City parks, perception and urban value | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Barriers in using cardiometabolic risk information among consumers with low health literacy | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Derivation of water quality standards for carbamazepine, metoprolol and metformin and comparison with monitoring data | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Evaluation of patients with community-acquired pneumonia caused by zoonotic pathogens in an area with a high density of animal farms | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Strengthening sense of coherence: opportunities for theory building in health promotion | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Lessen over ebola voor de toekomst | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Een voedsel gerelateerde uitbraak van Salmonella Heidelberg op kinderdagverblijven | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Ebola en werknemersgezondheid | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Seksueel overdraagbare aandoeningen, waaronder hiv, in Nederland in 2014 | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Transmissie en persistentie van diergerelateerde MRSA bij dierenartsen en hun huisgenoten | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Transmissie van Mycobacterium bovis tussen mens en dier | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Ebola en de reinigingsrichtlijn | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Een mogelijke ebolapatient in de praktijk | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Overzicht van de consultaties over mogelijke ebolapatienten in Nederland | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Sint Maarten: chikungumyasurveillance en haalbaarheid van een cohortstudie | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Melding op tijd of te laat? Terugkoppelingsrapportages aan GGD hebben meerwaarde | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Ebola en asielzoekers | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Wie raadpleegde de LCI in 2014 en waarover? | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Ebolavaccinstudies: een race tegen de klok? | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Het RIVM heeft de eetgewoonten van Amsterdammers van Marokkaanse, Turkse, Surinaamse en Nederlandse afkomst in kaart gebracht. De eetgewoonten van deze groepen verschillen. Zo houden Surinaamse, Turkse en Marokkaanse Nederlanders bij het eten rekening met voedingsvoorschriften vanuit het geloof, zoals minder gebruik van alcoholische dranken. Deze bevolkingsgroepen eten ook vaak traditionele producten, zoals Surinaamse groentesoorten als bitawiri en kousenband, ayran (Turkse yoghurtdrank) en Turks of Marokkaans brood. Verder eten Surinamers vaker vegetarisch zonder vis of veganistisch. Turken eten doorgaans meer fruit dan autochtone Nederlanders. Surinamers en Marokkanen consumeren relatief minder ongezonde (verzadigde) vetten. Door de andere keuze van voedingsmiddelen krijgen de niet-westerse groepen gemiddeld genomen minder voedingsvezel, calcium, vitamine A binnen en de vrouwen onder hen minder vitamine B1. Daarnaast krijgen Surinamers minder ijzer en magnesium binnen. Een voeding met onder andere meer volkorenproducten, groente, fruit, zuivelproducten en smeer- en bereidingsvetten draagt bij aan een hogere inname van deze voedingsstoffen. Of de lagere innames ontoereikend zijn of de gezondheid schaden, kon in het onderzoek niet worden bepaald. In de niet-westerse bevolkingsgroepen komt overgewicht en obesitas meer voor (60-70 procent) dan onder autochtone Nederlanders (35 procent). Ook is het percentage dat voldoende lichaamsbeweging heeft lager (66-40 procent) dan onder de autochtone Nederlanders (75 procent). Deze bevindingen bevestigen eerdere resultaten van de GGD Amsterdam hiernaar. Dit is de eerste grootschalige studie die inzicht geeft in de voeding van zowel Nederlanders met een Surinaamse, Turkse en Marokkaanse afkomst als autochtone Nederlanders. Het onderzoek is in samenwerking met het Amsterdam Medisch Centrum (AMC) uitgevoerd. Een gezond voedingspatroon helpt chronische ziekten en overgewicht voorkomen. De resultaten kunnen worden gebruikt om gericht voedingsvoorlichtingsmaterialen te ontwikkelen voor de onderzochte niet-westerse bevolkingsgroepen.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Ziekenhuizen en andere instellingen gebruiken laboratoriumtesten om medische diagnoses te kunnen stellen, bijvoorbeeld door onderzoek van bloed of urine. De diagnostische laboratoria kunnen hiervoor zogeheten in-vitro diagnostica (IVD's) gebruiken die commercieel verkrijgbaar zijn. Deze laboratoria ontwikkelen ook zelf diagnostische testen, de zogeheten in-huis ontwikkelde IVD's. Bijvoorbeeld voor zeldzame aandoeningen waarbij het voor een fabrikant niet rendabel is om een test op de markt te brengen. De commercieel verkrijgbare testen zijn medische hulpmiddelen en moeten aan wettelijke eisen voldoen voordat ze op de Europese markt mogen worden toegelaten; de in-huis ontwikkelde IVD's hoeven dat niet. Het RIVM heeft in opdracht van IGZ onderzocht hoeveel in-huis ontwikkelde testen er worden gebruikt en of de kwaliteit van de testen voldoende wordt gewaarborgd. Daaruit blijkt dat ruim 1200 van deze testen worden gebruikt door 80 van de 122 laboratoria van ziekenhuizen en andere instellingen die aan het onderzoek hebben meegedaan. De testen worden soms ook voor andere partijen uitgevoerd, bijvoorbeeld voor andere ziekenhuizen als zij niet zelf de benodigde kennis of apparatuur in huis hebben. Er blijkt veel aandacht te zijn voor de kwaliteitsbewaking bij de ontwikkeling en bij het gebruik van de testen. Bijna alle testen zijn opgenomen in het kwaliteitssysteem van het laboratorium waar ze worden gebruikt, waardoor wordt gewaarborgd dat de test de juiste uitslag geeft. Het kwaliteitssysteem voldoet bovendien aan de geldende richtlijn en norm.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Nanotechnologie wordt steeds meer gebruikt voor medische hulpmiddelen. Talrijke medische disciplines profiteren van de innovaties die nanotechnologie mogelijk maakt. Ook neemt de kennis over hoe je de veiligheid van nanotechnologie moet beoordelen toe. Recente wetenschappelijke leidraden geven aan waarop moet worden gelet als nanotechnologie wordt gebruikt bij de fabricage van een medisch hulpmiddel. Kennis en leidraden vormen daarmee een goede basis om de risicobeoordeling van nanomedische hulpmiddelen uit te voeren. Dit blijkt uit een overzicht van het RIVM van het gebruik van nanotechnologie voor medische hulpmiddelen. Een van de belangrijkste trends is het gebruik van nanocoatings op allerlei implantaten. Hierdoor integreert het implantaat beter met het omliggende weefsel, wat de kans op afstoten of complicaties verkleint. Onder andere de cardiologie (coating op stents), orthopedie (coatings op heupimplantaat) en tandheelkunde (tandheelkundige implantaten) profiteren hiervan. Verder worden antimicrobiële eigenschappen van nanomaterialen gebruikt in coatings, voor wondverzorging en medisch textiel. Nanomaterialen kunnen ook natuurlijke weefsels nabootsen. Met behulp van nanotechnologie kunnen bij implantaten optimale biologische, fysische en mechanische eigenschappen worden gerealiseerd. Een derde trend hangt samen met de elektrische en magnetische eigenschappen van nanomaterialen. Deze worden vooral gebruikt in medische hulpmiddelen voor neurologie en cardiologie, bijvoorbeeld om hartritmestoornissen beter te verhelpen. Ook kunnen batterijen met een langere levensduur worden ontwikkeld voor implantaten. Een specifieke toepassing van nanotechnologie is oncologie. Voorbeelden zijn testen om kanker vroegtijdig op te sporen en hulpmiddelen om de grenzen te bepalen van tumoren of uitzaaiingen te detecteren tijdens een chirurgische ingreep. Ook kunnen nanomaterialen door lokale temperatuurverhogingen het effect van chemotherapie of bestraling versterken, of zelfs direct tumorcellen doden. Net als bij alle medische producten moet de risicobeoordeling van nanomedische hulpmiddelen per product worden uitgevoerd. De kans dat een nanomateriaal vrij beschikbaar komt in het lichaam, bepaalt hoe diepgaand de 'nano' risicobeoordeling moet zijn.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Is de informatie over infectieziekten op Wikipedia vergelijkbaar met de informatie in de LCI-richtlijnen? | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Het aantal patiënten met tuberculose in Nederland neemt sinds 1994 gestaag af. In 2014 zijn 823 patiënten met tuberculose geregistreerd. Als tuberculose in de longen zit, kan het besmettelijk zijn maar dat hoeft niet. De meest besmettelijke vorm (open tuberculose) kwam in 2014 voor bij 201 patiënten. Bijna driekwart van het totale aantal tbc-patiënten in Nederland komt uit gebieden waar deze bacteriële infectieziekte veel voorkomt, zoals delen van Afrika en Azië. De grootste groep patiënten is, net als voorgaande jaren, afkomstig uit Somalië (105), gevolgd door Marokko (82) en Eritrea (53). Dit blijkt uit de cijfers over 2014. Het RIVM rapporteert deze cijfers jaarlijks, in aansluiting op het doel van de WHO om tuberculose wereldwijd te elimineren. Tuberculose en hiv Een infectie met hiv verhoogt het risico op tbc én tbc is vaak het eerste teken van een hivinfectie. Het is daarom belangrijk om een hiv-infectie zo vroeg mogelijk vast te stellen en te behandelen. Bij 48 procent van de tbc-patiënten is onbekend of zij met hiv besmet zijn. Het percentage tbc-patiënten dat getest werd op hiv steeg van 28 in 2008 naar 57 in 2013. Het percentage tbc-patiënten dat hiv-positief bleek, daalde de laatste tien jaar in Nederland van 4 naar 2,8 in 2014. Multiresistentie Wanneer de tbc-bacterie ongevoelig is voor bepaalde medicijnen, is sprake van resistente tuberculose. Bij multiresistentie is resistentie ontstaan tegen meerdere soorten medicijnen. In Nederland komt dit nog maar weinig voor: het aantal patiënten met multiresistente tuberculose schommelde de laatste vijf jaar tussen de tien en de twintig. In 2014 waren het er zes, allen geboren in het buitenland. Resultaat van de behandeling Om tuberculose te behandelen moeten patiënten een langere periode (vaak zes maanden of meer) tegelijkertijd verschillende medicijnen innemen. De cijfers van 2014 zijn nog niet bekend op het moment dat deze rapportage uitkomt. Van de tbc-patiënten uit 2013 zonder enkele vorm van resistentie voltooide 91 procent de behandeling met succes. Dit is een zeer goed resultaat.