de wijze waarop de screeningen worden uitgevoerd. Het beleidskader zal regelmatig worden getoetst en indien nodig aangepast aan de actualiteit.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Policy Framework for Population Screening for Cancer | RIVM

Het Beleidskader Bevolkingsonderzoeken naar Kanker (BBK) geeft een overzicht van de wettelijke en beleidsmatige kaders voor de drie bevolkingsonderzoeken in Nederland naar kanker: borst-, baarmoederhals- en darmkanker. Daarnaast beschrijft het de samenwerking en onderlinge verhoudingen van partijen die betrokken zijn bij de voorbereiding, besluitvorming en uitvoering van deze bevolkingsonderzoeken. Op deze manier werken de betrokken partijen optimaal samen. Het Beleidskader is opgeteld door het RIVM en is vastgesteld door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Het document wordt regelmatig getoetst en zo nodig aangepast aan de actualiteit. Het RIVM ziet er als landelijke regiehouder op toe dat de bevolkingsonderzoeken voor de deelnemers een hoge kwaliteit hebben, en goed bereikbaar en betaalbaar zijn. Op die manier ontstaat een optimaal 'aanbod' voor de deelnemers aan de bevolkingsonderzoeken. Het Beleidskader is een instrument om de regie te voeren. Het vormt ook de basis voor de zogeheten uitvoeringskaders, waarin per bevolkingsonderzoek de precieze wijze waarop en door wie de bevolkingsonderzoeken worden uitgevoerd, is uitgewerkt. De bevolkingsonderzoeken bestaan uit een reeks van opeenvolgende handelingen die door verschillende partijen worden uitgevoerd en gecoördineerd (de uitnodiging voor het onderzoek, het onderzoek zelf, de beoordeling van de uitslag, de communicatie, en de eventuele doorverwijzing). Deze handelingen moeten goed op elkaar aansluiten en efficiënt gestructureerd zijn om de kwaliteit van het bevolkingsonderzoek te waarborgen.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Onderzoek naar ESBL-producerende bacteriën onder vegetariërs en niet-vegetariërs : de Vegastudie | RIVM

Het RIVM heeft onderzocht in welke mate bacteriën die resistent zijn tegen antibiotica, bij vegetariërs en niet-vegetariërs voorkomen. Dit onderzoek is alleen gericht op de zogeheten ESBL-producerende bacteriën, oftewel ESBL's. Hieruit blijkt dat mensen die geregeld vlees eten (minimaal drie keer per week) niet vaker een ESBL bij zich dragen dan vegetariërs. Met andere woorden: door het eten van vlees lopen mensen geen hoger risico om met een ESBL-bacterie besmet te raken. Uit deze studie bleek dat deelnemers die hadden gereisd naar Afrika, Midden-/Zuid-Amerika, Azië of naar Zuid-/Oost-Europa, vaker een ESBL bij zich droegen dan deelnemers die dit niet deden. Hetzelfde geldt voor deelnemers die zelden of nooit hun handen wasten, voordat ze voedsel gingen bereiden. ESBL staat voor Extended Spectrum Bèta-Lactamasen. Dit zijn stoffen (enzymen) die door bepaalde bacteriën kunnen worden gemaakt. Deze stoffen zorgen ervoor dat sommige soorten antibiotica (zoals penicillines) niet meer werken. Ongeveer vijf procent van de Nederlandse bevolking draagt ESBL's bij zich in de darmen. Dat leidt meestal niet tot gezondheidsproblemen. Alleen als iemand een ontsteking krijgt met zo'n resistente bacterie, is deze moeilijker te behandelen met antibiotica. Mensen kunnen op verschillende manieren met ESBL's besmet raken; via andere mensen, via de omgeving, via contact met dieren of via het eten van (dierlijke) producten. Vooral kippenvlees is vaak besmet met ESBL's. Hierdoor werd aangenomen dat het eten van vlees een belangrijke manier is om besmet te raken met een ESBL. De conclusie uit het huidige RIVM-onderzoek laat zien dat deze aanname onjuist is. Aandacht voor antibioticaresistentie en terughoudend gebruik van antibiotica bij mens en dier is essentieel om antibioticaresistentie in het algemeen terug te dringen. Voor het onderzoek zijn veganisten, vegetariërs, vegetariërs die vis eten en niet-vegetariërs onderzocht op de aanwezigheid van ESBL's in hun ontlasting. In totaal hebben 1641 personen deelgenomen. De deelnemers hebben ook een uitgebreide vragenlijst ingevuld over mogelijke risicofactoren om een ESBL op te lopen. Dat zijn bijvoorbeeld contact met dieren, reizen naar het buitenland, het gebruik van bepaalde medicijnen en opname in het ziekenhuis
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

De microbiologische waterkwaliteit in semi-openbare zwemvijvers | RIVM

De bestaande regelgeving voor de kwaliteit van zwemwater wordt herzien en wordt op termijn onderdeel van de Omgevingswet. Voor verschillende typen zwembaden, waaronder zwemvijvers, hebben experts voorgesteld aan welke eisen de waterkwaliteit zou moeten voldoen en welke analysemethoden gebruikt moeten worden om dit te bepalen. Er zijn in Nederland echter weinig waterkwaliteitsgegevens van zwemvijvers beschikbaar die de voorgestelde normstelling onderbouwen. Als input hiervoor heeft het RIVM daarom getoetst of de microbiologische waterkwaliteit in vier semi-openbare zwemvijvers voldeed aan de voorgestelde nieuwe eisen. Zwemvijvers zijn kunstmatig aangelegde ecosystemen om in te zwemmen waarin de omstandigheden van natuurlijke wateren zijn nagebootst. Het water in zwemvijvers staat niet in contact met de onderliggende aarde, bijvoorbeeld doordat een laag zeil of beton is aangebracht. Het water wordt geheel of grotendeels biologisch gezuiverd, bijvoorbeeld door plantenfilters. In tegenstelling tot in zwembaden wordt geen chloor gebruikt. De waterkwaliteit wordt beoordeeld door te controleren of er bepaalde bacteriën in zitten. Daarnaast worden een aantal fysisch-chemische kenmerken onderzocht, zoals zuurgraad, temperatuur, kleur en geur. In de onderzochte zwemvijvers waren de concentraties van de bacteriën Escherichia coli, intestinale enterococcen en Pseudomonas aeruginosa laag. Slechts een enkele keer zijn de kwaliteitseisen voor deze micro-organismen niet gehaald. Wel waren in alle zwemvijvers de concentraties van de bacterie Staphylococcus aureus hoog en is de kwaliteitseis hiervoor (afwezig in 100 milliliter) in 90 procent van de monsters niet gehaald. Aan de kwaliteitseisen voor de fysisch-chemische parameters is bijna altijd voldaan. De voorgestelde methoden om de aanwezigheid van E. coli en P. aeruginosa te onderzoeken bleken niet goed geschikt om zwemvijverwater te analyseren. Het is nodig om de methoden aan te passen of nader te onderzoeken. Ook is het wenselijk om te onderzoeken of de normwaarde voor S. aureus aangepast dient te worden en te onderzoeken bij hoeveel mensen gezondheidsklachten optreden na het gebruik van zwemvijvers.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Impact of infectious diseases on population health using incidence-based disability-adjusted life years (DALYs): results from the Burden of Communicable Diseases in Europe study, European Union and European Economic Area countries, 2009 to 2013. | RIVM

Impact of infectious diseases on population health using incidence-based disability-adjusted life years (DALYs): results from the Burden of Communicable Diseases in Europe study, European Union and European Economic Area countries, 2009 to 2013. | RIVM
Jaar: 2018 Onderzoek

Marktontwikkeling en leveringszekerheid voor medische isotopen : Uitbreiding op RIVM Rapport 2017-0063: Productie en gebruik van medische radio-isotopen in Nederland. Huidige situatie en toekomstverkenning | RIVM

Radioactieve stoffen kunnen worden gebruikt voor het stellen van een diagnose. Daarnaast zijn er radioactieve stoffen die verschillende soorten kanker kunnen behandelen, zogenaamde therapeutische radioisotopen. De meeste van deze zogeheten medische isotopen worden in Europa gemaakt in zes kernreactoren, waarvan er één in Nederland (Petten) staat. Op één reactor na zijn deze installaties op gevorderde leeftijd en zullen ze vroeg of laat moeten sluiten. Als één reactor uitvalt, kunnen al tekorten ontstaan. Bij een sluiting kunnen de bestaande reactoren de vraag waarschijnlijk niet opvangen, wat de leveringszekerheid voor de wereld (en dus ook voor Nederland) vrij onzeker maakt. Het RIVM heeft onderzoek gedaan naar de leveringszekerheid van diagnostische en therapeutische isotopen voor Nederland. Deze is afhankelijk van verschillende factoren, waaronder de beschikbare reactorcapaciteit. De bestaande reactor in Duitsland, de jongste binnen Europa, is hoofdzakelijk bedoeld voor onderzoek, maar zou een klein deel van de vraag kunnen opvangen als een of meer reactoren sluiten. Daarnaast zijn initiatieven gaande om nieuwe centrales te bouwen. In Frankrijk bijvoorbeeld is een nieuwe centrale in aanbouw, maar deze zal niet voor 2022 gaan produceren. Ook is nog onzeker welke isotopen voor therapie zij zullen produceren en in welke hoeveelheden. Een andere factor is de vraag naar medische isotopen. Ook hier is onderscheid te maken tussen diagnostische en therapeutische isotopen. De vraag naar diagnostische scans zal naar verwachting met 5 tot 8 procent per jaar groeien. Dat zal vooral in Azië zijn door de toenemende toegang tot de gezondheidszorg aldaar. De groei in omzet van de therapeutische isotopen zal vele malen hoger zijn. Goede analyses ontbreken om de precieze omvang te kunnen duiden. De levering van therapeutische isotopen is op lange termijn niet gegarandeerd omdat veel reactoren die ze nu produceren oud zijn. Het is raadzaam om een goede analyse te maken van de termijn waarop tekorten kunnen ontstaan. Ten slotte is de soort isotoop van invloed. Op termijn zullen isotopen die voor diagnoses worden gebruikt misschien ook met deeltjesversnellers kunnen worden geproduceerd (molybdeen-99/technetium-99m). Het voordeel van deze productiewijze is dat er weinig radioactief afval bij ontstaat. Of de ziekenhuizen dit product willen kopen, hangt onder meer af van de prijs-kwaliteitverhouding en of het zeker is dat er voldoende van kan worden geleverd. Om molybdeen-99/technetium-99m zonder overheidssteun te kunnen produceren is de overgang naar een kostendekkende productie nodig. Dit onderzoek is een aanvulling op een eerder onderzoek van het RIVM over de huidige situatie en toekomstverkenning van medische isotopen in Nederland (juli 2017).
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Naar een integraal systeem voor productverbetering in Nederland : Advies van de Commissie Criteria Productverbetering | RIVM

In Nederland kennen we verschillende systemen die de samenstelling van levensmiddelen kunnen helpen verbeteren: het Akkoord Verbetering Productsamenstelling tussen de overheid en het bedrijfsleven, het Vinkje op verpakkingen dat wordt uitgefaseerd, en de Schijf van Vijf. Ze bevatten afspraken of criteria voor de gehalten zout, verzadigd vet en suiker in producten. De systemen vertonen weinig samenhang: ze gebruiken verschillende productgroepen, voedingsstoffen en criteria. Er is een nieuw integraal systeem gewenst met één samenhangende set criteria die voor alle producten in de productgroepen geldt. Dat adviseert de onafhankelijke Commissie Criteria Productverbetering. Volgens de commissie is het mogelijk om een getrapt systeem voor productverbetering te ontwikkelen. Dit houdt in dat per productgroep minimale eisen voor productverbetering (ten aanzien van zout, verzadigd vet, suiker, calorieën en vezel) worden bepaald die voor alle producten in die productgroep gelden. Daarnaast worden er extra criteria gedefinieerd voor producten die hier de beste resultaten in behalen (‘koplopers’). De commissie adviseert om een werkgroep van deskundigen de opdracht te geven het voorgestelde systeem technisch verder uit te werken. Om dit systeem te laten slagen is het belangrijk om draagvlak te creëren door maatschappelijke organisaties en de industrie intensief te betrekken. Daarnaast is het van belang dat de criteria vanuit de rijksoverheid worden vastgesteld en regelmatig worden aangescherpt. Ten slotte moet een onafhankelijke organisatie bijhouden of producten aan de criteria voldoen. Ervaringen uit het buitenland leren dat een set met criteria alleen niet voldoende is. Fabrikanten dienen continu gestimuleerd te worden om de samenstelling van hun producten stapsgewijs aan te passen. Het is belangrijk uit te zoeken welke prikkels hierbij werken, van wettelijke of financiële maatregelen tot communicatie naar de consument bijvoorbeeld via een nieuw voedselkeuzelogo. De onafhankelijke Commissie Criteria Productverbetering werd ingesteld door het ministerie van VWS en bestond uit wetenschappers uit de Wetenschappelijke Adviescommissie van het voormalige Vinkje (Wecom), de Wetenschappelijke adviescommissie van het Akkoord Verbetering Productsamenstelling (WAC) en het Voedingscentrum. De commissie werd voorgezeten en begeleid door het RIVM.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Linee guida europee 2016 sulla prevenzione delle malattie cardiovascolari nella pratica clinica. Sesta Task Force congiunta della Società Europea di Cardiologia e di altre Società sulla Prevenzione delle Malattie Cardiovascolari nella Pratica Clinica (cos | RIVM

