Critical load of acidity to surface waters in south-central Ontario, Canada. II. Application of the First-Order Balance (FAB) model | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Nitrate in the upper groundwater of 'De Marke' and other farms | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Monitoring the effectiveness of the Dutch Mineral Policy on nitrate in groundwater | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Monitoring nitrogen and phosphorus in shallow groundwater and ditch water on farms in the peat regions of the Netherlands | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Leaching of nitrate from agriculture to groundwater: effect of policies and measures in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Als we de luchtkwaliteit over 2001 vergelijken met die van 2000 blijken deze in grote lijnen met elkaar overeen te komen. De trendmatige daling van concentraties heeft zich in grote lijnen doorgezet. 2001 was wat meteorologische invloed betreft een normaal jaar. Normoverschrijdingen op landelijke schaal hebben zich voorgedaan van ozon, zwevende deeltjes (PM10), depositie van potentieel zuur en stikstof. In de stedelijke omgeving is de jaargemiddelde norm NO2 overschreden langs een weglengte van circa 2000 km. Voor benzeen en benzo[a]pyreen geven berekeningen aan dat incidenteel overschrijdingen van grenswaarden kunnen zijn voorgekomen. In het jaaroverzicht luchtkwaliteit 2001 wordt op basis van metingen en modelberekeningen een samenvattend beeld gegeven van de luchtkwaliteit en de belasting van bodem en oppervlaktewater door atmosferische depositie in Nederland over 2001. Het rapport beschrijft de onderwerpen: mondiale, fotochemische, verzurende, deeltjesvormige en lokale luchtverontreiniging. Als extra onderwerp is een hoofdstuk opgenomen over de Nederlandse luchtkwaliteit in relatie tot de nieuwe Europese wetgeving voor luchtkwaliteit.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport doet verslag van de doorrekening van drie emissieniveaus voor verzurende stoffen op het terrein van de depositie van zuur en stikstof, ozon, fijn stof en NO2 in 2010. De doorgerekende pakketten zijn de Referentieraming voor broeikasgassen, een variant met 12 aanvullende beleidsopties ten opzichte van de Referentieraming en de NMP4-inspanningsverplichtingen voor 2010. Er is verondersteld dat de buitenlandse emissies worden gereduceerd conform de NEC richtlijn voor de EU-lidstaten en volgens het Gotenburg protocol voor de overige landen. Het uitstootreductiepotentieel van de 12 beleidsopties lijkt voor SO2, NOx en NH3 voldoende om in 2010 aan de EU-verplichtingen te kunnen voldoen. Het verschil tussen de huidige situatie (2001) en de varianten in 2010 is aanzienlijk. Gegeven alle onzekerheden is er slechts een geringe kans dat het huidige beleid (Referentieraming) afdoende is om de nationale depositiedoelstellingen uit het NMP4 te halen. Met de 12 aanvullende maatregelen en met het NMP4 pakket is deze kans reeler. Het percentage landnatuur dat beschermd is (cq areaal onder de kritische depositieniveaus) tegen de invloed van depositie zal in 2010 ca 10 tot 30% bedragen. In 2010 worden geen overschrijdingen meer verwacht van de EU-doelstelling voor de bescherming van gezondheid en vegetatie tegen ozon. In 2005 lijkt de jaargemiddelde EU norm van 40 mug/m3 voor fijn stof in Nederland over het algemeen haalbaar. Lokale overschrijdingen op op 'hot spots' zijn echter niet uit te sluiten. In 2010 is de indicatieve jaargemiddelde waarde van 20 mug/m3 voor PM10 in Nederland niet haalbaar, zelfs niet tegen hoge kosten. De verbetering van de luchtkwaliteit voor NO2 zet met het bestaand beleid door, waardoor overschrijdingen steeds meer een lokaal fenomeen worden. In 2010 zal lokaal vooral langs snelwegen in stedelijk gebied de EU-norm nog worden overschreden bij zo'n 300 tot 30000 mensen.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Kennis van de samenstelling van huishoudelijk restafval is noodzakelijk voor de onderbouwing van het afvalstoffenbeleid van de Rijksoverheid. Ten behoeve van dit beleid wordt jaarlijks de samenstelling bepaald van het huishoudelijk restafval. Huishoudelijk restafval is het huishoudelijk afval zonder de gescheiden ingezamelde afvalstoffen als GFT (Groente-, Fruit- en Tuinafval), papier en karton, glas, textiel en Kca (Klein chemische afval). In de analyse wordt het restafval opgesplitst naar 15 hoofdcomponenten. De meeste daarvan worden vervolgens verder geanalyseerd op sub-componenten, zoals soorten papier en kunststof, glas op kleur. Van de componenten papier/karton, kunststof, glas, metalen en hout wordt het aandeel verpakkingsafval vastgesteld. De resultaten hiervan zijn vooral van belang voor de monitoring van het Convenant Verpakkingen. In dit rapport zijn de resultaten vermeld van het onderzoek in 1998 en 1999.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Op 28 mei 2002 is door het Communautair Referentie Laboratorium voor Salmonella (CRL-Salmonella) een workshop georganiseerd in Ploufragan, Frankrijk. Alle Nationale Referentie Laboratoria voor Salmonella (NRLs-Salmonella) van de EU lidstaten, met uitzondering van die van Griekenland en Noord-Ierland, waren vertegenwoordigd. In totaal waren er 34 deelnemers.Het programma van de workshop bestond uit verschillende delen. Het eerste deel bestond uit een toelichting op de stand van zaken met betrekking tot de nieuwe zoonose richtlijn. Daarnaast werd verslag gedaan van de workshop van het CRL voor Epidemiologie van Zoonosen (gehouden najaar 2001) en was er een bijdrage over (nieuw) opkomende Salmonella typen in Nederland. Het tweede en derde deel van de workshop bestond uit bijdragen op het gebied van de bacteriologie, respectievelijk, typering. In deze delen werden o.a. reeds uitgevoerde ringonderzoeken besproken en werd bediscussieerd hoe de aankomende ringonderzoeken er uit zouden moeten zien. In het vierde en laatste deel werden enkele meer algemene onderzoeksbijdragen ondergebracht.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Kennis van het aandeel verpakkingen in het gescheiden ingezameld papier en karton is noodzakelijk voor de monitoring van het Convenant Verpakkingen. Daarom wordt jaarlijks de samenstelling van gescheiden ingezameld papier en karton bepaald. Dit gebeurt door eenmaal per jaar papier en karton uit tien, verspreid in den lande opgesteld staande, papiercontainers te analyseren. In dit rapport zijn de resultaten beschreven voor de periode 1998 tot en met 2001.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
False-positive mycobacterium tuberculosis cultures in 44 laboratories in the Netherlands (1993 to 2000): incidence, risk factors, and consequences | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Conservation of phage reference materials and water containing bacteriophages of enteric bacteria | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Technical modeling in integrated risk assessment of chemical installations | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Global distribution of mycobacterium tuberculosis spoligotypes | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Measles epidemic in the Netherlands, 1999-2000 | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Serotype and phage type distribution of Salmonella strains isoloated from humans, cattle, pigs, and chickens in the Netherlands from 1984 to 2001 | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
A reanalysis of liver cancer incidence in Danish patients administered thorotrast using a two-mutation carcinogenesis model | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Cigarette smoking and alcohol consumption in relation to cognitive performance in Middle Age | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
An outbreak of diarrhea in a neonatal medium care unit caused by a novel strain of rotavirus: investigation using both epidemiologic and microbiological methods | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Rational optimization of generic primers used for Norwalk-like virus detection by reverse transcriptase polymerase chain reaction | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Mite and pet allergen levels in homes of children born to allergic and nonallergic parents: the PIAMA study | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Urban air quality assessment model: UAQAM | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Kennis van de samenstelling van huishoudelijk restafval is noodzakelijk voor de onderbouwing van het afvalstoffenbeleid van de Rijksoverheid. Ten behoeve van dit beleid wordt jaarlijks de samenstelling bepaald van het huishoudelijk restafval. Huishoudelijk restafval is het huishoudelijk afval zonder de gescheiden ingezamelde afvalstoffen als GFT (Groente-, Fruit- en Tuinafval), papier en karton, glas, textiel en Kca (Klein chemische afval). In de analyse wordt het restafval opgesplitst naar 15 hoofdcomponenten. De meeste daarvan worden vervolgens verder geanalyseerd op sub-componenten, zoals soorten papier en kunststof, glas op kleur. Van de componenten papier/karton, kunststof, glas, metalen en hout wordt het aandeel verpakkingsafval vastgesteld. De resultaten hiervan zijn vooral van belang voor de monitoring van het Convenant Verpakkingen. In dit rapport zijn de resultaten vermeld van het onderzoek in 2000 en 2001.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Trimethyl chitosan chloride (TMC) as a novel excipient for oral and nasal immunisation against diphteria | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Sero-epidemiology of measles, mumps and rubella in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Physical disability in the Netherlands: prevalence, risk groups and time trends | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
T cell response in acute measles | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Long-term effect of fish oil diet on basal and stimulated plasma glucose and insulin levels in ob/ob mice | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Transitieonderzoek vraagt om concrete kwaliteitsbeelden | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Conformational analysis of opacity proteins from Neisseria meningitidis | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Relations among serum ferritin, C282Y and H63D mutations in the HFE gene and type 2 diabetes mellitus in the Czech population | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Intercenter reproducibility of binary typing for Staphylococcus aureus | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Metal versus plastic spacers: an in vitro and in vivo comparison | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Scaling of atrioventricular transmission in mammalian species: an evolutionary riddle | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Health effects and time course of particulate matter on the cardiopulmonary system in rats with lung inflammation | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Air pollution from traffic and the development of respiratory infections and asthmatic and allergic symptoms in children | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Molecular epidemiology of bovine tuberculosis in the Czech Republic and Slovakia in the period 1965-2001 studied by spoligotyping | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Respiratory symptoms, bronchitis and asthma in children of Central and Eastern Europe | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Response regulator important in pathogenesis of Streptococcus suis serotype 2 | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Estimation of global NH3 volatilization loss from synthethic fertilizers and animal manure applied to arable lands and grasslands | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Global patterns of dissolved inorganic and particulate nitrogen inputs to coastal systems: recent conditions and future projections | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Immunization of macaques with formalin-inactivated respiratory syncytial virus (RSV) induces interleukin-13-associated hypersensitivity to subsequent RSV infection | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Coffee consumption and risk of type 2 diabetes mellitus | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Escherichia coli O157 infection associated with a petting zoo | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Voor het verkrijgen van een ruimtelijke beeld van de ammoniakconcentratie in Nederland is van september 2000 t/m september 2001 op een grid van 15 x 15 km (159 locaties) met passieve samplers ammoniak gemeten. De hoogste ammoniakconcentraties gerepresenteerd door het grid komen in alle maanden voor in het oosten van Noord-Brabant en noorden van Limburg met een jaargemiddelde concentratie van 15 ug/m3. Verhoogde concentraties van tegen de 10 ug/m3 komen voor in de Gelderse Vallei, de Achterhoek en Twente en van ongeveer 7 ug/m3 in het midden van Overijssel en Friesland. De gemiddelde ammoniak concentratie per maand in Nederland varieerde van 4 ug/m3 in het najaar van 2000 tot 9,6 ug/m3 in mei 2001 met een jaargemiddelde van 6,6 ug/m3. Het jaargemiddelde van de 159 meetlocaties levert ook 6,6 ug/m3 op, terwijl het gemiddelde op de acht LML-locaties hoger is met 7,8 ug/m3.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
In dit onderzoek zijn met behulp van permanente registrerende meetposten geluidmetingen verricht aan wegverkeer, railverkeer en (militaire) luchtvaart. Er wordt gerapporteerd over de metingen die zijn verricht in 2001. Metingen aan het wegverkeer vonden plaats langs de rijksweg A2 bij Breukelen en zijn gecombineerd met tel- en snelheidsgegevens van het verkeer teneinde geluidemissies van personenauto's en het vrachtverkeer te bepalen. De resultaten zijn vergelijkene met voorgaande resultaten en met waarden uit standaard rekenvoorschriften. Het onderzoek gaat daarnaast ook in op de resultaten van metingen op een binnenstedelijke meetlocatie aan de Constant Erzeijstraat te Utrecht waar o.a. het effect van neerslag op geluidemissie is onderzocht. Metingen aan railverkeer zijn verricht langs het spoor tussen Utrecht en Amsterdam ter hoogte van Breukelen en langs het spoor bij Nieuwerkerk aan den IJssel waarbij geluidmetingen zijn gekoppeld aan treincategorie. Tenslotte wordt ingegaan op metingen die vanaf maart 2000 zijn verricht op een meetlocatie vlakbij het militaire luchtvaartterrein Volkel
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Fijn stof in de lucht kan leiden tot gezondheidsklachten en zelfs vroegtijdige sterfte. Dat blijkt uit een honderdtal epidemiologische studies. Hoe die effecten precies ontstaan is nog niet duidelijk. Vast staat echter dat de gezondheidseffecten door fijn stof zo ernstig en omvangrijk zijn dat nadere actie geboden is. In de wetenschappelijke literatuur staat fijn stof bekend als 'deeltjesvormige luchtverontreiniging' (Engels: Particulate Matter, ofwel PM.). Afhankelijk van de doorsnee van de stofdeeltjes wordt gesproken van PM10 (voor deeltjes met een doorsnee tot 10 micrometer) of PM 2,5 (doorsnee tot 2,5 micrometer). Een micrometer is een duizendste millimeter. Deeltjes kleiner dan 10 micrometer worden door mensen ingeademd en dringen door in de luchtwegen. Dankzij recente studies zijn er gegronde vermoedens over de biologische mechanismen die in het spel zijn en welke groepen mensen waarschijnlijk gevoelig zijn voor blootstelling aan fijn stof. Maar aangezien 'fijn stof ' een verzamelnaam is voor een complex mengsel van allerhande grote en kleinere stofdeeltjes in de luchtverontreiniging blijft het lastig om oorzakelijke verbanden te ontrafelen. In hoofdstuk 2 van dit rapport komen de verschillende fijn stof deeltjes, hun onderlinge wisselwerking in de atmosfeer en de diverse meetmethoden aan bod. Ook wordt een overzicht gegeven van de gezondheidsklachten die fijn stof kan veroorzaken. In hoofdstuk 3 worden de nieuwste epidemiologische, toxicologische en medische inzichten in onderlinge samenhang besproken. Op grond van epidemiologische studies wordt geschat dat in Nederland jaarlijks zo'n 1700 tot 3.000 mensen vroegtijdig overlijden door het inademen van fijn stof. En dan hebben we het alleen nog over de acute gevolgen van blootstelling aan luchtverontreiniging. Nemen we ook de lange-termijneffecten van chronische blootstelling aan fijn stof in beschouwing, dan zouden in Nederland mogelijk zelfs 10.000 tot 15.000 mensen jaarlijks vroegtijdig overlijden. De laatste schattingen zijn met meer onzekerheid omgeven, aangezien chronische effecten in minder studies gekwantificeerd zijn dan acute effecten. Bovendien is de berekening het resultaat van een vertaalslag van internationale onderzoeksresultaten naar de Nederlandse situatie en die is niet helemaal vergelijkbaar. Hoofdstuk 4 van dit rapport geeft een overzicht van de meest recente informatie over bronnen en emissies van fijn stof in Nederland. Aansluitend wordt in hoofdstuk 5 de huidige en toekomstige Europese normstelling kritisch beoordeeld. Aanbevolen wordt om voorlopig PM10 te blijven hanteren als Europese standaard voor luchtverontreiniging door grove {n fijnere stofdeeltjes. Daarnaast zou er voor het fijnste stof een aparte normstelling of een meer brongerichte normstelling ontwikkeld moeten worden omdat er steeds meer aanwijzingen komen dat kleinere stofdeeltjes de gezondheid bedreigen Overigens is nooit aangetoond dat de gezondheidseffecten pas boven een bepaalde drempelwaarde optreden. Zelfs van fijn stof concentraties ver onder de huidige Europese normen zijn gezondheidseffecten in de bevolking te verwachten. Fijn stof is een complex mengsel van allerlei fracties die meer of minder van belang zijn voor de gezondheid. Die verschillen in toxische potentie wegen zwaar mee bij een doeltreffend emissiebeleid. Bestrijding van de uitstoot van fijn stof valt te rechtvaardigen vanuit het voorzorgbeginsel. Door verdere brongerichte maatregelen kan men de totale massa PM10 aerosol in de luchtverontreiniging terugdringen, of eerst die fracties aanpakken die vermoedelijk het meest relevant zijn voor de gezondheid. Waarschijnlijk behoren tot de relevante fracties het dieselroet uit de vervoerssector en fijn stof afkomstig van overige verbrandingsprocessen. Dergelijke bronnen verdienen prioriteit in het beleid voor uitstootbeperking van fijn stof. Bestrijding van de ongecontroleerde scheepvaartemissies blijkt bijzonder kosten-effectief. De aanpak van andere verbrandingsprocessen, zoals industriele verbranding, open haarden en mobiele werktuigen is ook mogelijk, maar minder kosten-effectief. De EU heeft voor fijn stof twee normen vastgesteld, namelijk een dag- en een jaargemiddelde. Deze beide normen zijn niet gelijkwaardig, hoewel dat oorspronkelijk wel de bedoeling was. De Europese jaargemiddelde PM10 norm bedraagt 40 microgram fijn stof per kubieke meter lucht (ug/m3). In Nederland kunnen we dat vertalen naar een dagelijkse norm van 50 ug/m3 met 80 toegestane overschrijdingen per jaar (terwijl de EU-norm maar 35 overschrijdingen toestaat) of een dagelijkse norm van 100 ug/m3 met 7 toegestane overschrijdingen per jaar. Om praktische redenen verdient die laatste norm de voorkeur. Overigens zijn er goede argumenten om maar een norm, en dan liefst een jaargemiddelde, te hanteren. Een daggemiddelde norm kan echter van pas komen bij publieksvoorlichting. In 2005 lijkt de jaargemiddelde EU norm van 40 ug/m3 voor fijn stof in Nederland in het algemeen haalbaar. Lokale overschrijdingen op 'hot spots' zijn echter niet uit te sluiten. In 2010 is de indicatieve jaargemiddelde waarde van 20 ug/m3 in Nederland echter niet haalbaar, zelfs niet tegen hoge kosten. Zelfs als in 2010 alle voorgenomen stofbestrijdingsmaatregelen zijn uitgevoerd zullen vermoedelijk nog steeds 36 tot 40 maal per jaar daggemiddelde concentraties boven de 50 ug/m3 voorkomen. De dagelijkse EU normen voor 2005 en voor 2010 lijken voor Nederland dan ook niet haalbaar en gezondheidseffecten zullen blijven bestaan.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
De jaargemiddelde EU-NO2-norm zal, volgens het EC scenario van het CPB, nog overschreden worden in 2010 bij gemiddelde meteorologie. Overschrijding vindt voornamelijk plaats bij woningen langs snelwegen in stedelijk gebied. Om te voldoen aan de grenswaarde zal mogelijk lokaal voor miljarden euro aan maatregelen (sloop huizen, tunnels, luifels) genomen moeten worden. Ook bij uitvoering van NMP4 en het BOR (Bereikbaarheids Offensief Randstad) verkeersbeleid wordt de norm nog overschreden in 2010. Wel daalt het aantal overschrijdingen fors (factor 15). Om aan de grenswaarde te voldoen dalen de kosten van mogelijke lokale maatregelen van enkele miljarden euro tot enkele tientallen miljoenen euro. Pas als er na de uitvoering van NMP4 in 2010 in Europees verband maximaal emissiereductie- en verkeersbeleid wordt ingezet dan vindt er in en na 2015 geen overschrijding bij woningen meer plaats onder gemiddelde meteorologische omstandigheden.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Cytokine production induced by low-molecular-weight chemicals as a function of the stimulation index in a modified local lymph node assay: an approach to discriminate contact sensitizers from respiratory sensitizers | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
In dit rapport worden de demografische en epidemiologische kenmerken beschreven van personen met HIV die in Nederland geregistreerd zijn binnen het ATHENA-project, de HIV registratie, de Kinderregistratie en de AIDS-registratie. Gegevens van nieuw gediagnosticeerde HIV-positieven worden sinds januari 2002 verzameld door de Stichting HIV Monitoring via de 22 HIV-behandelcentra. Met de oprichting van deze stichting wordt de organisatorische structuur van het ATHENA-project voortgezet. Het ATHENA-project is een observationeel cohort van ruim 4000 HIV-positieve personen die in de periode 1998-2001 behandeld zijn met HAART.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport beschrijft de vierde versie van het Uniforme Beoordelingssysteem Stoffen, USES 4.0. Dit bestaat uit een zoveel mogelijk geintegreerd risico-beoordelingssysteem voor nieuwe en bestaande stoffen, landbouwbestrijdingsmiddelen (gewasbeschermingsmiddelen) en niet-landbouwbestrijdingsmiddelen (biociden). Het risicobeoordelingssysteem voor nieuwe en bestaande stoffen is volledig gelijk is aan EUSES 1.00 (European Union System for the Evaluation of Substances). USES is een beslissingsondersteunend instrument voor overheden, onderzoeks-instituten en chemische bedrijven bij het snel en efficient kwantitatief beoordelen van de algemene risico's van stoffen.De eerste versie van USES kwam in 1994 beschikbaar als een uitgave van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM).
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
In het kader van de Gezondheidskundige Evaluatie Schiphol heeft onder 418 volwassenen in 15 locaties dichtbij en verder weg van Schiphol een veldonderzoek naar slaapverstoring plaatsgevonden. Het doel was blootstelling-respons relaties tussen indicatoren van slaapverstoring en nachtelijk vliegtuiggeluid vast te stellen en te schatten welk percentage van effecten bij omwonenden van Schiphol met blootstelling aan vliegtuiggeluid samenhangt. Gedurende 11 opeenvolgende nachten werd van 10 uur 's avonds tot 9 uur 's ochtends in de slaapkamer van de deelnemer en buiten het geluidniveau gemeten. Indicatoren van slaapverstoring werden gemeten met actimetrie (bewegingen: motorische onrust, ontwaken, inslaaptijd), een logboekje (herinnerd ontwaken, slaapkwaliteit, medicijngebruik) en een vragenlijst (ervaren hinder, gezondheidsklachten). De toename in motorische onrust door vliegtuigpassages begon bij lagere geluidniveaus dan verwacht. Deelnemers van wie de lange termijn blootstelling aan vliegtuiggeluid relatief gering is, reageerden sterker op passages dan mensen die relatief hoog zijn blootgesteld. Ook de inslaaptijd, het gebruik van slaapmiddelen, de gemiddelde motorische onrust en het aantal malen wakker worden nam toe bij een oplopend gemiddeld geluidniveau tijdens de slaap. Er werd geen relatie tussen geluidniveau en de uitkomsten van een reactietijdtest aangetroffen. De prevalenties van ervaren hinder en het gemiddeld aantal gezondheidsklachten hingen samen met de lange termijn blootstelling aan vliegtuiggeluid. De blootstelling-respons relaties zijn gebruikt om te schatten hoeveel mensen rondom Schiphol slaapverstoring door vliegtuiggeluid ondervinden.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Een beschrijving wordt gegeven van de uitgangspunten die gebruikt zijn bij de modelmatige berekening van de mest- en ammoniakemissies in de jaarlijks verschijnende Milieubalans. Het modelinstrumentarium is ontwikkeld door het Landbouw Economisch Instituut en wordt gevoed met generieke invoerdata afkomstig van de jaarlijkse Landbouwtelling en met specifieke uitgangspunten. Met specifieke uitgangspunten worden bedoeld de stikstof- en fosfaatexcretie per diercategorie, de ammoniakemissie van stalsystemen en mestaanwendingstechnieken, en de mate waarin de verschillende staltypen en mestaanwendingstechnieken voorkomen. Het rapport volgt de mineralenroute van opname en excretie door het dier tot en met opslag en aanwending op het land. Een scala aan bronnen vormt de basis voor de gebruikte uitgangspunten. Bij de mest- en ammoniakberekeningen wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de specifieke situatie in een bepaald jaar. Dit rapport beschrijft de uitgangspunten voor de jaren 1997 en 1998* (Milieubalans 1999) en voor de jaren 1998 en 1999* (Milieubalans 2000). Het *-teken geeft aan dat het voorlopige berekeningen voor dat jaar betreft.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft een onderzoek uitgevoerd naar rolstoelgerelateerde incidenten. Ongelukken met elektrische en handmatige rolstoelen, welke waren gerapporteerd aan de Amerikaanse FDA, de Britse MDA en het Nederlandse centrum voor Kwaliteits- en Bruikbaarheidsonderzoek van Hulpmiddelen (KBOH) zijn bestudeerd. De gegevens in de geraadpleegde databases geven niet aan dat incidenten met rolstoelen een groot probleem voor de volksgezondheid vormen. Daarentegen geven publicaties in de literatuur en Nederlandse gegevens over rolstoelgerelateerde sterfgevallen aan dat het daadwerkelijke aantal ernstige verwondingen en sterfgevallen, voornamelijk gebruiksgerelateerd, aanzienlijk hoger is dan de getallen uit de databases. Dit wordt gedeeltelijk veroorzaakt door de verschillende aard van de bronnen. In het algemeen lijkt er sprake te zijn van onderrapportage. Het lage aantal vigilantiemeldingen in Europa t.o.v. the VS verdient aandacht. Een aangepaste versie van de Critical Incident Technique, gebaseerd op de keten van gebeurtenissen van oorzaak tot gevolg van verwonding, is gebruikt om de meldingen van de FDA en KBOH te bestuderen. Voor de MDA meldingen is een verkorte keten gebruikt. Deze methode bleek een bruikbare methode te zijn om informatie te structureren. De rolstoelincidenten van de FDA en MDA waren hoofdzakelijk productgerelateerd, terwijl in de literatuur meestal gebruiksgerelateerde incidenten werden gemeld. Onderdelen voor de aandrijving, frames en wielen kwamen het meest frequent voor als probleem. Problemen tijdens het transport en m.b.t. comfort of pasvorm werden wel genoemd in de literatuur, maar slechts zelden in de databases. Het vallen of kantelen werd vaak genoemd als effect in de databases en het leidde vaak tot ernstige verwondingen. Botbreuken kwamen het meest frequent voor als ernstige verwondingen en kwamen vaker voor bij gebruikers van elektrische rolstoelen.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Sinds oktober 1997 wordt wekelijks consumptiemelk verzameld die afkomstig is van grote melkfabrieken in regio's van Nederland. Van deze melkmonsters wordt het gehalte dioxinen en dioxineachtige (non-ortho) PCB's bepaald om de inname van deze stoffen via de consumptie van melk door de algemene bevolking te kunnen vaststellen. De bemonstering van de melk wordt uitgevoerd door de regionale Keuringsdiensten van Waren. De chemische analyses worden door het het Laboratorium voor Organisch-analytische Chemie van het RIVM verricht. In het rapport worden de meetgegevens samengevat die verkregen zijn door analyse van maandgemiddelde monsters consumptiemelk verzameld in de periode oktober 1997 - september 2001. Dioxinen en non-ortho PCB niveaus zijn uitgedrukt in picogram dioxine equivalenten per gram melkvet [pg (i)-TEQ/g vet en pg (WHO)-TEQ/g vet, respectievelijk], gebruik makend van de Internationale Toxische Equivalent Factoren voor PCDD's en PCDF's (NATO/CCMS 1988; van Zorge 1989), de WHO-TEF's voor dioxineachtige PCB's (Ahlborg 1994) respectievelijk de 1998 WHO-TEF's (van den Berg 1998). De gemeten dioxine concentraties in de melk varieerden van 0,3 tot 2,9 pg WHO-TEQ/g vet en waren aldus alle ruim beneden de Nederlandse norm van 6 pg (i)-TEQ/g vet. Vanaf mei 2001 is de norm 5 pg WHO-TEQ/g vet. De dioxine niveaus waren het hoogst in oktober 1997 met een nationaal gemiddelde van 2,3 pg WHO-TEQ/g vet. Na deze periode nam het gehalte dioxinen geleidelijk af tot 0,3 pg WHO-TEQ/g vet in september 2001. Van dezelfde monsters werd ook het gehalte non-ortho PCB's bepaald. De gemeten non-ortho PCB concentraties in de melk varieerden van 0,5 tot 2,0 pg WHO-TEQ/g vet. De non-ortho PCB concentratie was het hoogst in november 1997 met een nationaal gemiddelde van 1,7 pg WHO-TEQ/g vet. Na deze periode nam het gehalte non-ortho PCB's geleidelijk af tot 0,5 pg WHO-TEQ/g vet in september 2001.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Vaccine effectiveness against COVID-19 hospitalisation in adults (≥ 20 years) during Omicron-dominant circulation: I-MOVE-COVID-19 and VEBIS SARI VE networks, Europe, 2021 to 2022 | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
The explosion of a fireworks storage facility and its causes | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Aircraft noise exposure from Schiphol airport: a relation with complainants | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Risk analysis of a fireworks storage facility | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
In dit rapport worden de (inter)nationale ontwikkelingen met betrekking tot de ARfD en de bijbehorende innameberekeningen bediscussieerd. Voor het afleiden van de ARfD heeft Nederland een uitgebreide richtlijn gepubliceerd. Op internationaal niveau is verdere harmonisatie gewenst. Binnen de EU wordt gewerkt aan een richtlijn voor de ARFD en internationale harmonisatie vind plaats binnen een werkgroep van de FAO-JMPR-WHO (met participatie van RIVM). Twee belangrijke aspecten voor het beleid zijn het vaststellen van een separate ARfD voor vrouwen in de vruchtbare leeftijd en hoe om te gaan met overschrijdingen van de ARfD. Op het gebied van de acute innameberekeningen is er behoefte aan meer adequate data (bijv. Specifieke consumptiegegevens, residuvariabiliteit). Voor het implementeren van probabilistische methoden moet (inter)nationale harmonisatie worden ontwikkeld waarbij afspraken moeten worden bewerkstelligd voor een aantal fundamentele keuzes die de basis vormen voor de berekeningen.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Effects of Pseudomonas putida modified to produce phenazine-1-carboxylic acid and 2,4-diacetylphloroglucinol on the microflora of field grown wheat | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Spatial variability of fine particle concentrations in three European areas | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Trimethyl chitosan chloride (TMC) as a novel excipient for oral and nasal immunisation against diphtheria | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Long-term, consistent scenarios of emissions, deposition, and climate change in Europe | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
An integrated assessment of regional air pollution and climate change in Europe: findings of the AIR-CLIM Project | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
De Zwakste Schakel: Medroxyprogesteron-acetaat in varkensvoeder | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Column experiments to study nonlinear removal of bacteriophages by passage through saturated dune sand | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Cell lines and Salmonella, an in vitro model for studying dose-response relations | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Impacts of climate change on critical loads and their exceedances in Europe | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Adherence and invasion of Salmonella enteritidis 857 to Caco-2 cells decreases after simultaneous incubation with Lactobacillus casei Shirota | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Exposure to solar ultraviolet radiation in young Dutch children: assessment by means of a 6-week retrospective questionnaire | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Long-term reductions in costs of controlling regional air pollution in Europe due to climate policy | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Pain catastrophizing and general health status in a large Dutch community sample | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Critical climate change as an approach to assess climate change impacts in Europe: development and application | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Human variability in polymorphic CYP2D6 metabolism: is the kinetic default uncertainty factor adequate? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Molecular evidence to support a proposal to reserve the designation Mycobacterium avium subsp. avium for bird-type isolates and 'M. avium subsp. hominissuis' for the human/porcine type of M. avium | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Assessment of digit preference in self-reported year at menopause: choice of an appropriate reference distribution | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Expression of foreign LpxA acyltransferases in Neisseria meningitidis results in modified lipid A with reduced toxicity and retained adjuvant activity | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Increased heat fluxes near a forest edge | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Global government applications of analogues, SARs and QSARs to predict aquatic toxicity, chemical or physical properties, environmental fate parameters and health effects of organic chemicals | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Predominace of a novel Mycobacterium tuberculosis genotype in the Delhi region of India | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Bacillus cereus is de veroorzaker van twee verschillende soorten voedselgerelateerde aandoeningen. In het ene geval gaat het om een braaksyndroom. In het andere geval gaat het om een diarreesyndroom. Het diarreesyndroom kan veroorzaakt worden door vier enterotoxinen: enterotoxine-T, cytotoxine-K, haemolysine BL (HBL) en non-haemolytisch enterotoxine (NHE). In dit rapport staat een beschrijving van het pathogene mechanisme van HBL en NHE centraal en wordt ingegaan op de mogelijke bijdragen van het micro-organisme en de enterotoxinen aan het pathogene mechanisme. Een beter begrip van het pathogene mechanisme is om twee redenen van belang. Ten eerste voor een betere beschrijving van dosis-respons relaties: wat is de kans om ziek te worden bij inname van een bepaalde dosis. Ten tweede kan het, in combinatie met kwantitatieve gegevens omtrent voorkomen van ziekteverwekkende B. cereus stammen, bijdragen aan een bijstelling van de criteria die gesteld zijn ten aanzien van het mogen voorkomen van B. cereus in levensmiddelen. Daarnaast wordt een voorstel gedaan voor verder onderzoek om het pathogene mechanisme achter het diarreesyndroom op te helderen.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
IL-1beta gene polymorphisms influence hepatitis B vaccination | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Bacillus cereus is een algemeen voorkomend micro-organisme dat verantwoordelijk kan zijn voor voedsel gerelateerde aandoeningen. Het vermogen van het micro-organisme om ziekte te verwekken hangt evenwel af van eigenschappen zoals de mogelijkheid tot het vormen van (entero)-toxine(n) die niet met microbiologische methoden kunnen worden gedetecteerd. Zodoende is verder onderzoek naar ziekteverwekkende eigenschappen niet alleen van belang om karakteristieken van stammen te identificeren, maar ook om het voorkomen van ziekteverwekkende stammen op bepaalde voedsel-componenten na te gaan. Methoden die verdere karakterisering mogelijk maken staan beschreven in dit rapport. Aan de hand van een "case study" wordt duidelijk gemaakt hoe de diverse methoden kunnen worden toegepast. Tevens wordt ingegaan op de toepassing en mogelijkheden van de methoden bij het onderzoek van stammen die op levensmiddelen voorkomen. Onderscheid kunnen maken tussen ziekteverwekkende en niet- ziekteverwekkende B. cereus stammen zou aanleiding kunnen geven tot het bijstellen van de criteria die gesteld zijn ten aanzien van het mogen voorkomen van B. cereus in levensmiddelen. Nader onderzoek met betrekking tot het tot expressie komen van genen coderend voor enterotoxinen en de vorming en het werkingsmechanisme van de enterotoxine complexen is hierbij van veel belang.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Het doel van deze studie was te onderzoeken of neonatale screening op adrenogenitaal syndroom (AGS) in Nederland haalbaar was en of dit kon worden ingepast in de bestaande screeningsprogramma's voor congenitale hypothyreoidie (CHT) en phenylketonurie (PKU), en verder om de prevalentie van AGS en de sensitiviteit en specificiteit van de gebruikte methode vast te stellen. Op 1 januari 1998 werd met financiele ondersteuning van ZonMw een tweejarig pilotonderzoek gestart in twee van de vijf screeningsregio's, waarbij iets minder dan de helft van alle pasgeborenen gescreend werden. De concentratie van het steroid 17alpha-hydroxyprogesteron werd gemeten in de monsters hielprikbloed, afgenomen voor de CHT/PKU screening. De afkapgrenzen waren in 1998 gebaseerd op het geboortegewicht, en vanaf 1999 op de zwangerschapsduur. Om fout-negatieve resultaten op te sporen en om de prevalentie van AGS vast te stellen in de screeningsregio en de controle regio werden alle kinderartsen verzocht om ziektegevallen te melden aan het Nederlands Signaleringscentrum Kindergeneeskunde (NSCK). De gebruikte meetmethode kende een binnen- en tussenmeetsessiespreiding van ca. 10 %. De prevalentie in de screeningsregio (221.418 pasgeborenen, 18 patienten; 9F,9M) was 1:12301 en in de controle regio (281.166 pasgeborenen, 25 patienten:12F,13M) 1:11247. De sensitiviteit was 100%, specificiteit 99.9% en positief voorspellende waarde 6.2%. Drie van de 9 meisjes en alle jongens waren klinisch niet verdacht. Alle AGS-patienten in de screeningsregio konden worden behandeld voordat de zoutcrisis intrad (natrium:133.6 plus of min 3.2 mmol/l serum) terwijl in de controle regio de meeste patienten ernstige hyponatrienemie vertoonden (natrium: 119.9 plus of min 10.5 mmol/l serum). Ook de opnameduur in het ziekenhuis was voor jongens in de screeningsregio gemiddeld 6 dagen korter. Op basis van deze gunstige resultaten van het pilotonderzoek werd door het Ministerie van VWS besloten om de proefscreening uit te breiden tot het gehele land gedurende 2 jaar, d.w.z. 2000 en 2001. Door aanloopproblemen met de financiering via het College van Zorgverzekeringen kon deze uitbreiding echter pas per 1 juli 2000 worden geeffectueerd. Nadat ook deze periode succesvol was afgesloten heeft de Minister van VWS besloten om de screening op AGS per 1 januari 2002 in het reguliere neonatale screeningprogramma op te nemen.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Het Nationaal Meetnet Radioactiviteit: de tweede generatie | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
De derde Volksgezondheid Toekomst Verkenning (VTV) bevat opnieuw een grote hoeveelheid actuele informatie over volksgezondheid, preventie en zorg in Nederland. Vergeleken met de ons omringende landen gaat het met de gezondheid in Nederland minder goed. Onze levensverwachting is weliswaar toegenomen, maar minder snel dan in de meeste andere EU-landen. Het relatief ongezonde gedrag is de belangrijkste oorzaak van deze stagnatie. Een nieuwe, krachtige preventieaanpak kan dit ongunstige tij keren. Naast versterking van de preventie zal in de toekomst door groei en vergrijzing meer zorg nodig zijn. Bovendien is hierbij een verdere verschuiving van genezing naar verzorging nodig. Het gaat echter niet alleen om meer zorg, maar ook om goede zorg: effectief, veilig en toegankelijk voor iedereen. De informatie in de VTV-2002 is niet alleen van belang voor VWS; ook voor lokale overheden, andere ministeries en de verschillende partijen in het zorgveld kan het een waardevolle informatiebron zijn. Dit rapport maakt deel uit van de VTV-2002. Naast dit samenvattend rapport zijn reeds verschillende VTV-themarapporten verschenen, over uiteenlopende onderwerpen als gezondheid in de grote steden, bevorderen van gezond gedrag, geneesmiddelen en medische hulpmiddelen, ouder- en kindzorg en kosten van ziekten. Bovendien maken drie websites deel uit van de VTV: het Nationaal Kompas Volksgezondheid ( www.nationaalkompas.nl ), de Nationale Atlas Volksgezondheid ( www.zorgatlas.nl ) en de Kosten-van-Ziektenwebsite ( www.kostenvanziekten.nl ).