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft geïnventariseerd welke nieuwste medische technieken met straling in opkomst zijn, welke daarvan nog experimenteel zijn en welke al in de praktijk worden gebruikt. Het gaat om technieken die gebruikmaken van ioniserende en niet-ioniserende straling. Beide soorten worden zowel voor diagnostiek als behandelingen ingezet. Met de nieuwe technieken kan meer informatie worden ingewonnen, zodat een verfijndere diagnose en een effectievere behandeling kunnen worden geboden. Daarnaast kunnen ze met minder straling hetzelfde of een beter 'beeld' maken zodat de patiënt aan minder straling blootstaat. De rapportage is een update van een inventarisatie uit 2011 en is in opdracht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) uitgevoerd. Hiervoor is een literatuurstudie uitgevoerd en is op basis van ervaringen van deskundigen in kaart gebracht welke technieken in Nederland inmiddels hun weg naar de praktijk hebben gevonden. Voorbeelden van medische technieken die gebruikmaken van ioniserende straling zijn röntgenfotografie en CT (computertomografie), waarmee beelden van de inwendige mens worden gemaakt. Een nieuwe ontwikkeling hierin betreft het gebruik van de golfeigenschappen van de röntgenstraling om meer informatie uit de röntgendata te halen. Daarnaast zijn technieken om de hoeveelheid straling te verminderen sterk in opkomst. Het gaat hierbij vooral om zogeheten buisstroommodulatie, waarbij de straling aangepast wordt aan de omvang van het te bestralen lichaamsdeel. De nieuwste ontwikkeling op het gebied van radiotherapie is beeldvorming tijdens de bestraling (met MRI). Door deze combinatie kunnen tumoren die niet op een vaste plek zitten gerichter worden bestraald. Protonentherapie, waarmee tumoren preciezer kunnen worden behandeld, is al een tijd in opkomst en zal binnenkort in Nederland beschikbaar zijn. Voorbeelden van technieken die met niet-ioniserende straling werken zijn elektromagnetische velden (bijvoorbeeld MRI) en optische technieken. Behalve verbeteringen van de MRI is compacte apparatuur in opkomst die gebruikmaakt van zwakke elektromagnetische velden om een beeld te krijgen van huid en bloedvaten. Een andere ontwikkeling is het toenemende gebruik van draadloze technieken om camera's en (medicijn)implantaten aan te sturen. Voor optische beeldvorming worden steeds vaker infrarode straling en inwendige technieken gebruikt.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Na een (grootschalig) incident met gevaarlijke stoffen kunnen onrust, gezondheidsklachten en vragen over de gezondheid ontstaan bij de bevolking. Het is van belang om hier snel en uniform op te reageren. Daarvoor kan het meerwaarde hebben om de bevolking op locatie gezondheidskundige ondersteuning aan te bieden, als aanvulling op reguliere werkzaamheden vanuit de bestaande zorg. Dat blijkt uit een evaluatie van de gezondheidskundige ondersteuning op locatie die is opgezet na de brand bij Chemie-Pack in Moerdijk in januari 2011. Deze vorm van ondersteuning op locatie is altijd maatwerk. Per casus kan gekeken worden hoe groot de inzet moet worden. De ondersteuning kan heel beperkt van omvang zijn, bijvoorbeeld door alleen een telefoonlijn open te stellen. Maar ze kan ook worden opgeschaald tot een groot operationeel centrum, bijvoorbeeld om lokale medische faciliteiten te ondersteunen. In Moerdijk bijvoorbeeld kreeg de ondersteuning de vorm van een gezondheidskundige unit op het bedrijventerrein die twee weken operationeel is geweest. De GGD kan zelf afwegen of de aanvullende gezondheidskundige ondersteuning op locatie moet worden ingezet en welke vorm het meest geschikt is. Indien gewenst kan de GGD hierover advies inwinnen bij het centrum Gezondheid en Milieu van het RIVM. Dit centrum kan op zijn beurt een beroep doen op een breed scala aan deskundigen die zijn verbonden aan de Expertgroep Gezondheidsonderzoek en Nazorg na rampen en (milieu-) incidenten. Deze Expertgroep geeft een afgewogen en onafhankelijk advies over het nut en de noodzaak van een gezondheidsonderzoek en over de psychosociale hulpverlening na incidenten. Het is altijd een regionale afweging om het advies van de Expertgroep over te nemen.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
De afgelopen jaren zijn er veel apps voor het gebruik van medicijnen beschikbaar gekomen, voor zowel professionals als burgers. In hoeverre deze apps worden gewaardeerd, hangt vooral af van het gebruiksgemak. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM onder gebruikers van apps die voor diabetici en anesthesiologen zijn ontwikkeld. Beide groepen gebruikers ervaren veel voordelen en weinig nadelen bij het gebruik. Het grootste voordeel is dat informatie snel en up-to-date beschikbaar is. Gezondheidswinst en verbeterde zelfredzaamheid (voor mensen met diabetes) zijn andere voordelen. De mate waarin de apps worden gebruikt door de onderzochte doelgroepen, loopt sterk uiteen. De ondervraagden geven aan gezondheidsapps niet te gebruiken als ze tijdrovend of niet handig in het gebruik zijn of onbetrouwbaar lijken. Gebruikers maken zich niet zozeer zorgen over zaken als privacy van hun gegevens en de kwaliteit van de app. Voor professionals als doelgroep onderzocht het RIVM het gebruik van apps onder anesthesiologen tijdens hun werk. Ze worden veel gebruikt, vooral om doseringen te berekenen, een keus te maken in de anesthetica en om te checken of het gekozen middel matcht met andere medicijnen die de patiënt gebruikt. Voor burgers als doelgroep is bekeken hoe diabetici apps gebruiken die hen ondersteunen bij het reguleren van hun bloedglucoseniveaus. De intensiteit van het gebruik was heel anders: dit type apps wordt slechts door ongeveer een derde van de ondervraagde mensen met diabetes gebruikt. Degenen die aangeven geen apps te gebruiken, weten vaak niet dat dergelijke apps bestaan, maar zijn er in principe wel in geïnteresseerd. Een goede instructie over het gebruik en een garantie op betrouwbaarheid zijn voorwaarden om ze te gaan gebruiken. Degenen die de apps wel gebruiken, zijn erg positief over het nut ervan.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Biokinetics of chlorpromazine in primary rat and human hepatocytes and human HepaRG cells after repeated exposure | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
The influence of chitosan on the oral bioavailability of acyclovir--a comparative bioavailability study in humans | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Individual and regional-level factors contributing to variation in length of stay after cerebral infarction in six European countries | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Manifestations of integrated public health policy in Dutch municipalities | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Inoculation of mice with avian blaCTX-M-1- or blaCMY-2-carrying Escherichia coli strains does not lead to long-term colonization | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Towards a landscape scale management of pesticides: ERA using changes in modelled occupancy and abundance to assess long-term population impacts of pesticides | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Health care costs attributable to overweight calculated in a standardized way for three European countries | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Continuous-time semi-Markov models in health economic decision making: an illustrative example in heart failure disease management | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Omwonenden van veehouderijen hebben minder vaak allergie, astma en chronische luchtwegaandoeningen (COPD) dan mensen op grotere afstand. Maar COPD-patiënten die in de buurt van veehouderijen wonen, hebben vaker problemen van de luchtwegen dan mensen met COPD die elders wonen. Ze hebben vaker last van bijvoorbeeld luchtweginfecties, longontsteking en een piepende ademhaling. Ook gebruiken ze meer medicijnen. Dit verband wordt sterker, als er meer veehouderijen zijn in de woonomgeving. Verder zijn er aanwijzingen dat omwonenden van pluimveebedrijven vaker longontsteking hebben. Dat blijkt uit een overzicht van de beschikbare kennis over wonen nabij de veehouderij. Dit onderzoek is een update van een literatuurstudie uit 2008; sindsdien zijn meer gegevens gepubliceerd en is ook in Nederland onderzoek gedaan onder omwonenden. In tegenstelling tot de meeste eerder uitgevoerde studies zijn daarbij niet alleen zelfgerapporteerde klachten meegenomen, maar ook gegevens van huisartsen. Bovendien zijn in de leefomgeving stoffen en micro-organismen gemeten om zo een indruk te krijgen van de mate waarin omwonenden eraan blootgesteld staan. De laatste jaren is er veel belangstelling voor het verband tussen de blootstelling aan endotoxinen en gezondheidsklachten. Endotoxinen zijn onderdelen van bacteriën waaraan zowel schadelijke als beschermende effecten voor de gezondheid worden toegeschreven. Ook wordt veel gekeken naar de rol van fijnstof bij klachten in de omgeving van veehouderijen. Deze rol is niet helemaal duidelijk, omdat kennis over effecten van fijnstof vooral is gebaseerd op onderzoek in stedelijke omgevingen. De samenstelling van het fijnstof daar, vooral afkomstig van wegverkeer, is gedeeltelijk anders dan die op het platteland, Hierdoor kunnen de risico's voor de gezondheid verschillen. In deze literatuurstudie is ook gekeken naar gezondheidseffecten van diverse micro-organismen die in stallen aanwezig zijn en die ziekten kunnen overdragen aan de mens. Veehouders, medewerkers en dierenartsen hebben een verhoogd risico op infectieziekten afkomstig van micro-organismen. Momenteel is er te weinig bekend om wetenschappelijk onderbouwde uitspraken te doen over het infectierisico voor omwonenden, met uitzondering van dat van Q-koorts. Daarover zijn meer gegevens bekend vanwege de uitbraak van Q-koorts in Nederland tussen 2007 en 2011.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft verkennend onderzocht of de belasting van de hoogspanningslijnen in de praktijk overeenkomt met de getallen waarmee in de Handreiking de magneetveldzonde wordt berekend. De Handreiking gaat uit van twee vaste percentages (30 en 50 procent) van de maximale stroom die door de bovengrondse hoogspanningslijn kan worden vervoerd. Bij de meeste hoogspanningslijnen ligt de belasting onder deze percentages en bij drie procent worden de percentages overschreden. Dit verkennende onderzoek is uitgevoerd op basis van gegevens over 2011 en 2013 van netbeheerder TenneT, die alle lijnen van het landelijke hoogspanningsnet beheert. De netbeheerder is verantwoordelijk voor de kwaliteit van de geleverde gegevens. Omdat de stroom door een hoogspanningslijn steeds verandert, is in de verkenning van het RIVM - in overeenstemming met de Handreiking - gerekend met de gemiddelde stroom die gedurende een jaar door de hoogspanningslijnen loopt. Vanwege de geconstateerde overschrijdingen van de vaste percentages is aan de Handreiking een attendering toegevoegd dat deze mogelijkheid zich kan voordoen. Een overschrijding van de percentages leidt tot een bredere magneetveldzone. Het is daarom van belang dat het bevoegd gezag op de hoogte is en daar bij het nemen van beslissingen over de ruimtelijke ordening rekening mee kan houden. De Handreiking is voortgekomen uit het voorzorgsbeleid van het ministerie van Infrastructuur en Milieu voor bovengrondse hoogspanningslijnen uit 2005. Hierin is een magneetveldzone gedefinieerd waarbinnen in nieuwe situaties zo weinig mogelijk woningen, scholen, crèches en kinderdagopvangplaatsen terecht mogen komen. Aanleiding hiervoor was wetenschappelijk onderzoek dat aanwijzingen geeft dat kinderen die in de buurt van bovengrondse hoogspanningslijnen wonen een grotere kans hebben om leukemie te krijgen.