Linee guida europee 2016 sulla prevenzione delle malattie cardiovascolari nella pratica clinica. Sesta Task Force congiunta della Società Europea di Cardiologia e di altre Società sulla Prevenzione delle Malattie Cardiovascolari nella Pratica Clinica (cos | RIVM
Jaar: 2018 Onderzoek

Exploring the effect of previous inactivated influenza vaccination on seasonal influenza vaccine effectiveness against medically-attended influenza: results of the European I-MOVE multicentre test-negative case-control study, 2011/12-2016/17. | RIVM

Exploring the effect of previous inactivated influenza vaccination on seasonal influenza vaccine effectiveness against medically-attended influenza: results of the European I-MOVE multicentre test-negative case-control study, 2011/12-2016/17. | RIVM
Jaar: 2018 Onderzoek

Kwaliteitscontrole parameters van de Nederlandse Down syndroom screening laboratoria met de combinatietest, 2016 | RIVM

De kwaliteit van de eerste trimester combinatietesten die zeven Nederlandse screeningslaboratoria op Down syndroom uitvoerden, voldeed in 2016 in het algemeen aan de daarvoor gestelde eisen. Dit blijkt uit een evaluatie van het RIVM. Hiermee wordt voldaan aan de opdracht van het ministerie van VWS aan het RIVM om de kwaliteit van de combinatietest te laten bewaken. De screening op het syndroom van Down is sinds 1 januari 2007 voor iedereen beschikbaar in een landelijk screeningsprogramma. Later is hieraan de screening op de syndromen van Edwards en Patau aan toegevoegd. Voor de screening worden de concentraties van een hormoon en een eiwit gemeten via een bloedtest en wordt een nekplooimeting via een echo bij de foetus uitgevoerd. In 2016 zijn in totaal 62371 screeningstests uitgevoerd; daarmee liet 35,4 procent van de zwangeren een combinatie test uitvoeren. Dat is een kleine stijging ten opzichte van 2009-2015. De laboratoria voeren alle bloedanalyses binnen de combinatietest uit. De kansberekening op basis van die bloedanalyse en de nekplooimeting kan óf door het laboratorium óf door een deel van de echocentra in Nederland worden uitgevoerd. Bij de laboratoria heeft de kansberekening in 2016 voor 42 procent van de totaal afgenomen combinatietesten plaatsgevonden. Voor de evaluatie van een deel van de kwaliteitsindicatoren waren alleen de gegevens over de kansberekening van de laboratoria beschikbaar. Hiernaast heeft het regionaal centrum SPSNN de perifeer-uitgevoerde berekeningen beschikbaar gesteld. De leeftijd waarop de test in 2016 het meest frequent wordt afgenomen varieert van 31,3 tot 32,8 jaar tussen de laboratoria. Het aantal zwangeren dat volgens de screeningtest een verhoogde kans heeft op een kind met het syndroom van Down ligt bij alle laboratoria tussen de 3,8 en 5,8 procent. Deze verschillen ontstaan onder andere doordat de gemiddelde leeftijd van zwangeren die voor deze screeningstests kiezen per regio iets verschilt.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Luchtkwaliteit Noord-Holland : Emissiebronnen en mogelijke maatregelen | RIVM

De stikstofdioxideconcentratie lag in 2015 in Noord-Holland hoger dan het Nederlandse gemiddelde. Naar verwachting zal dit ook in 2030 het geval zijn en kunnen Europese normen lokaal nog worden overschreden. Voor fijn stof (PM2.5) ligt de concentratie in Noord-Holland iets lager dan het Nederlandse gemiddelde. Het RIVM ziet een aantal mogelijkheden om de luchtkwaliteit in Noord- Holland te verbeteren. De belangrijkste zijn het wegverkeer beperken of schoner te maken, houtstook bij huishoudens beperken, en ervoor zorgen dat de industrie sneller over gaat op schonere brandstoffen. Ook buitenlandse bronnen (zoals de ammoniakuitstoot van de veehouderij in Duitsland) en zeescheepvaart leveren een belangrijke bijdrage aan de luchtverontreiniging in de provincie. Daarom is het van belang dat Nederland zich actief blijft opstellen bij de nationale en internationale beleidsontwikkeling over luchtkwaliteit. Noord-Hollandse bronnen, vooral het wegverkeer, dragen iets meer dan 40 procent bij aan de concentratie stikstofdioxide in de provincie. Door de verwachte groei van Schiphol en het extra wegverkeer dat dit aan trekt, zal de concentratie stikstofdioxide daar langzamer dalen dan in de rest van Nederland. Provinciale bronnen dragen minder dan 20 procent bij aan de fijnstofconcentratie. Hiervan zorgen vooral huishoudens voor de meeste uitstoot van PM2,5 onder meer door houtstook. Lokaal komen in 2030 nog fijnstofconcentraties boven de advieswaarde van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) voor, vooral door de aanwezigheid van zware industrie in de regio IJmond. De WHO-advieswaarden zijn strenger dan de Europese grenswaarden voor luchtvervuilende stoffen. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM naar de luchtkwaliteit in de provincie Noord-Holland. In opdracht van de provincie Noord-Holland is de berekende concentratie van fijn stof en stikstofdioxide van 2015 geanalyseerd en is berekend wat de concentratie van fijn stof en stikstofdioxide wordt in 2030. Aanleiding is de integrale Omgevingsvisie NH2050 voor de toekomstige leefomgeving van Noord-Holland, die in verband met de Omgevingswet wordt opgesteld.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

An enzyme-linked immunosorbent spot assay measuring borrelia burgdorferi B31-specific interferon gamma-secreting T cells cannot discriminate active lyme neuroborreliosis from past lyme borreliosis: A prospective study in the Netherlands | RIVM

An enzyme-linked immunosorbent spot assay measuring borrelia burgdorferi B31-specific interferon gamma-secreting T cells cannot discriminate active lyme neuroborreliosis from past lyme borreliosis: A prospective study in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2018 Onderzoek

Traditional methods v. new technologies - dilemmas for dietary assessment in large-scale nutrition surveys and studies: a report following an international panel discussion at the 9th International Conference on Diet and Activity Methods (ICDAM9), Brisban | RIVM

Traditional methods v. new technologies - dilemmas for dietary assessment in large-scale nutrition surveys and studies: a report following an international panel discussion at the 9th International Conference on Diet and Activity Methods (ICDAM9), Brisban | RIVM
Jaar: 2018 Onderzoek

Evaluatie en prioritering schadelijke stoffen in Chemical Agent Resistant Coating (CARC), gebruikt op de Nederlandse POMS locaties | RIVM

Het RIVM onderzoekt op verzoek van het ministerie van Defensie wat de mogelijke effecten op de gezondheid kunnen zijn voor (ex) medewerkers van Defensie na het gebruik van het verfproduct CARC (Chemical Agent Resistant Coating). Dit gebeurt in het verlengde van een onderzoek naar blootstelling aan chroomhoudende verven. CARC is een sterk en vrij ondoorlaatbaar verfproduct (topcoat) dat ervoor zorgt dat voertuigen bestand zijn tegen strijdgassen. Daarnaast maakt het ze bestand tegen ontsmettingsmiddelen die gebruikt worden om restanten van strijdgassen te verwijderen. Voor dit onderzoek is in kaart gebracht welke stoffen in CARC aanwezig zijn en welke van deze stoffen het grootste gezondheidsrisico kunnen hebben gevormd bij blootstelling aan CARC. Hiervoor zijn de ingrediënten achterhaald en is op basis van de schadelijkheidsklasse en het gehalte van de stoffen in de verf aangegeven welke als eerste moeten worden onderzocht. De hoogste prioriteit heeft het polymeer van hexamethyleen diiscocyanaat (HDI), samen met HDI zelf. Van deze stoffen is bekend dat ze al bij lage concentraties allergieën kunnen veroorzaken. Op de tweede plaats komen de oplosmiddelen van aromatische koolwaterstoffen (nafta, VM&P Nafta en Aromatic 100). Deze stoffen veroorzaken onder andere schade aan het dna en staan op de tweede plaats omdat ze in een lager gehalte in CARC zitten. Als derde zijn er de kobaltverbindingen, die onder andere allergieën veroorzaken en in een nog lager gehalte aanwezig zijn in CARC. Door de jaren heen zijn verschillende merken en kleuren CARC gebruikt. Voor dit onderzoek zijn acht CARC-producten achterhaald, die representatief worden geacht voor de middelen die tussen 1990 en 2002 zijn gebruikt. Mogelijk is er tussen 1987 en 1990 ook CARC gebruikt dat dan een ander type is geweest. Als er tussen 1984 en 1987 CARC is gebruikt (waar geen aanwijzingen voor zijn) is niet uit te sluiten dat het de kankerverwekkende stof chroom-6 bevatte. Na 1987 bevatten CARC-verven in ieder geval geen chroom-6 meer. Na 2002 is overgeschakeld op 'watergedragen' CARC, dat minder oplosmiddel en meer water bevat, maar ook nog steeds HDI. CARC werd gebruikt op zogeheten POMS-locaties (Prepositioned Organizational Material Storage). De vijf POMS-locaties waren locaties van de Nederlandse Defensie waar tussen 1984 en 2006 door medewerkers van de Nederlandse Defensie Amerikaans materieel is onderhouden in opdracht van de Amerikaanse Defensie (VS Defensie).
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Radon, thoron en gammastraling op werkplekken en in publiek toegankelijke gebouwen in Nederland : Resultaten RIVM-meetcampagne 2016-2017 | RIVM

Op vrijwel alle werkplekken en in openbare gebouwen zijn de gemeten radonconcentraties laag, gemiddeld 15,9 Bq/m3 (Becquerel per kubieke meter). Wereldwijd bedraagt de gemiddelde radonconcentratie in gebouwen ongeveer 40 Bq/m3. Slechts in enkele zeer specifieke gevallen in dit onderzoek zijn de radonconcentraties hoger dan 300 Bq/m3. Bijvoorbeeld bij enkele grondwater-zuiveringsstations bij drinkwaterbedrijven en ondergrondse ruimten zoals grotten. De radonconcentraties zijn, net als in woningen, iets hoger in Zuid-Limburg en het Rivierengebied dan in de rest van Nederland. Dit komt doordat er in deze gebieden van nature meer radon vrijkomt uit de bodem. Dit blijkt uit een meetcampagne die het RIVM in de periode 2016-2017 heeft uitgevoerd op enkele honderden werkplekken en openbare gebouwen in Nederland. De resultaten van de meetcampagne geven een beeld van de radonconcentraties in gebouwen in Nederland. Dit is onder andere nodig om Europese regelgeving te implementeren. Een van de Europese verplichtingen is om nationale referentieniveaus vast te stellen voor radon op werkplekken en voor radon in openbare gebouwen. Beide referentieniveaus zijn in Nederland sinds 6 februari 2018 in het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming vastgesteld op 100 Bq/m3. Behalve naar radon is onderzoek gedaan naar zogeheten thorondochters en naar gammastraling. Deze dragen net als radon bij aan de blootstelling aan natuurlijke radioactiviteit in gebouwen. De thorondochterconcentraties die nu op Nederlandse werkplekken en in openbare gebouwen zijn gemeten, liggen in lijn met de waarden die volgens internationale organisaties in gebouwen verwacht kunnen worden. De resultaten van de metingen naar gammastraling zijn vergelijkbaar met die in eerder uitgevoerde onderzoeken in Nederland en zijn laag ten opzichte van het vastgestelde referentieniveau voor gammastraling uit bouwmaterialen. Radon en thoron zijn radioactieve edelgassen die van nature ontstaan in de bodem en in bouwmaterialen die daarvan worden gemaakt. Radon kan vanuit de bodem en bouwmaterialen in gebouwen terechtkomen. Thoron in gebouwen komt met name uit materialen waarmee de muren en plafonds zijn afgewerkt. De radioactieve stoffen die ontstaan als radon en thoron vervallen, vergroten het risico op het krijgen van longkanker, vooral bij rokers. Gammastraling in gebouwen komt uit bouwmaterialen en uit het buitenmilieu (al wordt de straling van buiten grotendeels weer door het gebouw afgeschermd) en draagt bij aan de blootstelling aan externe straling in gebouwen. Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) en de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Dietary sources of exposure to bisphenol A in the Netherlands | RIVM