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
De beleidsvoornemens van CDA, VVD en LPF - zoals aangegeven in het Strategisch Akkoord, de Miljoenennota 2003, de notitie 'Vaste Waarden, Nieuwe Vormen; milieubeleid 2002-2006' en de Stellingnamebrief Nationaal Ruimtelijk Beleid - zullen naar verwachting in 2010 per saldo nauwelijks tot extra emissie van milieuverontreinigende stoffen leiden, in vergelijking met de beleidsvoornemens van Paars-2. De bezuiniging op de realisatie van de ecologische hoofdstructuur (EHS), in combinatie met de decentralisatie van het ruimtelijk beleid en de geringe omvang van groene contour-gebieden, kunnen leiden tot een grotere verstedelijkingsdruk in en om de gebieden die van belang zijn voor een samenhangende EHS. Het afbreukrisico voor het realiseren van de oorspronkelijke doelstellingen op het gebied van soortenrijkdom en recreatiegroen en meer algemeen voor het behoud van de kwaliteit van de groene ruimte is daardoor groot.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
MRSA in Nederlandse ziekenhuizen: surveillance resultaten 2001 en toekomstige ontwikkelingen | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Onderzoek naar E.coli O157 in Nederlands drinkwater | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Humaan MetaPneumoVirus, een nieuw ontdekt virus | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Sterke stijging SOA in 2001. Jaarverslag Soa-registratie | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Global pollution of surface waters from point and nonpoint sources of nitrogen | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Laboratoriumdiagnostiek van Legionella pneumophila | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
The prevention and incidence of asthma and mite allergy (PIAMA) birth cohort study: design and first results | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Kernboodschappen van de VTV-2002 | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Hepatitis E-virus in Nederland | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Advies van het RIVM: Preventie is harde noodzaak | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Campylobacteriose in Nederland. Meer onderzoek is nodig voor effectieve bestrijding | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Implementation of bioavailability in standard setting and risk assessment? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Alcohol and coronary heart disease in the Seven Countries Study | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
De eeuw van onze kinderen : Stijging levensverwachting zet nog verder door | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Het gebruik van DNA-fingerprinting om transmissie van tuberculose te onderzoeken | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
En zij leefden nog lang en gezond | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Recombinante poliovaccinstammen: een bedreiging voor de poliovirus-eradicatie? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Het influenzaseizoen 2002/'03 en de vaccinsamenstelling voor het seizoen 2002/'03 | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Zijn functional foods te monitoren? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Virusgevaar onder de loep: voedselinfecties door virussen | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Opportunistische screening op genitale infecties met Chlamydia trachomatis onder de seksueel actieve bevolking van Amsterdam. IV. Kosteneffectiviteitsanalyse van screening uitgebreid met het oog op de specifieke dynamiek van een infectieziekte | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Body fatness, coronary heart disease and all-causes mortality in the Seven Countries Study | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
ARI-EL studie: Acute Respiratoire Infecties in de Eerste Lijn. Voorlopige resultaten van het eerste studiejaar | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Prevalentie, sterfte en incidentie van diabetes: Een schatting van de ziektelast in Nederland | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Serum cholesterol and coronary heart disease in the Seven Countries Study | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Virusgevaar onder de loep | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Cluster of cases of acute hepatitis associated with hepatitis E virus infection acquired in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Is de consumentenwens wel gezond? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Traceren van virale voedselinfecties met behulp van een Europees netwerk | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
ESBL: superbacterie of onrustzaaier? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
De Nederlandse Burden of Disease studie: verdeling van de ziektelast naar leeftijd en geslacht | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Eindresultaten pilot van het eXplosie-project | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Cigarette smoking, coronary heart disease and all-causes mortality in the Seven Countries Study | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Overgewicht en hart- en vaatziekten, cijfers en feiten | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Economic evaluation of vaccination programmes: A consensus statement focusing on viral hepatitis | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Explosieve toename van Salmonella Java in pluimvee | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Infectieuze dosis voor anthrax? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Leefstijl Nederlander vraagt om meer en vernieuwde inzet preventie | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Critical challenges for sustainability science [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Status en sterfte: Sociaal-economische status beinvloedt sterfte | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Type 2 diabetes, glucose tolerance and cardiovascular diseases in the Seven Countries Study | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Diet, lifestyle and prevention of coronary heart disease. The integration of observational and experimental evidence | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Diet and coronary heart disease in the Zutphen Study | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Zwemmen in natuurwater niet zonder risico. Gezondheidsraad adviseert veiligheidsketen | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Association between mortality and indicators of traffic-related air pollution in the Netherlands: a cohort study | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Farmaco-economische aspecten van vaccinatie tegen invasieve pneumokokkeninfecties bij 65-plussers; literatuuroverzicht van kosteneffectiviteitsanalysen | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Diet and coronary heart disease in the Seven Countries Study | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Rapportage van virologische diagnostiek in Nederland. Representativiteit van de gegevens uit de virologische weekstaten | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
AGGZ op de kaart. Vraag en aanbod van ambulante geestelijke gezondheidszorg in regionaal perspectief | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Meten en evalueren in de zorg | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Artikel 7-meldingen aan GGD's in 2000 | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Aangifte acute hepatitis B in 2001 | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Cost-effectiveness of widespread screening for Chlamydia trachomatis | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Global warming & social innovation. The challenge of a climate-neutral society | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Gender, cohort and geographical differences in 0-year mortality in elderly people living in 12 European towns | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Risk factors for global coronary risk in preventive and clinical cardiology | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Sociaal-economische status en sterte | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Identification of a novel family of sequence repeats among prokaryotes | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Analysis and comparison of national and EU-wide projections of greenhouse gas emissions | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
De kosteneffectiviteit van het pneumokokkenvaccin bij 65-plussers | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Dit rapport presenteert de resultaten van radioactiviteitsmetingen in het Nederlandse milieu in 2000 uitgevoerd door RIVM, RIZA, RIKZ en Keuringsdienst van Waren. Radioactiviteitsmetingen zijn uitgevoerd in luchtstof, depositie, oppervlaktewater, zeewater, drinkwater en voedsel (honing, wild, bosbes en paddestoelen). Omgevingsdosisequivalenttempi werden verkregen van het Nationale Meetnet Radioactiviteit. Er zijn geen metingen verricht aan melk. In 2000 werden er geen verhoogde hoeveelheden radioactiviteit gevonden in het Nederlandse milieu.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
In het kader van de mogelijke inbedding van de inspectierichtlijn lijkbezorging in de wet op de lijkbezorging heeft de Hoofdinspectie van de Volksgezondheid voor de Milieuhygiene het RIVM opdracht verleend voor een zogenaamd Quick-scan onderzoek. Hierin wordt het gebruik van de inspectierichtlijn geevalueerd, inzicht gegeven in de branche en huidige praktijk van lijkbezorging en wordt een analyse uitgevoerd van de (milieuhygienische)aandachtspunten in de keten van lijkbezorging. De belangrijkste aanbevelingen uit dit onderzoek betreffen voorstellen voor daadwerkelijk toezicht. Hiermee dient een beter beeld verkregen te worden van de geldende condities voor ontbinding bij begraafplaatsen en uitvoering van de gestelde procedures bij opgravingen. Voorts wordt o.a. aanbevolen om: - M.b.t. de punten van verschil tussen de inspectierichtlijn en de "handleiding Opgraven en Ruimen" van de LOB (Landelijke Organisatie van Begraafplaatsen) binnen de inspectie een definitief standpunt te formuleren, dat als uitgangspunt dient bij een mogelijke inbedding van de richtlijn in de wet op de lijkbezorging. - Een toetsingskader voor eventuele verontreiniging van strooivelden op de stellen. - In de richtlijn duidelijk aan te geven of, en zo ja welke, eisen moeten worden gesteld aan drainagewater van begraafplaatsen. - Toe te zien op de uitvoering van periodieke controles op de gebruikte materialen voor doodskisten, toebehoren en lijkhoezen. - Betrokken te zijn bij afspraken omtrent kwaliteit en afbreekbaarheid van lijkhoezen en de toestbaarheid en handhaafbaarheid hiervan te garanderen.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Naast de jaarlijkse Natuurbalansen en de vierjaarlijkse Natuurverkenningen van het Milieu- en Natuurplanbureau is er een toenemende behoefte aan tussentijdse adviezen over actuele beleidsthema's. Een van die thema's is groen in en om de stad. Het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij wil een goed onderbouwde taakstelling voor dit beleidsthema in het Tweede structuurschema groene ruimte opnemen. Daarom heeft het Ministerie aan het Milieu- en Natuurplanbureau gevraagd om de vraag en het aanbod van groen in en om de stad te beoordelen. Dit rapport is een achtergronddocument bij het briefadvies "Groen in en om de stad" van het Milieu- en Natuurplanbureau aan het Ministerie. Het geeft een beoordeling van de onderbouwing van een voorstel van de ANWB om 60000 ha bos, kleine landschapselementen en paden aan te leggen binnen 10 kilometer van de bebouwde kom.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Uitvoering en resultaten worden beschreven van de meting van het geluid van militaire vliegtuigen die opereren vanaf de militaire luchtmachtbasis Volkel. Hiertoe is het vliegtuiggeluid gedurende bijna een jaar continu gemeten op een vaste locatie op een afstand van circa 2 km van de startbaan. Na correctie van de ruim 4000 registraties voor invloeden van de meetapparatuur en de meteo- en omgevingsomstandigheden is de 'gemiddelde' geluidbelasting over de periode van bijna een jaar bepaald. De jaargemiddelde geluidbelasting wordt ook berekend. Dit gebeurt ter vergelijking met de jaarcontouren die het resultaat zijn van de handhaving van de geluidszone.Op de meetlocatie bij Volkel bedraagt de gemeten 'gemiddelde' geluidbelasting in de geluidmaten B65 en Lden 51 Kosteneenheden (plus of min 2 Ke) respectievelijk 69 dB(A) Lden (plus of min 1 dB(A)). De waarde van 51 Ke (plus of min 2 Ke) valt binnen de marges van de waarde die het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium berekent op basis van het werkelijke luchthaven- en vliegtuiggebruik in 2000. Afhankelijk van het gebruikte spreidingsprofiel ligt de berekende waarde tussen 48 Ke en 51 Ke. De waarde van 48 Ke ligt bijna 8 Ke boven de waarden van de jaarberekeningen van de voorgaande jaren. Deze toename in de berekende geluidbelasting houdt verband met de afronding van technisch-operationele aanpassingen (Mid Life Update) aan de F16's. Hierdoor zijn de vliegprocedures en de geluidproductie van de F16's gewijzigd. De hoofdconclusie van het onderzoek is dat de jaarberekeningen de invloed van veranderingen in het luchthaven-en vliegtuiggebruik op de geluidbelasting niet 'automatisch' en in alle gevallen weerspiegelen. Dit is het gevolg van vastliggende (wettelijke) voorschriften en/of afspraken tussen de wetgever en de terreinbeheerder (de Koninklijke Luchtmacht) en treedt op ondanks de grote aandacht die de Koninklijke Luchtmacht besteedt aan de registratie van het luchthaven- en vliegtuiggebruik. Zo leidt 'hindervermijdend' vlieggedrag op de locatie van de meetpost tot een 3 Ke (plus of min 2 Ke) hogere waarde dan de berekeningen aangeven. Voor de geluidbelasting in de woonkern ten noorden van de meetpost geldt waarschijnlijk het omgekeerde.Om de kwaliteit van de monitoring van het luchtvaartgeluid te verbeteren, wordt aanbevolen om de haalbaarheid te onderzoeken van metingen aan meerdere vliegtuigtypes, onder verschillend technische en operationele omstandigheden. Met deze metingen kan de betrouwbaarheid van de (landelijke) modelberekeningen worden vergroot doordat direct en representatief voor de Nederlandse situatie, wordt vastgesteld hoe de geluidproductie van startende en landende vliegtuigen zich ontwikkelt. Op een drukke (burger)luchthaven kunnen deze metingen in kort tijdsbestek worden uitgevoerd met een opstelling van meerdere microfoons.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Om de potentiele effecten vast te stellen van de trichothecenen nivalenol (NIV), fusarenon X (FusX), diacetoxyscirpenol (DAS), neosolaniol (NeoSol) en 3- and 15-acetyldeoxynivalenol (3-Ac-DON, 15-Ac-DON), werden toxiciteitsdata geevalueerd, om waar mogelijk "tolerable daily intakes'(TDIs) vast te stellen. Ook werd hun voorkomen in granen, veevoer en voedingsmiddelen onderzocht. De zes trichothecenen zijn mycotoxinen, geproduceerd door Fusarium soorten. NIV werd het vaakst aangetroffen in voedingsmiddelen. Het voorkomen van FusX, DAS, NeoSol en 3- en 15-Ac-DON werd zelden gerapporteerd, zeer waarschijnlijk omdat er niet routinematig op werd onderzocht. Derhalve werd aanbevolen meer aandacht te schenken aan FusX, DAS, NeoSol en 3- en 15-Ac-DON in routine-onderzoeksprogramma's. De toxiciteitsdata beschikbaar over FusX, DAS, NeoSol en 3- en 15-Ac-DON waren te beperkt om TDIs af te leiden. Alleen voor NIV waren voldoende toxiciteitsgegevens beschikbaar om een tijdelijke TDI van 0.7 ug/kg af te leiden.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Het Milieu- en Natuurplanbureau organiseerde het symposium 'Balans in Duurzaamheid' in Den Haag op 4 juni 2002. The sessie startte me een presentatie door de heer Van Egmond, waarbij hij in ging op de problematiek rond de opzet en inhoud van een Duurzaamheidsbalans. De heren Brinkhorst en Van Geel pleitten voor een brede definitie van het begrip "duurzaamheid". Ook de heer Wijffels ondersteunde dit, maar twijfelde aan de haalbaarheid daarvan op de korte termijn. Door de heer Scheltema werd voorgesteld primair uit te gaan van een smalle definitie en daarbij startend vanuit de ecologische invalshoek. In dat kader stelde de heer Wijffels voor om gaandeweg te proberen de onderlinge interacties tussen de verschillende domeinen beter in kaart te brengen. De heer Van Geel bleek bereid om in voorkomende gevallen voorlopig genoegen te willen nemen met globale gegevens. Ook werd gepleit om op naast de financi6le koffer ook een ecologische koffer aan het parlement te presenteren: "De ecologische staat van de natie zou net zo duidelijk in beeld moeten worden gebracht als de economische staat van de natie". Gewaarschuwd werd een duidelijke scheiding te maken tussen de rapportage en het waardeoordeel hierover. an de meerwaarde van een Duurzaamheidsbalans. De heer Brinkhorst waarschuwde naar aanleiding hiervan voor de eenzijdigheid van sectorale rapportages. De heer Schnabel (SCP) vond dat in de trits "economie, sociaal-cultureel en ecologie" feitelijk de economie de zwakke schakel is, die moet reageren op de ontwikkelingen in de 2 andere domeinen. Hij pleitte voor de volgorde "ecologie-sociaal-economie".
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Voor de berekening en de beoordeling van de beleidsmaatregelen op stikstof- en fosfaatemissies naar de bodem en ammoniakemissie naar lucht in Nederland, is op het RIVM het model CLEAN1.0 ontwikkeld. Het acroniem CLEAN staat voor 'Crops, Livestock and Emissions from Agriculture in the Netherlands'. Dit rapport geeft een complete beschrijving van het model CLEAN2.0.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Evaluation of lysimeter experiments in the Netherlands: case studies | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Incorporation of soil-pH dependent behaviour in pesticide leaching assessment | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Effect of long-term sorption kinetics on leaching as calculated with the PEARL model for FOCUS scenarios | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Om de Ecologische Hoofdstructuur te realiseren is verdere ordening van de groene ruimte noodzakelijk. Dat is de hoofdconclusie uit de Natuurbalans 2002. Natuur heeft grote sociale en economische betekenis. De inwoners van Nederland vinden dat natuurgebieden en gevarieerde landschappen een wezenlijke bijdrage leveren aan hun welzijn. Daarnaast hebben natuur en landschap een substantikle economische waarde, onder andere vanwege de inkomsten uit recreatie in natuurgebieden en de bereidheid van kopers om meer te betalen voor een huis in een groen gebied. Er zijn bovendien steeds meer gegevens die er op wijzen dat de gezondheid van mensen baat heeft bij een groene omgeving. Op Europees niveau is een lijst van internationaal te beschermen planten- en diersoorten samengesteld. Nederland is hiervoor verplichtingen aangegaan die zijn vastgelegd in de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn van de Europese Unie. Om het maatschappelijke draagvlak voor dit soortenbeleid te vergroten en het beleid hanteerbaar te maken moet meer zicht komen op het verband tussen het voorkomen van individuen en populaties van soorten en de ligging van hun leefgebieden. Voor het bereiken van de natuurdoelen is ordening van de groene ruimte nodig om het beoogde samenhangende netwerk van natuurgebieden, de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) te realiseren. Het aanbod van aan te kopen grond voor de realisatie van de EHS neemt de laatste drie jaar toe. De nieuwe regering heeft het voornemen het jaarlijkse budget voor de aankoop van grond te halveren en meer particuliere eigenaren in te zetten bij het ontwikkelen en beheren van natuur. Langjarige contracten met deze particulieren kunnen een bijdrage aan de natuurdoelen leveren, maar blijken nauwelijks goedkoper dan aankoop. Ook vergt een samenhangende EHS, indien minder grond voor natuurontwikkeling wordt opgekocht, een goede ruimtelijke bescherming.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Het doel van deze rapport is het valideren van een titratie-systeem (736ohm Metrohm) door het vaststellen van de prestatiekenmerken met betrekking tot twee bepalingsmethoden, namelijk de potentiometrische bepaling van de pH en zuur- of baseverbruik van regenwater, en de potentiometrische bepaling van het gehalte aan carbonaat, waterstofcarbonaat en hydroxide in grondwater. Voor elk van de methoden zijn aantoonbaarheidsgrens, reproduceerbaarheid, robuustheid en (voor carbonaat/ waterstofcarbonaat) het meetbereik vastgesteld. Onderzocht is of de reproduceerbaarheid, bepaald met standaard-oplossingen ook in de matrix van toepassing is. Voor beide nieuwe methoden zijn de bepaalde prestatiekenmerken vergelijkbaar met de prestatiekenmerken van huidige methoden. Voor de bepaling van het zuur- of baseverbruik van regen water is de aantoonbaarheidsgrens 5 mumol/l hydroxylionen (OH-) dan wel hydroniumionen (H3O+). De RSD voor de reproduceerbaarheid van het zuur-of baseverbruik is beter dan 4% bij 100 mumol/l H3O+, en die van de pH-bepaling is beter dan 0.09 pH -eenheden. De analysetijd is 8 minuten, bij 100 mumol/l H3O+. Bepaling van het carbonaat en waterstofcarbonaat gehalte in grondwater: De aantoonbaarheidsgrens is voor zowel carbonaat als waterstofcarbonaat 0.02 mmol/l. Het meetbereik voor waterstofcarbonaat is 0.02 tot 60 mmol/l.eter dan 5% bij een waterstofcarbonaatconcentratie van 25 mmol/l. De analysetijd is ca. 10 minuten, bij 60 mmol/l waterstofcarbonaat.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Immune system | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Modeling of virus transport and removal in the subsurface | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Determination of field effects of contaminants: significance of pollution-induced community tolerance | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Aan de hand van vier scenario's wordt in de Nationale Natuurverkenning 2 bekeken wat de gevolgen van diverse ontwikkelingen in de maatschappij kunnen zijn voor natuur en landschap. Deze vier scenario's schetsen de ontwikkeling van de maatschappij vanuit twee verschillende tegenstrijdige trends: 'globalisering versus regionalisering' en 'individualisering versus samenwerking'. Dit rapport beschrijft de uitwerking van deze vier scenario's met de LeefOmgevingsVerkenner en de RuimteScanner in vier kaarten van het landgebruik in 2030. Deze kaarten vormen de basis voor de verdere emissie-, verspreiding- en effectberekeningen. De scenario's van de Nationale Natuurverkenning 2 zijn vertaald naar het toekomstig landgebruik, uitgaande van het huidig landgebruik en de veronderstelde ontwikkeling van de verschillende landgebruiksfuncties in de scenario's. Voor het huidig landgebruik is hierbij gebruik gemaakt van de CBS Bodemstatistiek van 1996 en LGN3 van 1997 voor het agrarisch gebied. De geschetste ruimtelijke ontwikkelingen van wonen en werken zijn gebaseerd op de Trendvariant zoals die voor de 'Toets op de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening' is ontwikkeld. Voor natuur is meer ontwerpmatig gewerkt waarbij ondermeer het totale areaal natuur tussen de scenario's is gevarieerd afhankelijk van de ontwikkelingen in de landbouw en de grondpolitiek. Uiteindelijk levert de landbouw de ruimte voor de groei van bovenstaande functies: wonen, werken, recreatie en natuur. In de uitwerking van alle landgebruiksfuncties zijn per scenario keuzes gemaakt ten aanzien van:het totale areaal dat zich tot 2030 ontwikkelt, de regionale verdeling van het ruimtegebruik,de invulling van het ruimtelijk, restrictief beleid,de geschiktheid van de locatie enhet ruimtelijk locatiegedrag.De vier kaarten van het landgebruik in 2030 vormen een ruimtelijk kwantitatieve uitwerking van de scenario's. Deze kaarten worden voor het grootste gedeelte bepaald door de uitgangspunten en aannames in de scenario's en de uitwerking in het model. De kaarten zijn in de Natuurverkenning 2 gebruikt om de mogelijke effecten van de verschillende ruimtelijke ontwikkelingen op natuur, landschap en recreatie te bepalen.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
EDGAR 3.2: reference database with trend date of global greenhouse gas emissions for 1970-1995 | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
De status van het rekeninstrumentarium STONE versie 2.0 | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
1,3-Dichloro-2-propanol | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Aflatoxin M1 | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Effects of office relocations to public transport nodal points on passenger mobility | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
De toestand van het Nederlandse ven | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Fumonisins | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Release of Cryptosporidium and Giardia from dairy calf manure: impact of solution salinity | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Uncertainties in global, regional and national emission inventories | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Gericht investeren in OV om knelpunten op te lossen scoort goed | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Inventories, uncertainties and verification | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Partial validation of the Dutch model for emission and transport of nutrients (STONE) | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
EU and Member States greenhouse gas emission trends and projections | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Infrastructure and congestion: can rail save the road? Can public transport replace the car? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Analysing collaborative trials for qualitative microbiological methods: accordance and concordance | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
3-Chloro-1,2-propanediol | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Abstract niet beschikbaar
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
How to improve the monitoring of greenhouse gas emissions? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Dit rapport geeft een overzicht van de beschikbare emissiescenario's voor niet-landbouwbestrijdingsmiddelen voor alle 23 productgroepen uit de biocide richtlijn (EU Richtlijn 98/8/EC). Het betreft scenario's die reeds in USES 3.0 zijn opgenomen, alsmede scenario's die gerapporteerd zijn door het RIVM of in het kader van het project "Verzameling, herziening en ontwikkeling van biocide emissie scenario's voor het milieu" (EUBEES werkgroep). Voorts bevat het rapport een overzicht van de gebruikte symbolen voor alle voorkomende parameters en variabelen, zowel in voorliggend rapport als in de USES documentatie en oorspronkelijke rapporten.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Analysis of trace metal humic acid interactions using counterion condensation theory | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Het aandeel van de zeescheepvaart en de binnenvaart in diverse emissies van verkeer en vervoer, en daarmee het belang van de scheepvaart voor het milieu, neemt de aankomende decennia toe, mede als gevolg van de daling van emissies door het wegverkeer. In de scheepvaart zijn reducties in emissies mogelijk. Dit rapport geeft een overzicht van die mogelijkheden. Het betreft maatregelen, gericht op brandstoffen (conventionele en alternatieve brandstoffen), op technieken (energiebesparingstechnieken, technieken die aangrijpen op het verbrandingsproces, 'end-of-pipe technieken', alternatieve motoren) en technisch-logistieke maatregelen. Van die maatregelen zijn zoveel mogelijk de kosten en effecten in kaart gebracht. Verder geeft het rapport een overzicht van de beleidsmatige opties om de emissies van de scheepvaart te reduceren. Het rapport toont aan dat emissiereducties in de scheepvaart op relatief kosten-effectieve wijze mogelijk zijn, maar het realiseren van die mogelijkheden zal zeker bij de zeescheepvaart, beleidsmatig complex zijn.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport wordt het onderdeel 'Regionaal en Lokaal' uitgewerkt. Dit is een onderdeel van het scenarioproject 'SceNe', een kwartet ruimtelijke Scenario's voor Nederland. De doelstelling van het scenarioproject is voor de lange termijn maatschappelijke ontwikkelingen welke ruimtelijk relevant zijn te verkennen. Op basis van de uitwerkingen van de scenario's worden aandachtspunten voor beleid opgesteld alsmede de uitwerking van de kennisagenda. Het rapport bevat essays over de ontwikkelingen in stad, stadsrand en landelijk gebied. In de essays worden mogelijke ontwikkelingen geschetst en geanalyseerd. Ontwerpschetsen en kaartbeelden illustreren de ontwikkelingen. Een belangrijke bevinding uit het project is de combinatiemogelijkheden van ontwerp en analyse. Bij het construeren van scenario's is het raadzaam een goede mix te vinden van (stedenbouwkundige en landschapskundige) ontwerpen en analyses om creatieve, maar ook analytisch onderbouwde scenario's te krijgen. Het gebruik van de essays laat wel zien dat deze ontwerpen vaak exemplarisch zijn en het moeilijk is een integraal ruimtelijk scenario uit te werken.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
In Nederland zijn twee modellen in gebruik waarmee effecten van milieuverandering op vegetatie kan worden ingeschat: DEMNAT en SMART-MOVE. Dit rapport is gericht op de onderlinge afstemming van deze biotische responsmodules die gebruikt worden binnen DEMNAT en SMART-MOVE. De biotische responsmodules worden gebruikt om aan te geven welke reactie van plantensoorten te verwachten is bij veranderingen in standplaatsfactoren. Binnen SMART-MOVE gebeurt dit door per plantensoort een relatie vast te stellen, met behulp van regressieanalyse, tussen de kans van voorkomen en de milieufactoren vochttoe-stand, zuurgraad, voedselrijkdom en chloriniteit. In DEMNAT wordt gebruik gemaakt van het ecotopensysteem. Hiervoor worden homogene soortengroepen samen gesteld. De soorten in deze soortengroepen delen een gemeenschappelijke combinatie van milieufactoren. In dit rapport worden allereerst de gegevensbestanden geanalyseerd die ten grondslag liggen aan de beide responsiesystemen. Vervolgens wordt een inhoudelijke vergelijking gemaakt. Het blijkt dat, hoewel de manier van modellering sterk verschilt, de uitkomsten redelijk consistent zijn. Met uitzondering van een enkele soort die zich in de verschillende modellen anders gedraagt, leidt een verandering van het milieu tot vergelijkbare respons. Door de andere opzet en de verschillende nadruk die de modellen leggen op de verschillende milieuthema's lijkt het behoud van beide modellen zinvol. Het is wel aan te raden beide modellen in een systeem onder te brengen. Hiervoor wordt gewerkt aan het model NVEG (Nationaal model voor de Vegetatie).
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
A comment on the paper 'The limitations of transport policy' | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
De hygiene-hypothese: zin of onzin | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Gif van schimmels blijvende zorg | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Ontsnippering van infrastructuur | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Application of a systemic herpes simplex virus type 1 infection in the rat as a tool for sunscreen photoimmunoprotection studies | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Virus removal by soil passage at field scale and groundwater protection of sandy aquifers | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Mycotoxinen bij de bron aanpakken | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Statistische schatting van positieve fractie en concentratie van micro-organismen in voedingsmiddelen in relatie tot steekproefomvang | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Long-term and recent time trends in the prevalence of obesity among Dutch men and women | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Implications of the analysis of epidemiological data using a two-mutation carcinogenesis model for radiation risks | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Lower radiation weighting factor for radon indicated in mechanistic modelling of human lung cancer | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Different levels of genetic homogeneity in Vancomycin-resistant and -susceptible enterococcus faecium isolates from different human and animal sources analyzed by amplified-fragment length polymorphism | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Het bodemleven als indicator voor duurzaam bodemgebruik | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Ontwikkeling en toepassing van een milieukwaliteits-indicator bestrijdingsmiddelen | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Modulation of delayed-type hypersensitivity and acquired cellular resistance by orally administered viable indigenous lactobacilli in Listeria monocytogenes infected Wistar rats | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Snelle verbinding tussen de Randstad en het Noorden: de effecten op emissies en geluid | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Frequent mutation in the ABCC6 gene (R1141X) is associated with a strong increase in the prevalence of coronary artery disease | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Clustering of lifestyle risk factors in a general adult population | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Attenuation and recovery of pulmonary injury in rats following short-term, repeated daily exposure to ozone | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Distribution of environmentally regulated genes of Streptococcus suis serotype 2 among S. suis serotypes and other organisms | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Mycobacterium microti infection (vole tuberculosis) in wild rodent populations | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Sensitivity of three urinary antigen tests associated with clinical severity in a large outbreak of Legionnaires' disease in The Netherlands | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Identification of Anaplasma phagocytophila (formerly Ehrlichia phagocytophila) variants in blood from sheep in Norway | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Superoxide dismutase entrapped in long-circulating liposomes: formulation design and therapeutic activity in rat adjuvant arthritis | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Defining a T-cell epitope within HSP 65 in recurrent aphthous stomatitis | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Foodborne viruses | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Diet and 20-year chronic obstructive pulmonary disease mortality in middle-aged men from three European countries | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
An international study of hospital readmissions and related utilization in Europe and the USA | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Viral infections and bovine mastitis: a review | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
The prediction of visceral fat by dual-energy X-ray absorptiometry in the elderly: a comparison with computed tomography and anthropometry | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Evaluating the Bonn-Marrakesh agreement | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Infrastructuur (wegen, spoorwegen, waterwegen) vormt vaak een barriere voor mens en dier, en doorsnijdt de ecologische hoofdstructuur (EHS) op diverse plekken. Dit rapport beschrijft een verkennende studie naar de effecten van ontsnipperingsmaatregelen op provinciale en gemeentelijke wegen. De studie is uitgevoerd in het kader van de tweede Nationale Natuurverkenning, in samenwerking met de Adviesdienst Verkeer en Vervoer en Alterra. De hoofdconclusie is dat ontsnippering van infrastructuur (door provinciale en gemeentelijke wegen verkeersluw te maken) vooral op lokaal niveau duidelijke positieve en negatieve effecten heeft. Positieve effecten treden op voor de natuur: de lokale habitatkwaliteit van barrieregevoelige diersoorten en de akoestische kwaliteit in natuurgebieden nemen toe. Daarnaast heeft ontsnippering gunstige effecten op verkeersveiligheid en de geluidbelasting in woongebieden. De belangrijkste nadelen liggen op het gebied van bereikbaarheid. Uit deze verkennende studie blijkt dat ontsnipperingsmaatregelen een positief saldo van (op geld waardeerbare) effecten op kunnen leveren. Op landelijk niveau zijn zowel de effecten op de natuur als op de mens beperkt: hiervoor is de omvang van de veronderstelde ontsnipperingsmaatregelen te gering. Op basis van deze verkennende studie is het te vroeg om een conclusie te trekken over de wenselijkheid van het ontsnipperen van provinciale en gemeentelijke wegen in natuurgebieden. Voor zo'n conclusie dienen alle relevante voor- en nadelen beter in kaart te worden gebracht, met name op regionaal niveau, en moeten eventuele alternatieve maatregelen worden onderzocht.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Non-professional paint stripping, model prediction and experimental validation of indoor dichloromethane levels | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Comparison of five in vitro digestion models to study the bioaccessibility of soil contaminants | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Towards an equitable global climate change regime: compatibility with Article 2 of the Climate Change Convention and the link with sustainable development | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Werken aan het milieu, een kwestie van aanpakken | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Dietary monoglutamate and polyglutamate folate are associated with plasma folate concentrations in Dutch men and women aged 20-65 years | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Haken en ogen rond introductie emissiehandel | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Modelling the leaching and drainage of pesticides in the Netherlands: the GeoPEARL model | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Amsterdam Cohort Study on HIV and AIDS: impact of exposure to UVR as estimated by means of a 2-year retrospective questionnaire on immune parameters in HIV positive males | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Physical activity and glucose tolerance in elderly men: the Zutphen Elderly study | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Selection bias due to non-response in a health survey among patients with rheumatoid arthritis | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Nanoscale LC-MS(n): technical design and applications to peptide and protein analysis | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Effects of Pseudomonas putida WCS358r and its genetically modified phenazine producing derivative on the Fusarium population in a field experiment, as determined by 18S rDNA analysis | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Ultraviolet radiation, resistance to infectious diseases, and vaccination responses | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Testing therapeutic potency of anticancer drugs in animal studies: a commentary | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Changes in the Dutch Bordetella pertussis population in the first 20 years after the introduction of whole-cell vaccines | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Seasonal influences on immunological parameters in HIV-infected homosexual men: searching for the immunomodulating effects of sunlight | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Reduction of animal use in human vaccine quality control: opportunities and problems | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Positive IS900 in situ hybridization signals as evidence for role of Mycobacterium avium subsp. paratuberculosis in etiology of Crohn's disease | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Two-site kinetic modeling of bacteriophages transport through columns of saturated dune sand | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
An outbreak of food-borne illness associated with methomyl-contaminated salt | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Determination of the sensitising activity of the rubber contact sensitisers TMTD, ZDMC, MBT and DEA in a modified local lymph node assay and the effect of sodium dodecyl sulfate pretreatment on local lymph node responses | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Socioeconomic status of very small areas and stroke incidence in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Genes of non-typeable Haemophilus influenzae expressed during interaction with human epithelial cell lines | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Medical devices manufactured from latex: European regulatory initiatives | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Disease prevalence estimations based on contact registrations in general practice | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Immunoglobulin-free light chains elicit immediate hypersensitivity-like responses | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Differences between reference laboratories of the European community in their ability to detect Salmonella species | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Determination of acetyl gestagenic steroids in kidney fat by automated supercritical fluid extraction and liquid chromatography ion-trap mass spectrometry | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Rapid and simple approach for identification of Mycobacterium tuberculosis complex isolates by PCR-based genomic deletion analysis | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
A Bayesian approach to parameter estimation in HIV dynamical models | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
In dit rapport worden de meetresultaten van de regionale stations van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit in de regio's 1 (Limburg), 2 (Noord-Brabant) en 3 (Zeeland) in samengevatte vorm gepresenteerd. De rapportage betreft het kalenderjaar 1996, de zomer van 1996, de winter van 1995-1996 en de periode van 1 april 1995 t/m 31 maart 1996 (meteorologisch jaar: EU-referentieperiode). Er wordt gerapporteerd over de componenten NH3, fijn stof (PM10), CO, Ox (=NO2+O3), O3, NO2, NO, NOx (=NO2+NO), zwarte rook (= zwevende deeltjes gemeten volgens de zwarte-rookmethode) en SO2. De meetresultaten van fijn stof (PM10) zijn vermenigvuldigd met een factor 1,33 om de systematische onderschatting ten opzichte van de EU-referentiemethode.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport worden de meetresultaten van de regionale stations van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit in de regio's 1 (Limburg), 2 (Noord-Brabant) en 3 (Zeeland) in samengevatte vorm gepresenteerd. De rapportage betreft het kalenderjaar 1999, de zomer van 1999, de winter van 1998-1999 en de periode van 1 april 1998 t/m 31 maart 1999 (meteorologisch jaar: EU-referentieperiode). Er wordt gerapporteerd over de componenten NH3, fijn stof (PM10), CO, oxidant (Ox = NO2+O3), O3, NO2, NO, NOx (=NO2+NO), zwarte rook (= zwevende deeltjes gemeten volgens de zwarte-rookmethode) en SO2. De meetresultaten van fijn stof (PM10) zijn vermenigvuldigd met een factor 1,33 om de systematische onderschatting ten opzichte van de EU-referentiemethode voor PM10 te corrigeren.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport worden de meetresultaten van de regionale stations van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit in de regio's 1 (Limburg), 2 (Noord-Brabant) en 3 (Zeeland) in samengevatte vorm gepresenteerd. De rapportage betreft het kalenderjaar 1998, de zomer van 1998, de winter van 1997-1998 en de periode van 1 april 1997 t/m 31 maart 1998 (meteorologisch jaar: EU-referentieperiode). Er wordt gerapporteerd over de componenten NH3, fijn stof (PM10), CO, Ox (=NO2+O3), O3, NO2, NO, NOx (=NO2+NO), zwarte rook (= zwevende deeltjes gemeten volgens de zwarte-rookmethode) en SO2. De meetresultaten van fijn stof (PM10) zijn vermenigvuldigd met een factor 1,33 om de systematische onderschatting ten opzichte van de EU-referentiemethode voor PM10 te corrigeren.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport worden de meetresultaten van de stads- en straatstations van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit in alle regio's in samengevatte vorm gepresenteerd. De rapportage betreft het kalenderjaar 1998, de zomer van 1998, de winter van 1997-1998 en de periode van 1 april 1997 t/m 31 maart 1998 (meteorologisch jaar: EU-referentieperiode). Er wordt gerapporteerd over de componenten fijn stof (PM10), CO, Ox (=NO2+O3), O3, NO2, NO, NOx (=NO2+NO), zwarte rook (= zwevende deeltjes gemeten volgens de zwarte-rookmethode) en SO2. De meetresultaten van fijn stof (PM10) zijn vermenigvuldigd met een factor 1,33 om de systematische onderschatting ten opzichte van de EU-referentiemethode voor PM10 te corrigeren.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport worden de meetresultaten van de regionale stations van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit in de regio's 4 (Zuid-Holland) en 5 (Noord-Holland) in samengevatte vorm gepresenteerd. De rapportage betreft het kalenderjaar 1996, de zomer van 1996, de winter van 1995-1996 en de periode van 1 april 1995 t/m 31 maart 1996 (meteorologisch jaar: EU-referentieperiode). Er wordt gerapporteerd over de componenten NH3, fijn stof (PM10), CO, Ox (=NO2+O3), O3, NO2, NO, NOx (=NO2+NO), zwarte rook (= zwevende deeltjes gemeten volgens de zwarte-rookmethode) en SO2. De meetresultaten van fijn stof (PM10) zijn vermenigvuldigd met een factor 1,33 om de systematische onderschatting ten opzichte van de EU-referentiemethode.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport worden de meetresultaten van de regionale stations van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit in de regio's 6 (Utrecht en Flevoland), 7 (Gelderland), 8 (Overijssel) en 9 (Noord-Nederland) in samengevatte vorm gepresenteerd. De rapportage betreft het kalenderjaar 2000, de zomer van 2000, de winter van 1999-2000 en de periode van 1 april 1999 t/m 31 maart 2000 (meteorologisch jaar: EU-referentieperiode). Er wordt gerapporteerd over de componenten NH3, fijn stof (PM10), CO, oxidant (Ox = NO2+O3), O3, NO2, NO, NOx (=NO2+NO), zwarte rook (= zwevende deeltjes gemeten volgens de zwarte-rookmethode) en SO2. De meetresultaten van fijn stof (PM10) zijn vermenigvuldigd met een factor 1,33 om de systematische onderschatting ten opzichte van de EU-referentiemethode voor PM10 te corrigeren.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport worden de meetresultaten van de regionale stations van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit in de regio's 6 (Utrecht en Flevoland), 7 (Gelderland), 8 (Overijssel) en 9 (Noord-Nederland) in samengevatte vorm gepresenteerd. De rapportage betreft het kalenderjaar 1998, de zomer van 1998, de winter van 1997-1998 en de periode van 1 april 1997 t/m 31 maart 1998 (meteorologisch jaar: EU-referentieperiode). Er wordt gerapporteerd over de componenten NH3, fijn stof (PM10), CO, Ox (=NO2+O3), O3, NO2, NO, NOx (=NO2+NO), zwarte rook (= zwevende deeltjes gemeten volgens de zwarte-rookmethode) en SO2. De meetresultaten van fijn stof (PM10) zijn vermenigvuldigd met een factor 1,33 om de systematische onderschatting ten opzichte van de EU-referentiemethode voor PM10 te corrigeren.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport worden de meetresultaten van de regionale stations van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit in de regio's 4 (Zuid-Holland) en 5 (Noord-Holland) in samengevatte vorm gepresenteerd. De rapportage betreft het kalenderjaar 1995, de zomer van 1995, de winter van 1994-1995 en de periode van 1 april 1994 t/m 31 maart 1995 (meteorologisch jaar: EU-referentieperiode). Er wordt gerapporteerd over de componenten NH3, fijn stof (PM10), CO, Ox (=NO2+O3), O3, NO2, NO, NOx (=NO2+NO), zwarte rook (= zwevende deeltjes gemeten volgens de zwarte-rookmethode) en SO2. De meetresultaten van fijn stof (PM10) zijn vermenigvuldigd met een factor 1,33 om de systematische onderschatting ten opzichte van de EU-referentiemethode voor PM10 te corrigeren.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport worden de meetresultaten van de regionale stations van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit in de regio's 1 (Limburg), 2 (Noord-Brabant) en 3 (Zeeland) in samengevatte vorm gepresenteerd. De rapportage betreft het kalenderjaar 1997, de zomer van 1997, de winter van 1996-1997 en de periode van 1 april 1996 t/m 31 maart 1997 (meteorologisch jaar: EU-referentieperiode). Er wordt gerapporteerd over de componenten NH3, fijn stof (PM10), CO, Ox (=NO2+O3), O3, NO2, NO, NOx (=NO2+NO), zwarte rook (= zwevende deeltjes gemeten volgens de zwarte-rookmethode) en SO2. De meetresultaten van fijn stof (PM10) zijn vermenigvuldigd met een factor 1,33 om de systematische onderschatting ten opzichte van de EU-referentiemethode voor PM10 te corrigeren.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport worden de meetresultaten van de regionale stations van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit in de regio's 4 (Zuid-Holland) en 5 (Noord-Holland) in samengevatte vorm gepresenteerd. De rapportage betreft het kalenderjaar 2000, de zomer van 2000, de winter van 1999-2000 en de periode van 1 april 1999 t/m 31 maart 2000 (meteorologisch jaar: EU-referentieperiode). Er wordt gerapporteerd over de componenten NH3, fijn stof (PM10), CO, oxidant (Ox = NO2+O3), O3, NO2, NO, NOx (=NO2+NO), zwarte rook (= zwevende deeltjes gemeten volgens de zwarte-rookmethode) en SO2. De meetresultaten van fijn stof (PM10) zijn vermenigvuldigd met een factor 1,33 om de systematische onderschatting ten opzichte van de EU-referentiemethode voor PM10 te corrigeren.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport worden de meetresultaten van de regionale stations van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit in de regio's 1 (Limburg), 2 (Noord-Brabant) en 3 (Zeeland) in samengevatte vorm gepresenteerd. De rapportage betreft het kalenderjaar 2000, de zomer van 2000, de winter van 1999-2000 en de periode van 1 april 1999 t/m 31 maart 2000 (meteorologisch jaar: EU-referentieperiode). Er wordt gerapporteerd over de componenten NH3, fijn stof (PM10), CO, oxidant (Ox = NO2+O3), O3, NO2, NO, NOx (=NO2+NO), zwarte rook (= zwevende deeltjes gemeten volgens de zwarte-rookmethode) en SO2. De meetresultaten van fijn stof (PM10) zijn vermenigvuldigd met een factor 1,33 om de systematische onderschatting ten opzichte van de EU-referentiemethode voor PM10 te corrigeren.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport worden de meetresultaten van de stads- en straatstations van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit in alle regio's in samengevatte vorm gepresenteerd. De rapportage betreft het kalenderjaar 1999, de zomer van 1999, de winter van 1998-1999 en de periode van 1 april 1998 t/m 31 maart 1999 (meteorologisch jaar: EU-referentieperiode). Er wordt gerapporteerd over de componenten fijn stof (PM10), CO, oxidant (Ox = NO2+O3), O3, NO2, NO, NOx (=NO2+NO), zwarte rook (= zwevende deeltjes gemeten volgens de zwarte-rookmethode) en SO2. De meetresultaten van fijn stof (PM10) zijn vermenigvuldigd met een factor 1,33 om de systematische onderschatting ten opzichte van de EU-referentiemethode voor PM10 te corrigeren.