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Om de veiligheid van stoffen voor het milieu te beoordelen is informatie nodig over de mate waarin stoffen giftig zijn. Deze informatie wordt gedeeltelijk via dierproeven verkregen, zoals in vissen. Om zo min mogelijk dierproeven in te hoeven zetten, wordt gezocht naar alternatieven. In dat verband heeft het RIVM in kaart gebracht welke internationale activiteiten zijn ondernomen om het proefdiergebruik te verminderen voor studies naar de acute giftigheid van chemische stoffen voor vissen. Op dit moment vinden de meeste activiteiten hiervoor plaats bij de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) die zorgt voor uniforme testrichtlijnen en bij ECHA (Europees Agentschap voor Chemische Stoffen) in het kader van de Europese stoffenwetgeving REACH. Bij de acute giftigheidstesten voor vissen wordt gezocht bij welke concentratie 50 procent van de vissen sterft (zogeheten LC50-methode). Deze testen zijn in principe verboden, omdat de dieren veel ongerief ondervinden. Ze worden alleen met ontheffing ingezet als er geen alternatieve methoden mogelijk zijn. Een van de alternatieven is om visembryo's voor deze test te gebruiken; een methode die is geaccepteerd door de OESO en onder bepaalde condities voor REACH mag worden gebruikt. Visembryo's worden tot vijf dagen na bevruchting niet als proefdier aangemerkt, omdat ze dan nog niet zelfstandig kunnen eten en geen pijn en ongerief kunnen ervaren. Implementatie van deze test in de wettelijke richtlijnen kan het proefdiergebruik verminderen. Het is niet mogelijk dierproeven hiermee volledig te vervangen, doordat het gebruik van vissenembryo's niet voor alle (klassen van) chemische stoffen geschikt is. De OESO schrijft nu nog meerdere concentraties voor in de test met volwassen vissen. Het aantal proefdieren kan ook worden verminderd door de huidige test uit te voeren met één concentratie van de stof. Hiervoor wordt bij de OESO momenteel een strategie ontwikkeld.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Quantifying the benefits of achieving or maintaining long-term low risk profile for cardiovascular disease: The Doetinchem Cohort Study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Om het stijgende aantal sportblessures in Nederland terug te dringen is het van belang dat sporters gebruikmaken van goede preventieprogramma's waarvan de effectiviteit is bewezen. Om dit te bereiken is meer onderzoek naar de effectiviteit van interventies noodzakelijk. Daarnaast zijn inspanningen nodig om het bereik van dergelijke interventies te vergroten. Dit blijkt uit een quickscan die het RIVM in samenwerking met het Nederlands Instituut voor Sport en Bewegen (NISB) heeft uitgevoerd. Driekwart van de Nederlanders sport minstens een keer per maand. Sporters lopen daarbij steeds meer risico op een blessure. Jaarlijks ontstaan meer dan 4,5 miljoen sportblessures. Om deze ongunstige trend te keren heeft het ministerie van VWS aan ZonMw gevraagd een programma Sportblessurepreventie te ontwikkelen. In dit kader hebben het RIVM en het NISB een beknopt overzicht gemaakt van recente (wetenschappelijke) literatuur en ervaringen van experts over sportblessurepreventie. Daarbij is gekeken naar de sporten waarbij de meeste blessures optreden: voetbal, hardlopen, fitness, tennis en volleybal. Het aanbod van goede, bewezen effectieve interventies blijkt klein; in Nederland maar ook in de internationale literatuur. Voor een succesvolle implementatie van blessure-interventies is het is belangrijk dat preventie aansluit bij de belevingswereld van de sporter. Denk hierbij aan preventieve oefeningen met een bal voor voetballers en oefeningen gericht op looptechniek voor hardlopers. Het lijkt erop dat er door een negatief imago van blessures weinig aandacht is voor sportblessurepreventie; in de sport staan plezier en prestatie immers centraal. Het verdient daarom aanbeveling om blessurepreventie positief te framen. Bijvoorbeeld door gebruik te maken van trainingsprogramma's die niet alleen blessures voorkomen maar ook prestaties bevorderen. Of door te werken met interventies in spelvorm.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
The predictive value of discrete choice experiments in public health: an exploratory application | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
A novel toxicogenomics-based approach to categorize (non-)genotoxic carcinogens | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Guidance for the prognostic risk assessment of nanomaterials in aquatic ecosystems | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
A treelet transform analysis to relate nutrient patterns to the risk of hormonal receptor-defined breast cancer in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC) | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Safety of vaccination against influenza A (H1N1) during pregnancy in the Netherlands: results on pregnancy outcomes and infant's health: cross-sectional linkage study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
The impact of intervening in green space in Dutch deprived neighbourhoods on physical activity and general health: results from the quasi-experimental URBAN40 study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Alteration of amino acid and biogenic amine metabolism in hepatobiliary cancers: Findings from a prospective cohort study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Estimating the carcinogenic potency of chemicals from the in vivo micronucleus test | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Seroprevalence and factors associated with seropositivity to equine arteritis virus in Spanish Purebred horses in Spain | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
The association between glyceraldehyde-derived advanced glycation end-products and colorectal cancer risk | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Quality control data of physiological and immunological biomarkers measured in serum and plasma | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Concentraties gedaald, lokale overschrijdingen blijven De concentraties fijn stof en stikstofdioxide zijn in 2014 licht gedaald. Voor beide stoffen bedraagt de afname in de voorgaande vijf jaar bijna 20 procent. In de prognose voor 2020 blijft stikstofdioxide verder dalen terwijl voor fijn stof de daling stagneert. In het grootste deel van Nederland liggen de berekende concentraties fijn stof en stikstofdioxide onder de Europese normen, maar in enkele gebieden worden ze overschreden. Fijn stof is lokaal nog te hoog in gebieden met intensieve veehouderij of industrie. Stikstofdioxide overschrijdt de norm met name op een beperkt aantal binnenstedelijke locaties in de Randstad met veel verkeer. Deze overschrijdingen zijn hardnekkig, ze nemen maar langzaam af. In 20 van de 393 Nederlandse gemeenten worden de normen voor fijn stof overschreden. Hierdoor is Nederland er in 2014 nog niet in geslaagd om overal aan de norm voor fijn stof te voldoen. Hier had halverwege 2011 aan moeten worden voldaan. Wat stikstofdioxide betreft behoort Nederland in 2015 aan de norm te voldoen. Bovenstaande blijkt uit de monitoring van het Nationaal Samenwerkings-programma Luchtkwaliteit (NSL). De monitoring brengt de luchtvervuilende stoffen fijn stof en stikstofdioxide in beeld waaraan de bevolking wordt blootgesteld. Lagere concentraties van deze stoffen verbeteren de volksgezondheid, óók wanneer ze al onder de Europese grenswaarden liggen. Onzekerheden en risico's De kwaliteit van de invoergegevens is de laatste jaren sterk verbeterd. Deze data vormen de basis van de berekeningen voor het NSL en worden door de verantwoordelijke overheden aangeleverd. Aandacht voor de kwaliteit blijft van belang om een betrouwbaar beeld te kunnen geven van de luchtkwaliteit. De concentraties stikstofdioxide en fijn stof liggen op veel locaties dicht bij de grenswaarde. Hierdoor is het aantal overschrijdingen gevoelig voor onzekerheden in de berekeningen en kunnen geringe stijgingen van de concentraties het aantal overschrijdingen sterk beïnvloeden. Het NSL is in 2009 gestart. In 2016 zal de monitoringsrapportage verschijnen met daarin de definitieve resultaten over het jaar 2015.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