Bisfenol A (BPA) is een chemische stof die wordt gebruikt om een transparant plastic te maken (polycarbonaat), dat onder andere wordt gebruikt in voedselverpakkingsmaterialen. Verder wordt BPA gebruikt in coatings om de kwaliteit van ingeblikt voedsel en dranken te beschermen (de witte laag aan de binnenkant van het blik). Onder andere via deze verpakkingen kan BPA in voedsel terechtkomen. Producten als kassabonnen, bouwmaterialen (verf en coatings) en medische hulpmiddelen kunnen ook BPA bevatten. Uit berekeningen van het RIVM blijkt dat de totale hoeveelheid BPA die mensen in Nederland via het voedsel binnenkrijgen zeer beperkt is. Zelfs onder de meest ongunstige omstandigheden ligt de blootstelling nog 30 keer onder de huidige tolereerbare dagelijkse inname (TDI). Het onderzoek maakt ook duidelijk dat niet één voedselbron een grote bijdrage levert, maar alle voedselbronnen afzonderlijk hun eigen individuele 'kleine' bijdragen hebben. De focus in het RIVM-onderzoek is op voedselbronnen gelegd, omdat voedsel voor de gemiddelde consument de belangrijkste bron is van blootstelling aan BPA. Dit onderzoek volgt op eerder onderzoek van het RIVM (2016) waarin aandacht gevraagd werd voor nieuwe informatie over de TDI. De European Food Safety Authority (Europese voedselveiligheidsautoriteit, EFSA) is momenteel bezig met een nieuwe beoordeling van deze gezondheidsnorm. In afwachting van dit onderzoek vroeg het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) het RIVM om te onderzoeken via welke bronnen mensen in Nederland het meest worden blootgesteld aan BPA en om welke hoeveelheden het daarbij gaat.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Cosmetovigilance in the Netherlands 2016-2017 | RIVM

Cosmetica zijn in principe veilig, maar kunnen soms huidklachten veroorzaken, zoals roodheid en jeuk. Het RIVM beheert sinds 2009 een monitoringssysteem waarin deelnemende dermatologen ongewenste en allergische reacties na gebruik van cosmetica kunnen registreren (CESES, Consumer Exposure Skin Effects and Surveillance). Net als in voorgaande jaren meldden de dermatologen vooral klachten op het gezicht en de handen na gebruik van huid- of gezichtsverzorgingsproducten en haarproducten. De meest gestelde diagnose is contactallergie. Net als in voorgaande perioden veroorzaakten de conserveringsmiddelen isothiazolinonen en geurstoffen de meeste allergische reacties. Dit blijkt uit een overzicht van de negentig meldingen die binnen CESES tussen oktober 2015 en 2017 zijn afgerond. Om te bepalen welk ingrediënt de klacht veroorzaakt, voeren dermatologen bij deze patiënten een allergieonderzoek uit, indien nodig met specifieke ingrediënten uit het verdachte product. Isothiazolinonen zijn al lange tijd bekende veroorzakers van contactallergie. Daarom mag het mengsel methylchloorisothiazolinon /methylisothiazolinon (MCI/MI) sinds 2015 alleen nog worden gebruikt in producten die je afspoelt in een lage concentratie (0,0015 procent). Deze beperkingen gaan in 2018 ook gelden voor methylisothiazolinon (MI). In de afgelopen twee jaar is er maar één klacht gemeld over MCI/MI. Naar verwachting zal ook het aantal klachten door MI verminderen. Wel moet in de gaten worden gehouden of eventuele vervangende conserveringsmiddelen ongewenste reacties veroorzaken. Er waren drie meldingen van allergische reacties op (meth)acrylaten in nagelproducten. Aangezien dat er meer zijn dan in voorgaande jaren, wordt dit nauwgezet in de gaten gehouden. Om te stimuleren dat klachten in CESES worden gemeld, is een van de klinieken ondersteund bij het invoeren van de gegevens in de vragenlijst. Onderzocht wordt of deze succesvolle proef ook bij andere centra kan worden uitgevoerd. In augustus 2017 is er een update van de vragenlijst uitgevoerd waardoor het mogelijk is klachten te melden die door tatoeages en 'nazorgproducten' voor tatoeages worden veroorzaakt. Strikt genomen zijn dit geen cosmetische producten, maar ze bevatten soms allergene stoffen en er bestaat nog geen monitoringssysteem voor.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Advies maximale geluidsniveaus voor muziekactiviteiten : Voorstel maximale geluidsniveaus voor openbaar toegankelijke locaties met versterkte muziek | RIVM

Sinds 2014 is het convenant preventie gehoorschade muzieksector van kracht. Dit convenant geldt voor een groot aantal evenementen, poppodia en festivals en dat loopt tot 2018. Hierin is afgesproken maatregelen te nemen over onder andere maximale geluidsniveaus om het gehoor van bezoekers te beschermen. Niet alle openbare locaties met versterkte muziek, waaronder clubs, discotheken, cafés en scholen, vallen onder het convenant. Op verzoek van het ministerie van VWS heeft het RIVM een advies uitgewerkt over maximale geluidsniveaus in deze locaties. Het blijkt onmogelijk om maximale geluidsniveaus te adviseren die voor ieder individu absoluut veilig zijn, en dus geen risico op gehoorschade opleveren. Dat komt omdat de mate waarin mensen gevoelig zijn voor harde muziek per individu verschilt. Ook is de totale hoeveelheid (hard) geluid waaraan mensen blootstaan, ook los van muziek, niet voor iedereen gelijk. Jonge kinderen zijn minder goed in staat zelf maatregelen te nemen om gehoorschade te voorkomen. Het advies maakt daarom onderscheid tussen maximale geluidniveaus voor jonge kinderen tot en met 13 jaar (gemiddeld 91 decibel over een kwartier), kinderen van 14 en 15 jaar (gemiddeld 96 decibel over een kwartier) en mensen vanaf 16 jaar (gemiddeld 102 decibel over een kwartier). De geadviseerde maximale geluidsniveaus zijn niet gegarandeerd veilig voor het gehoor. Daarom is het van belang bezoekers van muziekactiviteiten te informeren hoe zij zelf het risico op gehoorschade kunnen beperken. Dit kan door gehoorbescherming te dragen, afstand te nemen van de geluidsbron (speaker) en door zogenoemde oorpauzes in te lassen. Als muzieklocaties voorzien in geluidsluwe zones en/of gehoorbescherming, kunnen bezoekers zelf invloed uitoefenen op de hoeveelheid geluid waaraan zij worden blootgesteld. Het advies is opgesteld door een werkgroep, bestaande uit Nederlandse deskundigen op het gebied van akoestiek en de oorzaken, gevolgen en preventie van gehoorschade door hard geluid, met een focus op harde muziek. In Nederland is er geen landelijke wet- of regelgeving die bezoekers van uitgaansgelegenheden beschermt tegen gehoorschade door te harde muziek.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Exposure to and toxicity of methyl-, ethyl- and propylparaben : A literature review with a focus on endocrine-disrupting properties | RIVM

Parabenen zijn stoffen die als conserveermiddel in verschillende consumentenproducten kunnen worden gebruikt, zoals persoonlijke verzorgingsproducten, voedsel en medicijnen. Ze gaan de groei van schimmels en bacteriën tegen. Parabenen worden er van verdacht dat ze een hormoonverstorende werking hebben. Hormoonverstorende stoffen kunnen de hormoonhuishouding in de war brengen. Het RIVM heeft in een literatuurstudie voor de drie meest gebruikte parabenen (methyl-, ethyl- en propylparabeen) onderzocht of deze als een hormoonverstorende stof beschouwd kunnen worden. De beschikbare gegevens uit dierstudies die in de literatuur zijn beschreven, leveren echter onvoldoende informatie om hierover een conclusie te trekken. In de studie is ook bekeken of de mogelijke hormoonverstorende effecten zijn meegenomen in de wettelijke beoordelingskaders die van toepassing zijn. Omdat er onvoldoende gegevens zijn, is dat niet het geval bij de huidige risicobeoordeling. De blootstelling door persoonlijke verzorgingsproducten is behoorlijk goed onderzocht en lijkt in het algemeen het meest aan de totale blootstelling bij te dragen. De blootstelling vanuit voedsel blijkt verwaarloosbaar. Voor een acceptabele, eerste schatting van de blootstelling vanuit medicijnen is te weinig informatie beschikbaar. Uit de studie blijkt verder dat de mate waarin mensen aan de afzonderlijke parabenen worden blootgesteld naar schatting lager lijkt te zijn dan de hoeveelheid waarbij een gezondheidseffect kan worden verwacht. Voor deze blootstellingsschattingen zijn veiligheidshalve zeer ongunstige aannames gebruikt. In de praktijk worden mensen echter aan een combinatie van verschillende stoffen blootgesteld. Het is nog onduidelijk of en hoe deze gecombineerde blootstelling aan de verschillende parabenen meegenomen kan worden in de risicobeoordeling. Om hiaten in de kennis te vullen adviseert het RIVM om aanvullend onderzoek te doen naar de mogelijk hormoonverstorende werking van de parabenen en de blootstellingsschatting te verfijnen. Hiervoor worden aanbevelingen aangereikt.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Intake of dietary saturated fatty acids and risk of type 2 diabetes in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition-Netherlands cohort: associations by types, sources of fatty acids and substitution by macronutrients. | RIVM

Intake of dietary saturated fatty acids and risk of type 2 diabetes in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition-Netherlands cohort: associations by types, sources of fatty acids and substitution by macronutrients. | RIVM
Jaar: 2018 Onderzoek

De uitstroom van geneesmiddelen uit het verzekerde pakket: benzodiazepinen en acetylcysteïne nader bekeken | RIVM

In Nederland bestaan uitgebreide procedures om te bepalen welke geneesmiddelen worden vergoed via de basisverzekering. De minister voor Medische Zorg en Sport besluit welke geneesmiddelen dit betreft en wordt hierin geadviseerd door het Zorginstituut Nederland. Soms worden geneesmiddelen na verloop van tijd uit het verzekerde pakket gehaald of wordt de vergoeding beperkt. De procedures om dat te bepalen zijn nog volop in ontwikkeling. Als bijdrage daaraan heeft het RIVM de uitstroom van geneesmiddelen tussen 2009 en 2011 geanalyseerd, mede op basis van twee casestudies. In Nederland zijn snel data beschikbaar die laten zien in welke mate geneesmiddelen nog worden gebruikt nadat hun vergoeding is beperkt. Deze data bieden ook inzicht of mensen de medicijnen zelf gaan betalen. De methode waarmee de twee casussen zijn geanalyseerd (ITS) voegt een statistische onderbouwing toe aan deze data. Daardoor geven de resultaten niet alleen inzicht in de kortetermijneffecten van een beperkende maatregel, maar ook in de langetermijneffecten. Verder blijkt dat een gebrek aan effectiviteit van een geneesmiddel meestal is gebruikt als argument om een vergoeding te schrappen. Zelden ging het om de kosten-effectiviteit of andere financiële argumenten. De casestudies naar slaapmiddelen (benzodiazepinen) en een slijmverdunner (acetylcysteïne) geven aan dat een deel van de patiënten de middelen zelf gaat betalen als ze niet meer worden vergoed. De mate waarin dat gebeurt hangt af van het inkomen van de patiënt. Ook andere effecten kunnen plaatsvinden, zoals het gebruik van andere geneesmiddelen en/of zorg. Al deze effecten worden beïnvloed door kenmerken van de patiënt, zoals leeftijd, geslacht, sociaaleconomische status, type verzekering. Meer inzicht hierin is nodig omdat deze informatie voor beleidsmakers van belang is.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Risk assessment of synephrine | RIVM