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport worden de meetresultaten van de stads- en straatstations van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit in alle regio's in samengevatte vorm gepresenteerd. De rapportage betreft het kalenderjaar 2000, de zomer van 2000, de winter van 1999-2000 en de periode van 1 april 1999 t/m 31 maart 2000 (meteorologisch jaar: EU-referentieperiode). Er wordt gerapporteerd over de componenten fijn stof (PM10), CO, oxidant (Ox = NO2+O3), O3, NO2, NO, NOx (=NO2+NO), zwarte rook (= zwevende deeltjes gemeten volgens de zwarte-rookmethode) en SO2. De meetresultaten van fijn stof (PM10) zijn vermenigvuldigd met een factor 1,33 om de systematische onderschatting ten opzichte van de EU-referentiemethode voor PM10 te corrigeren.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport worden de meetresultaten van de regionale stations van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit in de regio's 4 (Zuid-Holland) en 5 (Noord-Holland) in samengevatte vorm gepresenteerd. De rapportage betreft het kalenderjaar 1995, de zomer van 1995, de winter van 1994-1995 en de periode van 1 april 1994 t/m 31 maart 1995 (meteorologisch jaar: EU-referentieperiode). Er wordt gerapporteerd over de componenten NH3, fijn stof (PM10), CO, Ox (=NO2+O3), O3, NO2, NO, NOx (=NO2+NO), zwarte rook (= zwevende deeltjes gemeten volgens de zwarte-rookmethode) en SO2. De meetresultaten van fijn stof (PM10) zijn vermenigvuldigd met een factor 1,33 om de systematische onderschatting ten opzichte van de EU-referentiemethode voor PM10 te corrigeren.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport worden de meetresultaten van de regionale stations van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit in de regio's 6 (Utrecht en Flevoland), 7 (Gelderland), 8 (Overijssel) en 9 (Noord-Nederland) in samengevatte vorm gepresenteerd. De rapportage betreft het kalenderjaar 1999, de zomer van 1999, de winter van 1998-1999 en de periode van 1 april 1998 t/m 31 maart 1999 (meteorologisch jaar: EU-referentieperiode). Er wordt gerapporteerd over de componenten NH3, fijn stof (PM10), CO, oxidant (Ox = NO2+O3), O3, NO2, NO, NOx (=NO2+NO), zwarte rook (= zwevende deeltjes gemeten volgens de zwarte-rookmethode) en SO2. De meetresultaten van fijn stof (PM10) zijn vermenigvuldigd met een factor 1,33 om de systematische onderschatting ten opzichte van de EU-referentiemethode voor PM10 te corrigeren.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport worden de meetresultaten van de stads- en straatstations van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit in alle regio's in samengevatte vorm gepresenteerd. De rapportage betreft het kalenderjaar 1996, de zomer van 1996, de winter van 1995-1996 en de periode van 1 april 1995 t/m 31 maart 1996 (meteorologisch jaar: EU-referentieperiode). Er wordt gerapporteerd over de componenten fijn stof (PM10), CO, Ox (=NO2+O3), O3, NO2, NO, NOx (=NO2+NO), zwarte rook (= zwevende deeltjes gemeten volgens de zwarte-rookmethode) en SO2. De meetresultaten van fijn stof (PM10) zijn vermenigvuldigd met een factor 1,33 om de systematische onderschatting ten opzichte van de EU-referentiemethode voor PM10 te corrigeren.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport worden de meetresultaten van de regionale stations van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit in de regio's 1 (Limburg), 2 (Noord-Brabant) en 3 (Zeeland) in samengevatte vorm gepresenteerd. De rapportage betreft het kalenderjaar 1995, de zomer van 1995, de winter van 1994-1995 en de periode van 1 april 1994 t/m 31 maart 1995 eorologisch jaar: EU-referentieperiode). Er wordt gerapporteerd over de componenten NH3, fijn stof (PM10), CO, oxidant (Ox = NO2+O3), O3, NO2, NO, NOx (=NO2+NO), zwarte rook (= zwevende deeltjes gemeten volgens de zwarte-rookmethode) en SO2. De meetresultaten van fijn stof (PM10) zijn vermenigvuldigd met een factor 1,33 om de systematische onderschatting ten opzichte van de EU-referentiemethode voor PM10 te corrigeren.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport worden de meetresultaten van de stads- en straatstations van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit in alle regio's in samengevatte vorm gepresenteerd. De rapportage betreft het kalenderjaar 1997, de zomer van 1997, de winter van 1996-1997 en de periode van 1 april 1996 t/m 31 maart 1997 (meteorologisch jaar: EU-referentieperiode). Er wordt gerapporteerd over de componenten fijn stof (PM10), CO, Ox (=NO2+O3), O3, NO2, NO, NOx (=NO2+NO), zwarte rook (= zwevende deeltjes gemeten volgens de zwarte-rookmethode) en SO2. De meetresultaten van fijn stof (PM10) zijn vermenigvuldigd met een factor 1,33 om de systematische onderschatting ten opzichte van de EU-referentiemethode voor PM10 te corrigeren.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport worden de meetresultaten van de regionale stations van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit in de regio's 4 (Zuid-Holland) en 5 (Noord-Holland) in samengevatte vorm gepresenteerd. De rapportage betreft het kalenderjaar 1997, de zomer van 1997, de winter van 1996-1997 en de periode van 1 april 1996 t/m 31 maart 1997 (meteorologisch jaar: EU-referentieperiode). Er wordt gerapporteerd over de componenten NH3, fijn stof (PM10), CO, Ox (=NO2+O3), O3, NO2, NO, NOx (=NO2+NO), zwarte rook (= zwevende deeltjes gemeten volgens de zwarte-rookmethode) en SO2. De meetresultaten van fijn stof (PM10) zijn vermenigvuldigd met een factor 1,33 om de systematische onderschatting ten opzichte van de EU-referentiemethode voor PM10 te corrigeren.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport worden de meetresultaten van de regionale stations van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit in de regio's 6 (Utrecht en Flevoland), 7 (Gelderland), 8 (Overijssel) en 9 (Noord-Nederland) in samengevatte vorm gepresenteerd. De rapportage betreft het kalenderjaar 1997, de zomer van 1997, de winter van 1996-1997 en de periode van 1 april 1996 t/m 31 maart 1997 (meteorologisch jaar: EU-referentieperiode). Er wordt gerapporteerd over de componenten NH3, fijn stof (PM10), CO, Ox (=NO2+O3), O3, NO2, NO, NOx (=NO2+NO), zwarte rook (= zwevende deeltjes gemeten volgens de zwarte-rookmethode) en SO2. De meetresultaten van fijn stof (PM10) zijn vermenigvuldigd met een factor 1,33 om de systematische onderschatting ten opzichte van de EU-referentiemethode voor PM10 te corrigeren.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport worden de meetresultaten van de regionale stations van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit in de regio's 4 (Zuid-Holland) en 5 (Noord-Holland) in samengevatte vorm gepresenteerd. De rapportage betreft het kalenderjaar 1998, de zomer van 1998, de winter van 1997-1998 en de periode van 1 april 1997 t/m 31 maart 1998 (meteorologisch jaar: EU-referentieperiode). Er wordt gerapporteerd over de componenten NH3, fijn stof (PM10), CO, oxidant (Ox = NO2+O3), O3, NO2, NO, NOx (=NO2+NO), zwarte rook (= zwevende deeltjes gemeten volgens de zwarte-rookmethode) en SO2. De meetresultaten van fijn stof (PM10) zijn vermenigvuldigd met een factor 1,33 om de systematische onderschatting ten opzichte van de EU-referentiemethode voor PM10 te corrigeren.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport worden de meetresultaten van de regionale stations van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit in de regio's 4 (Zuid-Holland) en 5 (Noord-Holland) in samengevatte vorm gepresenteerd. De rapportage betreft het kalenderjaar 1999, de zomer van 1999, de winter van 1998-1999 en de periode van 1 april 1998 t/m 31 maart 1999 (meteorologisch jaar: EU-referentieperiode). Er wordt gerapporteerd over de componenten NH3, fijn stof (PM10), CO, oxidant (Ox = NO2+O3), O3, NO2, NO, NOx (=NO2+NO), zwarte rook (= zwevende deeltjes gemeten volgens de zwarte-rookmethode) en SO2. De meetresultaten van fijn stof (PM10) zijn vermenigvuldigd met een factor 1,33 om de systematische onderschatting ten opzichte van de EU-referentiemethode voor PM10 te corrigeren.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport worden de meetresultaten van de stads- en straatstations van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit in alle regio's in samengevatte vorm gepresenteerd. De rapportage betreft het kalenderjaar 1995, de zomer van 1995, de winter van 1994-1995 en de periode van 1 april 1994 t/m 31 maart 1995 (meteorologisch jaar: EU-referentieperiode). Er wordt gerapporteerd over de componenten fijn stof (PM10), CO, Ox (=NO2+O3), O3, NO2, NO, NOx (=NO2+NO), zwarte rook (= zwevende deeltjes gemeten volgens de zwarte-rookmethode) en SO2. De meetresultaten van fijn stof (PM10) zijn vermenigvuldigd met een factor 1,33 om de systematische onderschatting ten opzichte van de EU-referentiemethode voor PM10 te corrigeren.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport worden de meetresultaten van de regionale stations van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit in de regio's 6 (Utrecht en Flevoland), 7 (Gelderland), 8 (Overijssel) en 9 (Noord-Nederland) in samengevatte vorm gepresenteerd. De rapportage betreft het kalenderjaar 1996, de zomer van 1996, de winter van 1995-1996 en de periode van 1 april 1995 t/m 31 maart 1996 (meteorologisch jaar: EU-referentieperiode). Er wordt gerapporteerd over de componenten NH3, fijn stof (PM10), CO, Ox (=NO2+O3), O3, NO2, NO, NOx (=NO2+NO), zwarte rook (= zwevende deeltjes gemeten volgens de zwarte-rookmethode) en SO2. De meetresultaten van fijn stof (PM10) zijn vermenigvuldigd met een factor 1,33 om de systematische onderschatting ten opzichte van de EU-referentiemethode voor PM10 te corrigeren.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Genetic polymorphisms: importance for response to HMG-CoA reductase inhibitors | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Effects of ethynylestradiol on the reproductive physiology in zebrafish (Danio rerio): time dependency and reversibility | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Dynamic cost-effective reduction strategies for acidification in Europe: an application to Ireland and the United Kingdom | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Monolayers of IEC-18 cells as an in vitro model for screening the passive transcellular and paracellular transport across the intestinal barrier: comparison of active and passive transport with the human colon carcinoma Caco-2 cell line | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Aquatic toxicology: opportunities for enhancement through histopathology | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Interspecies sensitivity in the aquatic toxicity of aromatic amines | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Effects of diesel exhaust enriched concentrated PM2.5 in ozone preexposed or monocrotaline-treated rats | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Effects of contact time on the sequestration and bioavailability of different classes of hydrophobic organic chemicals to benthic oligochaetes (Tubificidae) | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Enhanced laboratory-based surveillance of Shiga-toxin-producing Escherichia coli O157 in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Quitting smoking may restore hematological characteristics within five years | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Polymorphism Ncol in tumor necrosis factor B is associated with fasting glycemia and lipid parameters in healthy non-obese caucasian subjects | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Quality of NAT2 genotyping with restriction fragment length polymorphism using DNA isolated from frozen urine | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Enteric administration of a live attenuated measles vaccine does not induce protective immunity in a macaque model | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Determination of uranium in urine - measurement of isotope ratios and quantification by use of inductively coupled plasma mass spectrometry | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Chlamydia pneumoniae, Helicobacter pylori and cytomegalovirus infections and the risk of peripheral arterial disease in young women | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Listeria monocytogenes meningitis: serotype distribution and patient characteristics in The Netherlands, 1976-95 | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Natural history of human calicivirus infection: a prospective cohort study | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
The use of models in the estimation of disease epidemiology | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Effects of inhaled ozone on pulmonary immune cells critical to antibacterial responses in situ | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
De evaluatie van de voortgang van een transitie is de evaluatie van een proces met vele technische, economische, ecologische, sociale en institutionele aspecten. Het beschrijft, hoe we in het heden bezig zijn om op lange termijn (vele decennia) ergens uit te komen. Er bestaan wel vele visies op de processen, er is geen praktisch draaiboek voor de uitvoering van zo'n evaluatie. Voor de concretisering ervan is een experiment uitgevoerd, waarbij diverse analyse-instrumenten en modellen zijn getoetst op hun bruikbaarheid. Twee hoofdrichting kunnen worden onderscheiden: een actorgerichte benadering en een technisch-economische doorrekening. Voor het experiment is het voorbeeld van Novel Protein Foods (NPF's) gebruikt. De verkregen resultaten moeten worden gezien als illustraties van de mogelijkheden, die het instrumentarium biedt.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Het NMP4 geeft aan dat voor hardnekkige milieuproblemen fundamentele omslagen in maatschappelijke systemen nodig zijn (transities). De overheid wenst transities te beinvloeden wat betreft snelheid en richting (transitiemanagement). In deze studie is een concept ontwikkeld waarmee men transitiemanagement vanuit een actorenbenadering kan monitoren, evalueren en ondersteunen, te weten het concept 'Arena's in het transitieproces'. Een Arena is een netwerk van actoren rond een specifiek onderwerp van transitiemanagement. Binnen dit netwerk wordt gesproken, onderhandeld en besloten over dit onderwerp. Met besluitvormingsmodellen wordt het concept van Arena's ondersteund en nader ingevuld. Besluitvormingsmodellen simuleren de dynamiek en sturingsmogelijkheden van besluitvormingsprocessen van actoren op kwantitatieve wijze. In deze studie is het concept 'Arena's in een transitieproces' in combinatie met de besluitvormingsmodellen toegepast op de casus Novel Protein Foods (NPFs). Met de casus is de functionaliteit van het concept en de toepassing van besluitvormingsmodellen hierin verkend en beoordeeld. De casus vormde dus een middel voor dit methodologische onderzoek en niet het primaire onderzoeksdoel. Het RIVM beoogt geenszins een uitspraak te doen over de wenselijkheid en haalbaarheid van NPFs. Het onderzoek past binnen een verkennend onderzoekstraject van het Milieu en Natuurplanbureau (MNP) van het RIVM. In dit traject wordt bezien op welke wijze beleids- en transitieonderzoek binnen het MNP moet worden vormgegeven en welke positie de (multi)actorenbenadering hierin inneemt.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Traditionele (milieu) verkenningen zijn veelal gebaseerd op extrapolatie van trends. Dit resulteert in waarschijnlijke of plausibele toekomstbeelden. In het NMP4 wordt een aantal hardnekkige milieuproblemen opgesomd. Systeemoptimalisaties en technologie-ontwikkeling alleen zijn ontreikend om deze problemen het hoofd te beiden. Transities of systeeminnovaties, waarin technologische, economische, sociaal-culturele en institutionele veranderingen plaatsvinden, zijn nodig om uiteindelijk in een gewenste en duurzame toekomst te geraken. In dit rapport zijn verschillende typen verkenningen beschreven en is gekeken hoe deze ten opzichte van staan. Een van de 10 verschillende projecten (het COOL-project) die is bekeken is nader geanalyseerd. Dit project was een goed voorbeeld van een kwaliteitsbeeld (wenselijke toekomst). Hieruit is de conclusie getrokken dat het instrument 'kwaliteitsbeelden' een goed instrument is voor milieugerichte verkenningen als er sprake is van 1) complexe situaties, 2) diverse meningen en visies, 3) noodzakelijk geachte nieuwe en onverwachte oplossingen en 4) grote onzekerheid (bijvoorbeeld een lange tijdshorizon).
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Een verkennende inventarisatie werd uitgevoerd naar momentaan beschikbare informatiebronnen betreffende geemitteerde stoffen bij brand. Intensief werd gezocht op internet, maar ook via persoonlijke netwerken. Met de gevolgde werkwijze werden zeer veel interessant lijkende gegevens (vooral databases en rapporten) gevonden, echter direct beschikbare bronnen over vrijkomende stoffen bij branden (identiteit/type en hoeveelheid geemitteerde stoffen) bleken spaarzaam. Informatie over meetmethoden en meetstrategieen werd met de gevolgde werkwijze niet gevonden. Inventarisatie van dat aspect dient derhalve op een andere wijze plaats te vinden.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Om de blootstelling aan stoffen uit consumentenproducten en de opname daarvan door de mens te kunnen schatten en beoordelen zijn wiskundige modellen beschikbaar. Voor de berekening wordt gebruik gemaakt van het computerprogramma CONSEXPO. Het grote aantal consumentenproducten verhindert dat voor elk afzonderlijk product blootstellingsmodellen en parameterwaarden vastgesteld kunnen worden. Daarom zijn een beperkt aantal hoofdcategorien met gelijksoortige producten gedefinieerd. Voor elke hoofdcategorie wordt de informatie in een factsheet weergegeven. In de onderhavige factsheet wordt informatie gegeven over het gebruik van kinderspeelgoed. Het gebruik van kinderspeelgoed wordt beschreven uitgaande van de manieren waarop kinderen kunnen worden blootgesteld. Voor elke manier van blootstelling is een representatief voorbeeld gekozen. Voor deze voorbeelden zijn defaultmodellen gekozen en zijn de default-parameterwaarden ingevuld. Uitgaande van deze representatieve voorbeeld-defaults is het mogelijk om voor een willekeurig type speelgoed defaultwaarden voor de blootstelling af te leiden.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Het rapport vormt een onderdeel van het thema 'Regio en Toegankelijkheid' in het kader van de Volksgezondheid en Toekomst Verkenning 2002 van het RIVM. In dit rapport wordt een uitgebreide analyse gemaakt van regionale verschillen in de kosten en het gebruik van geneesmiddelen. De regionale verschillen zijn weergegeven in 31 regio's. Het onderzoek heeft betrekking op de geneesmiddelen die bij de openbare apotheek zijn afgehaald. In 2000 werd er voor ruim 2,5 miljard euro aan geneesmiddelen afgeleverd door de openbare apotheken. Het aantal voorschriften via de apotheek bedroeg bijna 131 miljoen in dat jaar. Er is een analyse gemaakt van de regionale verschillen in kosten, volume en prijs bij alle geneesmiddelen tezamen en bij zes geneesmiddelengroepen (maagmiddelen, cholesterolverlagers, antibiotica, benzodiazepines, antidepressiva en middelen bij astma/COPD). Uit het onderzoek blijkt dat regionale verschillen in geneesmiddelenkosten vooral zijn toe te schrijven aan volumeverschillen en niet aan grote regionale verschillen in voorkeuren voor duurdere dan wel goedkopere geneesmiddelen
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Dit draaiboek beschrijft de berekening van inname van stoffen (xenobiotica, natuurlijke toxinen of voedseladditieven) in de mens via de voeding, te gebruiken door medewerkers van het Centrum voor Stoffen en Integrale Risicoschatting (SIR) van het RIVM. Het draaiboek is bedoeld voor stoffen die aanleiding kunnen geven tot toxische effecten na chronische blootstelling. Bovendien is het voornamelijk opgesteld voor stoffen die voorkomen in voedingsmiddelen die door een groot deel van de bevolking frequent worden gegeten. Van deze voedingsmiddelen is de consumptie goed te schatten met de Voedsel Consumptie Peiling (VCP), waarvan de gegevens zijn opgeslagen in een database. De inname van stoffen via de voeding wordt berekend door de concentratie in voedingsmiddelen te vermenigvuldigen met de consumptie van die voedingsmiddelen. Als eerste moet worden vastgesteld in welke (bestanddelen van) voedingsmiddelen de stof voorkomt en wat de gemiddelde concentratie is. Als er voldoende gegevens in de VCP aanwezig zijn om de consumptie te bepalen, wordt een tabel gemaakt waarin voor elk product dat beschreven is in de VCP een bijbehorende concentratie berekend is. Met behulp van deze tabel en met de VCP-consumptiegegevens kan vervolgens de inname over twee dagen voor de deelnemers aan de VCP worden berekend. De data worden statistisch geanalyseerd met het STatistic Exposure Model (STEM). Als de VCP niet kan worden gebruikt omdat de bewuste voedingsmiddelen slechts door weinig mensen en/of weinig frequent worden gegeten, moet er via andere wegen naar consumptiegegevens worden gezocht. De resulterende consumptiegegevens worden vermenigvuldigd met de concentraties in de producten om de inname te berekenen. De laatste stap van de innameberekening is de interpretatie. De berekende inname kan worden vergeleken met de uitkomsten van andere studies en met toxicologische advieswaarden. De onzekerheden in de berekeningen worden genoemd en eventueel kan het effect van een limietwaarde op de inname worden berekend.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Cryptosporidium dose-reponse studies: variation between hosts | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
New smokers and quitters; Transitions in smoking status in a national populations | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Serologisch onderzoek van konijnen op infectie met Encephalitozoon cuniculi | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Worldwide occurence of Beijing/W strains of Mycobacterium tuberculosis: A systematic review | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Echinococcus multilocularis: De kleine lintworm van de vos met mogelijk grote gevolgen voor de mens | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
In Nederland werd in 1999 ongeveer 36 miljard euro aan gezondheidszorg uitgegeven. Dat bedrag zal de komende jaren stijgen onder invloed van toenemende medische mogelijkheden en de vergrijzing van de bevolking. Om vast te stellen of al dat geld zo goed mogelijk wordt besteed, moet eerst bekend zijn waar dat geld precies aan wordt besteed. Dit rapport geeft een antwoord op die laatste vraag. Beschreven wordt hoe het zorggebruik van de Nederlandse gezondheidszorg in 1999 was verdeeld over ziekten, mannen en vrouwen, verschillende leeftijdsgroepen en zorgsectoren. Ook wordt beschreven hoe de kosten van de gezondheidszorg zich in de afgelopen jaren hebben ontwikkeld, en hoe zij zich in de toekomst naar verwachting zullen ontwikkelen. In dit rapport wordt tevens een eerste aanzet gegeven om de kosten ook te verdelen naar risicofactoren achter de ziekten. Verder wordt een vergelijking gemaakt met andere kosten van ziektenstudies uit binnen- en buitenland. Voor de interpretatie van verschillen tussen KVZ-cijfers wordt een algemene checklist van 10 punten gepresenteerd. Tenslotte worden de uitkomsten in een breder perspectief geplaatst door een vergelijking van de kosten met andere gevolgen van ziekte zoals sterfte, ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Voor het vaststellen en kwantificeren van het volksgezondheidsrisico van BSE infectiviteit voortkomende uit de activiteiten van het destructiebedrijf Rendac Bergum, werd een "risk assessment" onderzoek uitgevoerd. De stroom van infectiviteit die de fabriek binnenkomt werd gemodelleerd door gebruik te maken van een stroomdiagram. Het model werd geevalueerd door middel van een waarschijnlijkheidsbenadering van de risico-schatting om een beeld te krijgen van de onzekerheden in de ingevoerde parameters. De ingevoerde vaste parameters zijn steeds gekozen met het oogmerk een worst case situatie te beschrijven. De geselecteerde variabelen zijn gedefinieerd als een verdeling, en het resultaat vele malen berekend door middel van Monte Carlo simulatie. In 2001 zijn in Nederland in totaal 20 dieren positief getest voor BSE. Aangenomen is dat al deze dieren verwerkt zouden zijn bij Rendac Bergum als onderdeel van de SRM verwerking, en dat ze de infectiviteit bevatten van een volledig geinfecteerd dier. De mediane waarde voor de infectiviteit aan het begin van het proces werd bepaald op 3620 humane orale ID50 eenheden per jaar, met een spreiding van 36 tot 408000. De inactivatie door het destructie-proces werd bepaald op 99% van de totale infectiviteit. Van de resterende infectiviteit kwam de grootste hoeveelheid terecht in het eindproduct vlees- en beendermeel: 9 humane orale ID50 eenheden per jaar. Bij de huidige productie resulteert dit in 8 x 10-5 humane orale ID50 eenheden per kg vlees- en beendermeel. Al het vlees- en beendermeel wordt naar elders getransporteerd voor verbranding. BSE infectiviteit afkomstig van het destructiebedrijf kan via 3 routes in het milieu terechtkomen. Via het effluent van de waterzuiveringsinstallatie dat wordt geloosd in het Prinses Margriet kanaal, via het slib dat op land wordt gestort of wordt gebruikt als meststof, of via deeltjes in de gassen die in de omgevingslucht terechtkomen. In alle drie deze gevallen gaat het om extreem lage hoeveelheden BSE infectiviteit die geen significant risico opleveren voor mensen die in de omgeving van het destructiebedrijf wonen, werken of verblijven.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Het doel van dit onderzoek is de beschrijving van de milieuhygienische kwaliteit van bouwstoffen na medio 1998 en de evaluatie van: - de toepasbaarheid van bouwstoffen onder de voorwaarden van het Bouwstoffenbesluit, - de consequenties van de normstelling voor het (her)gebruik van bouwstoffen, - de kritische componenten en in hoeverre ze beinvloedbaar zijn, -kwaliteitsverbeteringen t.o.v. de ex-ante evaluatie in 1997, - problemen in de praktijk. Voor dit doel zijn gegevens over samenstelling en uitloging verzameld en geevalueerd. Voor iedere bouwstof is een materiaalblad gemaakt waarin toepasbaarheid, milieuhygienische kwaliteit en kwaliteitsverbeteringen beschreven staan. De milieuhygienische kwaliteit is getoetst aan de normen van het Bouwstoffenbesluit voor drie toepassingshoogten: 0,2 0,7 en 2,0 meter. 98-99% van de bouwstoffen voldoet hieraan. Het totale hergebruik van bouwstoffen is toegenomen van 141 Mton in 1997 tot 155 Mton in 2001. Dit is het gevolg van de verdubbeling van het hergebruik van granulaire secundaire bouwmaterialen. Het totale (her)gebruik van bouwstoffen bestaat voor 76% uit primaire en voor 24% uit secundaire bouwstoffen.Voor een beperkt aantal bouwstoffen zijn er aanzienlijke problemen om aan het normkader van het Bouwstoffenbesluit te voldoen: Gereinigde grond (antimoon); AVI-bodemas (koper, molybdeen; bij aflopen tijdelijke regeling zonder kwaliteitsverbetering 70% niet meer toepasbaar); mijnsteen (antimoon, seleen); granulaten uit bouw- en sloopafval (sulfaat; opsplitsen van partijen); baggerspecie: (fluoride, sulfaat); tarragrond (minerale olie, DDD/DDE/DDT, aldrin/dieldrin/endrin); klei (DDD/DDE/DDT, drins). Algemene kwaliteitsgerelateerde knelpunten zijn de verhoogde keuringsfequentie die het gevolg is spreiding in meetwaarden, het verschil in bemonstweringsinspanning bij grond en de tijd, kosten en kwaliteit van partijkeuringen.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Het MeerJarenPlan Gewasbescherming (MJP-G) beoogde reducties van emissies van gewasbeschermingsmiddelen naar het milieu. Emissies moesten worden teruggedrongen met tenminste 50% (naar lucht), 75% (naar bodem en grondwater) en 90% (naar oppervlaktewater). In 2001 is het MJP-G geevalueerd. Berekende reducties bedroegen respectievelijk 54%, 79% en 79%, waarbij de emissie naar de lucht nog ruim 95% van de totale emissie bedroeg. Dit rapport geeft een uitvoerige beschrijving van de totstandkoming van de emissiecijfers.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Effecten van verschillende varianten van verliesnormen op aquatische ecosystemen zijn geevalueerd. Verliesnormen voor N van 300 - 40 kg ha-1, afhankelijk van het bodemtype en landgebruik, en voor P van 40 -1 kg P2O5 ha-1 jaar-1 (equivalent aan 17.5 - 0.4 kg P ha-1 jaar-1) werden gebruikt in de berekeningen. Een keten van modellen werd gebruikt om de effecten van de varianten op belasting en concentratie in het oppervlaktewater (rivieren, beken, sloten, meren en kustwateren) te bepalen. Verlaging van N- en P-verliesnormen resulteren in een verlaging van de belasting van het oppervlaktewater en de concentratie daarin. Echter, de gemiddelde vermindering van de concentraties is relatief laag in vergelijking met de vermindering van de verliesnormen. Redenen daarvoor zijn: (i) de verlaging a N-verliesnormen is minder in gebieden waar de belasting van het water hoog is, (ii) P-belasting van het oppervlaktewater word primair bepaald door de P-status van de bodem, en slechts indirect door de P-verliesnormen, en (iii) kwel van N- en P-rijk grondwater uit bodemlagen van marien oorsprong draagt aanzienlijk bij tot de belasting van het oppervlaktewater. Verlagen van de verliesnormen gecombineerd met aanvullende maatregelen (baggeren, doorspoelen en vermindering van de belasting door andere bronnen) zijn nodig om de ecologische toestand van het oppervlaktewater te verbeteren.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Sinds 1962 bewaakt het RIVM de veiligheid van het Rijksvaccinatieprogramma. Vanaf 1964 gebeurt dat in nauwe samenwerking met de Gezondheidsraad. Het merendeel van de meldingen van vermoede bijwerkingen komt binnen via de telefoondienst van het RIVM, waarbij de meeste meldingen afkomstig zijn van de Jeugdgezondheidszorg. Nadere informatie wordt zonodig verkregen van ouders en behandelende artsen. Na aanvulling en verificatie wordt aan de hand van de (werk)diagnose de causaliteit beoordeeld. Alle in 2000 binnengekomen meldingen zijn in dit rapport opgenomen en gerubriceerd naar aard van de gebeurtenis en naar causaal verband. Onderrapportage, vertekening en specifieke beelden worden besproken, met aandacht voor effecten van de vervroeging van het vaccinatieschema. Er zijn 1142 meldingen binnengekomen, op een totaal van bijna 2,5 miljoen vaccinaties. Hiervan waren 18 (1,6%) meldingen niet te beoordelen vanwege ontbrekende informatie. Bij 79% (884) van de meldingen werd een mogelijk causaal verband vastgesteld en bij 240 meldingen (21%) werd een oorzakelijk verband onwaarschijnlijk of afwezig geacht. Vergeleken met 1998, het laatste volledige jaar met het oude schema, was er een kleine stijging van het aantal meldingen, passend bij het wat grotere geboortecohort. De vervroeging van het schema lijkt niet veel effect gehad te hebben, behalve de kleine stijging in het aantal gemelde collapsreacties.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport beschrijft het kostenmodel van het FAIR model (Framework to Assess International Regimes for differentiation of commitments). Het kostenmodel is gebruikt voor eerdere analyses van de evaluatie van de milieueffectiviteiten kosten van het Kyoto Protocol na het Bonn-Marrakesh akkoord. Het kostenmodel bevat marginale kosten curves, die gebruikt kunnen worden voor de berekening van de marginale en totale kosten, het verkennen van de voordelen van emissiehandel in een internationale emissiemarkt. De berekeningen maken gebruik van geaggregeerde vraag en aanbod curves, welke zijn afgeleid van deze kosten curves. Om de methode te illustreren presenteren we de case studie van het Bonn-Marrakesh Akkoord voor de periode 2008-2012. De case studie bevestigt de conclusies van onze eerdere studies: het terugtrekken van de VS heeft verreweg de grootste invloed op de verminderde milieueffectiviteit van het Kyoto Protocol, de afname van de prijs op de internationale emissiemarkt en het verminderen van de totale emissiereductie-kosten van het Protocol. De Marrakesh Overeenkomst brengt de emissies van alle broeikasgassen van de Annex I landen in 2010 zonder de VS een 4 procent onder het niveau van het basisjaar; dit is niet hetzelfde vergeleken met het 1990-niveau. Zonder de VS echter zal de vraag naar emissierechten sterk dalen en daardoor de prijs op de internationale emissiemarkt (minder dan US$10/tC). Hot air wordt een zeer dominant probleem, met name in lagere groeiscenario's, en kan zelfs de ontwikkeling van de emissiemarkt ondermijnen omdat de prijs naar nul dreigt te gaan. Het banken van hot air van cruciaal belang is voor het versterken van zowel de milieueffectiviteit van het Protocol als de ontwikkeling van een internationale emissiemarkt. Een strategie gericht op het beperken en banken van het aanbod is ook in het voordeel van de belangrijkste aanbieder, dat is de Annex I FSU regio.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport staan de bijlagen die bij het RIVM rapport 408657006 horen. In dit rapport staat het proces beschreven van het optimaliseren van de regressievergelijkingen voor MOVE 3.2. MOVE is een regressieMOdel voor de Nederlands VEgetatie. Het onderzoek is in twee fase uitgevoerd, allereerst is in deel I de geschiktheid van de dataset geanalyseerd en vervolgens (deel II) zijn de optimale regressievergelijkingen afgeleid.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Een beschrijving van het optimaliseren van de regressievergelijkingen voor MOVE 3.2. MOVE is een regressieMOdel voor de Nederlands VEgetatie. Het onderzoek is in twee fase uitgevoerd, allereerst is in deel I de geschiktheid van de dataset geanalyseerd en vervolgens (deel II) zijn de optimale regressievergelijkingen afgeleid. Uit de analyse in deel I is geconcludeerd dat de dataset geschikt is om te gebruiken voor het afleiden van de regressievergelijkingen. Er zijn voor het complete bereik van de variabelen gegevens aanwezig. De ruimtelijke spreiding van de gegevens over Nederland is redelijk homogeen, dit is een belangrijke voorwaarde voor het kunnen gebruiken van deze gegevens voor regressie analyse. Bij het vergelijken van de waarden van de te gebruiken variabelen met 13 willekeurig getrokken plantensoorten blijkt dat de gemiddelde waarden en de spreiding van deze variabelen goed overeenkomen met vermeldingen in Heukel's Flora van Nederland voor deze soorten. Er is op twee manieren geprobeerd om de optimale regressievergelijking (deel II) per plantensoort af te leiden. Bij de eerste methode is het aantal vrijheidsgraden van te voren opgelegd en worden specifieke modellen doorgerekend. In totaal zijn er op deze wijze elf verschillende modellen doorgerekend. Bij de tweede methode, de stapsgewijze regressie methode, bepaald het rekenproces, de computer, in grote mate welke modellen doorgerekend worden. Door het aangeven van het startmodel en het eindmodel is het mogelijk om enige sturing over het proces te houden. Bij de tweede methode zijn zes varianten doorgerekend. Drie varianten leverden nooit een beter model op, dus zijn er uiteindelijk drie varianten verder geanalyseerd. Vervolgens is per soort het beste model geselecteerd uit de in totaal veertien verschillende modellen. De selectieprocedure bestaat uit drie stappen. Allereerst is gekeken naar de goodness of fit. Van de oorspronkelijk aanwezige 914 plantensoorten uit de complete dataset zijn alleen die modellen geselecteerd met een redelijke goodness of fit. Hiervoor is de Hosmer en Lemeshow-test gebruikt met een alpha van 0.05. Dit betekent dat de kans dat een model onterecht wordt afgewezen 5% is. Ten tweede is, wanneer er meerdere modellen aan deze eis voldoen, het model gekozen met de hoogste schatter . Ten derde is als extra eis gesteld dat er minimaal 1 variabele aanwezig moet zijn, die veranderlijk in de tijd is of kan zijn. Dit resulteerde in 'optimale' modellen voor 690 soorten. Voor 15 soorten leverde de goodness of fit maat geen biologisch betekenisvol model op. Voor deze soorten is het model geselecteerd dat net buiten de goodness of fit eis lag, maar alpha groter dan 0.01, en een hogere maximale kans op voorkomen heeft. In het uiteindelijke resultaat worden alle veertien modelvarianten minimaal eenmaal gekozen. De variabelen combipaf (toxiciteit als gevolg van aanwezigheid van zware metalen), zout en vegetatietype komen het minst in de uiteindelijke modellen voor en zijn dus voor minder plantensoorten een belangrijke factor. De andere variabelen worden ongeveer even vaak gekozen.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
In de afgelopen 5 jaren heeft de Milieu Ongevallen Dienst (MOD) van het RIVM bij ongeveer twintig grote branden metingen verricht van een aantal stoffen. In dit rapport worden de resultaten van deze metingen systematisch gerangschikt met als doel inzicht te krijgen in welke verbindingen worden geemitteerd bij verschillende soorten branden en in welke mate deze emissies leiden tot verhoogde concentraties in de omgeving. Binnen een afstand van enkele honderden meters tot de brand blijken de concentraties aan fijn stof, koolmonoxide, een aantal vluchtige organische componenten, Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen en enkele zware metalen (namelijk lood, zink, koper, titanium, tin, barium en cadmium) in de lucht vrijwel altijd verhoogd te zijn. Bij branden met grote hoeveelheden chloorhoudende materialen zoals PVC zijn de concentraties dioxinen en zoutzuur ook sterk verhoogd. Blauwzuur is enkele malen in hoge concentraties gevonden. Analyses van veeg- en grasmonsters genomen in het gebied benedenwinds van de brand geven aan dat ook daarin vaak verhoogde gehalten aan PAK, zware metalen en dioxinen voorkomen. De geschatte potentiele blootstelling van omwonenden door inhalatie van bij de branden vrijgekomen stoffen, door consumptie van tijdens de brand gecontamineerde gewassen en door ingestie van verspreide stofdeeltjes bleek steeds onder de toxicologische grenswaarden te liggen. Een uitzondering hierop vormt fijn stof, waarvan niet kan worden uitgesloten dat een aantal omwonenden vermoedelijk enige tijd is blootgesteld aan concentraties boven de daggemiddelde grenswaarde.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Dit eerste jaarrapport 'Beleidsmonitoring straling' geeft een beschrijving van de stralingsbelasting in Nederland die door menselijk handelen is toegevoegd. Daarbij is het verloop in de tijd en de invloed van het beleid op de stralingsbelasting voor leden van de bevolking onderzocht. De stralingsbelasting wordt toegerekend aan de daarvoor verantwoordelijke ondernemers. Om praktische redenen zijn die ingedeeld in de categorieen: nucleaire installaties, procesindustrie, medische instellingen en bedrijven die niet-destructief onderzoek uitvoeren (NDO-bedrijven). Daarnaast zijn van de overige bronnen van straling de gebruiksartikelen besproken, waarin bewust radioactieve stoffen zijn verwerkt. De stralingsbelasting voor leden van de bevolking door radon in woningen en bouwmaterialen wordt niet behandeld, omdat hiervoor afzonderlijk beleid wordt ontwikkeld. Om de invloed van het beleid te kunnen monitoren, wordt nader ingegaan op het huidige beleid en de daaraan gekoppelde vergunningverlening. Voor een compleet beeld van de ontwikkeling rondom de vergunningen en emissies van bedrijven en instellingen is tevens het beleid besproken dat in het verleden is gevoerd. De lozingen van de nucleaire installaties blijken meestal in de orde van grootte van 0,1 a 10 % van de vergunde limieten te zijn. De stralingsbelasting van de lozingen van de installaties in lucht en water bevindt zich in het (sub-) uSv-bereik, terwijl de dosis voor leden van de bevolking ten gevolge van externe straling een factor 10 beneden de vergunde dosis blijft. De invloed van het beleid is in zoverre aan te geven dat de stralingsbelasting als gevolg van lozingen in lucht en water laag blijft, mede door rapportageverplichtingen in EU-verband waarbij aantoonbaar moet worden gemaakt dat die lozingen zo laag als redelijkerwijs mogelijk zijn.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Speerpunt in het natuurbeleid is de realisatie van een ruimtelijk samenhangende Ecologische Hoofdstructuur: een gebied waar rust, ruimte en natuur van enige omvang te vinden zijn. De Ecologische Hoofdstructuur zoals die nu op kaart staat, is na tien jaar beleidsuitwerking ruimtelijk te versnipperd om op nationaal niveau te kunnen spreken van een hoofdstructuur. De maatschappelijk-economische dynamiek is dermate groot dat overal in Nederland, maar met name in de Randstad, natuur en landschap onde druk staan en de ruimtelijke hoofdstructuur vervaagt. Om de beoogde rust, ruimte en biodiversiteit en de bijbehorende milieucondities alsnog te realiseren is een krachtiger ontsnippering nodig en een duidelijke planologische en milieu-bufferzone rond de Ecologische Hoofdstructuur. Om het beleid te vereenvoudigen, zou gebruik gemaakt kunnen worden van het bestaande beleidsconcept in de vorm van de bruto EHS.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Test resultaten van Salmonella sero- en faagtypering en antimicrobiele gevoeligheidsbepalingen door de Nationale Referentie Laboratoria voor Salmonella in de Lidstaten van de Europese Unie en EnterNet Laboratoria: Ringonderzoek VI (2001) voor Salmonella. Een zesde ringonderzoek betreffende de typering van Salmonella werd georganiseerd door het Communautair Referentie Laboratorium voor Salmonella (CRL-Salmonella, Bilthoven, Nederland) in samenwerking met Public Health Laboratory Services (PHLS), London, Verenigd Koninkrijk. Zeventien Nationale Referentie Laboratoria voor Salmonella (NRLs-Salmonella) en 15 EnterNet Laboratoria (ENLs) namen deel aan deze studie. Drie van de NRLs zijn eveneens ENLs. De resultaten van deze drie NRL-ENL laboratoria zullen alleen geevalueerd worden bij de NRLs voor Salmonella. In totaal, werden 19 stammen van het species Salmonella enteritica subsp. enterica en 1 stam van het species Salmonella enterica subsp. arizonae geselecteerd voor serotypering en antimicrobiele gevoeligheids bepalingen, terwijl 10 stammen van Salmonella Typhimurium (STM) en 10 stammen van Salmonella Enteritidis (SE) werden geselecteerd voor faagtypering. In het algemeen waren er geen problemen met het typeren van de O-antigenen. Sommige laboratoria hadden echter problemen met het typeren van de H-antigenen. Antimicrobiele gevoeligheids bepalingen vertoonden data die lieten zien dat de standaardisatie van deze techniek nodig is om vergelijkingen te kunnen maken tussen laboratoria. Het merendeel van de EnterNet Laboratoria en Nationale Referentie Laboratoria voor Salmonella hadden geen grote problemen met het faagtyperen van de STM en SE stammen.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Het milieu in Nederland verbetert langzaam maar zeker. Het nieuwe kabinet wil die verbetering vasthouden. Het verleden laat zien dat daarvoor Europese milieuregels van groot belang zijn. Die zijn effectiever gebleken dan vrijwillige afspraken en financiele prikkels. De Nederlandse situatie met een hoge bevolkingsdichtheid en intensieve industrie, landbouw en verkeer maakt het nakomen van internationale milieuverplichtingen moeilijk. De Milieubalans 2002 van het Milieu- en Natuurplanbureau geeft inzicht in de recente ontwikkelingen in het milieu en de effecten van het milieubeleid.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
De Nederlandse overheid heeft in het 'Besluit stralingsbescherming' (Bs) nieuwe vergunningplichtige grenzen opgenomen voor lozingen van kunstmatige bronnen door radionucliden-laboratoria. Deze nieuwe grenzen waren nodig om de gewijzigde systematiek van de Euratom-richtlijn 96/29 betreffende de individuele radionucliden gewijze benadering in de Nederlandse wetgeving te implementeren. Het rapport verschaft inzicht in de doses voor leden van de bevolking die het gevolg zijn van lozingen in lucht en water ter grootte van de nieuwe vergunningplichtige grenzen en gaat in op de verschillen tussen de nieuwe en de oude situatie. Voor de meeste van de beschouwde radionucliden blijken de nieuwe vergunningplichtige grenzen hoger te liggen dan de oude grenzen. De verhoging is het kleinst, en soms is er zelfs sprake van een verlaging, voor langlevende of alfa-straling uitzendende radionucliden. Dit is vooral het gevolg van het in rekening brengen van de dosiscoefficient die voor de onderzochte alfa-stralers meestal hoger is dan voor de andere radionucliden. Kortlevende radionucliden met een lage dosiscoefficient mogen in de nieuwe situatie meer dan voorheen worden geloosd omdat deze toch weinig aan de dosis bijdragen. Gezien de conservatieve aannamen in de berekening van de dosis is het te verwachten dat de dosis die hoort bij de nieuwe vergunningplichtige grenzen van 1 en 10 Re voor lozingen in lucht, respectievelijk water, het dosiscriterium van 0,1 microsievert per jaar in de praktijk maar in enkele gevallen zal overschrijden.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
In het kader van de 5e Nationale Milieuverkenning 2000-2030 is de nitraatontwikkeling in het ruwwater op de pompstations in de regio's Twente en de Achterhoek bestudeerd. In dit rapport worden de modelkeuzen en invoergegevens beschreven en besproken. De resultaten geven aan dat de nitraatconcentraties op dit moment stabiel zijn of dalen. Tevens blijkt dat in 2030 in het ruwwater van alle in de Achterhoek gelegen winningen de nitraatconcentraties beneden de drinkwaternorm van 50 mg/l liggen , terwijl in Twente op enkele pompstations nitraatconcentraties gaan voorkomen die de drinkwaternorm overschrijden. Special aandacht wordt besteed aan denitrificatie. Alle berekeningen zijn tweemaal uitgevoerd: zowel zonder als met denitrificatie. Het blijkt dat denitrificatie leidt tot concentraties die een orde van grootte lager liggen dan wanneer denitrificatie niet in rekening wordt gebracht. Het jaar 1950 is gekozen als beginpunt voor de berekeningen. Voor de prognoses voor de periode 2000-2030 is de fout die voorkomt uit een niet correcte schatting van de beginsituatie verwaarloosbaar klein.De berekende waarden van v66r 2030 zijn vergeleken met de meetwaarden die vanaf 1968 zijn verzameld. Voor het merendeel van de pompstations blijken de berekende gehaltes hoger te liggen dan de metingen. De voorspelde nitraatgehaltes zijn daarom vermoedelijk te hoog. In het rapport worden hiervoor een aantal verklaringen gegeven en nader besproken.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Er worden 5 factsheets gepresenteerd voor de risicoschattingsmethoden van het Centrum voor Stoffen en Risicobeoordeling (CSR) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). 3 Factsheets hebben betrekking op de risicoschattingsmethoden voor de volksgezondheid en 2 op de risicoschattingsmethoden voor het milieu: 1 Alpha2u-globulin associated nephropathy and renal-cell neoplasms. 2. Follicular thyroid tumours in rodents. 3. Pesticide residue analysis in plant and animal products. 4. Sediment risk assessment for pesticides. How to evaluate and use ecotoxicological field tests for regulatory purposes. Naast het vastleggen van de risicoschattingsmethoden zoals die bij het RIVM/CSR worden gehanteerd is het doel van deze publicatie de risicoschattingsmethoden transparanter te maken en een platform voor discussie te creeren. De auteurs van elke factsheet beschrijven de "state-of-the-art" van hun onderwerp. Opmerkingen, tekortkomingen en aanvullende informatie wordt op prijs gesteld en kunnen naar de eerste redacteur worden opgestuurd.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
In deze rapportage worden de gegevens gepresenteerd van voedselinfecties en voedselvergiftigingen in Nederland in 2001. De resultaten zijn gebaseerd op meldingen door consumenten aan de Keuringsdienst van Waren en op wettelijk verplichte meldingen van ziektegevallen bij de Inspectie Gezondheidszorg. Bij de vijf Keuringsdiensten van Waren werden in 2001 294 explosies en 222 enkele gevallen gemeld, een vergelijkbaar aantal met 1999 en 2000, maar lager dan het aantal meldingen in de periode 1995-1997. In totaal waren hierbij in 2001 1878 ziektegevallen betrokken, een hoger aantal dan in de afgelopen jaren. Bij de Inspectie Gezondheidszorg werden 143 meldingen gedaan. Dit betrof 101 meldingen van explosies (2 of meer gerelateerde ziektegevallen), 36 patienten met een verzorgend of verplegend beroep of werkzaam in de levensmiddelensector en 13 met onbekend criterium voor melding. Voor 80% van de gemelde explosies bij IGZ was tevens aanvullende informatie beschikbaar uit de vrijwillige surveillance formulieren (zoals aantal zieken, vermoedelijke besmettingsplaats en micro-organisme). Het aantal gemelde explosies was in 2001 wat hoger dan in voorgaande jaren (jaarlijks circa 70-90 explosies). Echter, door de geringere omvang van de explosies, gemiddeld 9,6 zieken per explosie in 2001 in vergelijking tot 13,8 per explosie in 2000, was het totaal aantal ziektegevallen in 2001 lager dan in 2000. Bij de Keuringsdienst van Waren werd een mogelijke oorzaak gevonden bij 12% van de meldingen. Bacillus cereus (3,9%) werd daarbij het meest frequent gezien, gevolgd door Salmonella (1,4%). Echter, bij de incidenten waar een restant van het verdachte voedsel beschikbaar was voor onderzoek (bij circa een kwart van het totaal), werd vaker een oorzaak gevonden, namelijk bij 48%. Bij de Inspectie Gezondheidszorg werd voor 59% van de explosies met aanvullende informatie een verwekker aangegeven. Salmonella was de meest gevonden verwekker (38%), gevolgd door Campylobacter (11%) en Norwalk-like virus (6%). Virussen, waarvoor geen routinematig onderzoek plaatsvindt, zijn waarschijnlijk een belangrijker oorzaak van voedselinfecties in Nederland dan momenteel wordt aangenomen.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Beroerte is een belangrijke ziekte zowel qua morbiditeit als mortaliteit. In Nederland ondergaan ongeveer 30.000 mensen per jaar een beroerte. Drieendertig procent van deze patienten overlijdt in het eerste jaar na het ontstaan van de beroerte en 41% van de overlevenden ondervindt beperkingen in zijn dagelijks leven als gevolg van de beroerte. Het doel van het rapport is een overzicht te geven van de huidige ziektelast, de organisatie van de zorg en de kosten van de zorg van patienten met een beroerte in Nederland. In het rapport wordt allereerst de epidemiologie en de risicofactoren voor het krijgen van een beroerte beschreven. Vervolgens wordt de Nederlandse gezondheidszorg, in relatie tot de zorg voor patienten met een beroerte besproken. Nieuwe ontwikkelingen in de zorg van patienten met een beroerte, zoals 'stroke units', 'stroke services' en TIA-poli's, komen aan de orde. Daarnaast wordt in dit rapport informatie over het gebruik van voorzieningen ten gevolge van beroerte in Nederland gepresenteerd. Tot slot wordt ingegaan op de kosten van de zorg van patienten met een beroerte. Het rapport is een bijdrage aan het Ageing-Related Disease project van de Organisation for Economic Co-operation and Development (OECD) getiteld "Cross-national difference in the treatment, costs and outcomes of stroke".