The population structure of Staphylococcus aureus in China and Europe assessed by multiple-locus variable number tandem repeat analysis; clues to geographical origins of emergence and dissemination | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Vaccination against Lyme disease: Are we ready for it? | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Waning and aging of cellular immunity to Bordetella pertussis | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Integrated care programs for patients with psychological comorbidity: A systematic review and meta-analysis | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Metabolic activation of 2-amino-1-methyl-6-phenylimidazo [4,5-b]pyridine and DNA adduct formation depends on p53: Studies in Trp53(+/+),Trp53(+/-) and Trp53(-/-) mice | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Retesting young STI clinic visitors with urogenital Chlamydia trachomatis infection in the Netherlands; response to a text message reminder and reinfection rates: a prospective study with historical controls | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Overweight patterns throughout childhood and cardiometabolic markers in early adolescence | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Review of existing terrestrial bioaccumulation models and terrestrial bioaccumulation modeling needs for organic chemicals | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Roads to the development of improved pertussis vaccines paved by immunology | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Prevalence and risk factors for colonization with extended-spectrum cephalosporin-resistant Escherichia coli in children attending daycare centers: A cohort study in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Cost analysis of one of the first outpatient wound clinics in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Het stralingsniveau aan de terreingrens van de kerncentrale in Borssele lag in 2014 onder het toegestane maximum. Dit blijkt uit controlemetingen van het RIVM. Het RIVM rapporteert jaarlijks of de kerncentrale aan de vergunningseis voldoet. Volgens de kernenergiewetvergunning moet de kerncentrale ervoor zorgen dat personen buiten de terreingrens een effectieve stralingsdosis ontvangen van ten hoogste 40 microsievert per jaar. Om dit te controleren wordt op acht punten op de terreingrens het stralingsniveau gemeten. Dit gebeurt met het door het RIVM beheerde MONET-meetnet. Van de meting wordt vervolgens de natuurlijke achtergrondwaarde afgetrokken. Om het resultaat te vergelijken met het toegestane niveau, wordt de zogeheten Actuele Blootstellings Correctiefactor (ABC-factor) toegepast. ABC-factoren hangen samen met de bestemming van het gebied waar de effectieve stralingsdosis kan worden opgelopen. Rond Borssele geldt voor de kerncentrale een ABC-factor van 0,2. Het RIVM rapporteert in opdracht van de Kernfysische Dienst van de Inspectie Leefomgeving en Transport. In dit rapport zijn de daggemiddelden van de metingen van de acht MONET-monitoren rond de kerncentrale in 2014 weergegeven. Ook wordt uitgelegd hoe voor elk meetpunt de natuurlijke achtergrondwaarde is bepaald. In 2014 was de hoogste waarde, na aftrek van de natuurlijke achtergrond, 1,7 microsievert per jaar. Na de toepassing van de ABC-factor, voor de toetsing van de vergunningslimiet, is de berekende maximale effectieve dosis 0,3 microsievert per jaar.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Fatty acid composition in breastfeeding and school performance in children aged 12 years | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Enhancing the contribution of research to health care policy-making: a case study of the Dutch Health Care Performance Report | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
The MARINA Risk Assessment Strategy: A flexible strategy for efficient information collection and risk assessment of nanomaterials | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Coxiella burnetii infections in sheep or goats: an opinionated review | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Does disease activity add to functional disability in estimation of utility for rheumatoid arthritis patients on biologic treatment? | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Escape from monoclonal antibody neutralization affects henipavirus fitness in vitro and in vivo | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Citizen science on a smartphone: Participants' motivations and learning | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Carry-over of polychlorinated dibenzo-p-dioxins and dibenzofurans (PCDD/Fs) and polychlorinated biphenyls (PCBs) in dairy cows fed smoke contaminated maize silage or sugar beet pulp | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
CRED: Criteria for reporting and evaluating ecotoxicity data | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Early occurrence of Influenza A epidemics coincided with changes in occurrence of other respiratory virus infections | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Compound- and sex-specific effects on programming of energy and immune homeostasis in adult C57BL/6JxFVB mice after perinatal TCDD and PCB 153 | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Bedrijven die met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen werken, moeten aan specifieke regels voldoen om zware ongevallen met grote gevolgen voor mens en milieu te voorkomen. Onlangs is de wet waar deze bedrijven onder vallen, het Besluit risico's zware ongevallen (Brzo), veranderd. In het nieuwe besluit (Brzo 2015) wordt onder andere het gebruik van indicatoren geïntroduceerd die informatie geven over de veiligheid van een bedrijf. Ze kunnen helpen om de veiligheid van bedrijven te beoordelen. Naar aanleiding van de wetswijziging heeft het RIVM een handreiking opgesteld die inspecteurs laat zien welke indicatoren mogelijk zijn en hoe ze hiermee kunnen omgaan. Voorbeelden van indicatoren zijn het aantal bijna-ongevallen, de acties die daarop zijn genomen en hoe vaak een bedrijf onderhoudsacties uitvoert. De indicatoren zijn niet wettelijk verplicht en bedrijven worden gestimuleerd ze zelf op te stellen, zodat ze zijn toegesneden op het eigen productieproces. Deze handreiking geeft aan waar de indicatoren volgens de laatste wetenschappelijke inzichten aan zouden moeten voldoen. Daarnaast worden voorbeelden gegeven van goede en minder goede indicatoren. De Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (I-SZW, voorheen arbeidsinspectie) moet beoordelen of er een zogeheten veiligheidsbeheerssysteem (VBS) aanwezig is, of dit is toegesneden op de aanwezige risico's, en of het goed werkt. De indicatoren kunnen hierbij helpen. Ook kunnen de indicatoren bedrijven helpen om aan de overheid en burgers te laten zien dat de veiligheid onder controle is.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Antiviral activity of broad-spectrum and enterovirus-specific inhibitors against clinical isolates of enterovirus D68 | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
De minister van VWS heeft het RIVM gevraagd te onderzoeken of lasers en aanverwante apparaten veilig kunnen worden gebruikt voor cosmetische doeleinden op de huid. Hiermee kunnen bijvoorbeeld rimpels worden verminderd of haren permanent worden verwijderd. Hierbij kunnen echter ernstige complicaties optreden. Zo kan de huid verbranden of pigment langdurig verkleuren. Om deze reden wil de minister dat deze huidbehandelingen alleen mogen worden uitgevoerd door beroepsbeoefenaren die daartoe wettelijk bevoegd zijn. Deze wettelijke bevoegdheid wordt geregeld in de Wet Big. Vanwege de kans op complicaties is het van belang dat bevoegde artsen en huidtherapeuten voldoende kennis van en ervaring met de apparatuur hebben waarmee ze werken. Uit het RIVM-onderzoek blijkt dat dit een eerste vereiste moet zijn. Wel wordt aanbevolen dat het bij specifieke toepassingen ook voor andere behandelaars mogelijk moet zijn om met dergelijke apparatuur te werken. Een voorbeeld hiervan zijn schoonheidsspecialisten die al sinds lange tijd overbeharing verwijderen met lasers en daarvoor een specifieke opleiding hebben gevolgd. Het is van belang dat dit een adequate, officieel erkende opleiding is. De Wet Big is een kwaliteitswet die patiënten beschermt tegen ondeskundig en onzorgvuldig gebruik van medische technieken. Om de kwaliteit van de gezondheidszorg hoog te houden wordt in deze wet vastgelegd wie welke behandelingen mag uitvoeren. Deze wet zal in de toekomst ook gelden voor cosmetische, niet heelkundige ingrepen. Bij het gebruik van lasers en dergelijke wordt energie aan de huid toegevoerd, bijvoorbeeld door licht om te zetten in warmte. Hiermee worden delen van de huid, zoals haren, verwijderd of 'beschadigd' en bloedvaatjes 'dichtgeschroeid' om ze te laten verdwijnen. Ook kan het een vernieuwingsproces van de huid in gang zetten, bijvoorbeeld bij behandeling van acnelittekens.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Assessing non-specific symptoms in epidemiological studies: Development and validation of the Symptoms and Perceptions (SaP) questionnaire | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
A pilot study to estimate incidence of guanidinoacetate methyltransferase deficiency in newborns by direct sequencing of the GAMT gene | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
A systematic review of financial incentives for physical activity: The effects on physical activity and related outcomes | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Formaldehyde is de werkzame stof in veel desinfecteer- en conserveringsmiddelen, maar deze stof is kankerverwekkend. Daarom zal formaldehyde naar verwachting per 1 januari 2016 op Europees niveau als zodanig worden geclassificeerd (carcinogeen 1B). Dit kan betekenen dat formaldehyde-houdende middelen die momenteel op de markt zijn, niet meer worden toegelaten. Uit een eerste inventarisatie van het RIVM blijkt dat er voor de meerderheid van de toepassingen als desinfecteer- en conserveringsmiddel (biociden) voldoende chemische alternatieven beschikbaar zijn. Wel moet nog specifiek per sector en toepassing worden nagegaan of deze alternatieven daadwerkelijk geschikt zijn. Voorbeelden van toepassingen waar alternatieven voor zijn, zijn stal- en dierruimte ontsmetting, conserveringsmiddelen in wasmiddelen, verven en koelsystemen en slijmbestrijding in de papierindustrie. Voor sommige toepassingen zijn nauwelijks alternatieven gevonden. Dit betreft bijvoorbeeld de ontsmetting van champignonteeltcellen, schoeisel en de hoeven van vee. Hetzelfde geldt voor een aantal conserveringsmiddelen, bijvoorbeeld voor smeermiddelen en metaalbewerkingsvloeistoffen. Voor de desinfectie van afvalbakken voor maandverband (dameshygiëneboxen) blijkt geen enkel geregistreerd chemisch alternatief voor formaldehyde op de markt aanwezig. Dit geldt ook voor het (tijdelijk) conserveren van lichamen, dieren en weefsels. Hoewel dat niet is toegestaan, is het gebruik van formaldehyde voor deze conserveringen nog gangbaar. Vanwege de kankerverwekkende eigenschappen van formaldehyde wordt aanbevolen de blootstelling eraan te beperken of te voorkomen, dit vooruitlopend op mogelijk restrictief beleid. Als er geen alternatieven zijn, moet worden gestimuleerd dat ze worden ontwikkeld (innovatie). Het is van belang hierbij oog te hebben voor niet-chemische alternatieven, zoals verhitting en uv-straling als conserveermethode. Wanneer goede alternatieven beschikbaar zijn, moet worden aangemoedigd om daarop over te stappen, bijvoorbeeld via voorlichting. Er is een Nederlandse versie van dit rapport, inclusief bijlagen, rapportnummer 2015-0069.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