Synefrine is een stof die van nature voorkomt in citrusvruchten en vooral in bittersinaasappel (Citrus aurantium). Deze stof wordt toegevoegd aan voedingssupplementen om af te vallen of sportprestaties te verbeteren. Synefrine wordt steeds vaker gebruikt sinds de verwante stof efedrine is verboden. Efedrine is verboden omdat het schadelijk kan zijn voor de gezondheid. Op dit moment bestaat er in Nederland geen wetgeving voor de maximaal toegestane hoeveelheid synefrine in voedingssupplementen. Dat is wel gewenst omdat bij gebruik van synefrine ongewenste effecten niet kunnen worden uitgesloten. Dit blijkt uit een risicobeoordeling die het RIVM heeft uitgevoerd. Doordat onvoldoende gegevens beschikbaar zijn over de veiligheid van synefrine, kan op dit moment echter geen veilige dosering bepaald worden. Vooral gegevens over effecten na langdurig gebruik ontbreken nog. Mogelijk kan wel een (indicatieve) maximaal toegestane hoeveelheid synefrine in voedingssupplementen worden vastgesteld op basis van de hoeveelheid die wordt ingenomen via de normale voeding. Bekend is wel dat synefrine de bloeddruk kan verhogen. Daarnaast zijn er andere schadelijke effecten op het hart- en vaatstelsel gerapporteerd nadat mensen preparaten hadden gebruikt die synefrine bevatten. Dit aspect is vooral relevant omdat mensen met overgewicht, de doelgroep voor middelen om af te vallen, een hoger risico hebben op hart- en vaatziekten. Ook kan synefrine mogelijk de werking van diverse geneesmiddelen beïnvloeden. De effecten van synefrine kunnen bovendien worden versterkt in combinatie met cafeïne en/of lichamelijke activiteit.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Gebruik en veiligheid van doping en sportvoedingssupplementen | RIVM

In Nederland gebruiken weinig mensen doping en sportvoedingssupplementen. In 2016 gaf 0,5 procent van de Nederlanders van 15 jaar en ouder aan dat zij in het voorgaande jaar een prestatieverhogend middel hadden gebruikt. Naar schatting komt dat neer op 65.000 mensen. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM onder circa 10.000 mensen naar het gebruik en de veiligheid van doping en sportvoedingssupplementen in de breedtesport (alles behalve topsport). Het gebruik is echter niet zonder risico. Er zijn gezondheidsklachten gemeld zoals onrust, braken, duizeligheid, een hoge bloeddruk, maar ook ernstigere klachten als hartritmestoornissen. Sportvoedingssupplementen en doping worden onder meer gebruikt om een slank of gespierd lichaam te krijgen of om het uithoudingsvermogen te verbeteren. Voorbeelden van sportvoedingssupplementen zijn pre workout-producten (vaak poeders die voor het sporten worden ingenomen en zijn bedoeld om energie te geven en de prestatie te verhogen), cafeïnesupplementen of stackers (een product om af te vallen). Voorbeelden van doping zijn anabole steroïden of amfetamine. Gezondheidsklachten ontstaan vaak doordat stoffen in de supplementen het zenuwstelsel stimuleren. De stoffen die de klachten veroorzaken staan niet altijd op het etiket vermeld. De consument weet dan niet dat ze erin zitten. Dit bleek ook al uit eerder onderzoek van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) uit 2017. Het is daarom belangrijk dat de consument is geïnformeerd over de mogelijke gevaren van sportvoedingssupplementen. Voor dit onderzoek zijn onder andere meldingen gebruikt die het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum (NVIC) binnenkreeg. Daar zijn in 2016 170 keer gezondheidsklachten gemeld na gebruik van sportvoedingssupplementen (vooral middelen met cafeïne) en doping (vooral anabole steroïden). Van een aantal van deze supplementen kon de samenstelling worden onderzocht. Analyse door het RIVM bevestigde vervolgens dat de stimulerende stoffen cafeïne en/of amfetamine-achtige stoffen erin zaten.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Verkenning milieueffecten rubbergranulaat bij kunstgrasvelden | RIVM

Dit rapport bevat een erratum d.d. 17-7-2018 op de laatste pagina Het gebruik van rubbergranulaat op kunstgrasvelden kan schadelijk zijn voor het milieu in de directe omgeving van de velden. Uit de rubberkorrels kunnen stoffen lekken die terecht komen in de grond om de velden heen (de bermgrond) en in de bagger in sloten. Dat is slecht voor het ecosysteem omdat het de biodiversiteit aantast. Spelende kinderen en huisdieren die per ongeluk bermgrond binnenkrijgen lopen geen gevaar. Slootwater en grondwater in de natuurlijke ondergrond zijn niet verontreinigd door het rubbergranulaat op de velden. Dit water kan dus naar verwachting zonder bezwaar gebruikt worden om bijvoorbeeld moestuinen mee te besproeien. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM rond 10 kunstgrasvelden van voetbalclubs in Nederland die zijn ingestrooid met rubbergranulaat van autobanden. In het onderzoek is de kwaliteit van het milieu rondom kunstgrasvelden met rubbergranulaat van autobanden vergeleken met de milieukwaliteit rondom echte grasvelden. Op diverse locaties overschrijden de concentraties zink, kobalt en minerale olie bij kunstgrasvelden de geldende normen voor bodem en waterbodem (Besluit bodemkwaliteit), terwijl dat bij echte grasvelden niet het geval is. Het milieu is vooral gevoelig voor hoge concentraties zink; voor de mens vormt zink geen gezondheidsrisico. De milieubelasting ontstaat doordat rubbergranulaatkorrels worden meegesleept door mensen of bijvoorbeeld door bladblazers tot enkele meters naast het veld op de bermgrond terechtkomen. Daarnaast lekken stoffen uit rubbergranulaat weg naar het drainagewater: dat is regenwater dat via de sportvelden in de bodem terechtkomt en van daaruit via buizen wordt afgevoerd naar een sloot. In het slootwater worden de concentraties zodanig verdund dat ze geen schade veroorzaken. Wel binden de meeste stoffen zich vervolgens aan deeltjes die neerslaan als bagger op de slootbodem, waarin wel effecten zijn gemeten. Kobalt, zink en minerale olie die uit rubbergranulaat weglekken, kunnen zich ook ophopen in de technische onderlagen van het kunstgrasveld. Vandaaruit kunnen ze zich, op korte of lange termijn, verder verspreiden naar de omgeving. Dat bleek uit onderzoeken van verschillende gemeentes, die het RIVM als onderdeel van deze studie heeft geëvalueerd. De conclusies uit dit onderzoek worden grotendeels bevestigd door een studie van de Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer (STOWA), het kenniscentrum van regionale waterbeheerders in Nederland. Hierin zijn in een deel van de monsters van drainagewater en waterbodem effecten op levende organismen gevonden. Het RIVM beveelt aan om maatregelen te treffen om de verspreiding van rubberkorrels naar de bermgrond te voorkomen en om de uitstoot van stoffen via het drainagewater te beperken.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Risicobeoordeling van GenX en PFOA in moestuingewassen in Dordrecht, Papendrecht en Sliedrecht | RIVM

Door de uitstoot van het chemiebedrijf DuPont/Chemours in Dordrecht zijn de stoffen GenX en PFOA via de lucht terechtgekomen in het milieu. Naar aanleiding hiervan vragen mensen met een moestuin in de buurt van het bedrijf zich af of het veilig is om zelfgeteelde groenten te eten. De grenswaarden die voor de blootstelling van GenX en PFOA gelden, worden via voedsel niet overschreden, zo blijkt uit onderzoek van het RIVM. Omwonenden komen echter ook via lucht en drinkwater in aanraking met de stoffen. Daarom adviseert het RIVM om moestuingewassen die binnen een straal van 1 kilometer van het bedrijf zijn geteeld, met mate te consumeren (niet te vaak of te veel). Daar zijn wat hogere concentraties aangetroffen. Buiten dit gebied zijn de concentraties dermate laag dat de gewassen veilig kunnen worden gegeten, ook in combinatie met andere blootstellingsbronnen. De basis van dit onderzoek is de berekening van de blootstelling aan GenX en PFOA via zelfgeteelde groenten bij mensen met een moestuin binnen een straal van 4 kilometer rond de fabriek. Eind augustus 2017 zijn hiervoor op 10 locaties monsters van groenten genomen: in Dordrecht en Papendrecht op drie locaties en op vier in Sliedrecht. Als vergelijking is een locatie in Bilthoven onderzocht. Op alle locaties zijn van drie categorieën groenten (blad-, knol- en vruchtgroenten) monsters genomen. Op een van de locaties zijn ook nog twee fruitgewassen onderzocht. In totaal zijn 81 monsters geanalyseerd. In ongeveer 40 procent van de monsters rond de fabriek is GenX en/of PFOA aangetoond. In 14 procent van de monsters rond de fabriek is GenX aangetroffen in meetbare hoeveelheden en in 4 procent PFOA. Bij concentraties lager dan 1 nanogram per gram kan de precieze hoeveelheid niet worden aangegeven; alleen de constatering dat het erin zit. Op één locatie, minder dan 1 kilometer ten noordoosten van de fabriek, zijn hogere concentraties GenX in groente (in andijvie, bieten, selderij, sla en tomaten) en PFOA (in bieten) aangetroffen dan op de andere 9 locaties rond de fabriek. De hoogste concentraties zijn vervolgens gebruikt om de blootstelling te berekenen. Hierbij is aangenomen dat mensen hun leven lang dagelijks uitsluitend groenten uit hun eigen tuin eten. De uitkomsten zijn daardoor waarschijnlijk hoger dan de werkelijke blootstelling van GenX en PFOA bij moestuinhouders rond de fabriek. Onder deze worst-case-omstandigheden overschreed de blootstelling van beide stoffen via voedsel niet de grenswaarden die als veilig worden beschouwd (gezondheidskundige grenswaarden).
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Zoönotische pathogenen bij de wasbeerhond en wasbeer in Nederland | RIVM

De wasbeerhond en de wasbeer worden in Nederland steeds vaker waargenomen, vooral in het oostelijke grensgebied. De komst van nieuwe diersoorten als deze kan ziekteverwekkers (her)introduceren of invloed hebben op de mate waarin reeds aanwezige ziekteverwekkers voorkomen. Zo leggen wasbeerhonden grote afstanden af en kunnen ze zich in meerdere leefomgevingen handhaven. Zowel wasbeerhonden als wasberen kunnen ziekteverwekkers bij zich dragen waar mensen ziek van kunnen worden. Bij onderzoek in 2014-2015 werd bij één van negen onderzochte wasbeerhonden Trichinella spiralis gevonden en bij één wasbeerhond Echinococcus multilocularis. Daarnaast is bij twee wasberen, die eind 2014 dood werden gevonden in de omgeving van Doetinchem, Baylisascaris procyonis aangetoond. Daarom heeft het RIVM in 2016-2017 12 wasbeerhonden en 5 wasberen onderzocht om meer inzicht te krijgen in de mate waarin een aantal ziekteverwekkers voorkomt: Echinococcus multilocularis (vossenlintworm), Trichinella spp. en Francisella tularensis bij wasbeerhonden en Baylisascaris procyonis (wasberenspoelworm) bij wasberen. Vossenlintworm, Trichinella spp. en Francisella tularensis zijn niet gevonden. Bij één wasbeer is Baylisascaris procyonis aangetroffen. De wasbeer was afkomstig uit Limburg. Het is nog onduidelijk of de wasberen die worden gevonden in Nederland uit wilde populaties komen of dat ze ontsnapte of losgelaten huisdieren zijn. Dit maakt het lastig om de vondst van Baylisascaris procyonis in Limburg (Elsloo) te duiden. Bij besmette wasberen worden spoelwormeieren via de ontlasting uitgescheiden in de omgeving, waar zij lange tijd kunnen overleven. Wanneer mensen deze eieren binnenkrijgen, ontwikkelen zich larven die zich door het lichaam kunnen verplaatsen naar onder andere de hersenen en dan neurologische klachten kunnen veroorzaken. Die kans lijkt nu nog klein, maar meer inzicht in de verspreiding van besmette wasberen is van groot belang om een goede risico-inschatting te maken.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Medicijnresten, pathogenen en antibioticaresistentie in struviet uit Nederlands huishoudelijk afvalwater | RIVM