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport beschrijft de uitgangspunten die gebruikt zijn bij de modelmatige berekening van de mest- en ammoniakemissies in de jaarlijks verschijnende Milieubalans. Het modelinstrumentarium is ontwikkeld door het Landbouw Economisch Instituut en wordt gevoed met generieke invoerdata afkomstig van de jaarlijkse Landbouwtelling en met specifieke uitgangspunten. Met specifieke uitgangspunten worden bedoeld de stikstof- en fosfaatexcretie per diercategorie, de ammoniakemissie van stalsystemen en mestaanwendingstechnieken, en de mate waarin de verschillende staltypen en mestaanwendingstechnieken voorkomen. Het rapport volgt de mineralenroute van opname en excretie door het dier tot en met opslag en aanwending op het land. Een scala aan bronnen vormt de basis voor de gebruikte uitgangspunten.angesloten bij de specifieke situatie in een bepaald jaar. Dit rapport beschrijft de uitgangspunten voor de jaren 1999 en 2000* (Milieubalans 2001) en voor de jaren 2000 en 2001* (Milieubalans 2002). Het *-teken geeft aan dat het voorlopige berekeningen voor dat jaar betreft.missies in de periode 1980 - 2000.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
De jaargemiddelde EU-NO2-norm zal, volgens het EC scenario van het CPB, nog overschreden worden in 2010 bij gemiddelde meteorologie. Overschrijding vindt voornamelijk plaats bij woningen langs snelwegen in stedelijk gebied. Om te voldoen aan de grenswaarde zal mogelijk lokaal voor miljarden euro aan maatregelen (sloop huizen, tunnels, luifels) genomen moeten worden. Ook bij uitvoering van NMP4 en het BOR (Bereikbaarheids Offensief Randstad) verkeersbeleid wordt de norm nog overschreden in 2010. Wel daalt het aantal overschrijdingen fors (factor 15). Om aan de grenswaarde te voldoen dalen de kosten van mogelijke lokale maatregelen van enkele miljarden euro tot enkele tientallen miljoenen euro. Pas als er na de uitvoering van NMP4 in 2010 in Europees verband maximaal emissiereductie- en verkeersbeleid wordt ingezet dan vindt er in en na 2015 geen overschrijding bij woningen meer plaats onder gemiddelde meteorologische omstandigheden.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
In 2001 zijn herziene risicogrenzen gepubliceerd die de basis vormen voor de interventiewaarden bodemsanering in het kader van de Wet bodembescherming (Wbb). Dit is het resultaat van de technisch-inhoudelijke evaluatie van de interventiewaarden bodem en grondwater voor de eerste tranche. In dit rapport wordt ten behoeve van de beleidsmatige implementatie hiervan ingegaan op de oorzaken van verschillen tussen de risicogrenzen en de vigerende interventiewaarden voor bodem en grondwater, de robuustheid van de voorstellen en ontwikkelingen die in de toekomst tot aanpassingen zouden kunnen leiden. Voor de ecotoxicologische bepaalde risicogrenzen voor bodem zijn de belangrijkste oorzaken van een herziene waarde: beschikbaarheid van meer ecotoxicologische data; gebruik van evenwichtspartitie bij weinig bodemdata; andere gegevensevaluatie; afleiden van een individuele waarde per stof (in plaats van een groepswaarde); en een onbekende herkomst van de huidige HC50-waarde. Voor de humaan-toxicologische bepaalde risicogrenzen voor bodem zijn belangrijke oorzaken van een herziene waarde: een aangepaste MTR-humaan; aanpassing van de concepten voor humane blootstelling in CSOIL; en aanpassing van de inputparameters. Voor de risicogrens voor grondwater zijn de belangrijkste oorzaken van de vaak hogere waarden: niet meer toepassen van een factor 10 tussen de berekende concentratie in het (porie)water en het grondwater; het directe gebruik van aquatische toxiciteitsgegevens; het afleiden van waarden voor individuele stoffen; en wijziging van humane toxiciteit en blootstelling. De robuustheid van de ecotoxicologische onderbouwde risicogrenzen is vooral afhankelijk van het aantal reeds beschikbare toxiciteitsdata, of mogelijk veel nieuwe data binnen korte tijd beschikbaar komen en resultaten van lopende ontwikkelingen. De verwachting is dat nieuwe data niet in grote getale beschikbaar zullen komen. De robuustheid van de humaan-toxicologische risicogrenzen is afhankelijk van het beschikbaar komen van nieuwe humaan-toxicologische data, het beschikbaar komen van nieuwe inzichten over modellering van humane blootstelling en de spreiding in de (fysisch-chemische) stof parameters. Verwacht wordt dat nieuwe toxicologische data niet in grote getale beschikbaar zullen komen. Met name de Koc blijkt voor de SRC voor bodem voor veel stoffen een belangrijke factor. De verschillen tussen de afleiding van de herziene risicogrenzen en de inhoud van de TCB adviezen over de afleiding zijn zeer beperkt en voor zover aanwezig in een apart hoofdstuk toegelicht. Voor de ecotoxicologische risicobeoordeling worden geen op korte termijn toepasbare resultaten van genoemde nieuwe ontwikkelingen verwacht. Ter verhoging van de betrouwbaarheid van de risicobeoordeling wordt aanbevolen gericht nieuwe data te genereren en ontwikkelingen om biobeschikbaarheid in de normstelling op te gaan nemen te stimuleren. Voor de humaan-toxicologische risicobeoordeling kan met name aanvullende informatie over opname van stoffen in gewassen en biobeschikbaarheid van stoffen in grond in het menselijk lichaam mogelijk tot verbeteringen leiden.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
De jaargemiddelde EU-NO2-norm zal, volgens het EC scenario van het CPB, nog overschreden worden in 2010 bij gemiddelde meteorologie. Overschrijding vindt voornamelijk plaats bij woningen langs snelwegen in stedelijk gebied. Om te voldoen aan de grenswaarde zal mogelijk lokaal voor miljarden euro aan maatregelen (sloop huizen, tunnels, luifels) genomen moeten worden. Ook bij uitvoering van NMP4 en het BOR (Bereikbaarheids Offensief Randstad) verkeersbeleid wordt de norm nog overschreden in 2010. Wel daalt het aantal overschrijdingen fors (factor 15). Om aan de grenswaarde te voldoen dalen de kosten van mogelijke lokale maatregelen van enkele miljarden euro tot enkele tientallen miljoenen euro. Pas als er na de uitvoering van NMP4 in 2010 in Europees verband maximaal emissiereductie- en verkeersbeleid wordt ingezet dan vindt er in en na 2015 geen overschrijding bij woningen meer plaats onder gemiddelde meteorologische omstandigheden.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Sinds 1962 bewaakt het RIVM de veiligheid van het Rijksvaccinatieprogramma. Vanaf 1984 gebeurt dat in nauwe samenwerking met de Gezondheidsraad. Het meerendeel van de meldingen komt binnen via de telefonische informatiedienst van het RIVM waarbij de meeste meldingen afkomstig zijn uit de jeugdgezondheidszorg. Nadere informatie wordt zo nodig verkregen van ouders en behandelende artsen. Na aanvulling en verificatie wordt aan de hand van de (werk)diagnose de causaliteit beoordeeld. Alle in 1999 binnengekomen meldingen zijn in dit rapport opgenomen en gerubriceerd naar aard van de gebeurtenis en naar causaal verband. Onderraportage, vertekening en specifieke beelden worden besproken. Er zijn 1197 meldingen binnegekomen, op ongeveer twee miljoen vaccinaties. Hiervan waren er 12 (1%) niet te beoordelen vanwege ontbrekende informatie. Bij 84% (996) van de meldingen werd een mogelijke causaal verband vastgesteld en bij 189 meldingen (16%) werd een oorzakelijk verband onwaarschijnlijk of afwezig geacht. Vergeleken met 1998 was er opnieuw een stijging in het aantal meldingen. Deze toename is waarschijnlijk het gevolg van een groter aantal geente zuigelingen, omdat vanaf maart 1999 het vaccinaleschema met een maand is vervroegd.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Abstract niet beschikbaar
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Abstract niet beschikbaar
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Lactobacilli and host resistance | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Multilocus sequence typing scheme for Enterococcus faecium | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Role of electronic data exchange in an international outbreak caused by Salmonella enterica serotype typhimurium DT204b | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Multilocus sequence typing of Bordetella pertussis based on surface protein genes | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
TB and HIV: joint problems, joint solutions? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Exploring sources of heterogeneity in systematic reviews of diagnostic tests | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
DNA vaccination of ferrets with chimeric influenza A virus hemagglutinin (H3) genes | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Particle size-dependent total mass deposition in lungs determines inhalation toxicity of cadmium chloride aerosols in rats. Application of a multiple path dosimetry model | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Automated ribotyping of vancomycin-resistant Enterococcus faecium isolates | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Vancomycin-resistant Enterococcus faecium (VREF) from Norwegian poultry cluster with VREF from poultry from the United Kingdom and The Netherlands in an amplified fragment length polymorphism genogroup | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Hepatitis E: an overview | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Organization and characterization of the capsule biosynthesis locus of Streptococcus pneumoniae serotype 9V | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Priming of measles virus-specific humoral- and cellular-immune responses in macaques by DNA vaccination | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Development and validation of capillary electrophoresis for the determination of selected metal ions in airborne particulate matter after sequential extraction | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
The environmental pollutant hexachlorobenzene causes eosinophilic and granulomatous inflammation and in vitro airways hyperreactivity in the Brown Norway rat | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Er is een quick scan van de effectiviteit en doelmatigheid van uitgevoerde en voorgenomen maatregelen in het Nederlandse natuurbeleid uitgevoerd. Het beantwoordt vragen die zijn gesteld door het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en het ministerie van Financien, mede naar aanleiding van de door de Tweede Kamer aangenomen motie over het Natuuroffensief. Na een korte beschrijving van een aantal (autonome) maatschappelijke trends wordt een vijftal beleidsinstrumenten geanalyseerd: de ecologische hoofdstructuur, groen in en om de stad, agrarisch natuurbeheer, effectgerichte milieumaatregelen en bescherming van bestaande natuur. Per instrument is nagegaan wat de doelstelling is, wat is bereikt en wat de sterke en zwakke punten zijn die bij de uitvoering van het beleid naar voren komen. De vraag naar de doelmatigheid (kosteneffectiviteit) is summier beantwoord. Met de nu beschikbare gegevens kan deze vraag niet systematisch per beleidsinstrument worden geanalyseerd. Het rapport sluit af met een aantal alternatieve opties voor het realiseren van de doelen van het natuurbeleid.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Zonder actoren geen transitie. Een denkraam: vegetarisch voedsel als voorbeeld | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Het zicht op eenduidige regelgeving voor en heldere internationale afspraken over geluid en geluidbeleid wordt nog te vaak vertroebeld door het feit dat verschillende landen op verschillende wijze en met verschillende maten meten en rekenen. Hierdoor is het moeilijk om gegevens over geluidhinder van verschillende landen met elkaar te vergelijken. In dit rapport worden de wettelijk voorgeschreven geluidmaten van een groot aantal Europese landen voor het geluid van weg-, trein en vliegverkeer met elkaar vergeleken. Hieruit blijkt de grote verscheidenheid aan gehanteerde geluidmaten, met name bij het vliegverkeer. Dit rapport gaat tevens in op de consequenties van op handen zijnde veranderingen van dosismaten voor de Nederlandse situatie. Ook in de wijze waarop gerekend wordt volgens de verschillende vigerende nationale reken- en meetvoorschriften voor verkeerslawaai (en waarvan de resultaten in de slecht vergelijkbare geluidmaten worden uitgedrukt) blijken grote verschillen te bestaan, vooral in het emissiegedeelte van de berekeningen. Tenslotte wordt een vereenvoudigd overzicht van de normstelling voor de verschillende Europese landen gegeven. Ook hieruit blijkt weer de grote verscheidenheid aan normen, zowel in hoogte als in dosismaat waarin deze zijn uitgedrukt.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Voedselallergie kan gepaard gaan met een groot aantal symptomen (in het maag-darmkanaal, de huid, en de ademhalingsorganen) en kan leiden tot levensbedreigende situaties. De prevalentie van voedselallergie is ongeveer 2% van de bevolking; in kinderen 5-8%. Schaaldieren (garnalen, kreeft, krab), eieren, vis, melk, pinda, soya, noten, en tarwe zijn belangrijke allergene bronnen in onze voeding; het gaat daarbij altijd om eiwitten. Omdat de vervaardiging van genetisch gemodificeerde gewassen gepaard kan gaan met de introductie van nieuwe allergenen, bestaat bezorgdheid dat dergelijke nieuwe voedingsgewassen een nadelig effect op gezondheid kunnen hebben. Het identificeren van potentiele allergeniciteit van genetisch gemodificeerde voeding houdt in: evaluatie van de bron van het gen in het nieuwe voedsel, homologieen van de geintroduceerde genproducten met bestaande allergenen, stabiliteit in aanwezigheid van maagsappen, solid phase immunoassay met positieve humane sera, huidpriktesten, en dubbelblinde placebo-gecontroleerde voedselprovocatietesten in patienten met bewezen voedselallergie. Gemodificeerde voeding, waarin genen zijn geintroduceerd die afkomstig zijn uit niet allergene bronnen en die coderen voor eiwitten die relatief resistent zijn voor degradatie door maagsappen, vormen een groot probleem voor de beoordeling van het betreffende product. Om die reden worden diermodellen ontwikkeld, waarbij na orale of parenterale blootstelling aan de eiwitten antilichaamresponsen worden gemeten om immunogeniciteit en allergeniciteit te onderscheiden. Het zich ontwikkelende immuunsysteem is met name gevoelig voor effecten van immunologisch actieve factoren. Het tijdstip waarop een eerste contact met voedselallergenen plaats vindt kan een grote impact hebben op het al of niet ontstaan van voedselallergie. Factoren in de voeding die niet zelf allergeen zijn kunnen een invloed hebben op de het ontwikkelen van orale toletantie voor voedselallergenen, bijvoorbeeld omdat die bestanddelen immunologisch actief zijn of de toegang van allergenen tot de mucosa bevorderen.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Het Regenboog-project is een samenwerkingsverband tussen het RIVM, CBS en GGD Nederland en GGD'en. Het doel van het Regenboogproject is een beeld te krijgen van de gezondheidssituatie van de Nederlandse bevolking op het gebied van chronische en infectieziekten. Een aselecte steekproef wordt getrokken door het CBS. Bij deze personen wordt thuis de gezondheidsenquete afgenomen. Vervolgens wordt gevraagd om deel te nemen aan een aanvullend lichamelijk onderzoek op de GGD. Hierop reageert 56,9% positief. Het onderzoek op de GGD bestaat uit het invullen van een vragenlijst over infectieziekten, meting van bloeddruk, lengte, gewicht en middel-heupomtrek. Tot slot wordt er een gewrichtsfunctietest en 4 buisjes bloed afgenomen. Van de geinterviewde personen komt uiteindelijk 28,0 % op de GGD voor het lichamelijk onderzoek. De prevalentie van hypertensie is voor mannen 40% en vrouwen 32%. De prevalentie van overgewicht neemt toe met de leeftijd. De schatting van overgewicht blijkt sterk te verschillen tussen gerapporteerde en gemeten lengte en gewicht. Met name bij vrouwen is dit verschil duidelijk aanwezig. De onderzochte groep blijkt een bruikbare afspiegeling van de Nederlandse bevolking.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Naast een analyse van de ontwikkelingen in de toegang tot de wetenschappelijke literatuur en een inventarisatie van de samenwerkingsmogelijkheden met andere bibliotheken wordt het resultaat van een uitgebreide behoeftepeiling binnen het RIVM gepresenteerd. Aan de hand hiervan komt de Werkgroep bibliotheekfunctie met aanbevelingen t.a.v. huidige en nieuwe taken, kosten en budgettering en de plaats van de bibliotheek in de RIVM-organisatie. De voornaamste aanbevelingen zijn: voorzetting en versnelling van het beleid om informatie digitaal beschikbaar te stellen, de papieren collectie gefaseerd af te bouwen, verbreding van het informatieaanbod (naast de officiele wetenschappelijke literatuur), het (samen met externe partners) opzetten van een e-archive voor RIVM-rapporten, instituutsbrede coordinatie (samen met de IT-afdeling) van de RIVM-Internet- en Intranetactiviteiten, ondersteuning en facilitering van kennismanagement binnen het RIVM en het doorbelasten van een deel van de dienstverlening.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
In het kader van een algehele herberekening van de gemiddelde stralenbelasting van de Nederlandse bevolking is onderzoek uitgevoerd naar de stralenbelasting door gebruiks-artikelen. Voor elf categorien van gebruiksartikelen, die 1988 90% van de door gebruiks-artikelen veroorzaakte collectieve dosis vertegenwoordigden, zijn gegevens verzameld over het type product, de activiteit per product, de reden waarom radioactiviteit wordt of werd toegepast, en het aantal van dit soort producten dat in Nederland gebruikt wordt. Op basis van deze gegevens is de collectieve stralendosis per categorie opnieuw ingeschat. De bijdrage van gebruiksartikelen in de totale Nederlandse collectieve dosis werd voor 1988 geschat op 130 mensSv per jaar. De huidige door radioactieve gebruiksartikelen veroorzaakte bijdrage bedraagt naar schatting 4,6 mensSv per jaar. Deze opmerkelijke reductie blijkt te zijn veroorzaakt door afname van het werkelijk gebruikte aantal radioactieve producten (gloeikousjes), door een lagere inschatting van het aantal op basis van nieuwe gegevens (cameralenzen, radiumhoudende rookmelders), door vervanging van radioactieve door niet-radioactieve producten (gloeikousjes, tandprothesen), door het niet voorkomen van een bepaald product op de Nederlandse consumentenmarkt (laselektroden, antistatische middelen), en door een lagere inschatting van het dosistempo, namelijk op basis van meetgegevens in plaats van een 'worst case' benadering (rookmelders, beeldschermen). Er was voor de meeste onderzochte gebruiksartikelen geen significante afname van de activiteit. Samenvattend wordt 60-70% van de reductie veroorzaakt door een reeele afname van het aantal radioactieve producten. Het resterende percentage wordt veroorzaakt door een lagere inschatting van het aantal producten en het dosistempo op basis van nieuwe gegevens. De grootste dosisreductie werd gerealiseerd doordat het huidige aantal radioactieve gloeikousjes veel lager is dan in het verleden. De bijdrage van gloeikousjes in de collectieve dosis daalde hierdoor van 70 mensSv in 1988 naar 2 mensSv per jaar nu. Het totaal aantal gloeikousjes is met circa een factor 3 gedaald, waarvan naar schatting nog slechts 1/10e radioactief is. Een verdere daling in de bijdrage van gebruiksartikelen is te verwachten, aangezien een aantal producten zal worden opgenomen in een lijst met niet-gerechtvaardigde toepassingen volgens het nieuwe Besluit Stralingsbescherming.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
De uitkomsten zijn samengevat van een dialoog tussen wetenschappers, beleidsmakers en belanghebbenden (stakeholders) over lange termijn opties voor klimaatbeleid en hun implicaties voor de kortere termijn. Deze dialoog was onderdeel van het project Climate OptiOns for the Long-term (COOL). De Mondiale dialoog bestond uit een serie van workshops waarbij de methode van back casting werd gebruikt om de kortere termijn consequenties van lange termijn opties te verkennen. Als startpunt werd uitgegaan van een stabilisatie van de CO2 concentratie op 450 ppmv (ongeveer 550 ppmv in CO2 equivalente termen), wat is vertaald in een reductie van de mondiale CO2 emissies met zo'n van 15-25% in 2050 ten opzichte van het niveau in 1990. Een bevinding van de dialoog was dat een dergelijke reductie technisch haalbaar is tegen beperkte economische kosten op voorwaarde dat de wereld zich economisch en politiek gunstig ontwikkeld (open wereld) en belangrijke sociale en institutionele barrieres kunnen worden overwonnen. Het vergt voorts een vroege deelname van ontwikkelingslanden aan de mondiale emissiebeperking en de realisatie van een systeem van wereldwijde emissiehandel om te komen tot een kosteneffectieve aanpak. Het lijkt te vragen om een alomvattend internationaal klimaatregime aangezien een regime met incrementele uitbreiding van het aantal landen met emissiedoelstellingen op een ad hoc basis hoogstwaarschijnlijk leidt tot het onbereikbaar worden van stabilisatie op 450 ppmv. Het is cruciaal dat rekening wordt gehouden met de grote inertia in zowel natuurlijke als menselijke systemen. Beleidsvorming op korte termijn dient plaats te vinden vanuit een lange termijn perspectief, Daartoe kunnen ofwel voorlopige lange termijn klimaatdoelstellingen te worden geformuleerd, dan wel een systematische verkenning van de lange termijn implicaties van korte termijn beslissingen plaatsvinden. Het project heeft voorts geresulteerd in een lijst van wenselijke korte termijn acties.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Universal hepatitis B vaccination. Comment on: Zuckerman J, Hattum J van, Cafferkey M [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Het blijkt niet mogelijk om een indicator te bedenken die voor het onderdeel 'straling' binnen het thema 'verspreiding' de feitelijke toestand in 1 getal samenvat en wel zodanig dat uit de trend in deze indicator de voortgang van het stralingshygienische milieubeleid is op te maken. Dat is de conclusie van het onderzoek dat antwoord moest geven op de vraag van het ministerie van VROM om analoog aan de indicatoren voor prioritaire stoffen en bestrijdingsmiddelen binnen het thema 'verspreiding' een rekenwijze voor zo'n indicator te ontwikkelen. De belangrijkste oorzaken voor het niet haalbaar zijn van de indicator zijn het ontbreken van direct bruikbare beleidsdoelstellingen en het ontbreken van basisgegevens die nodig zijn voor het berekenen van de indicator. Als de beleidsdoelstellingen worden vervangen door referentie-emissies, referentie-concentraties en referentiedoses is het wel mogelijk om voor onderdelen van het aandachtsgebied 'radioactieve stoffen en straling' indicatoren te definieren. In het rapport worden milieudrukindicatoren voor de nucleaire installaties en voor de procesindustrie voorgesteld. De milieukwaliteitsindicator voor radioactieve stoffen in oppervlaktewater en zwevend stof moet nog nader worden bestudeerd. Voor radium in baggerspecie is een milieukwaliteitsindicator haalbaar en wenselijk, hoewel er geen beleidsdoelstelling voorhanden is. Een milieukwaliteitsindicator voor radon en externe straling in woningen is voorlopig nog niet te maken. Het voorstel is om de dosis gemiddeld over de populatie als milieueffectindicator te gaan hanteren. Als er 1 milieubeleidsindicator voor straling zou moeten worden gekozen, dan gaat de voorkeur uit naar de milieudrukindicator. Daarbij dient de referentie-emissie van het secundaire (dosis) niveau te worden afgeleid. Beneden dit secundaire niveau geeft de overheid geen prioriteit meer aan de optimalisatie van de stralingsbescherming (ALARA-principe - as low as reasonably achievable).