The association of substituting carbohydrates with total fat and different types of fatty acids with mortality and weight change among diabetes patients | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Recycling van afvalstromen met resten van (dier)geneesmiddelen Afvalwater en mest bevatten waardevolle grondstoffen waaraan energie kan worden onttrokken. Ook kunnen er nieuwe producten van worden gemaakt, zoals bioplastics, bouwmaterialen en papier. De laatste tijd worden veel nieuwe technieken ontwikkeld die de recycling van afvalwater en mest mogelijk maken. Het is echter vaak nog niet duidelijk wat de invloed van deze recycling is op de mate waarin restanten van (dier)geneesmiddelen in het milieu terechtkomen. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Het RIVM inventariseerde hiervoor de innovaties bij de afvalwater- en mestverwerking en onderzocht hoe deze technieken van invloed zijn op de emissie van (dier)geneesmiddelen naar het milieu. Meer onderzoek is nodig om te bepalen of, en zo ja in hoeverre, dit gebeurt. In de meeste gevallen ontbreken hiervoor nog de benodigde meetgegevens. Milieu-emissies van (dier)geneesmiddelen Diverse nieuwe zuiveringstechnieken voor afvalwater zorgen er naar verwachting voor dat er minder restanten van (dier)geneesmiddelen in het milieu komen. Maar het is bijvoorbeeld nog niet duidelijk of de emissie van (dier)geneesmiddelen naar het milieu verandert bij mestverwerking, of bij de (co)vergisting van slib en/of mest. (Co)vergisting levert biogas op, maar mogelijk blijven hoge concentraties (dier)geneesmiddelen over in het residu dat als mest wordt aangewend. Ook is onduidelijk hoeveel (dier)geneesmiddelen achterblijven in grondstoffen die ontstaan uit de afvalwaterzuivering, zoals bij de meststof struviet. Aanbevelingen voor beleid De milieurisicobeoordeling bij de Europese registratie van (dier)geneesmiddelen houdt nu nog geen rekening met de nieuwe verwerkingstechnieken voor afvalwater en mest. Het RIVM vindt het raadzaam om op EU-niveau de toekomstige technologische ontwikkelingen nauwlettend te volgen. Vanwege de bovengenoemde onduidelijkheden lijkt het echter nog te vroeg om de algemene Europese beoordelingsmethodologie te wijzigen. Verder pleit het RIVM ervoor dat er meer informatie beschikbaar komt over de omvang van de emissies van (dier)geneesmiddelen via de verschillende recyclingroutes. Dergelijke gegevens zijn ook belangrijk bij het afwegen van veiligheids- en duurzaamheidsaspecten in een circulaire economie.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Recycling van afvalstromen met resten van (dier)geneesmiddelen Afvalwater en mest bevatten waardevolle grondstoffen waaraan energie kan worden onttrokken. Ook kunnen er nieuwe producten van worden gemaakt, zoals bioplastics, bouwmaterialen en papier. De laatste tijd worden veel nieuwe technieken ontwikkeld die de recycling van afvalwater en mest mogelijk maken. Het is echter vaak nog niet duidelijk wat de invloed van deze recycling is op de mate waarin restanten van (dier)geneesmiddelen in het milieu terechtkomen. Dit blijkt uit onderzoek naar het RIVM. Het RIVM inventariseerde hiervoor de innovaties bij de afvalwater- en mestverwerking en onderzocht hoe deze technieken van invloed zijn op de emissie van (dier)geneesmiddelen naar het milieu. Meer onderzoek is nodig om te bepalen of, en zo ja in hoeverre, dit gebeurt. In de meeste gevallen ontbreken hiervoor nog de benodigde meetgegevens. Milieu-emissies van (dier)geneesmiddelen Diverse nieuwe zuiveringstechnieken voor afvalwater zorgen er naar verwachting voor dat er minder restanten van (dier)geneesmiddelen in het milieu komen. Maar het is bijvoorbeeld nog niet duidelijk of de emissie van (dier)geneesmiddelen naar het milieu verandert bij mestverwerking, of bij de (co)vergisting van slib en/of mest. (Co)vergisting levert biogas op, maar mogelijk blijven hoge concentraties (dier)geneesmiddelen over in het residu dat als mest wordt aangewend. Ook is onduidelijk hoeveel (dier)geneesmiddelen achterblijven in grondstoffen die ontstaan uit de afvalwaterzuivering, zoals bij de meststof struviet. Aanbevelingen voor beleid De milieurisicobeoordeling bij de Europese registratie van (dier)geneesmiddelen houdt nu nog geen rekening met de nieuwe verwerkingstechnieken voor afvalwater en mest. Het RIVM vindt het raadzaam om op EU-niveau de toekomstige technologische ontwikkelingen nauwlettend te volgen. Vanwege de bovengenoemde onduidelijkheden lijkt het echter nog te vroeg om de algemene Europese beoordelingsmethodologie te wijzigen. Verder pleit het RIVM ervoor dat er meer informatie beschikbaar komt over de omvang van de emissies van (dier)geneesmiddelen via de verschillende recyclingroutes. Dergelijke gegevens zijn ook belangrijk bij het afwegen van veiligheids- en duurzaamheidsaspecten in een circulaire economie.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Genome-wide association study of prostate cancer-specific survival | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Disease burden of congenital cytomegalovirus infection at school entry age: study design, participation rate and birth prevalence | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Methods for health economic evaluation of vaccines and immunization decision frameworks: A consensus framework from a European Vaccine Economics Community | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Response on pneumococcal vaccine in preterm infants after neutral and acidic oligosaccharides supplementation | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Gastrointestinal, influenza-like illness and dermatological complaints following exposure to floodwater: a cross-sectional survey in The Netherlands | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Neighborhood environment is associated with overweight and obesity, particularly in older residents: Results from cross-sectional study in dutch municipality | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
A tiered approach for environmental impact assessment of chemicals and their alternatives within the context of socio-economic analyses | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Environmental enteropathy, oral vaccine failure and growth faltering in infants in Bangladesh | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Early growth characteristics and the risk of reduced lung function and asthma: A meta-analysis of 25,000 children | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Highly differentiated human airway epithelial cells: a model to study host cell-parasite interactions in pertussis | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Future atmospheric abundances and climate forcings from scenarios of global and regional hydrofluorocarbon (HFC) emissions | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
The health status of a village population, 7 years after a major Q fever outbreak | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Operation resistance: A snapshot of falsified antibiotics and biopharmaceutical injectables in Europe | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
The Missing Stakeholder Group: Why patients should be involved in health economic modelling | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Transmission of MRSA between humans and animals on duck and turkey farms | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Pre-diagnostic polyphenol intake and breast cancer survival: the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC) cohort | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Earlier age of onset of chronic hypertension and type 2 diabetes mellitus after a hypertensive disorder of pregnancy or gestational diabetes mellitus | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Correlation of in vivo versus in vitro benchmark doses (BMDs) derived from micronucleus test data: A proof of concept study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Maternal gestational and postdelivery weight gain and child weight | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
The association of coffee intake with liver cancer risk is mediated by biomarkers of inflammation and hepatocellular injury: data from the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Acrylamide and glycidamide hemoglobin adduct levels and endometrial cancer risk: A nested case-control study in nonsmoking postmenopausal women from the EPIC cohort | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
The newborn screening paradox: Sensitivity vs. overdiagnosis in VLCAD deficiency | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Newly identified viruses in human gastroenteritis: Pathogens or not? | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Identification of meat spoilage gene biomarkers in Pseudomonas putida using gene profiling | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
The effect of HIV infection on anal and penile human papillomavirus incidence and clearance: a cohort study among MSM | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Complexe gezondheidsvraagstukken worden in de publieke gezondheidszorg lokaal en regionaal steeds vaker aangepakt met behulp van integraal beleid en samenwerkingsverbanden. Integraal werken wordt steeds belangrijker omdat diverse sectoren en partijen binnen en buiten de volksgezondheid (zoals preventie, zorg, ruimtelijke ordening, scholen en bedrijven) overlappende taken of doelen hebben. Denk aan thema's als gezond gewicht en bewegen, gezond participeren in de buurt, een gezonde inrichting van de leefomgeving of de aanpak van gezondheidsachterstanden. Degenen die integrale beleids- of samenwerkingsprocessen vormgeven, hebben vaak vragen als: hoe krijg ik draagvlak, hoe maak ik goede beleidskeuzes en hoe werk ik samen met een andere sector? De afgelopen jaren zijn steeds meer tools beschikbaar gekomen die hierbij kunnen helpen. Voorbeelden zijn meetinstrumenten, stappenplannen, methodieken, checklists, werkvormen, et cetera. De tools worden echter onvoldoende benut omdat het ontbreekt aan een goed overzicht. Daarom heeft het RIVM met partners een keuzepakket samengesteld met een selectie van beschikbare tools die integraal werken ondersteunen. Met dit keuzepakket kunnen onderzoekers, adviseurs, beleidsmakers en professionals tools vinden om kennis te genereren over integraal werken en daar handelingsperspectieven bij te hebben. Ook worden aanbevelingen gedaan om tools uit het keuzepakket te implementeren. Het veld en landelijke organisaties (vooral vanuit publieke gezondheid) zijn betrokken bij de totstandkoming van het keuzepakket en de aanbevelingen. Landelijk is het gebruik van de tools te stimuleren door onder ander een overzicht van tools te publiceren op kennisportals (zoals Loketgezondleven.nl), scholing en ondersteuning te organiseren om de tools effectief te gebruiken, praktijkervaringen via regionale bijeenkomsten uit te wisselen, en een platform in te richten om te volgen of tools in de praktijk bruikbaar zijn en ze indien nodig door te ontwikkelen. De partijen waarmee dit project is uitgevoerd zijn partners die nauw betrokken zijn bij het lokale en regionale veld (Pharos, Platform31, GGD GHOR NL, CGL) en de negen onderzoeksgroepen uit het consortium instruments for integrated action (i4i).