Uit rioolwaterslib kan struviet worden gewonnen, een zogeheten fosfaatmineraal. Fosfaat is een belangrijke voedingsstof voor gewassen en wordt vooral in fosfaatmijnen gewonnen. Aangezien deze voorraad eindig is, worden andere bronnen gezocht. Zo kan struviet worden gewonnen uit rioolwaterslib, waar altijd veel fosfaat in zit. De winning van struviet verlaagt ook de onderhoudskosten van een rioolwaterzuiveringsinstallatie doordat dan minder kristalvorming in de installatie optreedt. Vanwege de mogelijke aanwezigheid van ziekteverwekkers (pathogenen), antibioticaresistente micro-organismen en verontreinigingen zoals medicijnresten in het slib, is het niet bij voorbaat zeker dat het gewonnen struviet schoon en veilig is. Volgens het RIVM zijn er momenteel geen aanwijzingen dat het gebruik van struviet een verhoogd risico voor het milieu of de volksgezondheid vormt. Deze conclusie is echter gebaseerd op een zeer beperkte set meetgegevens. Aanbevolen wordt om aanvullende metingen te verrichten. Momenteel is struviet uit afvalwater volgens de wet gelabeld als afval. Dit afvallabel maakt het moeilijk voor beheerders van rioolwaterzuiveringen om struviet op de markt te brengen als grondstof voor nieuwe producten. Vanuit de waterbeheerders bestaat daarom de wens dat het niet meer als afval gelabeld is maar als grondstof. Het product dat ervan kan worden gemaakt is dan meer waard en afnemers hoeven geen afvalverwerker te zijn. Ook kan het product dan gemakkelijker worden geëxporteerd. Om deze labelwijziging te mogen doorvoeren, moet struviet echter aan bepaalde veiligheidscriteria voldoen. Voor dit onderzoek is nauw samengewerkt met de stakeholders (waterbeheerders, Rijkswaterstaat en het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat). Hierdoor is meer begrip ontstaan voor elkaars belangen en wordt de keuze om door te gaan met verdiepend onderzoek en een bijbehorende onderzoeksopzet door alle partijen gedragen.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Indicatieve waterkwaliteitsnormen voor gewasbeschermingsmiddelen : Normvoorstellen voor florasulam en indoxacarb | RIVM

Het RIVM stelt voor om de zogeheten indicatieve waterkwaliteitsnormen voor de bestrijdingsmiddelen florasulam en indoxacarb in water aan te passen. Deze normen geven waterbeheerders een eerste indruk of stoffen die zij in hun gebied aantreffen een reden tot zorg zijn. Met een nieuwe methodiek en nieuwe gegevens voor waterorganismen kunnen risico's voor het watermilieu beter ingeschat worden en zijn kleinere veiligheidsmarges nodig. De voorgestelde waarden dienen als advieswaarden voor het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW), dat de normen uiteindelijk bepaalt. Florasulam is een onkruidbestrijdingsmiddel en indoxacarb is een insecticide. Deze stoffen zijn opgenomen in het Landelijk Meetnet Gewasbeschermingsmiddelen. De indicatieve milieurisicogrenzen zijn herzien omdat er nieuwe gegevens beschikbaar zijn gekomen in de toelatingsdossiers. Er is vooral gekeken naar de effecten op waterorganismen. Daarnaast is er voor indoxacarb rekening mee gehouden dat mensen aan deze stof kunnen worden blootgesteld als zij vis en visproducten eten. Dit bestrijdingsmiddel kan zich namelijk ophopen in vis. Voor beide bestrijdingsmiddelen zijn de effecten op waterorganismen echter doorslaggevend voor de afgeleide normen voor oppervlaktewater.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

PAS Monitoringsrapportage Stikstof : Addendum op de stand van zaken 2016 | RIVM

Het Programma Aanpak Stikstof (PAS) is opgezet om natuurdoelen in Nederland te realiseren en binnen die doelen ook economische ontwikkeling mogelijk te maken. Stikstof is een voedingsstof voor planten, maar te veel stikstof kan schade veroorzaken aan de natuur en biodiversiteit. Door bestaand beleid en extra maatregelen om de uitstoot van stikstof te verlagen, zijn in het PAS nieuwe economische activiteiten mogelijk, binnen bepaalde voorwaarden. Een voorwaarde is dat maatregelen worden genomen om de kwaliteit van de natuur te behouden of te versterken. Het PAS is op 1 juli 2015 in werking getreden. Het RIVM rapporteert jaarlijks in opdracht van het PAS-Bureau over de verwachte ontwikkelingen van de uitstoot en depositie voor de ijkjaren 2020 en 2030 ten opzichte van het referentiejaar 2014 van het PAS. Aanleiding voor de onderliggende tussentijdse rapportage is nieuwe informatie over leefgebieden van soorten. Hierdoor wordt op anderhalf keer zoveel locaties de verwachte depositie gemonitord. Het aanvullen en toevoegen van leefgebieden aan het Programma Aanpak Stikstof heeft geleid tot meer inzicht in de leefgebieden van planten en dieren die gevoelig zijn voor stikstof. Deze uitbreiding van de monitoringsmethodiek geeft geen aanleiding om de eerder gepresenteerde conclusies over de trends in uitstoot en depositie in de voorgaande M16 rapportage anders te duiden. Tot 2020 wordt een lichte toename van de uitstoot van stikstofoxide ten opzichte van 2014 berekend door de groei van de zeevaart en industrie. Op de langere termijn, tussen 2020 en 2030, wordt een daling van 43 kiloton verwacht, onder andere door de effecten van schoner verkeer. De berekende ammoniakuitstoot daalt naar verwachting tussen 2014 en 2030 met 12 kiloton. De berekende stikstofdepositie (stikstofoxiden en ammoniak) tussen 2014, het referentiejaar van het PAS, en 2030 daalt naar verwachting met 15 procent.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Estimation of the socio-economic consequences of regulatory measures on toxic substances in food : A proposed framework: SEATS | RIVM

In Europa gelden strenge eisen voor de veiligheid van voedsel. Zo mag voedsel zo min mogelijk stoffen bevatten die een gezondheidsrisico vormen. Hiervoor zijn onder andere zogenoemde voedselveiligheidstandaarden ingesteld voor de maximaal toegestane concentraties van stoffen in een product. Voedselveiligheidstandaarden worden voornamelijk op internationaal niveau (EU en wereldwijd) bepaald en zijn getoetst door middel van een wetenschappelijke analyse van de schadelijke effecten van stoffen in voedsel. Ook andere factoren dan schadelijke effecten van stoffen kunnen van invloed zijn op de hoogte van de voedselveiligheidstandaarden en worden daarom bij de besluitvorming over de standaarden betrokken. Dit gebeurt nu echter niet op een gestandaardiseerde en transparante manier. Een voorbeeld is maatschappelijke bezorgdheid als gevolg van onzekerheid in de wetenschappelijke analyse. Ook kan een grote economische impact van de vastgestelde voedselveiligheidsstandaard worden verwacht, bijvoorbeeld in de vorm van een hogere prijs. Het RIVM heeft daarom een stappenplan (SEATS) ontwikkeld zodat in de besluitvorming over de voedselveiligheidstandaarden breder wordt gekeken dan alleen naar de schadelijke effecten van stoffen. SEATS combineert een afweging van kosten en baten vanuit een economische invalshoek met maatschappelijke aspecten, zoals risicoperceptie, onzekerheid en vertrouwen. SEATS is voor twee voorbeeldsituaties (lood en pesticiden) uitgewerkt. Er is onderzocht wat de impact is als de voedselveiligheidstandaard wordt verlaagd. Het blijkt dat SEATS goed bruikbaar is.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Sacral neuromodulation versus personalized conservative treatment in patients with idiopathic slow-transit constipation: study protocol of the No.2-trial, a multicenter open-label randomized controlled trial and cost-effectiveness analysis | RIVM

Sacral neuromodulation versus personalized conservative treatment in patients with idiopathic slow-transit constipation: study protocol of the No.2-trial, a multicenter open-label randomized controlled trial and cost-effectiveness analysis | RIVM
Jaar: 2018 Onderzoek

Het effect van Maatschappelijk Verantwoord Inkopen | RIVM

Veel inkopers bij overheidsorganisaties doen hun best om bij de aankoop van diensten en producten rekening te houden met mogelijke effecten op mens en milieu. Met Maatschappelijk Verantwoord Inkopen (MVI) wordt dus niet alleen naar de prijs van een product gekeken. MVI kan bijvoorbeeld helpen de uitstoot van broeikasgassen te beperken en bijdragen aan meer hergebruik van materialen (circulaire economie). Het RIVM presenteert een manier om te berekenen welke effecten deze inspanningen hebben. Deze werkwijze is gebruikt om acht productgroepen te analyseren: Dienstauto's, Buitenlandse dienstreizen, Contractvervoer (voor bijvoorbeeld leerlingen), Transportdiensten (taxi's en post), Bedrijfskleding, Elektriciteit, Zonnepanelen en Gas. De analyse van de overheidsinkopen in 2015 en 2016 laat zien dat MVI bij de acht productgroepen een positief effect heeft. Zo wordt er in totaal minstens 4,9 megaton minder koolstofdioxide uitgestoten tijdens de contractperiodes en gebruiksduur van de diensten en producten. Ook was er winst te zien door onder andere minder uitstoot van schadelijke stoffen, recycling en werkgelegenheid voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Tegelijkertijd laat de analyse zien dat MVI niet altijd wordt toegepast en dat de mate waarin MVI wordt toegepast varieert. Daarnaast blijkt het meenemen van MVI in een aanbesteding geen garantie voor effect. Dit komt doordat niet alle minimumeisen beter zijn dan wat er gemiddeld op de markt beschikbaar is én doordat eisen en gunningscriteria niet altijd in de uiteindelijke contracten terechtkomen. De gepresenteerde werkwijze laat zien dat al met relatief eenvoudige informatie (zoals het aantal gereden kilometers) het effect van MVI kan worden berekend, maar dat deze informatie vaak ontbreekt. Aanbestedende diensten die willen weten wat het effect is van hun MVI-inspanning, wordt daarom aanbevolen deze informatie parallel aan het inkoopproces te gaan verzamelen en administreren. Voor verschillende productgroepen is het raadzaam een database te gaan ontsluiten en gebruiken die aangeeft in welke mate een product het milieu belast in haar hele levenscyclus. Zo'n Life Cycle Assessment (LCA) maakt inzichtelijk of, en in welke mate, de last op andere onderdelen van de productie- en consumptieketen wordt afgewend.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

The use of epidemiologic studies for the biomonitoring of harmful substances | RIVM

Mensen staan bloot aan allerlei stoffen, ook via voedsel, die schadelijk kunnen zijn voor hun gezondheid. Om de gezondheidseffecten goed in te kunnen schatten, is het belangrijk te bepalen in hoeverre deze stoffen in het lichaam aanwezig zijn en in welke mate ze daar schade veroorzaken. Hierbij kan het helpen om concentraties van deze stoffen in lichaamsvloeistoffen en/of weefsels te meten (biomonitoring). Bij een voldoende grote groep kunnen deze concentraties worden gebruikt om de blootstelling aan deze stoffen te schatten. Bovendien kan biomonitoring, in combinatie met informatie die is verzameld in de epidemiologische studies, mogelijk aangeven welke groepen mensen een verhoogde kans op gezondheidsproblemen kunnen hebben door de blootstelling aan een bepaalde stof. In Nederland wordt een groot aantal epidemiologische studies uitgevoerd op het gebied van de volksgezondheid. Het bloed en de urine dat bij sommige studies wordt verzameld, kan mogelijk gebruikt worden voor toekomstige biomonitoring van schadelijke stoffen. Het RIVM heeft van vier studies onderzocht of ze geschikt zijn om de blootstelling aan schadelijke stoffen in bloed en/of urine (biomonitoring) te meten. Dat blijkt voor alle vier, in meer of mindere mate, het geval te zijn. Wel verschillen de eigenschappen van de studies waardoor niet alleen de stof maar ook de precieze vraagstelling van de toekomstige monitoringstudie bepaalt welke studie het meest geschikt is. Voor dit onderzoek is eerst bekeken aan welke eisen een stof moet voldoen om via biomonitoring gemeten te kunnen worden en welk biologisch materiaal hiervoor geschikt is. Voorts is beschreven aan welke eisen een epidemiologische studie zou moeten voldoen om in aanmerking te komen voor biomonitoringsdoeleinden. Daarna zijn belangrijkste kenmerken van vier Nederlandse epidemiologische studies geïnventariseerd. De vier studies zijn gekozen omdat het RIVM eenvoudig toegang heeft tot de gegevens.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