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Linolenic acid and cardiovascular disease - reply to Visioli F and Galli C [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Development and application of an extended methodology to validate short-range atmospheric dispersion models | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Er zijn in toenemende mate aanwijzingen dat onverhitte gemalen rundvlees producten een belangrijke bron zijn van Shiga toxine producerende Escherichia coli (STEC) O157 infecties. Als onderdeel van een risico schattingsstudie is de verdeling van STEC O157 in gemalen vlees onderzocht. Dit is belangrijk voor het modelleren van de blootstelling van de consument aan dit organisme. Doel van het onderzoek was na te gaan welke mathematische verdelingen de variatie in STEC O157 tellingen in vlees beschrijfven en hoe verkleinen en mengen deze variatie beinvloeden. Daarnaast was er de vraagstelling hoe oppervlakte besmetting vertaald kan worden naar een besmetting per gewicht. Veel aandacht is besteed aan methodologische aspecten van het bepalen van de variatie in aantallen STEC O157 in vlees. Er is geconstateerd dat na verkleinen, zelfs bij een zeer lokale besmetting van het uitgangsmateriaal, de besmetting door de gehele partij gemalen vlees te vinden is, en deze verdeling gewoonlijk een Poisson verdeling benadert, zeker na tweemaal malen. De Poisson verdeling met Gamma-verdeelde parameter lambda was bruikbaar om de experimentele gegevens te laten passen, om het passen van de Poisson verdeling te toetsen aan de empirische verdelingsfunctie en om variaties na te gaan op meer dan willekeur.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Generation of Campylobacter jejuni genetic diversity in vivo | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Wat er gebeurt als u het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum belt | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Current status and emerging opportunities in replacement of the lifetime mouse cancer bioassay | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
The ECVAM international validation study on in vitro embryotoxicity tests: results of the definitive phase and evaluation of prediction models | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Determinants of undertreatment of hypercholesterolaemia in a population-based study in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Meestal valt het wel mee ... : intoxicaties bij kinderen | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Assessment of the immunotoxic potential of human pharmaceuticals: a workshop report | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Responsibility for past and future global warming: uncertainties in attributing anthropogenic climate change | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Epidemiology of Norwalk-like human caliciviruses in hospital outbreaks of acute gastroenteritis in the Stockholm area in 1996 | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Comparison of two screening level risk assessment approaches for six disinfectants and pharmaceuticals | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Matrix effects in the determination of low anion concentrations using suppressed IC | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Pharmacoeconomics of influenza vaccination for healthy working adults: reviewing the available evidence | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Quality and quantity of DNA isolated from frozen urine in population-based research | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
The European nitrogen case | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Kentallen zijn geevalueerd, die aangeven bij welke waarde van het kental een verandering optreedt van de geeutrofieerde toestand van een watertype naar de heldere gewenste ecologische toestand. Bij het onderzoek is aangenomen dat nutrienten-reductie de enige sturende factor was. De keuze voor een gewenste ecologisch toestand is gemaakt door de auteurs die het betreffende watertype beschreven. Om benedenstroomse kwetsbare wateren te beschermen werden er tevens voor enige gevallen "afwentelingswaarden" berekend. De belangrijkste resultaten zijn weergegeven in een overzichtstabel. De waarden van de kentallen waren in het algemeen zeer laag. Een indicatie om naast nutrientenreductie ook andere aanvullende maatregelen te bestuderen, om sneller herstel te bewerkstelligen.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Om de blootstelling aan stoffen uit consumentenproducten en de opname daarvan door de mens te kunnen schatten en beoordelen zijn wiskundige modellen beschikbaar. Voor de berekening wordt gebruik gemaakt van het computerprogramma CONSEXPO. Het grote aantal consumentenproducten verhindert dat voor elk afzonderlijk product blootstellingsmodellen en parameterwaarden vastgesteld kunnen worden. Daarom is een beperkt aantal hoofdcategorieen met gelijksoortige producten gedefinieerd. Voorbeelden van hoofdcategorieen zijn verf, cosmetica, kinderspeelgoed en vloerbedekking. Voor elke hoofdcategorie wordt de informatie in een factsheet weergegeven. In deze factsheet wordt informatie gegeven over het gebruik van ongediertebestrijdingsmiddelen. Het gebruik van ongediertebestrijdingsmiddelen die verkrijgbaar zijn voor de consument ten behoeve van particuliere toepassing wordt beschreven met behulp van 8 productcategorieen, zoals spuiten, strooipoeders, elektrische verdampers, anti-muggen sticks en cremes en lokdoosjes. Het gehele gebied van het gebruik van ongediertebestrijdingsmiddelen door consumenten wordt met deze productcategorieen bestreken. Voor elke productcategorie wordt ingegaan op samenstelling en gebruik van het type producten binnen de categorie. Om de blootstelling en opname van stoffen uit ongediertebestrijdingsmiddelen te kunnen schatten en beoordelen zijn voor elke productcategorie defaultmodellen met defaultwaarden voor de parameters vastgesteld.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Er wordt een gedetailleerde beschrijving gegeven van het Targets IMage Energy Regional (TIMER) simulatiemodel. Het model is ontwikkeld en toegepast in nauwe relatie met het Integrated Model to Assess the Global Environment (IMAGE) 2.1-2.2. . Het TIMER model is een systeem-dynamisch simulatiemodel van het wereld-energiesysteem op een intermediair aggregatieniveau. Het model kan zowel als afzonderlijk model alsook geintegreerd met het IMAGE 2.2 modelkader worden gebruikt. Het model simuleert de wereld op basis van 17 regio's. De belangrijkste doelstellingen van het TIMER model zijn het analyseren van de lange-termijn dynamica van energiebesparing en de overgang naar niet-fossiele brandstoffen in een geintegreerd modelkader, en het verkennen van de lange-termijn trends inzake energie-gelieerde broeikasgas-emissies. Belangrijke ingredienten van de diverse deelmodellen zijn: prijsgedreven brandstof en technologie substitutieprocessen, kostendaling als gevolg van accumulerende produktie ('learning-by-doing'), hulpbron uitputting als een functie van cumulatief gebruik (lange-termijn kosten-aanbodcurves) en prijsgedreven brandstofhandel.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Om de blootstelling aan stoffen uit consumentenproducten en de opname daarvan door de mens te kunnen schatten en beoordelen zijn wiskundige modellen beschikbaar. Voor de berekening wordt gebruik gemaakt van het computerprogramma CONSEXPO. Het grote aantal consumentenproducten verhindert dat voor elk afzonderlijk product blootstellingsmodellen en parameterwaarden vastgesteld kunnen worden. Daarom is een beperkt aantal hoofdcategorieen met gelijksoortige producten gedefinieerd. Voorbeelden van hoofdcategorieen zijn verf, cosmetica, kinderspeelgoed en vloerbedekking. Voor elke hoofdcategorie wordt de informatie in een factsheet weergegeven. In deze factsheet wordt informatie gegeven over het gebruik van ongediertebestrijdingsmiddelen.Het gebruik van ongediertebestrijdingsmiddelen die verkrijgbaar zijn voor de consument ten behoeve van particuliere toepassing wordt beschreven met behulp van 8 productcategorieen, zoals spuiten, verstrooien van poeder, elektrische verdampers, anti-muggen sticks en cremes en lokdoosjes. Het gehele gebied van het gebruik van ongediertebestrijdingsmiddelen door consumenten wordt met deze productcategorieen bestreken. Voor elke productcategorie wordt ingegaan op samenstelling en gebruik van het type producten binnen de categorie. Om de blootstelling en opname van stoffen uit ongediertebestrijdingsmiddelen te kunnen schatten en beoordelen zijn voor elke productcategorie default-modellen met defaultwaarden voor de parameters vastgesteld.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport bevat achtergronden voor het NMP4, zoals geleverd door het RIVM in de totstandkoming daarvan. Hiertoe is het boek "Bouwstenen voor het NMP4" eerder verschenen als ondersteuning voor beleidsmakers en politici. Zij kunnen hier met name in de aanloop naar de verkiezingen van 2002 informatie uit putten. Deze bijlagen bevatten meer wetenschappelijke achtergronden en uitwerkingen van een aantal van de onderwerpen uit het boek: modellering van grootschalige verzuring, geluid, synergie in de aanpak van verzuring en broeikaseffect, en een verkenning van effecten van verplaatsing van agrarische ammoniakemissies.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Humane virussen in H2O | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Verspreiding mond- en klauwzeer via water? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
De fijne stofdeeltjes PM10 (met afmetingen kleiner dan 10 um) worden momenteel op 19 locaties in Nederland met behulp van beta-stofmonitoren gemeten. Uit een vergelijkend onderzoek tussen de beta-stofmonitor en referentiemethode voor PM10 in 1990 blijkt dat de beta-stofmonitor een onderschatting geeft van ongeveer 25%. Daarom worden sindsdien alle gemeten PM10-concentraties vermenigvuldigd met een correctiefactor van 1,33. Dit onderzoek is een vervolg op eerdere studies naar de oorzaak van een correctie factor op de gemeten PM10-concentratie in het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit. Na een eerdere studie in een omgeving waar veel ammoniuma6rosol verwacht was, is er nu onderzoek verricht in een stedelijke omgeving met veel verkeersemissies. De beta-stofmonitor zoals die gebruikt wordt in het LML is vergeleken met een PM10-referentiemethode (Klein Filter Gerit KFG). De vergelijking van de beta-stofmonitor met deze referentie valt in stedelijk gebied anders uit dan in agrarisch gebied. Voor de TEOM die ter vergelijking meegenomen is, is het verschil niet duidelijk. De oorsprong van de correctiefactor (b)lijkt in causaal verband te staan met de samenstelling van het aerosol.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Een overzicht naar de stand van zaken op het gebied van het EU-klimaatbeleid wordt gegeven en een analyse over de toegevoegde waarde daarvan voor het Nederlandse klimaatbeleid. Er wordt onderscheid gemaakt in huidig en toekomstig EU-klimaatbeleid. Het huidige beleid is reeds geimplementeerd, het toekomstige beleid zit tegen implementatie aan, waarbij de categorieen 'mature' en 'in the pipeline' worden gehanteerd als twee gradaties van 'tegen implementatie aan' zitten. De conclusie van dit rapport is dat het reeds ge6mplementeerde EU-beleid niet van groot aanvullend belang is voor het Nederlandse klimaatbeleid voor wat betreft de additionele emissiereducties in de periode tot 2010. Het beleid dat tegen implementatie aan zit biedt echter enkele EU-beleidsinstrumenten die naar verwachting wel kunnen leiden tot significante additionele emissiereducties ten opzichte van het beleid ingezet in de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid deel 1, namelijk de Biofuel directive, de Renewables directive en de Europese energieheffing. Voor een aantal voorstellen (bijvoorbeeld de richtlijnen voor bio-fuels en voor WKK) is de verdeling van de voorgestelde Europese doelstelling over de individuele lidstaten van groot belang voor mogelijke additionele effecten. Voor wat betreft het instrumenteel belang lijkt het directe effect voor Nederland gering: de meeste van de genoemde maatregelen kunnen en mogen ook uitsluitend op Nederlands niveau worden ingesteld. Echter, implementatie van beleid op Europees niveau kan de haalbaarheid en acceptatie van de nationale beleidsmaatregelen mogelijk vergroten, kan in een aantal gevallen leiden tot interessante kostenbesparingen dan wel bijdragen aan totstandkoming van eerlijke concurrentieverhoudingen (een 'level playing field'). Nederland kan belangrijke kostenvoordelen halen wanneer de volgende maatregelen op Europees niveau worden ingesteld: internationale emissiehandel, verplichte inzet van bio-fuels en internationale handel in groencertificaten als onderdeel van de afspraken voor promotie van duurzame energie. Een aantal maatregelen mogen niet door een EU-lidstaat op individuele basis worden geimplementeerd, namelijk stimulering van WKK en efficiency-eisen aan apparatuur.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
In diverse veldonderzoeken zijn de automatische FAG 62I-N beta-stofmonitoren voor PM10 in het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit LML vergeleken met de referentiemethode voor PM10 volgens de Europese standaard EN12341. Er werd een onderschatting geconstateerd door de beta-stofmeetmethode van circa 25 %. Sindsdien zijn alle meetwaarden vermenigvuldigd met een factor 1,33. Dit onderzoek beoogt, middels laboratoriumonderzoek, antwoord te geven op de vraag waardoor deze onderschatting wordt veroorzaakt. De aandacht is hierbij gericht op de invloed van vocht op de respons van de monitor, en op de invloed van de inlaatverwarming van de monitor op vluchtig aerosol, met name ammoniumnitraat en het minder vluchtige ammoniumsulfaat. Door vocht zal de stofbelading van de beta-stofmonitoren slechts gering toenemen. Zeer hoge vochtigheden kunnen leiden tot een overschatting van ongeveer 3-4 ug/m3 ten opzichte van de referentieapparatuur. Vocht kan dus bepaald geen verklaring vormen voor voornoemde onderschatting van 25%. De inlaatverwarming van de beta-stofmonitoren is duidelijk in staat ammoniumnitraat te verdampen. Bij de maximale instelling van 80 graden Celcius zal ammoniumnitraat zelfs volledig verdampt worden, en dus ook niet meegemeten worden. Bij de standaardinstelling (50 graden Celcius) zal de beta-stofmonitor het ammoniumnitraat slechts gedeeltelijk verdampen. Dientengevolge wordt het ammoniumnitraat slechts gedeeltelijk meegemeten, met als gevolg onderschatting van de werkelijke PM10-concentraties. Bij de (ook veelgebruikte) TEOM (Tapered Element Oscillating Microbalance) meetmethode blijkt ammoniumnitraat in onze laboratoriumexperimenten wel volledig te verdampen. De effectiviteit van de verwarming van de monitoren is duidelijk verschillend en de monitoren (beta-stof vs. TEOM) zijn hierdoor niet vergelijkbaar als er vluchtig aerosol aanwezig is. De inlaatverwarming heeft geen invloed op het minder vluchtige ammoniumsulfaat. De meetmethoden zijn hier dan ook wel vergelijkbaar.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
De hoofdconclusie van het rapport is dat de optelsom van maatregelen van reeds voorgenomen verkeers- en vervoerbeleid en aanvullende investeringen in het openbaar vervoer voor de Deltametropool (al dan niet in de vorm van een Rondje Randstad) in combinatie met ruimtelijk beleid, zal resulteren in een forse toename van de bereikbaarheid van activiteiten per openbaar vervoer en het openbaar-vervoergebruik in de periode 1995-2030. Het openbaar vervoer kan hierdoor veel beter concurreren met de auto, maar het blijft echter veelal geen goed alternatief voor de auto. Het effect op de omvang van de automobiliteit is dan ook gering. Door het uitvoeren van de beleidsvoornemens uit de Vijfde Nota zal de Deltametropool naar verwachting niet als een functioneel-ruimtelijk samenhangend stedelijk systeem gaan functioneren. Hiervoor lijkt de gemiddelde reistijdwinst per openbaar vervoer- en autoverplaatsing vooralsnog te beperkt. Het rapport is een achtergrondrapport voor de analyses die zijn verricht voor toets van de Vijfde Nota over de Ruimtelijke Ordening (pkb deel 1) voor wat betreft verstedelijking, bereikbaarheid en milieu-effecten van verkeer en vervoer.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
De fijne stofdeeltjes PM10 (met afmetingen kleiner dan 10 um) worden momenteel op 19 locaties in Nederland met behulp van beta-stofmonitoren gemeten. Uit een vergelijkend onderzoek tussen de beta-stofmonitor en referentiemethode voor PM10 in 1990 blijkt dat de beta-stofmonitor een onderschatting geeft van ongeveer 25%. Daarom worden sindsdien alle gemeten PM10-concentraties vermenigvuldigd met een correctiefactor van 1,33. In dit onderzoek is nagegaan of er nog steeds sprake is van deze onderschatting, en hoe een eventuele onderschatting kan worden verklaard. Daartoe heeft in de periode februari t/m mei 1999 te Biest-Houtakker een vergelijkend onderzoek plaats gevonden van beta-stofmonitor t.o.v. de PM10-referentiemethode (Klein Filter Gerat KFG). Aanvullend is nagegaan of bij de TEOM meetmethodiek de PM10-concentratie onderschat door verwarming (van inlaat en meetkamer) tot 50 graaden Celcius, waardoor (met name semi-vluchtige ammonium) componenten kunnen vervluchtigen. De referentiemethode en de LML beta-stofmonitor komen redelijk goed met elkaar overeen, althans gedurende deze specifieke veldexercitie. Op basis van deze dataset lijkt een vermenigvuldigingsfactor van 1,15 passender. Het veranderen van de instellingen van de monitor, zoals bijvoorbeeld de inlaattemperatuur en het aantal filterwissels heeft geen verklaring voor de factor opgeleverd. De TEOM onderschat de fijnstofconcentratie, doordat er deeltjes vervluchtigen. De verwarming tot 50 graden Celcius is bij de TEOM zodanig dat de 50 graden Celcius daadwerkelijk wordt bereikt, dit in tegenstelling tot de verwarming bij de beta-stofmonitor. Aanvullend onderzoek bij een andere locatie en bij hogere fijnstofconcentraties is van belang om na te gaan of er sprake is van een mogelijke locatie en seizoensgebonden invloed bij het vaststellen van een correctiefactor. Het vaststellen van de reproduceerbaarheid van de dataset is hierbij van enig belang. Het is dan ook aan te bevelen de referentiemethode in meervoud (duplo) in te zetten, teneinde de nauwkeurigheid van de meetgegevens in belangrijke mate te verbeteren.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
In de afgelopen jaren is wereldwijd het energieverbruik in de transport sector zeer sterk gegroeid. Het goed modelleren van transport in "integrated assessment" modellen is daarom steeds belangrijker. In deze studie wordt een overzicht gegeven van de kennis in literatuur over de determinanten van de vraag naar energie van transport in het algemeen en van personenvervoer in het bijzonder. Bovendien is een overzicht gemaakt van enkele bestaande modellen die mondiaal transport beschrijven. Op basis van dit overzicht worden suggesties gedaan hoe de modellering van transport in TIMER eventueel kan worden verbeterd. De belangrijkste determinanten (met geoperationaliseerde variabelen) zijn economische ontwikkeling (bruto nationaal produkt), ruimtelijke indeling (urbane bevolkingsdichtheid), prijzen (brandstofprijzen, ticket prijzen), demografische factoren (bevolkingsomvang, leeftijd, geslacht) en technologische ontwikkeling (modale energie intensiteiten). In de beschikbare literatuur kon van vier transportmodellen een goede beschrijving gevonden worden. Op basis van de literatuurstudie en persoonlijke communicatie met Schafer lijkt de aanpak van Schafer and Victor in combinatie met een model om het energiegebruik van vrachtvervoer te beschrijven een goede methode voor de beschrijving van transport energiegebruik in TIMER.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Bij de GGD-en en soa-poliklinieken wordt ten behoeve van de non-curatieve soa-bestrijding een registratie bijgehouden van de bezoekers met een soa-hulpvraag of HIV-testverzoek. De registratie omvat alleen gegevens van geregistreerde bezoekers van een soa-spreekuur waarbij daadwerkelijk een soa-onderzoek of HIV-test werd uitgevoerd. In 2001 registreerden 41 GGD-en en een soa-polikliniek in totaal 20.136 consulten (stijging van 29% t.o.v. 2000), waarvan 48% bij mannen en 51% bij vrouwen. Van deze consulten werd bij 55% een soa-onderzoek uitgevoerd, bij 14% een HIV-test en bij 31% beide. In vergelijking met 2000 is het aantal testen voor soa alleen met 27% toegenomen, voor HIV alleen met 2% en voor zowel soa als HIV met 49%. Driekwart van de bezoekers was afkomstig uit Nederland. De meeste consulten voor soa vonden plaats vanwege klachten en eigen risicogedrag. Bij consulten voor HIV-testverzoeken bleken eigen risicogedrag, aanvang van een nieuwe relatie en het risicogedrag van de partner de meest voorkomende redenen te zijn. Het aantal soa steeg in 2001 met 21% tot 5.576; voor vrouwen 18%, voor mannen 24%. Bij 28% van de bezoekers waarbij soa-onderzoek is gedaan, werd een soa geconstateerd. De meest voorkomende soa was chlamydia; bij mannen gevolgd door genitale wratten, gonorroe en niet specifieke urethritis en bij vrouwen gevolgd door bacteriele vaginose, candidiasis en genitale wratten. Chlamydia steeg met 40%; bij mannen met 27% en bij vrouwen met 49%. Gonorroe steeg met 32%; bij mannen met 25% en bij vrouwen met 60%. Opvallend is het aandeel jonge vrouwen: 69% was jonger dan 25 jaar; voor chlamydia was dit 64%. Het aantal gevallen van syfilis steeg met 22%; bij mannen met 30%, bij vrouwen met 15%. Van alle vrouwen met syfilis was 43% afkomstig uit sub-Sahara Afrika en Oost-Europa en was de helft werkzaam in de prostitutie. Van alle mannen met syfilis was 59% homo- of biseksueel. Het aantal HIV-testverzoeken steeg met 30% tot 9.028 consulten waarbij 0,7% positief bleek te zijn. Bij de homo- en biseksuele mannen steeg het aantal HIV-testen met 38% en bij heteroseksuele mannen 29%. In de groep HIV-positieven waren de homo- en biseksuele mannen, net als in 2000, het meest vertegenwoordigd.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Na een jaar van laboratoriumexperimenten en veldmetingen is veel duidelijk geworden over de kwaliteit van de fijnstofmetingen in Nederland. De oorzaak van de tot nu toe gebruikte correctiefactor van 1,33 lijkt te verklaren. Door verdamping van een deel van het aerosol, veroorzaakt door de inlaatverwarming en monstername op een relatief warm filter, ontstaan er verschillen ten opzichte van de referentiemethode.Het is mogelijk om tot een betere vergelijking te komen door te compenseren voor het verlies van ammoniumnitraat aerosol en organisch aerosol. Er blijft echter een locatie afhankelijkheid, doordat de stofdeeltjes altijd in evenwicht zijn met in buitenlucht aanwezige relevante gassen en vocht.De factor 1,33 is een gulden middenweg. Voor agrarische gebieden met ammonium en weinig organisch koolstof is de factor te hoog. Voor stedelijke omgevingen met veel verkeer is de factor te laag. Dit verklaart voor een deel de verschillen die gevonden worden tussen de metingen en de modellen.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Abstract niet beschikbaar
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Ozone layer - climate change interactions. Influence on UV levels and UV related effects | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft in samenwerking met VEWIN in 2001 een meetprogramma uitgevoerd voor de stof methyl tert-butylether (MTBE) in drinkwater en drinkwaterbronnen. In de periode juni/juli 2001 is een orieenterend meetprogramma uitgevoerd. De concentratie MTBE in ruwwater van 22 pompstations (in totaal werden 63 pompstations bemonsterd) was lager dan de rapportagegrens (0.01) ug/l. De overige ruwwatermonsters hadden waarden tussen 0.01 ug/l en 0.42 ug/l. De gemiddelde concentratie was 0.07 ug/l. Naar aanleiding van deze resultaten werden in de periode september/oktober de pompstations met een waarde boven de rapportagegrens bemonsterd. De concentratie MTBE in ruwwater was gemiddeld 0.13 ug/l. In totaal werden 51 pompstations bemonsterd. De concentraties in de monsters oppervlaktewater waren relatief hoog, met als hoogste waarde 3.2 ug/l (oppervlaktewatermonster uit het Lekkanaal bij Nieuwegein). De hoogste concentratie in de grondwatermonsters was 11.9 ug/l in een individuele grondwaterput nabij een benzinestation in Zutphen. De overige ruwwatermonsters (zowel grondwater als oppervlaktewater) bevatten oncentraties MTBE lager dan 0.5 g/l. De gemiddelde concentratie MTBE in reinwater (drinkwater) was 0.09 ug/l. De hoogste waarde was 2.9 ug/l bij het pompstation in Zutphen. Hiervoor is een aanwijsbare oorzaak, namelijk een verontreiniging in het waterwingebied. De gevonden waarde is lager dan de uit de literatuur bekende geur- en smaakgrens (range: 5 - 40 ug/l). De concentratie van 2.9 ug/l wordt uit gezondheidsoogpunt als veilig beschouwd. In alle overige reinwatermonsters was de concentratie MTBE lager dan 0.2 ug/l. Uit het onderzoek blijkt dat de concentratie MTBE in het Nederlandse drinkwater in het algemeen erg laag is. Voor de gevonden concentraties zijn, op basis van verschillende studies, geen gezondheidskundige effecten te verwachten.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Deze notitie dient ter ondersteuning van het AER advies "Post-Kyoto en het Energiebeleid". De doelstelling van deze notitie is om inzicht te verschaffen in een aantal relevante beelden van mogelijke ontwikkelingen van het internationaal klimaatbeleid, afgezet tegen een aantal wereldbeelden met betrekking tot mogelijke sociaal-economische ontwikkelingen. Hoe kunnen in verschillende wereldbeelden (LTVE/IPCC-SRES: Vrijhandel/A1, Isolatie/A2, Grote Solidariteit/B1, Ecologie op Kleine Schaal/B2) meer of minder strikte klimaatdoelstellingen (450, 550, 650, 750 ppm CO2 stabilisatie) gehaald worden? Oplossingen worden geevalueerd op basis van de criteria kosteneffectiviteit, duurzaamheid, en haalbaarheid. Een belangrijke conclusie is dat de score op deze criteria voor bepaalde oplossingen zeer sterk bepaald wordt door het wereldbeeld: in een wereld waar de algemene sociaal-economische ontwikkeling wordt gestuurd door duurzaamheidsoverwegingen en waar sprake is van een snelle ontwikkeling en uitwisseling van milieuvriendelijke technologieen en internationale beleidscoordinatie is het behalen van klimaatdoelen eenvoudiger en goedkoper. Deze notitie laat zien dat er duidelijke aanknopingspunten zijn voor het energiebeleid om een bijdrage te leveren aan het internationaal klimaatbeleid. Het accent van de notitie ligt op het wereldniveau, maar er wordt ook ingezoomd op de Europese en Nederlandse schaal. De notitie geeft enkele conclusies m.b.t. "robuuste" opties, d.w.z. opties die in verschillende wereldbeelden en voor verschillende klimaatdoelstellingen een significante rol spelen. Deze opties hebben vooral betrekking op energiebesparing, verhoogde wereldwijde inzet van aardgas en vernieuwbare energie (biomassa op korte- tot middenlange termijn, andere bronnen op langere termijn). Twee andere energiesporen die kunnen bijdragen aan het behalen van strenge klimaatdoelstellingen - kernenergie en opvang en opslag van CO2 - zijn niet robuust in de bovengenoemde zin, maar kunnen in bepaalde wereldbeelden en in regio's waar deze opties niet controversieel zijn, een belangrijke optie vormen. De notitie gaat tenslotte kort in op het belang van niet-CO2 broeikasgassen, niet-energie CO2 emissies en de noord-zuid lastenverdeling.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Organen, weefsels en cellen worden gebruikt voor een verscheidenheid aan medische toepassingen. Op Europees niveau bestaat er behalve voor bloed, nog geen wettelijke regeling om de kwaliteit en veiligheid van lichaamsmaterialen te waarborgen. In Nederland ligt er een wetsvoorstel dat zich in meer detail richt op kwaliteits- en veiligheidsaspecten van lichaamsmateriaal (uitgezonderd bloed), de Wet Veiligheid en Kwaliteit Lichaamsmateriaal (WVKL). Een belangrijk veiligheidsaspect voor lichaamsmaterialen is het risico op ziekteoverdracht. Dit risico is een van de elementen van een risicoanalyse en verdient aandacht van elk van binnen de ketenzorg betrokken instellingen. Het risico wordt bepaald door factoren als de prevalentie van de overdraagbare aandoening in de donorpopulatie, de morbiditeit en mortaliteit behorend bij de opgelopen infectie, het orgaan of weefsel dat gedoneerd wordt, donorselectiemethodes en de mate van bewerking. Deze factoren vormen de basis voor het invoeren van specifieke beheersmaatregelen die het risico op ziekteoverdracht reduceren. Voor een inventarisatie van richtsnoeren die deze beheersmaatregelen omvatten is contact gezocht met Nederlandse beroepsverenigingen, orgaanbanken, individuele beroepsbeoefenaars en andere organisaties betrokken bij procedures rond orgaan- weefsel- en celdonaties. Uit de inventarisatie blijkt dat voor de meeste lichaamsmaterialen er richtsnoeren bestaan die zijn opgesteld door (inter-)nationale organisaties of autoriteiten. De niet-weefselspecifieke normen zijn vaak opgesteld volgens Good Manufacturing Practice, oftewel voor de "branche"- lichaamsmaterialen Good Tissue Practice (GTP). Voor de weefselspecifieke normen blijkt dat de risicomomenten omtrent donorkeuring in alle gevallen gedetailleerd aan de orde komen, echter handelingen aan het lichaamsmateriaal zijn in sommige gevallen onderbelicht. Verder is gesignaleerd dat het in kweek brengen van en het bewerken van cellen uit humane bestanddelen met het doel ze te gebruiken bij een geneeskundige behandeling tot op heden nauwelijks in richtsnoeren is vastgelegd. Dit heeft te maken met de nog prille stand van deze tak van wetenschap en met de nog onduidelijke Europese wettelijke status van dit soort producten. De inventarisatie zoals in dit rapport beschreven kan gebruikt worden voor een normstelling in het kader van de WVKL.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Al jaren wordt er wetenschappelijk onderzoek gedaan naar de biologische beschikbaarheid van stoffen in het milieu. Vanuit de praktijk van de risicobeoordeling is er een sterke wens geuit om na te gaan of biologische beschikbaarheid in de normstelling en risico-beoordeling waar nodig verduidelijkt of geimplementeerd kan worden. De Stuurgroep INS (Integrale Normstelling Stoffen) heeft die wens vertaald in de vraag om een advies over de rol van biologische beschikbaarheid in de normstelling en risico-beoordeling. Medewerkers van RIVM en RIZA hebben met de hulp van experts uit verschillende Nederlandse onderzoeksinstituten en universiteiten een workshop voorbereid om de vraag van de Stuurgroep INS te kunnen beantwoorden. In dit rapport wordt verslag gedaan van de voorbereidingen en de uitkomsten van de workshop. Op basis van de uitkomsten is een aantal beleidsadviezen geformuleerd ter beantwoording van de vraag van de Stuurgroep INS. In het rapport wordt ingegaan op de biologische en chemische aspecten van biobeschikbaarheid en op de huidige mogelijkheden om deze aspecten in risicobeoordeling en/of normstelling te verdisconteren. Er kan geconcludeerd worden dat het concept van chemische beschikbaarheid in het algemeen beter ontwikkeld is dan het concept van biologische beschikbaarheid. Koppeling van chemische beschikbaarheid aan biologische beschikbaarheid (relatie met daadwerkelijke effecten) is een belangrijk knelpunt voor de implementatie van chemische beschikbaarheid. Op dit moment lijkt de potentie voor implementatie van biobeschikbaarheid in 1e lijnsbeoordeling in het algemeen gering te zijn. Dit betekent in algemene zin dat het 'vangnet' van de 1e lijnsbeoordeling voldoende effectief dient te zijn om ook in geval van een hoge beschikbaarheid het optreden van vals-negatieven te voorkomen. De potentie voor implementatie van biobeschikbaarheid in normstelling/risicobeoordeling ligt voornamelijk in de 2e lijns risicobeoordeling. Dit rapport plaatst de vele ideeen in de bruikbaarheid op korte en lange termijn. Implementatie van de verschillende mogelijkheden (op termijn) zal een meer realistische risico-beoordeling tot gevolg hebben die ten goede zal komen aan de betrouwbaarheid van het stoffenbeleid en de risicobeoordeling van het milieu, zonder het milieu te kort te doen. Een actieve opstelling vanuit het beleid is gewenst om de in deze rapportage gesignaleerde kansrijke ontwikkelingen te helpen implementeren en het juiste klimaat te scheppen waarin zij tot volwassen en geaccepteerde methoden kunnen uitgroeien. Dit helpt het beleid om met de normstelling en risicobeoordeling een stap verder te komen en helpt het reeds lopende (en nieuw te starten) onderzoek op dit gebied te focussen op aspecten die beleidsmatig het meest relevant zijn. De verdere benodigde stappen zullen vanuit de overheid dienen te worden geinitieerd en gecoordineerd. Met name de Stuurgroep INS en, in geval van bodemnormstelling, de werkgroep UI zijn hiervoor naar het oordeel van de opstellers van dit rapport, het juiste forum. Alvorens de uit deze workshop voortvloeiende adviezen geimplementeerd kunnen worden zal er ook nog een praktische toets moeten plaatsvinden met betrekking tot uitvoerbaarheid en hanteerbaarheid van de voorgestelde wijzigingen.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
In opdracht van de ministeries van VWS en EZ, worden de door roken veroorzaakte productiviteitskosten voor Nederlandse werkgevers in 1999 geschat. Berekend wordt de waarde van het productieverlies (=productiviteitskosten) als gevolg van -aan roken toe te schrijven- ziekteverzuim, arbeidsongeschiktheid en overlijden van werk-nemers. Niet berekend worden kosten als gevolg van productieverlies door rookpauzes onder werktijd of vervroegde uittreding van rokers, omdat hierover geen betrouwbare gegevens beschikbaar zijn. Kosten van een speciale indeling van gebouwen (rookruimten) en kosten van afval en brand door roken, vallen buiten het bestek van dit onderzoek. Vanuit de internationale literatuur zijn de relatieve risico's op overlijden voor rokers ten opzichte van niet-rokers aan kanker, hart- en vaatziekten en ademhalingsziekten bekend. Het - aan roken toe te schrijven - productieverlies in Nederland werd berekend, gebruikmakend van deze internationale kennis in combinatie met nationale ziektespecifieke gegevens over ziekteverzuim, arbeidsongeschiktheid en sterfte. Omdat werknemers kunnen worden vervangen, blijft het productieverlies beperkt tot de periode van afwezigheid tot vervanging, de frictieperiode. We zijn uitgegaan van een frictieperiode van zes maanden. In een vergelijkende analyse hebben we de - aan roken toe te schrijven - kosten geschat op basis van directe werkgeverskosten bij afwezigheid van werknemers zoals loonkosten, wervings- en vervangingskosten, overlijdensuitkeringen en verhogingen van verzekeringspremies. In 1999 konden naar schatting 1,9% van de ziekteverzuimdagen, 3,3% van de nieuwe arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en 22% van de sterfgevallen onder werknemers, aan roken worden toegeschreven. De hiermee gepaard gaande kosten voor werkgevers werden geschat op 305 miljoen Euro, ofwel 105 Euro per rokende werknemer. De analyse gebaseerd op directe werkgeverskosten resulteerde in een vergelijkbare schatting (met beide methoden werden dezelfde kosten geschat, de productiviteitskosten en directe kosten mogen dus niet worden opgeteld). Als een werknemer met roken stopt, levert dit voor de werkgever een besparing op van 27 Euro per jaar op de korte termijn. Dit komt doordat de negatieve gezondheidseffecten van het roken niet van de ene op de andere dag verdwijnen. De gemaakte schattingen zijn conservatief mede omdat niet alle roken-gerelateerde ziekten in de berekeningen zijn meegenomen. Ook werden er geen kosten toegeschreven aan passief roken. We concluderen dat er, naast het bevorderen van de gezondheid, voor werkgevers ook economische redenen kunnen zijn om het roken te ontmoedigen.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Een beschrijving is gemaakt van een analyse voor het (kwantitatief) verkennen van verschillende regimes voor internationale lastenverdeling voor het klimaatbeleid, in overeenstemming met doelstellingen voor bescherming van het klimaat. Dit is gedaan op basis van de doelstelling, geformuleerd in Artikel 2 van het internationale Klimaatverdrag UNFCCC, de stabilisatie van de concentraties van broeikasgassen op een "veilig" niveau. Het FAIR model (Framework to Assess International Regimes for differentiation of commitments) is gebruikt voor de kwantitatieve analyse. Drie verschillende benaderingen voor internationale lastenverdeling-regimes zijn geanalyseerd: 1. 'Multi-stage' (toenemende participatie): in deze benadering neemt het aantal landen en hun inspanningsniveau geleidelijk toe op basis van regels en criteria voor zowel deelname als bijdrage; 2. Convergentie: in deze benadering nemen alle partijen direct deel aan een emissierechtenregime, waarbij de toegestane emissieruimte in de tijd convergeert van het bestaande naar een gelijk hoofdelijk niveau; 3. Triptiek, een sector- en technologiegeorienteerde benadering. De methode is gebaseerd op gedifferentieerde doelstellingen voor verschillende sectoren, en daarmee leidt de methode tot overdacht van technologie naar ontwikkelingslanden, almede de transitie naar een lage koolstof economie. Voor elk van de regimes worden voorbeelden gepresenteerd, die alle wijzen op vergaande reducties van de Annex I emissies na 2010. Voor het bereiken van de concentratie stabilisatie doelstelling is het strikt noodzakelijk dat ontwikkelingslanden voor 2030 gaan deelnemen aan het reductieregime. Verder zijn de drie regimes geevalueerd op criteria voor milieueffectiviteit, gelijkheid, flexibiliteit en operationele eisen.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Er is een beschrijving gemaakt van nationale en international economische evaluaties van de behandeling met antivirale middelen bij chronische hepatitis B patienten. Onze zoekstrategie leverde in totaal 47 referenties op. Echter, 40 publicaties voldeden niet aan de gformuleerde inclusiecreteria, zodat uiteindelijk 7 publicaties in dit literatuuronderzoek zijn betrokken. De geselecteerde economische evaluatie, de verschillende parameters in het ziektemodel, de gekozen tijdshorizon, de gehanteerde kosten van antivirale middelen, de verschillende kostensoorten, de gehanteerde discontovoet, de sensitiviteitsanalyse en de resultaten en conclusies van eht literatuuronderzoek. De bestudeerde studies gaven geen consistent beeld. Sommige tudies beschreven kostenbesparingen, terwijl andere studies juist ongunstige kosteneffectiviteitsratio's beeschreven. Het verschil in resultaten werden veroorzaakt door de verschillen in gekozen parameterwaarden en verschil in methodiek tussen de studies. De conclusie van dit literatuuronderzoek is dat indien de kwaliteit van leven effecten worden meegenomen de behandeling van antivirale middelen kosteneffectief lijkt. Indien alleen overlevingswinst wordt meegenomen zijn de resultaten van de behandeling met antivirale middelen bij chronische hepatitits B patienten ongunstiger. Er is geen harde wetenschappelijke onderbouwing dat de behandeling met antivirale middelen kosteneffectief is. Verder ondrzoek is nodig om de kosteneffectiviteit van antivirale middelen te kunnen bepalen.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Het project 'Referentieraming energie en broeikasgassen' is door RIVM en ECN uitgevoerd in opdracht van de ministeries van Economische Zaken en Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. De Referentieraming schat de emissie van broeikasgassen in Nederland in 2010. Emissie bronnen en trends tot 2000 zijn geanalyseerd, en toekomstige ontwikkelingen van de economie en energievoorziening zijn opnieuw ingeschat. De nieuwe raming van de emissie van de broeikasgassen is vergeleken met eerdere ramingen die zijn gebruikt voor het nationale klimaatbeleid. Tevens zijn de emissiereductie effecten van het voor 1 juli vastgestelde klimaatbeleid ingeschat. Bij de analyse is onderscheid gemaakt tussen de CO2 en niet - CO2 broeikasgassen. Het rapport dient ter ondersteuning van de tussentijdse evaluatie in 2002 van het klimaatbeleid zoals aangekondigd in de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid (1999).
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Op 11 en 12 juni 2001 is door het Communautair Referentie Laboratorium voor Salmonella (CRL-Salmonella) een workshop georganiseerd in Bilthoven, Nederland. Alle Nationale Referentie Laboratoria voor Salmonella (NRLs-Salmonella) van de EU lidstaten, met uitzondering van die van Ierland, waren vertegenwoordigd. In totaal waren er 37 deelnemers. Het programma van de workshop bestond uit verschillende delen. Het eerste deel bestond uit de bespreking van de nieuwe draft van de zoonose richtlijn. Daarna vond een evaluatie plaats van het bacteriologische ringonderzoek en de bacteriologische detectie in de verschillende lidstaten. Verder werd gesproken over de opzet en resultaten van typeringsringonderzoeken. De achtergrond en betekenis van kwantitatieve methoden werd als speciaal onderwerp door diverse sprekers toegelicht.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Voorafgaand aan de invoering van de tweede EU dochterrichtlijn, wordt de luchtkwaliteit, voor koolmonoxide en benzeen, in de lidstaten beoordeeld. Toetsing aan de grenswaarden levert geen overschrijding van de nieuwe EU norm op in Nederland in 2000. De concentratie van beide componenten vertoont een dalende trend. Een verdere afname wordt verwacht voor beide componenten. Voor de informatie voorziening aan de EU zijn in Nederland 15 stations voor koolmonoxide en 19 voor benzeen nodig als metingen de enige informatiebron vormen. Voor koolmonoxide kan door een nieuwe rangschikking van de huidige meetstations uit het LML aan deze meetverplichting worden voldaan. Voor benzeen zijn niet voldoende meetopstellingen aanwezig. Vanwege de dalende trend is hier gekozen voor een combinatie van nieuwe meetopstellingen met aanvullende instrumenten om de luchtkwaliteit te beoordelen.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Meat consumption, cigarette smoking, and genetic susceptibility in the etiology of colorectal cancer: results from a Dutch prospective study | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Premature aging in mice deficient in DNA repair and transcription | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Epidemiology of urban canine rabies, Santa Cruz, Bolivia, 1972-1997 | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Optimisation of ISO 10705-1 on enumeration of F-specific bacteriophages | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Dietary catechins and cancer incidence among postmenopausal women: the Iowa Women's Health Study (United States) | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Developmental toxicity but no immunotoxicity in the rat after prenatal exposure to diethylstilbestrol | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
UVB exposure impairs immune responses after hepatitis B vaccination in two different mouse strains | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Bronchiolitis hospitalisations in the Netherlands from 1991 to 1999 | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Assessing effects of forecasted climate change on the diversity and distribution of European higher plants for 2050 | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Uncertainty analysis of modelling studies included in air quality assessments | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Deze rapportage evalueert het Climate Change Initiative dat President Bush op 14 februari 2002 heeft gepresenteerd. Dit Initiatief beoogt de broeikasgasintensiteit van de Amerikaanse economie tussen 2002 en 2012 met 18 procent te verminderen. Deze beleidsambitie valt als zeer bescheiden te typeren, zowel in vergelijk met historische trends als met de basisprojecties voor broeikasgasemissies voor de komende 10 jaar. Het zal zeker niet leiden tot een daling van de emissies, integendeel, de broeikasgasemissies voor de VS zullen in 2012 naar verwachting 32 procent boven het niveau van 1990 uitkomen. Dit ligt ver boven het oorspronkelijke Kyoto doel voor de VS van -7 procent in 2010. De inspanning van het Bush Initiative ligt ook aanzienlijk onder de inspanningen van de EU, Japan en Canada in het kader van the Kyoto Protocol. Tegelijkertijd bestaan er grote risico's dat het bescheiden Amerikaanse beleidsdoel niet wordt gehaald, vooral wanneer er in tijd van economische tegenspoed minder draagvlak is voor klimaatbeleid en door het vrijwillige karakter van het Bush Initiative en het ontbreken van een nalevingregime of heldere regels omtrent de deelname van het bedrijfsleven. Het Bush Climate Change Initiative propageert het gebruik van intensiteitdoelstellingen voor internationaal klimaatbeleid na de eerste Kyoto periode maar hieraan zijn ernstige tekortkomingen verbonden. Deze betreffen met name de fundamentele onzekerheden omtrent de milieu-effectiviteit en het gebruik in internationaal klimaatbeleid. Het is namelijk zeer waarschijnlijk dat dit gebruik tot een aanzienlijke vertraging van de mondiale emissiedaling zal leiden waardoor het EU doel van stabilisatie van broeikasgasconcentraties onder een verdubbeling van preindustriele niveaus onhaalbaar zal worden. De conclusie is dat the Bush Initiative geen geloofwaardig alternatief is voor het Kyoto Protocol als basis voor een effectief en acceptabel klimaatregime ten behoeve van het hoofddoel van de Klimaatconventie. Tegelijkertijd is het Bush Climate Change Initiative vooral van politieke betekenis omdat het Initiatief het klimaatprobleem onderkent en het lange termijn doel van de Klimaatconventie onderstreept. Het vooruitzicht voor deelname van de VS aan een mondiaal klimaatregime wordt daardoor verbeterd.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
In Nederland werd in 1999 ongeveer 36 miljard euro aan gezondheidszorg uitgegeven. Dat bedrag zal de komende jaren stijgen onder andere door toenemende medische mogelijkheden en de vergrijzing van de bevolking. Om vast te stellen of al dat geld zo goed mogelijk wordt besteed moet eerst bekend zijn waar dat geld precies aan wordt besteed. Deze rapportage geeft in hoofdlijnen een antwoord op dei laatste vraag. Beschreven wodt hoe het zorggebruik van de Nederlandse gezondheidszorg in 1999 was verdeeld over ziekten, mannen en vrouwen, verschillende leeftijdsgreoepen en zorgsectoren. Ook wordt beschreven hoe de kosten van de gezondheidszorg zich in de afgelopen jaren hebben ontwikkeld, en hoe zij zich in de toekomst naar verwachting zullen ontwikkelen. Tenslotte wordt een eerste aanzet gegeven om de kosten ook te verdelen naar enkele risicofactoren achter de ziekten.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Deze rapportage is een vervolg op het RIVM rapport Evaluating the Bonn Agreement and some key issues door een aantal correcties op de vorige exercitie toe te passen alsmede de laatste beslissingen in Marrakesh mee te nemen. De herziene evaluatie laat zien dat de uitkomsten voor de milieu-effectiviteit en kosten nauwelijks wijzigen. Onze herziene evaluatie onderstreept de hoofdconclusie uit de vorige rapportage dat zonder deelname van de VS het banken van hot air van cruciaal belang is voor het versterken van zowel de milieu- als de economische effectiviteit van het Protocol.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Een epidemie van epileptische aanvallen na drinken van kruidenthee | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Genetic factors as predictors of weight gain in young adult Dutch men and women | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Association between exhaled nitric oxide, ambient air pollution and respiratory health in school children | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Study to determine the presence of antipolymer antibodies in a group of Dutch women with a silicone breast implant | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Mathematical modelling and quantitative methods | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Great transition: the promise and lure of the times ahead | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
European medicines and feed aditives regulation are not in compliance with environmental legislation and policy | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
The contribution of epidemiology | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Pesticide soil sorption parameters: theory, measurement, uses, limitations and reliability | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Effect van energie- en milieubeleid op broeikasgasemissies in de periode 1990-2000 | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Traffic-related air pollution and respiratory health during the first 2 yrs of life | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Vaccination against hepatitis B in low endemic countries | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Effects of ultraviolet exposure on the immune system | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Abstract niet beschikbaar
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Een Nederlandse inventarisatie van broeikasgasemissies is geschreven om te voldoen aan de nationale rapportageverplichtingen in 2002 van het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties (UN-FCCC) en van het Bewakingsmechanisme Broeikasgassen van de Europese Unie. Er worden trendanalyses gegeven voor de emissies van broeikasgas in de periode 1990-2000; een analyse van zgn. sleutelbronnen en de onzekerheid in hun emissies volgens de zgn. 'Tier 1' methodiek van het IPCC-rapport over Good Practice Guidance; documentatie van gebruikte berekeningsmethoden, databronnen en toegepaste emissiefactoren; en een overzicht van het kwaliteitssysteem en de verificatie van de emissiecijfers voor de Nederlandse Emissie-Registratie. De totale netto CO2-eq.-emissies waren in 2000 3% hoger dan in 1990 (1995 voor de F-gassen). Dit wordt een half procent minder na temperatuurcorrectie. Zonder beleidsmaatregelen zouden de emissies in 2000 ca. 10% hoger zijn geweest. In deze periode zijn de emissies van CO2 en N2O met resp. 9% en 3% gestegen, terwijl de CH4-emissies met 24% daalden. Van de zgn. F-gassen, waarvoor 1995 het referentiejaar is, daalden de HFK- en PFK-emissies met resp. 34% and 18% in 2000 ten opzichte van 1995, terwijl de emissies van SF6 met 9% daalden.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