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Changes in chlamydia control activities in Europe between 2007 and 2012: a cross-national survey | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Risk of bias in model-based economic evaluations: the ECOBIAS checklist | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Development of an urban green space indicator and the public health rationale | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Measles virus epitope presentation by HLA: novel insights into epitope selection, dominance, and microvariation | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Do car-mounted mobile measurements used for radio-frequency spectrum regulation have an application for exposure assessments in epidemiological studies? | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Tracking social contact networks with online respondent-driven detection: who recruits whom? | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Serum biomarkers of (anti)oxidant status for epidemiological studies | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Development of an in vitro test to identify respiratory sensitizers in bronchial epithelial cells using gene expression profiling | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Nosocomial transmission of avian influenza virus A (H7N9) | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
TLR2, TLR4, and TLR9 genotypes and haplotypes in the susceptibility to and clinical course of Chlamydia trachomatis infections in Dutch women | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Protein phosphorylation profiling identifies potential mechanisms for direct immunotoxicity | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Insights into the concept of vitality: associations with participation and societal costs | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
The involvement of the Toll-like receptor signaling and Nrf2-Keap1 pathways in the in vitro regulation of IL-8 and HMOX1 for skin sensitization | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Did neoliberalizing West African forests produce a new niche for Ebola? | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Use of value of information in healthcare decision making: exploring multiple perspectives | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Accessible and continuous primary care may help reduce rates of emergency department use. An international survey in 34 countries | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
De Nederlandse overheid pakt Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) met voorrang aan. Het RIVM heeft daarom onderzocht welke stoffen binnen de ZZS direct aandacht vragen. Dat is het geval als ze vrijkomen of in Nederland in het milieu aanwezig zijn. Bij het merendeel van de onderzochte ZZS kan dat niet op voorhand worden uitgesloten. Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) zijn gevaarlijk voor mens en milieu, bijvoorbeeld omdat ze kankerverwekkend kunnen zijn, het voortplantingsproces kunnen schaden of zich in de voedselketen kunnen ophopen. Voorbeelden van ZZS zijn het oplosmiddel benzeen en broomhoudende vlamvertragers. Doel van het overheidsbeleid is om deze stoffen zoveel mogelijk uit de Nederlandse leefomgeving te weren. Dit gebeurt onder meer door ZZS door minder gevaarlijke stoffen te vervangen, of door in vergunningen regels te stellen om lozingen op water en uitstoot naar de lucht te beperken. Voor Nederland relevante ZZS vragen als eerste aandacht. Deze stoffen worden gemeten in het milieu, of komen mogelijk vrij als gevolg van productie en gebruik, of ze ontstaan en komen vrij als onbedoeld bijproduct. Ze kunnen op allerlei plaatsen worden ingezet in de keten van ontwikkeling, productie en gebruik van producten en op uiteenlopende manieren. Dit maakt het moeilijk om aan te geven welke specifieke stoffen of stofgroepen direct aandacht vanuit het beleid vragen om zo risico's voor mens en milieu te verminderen. Het RIVM draagt daarom verschillende suggesties voor vervolgonderzoek aan. Dit betreft onder andere onderzoek naar de beleidsmogelijkheden om mogelijke risico's verder te beperken van ZZS in het algemeen, en de groep (grondstoffen voor) kleurstoffen in het bijzonder. Ook stelt het RIVM voor om de diverse prioriteringsmethoden die nu voor verschillende categorieën stoffen bestaan (zoals consumentenproducten en stoffen op de werkvloer) te combineren. Op die manier zou preciezer kunnen worden aangegeven welke ZZS voor Nederland relevant zijn. Op verzoek van de opdrachtgever zijn voor deze screening uitsluitend openbare bronnen over stoffengegevens gebruikt en is de industrie niet om bedrijfsgevoelige informatie gevraagd.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft een verkenning uitgevoerd naar de recente ontwikkelingen en de risico's op het gebied van medische technologie in de Nederlandse ziekenhuizen. Resultaten uit deze verkenning laten zien dat er relatief veel klinisch onderzoek is uitgevoerd met nieuwe implantaten. Een voorbeeld van zo'n nieuw implantaat is de draadloze pacemaker, een klein staafvormig apparaatje dat direct in de hartkamer wordt geïmplanteerd. Uit de eerste ervaringen blijkt dat de plaatsing soms lastig is. Verder is nog niet bekend of de pacemaker na verloop van tijd eenvoudig kan worden vervangen. Dat is in ieder geval na enkele jaren aan de orde als de batterij op is. Dergelijke innovaties worden momenteel nog maar bij een beperkte groep patiënten geplaatst. Resultaten uit deze klinische onderzoeken zullen nog moeten uitwijzen of deze innovatie daadwerkelijk breed toepasbaar is. Verder blijkt dat er binnen de ziekenhuizen ontwikkelingen gaande zijn op het gebied van beeldvormende apparatuur, zoals apparatuur voor het maken van 3D-echo's en snijapparatuur voor chirurgen. Verkeerd gebruik van medische apparatuur, zoals snijapparatuur, kan ernstige schade bij de patiënt veroorzaken. Maar ook als een dergelijke nieuwe technologie correct wordt gebruikt, kunnen er risico's optreden. Dat bleek bijvoorbeeld recentelijk uit incidenten bij het gebruik van een medisch apparaat om vleesbomen uit de baarmoeder te verwijderen, waarbij aanwezige kwaadaardige kankercellen losgemaakt waren en niet konden worden verwijderd. Het is dus belangrijk dat medische technologieën zorgvuldig worden geïntroduceerd in de instelling, zodat de gebruiker goed op de hoogte is van de mogelijkheden en beperkingen van het apparaat.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Microdosimetric measurements of a tissue-equivalent proportion counter based on a gas electron multiplier down to 140 nm simulated site sizes | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
De wereldwijde epidemie van ebola was de meest in het oog springende infectieziekte van dit jaar. In Nederland waren geen ebolapatiënten, maar is veel tijd besteed aan de voorbereiding om patiënten te kunnen verzorgen en verspreiding van het virus te voorkomen. Daarnaast was er de uitbraak van mazelen in Nederland, die in 2013 begon en eindigde in de eerste maanden van 2014. In die periode zijn verspreid over Nederland 2700 zieken gemeld en is 3,9 miljoen euro besteed om de epidemie te bestrijden. De grootste kostenposten waren de werkzaamheden van de betrokken GGD'en en de kosten van ziekenhuisopname van ernstig zieke patiënten. Dit blijkt uit de Staat van Infectieziekten in Nederland 2014, een jaarlijks rapport dat inzicht geeft in ontwikkelingen van infectieziekten bij de Nederlandse bevolking. Daarnaast worden elk jaar de ontwikkelingen op het gebied van de infectieziekten in het buitenland beschreven die voor Nederland relevant zijn. Met deze jaarlijkse uitgave informeert het RIVM beleidsmakers van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Het thema van dit jaar zijn de kosten voor de behandeling, preventie en bestrijding van de infectieziekten. Om inzicht in de kosten te krijgen, zijn deze berekend voor de mazelenepidemie en voor de Salmonella Thompson-uitbraak door gerookte zalm in 2012. Voor deze twee is gekozen omdat ze omvangrijk waren en verspreid over heel Nederland zieken veroorzaakten. Bij de Salmonella Thompson-uitbraak zijn 1149 ziektegevallen gemeld die met behulp van laboratoriumdiagnostiek werden vastgesteld en is 1,7 miljoen euro aan kosten gemaakt. De grootste kostenposten betroffen de inzet van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) om de bron van de besmetting op te sporen en de kosten van ziekenhuisopname van ernstig zieke patiënten. In de studie staat ook beschreven hoe de kosten en de opbrengsten van interventies met elkaar kunnen worden vergeleken. Met kosteneffectiviteitstudies kan worden bepaald hoe budgetten het meest efficiënt voor de gezondheidszorg kunnen worden ingezet. In dit rapport zijn de meest gebruikte methoden van kosteneffectiviteitsstudies en bijbehorende uitkomstmaten toegelicht.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