EURL-Salmonella 8th interlaboratory comparison study Food 2016 : Detection of Salmonella in minced chicken meat | RIVM

In 2016 waren alle 34 Nationale Referentie Laboratoria (NRL's), waarvan dertig in de Europese Unie, in staat om verschillende concentraties Salmonella in kippengehakt aan te tonen. Drie NRL's rapporteerden dat er Salmonella zit in een van hun monsters met 'blanco' gehakt. Zeer waarschijnlijk komt dat doordat er in het oorspronkelijke vlees een ander type Salmonella zat, in zeer lage concentraties. Dit blijkt uit het achtste ringonderzoek voor voedsel, dat is georganiseerd door het referentielaboratorium van de Europese Unie voor Salmonella (EURL-Salmonella). Het EURL-Salmonella is gevestigd bij het Nederlandse Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Het onderzoek is in september 2016 gehouden. Alle NRL's van de Europese lidstaten die verantwoordelijk zijn voor de opsporing van Salmonella in voedsel, zijn verplicht om aan het onderzoek deel te nemen. Voor het ringonderzoek gebruiken de laboratoria de internationaal erkende analysemethoden en werken ze volgens hetzelfde protocol. Elk laboratorium kreeg een pakket toegestuurd met kippengehakt dat ofwel besmet was met Salmonella Stanley in twee verschillende concentraties, of geen Salmonella bevatte. De gehaktmonsters werden zoals in eerdere studies op het laboratorium van het EURL-Salmonella kunstmatig besmet met Salmonella.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Monte Carlo Risk Assessment (MCRA) computational model: maintenance and management 2017 | RIVM

In dit rapport zijn de aanpassingen in het rekenmodel Monte Carlo Risk Assessment (MCRA) beschreven die het RIVM en Wageningen University & Research in 2017 hebben uitgevoerd. MCRA is een rekenmodel waarmee de meest realistische inname van stoffen via voedsel kan worden verkregen die op dit moment mogelijk is, en eventuele gezondheidsrisico's kunnen worden geëvalueerd. Het rekenmodel is voor geregistreerde gebruikers beschikbaar via internet. De huidige versie van MCRA is versie 8.2. In 2017 zijn verschillende nieuwe functionaliteiten aan deze versie toegevoegd om de innameberekeningen van enkelvoudige stoffen of mengsels van stoffen via voedsel te verbeteren. Ook is binnen MCRA de koppeling verbeterd tussen de uitkomsten van innameberekeningen en berekeningen die de dosis aangeven waarbij een schadelijk effect van een stof kan optreden (dosis-respons modellen). Deze koppeling is een belangrijk onderdeel van een geïntegreerde risicobeoordeling. De nieuwe functionaliteiten zijn onder andere geïmplementeerd vanuit het partnership tussen het RIVM en de Europese voedselveiligheidsautoriteit (EFSA), en vanuit het Europese project EuroMix. Het MCRA-rekenmodel is in 2017 gebruikt om de inname te berekenen van lood via de totale voeding, en van fipronil via de consumptie van ei, producten die ei bevatten, en plantaardige producten. Deze berekeningen zijn in opdracht van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) uitgevoerd door het Front Office Voedsel- en Productveiligheid van het RIVM en Wageningen UR, RIKILT. Dit Front Office beantwoordt ad-hoc-vragen van de NVWA over de veiligheid van voedsel en consumentenproducten. Het Front Office heeft MCRA ook gebruikt voor een geïntegreerde risicobeoordeling van titaniumdioxide nanodeeltjes op basis van de blootstelling via voedsel. Daarnaast is MCRA gebruikt om de inname te berekenen van verschillende stoffen die in voedsel kunnen zitten, zoals bisphenol A, minerale oliën en mengsels van bestrijdingsmiddelen.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Vergroening door microbiële gewasbeschermingsmiddelen : Verkenning knelpunten en oplossingsrichtingen | RIVM

Microbiële gewasbeschermingsmiddelen kunnen bijdragen aan groene, duurzame gewasbescherming in land- en tuinbouw. Deze middelen bestaan uit bacteriën, schimmels en virussen en kunnen insecten en plantenziekten in gewassen bestrijden zonder ziektes te veroorzaken. Ze brengen weinig risico's mee voor mens en milieu en laten geen resten achter in voedsel. Ze worden echter nog weinig gebruikt. Het RIVM heeft, op basis van interviews met stakeholders en een literatuurstudie, in kaart gebracht welke belemmeringen zorgen voor het geringe gebruik en welke oplossingsrichtingen daarvoor mogelijk zijn. Er zijn in Europa nog te weinig microbiële middelen beschikbaar. Om dit op te lossen kan van de middelen die buiten Europa op de markt zijn, worden onderzocht welke mogelijkheden er zijn om ze voor de Nederlandse land- en tuinbouw te gebruiken. De middelen die wel beschikbaar zijn worden nog weinig gebruikt doordat telers en adviseurs te weinig weten over deze middelen. Dit probleem kan worden opgelost door onderwijsprogramma's te ontwikkelen voor opleidingen en de spuitlicentie. Verder richt het onderzoek naar microbiële middelen zich te weinig op ziekten en plagen in grote teelten. Deze problemen kunnen het beste worden opgelost wanneer onderzoekers, telers en bedrijven op dit gebied gaan samenwerken. Verder zijn de EU-richtsnoeren voor de beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen onvoldoende toegespitst op microbiële middelen. Een impuls is gewenst om een specifiek EU-richtsnoer voor microbiële middelen te ontwikkelen.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Stralingsniveaumetingen rond het terrein van de EPZ kerncentrale te Borssele in 2015 | RIVM

Het stralingsniveau aan de terreingrens van de kerncentrale in Borssele lag in 2015 onder het toegestane maximum. Dit blijkt uit controlemetingen van het RIVM. Het RIVM rapporteert jaarlijks in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) of de kerncentrale aan de vergunningseis voldoet. Volgens de kernenergiewetvergunning moet de kerncentrale ervoor zorgen dat personen buiten de terreingrens een stralingsdosis ontvangen van ten hoogste 40 microsievert per jaar. Om dit te controleren wordt op acht punten op de terreingrens het stralingsniveau gemeten. Dit gebeurt met het door het RIVM beheerde MONET-meetnet. Van de meting wordt vervolgens de natuurlijke achtergrondwaarde afgetrokken. Om het resultaat te vergelijken met het toegestane niveau, wordt de zogeheten Actuele Blootstelling Correctiefactor (ABC-factor) toegepast. ABC-factoren hangen samen met de bestemming van het gebied waar de stralingsdosis kan worden opgelopen. Aan het terrein van de kerncentrale Borssele geldt een ABC-factor van 0,2. In dit rapport zijn de daggemiddelden van de metingen van de acht MONET-monitoren rond de kerncentrale in 2015 weergegeven. Ook wordt uitgelegd hoe voor elk meetpunt de natuurlijke achtergrondwaarde is bepaald. In 2015 was de hoogste waarde, na aftrek van de natuurlijke achtergrond, 3,2 microsievert per jaar. Na de toepassing van de ABC-factor is de berekende maximale effectieve dosis 0,6 microsievert per jaar.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Gammastralingsniveaumetingen aan de terreingrens van COVRA N.V. te Borsele in 2015 en 2016 met het MONET-meetnet | RIVM

Het gammastralingsniveau aan de terreingrens van de Centrale Organisatie voor Radioactief Afval (COVRA N.V.) te Borsele lag in 2015 en 2016 onder het toegestane maximum. Dit blijkt uit controlemetingen van het RIVM. Het RIVM rapporteert jaarlijks in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) en toetst of COVRA N.V. aan de vergunningseis voldoet Volgens de kernenergiewetvergunning moet COVRA N.V. ervoor zorgen dat personen buiten de terreingrens maximaal blootstaan aan een stralingsdosis van ten hoogste 40 microsievert per jaar. Om dit te controleren wordt op twaalf locaties het gammastralingsniveau gemeten. Dit gebeurt met het door het RIVM beheerde MONET-meetnet. Van de metingen wordt de natuurlijke achtergrondwaarde afgetrokken. Om het resultaat te vergelijken met het toegestane niveau, wordt de zogeheten Actuele Blootstellings Correctiefactor (ABC-factor) toegepast. ABC-factoren hangen samen met de bestemming van het gebied waar de effectieve gammastralingsdosis kan worden opgelopen. In dit rapport zijn de daggemiddelden van de twaalf MONET-monitoren aan de terreingrens van COVRA N.V. weergegeven. Ook wordt uitgelegd hoe voor elk meetpunt de natuurlijke achtergrondwaarde is bepaald. Over de jaren 2015 en 2016 is, na het gebruik van de ABC-factor, de hoogste berekende effectieve gammadosis per jaar 2,9 microsievert in 2015 en 3,0 microsievert in 2016.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Strategisch Programma RIVM Jaaroverzicht 2015 : Speerpuntnotities - publicaties | RIVM

Het RIVM brengt jaarlijks verslag uit van het Strategisch Programma RIVM (SPR), voorheen het Strategisch Onderzoek RIVM (SOR). Het verslag is bedoeld om de eigenaar (VWS), de Commissie van Toezicht en geïnteresseerden binnen en buiten het RIVM te informeren over de inhoud en de voortgang. De projecten worden in een cyclus van vier jaar uitgevoerd. 2015 is het eerste jaar van de cyclus 2015-2018. Dit verslag beperkt zich daarom tot een korte impressie van de speerpunten en de thema's die de speerpunten overstijgen (crosscutting themes). Daar waar binnen de projecten al aansprekende resultaten zijn behaald, zijn deze in de beschrijvingen opgenomen. Het programma heeft niet alleen een nieuwe naam gekregen, ook de doelen zijn verbreed. Net als het SOR is het SPR bedoeld om te voorzien in de expertise en kwaliteit om nu en in de toekomst de taken van de opdrachtgevers adequaat uit te kunnen voeren. Daarnaast is er nu ook ruimte voor innovatie en expertise-ontwikkeling. Het SPR is van start gegaan met 83 projecten, georganiseerd in zes speerpunten en de crosscutting themes. Gedurende het opstartjaar worden de meerjarige projecten in de steigers gezet, aio's geworven, netwerken geactiveerd en nieuwe terreinen verkend. Vooral voor innovatie vraagt deze startperiode een investering, omdat nieuwe samenwerkingen en methoden moeten worden ontwikkeld. Publicaties en andere concrete resultaten zijn daarin doorgaans nog beperkt.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

ConsExpo Web. Consumer exposure models - model documentation : Update for ConsExpo Web 1.0.2 | RIVM

Het RIVM heeft een handleiding opgesteld voor het gebruik van ConsExpo Web. Deze internetapplicatie is ontwikkeld om de blootstelling aan chemische stoffen te schatten voor uiteenlopende producten en omstandigheden waaronder consumenten aan ze worden blootgesteld. De blootstellingsberekeningen geven informatie die nodig is om de veiligheid van chemische stoffen in consumentenproducten te kunnen beoordelen. ConsExpo Web is de opvolger van ConsExpo versie 4 en is bedoeld voor blootstellingsexperts en risicobeoordelaars van overheden, instituten en bedrijven. Met ConsExpo Web kunnen zij blootstellingschattingen op een transparante en gestandaardiseerde manier uitvoeren. Er bestaat een grote verscheidenheid aan consumentenproducten, van schoonmaakmiddelen en ongediertebestrijdingsmiddelen tot verf en cosmetica. Ook de manier waarop consumenten de producten gebruiken verschilt, zoals de doseringen en de frequentie. ConsExpo Web biedt een aantal algemeen toepasbare blootstellingsmodellen en een database met gegevens over blootstellingsfactoren. Tezamen bieden zij een basis van waaruit de blootstelling van een specifiek product geschat kan worden. De handleiding geeft een overzicht van ConsExpo Web, een uitleg van de in ConsExpo Web beschikbare blootstelling- en opname modellen en aanbevelingen om de blootstellingsschatting zorgvuldig te analyseren. ConsExpo Web is beschikbaar via rivm.nl/consexpo en is, na registratie, gratis te gebruiken.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Handreiking voor de risicobeoordeling van arseen in de bodem voor de particuliere groenteteelt | RIVM