The economic impacts of the Kyoto protocol and long-term stabilization | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Sero types, phage types and antibiotic susceptibilities of Salmonella strains isolated from horses in The Netherlands from 1993 to 2000 | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Voor het vaststellen en kwantificeren van het volksgezondheidsrisico van BSE infectiviteit voortkomende uit de activiteiten van het destructiebedrijf Rendac Bergum, werd een "risk assessment" onderzoek uitgevoerd. De stroom van infectiviteit die de fabriek binnenkomt werd gemodelleerd door gebruik te maken van een stroomdiagram. Het model werd geevalueerd door middel van een waarschijnlijkheidsbenadering van de risico-schatting om een beeld te krijgen van de onzekerheden in de ingevoerde parameters. De ingevoerde vaste parameters zijn steeds gekozen met het oogmerk een worst case situatie te beschrijven. De geselecteerde variabelen zijn gedefinieerd als een verdeling, en het resultaat vele malen berekend door middel van Monte Carlo simulatie. In 2001 zijn in Nederland in totaal 20 dieren positief getest voor BSE. Aangenomen is dat al deze dieren verwerkt zouden zijn bij Rendac Bergum als onderdeel van de SRM verwerking, en dat ze de infectiviteit bevatten van een volledig geinfecteerd dier. De mediane waarde voor de infectiviteit aan het begin van het proces werd bepaald op 3620 humane orale ID50 eenheden per jaar, met een spreiding van 36 tot 408000. De inactivatie door het destructie-proces werd bepaald op 99% van de totale infectiviteit. Van de resterende infectiviteit kwam de grootste hoeveelheid terecht in het eindproduct vlees- en beendermeel: 9 humane orale ID50 eenheden per jaar. Bij de huidige productie resulteert dit in 0,00008 humane orale ID50 eenheden per kg vlees- en beendermeel. Al het vlees- en beendermeel wordt naar elders getransporteerd voor verbranding. BSE infectiviteit afkomstig van het destructiebedrijf kan via 3 routes in het milieu terechtkomen. Via het effluent van de waterzuiveringsinstallatie dat wordt geloosd in het Prinses Margriet kanaal, via het slib dat op land wordt gestort of wordt gebruikt als meststof, of via deeltjes in de gassen die in de omgevingslucht terechtkomen. In alle drie deze gevallen gaat het om extreem lage hoeveelheden BSE infectiviteit die geen significant risico opleveren voor mensen die in de omgeving van het destructiebedrijf wonen, werken of verblijven.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Om inzicht te geven in welke beleidsdisciplines betrokken zijn bij gezondheidsrelevant beleid is - uitgaande van een vijftal belangrijke gezondheidsproblemen (kanker, CARA, hart- en vaatziekten, ongevallen en psychische aandoeningen) - geanalyseerd welke beleidssectoren een rol kunnen spelen bij de beinvloeding van de determinanten van deze gezondheidsproblemen. Het identificeren van de diverse betrokken beleidssectoren moet ondersteuning geven bij het vormgeven van het facetbeleid op het ministerie van VWS. Uit de analyses blijkt dat een zeer groot aantal beleidssectoren (60) de mogelijkheid heeft de determinanten van de eerder genoemde gezondheidsproblemen te be6nvloeden. Daarnaast blijkt dat bijna alle ministeries (9) een potentiele betrokkenheid hebben.In het tweede deel van de studie is getracht tot prioritering voor facetbeleid te komen. Daarbij is voor een van de beschreven aandoeningen CARA, gekeken voor welke determinanten de potentieel te behalen gezondheidswinst door interventies het grootst is. Twee determinanten komen naar voren die prioriteit zouden kunnen krijgen bij facetbeleid, te weten roken en allergenen in het binnenmilieu. Geconcludeerd wordt dat voor facetbeleid zeer veel beleidssectoren en departementen van belang zijn. Bij een juiste prioritering is het mogelijk een aanzienlijke gezondheidswinst te boeken en kunnen behoorlijke kosten voor de gezondheidszorg worden bespaard. Naast te behalen gezondheidswinst kan bij de prioritering gelet worden op (nog) onbenutte mogelijkheden voor interdepartementale samenwerking en concordantie van belangen
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Uit rapporten van de Inspectie Milieuhygiene van het ministerie van VROM blijkt dat de laatste jaren sprake is van een stijging van het aantal meldingen door schrootbedrijven van ladingen schroot met een verhoogd stralingsniveau. Als reactie daarop gaat de Nederlandse overheid via een algemene maatregel van bestuur apparatuur voor detectie van radioactief besmet metaalschroot verplicht stellen. In de ministeriele regeling die bij het besluit zal gaan horen, zullen nadere eisen aan ondermeer de gevoeligheid, reproduceerbaarheid en betrouwbaarheid van de detectieapparatuur worden gesteld. RIVM heeft in zeer korte tijd een onderzoek uitgevoerd naar de mogelijkheden voor een normering voor detectie van radioactief schroot met poortdetectoren. Er bestaan mogelijkheden om de detectie van radioactief schroot met poortdetectoren te normeren. De grootheid waaraan dan een grens zou kunnen worden opgelegd, is de detectielimiet uitgedrukt in het omgevingsdosisequivalenttempo. Uit berekeningen van het omgevingsdosisequivalenttempo dat in diverse situaties van besmet schroot verwacht kan worden, blijkt dat er zich situaties kunnen voordoen waarin het onderscheiden van de verhoging en de achtergrond problematisch is. De detectielimiet is afhankelijk van de integratietijd tijdens de meting. Deze integratietijd mag echter niet te lang zijn in verband met de rijsnelheid van de vrachtauto. Het is daarom ook wenselijk om eisen te stellen aan de rijsnelheid in combinatie met de integratietijd. Alarmering zou moeten plaatsvinden ten opzichte van de door de vrachtauto en de lading schroot afgeschermde achtergrond. Om te komen tot een waarde voor het alarmniveau moeten detailgegevens over de instelling en het rekenalgoritme van de detectoren bekend worden. Deze gegevens zijn nu niet voor alle typen detectoren, die in Nederland in gebruik zijn, beschikbaar. Daarom wordt geadviseerd om over te gaan tot normering van de detectie met poortdetectoren door het Nederlands Normalisatie-instituut. Na het tot stand komen van de norm kan deze door de overheid in regelgeving worden aangewezen.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Op verzoek van VROM heeft het RIVM, in samenwerking met de VROM-Inspectie, de VROM-Accountantsdienst, de Provincie Zuid-Holland en de Arbeidsinspectie, een onderzoek uitgevoerd naar de samenstelling van het chemisch afval in de C2-deponie van de Afvalverwerking Rijnmond Chemie C.V. Aanleiding tot het onderzoek was de mogelijke relatie tussen de blootstelling aan dit afval en de ziekte van een shovelmachinist die in de deponie werkzaam is geweest.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Residubeoordelingen van bestrijdingsmiddelen worden uitgevoerd om wettelijke residulimieten (MRLs = maximum residue limits) vast te leggen. MRLs worden afgeleid uit de resultaten van die residuproeven met bestrijdingsmiddelen die volgens kritisch "Good Agricultural Practice" zijn uitgevoerd. Er mag slechts een residugehalte per residuproef geselecteerd worden voor de afleiding van de MRL. Het huidige rapport beschrijft een voorstel voor de selectie en weergave van residugehaltes in adviesrapporten die in Nederland worden opgesteld hetzij in opdracht van het College voor de Toelating van Bestrijdings-middelen hetzij in opdracht van de "Food and Agricultural Organisation of the United Nations". In deze adviesrapporten worden de residugehaltes van elke aangeleverde residuproef weergegeven in een tabel. Bij residuproeven wordt onderscheid gemaakt tussen onafhankelijke en herhaalde residuproeven. Residuproeven die op dezelfde locatie op hetzelfde tijdstip met dezelfde apparatuur zijn uitgevoerd worden beschouwd als een residuproef met meerdere herhalingen (mits ook het toepassingsgebied, formulering, dosering, aantal toepassingen en gewasvarieteit dezelfde zijn). Als een residuproef bestaat uit herhaalde residuproeven, worden alle individuele residugehaltes weergegeven, maar alleen het maximum residugehalte wordt geselecteerd. Daarnaast kunnen per residuproef een of meer veldmonsters zijn genomen en elk veldmonster kan verder worden verdeeld in een of meer laboratoriummonsters, die op hun beurt kunnen worden verdeeld in een of meer analytische porties. Als een residuproef bestaat uit herhaalde veldmonsters, worden alle individuele residugehaltes weergegeven, maar alleen het gemiddelde residugehalte wordt geselecteerd. Als een residuproef bestaat uit herhaalde laboratoriummonsters of herhaalde analytische porties, wordt alleen het gemiddelde residugehalte weergegeven en geselecteerd.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Het doel van dit onderzoek was de evaluatie van de carcinogene potentie van cyclosporine A in XPA-/- muizen. XPA-/- muizen zijn deficient in DNA-repair, met name in nucleotide excision repair (NER), en hebben een grotere gevoeligheid voor genotoxische carcinogenen en ultraviolet licht dan wild-type muizen. Het onderzoek was een onderdeel van een wereldwijd evaluatie programma van alternatieve carcinogeniteitsstudies, waaronder studies met transgene muizen, gecoordineerd door het ILSI Health and Environmental Sciences Institute (USA). Cyclosporine A is een immunosuppressief geneesmiddel en een niet-genotoxisch humaan carcinogeen.Het gebruikte proefprotocol maakt tevens een reductie van het aantal proefdieren mogelijk, vergeleken met een conventionele carcinogeniteitsstudie. Groepen van 15 mannelijke en 15 vrouwelijke XPA-/- muizen en wild type muizen kregen een dieet met 0, 3, 10, 30 of 80 mg/kg lichaamsgewicht cyclosporine A voor een periode van 9 maanden. Groepen van 15 mannelijke en 15 vrouwelijke XPA-/- , P53+/- dubbeltransgene muizen kregen een dieet met 0, 30 of 80 mg/kg lichaamsgewicht cyclosporine A. Cyclosporine A induceerde lymfomen en lymfoide hyperplasie van milt en lymfeklieren. Conclusie is dat cyclosporine A negatief is voor carcinogeniteit in het kortdurende alternatieve carcinogeniteitsassay met mannelijke en vrouwelijke XPA-/- muizen en wild type muizen en in mannelijke dubbeltransgene muizen, bij doseringen tot de 'maximum tolerated dose' van 30 mg/kg lichaamsgewicht. Het is echter positief in vrouwelijke dubbeltransgene muizen. Bij een dosering van 80 mg/kg lichaamsgewicht, die duidelijk hoger is dan de 'maximum tolerated dose', is cyclosporine A overtuigend positief in XPA-/- muizen en in dubbeltransgene muizen van beide geslachten. De carcinogene respons is groter bij dubbeltransgene dan bij XPA-/- muizen. Bij deze dosering is cyclosporine A ook positief in wild type vrouwtjes, doch negatief in mannelijke wild type muizen.P
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Er worden achtergrondconcentraties gegeven van 17 sporenmetalen in het grondwater in Nederland. De drie typen achtergrondconcentraties die onderscheiden worden, zijn: natuurlijk, semi-natuurlijk en regionaal. De natuurlijke achtergrondconcentratie is de concentratie zoals die gemeten zou worden op locaties die geen enkele menselijke beinvloeding kennen. Omdat degelijke locaties in Nederland niet bestaan kan slechts een schatting gemaakt van de natuurlijke achtergrondconcentratie via het bepalen van de bovengrens van het betrouwbaarheidsinterval van de mediane concentraties op de bovengenoemde locaties met enkel diffuse belasting. De semi-natuurlijke achtergrondconcentratie is de concentratie in het grondwater onder locaties die niet beinvloed zijn door verontreiniging door puntbronnen. Er kan op dergelijke locaties wel sprake zijn van een diffuse verontreiniging op landelijke schaal. Deze achtergrondconcentratie is bepaald door de bovengrens te berekenen van het betrouwbaarheidsinterval van de 90-percentielwaarde van de concentraties gemeten op dergelijke locaties. Regionale achtergrondconcentraties zijn concentraties zoals die voorkomen op locaties met een verhoogde regionale atmosferische depositie, maar zonder locale puntbronnen, zoals bijvoorbeeld in de Kempen. Regionale achtergrondconcentraties zijn berekend door de bovengrens te berekenen van het betrouwbaarheidsinterval van de 90-percentielwaarde van de concentraties gemeten op dergelijke locaties. In het rapport worden verschillende achtergrondconcentraties gegeven voor drie grondsoorten drie diepte niveaus. De drie onderscheiden grondsoorten zijn: zand, klei en veen. De drie diepteniveaus zijn: het bovenste grondwater (< 5 m diepte), het ondiepe grondwater (ca. 10 m) en het middeldiepe grondwater (ca. 25 m). In het rapport is ook ingegaan op het gebruik van de achtergrondconcentratie ter bepaling van het Verwaarloosbaar Risico bij de Toegevoegd Risicomethode. Het Verwaarloosbaar Risico dient als basis voor het vaststellen van de streefwaarde. Geconcludeerd wordt dat het gebruik van de semi-natuurlijke achtergrondconcentratie bij het afleiden van het Verwaarloosbaar Risico, zoals onder andere toegepast in de notitie Integrale Normstelling Stoffen uit 1997 (INS97), onjuist is, en dat overeenkomstig een eerder TCB-advies de natuurlijke achtergrondconcentratie dient te worden gebruikt.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
De RuimteScanner is een GIS-model voor de simulatie van toekomstig grondgebruik in Nederland. Op kaarten uit dit model wordt het toekomstig grondgebruik wonen, werken e.d. 'uitgesmeerd' over een veel grotere oppervlakte dan in de huidige werkelijkheid. De bestudeerde grondgebruikskaarten zijn gridkaarten, waarin Nederland is opgedeeld in vierkantjes (gridcellen) van 500 bij 500 meter. Voor elke gridcel wordt berekend hoeveel hectares van een bepaald grondgebruik daar terecht komt. Het 'uitsmeereffect' uit zich in een relatief groot aantal gridcellen waarin kleine arealen gealloceerd worden. Omdat gridwaarden in principe kansen weergeven, beperkt een hoge mate van dergelijke 'numerieke diffusie' de voorspellende waarde van de toekomstbeelden. De diffusie wordt enerzijds veroorzaakt door een gebrek aan differentiatie in de attractiviteitskaarten welke gebruikt worden voor de allocatie van regionale claims over gridcellen van 500 bij 500 meter. Afstandsvervalfuncties en andere GIS neigbourhood functions veroorzaken vrijwel altijd numerieke diffusie. Anderzijds wordt diffusie veroorzaakt door een gebrek aan afstemming tussen regionale input-claims en de attractiviteitsdifferentiatie. Om numerieke diffusie te verminderen zouden meer 'gepiekte' attractiviteitsfuncties gebruikt moeten worden, en zou het allocatie-algoritme aangepast kunnen worden.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
De ontwikkeling van de Bodembiologische Indicator (BoBI) is ingezet naar aanleiding van de volgende beleidsvraag: is er een instrument (te maken) waarmee milieubeleidsdoelstellingen kunnen worden geformuleerd voor behoud en duurzaam gebruik van biodiversiteit en bodemfuncties? BoBI is een meerjarige activiteit waarin veldbiologische gegevens worden verzameld over de diversiteit (aantallen en samenstelling) van bodemorganismen en het verloop van processen. Het onderzoek is gekoppeld aan het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB). In totaal zijn gegevens verzameld op ca. 175 locaties. Deze vormen een steekproef uit vijf categorieen van bodemgebruik. De tussentijdse resultaten laten zien dat er voor veel indicatorgroepen een waarneembaar effect is van een toename van de gebruiksintensiteit, meestal in de zin van een afname in aantal of diversiteit. De BoBI is een ondersteunend instrument bij ontwikkeling van het bodembeleid voor duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen, c.f. Bodem en Ecologie. Op basis van de aandachtpunten in het Nationaal Milieubeleidsplan 4, een recent TCB advies en overleg tussen VROM, TCB en RIVM wordt in de discussie van dit rapport aangegeven wat de positie is van de Bodembiologische Indicator en hoe deze in de toekomst kan bijdragen aan het ge6ntegreerde bodembeleid.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Dose-response modeling of continuous endpoints | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Effect of screening of immigrants on tuberculosis transmission | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Estimation of metabolic rate constants in PBPK-models from liver slice experiments: what are the experimental needs? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Lipid A engineering in vaccine development against Neisseria meningitidis | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Outbreak of poliomyelitis in Hispanolia associated with circulating type 1 vaccine-derived poliovirus | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Development and evaluation of a compact, highly efficient coarse particle concentrator for toxicological studies | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Vaccine-driven evolution of Bordetella pertussis: changes in population structure and strain fitness | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Risk assessment of deoxynivalenol in food: concentration limits, exposure and effects | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Worldwide regulations for mycotoxins | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Cryptosporidium dose response studies: variation between isolates | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Time trends in lipid lowering drug use in The Netherlands. Has the backlog of candidates for treatment been eliminated? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Options for differentiation of future commitments in climate policy: how to realise timely participation to meet stringent climate goals? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
A climatology of leaf surface wetness | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Salmonella enterica serotype enteritidis phage type 4b outbreak associated with bean sprouts | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Body weight recovery, eating difficulties and compliance with dietary advice in the first year after stem cell transplantation: a prospective study | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Ranking of allergenic potency of rubber chemicals in a modified local lymph node assay | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Differences between national reference laboratories of the European Community in their ability to serotype Salmonella species | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Genogrouping and incidence of virulence factors of Enterococcus faecalis in liver transplant patients differ from blood culture and fecal isolates | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Urbanization, industrialization, and sustainable development | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Antibiotic resistance of faecal enterococci in poultry, poultry farmers and poultry slaughterers | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Suppression of UV carcinogenesis by difluoromethylornithine in nucleotide excision repair-deficient Xpa knockout mice | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
HIV-prevalentie onder injecterende druggebruikers in Zuid-Limburg, 1994-1998/'99: stijgende trend in Heerlen, niet in Maastricht | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Farmaco-economische aspecten van vaccinatie tegen invasieve pneumokokkeninfecties bij 65-plussers; literatuuroverzicht van kosteneffectiviteitsanalysen | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Quality assurance of qualitative analysis in the framework of the European project 'MEQUALAN' | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Immunoglobulin A as a serological marker for the (silent) circulation of poliovirus in an activated poliovirus-vaccinated population | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Modelling bacterial growth in quantitative microbiological risk assessment: is it possible? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Intensieve surveillance van Shiga toxine-producerende Escherichia coli O157 in Nederland | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
EU Drinking Water Directive reference methods for enumeration of total coliforms and Escherichia coli compared with alternative methods | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Escherichia coli O157-infectie na contact met melkvee | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Disruption of Brca2 increases the spontaneous mutation rate in vivo: synergism with ionizing radiation | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Op papier is er meer bos dan in 1990 | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Identification of genes that are associated with DNA repeats in prokaryotes | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Kinetic modeling of virus transport at the field scale | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Influence of respiratory syncytial virus infection on cytokine and inflammatory responses in allergic mice | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Novel PCR-probe assay for detection of and discrimination between Legionella pneumophila and other Legionella species in clinical samples | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
PCR for the detection of Streptobacillus moniliformis | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Human caliciviruses in Europe | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Jaaroverzicht melding voedselinfecties en shigella in 2001 | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Dissolution kinetics of heavy metals in Dutch carbonate- and sulfide-rich freshwater sediments | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
ECVAM's contributions to the implementation of the three Rs in the production and quality control of biologicals | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
GGD's gaan infectieziekten elektronisch melden via internet | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Complexation of heavy metals by humic acids: analysis of voltammetric data by polyelectrolyte theory | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
A European study on the relationship between antimicrobial use and antimicrobial resistance | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Alternatives models in carcinogenicity testing: a European perspective | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Present and potential nitrogen outputs from Norwegian soft water lakes: an assessment made by applying the steady-state Firstorder Acidity Balance (FAB) model | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Predicting cardiovascular risk in the elderly in different European countries | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Evolution of all-causes and cardiovascular mortality in the age-group 75-84 years in Europe during the period 1970-1996 : a comparison with worldwide changes | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
A new evolutionary scenario for the Mycobacterium tuberculosis complex | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Het Milieu- en Natuurplanbureau van het RIVM heeft de milieu- en natuureffecten bepaald van de verkiezingsprogramma's van politieke partijen die daarom gevraagd hebben. Samen met de economische analyse door het Centraal Planbureau, kan dit een hulpmiddel zijn voor de kiezer.Medio 2001 bood minister Pronk de politieke partijen aan om de milieu- en natuurparagrafen van hun verkiezingsprogramma door het Milieu- en Natuurplanbureau van het RIVM te laten analyseren. PvdA, D66, GroenLinks, ChristenUnie en SP zijn op deze uitnodiging ingegaan. VVD, CDA en SGP hebben van een doorrekening afgezien. Alleen van de verkiezingsprogramma's van de partijen die door het Centraal Planbureau (CPB) economisch zijn geanalyseerd, zijn de milieu- en natuureffecten berekend.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Similarity assessment of metallic nanoparticles within a risk assessment framework: A case study on metallic nanoparticles and lettuce | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Naar aanleiding van de vuurwerkramp in Enschede op 13 mei 2000 vond 2 tot 3 weken later een uitgebreid gezondheidsonderzoek onder de getroffenen plaats. Eind 2001, circa 18 maanden na de ramp, is het vragenlijstonderzoek herhaald en circa 75% (N=2851) van de getroffenen uit het eerste onderzoek heeft opnieuw deelgenomen. Nieuw in dit onderzoek zijn de vergelijkingsgroepen, d.w.z. dat de gezondheid van de getroffenen is vergeleken met personen die de ramp niet mee hebben gemaakt. Bij alle deelnemende getroffenen zijn veel lichamelijke en psychische klachten 18 maanden na de ramp afgenomen ten opzichte van het eerste onderzoek, 2-3 weken na de ramp. Hoewel veel getroffenen hersteld zijn van hun klachten, hebben de getroffenen woonachtig in Enschede meer lichamelijke en psychische klachten dan de vergelijkingsgroepen. Getroffenen die een dierbare hebben verloren, waarvan het huis zwaar is beschadigd door de ramp of die tijdens de ramp erg verward waren, hebben meer klachten dan degenen waarvoor dat niet geldt. Getroffen allochtone bewoners rapporteren meer klachten dan allochtone bewoners uit de vergelijkingsgroep. Van de getroffen bewoners met ernstige psychische klachten zijn tweemaal zoveel mensen terecht gekomen in de geestelijke gezondheidszorg ten opzichte van de bewoners met ernstige psychische klachten in de vergelijkingsgroep. De inspanningen in Enschede om nazorg te verlenen lijken dus succesvol. De uitkomsten van het tweede gezondheidsonderzoek maken het mogelijk de nazorg nog gerichter in te zetten. Dankzij het onderzoek is een scherp beeld ontstaan van groepen getroffenen die zorg en aandacht nodig hebben.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Population exposure to diagnostic use of ionizing radiation in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
De Nederlandse Hartstichting is voornemens haar beleid t.a.v. preventie van hart- en vaatziekten (HVZ) mede op de doelgroep niet-westerse allochtonen te gaan richten. Om te beslissen welke (sub)groep allochtonen en welke leefstijl- of risicofactoren de hoogste prioriteit hebben binnen dit beleid, is het belangrijk om in kaart te brengen hoe deze factoren verdeeld zijn over de diverse groepen allochtonen. Ook informatie over ziekte, zorggebruik en sterfte in relatie tot HVZ geeft aanwijzingen binnen welke groep het risico op HVZ het grootst is. Binnen de leefstijl- en risicofactoren van HVZ lijken voedingsgewoonten (meer fruit, groenten en minder verzadigde vetten) en het voorkomen van hypercholesterolemie gunstig af te steken ten opzichte van de autochtone bevolking. Sommige factoren lijken meer voor te komen bij vooral oudere allochtonen: overgewicht, lichamelijke inactiviteit, hypertensie en diabetes mellitus. Het rookgedrag bij allochtonen is zeer sterk geslachtsgebonden: Turkse mannen roken beduidend meer, terwijl bijvoorbeeld Marokkaanse vrouwen niet roken. Turken, Marokkanen en Surinamers maken vaker gebruik van huisartsenzorg dan autochtone Nederlanders. Ongeveer evenveel allochtonen als autochtonen hebben jaarlijks contact met de specialist of worden jaarlijks opgenomen in het ziekenhuis. Turken hebben meer klachten, raadplegen vaker de specialist en worden vaker opgenomen in het ziekenhuis in verband met hartklachten. HVZ en ook het medicijngebruik gerelateerd aan HVZ is bij Turken lager. Marokkanen hebben minder klachten en diagnosen met betrekking tot hart - en vaatziekten. Surinamers hebben vaker klachten, er wordt vaker de diagnose 'HVZ' gesteld. Over sterfte aan HVZ bij allochtonen is een onderzoek bekend. Dit onderzoek is van oudere datum en de aantallen waarop de resultaten gebaseerd zijn, zijn klein. Bij de interpretatie van de resultaten is enige voorzichtigheid geboden, omdat in de meeste onderzoeken waaruit de resultaten afkomstig zijn het aantal geincludeerde personen klein was, en / of de dataverzameling op basis van zelfrapportage heeft plaatsgevonden en / of het onderzoek relatief oud was.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Vanaf oktober 2000 is de Nederlandse influenza-surveillance tijdelijk uitgebreid tot een case-controle studie naar acute respiratoire infecties (ARI) bij huisartspatienten: de ARI-EL studie. Doel is inzicht verkrijgen in de incidentie en etiologie van ARI, risicofactoren voor ARI en in de zorgvraag en ziektelast tengevolge van ARI. Huisartsen van het Nederlands Instituut voor Onderzoek van de Gezondheidszorg (NIVEL) registreren wekelijks het aantal consulten voor ARI en bemonsteren maximaal een case en een controle per week. De monsters worden onderzocht op respiratoire pathogenen op het Rijksinstituut voor de Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en op het Streeklaboratorium voor de Volksgezondheid Tilburg met kweek en PCR. De deelnemende patienten vullen thuis een vragenlijst in. Bij cases werd significant vaker een virus aangetoond (bij 53 % van de cases versus 19% van de controles). Influenzavirus en rhinovirus werden significant vaker aangetoond in cases. Het percentage van de monsters waarin een bacterie werd aangetoond verschilde niet significant tussen cases en controles. Alleen beta-haemolytische streptokokken groep A werden significant vaker aangetoond bij cases. Bij 31% van de cases en bij 67% van de controles werd geen ziekteverwekker aangetoond Het blijkt dat de studie haalbaar is, maar wel redelijk belastend voor de huisartsen. De ARI-EL studie loopt door tot en met minimaal september 2002. Dit is nodig om voldoende gegevens te verzamelen voor statistische analyse met voldoende power om conclusies te kunnen trekken. Het verlies van gegevens door strikte toepassing van de case- en controledefinities en het feit dat winter 2000/2001 een uitzonderlijk rustig influenzaseizoen is geweest, benadrukken het belang van voldoende lange gegevensverzameling. Dan zal deze unieke studie informatie opleveren over de jaar- en seizoensincidentie van ARI en daarmee samenhangende pathogenen, ziektelast, zorgvraag en determinanten bij huisartspatienten.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Het specifieke energiegebruik door treinen wordt in het algemeen berekend op basis van geaggregeerde gegevens over energiegebruik en vervoersprestatie (top-down methode). Om het energiegebruik (en de emissies) van nieuwe railconcepten te kunnen berekenen of om het effect van veranderingen op het spoor te kunnen berekenen is een top-down methode echter niet geschikt maar moet een bottom-up methode worden gebruikt. Een bottom-up methode berekent het energiegebruik van treinen uitgaande van de fysische, operationele en logistieke kenmerken. Dit rapport beschrijft de ontwikkeling en toepassing van een bottom-up model (PRORIN) voor de berekening van het energiegebruik en de emissies (CO2, SO2 en NOx) door het personen- en goederenvervoer per spoor. Zowel elektrische treinen als dieseltreinen komen aan bod. Het model berekent de aan de treinwielen benodigde aandrijfenergie met behulp van formules voor het verband tussen de fysische, operationele en logistieke kenmerken enerzijds en het energiegebruik aan de wielen anderzijds. Met behulp van de rendementen voor de distributie en omzetting van energie is vervolgens het well-to-wheel energiegebruik berekend. De verschillende kenmerken evenals de rendementen zijn geschat op basis van de literatuur of eigen metingen. Bij de berekening van de emissies door elektrische treinen is gebruik gemaakt van de resultaten van een afzonderlijk onderzoek gericht op de emissies door elektriciteitsopwekking. Met PRORIN is het energiegebruik van het personenvervoer per spoor in 1998 berekend en vergeleken met de door de Nederlandse Spoorwegen (NS) opgegeven waarde. Het blijkt dat de berekende waarde goed overeenkomt met de NS-waarde. Bij het goederenvervoer zijn er echter grote verschillen gevonden. De redenen hiervoor moeten vermoedelijk worden gezocht in het feit dat het rangeren van treinen niet gemodelleerd is en/of in een onderschatting van het rijden met lege wagons.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Een verkenning wordt gegeven van de consequenties van de normatieve uitgangspunten (klimaatdoelstellingen) in de Vervolgnota Klimaatverandering en in het EU beleid voor de benodigde reducties van broeikasgasemissies in de industrielanden, met name de EU landen waaronder Nederland, op de middellange tot lange termijn. Daarbij is uit gegaan van een herverdeling van de mondiale emissieruimte voor broeikasgassen tussen Noord en Zuid op basis van een convergentie van hoofdelijke (CO2) emissies in 2030 dan wel 2050. Deze convergentiebenadering is vergeleken met een geleidelijke uitbreiding van landen met kwantitatieve doelstellingen. In het geval van een gemiddelde klimaatgevoeligheid (2.4) vereisen de klimaatdoelstellingen in de Vervolgnota klimaatverandering (minder dan 2 graden C temperatuurstijging, een snelheid van temperatuurstijging van niet meer dan 0.1 graad C / jaar en maximaal . 50 cm zeespiegelstijging) een onmiddellijke start van de reductie van de mondiale broeikasgassen na 2012 en een stabilisatie van de CO2 concentraties op een niveau van ongeveer 450 ppmv en van CO2 equivalente concentraties op een niveau van ongeveer 550 ppmv rond het einde van deze eeuw. Indien de doelstelling voor beperking van de snelheid van temperatuurstijging wordt losgelaten, kunnen de mondiale CO2 emissies na uitvoering van het KP eerst nog verder stijgen. Afhankelijk van het gekozen emissieprofiel en convergentiejaar neemt de CO2 emissieruimte voor West-Europa en de VS met respectievelijk 30 - 60% en 40 -80% af ten opzichte van 1990. Gegeven de gewenste snelle deelname van ontwikkelingslanden aan wereldwijde beheersing van broeikasgassen, lijkt een regime met convergentie van hoofdelijke emissierechten aantrekkelijker dan een regime van toenemende participatie.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Het themarapport maakt deel uit van de reeks Volksgezondheid Toekomst Verkenningen 2002 (VTV-2002) van het RIVM. Het gaat over twee complexe terreinen van onze gezondheidzorg: geneesmiddelen en medische hulpmiddelen, en de rol die betrokken partijen hierbij spelen. De producenten bepalen in hoge mate de prijzen, ondanks maatregelen van overheid en verzekeraars. Geneesmiddelenproducenten geven veel geld uit aan promotie. Dit maakt artsen juist minder prijsgevoelig. Bij medische hulpmiddelen hebben artsen onvoldoende informatie om doelmatig te kunnen voorschrijven. Bij de patient bepalen naast de gezondheidstoestand ook de algemene houding en culturele achtergrond het gebruik van geneesmiddelen. Bij medische hulpmiddelen zijn behalve de medische noodzaak ook inspraak en gebruiksgemak van belang. Verwacht wordt dat zonder nieuwe beleidsmaatregelen de kosten van geneesmiddelen in de komende jaren met 11% zullen stijgen en van medische hulpmiddelen met 7%. Dit komt zowel door volume- als prijsstijgingen. De volumestijgingen zijn onder meer het gevolg van demografische, sociaal-culturele en medisch-technologische ontwikkelingen, een analyse is in het rapport opgenomen.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Onderzocht is of NIRS gebruikt kan worden als enige methode voor de verificatie van de identiteit van farmaceutische grondstoffen in de farmaceutische industrie, aan welke minimale voorwaarden zo'n methode zou moeten voldoen en hoe deze gevalideerd moet worden. Geconcludeerd is dat NIRS acceptabel is als enige methode. Hiervoor is echter wel een zorgvuldige opbouw van de spectrale referentiebibliotheek en ontwikkeling, validatie en onderhouden van de methode vereist. De methode dient o.a. gevalideerd te worden met een zorgvuldig samengestelde reeks van andere grondstoffen. Het gebruik van de chemometrische algoritmen "wavelength correlation" en "maximum wavelength distance", welke gebaseerd zijn op standaard wiskundige formules, toegepast op het gehele nabij-infrarood spectrum (1000 - 2500 nm) heeft de voorkeur. Aanvullende richtlijnen zijn opgesteld. Deze kunnen worden gebruikt door zowel de farmaceutische industrie als de registratieautoriteiten. Ze worden reeds gebruikt voor het opstellen van Europese richtlijnen.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Volgens de Wet Milieubeheer, waarin de Milieuplanbureaufunctie van het RIVM is geformaliseerd, wordt jaarlijks een Milieubalans opgesteld waarin de kwaliteit van het milieu wordt beschreven in relatie tot eerder gerealiseerd milieubeleid. In deze Milieubalans worden voor doelgroepen zoals landbouw, industrie, energievoorziening etc. de ontwikkelingen geanalyseerd in relatie tot veranderingen van emissieniveaus voor verschillende stoffen. De stand van zaken rond milieuthema's zoals klimaatverandering, verzuring, verspreiding etc. worden geanalyseerd en verder worden de effecten van de milieudruk op mens en ecosystemen aangegeven.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Huidige methodieken voor locatiespecifieke ecologische risicobeoordeling zijn gebaseerd op de inschatting van effecten op basis van toxiciteitsdata uit de literatuur en de aanwezigheid van contaminanten in de bodem en biota. Biologische testen, zoals bioassays en veldwaarnemingen, worden steeds meer toegepast bij ecologische risicobeoordeling. Het doel van het praktijkonderzoek was het toetsen van de bruikbaarheid van de Triade-benadering als basis voor een methodiek voor locatiespecifieke risicobeoordeling. De Triade bestaat uit drie elementen, nl. een inschatting van effecten op basis van de aanwezigheid van contaminanten op de locatie, een inschatting van de effecten op basis van de meetbare toxiciteit in monsters van de locatie, en een inschatting van effecten op basis van veldwaarnemingen aan het ecosysteem. Integratie van deze onafhankelijke sporen leidt tot een verbeterd inzicht in de effecten van de verontreiniging. Voor dit onderzoek werden Triade-gegevens van een aantal verontreinigde locaties verzameld. Vier uitgangspunten werden hierbij gehanteerd: 1) op elk Triade-spoor was de inzet vergelijkbaar t.b.v. een afgewogen integratie, 2) de individuele parameters werden gekwantificeerd (geen integer uitdrukking of tekst), 3) om de vergelijking te vergemakkelijken werd een eenduidige effectschaal toegepast, namelijk van 0 (geen effect) tot 1 (maximaal effect), en 4) t.b.v. de efficientie werd een gelaagde aanpak gebruikt, waarbij simpele testen bij de lage trede ingezet werden en complexe testen bij de hoge trede. De conclusie uit de resultaten van het onderzoek op de verontreinigde locaties is dat de kwantitatieve Triade geschikt is als basis voor een risicobeoordelingsmethodiek.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Het rapport geeft de achtergronden van hetgeen in het kader van de Nationale Milieuverkenningen Vijf is berekend met betrekking tot de ontwikkeling van verzuring en grootschalige luchtverontreiniging in de periode 1900-2030 en effect indicatoren klimaatverandering 1950-2030 op Europese en Nationale schaal.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Infecties met bacterien van het geslacht Campylobacter vormen een belangrijk volksgezondheidsprobleem in Nederland. Jaarlijks leiden deze infecties tot circa honderdduizend gevallen van gastroenteritis. Daarnaast zijn er ongeveer zestig gevallen van het Guillain-Barre syndroom en enkele duizenden gevallen van reactieve artritis. Naar verwachting bedraagt de economische schade voor Nederland meer dan honderd miljoen euro per jaar. De belangrijkste reservoirs van Campylobacter zijn te vinden in de dierenwereld, zowel landbouwhuisdieren als in het wild levende dieren als huisdieren. Vanuit deze reservoirs vindt een permanente besmetting van het voedselpakket, het milieu en de directe leefomgeving van de mens plaats. Het relatieve belang van de verschillende besmettingsbronnen en blootstellingroutes in de epidemiologie van humane campylobacteriose is niet bekend. In veel onderzoekingen komt kipvlees als een belangrijke besmettingsbron naar voren, maar dit is zeker niet de enige route waarlangs de mens besmet wordt. Andere geidentificeerde risicofactoren zijn varkens- en rundvlees, rauwe melk, direct contact met dieren, besmet oppervlaktewater en buitenlandse reizen. In Nederland speelt drinkwater geen rol van betekenis in de epidemiologie van Campylobacter. Verscherpte hygienemaatregelen hebben geleid tot een daling van de prevalentie van Campylobacter in de vleeskuikenhouderij. Hoewel in 2000 nog 35 % van de kuikens besmet is en een aanzienlijke daling niet binnen afzienbare tijd verwacht wordt. Aanvullende maatregelen, verder in de keten, zijn dan ook noodzakelijk om tot een verdere reductie van de besmetting van kipvlees met Campylobacter te komen. Hierbij valt met name te denken aan kanalisatie van besmette koppels (onder meer logistiek slachten), verbeterde slachthygiene en behandeling van het eindproduct. Er is weinig informatie over de kwaliteit van in Nederland geimporteerd kippevlees. Een effectieve bestrijding van campylobacteriose bij de mens vereist meer kennis en inzicht dan op dit moment beschikbaar is. De complexiteit van de epidemiologie van campylobacteriose en de beperkte beschikbare kennis maken het moeilijk betrouwbare voorspellingen te doen over de te verwachten effecten van interventie maatregelen, en noodzaken tot voorzichtigheid bij het formuleren van beleidsdoelstellingen. Effectieve bestrijding vraagt een zorgvuldig afgewogen pakket van maatregelen. Een op risicoanalyse gebaseerde modelmatige beschrijving van de besmettingsketens wordt aanbevolen om de beschikbare kennis op een gestructureerde wijze te integreren teneinde de effecten van interventiemaatregelen en de onzekerheid daarin te kwantificeren. Integratie van deze modellen met economische modellen en beleidsanalyses leveren een optimale basis voor het onderbouwen van beleidsbeslissingen.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
De afgelopen jaren werden de drempelwaarden voor ozon op grondniveau, zoals vastgelegd in de huidige Richtlijn 92/72/EEC, veelvuldig overschreden in alle landen van de Europese Unie. De EU verplicht alle deelnemende landen om een onderzoek te doen naar het ozon reductie potentieel van korte termijn maatregelen tijdens ozonepisoden. In navolging hiervan hebben wij een modelstudie uitgevoerd waarbij vijf reductiescenario's op nationale schaal werden toegepast voor emissies uit 1995 en 2003. De korte termijn maatregelen hebben alleen betrekking op wegverkeer omdat reducties binnen andere sectoren niet effectief blijken en/of leidden tot aanzienlijke economische consequenties. De nationaal gemiddelde ozonmaxima blijken een paar procent te stijgen in zowel 1995 als 2003 als gevolg van korte termijn maatregelen. Het blijkt dat met name in zwaar geindustrialiseerde- en dichtbevolkte gebieden een duidelijke toename plaatsvindt van de ozonpieken (+5% in 2003), terwijl in de minder geindustrialiseerde- en dichtbevolkte gebieden de waarden varieren tussen -1% en +1%. Onze modelstudie geeft aan dat de 10% minimum effectiviteit voor het reduceren van ozonpieken, waarnaar wordt gestreefd in het Ozone Position Paper, niet wordt gehaald met korte termijn maatregelen in Nederland. Het blijkt dat permanente en grootschalige maatregelen in de nabije toekomst de enige manier is om substantiele verlaging van ozonpieken te bereiken.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
In de PKB Schiphol is vastgelegd dat een monitoringsysteem ontwikkeld dient te worden om eventuele veranderingen in milieukwaliteit en/of in de gezondheidstoestand van de bevolking bij uitbreiding van de luchthaven te signaleren. In dit rapport worden overwegingen bij en criteria voor het ontwerp van dit programma beschreven. De doelstelling van het monitoring-programma in het kader van de Gezondheidskundige Evaluatie Schiphol (GES) is als volgt geformuleerd: het periodiek bepalen van de milieubelasting samenhangend met de activiteiten van de luchthaven Schiphol en van de milieu-gerelateerde gezondheids-toestand van omwonenden, om eventuele veranderingen in milieukwaliteit en de lange-termijn gezondheidseffecten daarvan te kunnen vaststellen. Met de resultaten van het programma kunnen belanghebbenden van sturingsinformatie worden voorzien bij hun afwegingen over de ontwikkeling van de luchtvaart. Voorgesteld wordt voor het monitoringsysteem een combinatie van gegevensbronnen te gebruiken. De kern van het monitoringsysteem is een specifieke periodieke gegevensverzameling met methoden zoals ook gebruikt in fase II van de GES. Hierbij kan het meest adequaat voor andere determinanten worden gecorrigeerd en is een koppeling van de milieubelasting aan individuele onderzoeksdeelnemers mogelijk. Om de nadelen van een beperkte dekking van het onderzoeksgebied en van de deelname van geselecteerde groepen uit de bevolking te ondervangen, wordt geadviseerd, daar waar mogelijk, gegevens uit bestaande nationale en lokale registraties te betrekken.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK) komen zowel wijdverbreid in het milieu als in voedsel voor, beide als gevolg van menselijk handelen. PAK worden beschouwd als kankerverwekkend voor de mens (IARC, 1983). Dit is gebaseerd op zowel dierexperimenteel werk als op epidemiologische studies. De mens staat continu bloot aan deze groep verbindingen via de inhalatoire alsook de orale route (via voedselconsumptie), en in sommige gevallen via de huid. Een kwantitatieve schatting van het risico op kanker als gevolg van de inhalatoire blootstelling aan PAK in het milieu laat zien dat deze de acceptabel geachte grens, 1 extra kankergeval per miljoen levenslang blootgestelden, ruimschoots overschrijdt. Schatting van het risico op kanker als gevolg van blootstelling aan PAK via het voedsel wordt belemmerd door gebrekkige dierexperimentele en epidemiologische gegevens. De noodzaak om dit risico te kwantificeren wordt ge6llustreerd door het feit dat de dagelijkse blootstelling via deze route in grootte een orde hoger geschat wordt dan die via inhalatoire blootstelling voor een aantal belangrijke carcinogene PAK, zoals benzo[a]pyreen (B[a]P). Omdat niet verwacht wordt dat epidemiologische studies hier op termijn uitkomst kunnen bieden, is grote behoefte aan goed uitgevoerd dierexperimenteel onderzoek. Om bovengenoemde reden is een carcinogeniteitsstudie uitgevoerd waarbij ratten levenslang oraal zijn blootgesteld aan B[a]P, algemeen beschouwd als een representatieve modelstof voor carcinogene PAK. De in het instituut gekweekte Wistar ratten (52 dieren per dosis en per sexe) zijn per maagsonde vijf dagen per week blootgesteld aan in soja-olie opgeloste B[a]P, in doseringen van 0 (kontrole), 3, 10 en 30 mg/kg lichaamsgewicht. Deze behandeling resulteerde in een dosis-gerelateerde toename in tumorincidentie in diverse organen en weefsels. Veruit de hoogste incidenties tumoren werden gevonden in lever en voormaag, beide organen met een lage spontane tumorincidentie in deze rattenstam. Levertumoren vormden daarnaast de belangrijkste doodsoorzaak in de hoogste dosis-groep in beide sexen. De tumorvorming in dit orgaan in vrouwtjes ratten is vervolgens gebruikt voor het berekenen van de carcinogene risico's volgens een door de Gezondheidsraad aanbevolen methode. Dit resulteerde in een "acceptabele dagelijkse dosis" (ADI) van 5 ng B[a]P per kg lichaamsgewicht, d.w.z. overeenkomend met 1 extra kankergeval per miljoen levenslang blootgestelden. Op basis van de beschikbare gegevens over de carcinogene potentie en het voorkomen van diverse PAK in het voedsel in Nederland wordt voorgesteld een conversie-factor van 10 te gebruiken voor totale PAK-belasting in voedsel, ofwel een ADI van 0.5 ng B[a]P per kg lichaamsgewicht, met B[a]P als indicator voor in voedsel voorkomende PAK. Dit 'onverwacht' lage risico, althans in vergelijking met de bovenvermelde risico's van PAK bij inhalatoire blootstelling, en de onzekerheden in de database en gebruikte methodiek, worden bediscussieerd. De vorming van DNA addukten door B[a]P is ook in deze species bestudeerd onder dezelfde blootstellings condities. DNA addukten (bepaald met de 32P-postlabelings-methodiek, die stabiele DNA addukten met grote gevoeligheid kan detecteren) konden in alle onderzochte organen en weefsels worden aangetoond. Omdat tumoren slechts in een beperkt aantal hiervan werden gevonden, kan worden geconcludeerd dat de vorming van stabiele DNA addukten op zichzelf niet voldoende is voor tumorvorming. Ook de totale hoeveelheid DNA addukten (ofwel de dichtheid), of de vorming van specifieke DNA addukten kon niet aan de localisatie van tumorvorming gerelateerd worden. Daarentegen suggereren waarnemingen in de range-finding en sub-chronische studies dat lokale celproliferatie een kritische additionele factor in tumor-vorming zou kunnen zijn. De mogelijke implicaties van deze bevindingen worden bediscussieerd.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
De resultaten worden gepresenteerd van een acceptatie onderzoek van 17 nieuwe ETL SX200 Black Smoke monitoren. De nieuwe monitoren zijn vergeleken met de LML methode EEL43. De nieuwe monitor is een geautomatiseerde en stabielere uitvoering van de LML methode. De LML methode had nog veel onderhoud nodig. De nieuwe monitoren blijken de LML methode goed te volgen. Het gemiddelde verschil tussen de nieuwe methode en de LML methode is ongeveer 1.4 microg/m3 waarbij de SX200 lagere concentraties geeft dan de LML methode. De verklaring voor het verschil tussen beide methoden is voornamelijk te vinden in flow verschillen. De LML flow in het onderzoek is circa 5% hoger dan de SX200 flow. Hierdoor is de concentratie ook 5% hoger. De gemiddelde concentratie is 12 microg/m3. Er is zeker 0.6 microg/m3 te verklaren door flowverschillen. Daarnaast is uit de directe vergelijking van de meetkoppen een verschil van 0.2 microg/m3 gevonden. Verder is de precisie van de SX200 tien keer beter dan die van de oude LML methode. Hierdoor is ook een verschil te verklaren van enkele tienden microg/m3. Daarnaast lijkt de vaststelling van de LML waarde niet altijd goed te gebeuren en in deze gevallen vaak te hoog te worden vastgesteld. Dit komt onder andere door de persoonsgebonden wijze van meten. De monitoren blijken ten opzichte van elkaar een standaard deviatie te vertonen van 0.5 microg/m3. Aangezien de LML methode een resolutie heeft van 1 microg/m3 voldoen de nieuwe monitoren in dat opzicht ruimschoots aan de eis. De SX200 monitoren blijken stabieler te meten en menselijke fouten worden tot een minimum beperkt.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