In Nederland is de vaccinatiegraad binnen het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) hoog, waardoor weinig mensen de ziekten krijgen waartegen zij worden ingeënt. Alleen de deelname aan de vaccinatie van meisjes tegen het humaan papillomavirus (HPV) ligt lager. Na de vaccinaties komen weinig ernstige bijwerkingen voor. Bijwerkingen die gerapporteerd worden zijn doorgaans niet ernstig van aard zijn. Continue monitoring is nodig om een optimaal vaccinatieprogramma te behouden. Wijzigingen in het vaccinatieschema in 2014-2015 Sinds januari 2014 is de vaccinatie tegen het HPV-virus, dat baarmoederhalskanker kan veroorzaken, teruggebracht naar twee prikken. De vaccinatie wordt aan alle twaalfjarige meisjes aangeboden. Ontwikkelingen voor RVP-ziekten Door de uitbreiding van het pneumokokkenvaccin met drie typen in 2011 is het aantal kinderen gedaald dat van deze drie typen ziek werd. Deze daling was ook te zien onder volwassenen, die mogelijk indirect door de vaccinatie van kinderen zijn beschermd.Kinkhoest nam in 2014 weer toe na een daling in 2013. Het aantal zieken was minder hoog dan tijdens de epidemie in 2012. De bof kwam weinig voor in 2014, al steeg het aantal meldingen weer in de eerste maanden van 2015. De meeste mazelengevallen zijn in de eerste twee maanden van 2014 gerapporteerd, aan het einde van de epidemie die in 2013 begon. De mazelen kwam voor in gebieden waar mensen zich om religieuze redenen vaak niet laten vaccineren. Er zijn geen gevallen van polio gemeld. Vorig jaar waren de controles op polio geïntensiveerd in regio's in Nederland waar vluchtelingen worden opgevangen. Dit betrof vluchtelingen uit enkele niet-Europese landen waar het aantal poliogevallen was gestegen, zoals Syrië. Aangezien polio in die landen in 2014 minder voorkwam zijn de controles tot een normaal niveau teruggebracht. Ontwikkelingen voor toekomstige RVP-kandidaten De Gezondheidsraad kan de minister adviseren om het aantal ziekten die onder het RVP vallen uit te breiden. Het RIVM houdt in de gaten hoe ziekten die hiervoor in aanmerking komen, zich ontwikkelen. In 2014 kwamen uitzonderlijk weinig infecties met het rotavirus voor. Ook daalde het aantal zieken door meningokokken serogroep B. Het aantal mensen met het waterpokken, gordelroos en hepatitis A is de afgelopen jaren stabiel gebleven.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Virulence of recurrent infestations with Borrelia-infected ticks in a Borrelia-amplifying bird | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Restafval uit beeldbuizen van televisies, computermonitoren en dergelijke bevat lood. Lood is een milieugevaarlijke stof omdat het schadelijk is voor de voortplanting en voor de ontwikkeling van kinderen. Daarom is een zorgvuldige beoordeling nodig als loodhoudend afval in nieuwe producten wordt hergebruikt. Het afval van beeldbuizen kan onder andere vermalen worden tot korrelig materiaal (granulaat) dat als grondstof kan worden gebruikt. Vanwege het lood is dit granulaat echter gevaarlijk afval, waardoor het lastig is om het granulaat te recyclen tot een veilig nieuw product. Een van de mogelijkheden is het beeldbuisglasgranulaat in beton te gebruiken als vervanging van zand en kiezels. Dit is veilig omdat het lood niet uit het beton kan vrijkomen. Wel ontstaat een probleem in de afvalfase van dit product: vanwege het lood is het afgedankte beton ook gevaarlijk afval. Dit blijkt uit een berekening van het RIVM op basis van in literatuur vermelde gehaltes van lood in beeldbuisglas. Als beeldbuisglasgranulaat in betonblokken wordt hergebruikt, ontstaan er in de toekomst grotere volumes gevaarlijk afval waar nog geen oplossingen voor zijn. Beton met beeldbuisglasgranulaat zou daarom apart verwerkt moeten worden van ander betonafval. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu, dienst Rijkswaterstaat, dat duurzaam gebruik en hergebruik van grondstoffen stimuleert.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
ISIS-AR - inzicht in 7 jaar lokale en nationale antibiotiaresistentietrends | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Restafval uit beeldbuizen van televisies, computermonitoren en dergelijke bevat lood. Lood is een milieugevaarlijke stof omdat het schadelijk is voor de voortplanting en voor de ontwikkeling van kinderen. Daarom is een zorgvuldige beoordeling nodig als loodhoudend afval in nieuwe producten wordt hergebruikt. Het afval van beeldbuizen kan onder andere vermalen worden tot korrelig materiaal (granulaat) dat als grondstof kan worden gebruikt. Vanwege het lood is dit granulaat echter gevaarlijk afval, waardoor het lastig is om het granulaat te recyclen tot een veilig nieuw product. Een van de mogelijkheden is het beeldbuisglasgranulaat in beton te gebruiken als vervanging van zand en kiezels. Dit is veilig omdat het lood niet uit het beton kan vrijkomen. Wel ontstaat een probleem in de afvalfase van dit product: vanwege het lood is het afgedankte beton ook gevaarlijk afval. Dit blijkt uit een berekening van het RIVM op basis van in literatuur vermelde gehaltes van lood in beeldbuisglas. Als beeldbuisglasgranulaat in betonblokken wordt hergebruikt, ontstaan er in de toekomst grotere volumes gevaarlijk afval waar nog geen oplossingen voor zijn. Beton met beeldbuisglasgranulaat zou daarom apart verwerkt moeten worden van ander betonafval. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu, dienst Rijkswaterstaat, dat duurzaam gebruik en hergebruik van grondstoffen stimuleert.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Assessment of the role of early life exposure to endocrine disrupting compounds in programming of obesity in a mouse model | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Comparing databases: determinants of sexually transmitted infections, HIV diagnoses, and lack of HIV testing among men who have sex with men | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Effects of GM potato Modena on soil microbial activity and litter decomposition fall within the range of effects found for two conventional cultivars | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Carotenoids, retinol, tocopherols, and prostate cancer risk: pooled analysis of 15 studies | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Improvement of risk assessment by integrating toxicological and epidemiological approaches | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Invasive meningococcal disease and prevention through vaccination. Towards an optimal meningococcal serogroup C vaccination schedule | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
De inhoud van dit rapport is verouderd. Op dit moment wordt de richtlijn herzien. Als u vragen hebt over geur en gezondheid kunt u het best contact opnemen met cgm@rivm.nl of uw regionale GGD Dit rapport is een onderdeel van hoofdrapport 2015-0106.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
De inhoud van dit rapport is verouderd. Op dit moment wordt de richtlijn herzien. Als u vragen hebt over geur en gezondheid kunt u het best contact opnemen met cgm@rivm.nl of uw regionale GGD. Het RIVM heeft de GGD-richtlijn Geurhinder uit 2002 herzien. De GGD gebruikt de richtlijn om burgers en overheidsdiensten te adviseren over geursituaties. Bijvoorbeeld of stank gevaarlijk kan zijn voor de gezondheid, of de gemelde gezondheidsklachten samenhangen met de geur, wat de oorzaak is van de klachten en hoe deze opgelost kunnen worden. Door het stappenplan uit deze richtlijn te volgen wordt duidelijk welke informatie nodig is en welke vragen hiervoor moeten worden beantwoord. De meeste geurstoffen zijn al te ruiken bij heel lage hoeveelheden die niet schadelijk zijn voor de gezondheid. Wel kunnen geuren verschillende nadelige effecten oproepen, zoals (ernstige) hinder, en ze kunnen het algemene dagelijkse leven beïnvloeden (onder andere verplicht worden ramen te sluiten en niet thuis willen verblijven). Blootstelling aan geur, zeker bij herhaling, kan ook stressgerelateerde gezondheidseffecten oproepen; denk aan hoofdpijn, duizeligheid, misselijkheid en vermoeidheid. Er bestaan geen gezondheidskundige normen voor geur, waardoor het niet eenvoudig is om te bepalen hoeveel geur gezondheidskundig gezien aanvaardbaar is. Een situatie wordt gezondheidskundig als goed beschouwd, als er geen of geen ernstige hinder is. Als dat wel het geval is, wordt afgewogen of de situatie aanvaardbaar is. Uitgangspunt hierbij zijn de beleidsdoelstellingen voor hinder. Voor een nadere afweging wordt een handreiking gegeven, die in het stappenplan is opgenomen. De voornaamste geurbronnen die bij de GGD worden gemeld en in deze richtlijn worden besproken, zijn: bedrijfsmatige activiteiten, intensieve veehouderijen en houtstook van particulieren. Naast het stappenplan komen verschillende technieken aan bod om de blootstelling aan geur te meten en te berekenen. Ook de relatie tussen geurbelasting en hinder en de factoren die hierop van invloed zijn, worden uitgebreid besproken. De oude richtlijn voldeed niet meer, omdat sinds 2002 de meettechnieken verbeterd zijn. Ook zijn er grote wijzigingen in wet- en regelgeving doorgevoerd in relatie tot geur. Zelfs op dit moment wordt de Wet geurhinder en veehouderijen (Wgv) nog landelijk geëvalueerd, onder andere naar aanleiding van een geurhinderonderzoek uitgevoerd door het IRAS en Bureau Gezondheid, Milieu & Veiligheid (Bureau GMV) van de GGD'en Brabant/Zeeland. Dit kan aanleiding vormen voor een wijziging van de Wgv, de normstelling en de beoordeling van geursituaties door de GGD. Daarom is het onderdeel 'veehouderij en geur' in een apart elektronisch document geplaatst. Op die manier kan dit onderdeel op een later tijdstip eenvoudig herzien worden. Dit onderdeel blijft wel integraal onderdeel van de richtlijn. De richtlijn werd gefinancierd door het ministerie van VWS en opgesteld in samenwerking met de GGD'en.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
A Dutch nationwide evaluation of serological assays for detection of Borrelia antibodies in clinically well-defined patients | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