Arseen kan van nature in de grond en het grondwater zitten of daar door activiteiten van de mens in het verleden in terecht gekomen zijn. Wanneer mensen zelf groenten telen, kunnen zij tijdens het tuinieren ongemerkt bodemdeeltjes inslikken. Hierdoor kunnen zij arseen binnenkrijgen. Dat kan ook door de groenten te eten die zijn geteeld op met arseen verontreinigde bodem. Op verzoek van de GGD'en heeft het RIVM een handreiking opgesteld over de beoordeling van de gezondheidsrisico's bij het eten en zelf telen van groenten op bodems die met arseen zijn verontreinigd. Die beoordeling is lastig, omdat onzeker is hoeveel arseen vanuit de bodem in de groenten terechtkomt. Daarnaast is er voor arseen geen actuele waarde voor de 'toelaatbare blootstelling' beschikbaar. De handreiking geeft een indicatie van de waarde die op dit moment het beste als 'toelaatbare blootstelling' voor arseen kan worden gebruikt. De blootstelling aan arseen via het zelf telen en eten van groenten is hierbij hoog ingeschat omdat de opname van arseen door de groenten uit de bodem onvoorspelbaar is. De blootstelling is vervolgens vergeleken met de zogenoemde achtergrondblootstelling aan arseen. Dit is de hoeveelheid arseen waar iedereen aan wordt blootgesteld (namelijk via in de winkel gekochte levensmiddelen als rijst, granen en melk, via drinkwater en mogelijk via andere bronnen), onafhankelijk van lokale bodemverontreiniging. De blootstelling via groenten die men zelf zou kunnen telen, draagt ongeveer 10 procent bij aan de achtergrond-blootstelling; de achtergrondblootstelling via andere levensmiddelen vormt het grootste deel. Ten slotte worden handelingsperspectieven geboden om de blootstelling aan arseen te verminderen bij het moestuinieren. Dat kan bijvoorbeeld voorlichting zijn om de hoeveelheid ingeslikte gronddeeltjes te verminderen.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Wetted surface area of recreational boats | RIVM

Het onderwateroppervlak van pleziervaartuigen wordt vaak met speciale verf behandeld die voorkomt dat er algen en andere organismen op gaan groeien. De werkzame stoffen in deze verf (antifouling) komen in het water terecht. Hoeveel dat is wordt mede bepaald door de grootte van het behandelde oppervlak. Het RIVM heeft een methode ontwikkeld om het onderwateroppervlak van recreatievaartuigen te berekenen op basis van de bootlengte. Een goede schatting van de grootte van dit oppervlak is essentieel voor de milieubeoordeling. Het eindresultaat is een gewogen gemiddelde voor het onderwateroppervlak van recreatievaartuigen in Nederlandse jachthavens en een uitsplitsing daarvan naar zeewater, binnenwateren en overgangswateren. Verven die verkocht worden met dit doel zijn biociden. Bij de toelating van biociden wordt de veiligheid van het product voor mens en milieu beoordeeld. De werkzame stof in de aangroeiwerende verf is mogelijk niet alleen giftig voor organismen die onder water aangroeien op de boot, maar ook voor de overige organismen in het water.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Post-marketing surveillance of chemicals: organisations and databases : Workshop report | RIVM

Voordat stoffen op de markt worden gebracht, beoordeelt de overheid, importeur of producent of het veilig is om deze stoffen te gebruiken. De manier waarop deze veiligheidsbeoordeling wordt uitgevoerd, is vastgelegd in (inter)nationale wetgeving. Maar meestal wordt niet gespecificeerd voor welke producten de stoffen worden gebruikt. In Nederland houdt een groot aantal instellingen zich bezig met de veiligheid van de producten waar de stoffen in zitten nadat ze op de markt zijn verschenen, de zogeheten post marketing surveillance. Een eenduidig zicht op onvoorziene gezondheidseffecten tijdens het gebruik ontbreekt echter. Het RIVM werkt daarom aan een systeem om beter zicht op deze effecten te krijgen. Hiertoe hebben experts van organisaties die bijwerkingen en effecten van stoffen documenteren, gezamenlijk geïnventariseerd aan welke informatie behoefte is. De experts hebben ideeën uitgewisseld hoe beter bekend kan worden gemaakt welke informatie uit bestaande databases beschikbaar is en hoe die beter met elkaar kan worden uitgewisseld tussen organisaties die er belang bij hebben. De focus lag daarbij op mogelijkheden om signalen van mogelijk nadelige gezondheidseffecten actief uit te wisselen. Momenteel worden producenten pas geïnformeerd nadat een effect is optreden. Dit rapport biedt een overzicht van relevante databases, webadressen en contactgegevens die uitwisseling tussen relevante partijen kan faciliteren. Ook zijn drie case studies uitgewerkt om hiaten bloot te leggen: metalen heuptransplantaten (medische hulpmiddelen), pesticiden voor mensen die werken in de agrobranche en consumentenproducten die voor andere doeleinden worden gebruikt dan waarvoor ze zijn beoordeeld, zoals een zuur in producten waar kinderen slijm mee kunnen maken.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Gezonde Omgeving Utrecht (GO! Utrecht) : Handelingsperspectieven voor een gezonde leefomgeving | RIVM

In opdracht van de gemeente Utrecht heeft het RIVM in het project GO! Utrecht onderzocht hoe de leefomgeving in de Utrechtse wijken gezonder kan worden gemaakt. Per wijk worden combinaties van maatregelen voor de leefomgeving voorgesteld die extra gezondheidswinst kunnen opleveren. De voorstellen zijn per wijk afgestemd op de omstandigheden en samengevat in factsheets. Zo geeft het de gemeente handvatten om keuzes te maken. Het gaat onder andere om maatregelen voor meer groen waar mensen iets mee kunnen doen (zoals buurtmoestuinen, buurtparkjes en onderhoud door bewoners van gemeentelijke groenstroken), beweegvriendelijke wijken, minder lawaai, schonere lucht en meer sociaal contact. Ook kan worden ingezet op verkeersvrije en leefbare straten ('leefstraten'), meer plekken om fietsen te stallen, het stimuleren van zogeheten deelauto's en een betere handhaving op asociaal rijgedrag. De aanpak van GO! Utrecht is erop gericht om maatregelen voor het milieu, de fysieke inrichting en sociale samenhang tegen elkaar af te wegen en te vertalen in integrale strategieën om de wijk te verbeteren. Het zijn maatregelen die in de praktijk al hebben bewezen te kunnen bijdragen aan een gezondere leefomgeving in brede zin. De meerwaarde van dit onderzoek zit vooral in de voorgestelde combinaties van maatregelen die op meerdere onderdelen positief uitwerken: lucht en geluid, gezondheid en leefstijl, actief en sociaal, veiligheid en schoon, voorzieningen en inrichting, en groen. De benodigde informatie is uit beschikbare Utrechtse databestanden, wijkgesprekken en (inter)nationale bronnen met leefomgevingsmaatregelen verzameld. Aanvullend heeft het RIVM luchtkwaliteitsberekeningen uitgevoerd om op wijkniveau een beeld te krijgen welke stoffen en bronnen een aandeel leverden aan de totale luchtkwaliteit. Dit rapport biedt de achtergrondinformatie bij de factsheets om de resultaten van GO! Utrecht te kunnen duiden en de voorgestelde maatregelencombinaties te kunnen beoordelen en uit te voeren.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Off-labelgebruik van geneesmiddelen : Verkenning van de complexiteit en problematiek | RIVM

Medicijnen kunnen worden voorgeschreven voor andere ziekten of groepen patiënten dan waar ze voor zijn goedgekeurd. Dat noemen we 'off-labelgebruik' en is onder voorwaarden wettelijk toegestaan. Dit wordt meestal gedaan wanneer er geen andere geschikte behandelmogelijkheden zijn. Zo komt off-labelgebruik bijvoorbeeld vaak voor bij kinderen of bij ernstige ziekten waarvoor nog geen goedgekeurde therapie bestaat. De mate waarin dit voorkomt verschilt per aandoening maar kan omvangrijk zijn. Off-labelgebruik van medicijnen voorziet dus in een medische behoefte, maar kan nog op meerdere punten worden verbeterd. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. In de praktijk blijkt bijvoorbeeld dat artsen hun patiënten niet altijd informeren en om toestemming vragen wanneer zij geneesmiddelen off-label voorschrijven, ook al zijn ze daar wettelijk toe verplicht. Verder is het belangrijk de kennis over off-labeltoepassingen toegankelijker te maken voor artsen en apothekers; deze kennis is nu versnipperd en niet altijd volledig beschikbaar. Om kennis te vergroten is het ook van belang beter bij te houden wat de werking en eventuele bijwerkingen van off-labelgebruik zijn. Het heeft uiteraard de voorkeur om off-labelgebruik van een medicijn on-label te maken. Hiervoor moet de geneesmiddelfabrikant het initiatief nemen om het bewijs voor de effectiviteit en veiligheid van het gebruik bij de overheid aan te leveren. Als een fabrikant dit initiatief niet neemt, wordt het off-label-gebruik niet genoemd in de bijsluiter. Fabrikanten zouden meer kunnen worden aangespoord om het bewijs te leveren. Ook zou onderzocht kunnen worden of dit initiatief door anderen dan de fabrikant genomen kan worden.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Regelgeving in omringende landen over de invoer van NORM reststoffen | RIVM

In binnen- en buitenland hebben verschillende niet-nucleaire industriële sectoren, zoals de olie- en gasindustrie, te maken met materialen die van nature radioactiviteit bevatten ('NORM'). Als gevolg van de productieprocessen kunnen reststoffen ontstaan die van nature radioactiviteit bevatten ('NORM reststoffen'). 'Reststoffen' zijn in dit onderzoek gedefinieerd als materialen die nog verder verwerkt kunnen worden voor (gedeeltelijk) hergebruik. Bij de verwerking van deze reststoffen kunnen afvalstoffen ontstaan die van nature radioactiviteit bevatten ('NORM afvalstoffen'). Deze afvalstoffen kunnen niet meer worden hergebruikt en moeten als radioactieve afvalstoffen worden afgevoerd voor opslag of stort. In het buitenland worden ook NORM reststoffen ingevoerd voor verdere verwerking. Het RIVM heeft daarom het beleid en de wet- en regelgeving van België, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen voor de invoer van NORM reststoffen in kaart gebracht. In het algemeen is het in deze landen niet toegestaan om NORM reststoffen in te voeren en vervolgens direct als afval af te voeren. Onder voorwaarden is het toegestaan om NORM reststoffen verder te verwerken, bijvoorbeeld als hierdoor materialen kunnen worden hergebruikt. Dit onderzoek is op verzoek van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) uitgevoerd. Op basis hiervan is op hoofdlijnen een advies geformuleerd over welke criteria Nederland zou kunnen gebruiken om een aanvraag voor de invoer van NORM reststoffen te beoordelen. Deze criteria zouden kunnen worden toegepast in te ontwikkelen regelgeving op dit gebied.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

National legal and regulatory framework in various North Sea countries concerning the transboundary movement of NORM residues | RIVM