De evenwicht partitie methode (EqP-methode) kan worden gebruikt om milieukwaliteitsnormen (zoals het Maximaal Toelaatbaar Risiconiveau of de interventiewaarde) voor bodem of sediment af te leiden uit aquatische toxiciteitsgegevens en een bodem/water of sediment/water partitiecoefficient. De validiteit van het gebruik van de EpP-methode voor dit doel kan bestudeerd worden door aquatische toxiciteitsdata te vergelijken met terrestrische. Voor 12 organische stoffen en voor 8 metalen waren voldoende gegevens in de literatuur beschikbaar om deze vergelijking te maken. De toxiciteits- en sorptie-data voor water en bodem werden gehaald uit de rapporten die worden gebruikt om milieukwaliteitsnormen in Nederland af te leiden. Met behulp van geselecteerde sorptie constanten (uitgedrukt in L/kg) werden de EC50 (Effect Concentratie 50%) of No Observed Effect Concentration (NOEC) waarden (uitgedrukt in 4g/L) voor waterorganismen vergeleken met de EC50 of NOEC waarden (uitgedrukt in mg/kg) voor bodemorganismen of bodem processen. Voor koper, chloorpyrifos, atrazine en voor het effect van pentachloorfenol of cadmium op bodem processen, waren de terrestrische toxiciteitsgegevens (EC50 of NOEC) significant hoger dan de aquatische toxiciteitsgegevens. Voor 2,4,6-trichloorfenol, trichlooretheen, chroom III, arsenicum en lood waren de aquatische toxiciteitsgegevens significant hoger. Sommige van deze statistisch significante verschillen kunnen misschien worden toegeschreven aan de selectie van de sorptie constanten, maar voor chloorpyrifos en trichlooretheen was dit niet het geval. De significant lagere EC50 waarden van chloroform (trichloormethaan) voor processen in het sediment vergeleken met diersoorten in water, kon ook niet verklaard worden door de selectie van de sorptie constante. Voor chloorpyrifos, trichlooretheen en chloroform kunnen deze statistisch significante verschillen misschien worden toegeschreven aan de selectie van de bodem of sediment toxiciteitstesten. Deze significante verschillen geven aan dat de EqP-methode geen wetenschappelijk gevalideerde methode is om milieukwaliteitsnormen af te leiden maar alleen beschouwd kan worden als een schattingsroutine die een significante over- of onder-schatting kan geven. De EqP-methode wordt gebruikt om de Hazardous Concentration 5% (HC5) waarden voor bodem of sediment te schatten met behulp van aquatische toxiciteitsgegevens. Deze HC5 waren in 5% van de gevallen meer dan factor 20 hoger dan de overeenkomstige HC5 waarden, die direct werden afgeleid met behulp van toxiciteitstesten met bodemorganismen voor de 12 organische stoffen en 8 metalen. Deze factor 20 geeft aan dat de EqP-methode niet gebruikt kan worden voor een accurate bepaling van bodem of sediment HC5 waarden, maar alleen geschikt is voor een ruwe schatting. Wanneer een risicobeoordelaar geconfronteerd wordt met een beperkt aantal terrestrische toxiciteitsgegevens en een veel groter aantal aquatische toxiciteitsgegevens, samen met een betrouwbare bodem/water partitiecoefficient. Dan dient er voor een ruwe schatting van de bodem-kwaliteitsnorm een keuze gemaakt te worden tussen het gebruik van de terrestrische data, of het gebruik van de EpP-methode. De aanbevelingen geven gedetailleerde adviezen voor deze keuze, ten einde de vaak erg grote onzekerheid in de schatting van een bodem-kwaliteitsnorm te minimaliseren.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Van 25 havenspeciemonsters is het Ra-226-gehalte bepaald. De monsters zijn in 2001 verzameld in de Rotterdamse havens en in de Nieuwe Waterweg. Zoals ook in eerdere meetcampagnes is vastgesteld, worden hoge radiumgehaltes gevonden in de omgeving van de voormalige lozingspunten van de fosfaatertsverwerkende industrieen. Het hoogste Ra-226-gehalte, circa 150 Bq/kg, is gevonden in een mengmonster afkomstig uit een vak gelegen in de Nieuwe Maas (NM-2). Uit de korrelgrootteverdeling van de monsters is afgeleid hoeveel radium van nature in elk ervan verwacht wordt en dus hoeveel mogelijk van industriele oorsprong moet zijn. De totale hoeveelheid radium van industriele oorsprong, in negen frequent onderzochte vakken met hoogste radiumgehalte, blijkt gemiddeld over 1999-2001 nog slechts de helft te bedragen van het gemiddelde over de periode 1995-1998.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
De aanwezigheid van antipolymeer antistoffen (APA) is in de literatuur beschreven bij vrouwen met ernstige ziekteverschijnselen en een siliconen-borstimplantaat (SBI). Het doel van het in dit rapport beschreven onderzoek is vast te stellen of er in Nederland een populatie vrouwen met een SBI bestaat met ernstige ziekteverschijnselen, en een hoge prevalentie van APA. Deelneemsters werden geselecteerd middels een uitgebreide vragenlijst met vragen over spier- en gewrichtspijn, vermoeidheid, en vragen over het lichamelijke en psychosociale gevoel van welbehagen. Bovendien werd van de huisarts informatie gevraagd over de klinische symptomen van de SBI vrouwen. In totaal namen 42 vrouwen deel aan het onderzoek. De leeftijd varieerde van 31-73 jaar. De gemiddelde blootstelling aan een SBI was 16 jaar. Bij de vrouwen werd klinisch onderzoek uitgevoerd en bloed afgenomen. Tevens werden bloedmonsters onderzocht van 80 vrouwen uit de algemene bevolking in dezelfde leeftijdscategorie (studiegroep plus of min 5 jaar) met een leeftijd van 26-69 jaar. De studiegroep werd ingedeeld in vier subgroepen met respectievelijk minimale, geringe, matige, en ernstige ziekteverschijnselen. De indeling vond plaats op basis van de afname van functionele capaciteit (zelfredzaamheid, wat kan men nog wel en niet meer doen in het dagelijkse leven), en de algemene beoordeling door de studie-arts wat betreft de ziekte-activiteit en een algemene schatting van de pijn. De meeste vrouwen met SBI (31 van de 42) werden ingedeeld in de groep met minimale ziekteverschijnselen. Vijf van de 42 SBI draagsters (11.9%, 95% betrouwbaarheidsinterval 4.0%-25.6%) hadden een positieve waarde voor de aanwezigheid van APA in het serum. Alle APA positieve reacties werden waargenomen bij vrouwen in de groep met minimale ziekteverschijnselen. In de controle groep werd bij vijf van de 80 vrouwen (6.3%, 95% betrouwbaarheidsinterval 2.1%-14.0%) een positieve APA waarde waargenomen. Het geringe verschil tussen de SBI draagsters en de controle groep is statistisch niet significant. Dit onderzoek kan de in de literatuur gerapporteerde resultaten over de aanwezigheid van antipolymeer antistoffen (APA) in het bloed bij vrouwen met een SBI en ernstige symptomen noch bevestigen noch ontkennen. Het feit dat het niet mogelijk bleek in twee studies voldoende vrouwen met een SBI en ziekteverschijnselen op te nemen, geeft aan dat het aantal vrouwen met een SBI en ernstige symptomen in Nederland gering is. Ook bij een normale populatie Nederlandse vrouwen wordt er een behoorlijk aantal vrouwen met een positieve waarde voor antipolymeer antistoffen in het bloed gevonden. Dientengevolge kan het gebruik van de "antipolymeer antistof" (APA) test niet aanbevolen worden als hulpmiddel bij de klinische evaluatie van vrouwen met een SBI en ernstige klachten/symptomen.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Op basis van metingen en modelberekeningen wordt een samenvattend beeld gegeven van de luchtkwaliteit en de belasting van bodem en oppervlaktewater door atmosferische depositie in Nederland in 2000. Het rapport bestaat uit een speciaal onderwerp, Smogregeling 2002, en uit de volgende hoofdstukken: mondiale-, fotochemische-, verzurende-, deeltjesvormige- en lokale luchtverontreiniging. In dit jaaroverzicht worden ook nieuwe normen ge6ntroduceerd die voortvloeien uit het nieuwe Besluit luchtkwaliteit en uit Europese (EU) richtlijnen.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Om inzicht te geven in de incidentie en ernst van kinkhoest in Nederland in 1999 en 2000 zijn gegevens uit de surveillance op basis van meldingen, laboratorium data, ziekenhuisopnames en sterfgevallen in 1999 en 2000 geanalyseerd en vergeleken met de periode 1989-1998. Tevens worden de resultaten uit de paediatrische surveillance besproken. Uit de verschillende surveillance bronnen blijkt dat de incidentie van kinkhoest in 1999 is toegenomen en in 2000 weer is afgenomen. De hoogste incidentie werd bij de meldingen gevonden voor 4 tot 5-jarigen. De incidentie volgens de ziekenhuisopnames in 1999 (3.2 per 100,000) was vergelijkbaar met de epidemie van 1996 (3.3 per 100,000) en nam af in 2000 (1.6 per 100,000). Uit de paediatrische surveillance blijkt dat de meeste gehospitaliseerde kinderen jonger dan 1 jaar waren en dat complicaties vaker gerapporteerd worden in de jongere leeftijdsgroepen. De vaccin effectiviteit, geschat met behulp van de screenings methode, was in 2000 hoger dan in de periode 1993-1999, vooral voor de 1 en 2-jarigen. Uit de resultaten kan geconcludeerd worden dat in 1999 de incidentie van kinkhoest, berekend op grond van de aangiften is toegenomen tot een hoger niveau dan in 1996. In 2000 is deze incidentie weer afgenomen. Echter, de incidentie van de ziekenhuisopnamen van kinkhoest was vergelijkbaar in 1996 en 1999 en lager in 2000. Verder blijkt dat zowel ongevaccineerden als gevaccineerden klassieke kinkhoestsymptomen kunnen ontwikkelen. De surveillance van kinkhoest op basis van verschillende bronnen moet voortgezet worden om de incidentie van kinkhoest te monitoren en om de effecten van veranderingen in het vaccinatieschema te bestuderen. De paediatrische surveillance en de surveillance op grond ziekenhuisopnamen is hierbij bruikbaar om trends in de routine surveillance te verifieren en om de ernst van kinkhoest te beschrijven.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Een zogenaamde benchmark studie is ondernomen, waarin de resultaten van vijf gereedschappen zijn vergeleken, die in Nederland verkrijgbaar zijn. Deze gereedschappen zijn combinaties van methoden en software. In deze benchmark studie is een risico analyse uitgevoerd van een denkbeeldige inrichting met gevaarlijke stoffen die zich op een willekeurig gekozen plaats in Nederland bevindt. De inrichting was zo gekozen dat veel van de scenario's die in een werkelijke analyse zullen voorkomen aan bod komen, zoals het vrijkomen van brandbare en giftige stoffen; vloeistoffen, gassen en tot vloeistof verdichte gassen; vaten en leidingen etc. Met ieder gereedschap is een volledige risico analyse uitgevoerd. De deelnemers werd gevraagd om deze analyse uit voeren overeenkomstig de richtlijnen uit de gekleurde boeken. Iedere deelnemer week echter op een of meer plaatsen van de voorschriften af. Soms omdat de beschikbare software dat nodig maakte, soms omdat men het voorschrift te moeilijk uitvoerbaar vond en soms omdat men principieel een andere methode voorstond. Opgemerkt wordt dat deze verschillen ook in de praktijk zullen voorkomen. Immers het toepassen van de gekleurde boeken is geen wettelijk voorschrift. Het kan niet worden verwacht dat het bevoegd gezag zulke afwijkingen zal ontdekken. Ook kan niet worden verwacht dat men consequent het toepassen van de gekleurde boeken zal verlangen. Toch zijn er tussen de deelnemers geen grote verschillen gevonden in de effectberekeningen en de frequentietoewijzing, wanneer de scenario's in de gekleurde boeken zijn behandeld. Hoe slechter echter de toe te passen methode bekend is, of is beschreven, hoe groter de afwijkingen tussen de deelnemers, zoals kon worden verwacht. De uitkomsten van de deelnemers lopen ongeveer een orde van grootte uiteen. Dit is in vergelijking met eerdere benchmark studies een aanzienlijke verbetering. Verdere verbeteringen zijn moeilijk te realiseren zonder de voorschriften in de gekleurde boeken tot wettelijk vereiste te maken.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
In het licht van de verkiezingen voor de Tweede Kamer in mei 2002 en daarop aansluitend het begin van een nieuwe kabinetsperiode biedt deze verkenning een analyse van vraagstukken rond energie en milieu tot 2010. Dit geschiedt tegen de achtergrond van een verkenning van de bedrijfstakontwikkeling in twee scenario's voor de Nederlandse economie welke aansluiten op de in december j.l. door het CPB gepubliceerde Economische Verkenning 2003-2006. Deze studie is een gezamenlijk product van CPB en RIVM.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
An improved in vitro method for the evaluation of antacids with in vivo relevance | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
GP5+/6+ PCR followed by reverse line blot analysis enables rapid and high-throughput identification of human papillomavirus genotypes | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Breaking of scored tablets: a review | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Endocarditis in a Dutch patient caused by Bartonella quintana | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
The wreckage of the oil tanker 'Erika' : human health risk assessment of beach cleaning, sunbathing and swimming | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Targeted point mutations of p53 lead to dominant-negative inhibition of wild-type p53 function | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Antagonistic activity of Lactobacillus casei strain shirota against gastrointestinal Listeria monocytogenes infection in rats | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Contribution of fibronectin-binding protein to pathogenesis of Streptococcus suis serotype 2 | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
A quantitative model for neutrophil response and delayed-type hypersensitivity reaction in rats orally inoculated with various doses of Salmonella Enteritidis | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Effect of lack of Interleukin-4, Interleukin-12, Interleukin-18, or the Interferon-gamma receptor on virus replication, cytokine response, and lung pathology during respiratory syncytial virus infection in mice | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Prevention of coronary heart disease by diet and lifestyle: evidence from prospective cross-cultural, cohort, and intervention studies | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Procalcitonineconcentraties als diagnosticum bij acute ontstekingsreacties | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Protecting the vaccinating population in the face of a measles epidemic: assessing the impact of adjusted vaccination schedules | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Age-related mutation accumulation at a lacZ reporter locus in normal and tumor tissues of Trp53-deficient mice | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Dietary fat and meat intake in relation to risk of type 2 diabetes in men | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Utility of rat liver slices to estimate hepatic clearance for application in physiologically based pharmacokinetic modeling: a study with tolbutamide, a compound with low extraction efficiency | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
The in vivo rodent test systems for assessment of carcinogenic potential | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Major improvements in cost effectiveness of screening women for Chlamydia trachomatis using pooled urine specimens and high performance testing | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
The association between noise exposure and blood pressure and ischemic heart disease: a meta-analysis | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
STONE is ontwikkeld om landsdekkend voor Nederland de effecten van bemesting en mestbeleid op de emissies van stikstof en fosfaat uit de landbouw naar grond- en oppervlaktewater te verkennen. De nadruk in de hier gerapporteerde plausibiliteitsstudie ligt op vaststelling van de geloofwaardigheid, het realiteitsgehalte, van getalswaarden en ruimtelijke verdeling van data in STONE versie 2.0. Hiervoor zijn resultaten van STONE 2.0 globaal vergeleken met meetgegevens en met eerdere modelresultaten. Conclusie is dat STONE 2.0 meer plausibel is dan STONE 1.3, de versie gebruikt voor Milieuverkenning 5. De resultaten van deze studie vormen een belangrijk input voor het rapport "De status van het rekeninstrumentarium STONE versie 2.0". In het rapport wordt het toepassingsbereik van STONE 2.0 beschreven voor potentiele gebruikers en afnemers.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
In 1980 is een longitudinaal onderzoek gestart naar de antistofrespons op vaccinaties verricht in het kader van het Rijksvaccinatie Programma (RVP). Via (para)medische tijdschriften werden aanstaande ouders benaderd voor deelname van hun kinderen aan het onderzoek. In de studie zijn 142 kinderen geincludeerd waarbij vlak voor en ongeveer een maand na elke vaccinatie een bloedmonster is afgenomen. In 1997, toen de kinderen tussen de 12 en 17 jaar oud waren (mediaan 15,5 jaar), werd het laatste bloedmonster afgenomen om de persistentie van antistoffen over een langere periode vaststellen. Geometrisch gemiddelde titers en (indien mogelijk) de percentages kinderen met een beschermende antistoftiter tegen difterie, tetanus, polio, kinkhoest, mazelen, bof en rubella zijn bepaald.Over het algemeen leidde vaccinatie tot een goede respons tegen alle antigenen. Bovendien wijst de boosterrespons in 4- en 9-jarige kinderen op het bestaan van een immunologisch geheugen voor difterie, tetanus en polio. Alle kinderen met een "primair vaccinfalen" na de eerste mazelen vaccinatie reageerden met een titerstijging na de tweede vaccinatie. Dit onderstreept het belang van de tweede BMR-vaccinatie op 9-jarige leeftijd zoals die in 1987 in het RVP is ingevoerd.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Vanaf 1993 is de EG-Verordening 793/93 van kracht die zich richt op de risico's van 'bestaande stoffen'. Sindsdien worden er voor deze stoffen EU-risicobeoordelingen gemaakt. Het RIVM heeft een evaluatie-onderzoek gedaan naar de 'overall' uitkomsten van het werk tot nu toe. Het EU risicobeoordelingsproces heeft een groot aantal stoffen naar voren gebracht die aanleiding geven tot zorg. Dit gold maar liefst voor 34 van de 41 beoordeelde chemicalien. Een onderzoeksvraag betrof of de uitkomst van de risicobeoordeling altijd strookt met de verwachte risico's van een stof. Vooral bij de consument blijken veel 'onderschattingen' voor te komen. Stoffen komen blijkbaar in producten terecht waar ze totaal niet thuis horen. Verder is gekeken of er een relatie bestaat tussen de potentiele risico's van de stoffen en het type gebruik van de stof. Duidelijk werd dat de risico's gekoppeld zijn aan een zeer breed scala van gebruikscategorieen. De industrie is wettelijk verplicht om een zogenaamde basis-set van gegevens aan te leveren voor een stof. Ondanks deze basis-set bleek dat voor veel stoffen aanvullende testen noodzakelijk waren om de risicoschatting goed te kunnen afronden. Deze resultaten roepen vragen op over de juistheid en compleetheid van de huidige basis-set. De resultaten van dit onderzoek zijn bruikbaar bij de voorbereidende discussies voor een nieuw EU stoffenbeleid.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Iedere winter krijgen veel Nederlanders griep (influenza). Dit leidt tot aanzienlijk ziekteverzuim en zelfs tot ziekenhuisopnames (gemiddeld 1900 per winter) en sterfte (gemiddeld 800 per winter) ten gevolge van complicaties van de griep. Je kunt iedere winter griep krijgen omdat het griepvirus voortdurend een beetje verandert, waardoor je er geen blijvende immuniteit (afweer) tegen opbouwt. Af en toe is die verandering in het griepvirus zo groot, dat niemand er meer immuun voor is. Als zo'n 'nieuw' virus dan ook ernstig pathogeen (ziekmakend) is en goed overdraagbaar van mens tot mens, kan een wereldwijde epidemie ontstaan, oftewel een pandemie. Daarbij kan het aantal zieken en dodelijke slachtoffers veel groter zijn dan bij een 'normale' epidemie. Dit grote aantal slachtoffers wordt mede veroorzaakt door het feit dat er bij een pandemie meestal niet tijdig een vaccin beschikbaar is. In de twintigste eeuw hebben er drie griep-pandemie6n plaatsgevonden: de Spaanse griep in 1918-20, de Aziatische griep in 1957-58 en de Hong Kong griep in 1968-69. Volgens schattingen is circa een kwart van de wereldbevolking besmet geweest met het griepvirus tijdens de Spaanse griep-pandemie. Zo'n 40 miljoen mensen zouden zijn overleden ten gevolge van ernstige complicaties van deze griep (ter vergelijking: er waren 8 miljoen doden in de Eerste Wereldoorlog). In 1997 werd voor het eerst aangetoond dat een vogelgriepvirus afkomstig van kippen een mens rechtstreeks kon besmetten. Omdat het betreffende virus niet van mens op mens overgedragen werd, is er toen geen pandemie ontstaan. Mede door deze gebeurtenis is het niet langer een vraag of er een volgende pandemie komt maar wanneer. De verwachting is dat tijdens een grieppandemie 30-50% van de bevolking griep zal doormaken. Dit kan tot maatschappelijke ontwrichting leiden. Om de effecten van een pandemie te minimaliseren, ontwikkelt het ministerie van VWS een draaiboek waarin wordt aangegeven wie welke taken, verantwoordelijkheden en beslisbevoegdheden heeft bij een pandemie. Het ministerie van VWS heeft het RIVM (in het kader van het draaiboek) gevraagd om het te verwachten aantal ziekenhuisopnames en sterfgevallen ten tijde van een pandemie te schatten. Daartoe hebben we scenario's opgesteld die alternatieve beelden van het verloop van een pandemie weergeven - beelden die gerelateerd zijn aan de mate waarin en de manier waarop de overheid invloed willen uitoefenen (interventies plegen) op het natuurlijke verloop van een grieppandemie. Omdat niemand weet hoe een volgende pandemie zal verlopen, moeten we veel zaken aannemen. Door middel van scenario-analyse kunnen we aan de hand van zo'n set van aannames, de effecten vergelijken van verschillende interventies in termen van voorkomen ziekenhuisopnames en sterfgevallen. Zowel de scenario's als de aannames hebben we besproken met een groep experts. Op basis van onze bevindingen en deze gesprekken zijn we gekomen tot de volgende inzichten. De overheid kan besluiten helemaal niet in te grijpen in een pandemie. Wil de overheid wel ingrijpen, dan is er de keuze om bepaalde groepen van de bevolking tegen griep te vaccineren (als er tijdig een vaccin beschikbaar zou zijn), risicogroepen voor griep te vaccineren tegen pneumokokkeninfecties (een van de mogelijke complicaties van griep) of iedere zieke binnen 48 uur na aanvang van de symptomen antivirale middelen voor te schrijven. Vergelijking van deze scenario's biedt hulp bij het nemen van beleidsbeslissingen op nationaal of regionaal niveau. Een hulpmiddel hierbij is het rekenmodel dat we hebben ontwikkeld. De beschikbaarheid van een rekenmodel maakt het mogelijk om bij nieuwe inzichten of bij de opkomst van een nieuw griepvirus in het buitenland, gegevens uit dat land over de meest getroffen leeftijdsgroepen te gebruiken om verwachte aantallen ziekenhuisopnames en sterfgevallen in Nederland (en naar regio) opnieuw te schatten.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Er wordt een overzicht gegeven van het meetprogramma drinkwater 2000 dat in opdracht van de Inspectie Milieuhygiene (IMH) van het ministerie voor VROM door het RIVM is uitgevoerd. Het onderzoek is verkennend van karakter en draagt bij aan de onderbouwing van de normstelling. Het meetprogramma omvat de bemonstering van niet-reguliere parameters, te weten jodide en jodaat. In totaal zijn 232 pompstations bemonsterd voor analyse van jodide en jodaat. Daarbij zijn voor zover van toepassing zowel de grondstof (ruwwater) als het drinkwater (reinwater) bemonsterd. Voor zowel jodide als jodaat komen de waarden voor ruw- en reinwater goed met elkaar overeen. De gevonden concentraties voor jodide en jodaat in ruw- en reinwater water zijn laag. In het ruwwater zit gemiddeld <0,5 ug/l IO3- (range: 0,5-9 ug/l) en 7,3 ug/l I- (range: 0,5-94,1 ug/l). In het reinwater zit gemiddeld 3,0 ug/l IO3- (range: 0,5-42,6 ug/l) en 2,1 ug/l I- (range: 0,5-28,3 ug/l). De drinkwaterbereiding heeft invloed op het evenwicht tussen jodide en jodaat; in het algemeen bevat het ruwwater meer jodide en het reinwater meer jodaat. Dit evenwicht is grotendeels afhankelijk van de zuurgraad (pH) en elektronenactiviteit (pE). In Nederland is er geen norm voor jodide of jodaat in drinkwater. Ook de EG, de WHO en de EPA hebben geen richtlijn voor deze stoffen. Dit onderzoek geeft aan dat er op dit moment geen noodzaak is tot het stellen van een norm voor zowel jodide als jodaat, hoewel er weing bekend is omtrent de toxiciteit van beide stoffen. Er is geen reden om de componenten I- en IO3- frequent te gaan meten. Het strekt tot de aanbevelingen om de drinkwaterstations met hoge waarden nogmaals te meten en de concentratie I2 daarbij te betrekken.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Ethylene glycol poisoning mimiking Snow White | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Health profiles and health preferences of dialysis patients | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
A comparison of gastroenteritis in a general practice-based study and a community-based study | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Beyond disability: perceived participation in people with a chronic disabling condition | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
A review of studies on the effects of ultraviolet irradiation on the resistance to infections: evidence from rodent infection models and verification by experimental and observational human studies | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Standardizing chemical risk assessment, at last | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Effect of an increased intake of alpha-linolenic acid and group nutritional education on cardiovascular risk factors: the Mediterranean Alpha-linolenic Enriched Groningen Dietary Intervention (MARGARIN) study | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Simulatiemodellen en Modelecosystemen. Het model gemodelleerd. Integratie van lotgevallen, toxiciteit en effecten | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Laboratory-confirmed reinfections with Bordetella pertussis | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Atmospheric pollutants and trace gases. Optimization of a monitoring network for sulfur dioxide | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Effects of zinc contamination on a natural nematode community in outdoor soil mesocosms | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Presence of European bat lyssavirus RNAs in apparently healthy Rousettus aegyptiacus bats | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Dietary patterns and risk for type 2 diabetes mellitus in U.S. men | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
A healthy judgement? Health and Health care in the Netherlands in international perspective | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Developmental defects and male sterility in mice lacking the ubiquitin-like DNA repair gene mHR23B | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
A large outbreak of Legionnaires' disease at a flower show, the Netherlands, 1999 | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Dit rapport beschrijft de resultaten van een onderzoek naar de huidige en mogelijke toekomstige milieu-effecten van verschillende vormen van geautomatiseerd ondergronds goederentransport in Nederland. De beschouwde transportmethoden zijn: traditionele en extra-traditionele pijpleidingen, pneumatische en hydraulische capsule-pijpleidingen, en systemen die gebruik maken van railvoertuigen, automatische geleide voertuigen of dual-mode voertuigen. De meeste aandacht is uitgegaan naar de traditionele pijpleidingen en naar de ondergrondse logistieke systemen die gebruik maken van automatisch geleide voertuigen. De beschouwde milieu-effecten zijn de emissies van CO2, NOx, SO2, VOS en PM10, geluidshinder, visuele hinder en ruimtegebruik. Allereerst is een literatuuronderzoek uitgevoerd naar de state-of-the-art van de verschillende vormen van ondergronds goederentransport en van de methoden die gebruikt worden voor de aanleg van de ondergrondse infrastructuur. Vervolgens is de omvang van het huidige Nederlandse pijpleidingnetwerk bepaald en is een overzicht gegeven van mogelijke toekomstige toepassingen van de verschillende vormen van ondergronds goederentransport. Op basis van literatuur en van aanvullende berekeningen worden het directe en indirecte energiegebruik en de milieu-effecten van ondergronds goederentransport bestudeerd. Tenslotte is een case studie uitgevoerd om het totale effect te bepalen op het energiegebruik en de emissies van het ondergrondse logistieke systeem (OLS) Utrecht, een bestaand concept van een ondergronds netwerk voor stukgoederendistributie. Uit het onderzoek blijkt dat de meeste vormen van ondergronds goederentransport een lage directe energie-intensiteit hebben. Voor traditionele, extra-traditionele en capsule-pijpleidingen is het indirecte energiegebruik eveneens laag. OLS hebben daarentegen een zeer hoog indirect energiegebruik die naar verhouding toeneemt naarmate een grotere buisdiameter gebruikt wordt. Het OLS Utrecht leidt naar verwachting tot een toename van het totale energiegebruik en de totale emissies voor alle bekeken varianten.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Voor de emissies van de Nederlandse lanbouw in de periode 1997-2030 worden de schattingen gepresenteerd die worden verwacht bij uitvoering van de meest recente voorstellen voor het mestbeleid. Deze emissieschattingen zijn gebruikt als input voor berekeningen van veranderingen in de milieukwaliteit. De resultaten zijn in 2000 gerapporteerd in de vijfde Nationale Milieuverkenning 2000-2030, welke weer diende als input voor het vierde Nationale Milieubeleidsplan dat in juni 2001 werd gepubliceerd. Er wordt een methode bescreven die is gebruikt om schattingen te maken van de manier waarop boeren zullen reageren op het voorgestelde beleid en de gevolgen daarvan op de omvang van de veestapel, de mestproductie, het gebruik van mest en de regionale verdeling ervan en de daaruit resulterende emissies naar de bodem (van stikstof en fosfaat) en naar de lucht (van ammoniak). Vanaf 2002 mogen veehouders alleen vee houden voor zover kan worden aangetoond dat de verwachte mestproductie kan worden afgezet binnen de gebruiksnormen uit de EU-nitraatrichtlijn. Daartoe moeten veehouders zelf over voldoende grond beschikken of (aanvullend) contracten afsluiten voor de afzet van mest. De tweede hoeksteen van het nieuwe mestbeleid is een stelsel van nationale verliesnormen voor stikstof en fosfaat, aangevuld met regulerende heffingen.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Er worden aanbevelingen gedaan voor een consistente en objectieve manier om veld- en lysimeterstudies te interpreteren. Expert judgement is zoveel mogelijk vertaald in expliciete, kwantitatieve regels. Een computer simulatie van de studie wordt vergeleken met de experimentele gegevens. De ratio tussen de berekende en de gemeten uitspoeling, de zgn. simulatiefout wordt beschouwd als het eindpunt van een veld- of lysimeterstudie en wordt gebruikt om uitspoeling te corrigeren in scenarios die voor de registratie van een bestrijdingsmiddel relevant zijn.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Er is een methode gemaakt voor het beoordelen van de aanvaardbaarheid van de risico's voor werknemers, zoals beschreven in het veiligheidsrapport. Uitgangspunt van de methode is een inrichting met een adequate veiligheidsbeheerssysteem. De beoordelingsmethode bestaat uit het controleren of alle benodigde informatie gegeven is, het vergelijken van het risico en de interne risiconormen van het bedrijf met een set van risiconormen en het steekproefsgewijs verifieren van de berekende kans van optreden van een scenario en de gevolgen. De beschreven beoordelingsmethode is een aanzet tot een complete en robuuste methode voor het beoordelen van de risico's van een inrichting voor de werknemers.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Bij GGD-en is nagegaan of er draagvlak zou zijn voor een landelijke inventarisatie van Milieu-gerelateerde gezondheidsKlachten's (MgK's). te onder alle GGD-en is nagegaan in hoeverre een landelijke inventarisatie van MgK's wenselijk en haalbaar wordt geacht.Een meerderheid van de GGD-en (80%) vindt het beschikbaar zijn van landelijke gegevens over MgK's nuttig. Een groot deel van de GGD-en (85%) is bereid mee te werken aan een landelijke inventarisatie van MgK's. De beste manier waarop een landelijke registratie bewerkstelligd zou moeten worden is niet op voorhand duidelijk. Aan de hand van een analyse van reigistratieformulieren voor MgK's is vervolgens nagegaan of het mogelijk is een uniform basis-registratie formulier te ontwerpen. De vergelijking wees uit dat een basis registratieformulier zou kunnen bestaan uit de volgende items: nummer klacht; intaker; naam melder; adres melder (incl. postcode en woonplaats); telefoonnummer melder; huisarts; datum melding; eerder contact met GGD / andere instanties/huisarts; open vraag omschrijving klacht; opsplitsing naar milieu (oorzaak) en gezondheid (effect); datum afhandeling; aktie / werkzaamheden / afspraken (open vraag).In het algemeen kan worden geconcludeerd dat een nationale inventarisatie van MgK's door een meerderheid van de GGD-en wenselijk wordt beschouwd. Een tweede conclusie is dat op basis van de beschikbare gegevens in concept een uniform (basis)registratieformulier voor MgK's kan worden opgesteld. Na consultatie van de medisch milieukundigen en de GGD-Nederland en in overleg met GZB-VWS en VROM zal met betrekking tot de aanbevelingen uit dit rapport besluitvorming plaatsvinden in januari 2002.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Validation of the XPA-deficient transgenic mouse model for short-term carcinogenicity testing | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Opname en verwerking van het Mazelen virus F-eiwit: een confocale studie | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Gedurende het in de jaren 1998 en 1999 uitgevoerde bewakingsonderzoek "bijzondere slachtplaatsen" werd een groot aantal heid van residuen van dierbehandelingsmiddelen, beta-agonisten en thyreostatica. Vanuit dit onderzoek is geconcludeerd dat in 14 dieren (8% van de 172 gecontroleerde dieren) residuen van een of meerdere illegale groeibevorderende stoffen zijn gevonden.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Er is een schatting gemaakt van de incidentie en sterfte aan hartvaatziekten toe te schrijven aan geluidblootstelling en de ziektelast daarvan. Voor het bepalen van de omvang van deze effecten zijn morbiditeitgegevens, gegevens over de verdeling van de geluidblootstelling over de Nederlandse populatie dosis-effectrelaties, gebaseerd op een recent verrichte meta-analyse, gebruikt. Door bovengenoemde gegevens te combineren, is het aantal prevalente cases geschat dat is toe te schrijven aan de belasting van geluid. Om na te gaan wat de invloed is van de geschatte prevalente aantallen op de ziektelast (in termen van DALYs), zijn met behulp van het Chronische Ziektemodel aanvullende berekeningen verricht. Verder is door middel van een onzekerheids-analyse onderzocht hoe de verschillende aannames en onzekerheden van invloed zijn op de geschatte prevalenties. Als gevolg van de blootstelling aan omgevingsgeluid is een brede range aan effecten gemeten die varieerden in klinische ernst en die een grote mate van coherentie en consistentie vertoonden. Aangezien in de toekomst de blootstelling aan wegverkeerslawaai en vliegverkeerslawaai zal toenemen zal ook de ziektelast t.g.v. ischemische hartziekten toe te schrijven aan geluidblootstelling, toenemen. Verder bleek dat in 2030 naar verwachting het gezondheidsverlies door met name geluid van vliegverkeer sterk zal toenemen. De aanvullende berekeningen met het Chronische Ziektemodel hebben bijgedragen tot een completer en realistischer beeld van de geschatte ziektelast. De schattingen, zoals in dit rapport gepresenteerd, zijn omgeven met een aantal onzekerheden. De onzekerheid in de dosis-effectrelaties bleek een van de belangrijkste. Om de betrouwbaarheid van toekomstige schattingen te verhogen, zal de meeste winst dan ook te behalen zijn uit het vaststellen van meer nauwkeurige dosis-respons-relaties die beter beschreven zijn.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
"Relatieve orale biobeschikbaarheid van contaminanten in bodem": Overzicht van werkzaamheden 1996-2001 met koppeling aan beleidsvragen | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Het bevorderen van gezond gedrag kan een belangrijke bijdrage leveren aan de volksgezondheid. Bevolkingsgroepen met naar verhouding meer ongezond gedrag of een hoge kwetsbaarheid op dit punt zijn jongeren, ouderen, allochtonen en personen met een lagere sociaal-economische status (SES). Aangrijpingspunten voor preventieve interventies liggen zowel op het persoonlijke niveau (houding ten aanzien van het gedrag, mate waarin een persoon zich in staat acht het gedrag te kunnen veranderen) als in de omgeving. Voor elk van de vier genoemde groepen is speciale aandacht nodig. Dit is - met name voor allochtonen en groepen met een lage SES - wel in de beleidsvoornemens terug te vinden, maar nog onvoldoende in de praktijk. Belangrijke redenen hiervoor zijn het bestaan van onvoldoende politiek draagvlak op lokaal niveau en onvoldoende beschikbaarheid van randvoorwaarden (financien, personele capaciteit). De praktijk van interventies leert ons dat de meest succesvolle leefstijlinterventies (1) zijn toegesneden op een specifieke groep, (2) gebruik maken van een combinatie van een samenhangende set van activiteiten en maatregelen, (3) participatie kennen van vele actoren en sectoren, inclusief de doelgroep, en (4) voldoende lange looptijd en continuiteit hebben. Sleutelwoorden zijn dus: preventie op maat, integraal gezondheidsbeleid, multisectorale aanpak, en continuiteit. Alleen wanneer deze inzichten optimaal worden benut zullen we mogelijk de ongunstige trends in leefstijl kunnen doorbreken. Dit geldt vooral voor het lokale gezondheidsbeleid, maar het landelijk beleid moet dit ondersteunen.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
De inschatting van de gemiddelde gehalten aan verontreinigende stoffen in gewassen geteeld op verontreinigde bodem is een onderdeel van de standaardberekening van de interventiewaarden. Bij metalen bepaalt de blootstelling via de consumptie van gewassen voor een belangrijk deel het humaantoxicologische risico van verontreinigde bodems. In dit rapport zijn de gemiddelde accumulatiefactoren vastgesteld voor gewassen geteeld in moestuinen op verontreinigde bodems. Hiertoe is een dataset opgebouwd van literatuurgegevens (n=2260). De data zijn beperkt tot velddata van bestaande verontreinigingssituaties, gewassen voor menselijke consumptie en de geconsumeerde delen van deze gewassen. Potproeven en kunstmatige verontreiniging zijn hierbij uitgesloten. De bioconcentratiefactoren (BCF-waarden) zijn berekend voor afzonderlijke gewassen en voor een gemiddeld consumptiepakket. De velddata zijn bepaald bij verschillende bodemeigenschappen en om vergelijkbaar te zijn moeten ze bewerkt worden. Om de correcties naar de standaardbodem te kunnen maken, die gebruikelijk zijn bij de berekening van interventiewaarden, zijn per gewas relaties afgeleid voor de variaties van de BCF-waarden van As, Cd, Cu, Hg, Ni, Pb en Zn met het totaalgehalte in de bodem, zuurgraad en gehalten aan organisch koolstof en lutum. Deze kunnen ook gebruikt worden bij een locatiespecifieke benadering. Bij de berekening resteren nog een aantal onzekerheden: het gewenste traject van totaalgehalten en bodemparameters werd niet altijd afgedekt door de data. In dit geval is niet geextrapoleerd maar is een 'worst case' inschatting gedaan. Ook konden op het bekende traject van data soms geen significante relaties afgeleid worden. In dat geval is uitgegaan van geometrisch gemiddelden. De resultaten van verschillende rekenwijzen zijn vergeleken.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Gedurende het in de jaren 1998 en 1999 uitgevoerde bewakingsonderzoek "bijzondere slachtplaatsen" werd een groot aantal heid van residuen van dierbehandelingsmiddelen, beta-agonisten en thyreostatica. Vanuit dit onderzoek is geconcludeerd dat in 14 dieren (8% van de 172 gecontroleerde dieren) residuen van een of meerdere illegale groeibevorderende stoffen zijn gevonden.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Biomass fuel power development | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
In de periode van juli 1997 - december 2000 hebben 19 ziekenhuizen gegevens geregistreerd over 3.921 patienten op de Intensive Care (IC) met 41.744 verpleegdagen. Bij 1.065 patienten ontstonden 1.673 infecties, waarvan 684 pneumonieen, 354 gevallen van sepsis, 353 urineweginfecties en 282 overige infecties. Van alle patienten werd 63% beademd, had 88% een urinewegkatheter en 66% minstens een centrale lijn. Het aantal ventilatie-gerelateerde pneumonieen was 24 per 1000 ventilatiedagen, het aantal katheter-geassocieerde urineweginfecties tien per 1000 katheterdagen en het aantal gevallen van lijnsepsis was vier per 1000 centrale lijndagen. De surveillanceresultaten leidde in slechts twee ziekenhuizen tot interventiemaatregelen en in zeven ziekenhuizen tot ondersteuning van het beleid en/of de besluitvorming op het gebied van infectiepreventie op de IC.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Antibody avidity and immunoglobulin G isotype distribution following immunization with a monovalent meningococcal B outer membrane vesicle vaccine | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Er wordt een overzicht gegeven van het recente (1998/99) voorkomen van dioxinen in voedingsmiddelen, gebaseerd op twee meetprogramma's waarbij in verschillende consumentenproducten en primaire agrarische producten concentraties werden gemeten van PCDD/PCDF's (dioxinen) en dioxine-achtige PCBs. Door deze informatie te combineren met recente voedselconsumptiegegevens (de derde Voedsel Consumptie Peiling) kon een berekening gemaakt worden van de lange termijn inname van dioxinen en dioxine-achtige PCB's. De mediane inname in de bevolking wordt geschat op 1.2 pg WHO TEQ/kg lichaamsgewicht/dag. Voor 50% van de bevolking ligt de inname hoger dan dit niveau. De bijdrage van de verschillende groepen voedingsmiddelen aan de inname van dioxinen en dioxine-achtige PCB's is redelijk uniform verspreid over ons voedselpakket, met 70% via dierlijke producten (vleesproducten 23%, melkproducten 27%, vis 16% en eieren 4%). Daarnaast dragen plantaardige producten 13% en industriele olien en vetten 17% bij aan de totale inname. De belangrijkste constatering in het rapport is dat sinds 1991 de concentraties in de meeste voedingsmiddelen sterk zijn afgenomen. Dit heeft geleid tot meer dan een halvering van de inname van dioxinen en dioxine-achtige PCB's vergeleken met 1991. Desalniettemin is de verdeling van de inname over de bevolking zodanig dat voor een aanzienlijk deel (8%) van de bevolking de niveaus hoger zijn dan de TDI (tolereerbare dagelijkse inname) van 2 pg WHO TEQ/kg lichaamsgewicht/dag, zoals afgeleid door de Scientific Committee on Food (SCF) van de Europese Commissie.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport beschrijft de resultaten van een literatuuronderzoek naar de kosteneffectiviteit van de screening van zwangeren op syfilis ter preventie van congenitale syfilis. In verschillende databases is gezocht naar nationale en internationale publicaties. Onze zoekstrategie leverde 45 referenties op met betrekking tot syfilis, waarvan 16 richtlijnen. Voor nagenoeg al deze referenties gold dat deze niet voldeden aan de geformuleerde selectiecriteria, veelal omdat het geen economische evaluatie van screening op syfilis bij zwangeren was. Slechts vijf economische evaluaties zijn uiteindelijk in de studie betrokken. De geselecteerde economische evaluaties zijn aan de hand van de volgende aspecten systematisch besproken; het type economische evaluatie, de doelpopulatie, de verschillende kostensoorten, de gehanteerde discontovoet, de sensitiviteitsanalyse en de resultaten en conclusies van het literatuuronderzoek.De resultaten van de gevonden economische evaluaties laten zien dat de screening van zwangeren op syfilis kosteneffectief is in zowel de grote steden als in de landelijke gebieden.Alle studies in dit literatuuronderzoek hanteerden hetzelfde model, maar voerden geen van alle een goede sensitiviteitsanalyse van dit model uit. Daarom is in dit literatuuronderzoek een sensitiviteitsanalyse gemaakt van het gebruikte model. De sensitiviteitsanalyse liet zien dat de screening van zwangeren op syfilis onder alle omstandigheden kosteneffectief is. Op basis van dit literatuuronderzoek kan geconcludeerd worden dat de screening van zwangeren op syfilis ter preventie van congenitale syfilis zinvol is.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Het rapport is het zesde rapport van een serie waarin de resultaten van de monitoring in het Lheebroekerzand gepresenteerd worden. Het monitoringsprogramma werd uitgevoerd in het kader van de United Nations Economic Commission for Europe (UN-ECE) International Cooperative Programme on Integrated Monitoring of Air Pollution Effects on Ecosystems (ICP-IM). Het doel van dit rapport is om de gegevens van 1997 tot en met 1999 te verzamelen en te presenteren, de deelnemende organisaties en vrijwilligers te informeren over de stand van zaken en om de monitorings-periode in het Lheebroekerzand onder coordinatie van het RIVM af te sluiten. Het Nederlandse meetpunt bevindt zich in het Lheebroekerzand in de provincie Drenthe. Sinds 1993 vinden hier monitorings-activiteiten plaats . Het merendeel van de gegevens is reeds toegevoegd aan de internationale database die zich bevindt in Helsinki, Finland. In de periode van 1997 tot 1999 bestond het biologische gedeelte van het monitorings-programma uit een regelmatige inventarisatie van de vegetatie, vogels, korstmossen, bladmineerders en vlinders evenals inventarisaties van de macrofauna aanwezig in het ven Kliplo en observaties aan naaldbomen ter bepaling van de vitaliteit. Het chemisch-fysische deel van het programma bestond uit meteorologische variabelen zoals temperatuur, luchtvochtigheid, hoeveelheid neerslag en instraling samen met chemische analyses van organische en anorganische stoffen in lucht, neerslag, bladeren, naalden, mossen, bodem, bodemwater, grondwater en venwater. Uit vergelijking van de resultaten van de concentraties van chemische variabelen in de verschillende monitoringsprogramma's in 1997, 1998 en 1999 blijkt o.a. dat de concentraties van SO4-S in lucht, doorval, stamafvoer en venwater afnemen in de tijd. Voor concentraties van NO3N en NH4N in lucht en venwater lijkt dit ook het geval. Deze afname van concentraties kan echter niet bevestigd worden met een gemeten afname van deze variabelen in bulk regenwater. Betreffende de biologische variabelen (Inventarisatie van vogels, korstmossen, vegetatie, macrofauna, bladmineerders en vlinders) kan eveneens geen uitspraak gedaan worden over mogelijke veranderingen in de tijd. Wel lijkt het aantal individuen voor vogels, macrofauna, bladmineerders en vlinders af te nemen. Interpretatie van deze gegevens vereisen een langere periode van monitoring. Een data-analyse over alle beschikbare data wordt thans uitgevoerd en zal afzonderlijk gerapporteerd worden.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Het huisbezoek in de OKZ: ritueel of rationeel? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Model voor een geintegreerd managementsysteem | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Managing ecological risks of groundwater pollution | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Toxicity of carbon particles as ambient particulate matter model constituents following 3-day inhalation in healthy and compromised rats and mice | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Emerging issues: new risks | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Outer membrane protein purification | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Vaccination against measles: evaluation of novel approaches | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Biomonitoring of groundwater systems: methods, applications and possible indicators among the groundwater biota | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Mobiliteits- en bereikbaarheidseffecten van infrastructuurinvesteringen in de Deltametropool | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Estimation of specific growth rate from cell density measurements | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Groundwater ecology: a tool for management of water resources | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
De prestaties van de Nederlandse gezondheidszorg in internationaal perspectief: achtergronden en implicaties voor beleid | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Wat is het landelijke wachtlijstbeleid voor de geestelijke gezondheidszorg? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Luchtwegsymptomen en -obstructie: recente prevalenties en kortetermijntrends (1993-1997) bij volwassenen in Nederland | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Wat is de rol van apotheekhoudenden en drogisten? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
De maatschappelijke kosten van nierziekten in Nederland | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Wat is het landelijke wachtlijstbeleid voor ziekenhuiszorg? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Sociaal-economische gezondheidsverschillen samengevat | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Wat zijn de belangrijkste verwachtingen voor de toekomst? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Wat is ziekenhuiszorg? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Hoe is de huidige situatie? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Zijn er internationale verschillen? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Neemt het aantal mensen met onvoldoende lichamelijke activiteit toe of af? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Wat is thuiszorg? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Wat is preventie? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Farmaceutische hulp samengevat | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Wat is bekend over wachttijden en -lijsten? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Hoe is het aantal mensen met een gezond voedingsgedrag te vergroten? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
De tweede Nationale Studie naar ziekten en verrichtingen in de huisartspraktijk: empirisch onderbouwde informatie voor beleid en wetenschap | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Wat is ambulancezorg? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
De ziektelast van diabetes mellitus type 2 in Nederland: incidentie, prevalentie en sterfte | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Laboratoriumdiagnostiek van Staphylococcus aureus: van feno- naar genotypering | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Welke factoren hangen samen met lichamelijke activiteit? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Het influenzaseizoen 2000/'01 en de vaccinsamenstelling voor het seizoen 2001/'02 | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Wat zijn de uitgavenkaders en financieringsbronnen volgens de Zorgnota? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Cost-effectiveness of screening asymptomatic women for Chlamydia trachomatis: the importance of reinfection and partner referral | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Hoeveel mensen zijn onvoldoende lichamelijk actief? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Wat is het landelijke wachtlijstbeleid voor verpleging en verzorging? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Wat waren de belangrijkste ontwikkelingen in het verleden? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Wat is curatieve somatische zorg? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Ambulancezorg samengevat | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Wat is openbare gezondheidszorg? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Hoe is het aantal lichamelijk inactieve mensen terug te dringen? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Pas op met resistentiecijfers: bepaling en surveillance van resistentie | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Wachten op zorg | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Zijn er sociaal demografische verschillen? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Wat is verzorgingshuiszorg? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Wat is het landelijke wachtlijstbeleid voor gehandicaptenzorg? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Wat zijn de uitgavenkaders en financieringsbronnen volgens de Zorgnota? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Wat is huisartsenzorg? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Met welke ziekten en aandoeningen hangt lichamelijke activiteit samen? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Met welke ziekten en aandoeningen hangt een ongezond voedingspatroon samen? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Zijn er sociaal-demografische gezondheidsverschillen? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Wat is de ziektelast en hoe wordt deze berekend? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Waaraan overlijden mensen in Nederland? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Wat is de ziektelast in Nederland? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Neemt de totale sterfte toe of af? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Hoeveel mensen sterven er in Nederland? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Wat is de kwaliteit van leven bij angststoornissen? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Welke factoren hangen samen met het voedingspatroon? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Volksgezondheid Toekomst Verkenning, Nationaal Kompas Volksgezondheid | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Wat zijn wegingsfactoren en hoe zijn ze bepaald? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Wat zijn de verschillen tussen mannen en vrouwen? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Neemt de levensverwachting toe of af? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Wat is kwaliteit van leven en hoe wordt het gemeten | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Welke doodsoorzaken nemen toe en welke nemen af? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Welke factoren beinvloeden de sterfte rond de geboorte? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Regionale gezondheidsverschillen: minder goede gezondheid in de vier grote steden en in Zuid-Limburg | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Wat is in Nederland de levensverwachting? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Neemt de sterfte rond de geboorte toe of af? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Wat is de kwaliteit van leven bij afhankelijkheid? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Zijn er sociaal-demografische verschillen? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Wat is de kwaliteit van leven van mensen in Nederland? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Hoeveel mensen hebben een ongezond voedingspatroon? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Aan welke ziekten en aandoeningen wordt het geld besteed? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Hoe hoog is de sterfte rond de geboorte in Nederland? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Wat is farmaceutische hulp? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Wat is de relatie met ziekten en determinanten? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Bepaling van de gevoeligheid van een methode voor isolatie van Escherichia coli 0157 uit runderfeces | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Adaptation to toxicants and ecological performance of microbial communities | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Voedingsadviezen in de huisartspraktijk | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Estimation of dietary intake | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Storage of mycobacterial strains | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Diagnostiek en surveillance van Legionella door het RIVM | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Effects of ultraviolet exposure on the immune system | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
A semi-empirical dynamic soil acidification model for use in spatially explicit integrated assessment models for Europe | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Serological characterization in meningococcal disease | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Restriction fragment length polymorphism typing of mycobacteria | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Erfelijkheid en voeding in relatie tot hart- en vaatziekten | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
De omvang van verzuim en arbeidsongeschiktheid door RSI | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Method of coupling polysaccharides to proteins | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Modeling virus inactivation on salad crops using microbial count data | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Contributions of Neisseria meningitidis LPS and non-LPS to proinflammatory cytokine response | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Chronische longziekten | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Chronic obstructive pulmonary disease, asthma and protective effects of food intake: from hypothesis to evidence? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Diabetes mellitus type 2 | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Determinants of circulating insulin-like growth factor (IGF)-I and IGF binding proteins 1-3 in premenopausal women: physical activity and anthropometry (Netherlands) | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
De tweede Nationale Studie: een wens in vervulling? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
A review of epidemiological approaches to forecasting mortality and morbidity | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Incorporating risk factor epidemiology in mortality projections | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Voeding en chronische ziekten | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Bejaarden, bavarois en pathogene bacterien | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Cost-effectiveness of partner pharmacotherapy in screening women for asymptomatic infection with Chlamydia trachomatis | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Estimation of long-term average exposure to outdoor air pollution for a cohort study on mortality | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Validation of the Ninhydrin Swab Test to monitor cleaning of medical instruments | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Interleukin-12 suppresses ultraviolet radiation-induced apoptosis by inducing DNA repair | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Probabilistic risk assessment using disability-adjusted life years to balance the health effects of drinking water disinfection | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Microbiologische aspecten van genetisch bepaalde immuundeficientie bij proefdieren | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Coadministration of antigen and particles optimally stimulates the immune response in an intranasal administration model in mice | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Human health and the environment | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Neutrofiele defensines stimuleren bacteriele aanhechting en inflammatoire respons van luchtwegepitheelcellen | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
The association between antihypertensive drug therapies and plasma lipid levels in the general population | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Leefstijl & werk | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Assessing environmental disease burden: the example of noise in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Toezicht op voedselveiligheid | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
GP income in relation to workload in deprived urban areas in the Netherlands. Before and after the 1996 pay review | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
In vivo expression of Neisseria meningitidis proteins homologous to the Haemophilus influenzae Hap and Hia autotransporters | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Smoking cessation and quality of life: the effect of amount of smoking and time since quitting | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Kosteneffectiviteit milieumaatregelen niet altijd doorslaggevend | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
MRSA surveillance in Dutch hospitals from January to July 2001: an update and overview | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Modeling uranium transport in Koongarra, Australia: the effect of a moving weathering zone | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Huisartsen met en zonder elektronisch medisch dossier: weinig verschil in medisch handelen | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
The Netherlands | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Cost-effectiveness of screening for genital Chlamydia trachomatis | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Contacts of general practitioners with illegal immigrants | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Collaborative study for the validation of serological methods for potency testing of tetanus toxoid vaccines for humane use. Part 2 | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Collaborative study for the validation of serological methods for potency testing of tetanus toxoid vaccines for humane use. Part 1 | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Redesign STONE. De nieuwe schematisatie voor STONE: de ruimtelijke indeling en de toekenning van hydrologische en bodemchemische parameters | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Obesity and quality of life | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
An aggregate public health indicator of the impact of multiple environmental exposures | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Motives in transport models: can they be ignored? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Collaborative study for the validation of serological methods for potency testing of tetanus toxoid vaccines for humane use. Summary of all three phases | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Preventie van diabetes mellitus type 2 | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Stijging soa zet door in 2001 | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Gegevens in het elektronisch medisch dossier: bruikbaar voor het optimaliseren van de probleemlijst? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Neurodegeneratieve aandoeningen | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Health status of the population in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Regulatory and methodological aspects concercing the risk assessment for medicinal products; need for research | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Detectie en identificatie van pathogenen in teken | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Ehrlichiosis in a moose calf in Norway | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
De prevalentie van chronische ziekten in de huisartspraktijk: een nadere analyse van validiteit en betrouwbaarheid | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
The epidemiology of obesity | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Diagnostiek van Mycobacterium paratuberculosis | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Alcohol and drugs. Use, problems, prevention and treatment | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Approaches to risk assessment of immunotoxic effects of chemicals | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Geluidhinder deels oplosbaar | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Setting-up intra- and interlaboratory databases of electrophoretic profiles | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Antibioticagebruik buiten het ziekenhuis | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Transport and the environment in Dutch research and policy-making | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
The more you use it, the more you lose it. Antibioticagebruik in de huisartsenpraktijk | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Worst-case estimations of predicted environmental soil concentrations (PEC) of selected veterinary antibiotics and residues used in Danish agriculture | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's) in diervoeders, dierlijke vetten, plantaardige olien/vetten, vetzuren en dergelijke | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
The EU-TGD for new and existing substances: does it predict risk? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Global emission sources and sinks | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Constant tijdbudget voor reizen? Mogelijke oorzaken voor een toename van de gemiddelde tijdbesteding voor reizen | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Experiences with fertilizer taxes in Europe | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Land-use impacts on passenger transport: a comparison of Dutch scenario studies | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Nationale Atlas Volksgezondheid | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Beleidsinstrumenten en energiebesparing door bedrijven | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Immunisation status of children adopted from China | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
De resultaten voor de niet CO2 broeikasgassen van het project 'Referentieraming energie en broeikasgassen' dat door RIVM en ECN is uitgevoerd in opdracht van de ministeries van Economische Zaken en Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer worden gepresenteerd. Er wordt een schatting gegeven van de emissie van niet - CO2 broeikasgassen in Nederland in 2010. Emissie bronnen en trends tot 2000 zijn geanalyseerd, en toekomstige ontwikkelingen van de economie zijn opnieuw ingeschat. De nieuwe raming van de emissie van de niet - CO2 broeikasgassen is vergeleken met eerdere ramingen die zijn gebruikt voor het nationale klimaatbeleid. Tevens zijn de emissiereductie effecten van het voor 1 juli vastgestelde klimaatbeleid ingeschat. De resultaten dienen ter ondersteuning van de tussentijdse evaluatie in 2002 van het klimaatbeleid zoals aangekondigd in de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid (1999).
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Het rapport presenteert de resultaten van het project 'Referentieraming energie en broeikasgassen' dat door RIVM en ECN is uitgevoerd in opdracht van de ministeries van Economische Zaken en Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. De Referentieraming schat de emissie van broeikasgassen in Nederland in 2010. Emissie bronnen en trends tot 2000 zijn geanalyseerd, en toekomstige ontwikkelingen van de economie en energievoorziening zijn opnieuw ingeschat. De nieuwe raming van de emissie van de broeikasgassen is vergeleken met eerdere ramingen die zijn gebruikt voor het nationale klimaatbeleid. Tevens zijn de emissiereductie effecten van het voor 1 juli vastgestelde klimaatbeleid ingeschat. Bij de analyse is onderscheid gemaakt tussen de CO2 en niet - CO2 broeikasgassen. De resultaten dienen ter ondersteuning van de tussentijdse evaluatie in 2002 van het klimaatbeleid zoals aangekondigd in de Uitvoeringsnota Klimaatsbeleid (1999).
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Experimental and theoretical study on equilibrium partitioning of heavy metals | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Influence of various fish species and nitrosation inhibitors on the intragastic formation of N-nitrosodimethylamine in a dynamic in vitro gastrointestinal model | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Virusverwijdering door kunstmatige infiltratie: basis voor veilig ontwerp | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
De bijdrage van leefstijlfactoren aan de sterfte in Nederland | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Intragastic formation of N-nitrosodimethylamine under realistic, human physiological conditions studied with a dynamic in vitro gastroinestinal model | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
MKZ geen bedreiging voor de volksgezondheid. Transmissie van mond- en klauwzeer via melk- en vleesproducten | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Ontwikkelingen in de leefstijl van de Nederlandse bevolking (1987-1999) en de effecten van preventie | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Forecasting effects of toxicants at the community level: four case studies comparing observed community effects of zinc with forecasts from a generic ecotoxicological risk assessment method | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Ziekenhuisinfecties en risicofactoren op de intensive-careafdelingen van 16 Nederlandse ziekenhuizen; resultaten van surveillance als indicator voor zorgkwaliteit | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Oversterfte aan hart- en vaatziekten bij mannen op Urk | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Nederlandse studie in het kader van herziening van nieuwe Europese zwemwaterrichtlijn | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
A candidate phocid herpesvirus vaccine that provide protection against feline herpesvirus infection | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Patterns of comorbidity and the use of health services in the Dutch population | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Urocanic acid photobiology | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Energiegebruik en emissies door personenvervoer per spoor; beschrijving en toepassing van een 'bottom-up'-berekeningsmethode | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Outer membrane composition of a lipopolysaccharide-deficient Neisseria meningitidis mutant | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
The causes of land-use and land-cover change: moving beyond the myths | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Deze landelijke rapportage besluiten luchtkwaliteit is gebaseerd op rapportages van provincies en gemeenten over het jaar 2000. Het rapport beschrijft de lokale luchtkwaliteit aan de hand van overschrijdingen van grenswaarden voor zwaveldioxide, zwevende deeltjes (zwarte rook), stikstofdioxide, koolstofmonoxide, lood en benzeen. De provincies hebben geen overschrijding van grenswaarden rond inrichtingen op hun grondgebied gerapporteerd. De provincies Utrecht, Noord-Holland en Zuid-Holland rapporteren overschrijdingen van de grenswaarde van stikstofdioxide langs een aantal snelwegen. De provincie Noord-Brabant rapporteert twee overschrijdingen van de grenswaarde van stikstofdioxide langs rijkswegen. Twaalf gemeenten hebben in totaal 50 overschrijdingen van (uitzonderings) grenswaarden gerapporteerd: 22 keer van stikstofdioxide, 23 keer van benzeen, twee keer van zwevende deeltjes en drie keer van koolstofmonoxide.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
De studie gaat over de mogelijke situatie in Zuid-Oost Azie anno 2030 wat betreft voedsel en milieu, en over noodzakelijke beleidsmaatregelen. Vijf mondiale scenario's zijn voor deze regio vergeleken, namelijk: FAO Agriculture Towards 2015/2030; Policy Reform en Market Forces uit concepten voor de derde Global Environment Outlook (GEO-3); de IPCC-scenario's A1B en B1 maar dan geinterpreteerd en uitgewerkt met het IMAGE 2.2 model. De studie noemt op grond van deze vergelijking een aantal mogelijke beleidsmaatregelen om voedselzekerheid in de regio binnen milieugrenzen na te streven. De studie is gericht op gewasproduktie. Die zal in Zuid-Oost Azie vooral worden uitgebreid door intensivering. De analyse van beleidsmogelijkheden is gericht op ASEAN. De studie concludeert dat ASEAN inderdaad mogelijkheden heeft om milieu-overwegingen beter te integreren in het landbouwbeleid. Nauwere samenwerking tussen de landbouw- en milieu-eenheden van ASEAN is belangrijk. Wellicht moet ASEAN een nieuw gemeenschappelijk landbouwbeleid voor de regio formuleren. Mogelijke aspecten daarvan zijn: het ontwikkelen van regionaal toegesneden indicatoren voor landbouw en milieu; efficienter gebruik van kunstmest; beperken van het gebruik van bestrijdingsmiddelen; het beperken, als onderdeel van mondiaal klimaatbeleid, van de emissie van methaan uit de natte rijstbouw; planmatige uitbreiding van landbouwgrond; het tegengaan van landdegradatie; beheerste en nauwkeurig gecontroleerde toepassing van genetisch gemodificeerde gewassen; plattelandsontwikkeling; betere benutting van toekomstige handel in landbouwprodukten door gecoordineerde deelname in besprekingen.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Deze rapportage evalueert de milieu-effectiviteit en de kosten van het onlangs in Bonn bereikte akkoord over het Kyoto Protocol. De evaluatie onderscheidt drie belangrijke fasen in het onderhandelingsproces: de pre-COP 6 versie van het Protocol, het terugtrekken van de VS en het Bonn Akkoord zelf. De evaluatie laat zien dat het Bonn Akkoord zonder de VS tot een emissiereductie van 130 MtC leidt en daarmee net iets onder het niveau van 1990 uitkomen. De milieu-effectiviteit is lager dan in de pre-COP 6 versie van het Kyoto Protocol. Het terugtrekken van de VS heeft verreweg de grootste invloed op deze verminderde milieu-effectiviteit. Vergeleken met het terugtrekken van de VS kunnen de beslissingen in het Bonn Akkoord, met name over sinks, worden gezien als een acceptabele prijs om een politiek akkoord te krijgen. Zonder de VS wordt hot air een dominant probleem en kan zelfs de ontwikkeling van de emissiemarkt ondermijnen. Aangezien de prijs naar nul dreigt te gaan, is het aannemelijk dat de (enige) aanbieder (FSU) marktmacht zal uitoefenen door hetzij volume- of prijscontrole. Het banken van de helft van de FSU hot air zal de milieu-effectiviteit versterken en tegelijk de financi6le opbrengsten voor de FSU en niet-Annex I landen verhogen. Een vrijwillige EU doelstelling om de helft van haar emissiereducties binnenlands te realiseren ondermijnt de ontwikkeling van een internationale emissiemarkt en moet in combinatie met een beperking van het aanbod worden beschouwd. Uiteindelijk is de hertoetreding van de VS de meest veelbelovende strategie om het Kyoto Protocol te versterken. Hoewel het Bonn Akkoord voldoende ruimte biedt zal feitelijke her-toetreding van de VS vooral worden bepaald door de binnenlandse politieke omgeving.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Uit zowel epidemiologische als dierexperimentele studies komen steeds meer aanwijzingen dat de samenstelling van de voeding tijdens de zwangerschap een belangrijke invloed heeft op de vatbaarheid van het nageslacht voor chronische ziekten op latere leeftijd. In deze dierexperimentele studie zijn de effecten van diervoeders met een verschillende samenstelling onderzocht op parameters voor chronische ziekten op volwassen leeftijd. Aan zeven groepen van elk zestien dieren werd een isocalorisch hoog-vet voer gegeven met een verschillende macronutrient- en vetzuursamenstelling vanaf twee weken voor de dracht tot aan het einde van de speenperiode. Op dag 21 van de dracht werd de foetale ontwikkeling onderzocht. Op de leeftijd van 12 weken is een aantal fysiologische en morfologische parameters bepaald. Nageslacht dat in utero en tijdens de speenperiode was blootgesteld aan een laag eiwit voer of een voer rijk in visvetzuren had een significant lager lichaamsgewicht vanaf de geboorte tot aan de leeftijd van 12 weken, ten opzichte van de controlegroep. Het mannelijk nageslacht van dieren van de cocosnootgroep (rijk aan verzadigde vetten) lijkt licht insuline resistent te zijn. Er was echter geen verschil in volume van de eilandjes van Langerhans ten opzichte van de controlegroep. Ondanks significant kleinere eilandjes van Langerhans en de aanwezigheid van minder grotere eilandjes in de pancreas bij 12-weken oude dieren uit de laag eiwit groep verschilde deze groep niet van de controlegroep in glucose- of insuline respons na een orale glucose load. De immuunfunctie en systolische en diastolische bloeddruk in het nageslacht op volwassen leeftijd leek niet te worden beinvloed door de samenstelling van de maternale voeding in utero en tijdens spenen Concluderend kan worden gezegd dat de samenstelling van de voeding tijdens de dracht en de vroege postnatale periode de postnatale ontwikkeling van het nageslacht beinvloedde, hetgeen bleek uit veranderingen in zowel morfologische als fysiologische parameters.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Er is de laatste jaren kritiek geweest op de werkwijze van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ). IGZ heeft diverse initiatieven genomen om in de situatie verbetering te brengen. In dat kader is aan het RIVM gevraagd een beredeneerd en bij voorkeur 'data-driven' model te ontwikkelen wat als basis kan dienen voor de toezichtstrategie van IGZ, kortweg een 'risicomodel'. Dit model zou handvatten moeten bieden om te bepalen waar, op wie, met welke frequentie en in welke vorm toezicht gehouden moet worden. De ontwikkeling en uitwerking van dit model is vormgegeven als een gezamenlijk traject van IGZ en RIVM en omvat drie fasen. Onderhavig rapport geeft de resultaten van het in deze eerste fase door het RIVM uitgevoerde onderzoek waarin een eerste versie van het risicomodel is opgesteld aan de hand van literatuuronderzoek. Daarnaast zijn informatiebronnen ge6nventariseerd om een eerste inschatting te maken van hun inpasbaarheid/ bruikbaarheid in het risicomodel. Het huidige rapport is uitdrukkelijk een startdocument. Terwijl in de eerste fase vooral sprake was van 'desk research', zal in de volgende fasen juist de discussie met de actoren in het veld een belangrijk element zijn.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport wordt de haalbaarheid van het construeren van longitudinale zorgprofielen door middel van een koppeling van bestaande registratiesystemen (Landelijk Informatie Netwerk Huisartsen (LINH), de Landelijk Medische Registratie (LMR) en de Landelijke Ambulante Zorg Registratie (LAZR)) onderzocht. Aanbevelingen van eerder uitgevoerde pilot-koppeling door Delnoij e.a. zijn in het huidige onderzoek meegenomen. De koppeling is uitgevoerd voor een selectie van huisartspatienten die verwezen zijn voor Diabetes Mellitus, Astma, Chronic Obstructive Pulmonary Disease en coronaire hartziekten. Voor 63% van de patienten kon een of meerdere inhoudelijk terechte koppelingen van huisartsgegevens aan ziekenhuisgegevens worden gerealiseerd. 8% (n= 326) heeft betrekking op een dagbehandeling, 33% (n=1.348) op een poliklinisch consult en 59% (n=2.434) op een klinische opname. Deze koppeling laat zien dat het technisch mogelijk is om longitudinale zorgprofielen te construeren op basis van secundaire data, indien gekoppeld kan worden met de variabelen geboortedatum, geslacht en 4-cijferige postcode van de patient. Aangezien de koppeling geen tot de persoon herleidbare gegevens bevat en als zodanig niet onder de Wet Persoonsregistratie valt, is dit koppelingsproject wettelijk toegestaan.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Avian effects assessment: a framework for contaminant studies | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
39-Week oral carcinogenicity study with cyclosporin A in XPA-/- mice, wild type mice, and XPA-/-, p53+/- double transgenic mice | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Quantification of persistence in soil, water, and sediments | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Bordetella pertussis infection - pathogenesis & antibody - mediated protection - | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Past and future exceedances of nitrogen critical loads in Europe | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Dietary quality, lifestyle factors and healthy ageing | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
The EU guideline on classification and labelling of substances toxic to reproduction | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Case study 5: foliar insecticide II | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
The effect of heterozygous loss of p53 on chemically induced mutations and tumors in DNA repair-deficient XPA mice | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Hepatitis E virus sequences in swine related to sequences in human, the Netherlands | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Farmacologie | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
DNA repair-deficient Xpa and Xpa-p53+/- knock-out mice: nature of the models | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
De westerse levensstijl zet afweersysteem op het verkeerde been | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Pulegone and related substances | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
The XPA-/- and XPA-/-.p53+/- knockout mouse models for short-term carcinogenicity testing | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Mycotoxins: detection, reference materials and regulation | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
The 'Purple Book': guideline for quantitative risk assessment in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Development of environmental emission scenarios for biocides in the EUBEES project | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Concurrent positive control studies with p-cresidine and 2-AAF in wild-type, XPA-/-, and XPA-/-, p53+/- mice | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Persistence and transport potential of chemicals in a multimedia environment | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Xpa and Xpa-p53+/- knockout mice: overview of available data | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Risk assessment of mycotoxins and food safety | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Application of a methodology to validate atmospheric dispersion models | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Case study 2: seed treatment | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Calculation of human exposure: an international comparison of exposure model variability | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Evaluation of persistence and long-range transport of organic chemicals in the environment | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Design and interpretation of avian effects studies | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Sources of uncertainty in avian effects assessment | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Case study 3: granular insecticide | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
A 1x1 resolution data set of historical anthropogenic trace gas emissions for the period 1890-1990 | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Levels of certain metals, organochlorine pesticides and dioxins in cord blood, maternal blood, human milk and some commonly used nutrients in the surroundings of the Aral Sea (Karakalpakstan, Republic of Uzbekistan) | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Public subsidies and policy failures | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Mycotoxins and phycotoxins in perspective at the turn of the millennium. Proceedings of the 10th international IUPAC symposium, May 2000, Guaruja, Brazil | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Human health and ecological considerations in contaminated land management | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Statistical issues in avian toxicity testing | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Occurrence of N-nitrosodiethanolamine (NDELA) in cosmetics from the Dutch market | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Land cover change over the last three centuries due to human activities | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Determination of fumonisins B1 and B2 in corn based foodstuffs by high performance liquid chromatography with immunoaffinity clean-up in house and interlaboratory validation | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
D-tagatose | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Health effects of nitrates and nitrites, a review | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Conceptual and technical outlook on species sensitivity distributions | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Ecotoxicological impacts in life cycle assessment | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Early respiratory and skin symptoms in relation to ethnic background: the importance of socioeconomic status; the PIAMA study | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Environmental risk limits in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Ontwikkelingen op het gebied van hoorhulpmiddelen | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Probabilistic environmental risk assessment for dibutylphthalate (DBP) | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Blootstelling van de Nederlandse bevolking aan ioniserende straling door antropogene bronnen en natuurlijke radionucliden in het lichaam | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
A probabilistic human health risk assessment for environmental exposure to dibutylphthalate | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Mapping risks of heavy metals to birds and mammals using species sensitivity distributions | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Griepvaccins beter bewaren | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
General introduction to species sensitivity distributions | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Ruimtelijke blik op UV aan de grond | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
The value of the species sensitivity distribution concept for predicting field effects: (non)-confirmation of the concept using semifield experiments | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Toxicity-based assessment of water quality | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Ecotoxicological risk assessment of pesticide residues | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Pbserved regularities in species sensitivity distributions for aquatic species | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Blootstelling van de Nederlandse bevolking aan externe straling vanuit de omgeving | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Inventarisatie van milieu-gerelateerde ziekteclusters | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Species sensitivity distributions in ecotoxicology | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Issues and practices in the derivation and use of species sensitivity distributions | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
A consistent two-mutation model of lung cancer for different data sets of radon-exposed rats | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Meten van ecologische kwaliteit van bodem | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Het belang van modelecosysteem-studies als schakel in het beleidsonderbouwend onderzoek | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Blootstelling van de Nederlandse bevolking aan radon | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Modeling lifetime and degradability of organic compounds in air, soil and water systems | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Coordinated effects monitoring and modelling for developing and supporting international air pollution control agreements | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Risk assessment practices in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Newborn screening for congenital adrenal hyperplasia in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Berekening van de longkankerincidentie in Nederland door roken en blootstelling aan radon: implicaties voor het effect van radon | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Microwave assisted solvent extraction and coupled-column reversed-phase liquid chromatography with UV detection. Use of an analytical restricted-access-medium column for the efficient multi-residue analysis of acidic pesticides in soils | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Development of clenbuterol reference materials: lyophilized bovine eye samples free of clenbuterol (CRM 673) and containing clenbuterol (CRM 674). Part 2: Certification | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Health care utilization among rheumatoid arthritis patients referred to a rheumatology center: Unequal needs, unequal care? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Een nieuwe risicobeoordeling voor minerale olie | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Roles of interleukin-6 and macrophage inflmmatory protein-2 in pneumolysin-induced lung inflammation in mice | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Mazelenepidemie in Nederland, 1999-2000 | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Existing guidelines for the use of meat hormones and other food additives in Europe and USA | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Dual-substrate utilization by Bordetella pertussis | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
European history of species sensitivity distributions | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Multi-stress in het landelijk gebied | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Epidemiologic associations between occupational and environmental exposures and autoimmune disease: Report of a meeting to explore current evidence and identify research needs | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Effects assessment of fabric softeners: The DHTDMAC case | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
The potentially affected fraction as a measure of ecological risk | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Extrapolation factors for tiny toxicity data sets from species sensitivity distributions with known standard deviation | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Environmental quality standards: endpoints or triggers for a tiered ecological effect assessment approach? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Normal species sensitivity distributions and probabilistic ecological risk assessment | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Availability of Polychlorinated Biphenyls (PCBs) and Lindane for uptake by intestinal Caco-2 cells | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Human leucocyte antigen supertypes and immune susceptibility to HIV-1 implications for vaccine design | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Detection of pathogenic Yersinia enterocolitica by rapid and sensitive duplex PCR assay | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Development of clenbuterol reference materials: lyophilized bovine eye samples free of clenbuterol (CRM 673) and containing clenbuterol (CRM 674). Part 1. Preparation, homogeneity and stability | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Moeten naalden van de hyfrecator na gebruik gesteriliseerd worden? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Pneumococcal conjugate vaccines overcome splenic dependency of antibody response to pneumococcal polysaccharides | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Structure-specificity relationships for haloalkane dehalogenases | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Modelling the sewage discharge and dispersion of Cryptosporidium and Giardia in surface water | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
High IL-13 production by human neonatal T cells: neonate immune system regulator? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
The DNA damage signal for Mdm2 regulation, Trp53 induction, and sunburn cell formation in vivo originates from actively transcribed genes | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Estimation of measles reproduction ratios and prospects for elimination of measles by vaccination in some Western European countries | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Influence of ultraviolet B exposure on immune responses following hepatitis B vaccination in human volunteers | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Validation of ISO method 11290 part 2. Enumeration of Listeria monocytogenes in foods | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Fc receptor-mediated immunity against Bordetella pertussis | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Estimating the magnitude of STD cofactor effects on HIV transmission. How well can it be done? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Penicillin and clindamycin differentially inhibit the production of pyrogenic exotoxins A and B by group A streptococci | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Natuurbalans 2001: behoud van natuur en landschap vraagt meer samenhang in beleid | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Cloud effective particle size and water content profile retrievals using combined lidar and radar observations. 2. Comparison with IR radiometer and in situ measurements of ice clouds | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Correlates of infection and protection: exploring the boundary between immunology and medical microbiology | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Epidemiology of Cryptosporidium spp. and Giardia duodenalis on a dairy farm | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
'Protective nutrients' and up-to-date dietary recommendations | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Een natte bio-droom | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
MRSA surveillance in Dutch hospitals in 1998 and 1999: an overview | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Serum bactericidal activity and isotype distribution of antibodies in toddlers and schoolchildren after vaccination with RIVM hexavalent PorA vesicle vaccine | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Large outbreak of Norwalk-like virus in ministry staff in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Trends in total and high density lipoprotein cholesterol and their determinants in The Netherlands between 1993 and 1997 | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Temporal nucleotide changes in pertactin and pertussis toxin genes in Bordetella pertussis strains isolated from clinical cases in Poland | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Relation between blood pressure and mortality: is there a treshold? [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
International surveillance of antimicrobial resistance in Europe: now we also need to monitor antibiotic use | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Role of the polymorphic region 1 of the Bordetella pertussis protein pertactin in immunity | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
UV-induced DNA damage, repair, mutations and oncogenic pathways in skin cancer | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Transmission of Mycobacterium tuberculosis depending on the age and sex of source cases | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Outbreak of syphilis in Rotterdam, the Netherlands | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Laboratory capability in Europe for foodborne viruses | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Poliovirus circulation among schoolchildren during the early phase of the 1992-1993 poliomyelitis outbreak in The Netherlands | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Tobramycin-containing bone cement and systemic cefazolin in a one-stage revision. Treatment of infection in a rabbit model | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Hormonen in water. Vervrouwelijkt de Nederlandse man? | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
MRSA surveillance in Dutch hospitals in 2000 | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Trichinella infections in Dutch wild animals: potential risk to humans | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Tijdens een korte workshop over het begrip kwaliteit werd het begrip (omgevings)kwaliteit vanuit vier perspectieven (gezondheidszorg, sociaal-psychologisch, sociaal-cultureel en milieukunde) toegelicht. De belangrijkste uitkomsten van de discussie naar aanleiding van de presentaties waren de constatering dat er een kloof bestaat tussen theorie (te abstract) en praktijk (te zeer data-gestuurd). Verder werd bij het begrip omgevingskwaliteit van belang geacht een duidelijk onderscheid te handhaven tussen subjectieve (ervaren omgevingskwaliteit) en objectieve (telbaar, meetbaar) aspecten. Ook werd gewezen op het belang van een beleidsdoelanalyse (welk(e) doel(en) moet het begrip dienen). Slotconclusie was de constatering dat eenduidige begrips- en operationele definitie van (omgevings)kwaliteit nog steeds ontbreekt. In het najaar van 2001 wordt een vervolg op deze workshop georganiseerd. Deze workshop zal zich meer toespitsen op de kwaliteit van de leefomgeving waarbij naast gezondheid en milieu andere invalshoeken aan bod zullen komen.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
In het kader van het onderzoeksprogramma Monitoring Voeding van het RIVM wordt informatie verzameld over de blootstelling van de bevolking aan voedselcomponenten die de gezondheid van de mens in gunstige of in ongunstige zin kunnen beinvloeden. In deze notitie wordt voorgesteld welke chemische componenten in de voeding de komende jaren prioriteit verdienen in het monitoringsprogramma. In toekomstige monitoringsprogramma's moet een betere balans worden aangebracht in de aandacht gericht op positieve en negatieve aspecten van de voeding, waarbij prioriteit moet worden gegeven aan stoffen en productgroepen in de voeding die (positief en negatief) geassocieerd zijn met veel voorkomende ziekten. De gegevens van de voedselconsumptiepeilingen geven een goed beeld van de inneming van voedingsstoffen en voedingsmiddelengroepen van de Nederlandse bevolking. Mits de voedselconsumptiepeilingen ook in de toekomst voortgezet worden, hoeft het RIVM niet zelf gegevens te verzamelen in het kader van monitoring Gezonde Voeding. Een uitzondering hierop betreft de natriuminneming. Het wordt aanbevolen dat het RIVM de inneming van natrium blijft monitoren, aangezien de voedselconsumptiepeilingen hiervoor niet geschikt zijn. Voor non-nutritieve factoren is monitoring vooralsnog niet nodig, omdat hun rol bij gezondheid en ziekte nog nader onderzocht moet worden. Ditzelfde geldt voor voedingssupplementen, verrijkte voedingsmiddelen en "functional foods". Voor sommige natuurlijke toxinen, met name de myco- en fytotoxinen (m.u.v. aflatoxine, DON en ochratoxine A) zijn nauwelijks blootstellingsgegevens voorhanden, zodat monitoring op dit gebied gewenst is. Voor een aantal andere groepen gezondheidsbedreigende bestanddelen zoals dioxinen, dibenzofuranen en PCB's, PAK's en zware metalen is handhaving van de bestaande monitoringsactiviteiten voldoende voor het verdere terugdringingsbeleid. Voor aflatoxine en de illegale bestrijdingsmiddelen kunnen monitorings-inspanningen worden teruggebracht tot het voor instandhouding van de expertise noodzakelijke minimum. Voor toekomstige monitoringsactiviteiten van het RIVM die gebaseerd zijn op directe methodes (duplicaat-voedingsonderzoek en market basket studies) kan a priori kennis ontleend worden aan de voedselconsumptiepeilingen. Het is dan ook belangrijk dat de voedselconsumptiepeilingen in de toekomst gecontinueerd worden met het frequent verzamelen van voedselconsumptiegegevens op individueel niveau in grote representatieve steekproeven van de Nederlandse bevolking.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport presenteert de resultaten van de in 2000 uitgevoerde metingen van de chemische samenstelling van neerslag in Nederland. De metingen zijn uitgevoerd op vierwekelijkse monsters verkregen uit het Landelijk Meetnet Regenwatersamenstelling. Op 15 stations werden monsters verzameld voor analyse op hoofdcomponenten en op anorganische microcomponenten (zware metalen). In de monsters van de hoofdcomponenten werden de concentraties van vrij zuur (hydronium/waterstofcarbonaat), natrium, kalium, calcium, magnesium, fluoride, chloride, nitraat, sulfaat en fosfaat bepaald. Voorts werden van deze monsters de geleidbaarheid en de pH bepaald. De monsters voor zware metalen werden geanalyseerd op arseen, cadmium, chroom, kobalt, koper, lood, nikkel, ijzer, vanadium en zink. Daarnaast werden op een station aparte monsters verzameld voor analyse op het bestrijdingsmiddel lindaan (gamma-HCH) en kwik.
Jaar: 2002
Onderzoek
Documenten: 1
Use of semi-permeable membrane devices and solid-phase extraction for the wide-range screening of microcontaminants in surface water by GC-AED/MS | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek
Occurrence and levels of indicator bacteriophages in bathing waters throughout Europe | RIVM
Jaar: 2002
Onderzoek