In binnen- en buitenland hebben verschillende niet-nucleaire industriële sectoren, zoals de olie- en gasindustrie, te maken met materialen die van nature radioactiviteit bevatten ('NORM'). Als gevolg van de productieprocessen kunnen reststoffen ontstaan die van nature radioactiviteit bevatten ('NORM reststoffen'). 'Reststoffen' zijn in dit onderzoek gedefinieerd als materialen die nog verder verwerkt kunnen worden voor (gedeeltelijk) hergebruik. Bij de verwerking van deze reststoffen kunnen afvalstoffen ontstaan die van nature radioactiviteit bevatten ('NORM afvalstoffen'). Deze afvalstoffen kunnen niet meer worden hergebruikt en moeten als radioactieve afvalstoffen worden afgevoerd voor opslag of stort. In het buitenland worden ook NORM reststoffen ingevoerd voor verdere verwerking. Het RIVM heeft daarom het beleid en de wet- en regelgeving van België, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen voor de invoer van NORM reststoffen in kaart gebracht. In het algemeen is het in deze landen niet toegestaan om NORM reststoffen in te voeren en vervolgens direct als afval af te voeren. Onder voorwaarden is het toegestaan om NORM reststoffen verder te verwerken, bijvoorbeeld als hierdoor materialen kunnen worden hergebruikt. Dit onderzoek is op verzoek van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) uitgevoerd. Op basis hiervan is op hoofdlijnen een advies geformuleerd over welke criteria Nederland zou kunnen gebruiken om een aanvraag voor de invoer van NORM reststoffen te beoordelen. Deze criteria zouden kunnen worden toegepast in te ontwikkelen regelgeving op dit gebied.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Invoer van NORM reststoffen | RIVM

In binnen- en buitenland hebben verschillende niet-nucleaire industriële sectoren, zoals de olie- en gasindustrie, te maken met materialen die van nature radioactiviteit bevatten ('NORM'). Als gevolg van de productieprocessen kunnen reststoffen ontstaan die van nature radioactiviteit bevatten ('NORM reststoffen'). 'Reststoffen' zijn in dit onderzoek gedefinieerd als materialen die nog verder verwerkt kunnen worden voor (gedeeltelijk) hergebruik. In Nederland worden NORM reststoffen ingevoerd die in het buitenland zijn ontstaan en hier worden verwerkt. Hierbij kunnen afvalstoffen ontstaan die van nature radioactiviteit bevatten ('NORM afvalstoffen'). Deze afvalstoffen kunnen niet meer worden hergebruikt en moeten als radioactieve afvalstoffen worden afgevoerd voor opslag of stort. Op verzoek van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) heeft het RIVM de omvang en mogelijke groei van de invoer van NORM reststoffen onderzocht. Hieruit blijkt dat NORM reststoffen op dit moment op beperkte schaal worden ingevoerd voor verwerking in Nederland. Deze NORM reststoffen worden ingevoerd voor activiteiten die zijn gericht op hergebruik van goederen en producten, het schoonmaken van installatiedelen en de ontmanteling van productieplatformen. Hierbij ontstaan op kleine schaal NORM afvalstoffen die in Nederland blijven. In de toekomst zullen de invoer van NORM reststoffen en de hoeveelheid NORM afvalstoffen die na verwerking vrijkomen, mogelijk toenemen. Te denken valt aan een toename van het aantal in Nederland te ontmantelen productieplatformen van zowel Nederlandse als buitenlandse olie- en gasbedrijven. Ook de toename van het aantal geothermie installaties in binnen- en buitenland kan meer NORM reststoffen opleveren die mogelijk gedeeltelijk in Nederland verwerkt zullen worden. Tot slot kunnen door veranderingen in wet- en regelgeving in Nederland en in andere landen materiaalstromen toe- of afnemen die in Nederland als afval moeten worden beheerd.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Over de regulering van gammastraling door bouwmaterialen in de woning : Onderzoek voor de implementatie van richtlijn 2013/59/Euratom | RIVM

Een groot deel van de totale hoeveelheid straling die Nederlanders ontvangen komt door straling in de woning. Deze stralingsdosis wordt sterk beïnvloed door de eigenschappen van de gebruikte bouwmaterialen. Begin 2018 moet Nederland nieuwe Europese voorschriften over straling in de woning in de nationale regelgeving hebben opgenomen. Voor de dosis in de woning door gammastraling uit bouwmaterialen is door Europa een referentieniveau vastgesteld. De Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) bereidt de Nederlandse regelgeving momenteel voor. Ook heeft de ANVS een methode op laten stellen om eenvoudig te kunnen toetsen of een bouwmateriaal aan het Europese criterium voor gammastraling voldoet. Het RIVM heeft een contra-expertise uitgevoerd op de methodiek die de basis vormde voor de conceptregelgeving van 28 augustus 2017. Op basis daarvan zijn enkele aanbevelingen geformuleerd. De door de ANVS voorgestelde methode toetst of de stralingsdosis van één bouwmateriaal onder het referentieniveau blijft. In de woningbouw is het echter gebruikelijk dat verschillende bouwmaterialen in meerdere bouwlagen worden toegepast. Wanneer elk bouwmateriaal individueel wordt getoetst, bestaat het risico dat het referentieniveau door stapeling van bouwlagen alsnog wordt overschreden. Daarom wordt aanbevolen om in de regelgeving een toetsingsmethode op te nemen die rekening houdt met de straling uit alle bouwlagen. De beoogde regelgeving is uitsluitend gebaseerd op criteria voor gammastraling. Het RIVM signaleert dat sommige, voor gammastraling goedgekeurde bouwmaterialen daar bovenop een niet te verwaarlozen stralingsdosis kunnen veroorzaken vanwege de uitstoot van thoron. In enkele gevallen kan die extra stralingsdosis aanzienlijk zijn. Met de voorgestelde regelgeving wordt het zogeheten standstill-principe, waarbinnen de overheid en de woningbouwindustrie al jaren samenwerken, niet op voorhand gewaarborgd. Dat principe houdt in dat de stralingsdosis in de gemiddelde Nederlandse woningen niet mag toenemen. Mede hierdoor is de stralingssituatie in Nederlandse woningen vergeleken met andere westerse landen momenteel gunstig. Om het standstill-principe te kunnen voortzetten, zijn aanvullende afspraken nodig.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Circulaire economie: wat we willen weten en kunnen meten : Systeem en nulmeting voor monitoring van de voortgang van de circulaire economie in Nederland | RIVM

Met het Rijksbrede programma Circulaire Economie ‘Nederland circulair in 2050’ schetst het kabinet zijn plannen voor de transitie naar de circulaire economie. Om te kunnen volgen of die transitie op koers ligt, is een monitoringssysteem nodig; in dit rapport doen we daar een voorstel voor. Het monitoringssysteem brengt in beeld ‘wat we willen weten, en wat we nu al kunnen meten’. Dat laatste is de nulmeting. In het monitoringssysteem maken we onderscheid tussen de effecten die worden nagestreefd en het transitieproces dat daarvoor nodig is. Bij de gewenste effecten van de transitie naar een circulaire economie gaat het primair om vermindering van het grondstoffengebruik. Die vermindert de milieudruk (zoals door broeikasgasemissies) en de afhankelijkheid van grondstoffenimporten en verbetert daardoor de leveringszekerheid van die grondstoffen, en biedt kansen voor de Nederlandse economie. Vermindering van het gebruik van grondstoffen vraagt om circulariteitsstrategieën, die bijvoorbeeld het langer gebruiken van producten en productonderdelen zoals bij smartphones, of het delen van producten zoals auto’s bevorderen. Om de invoering van deze circulariteitsstrategieën voor elkaar te krijgen, zijn de nodige inspanningen nodig, zoals samenwerking tussen ketenpartners, het opruimen van belemmerende regels en het ontwerpen van circulaire producten. Dit transitieproces is weerbarstig en in het begin nog traag. De effecten ervan zullen pas op termijn zichtbaar worden. Daarom is het relevant om zowel het transitieproces als de effecten ervan te monitoren. In dit rapport stellen we indicatoren voor waarmee zowel het transitieproces als de bereikte effecten zijn te meten. Monitoring van de effecten is al gedeeltelijk mogelijk, vooral voor grondstoffengebruik, broeikasgasemissies en afval en de verwerking daarvan. Deze effecten zijn al gemeten voor Nederland als geheel en de vijf thema’s die in het Rijksbrede programma prioriteit krijgen (de prioriteiten): biomassa en voedsel, kunststoffen, de maakindustrie, de bouw en consumptiegoederen. Voor elke ‘prioriteit’ is een transitieteam aangewezen dat een transitieagenda heeft opgesteld (de transitieagenda’s worden tegelijk met dit rapport gepubliceerd). Op dit moment kunnen nog niet alle indicatoren die in het monitoringssysteem worden voorgesteld worden gemeten; vooral die voor het transitieproces nog niet. Het monitoringssysteem in dit rapport moet daarom worden gezien als een groeimodel. De ambitie is om het monitoringssysteem in de komende jaren verder in te vullen en uit te werken, samen met andere kennisinstellingen en de bij de vijf transitieagenda’s betrokken partijen.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Gammastralingsniveaumetingen aan de terreingrens van COVRA N.V. te Borsele in 2017 met het MONET-meetnet | RIVM

Het gammastralingsniveau aan de terreingrens van de Centrale Organisatie voor Radioactief Afval (COVRA N.V.) te Borsele lag in 2017 onder het toegestane maximum van 40 microsievert per jaar. De hoogste vastgestelde jaardosis is 3,0 microsievert. Dit blijkt uit controlemetingen van het RIVM. Het RIVM rapporteert jaarlijks in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) en toetst of COVRA N.V. aan de vergunningseis voldoet. COVRA N.V. moet ervoor zorgen dat de blootstelling van personen buiten de terreingrens maximaal 40 microsievert per jaar is. Dat is in de kernenergiewetvergunning vastgesteld. Om de maximale effectieve dosis te berekenen wordt het gammastralingsniveau op twaalf locaties langs de terreingrens gemeten. Dit gebeurt met het door het RIVM beheerde MONET-meetnet. Van de metingen wordt vervolgens de natuurlijke achtergrondwaarde afgetrokken. De resulterende meetwaarde wordt gecorrigeerd met de zogeheten Actuele Blootstellings Correctiefactor (ABC-factor). Een ABC-factor hangt samen met de bestemming van het gebied waar de effectieve gammastralingsdosis kan worden opgelopen. Na de toepassing van de ABC-factor is de berekende maximale effectieve gammadosis 3,0 microsievert per jaar. Dit is ruim onder de maximaal toegestane jaarlijkse limiet. In dit rapport zijn de daggemiddelden van de metingen van de twaalf MONET-monitoren aan de terreingrens van COVRA N.V. in 2017 weergegeven. Ook wordt uitgelegd hoe voor elk meetpunt de natuurlijke achtergrondwaarde is bepaald.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1

Stralingsniveaumetingen aan het terrein van de EPZ kerncentrale Borssele in 2017 | RIVM

Het gammastralingsniveau aan de terreingrens van kerncentrale Borssele lag in 2017 onder het toegestane maximum van 10 microsievert per jaar. De hoogste vastgestelde dosis is 1,04 microsievert. Dit blijkt uit controlemetingen van het RIVM. Het RIVM rapporteert jaarlijks in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) of de kerncentrale aan de vergunningseis voldoet. De kerncentrale moet ervoor zorgen dat de blootstelling van personen buiten de terreingrens maximaal 10 microsievert per jaar is. Dat is in de revisie van de kernenergiewetvergunning van 2016 vastgelegd. Om de maximale effectieve dosis te berekenen wordt op de terreingrens het gammastralingsniveau gemeten. Dit gebeurt met het door het RIVM beheerde MONET-meetnet. Van de meting wordt vervolgens de natuurlijke achtergrondwaarde afgetrokken. De resulterende meetwaarde wordt gecorrigeerd met de zogeheten Actuele Blootstelling Correctiefactor (ABC-factor). Een ABC-factor hangt samen met de bestemming van het gebied waar de effectieve stralingsdosis kan worden opgelopen. Rond het terrein van kerncentrale Borssele is de bestemming uitsluitend industriële doeleinden en daarvoor geldt een ABC-factor van 0,2. Na de toepassing van deze ABC-factor is de berekende maximale effectieve dosis 1,04 microsievert per jaar. In 2017 is met vier monitoren op de terreingrens het gammastralingsniveau continu gemeten. In juni 2017 is het reguliere netwerk van acht monitoren hersteld, dat in 2016 vanwege werkzaamheden was onderbroken. In dit rapport zijn de daggemiddelden van de metingen van de MONET-monitoren rond de kerncentrale in 2017 weergegeven. Ook wordt uitgelegd hoe voor elk meetpunt de natuurlijke achtergrondwaarde is bepaald.
Jaar: 2018 Onderzoek Documenten: 1