General practitioner reported incidence of Lyme carditis in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Body iron status and gastric cancer risk in the EURGAST study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Role of the environment in the new transmission of antimicrobial resistance to humans: a review | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
WHO guidelines for a healthy diet and mortality from cardiovascular disease in European and American elderly: the CHANCES project | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Fate of extended-spectrum beta-lactamase-producing escherichia coli from faecal sources in surface water and probability of human exposure through swimming | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Oxidative stress in Nipah virus-infected human small airway epithelial cells | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Noncommunicable diseases of major public health interest and prevention | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Serological evidence of MERS-CoV antibodies in dromedary camels (Camelus dromedaries) in Laikipia County, Kenya | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Breast milk fatty acid composition has a long-term effect on the risk of asthma, eczema, and sensitization | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Initiatives on early detection and intervention to proactively identify health and social problems in older people: experiences from the Netherlands | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Determinants of the t(14;18) translocation and their role in t(14;18)-positive follicular lymphoma | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Alternatives for skin sensitisation: Hazard identification and potency categorisation: Report from an EPAA/CEFIC LRI/Cosmetics Europe cross sector workshop, ECHA Helsinki, April 23rd and 24th 2015 | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Ecological risk assessment of a metal-contaminated area in the tropics. Tier II: detailed assessment | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Somatic symptom reports in the general population: Application of a bi-factor model to the analysis of change | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Genetic evidence of interspecies introgression of mitochondrial genomes between Trichinella spiralis and Trichinella britovi under natural conditions | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Words or graphics to present a Discrete Choice Experiment: Does it matter? | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Time-kill kinetics of slowly growing mycobacteria common in pulmonary disease | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Invasive pneumococcal disease 3 years after introduction of 10-valent pneumococcal conjugate vaccine, the Netherlands | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
The relationship of modern health worries to non-specific physical symptoms and perceived environmental sensitivity: A study combining self-reported and general practice data | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
In 2014 waren er minder uitbraken van voedselinfecties en -vergiftigingen dan in voorgaande jaren. Wel was het aantal zieken per gemelde uitbraak groter, waardoor het totaal aantal zieken hoger uitkwam dan in 2013 (een verschil van 13 procent). In 2014 zijn in totaal 207 uitbraken gemeld met 1655 zieken, ten opzichte van 290 gemelde uitbraken met 1460 zieken in het jaar ervoor. Daarnaast zijn in 2014 bij de NVWA nog 242 individuele gevallen van voedselinfectie of -vergiftiging gemeld. Dit blijkt uit een analyse van de registratiecijfers in 2014 van voedselinfecties en -vergiftigingen. Daaruit blijkt ook dat er relatief veel uitbraken door het norovirus waren en weinig Campylobacter-uitbraken ten opzichte van voorgaande jaren. Het aantal Salmonella-uitbraken was in 2014 hoger dan in 2013, maar lager dan de jaren ervoor. De cijfers zijn afkomstig van de NVWA en de GGD'en. Sinds vorig jaar worden de meldingen samengevoegd en als één geheel geanalyseerd door het Centrum Infectieziektebestrijding van het RIVM. Deze nieuwe, geïntegreerde aanpak geeft een duidelijker beeld van de mate waarin uitbraken van voedselinfecties en -vergiftigingen in Nederland voorkomen en de trend daarin door de jaren heen. De genoemde getallen zijn evenwel een onderschatting van het werkelijke aantal voedselinfecties en -vergiftigingen. Dit komt, doordat niet iedere zieke naar de huisarts gaat of de NVWA informeert. Naar schatting zijn jaarlijks 680.000 mensen in Nederland ziek door het eten van besmet voedsel. De NVWA en GGD'en registreren en onderzoeken voedselinfecties en -vergiftigingen om meer zieken en uitbraken te voorkomen. Daartoe proberen ze vanuit hun eigen werkveld inzicht te krijgen in de besmette bronnen en de aard van de ziekteverwekkers. De NVWA onderzoekt het voedsel en de plaats waar het wordt bereid. De GGD richt zich op de personen die hebben blootgestaan aan besmet voedsel en probeert via hen de mogelijke bronnen te herleiden.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
De concentraties fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) op de twee permanente meetlocaties in Hilversum en Laren voldoen in 2014 aan de normen, net als in eerdere jaren. Deze meetpunten zijn representatief voor respectievelijk een locatie met veel verkeer en een zogeheten stedelijke achtergrondlocatie in de omgeving van Hilversum. Van 2009 tot en met 2014 wordt op de stations een licht dalende trend waargenomen in concentraties van fijnstof en stikstofdioxide. Deze trend volgt de landelijke trend in het Landelijke Meetnet Luchtkwaliteit (LML). In 2014 verschillen de daggemiddelde concentraties van fijnstof op de twee stations niet betekenisvol. De concentratieniveaus zijn bovendien vergelijkbaar met die op andere stedelijke meetstations van het LML. De concentraties van stikstofoxiden variëren sterk gedurende de dag. De hoogste waarden zijn tijdens de ochtendspits gemeten op de locatie met veel verkeer. De jaargemiddelde stikstof(di)oxidegehaltes op de stations van het Hilversumse meetnet zijn iets lager dan die van gelijksoortige type stations van het LML. Dit blijkt uit de resultaten van luchtkwaliteitsmetingen van het RIVM. Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de gemeente Hilversum om gegevens te leveren over de luchtkwaliteit voor het Integraal BereikbaarheidsPlan (IBP) Hilversum. Het IBP is ingesteld om de doorstroom van verkeer in en rond Hilversum te verbeteren.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Bewoners van steden gebruiken steeds vaker braakliggende grond om met buurtgenoten groenten te verbouwen. Deze niet-commerciële 'buurtmoestuinen' kunnen - evenals de traditionelere volkstuintjes - bijdragen aan de gezondheid en de kwaliteit van de leefomgeving. Door in deze moestuinen te werken bewegen mensen meer en eten ze meer (zelfgekweekte) groenten en fruit. Er zijn ook aanwijzingen dat stress afneemt en (meer) sociale contacten in de buurt ontstaan. Op deze manier kunnen buurtmoestuinen gezondheidsproblemen helpen voorkomen, al is het belangrijk dat de risico's door eventuele bodem- en luchtverontreiniging tot een minimum zijn beperkt. Buurtmoestuinen sluiten aan bij de trend om in steden meer groen en parken aan te leggen. Ook passen ze in de trend om meer biologische, lokaal geproduceerde producten te eten. Hetzelfde geldt voor de behoefte aan meer betrokkenheid bij de eigen woonomgeving. Via de buurtmoestuinen kan bovendien een verbinding worden gelegd tussen beleid voor gezondheid en beleid voor de leefomgeving. Dit helpt om maatschappelijke vraagstukken aan te pakken, zoals gezond ouder worden. Deze positieve effecten komen naar voren in een literatuuronderzoek van het RIVM. De bevindingen worden onder andere gebruikt voor onderzoek naar moestuinen in verschillende Europese landen. Het onderzoek geeft ook per gezondheidseffect aan met welke indicatoren deze gemeten kunnen worden. Aanbevolen wordt om dit op consistente wijze te doen om bevindingen internationaal te kunnen vergelijken en duidelijk te krijgen of buurtmoestuinen daadwerkelijk helpen om de leefbaarheid, en daarmee de gezondheid, in de stad te verbeteren.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Bij het ontgassen van binnenvaartschepen die de stof MTBE (methyltert- butylether) vervoeren, kunnen restanten MTBE vrijkomen. Het ontgassen gebeurt als de schepen varen, in principe buiten woonwijken. Van MTBE is bekend dat het een hinderlijke geur verspreidt die klachten als hoofdpijn kan veroorzaken. Mensen aan wal kunnen last hebben van de geur, die al bij lage concentraties optreedt. Vanwege de korte blootstellingsduur wordt de kans klein geacht dat bij hen andere directe gezondheidseffecten optreden. Dit blijkt uit een kleinschalig onderzoek van het RIVM dat in samenwerking met TNO is uitgevoerd. Hiervoor is de berekende blootstelling vergeleken met de grenswaarden voor MTBE. Bij de berekeningen die voor dit onderzoek zijn uitgevoerd, is telkens uitgegaan van worst case-scenario's. Daarbinnen zijn de grenswaarden zelden overschreden. Het onderzoek is gestart naar aanleiding van Kamervragen die in 2013 zijn gesteld over de (geur)overlast bij mensen die in de regio Rijnmond aan de wal wonen. De Tweede Kamer wilde ook weten of het ontgassen van MTBEvervoerende schepen de oorzaak is van de verhoogde MTBEconcentraties die in Nederlands oppervlaktewater zijn aangetroffen. Dat blijkt niet het geval te zijn. MTBE is een stof die wordt toegevoegd aan benzine om de kwaliteit ervan te verbeteren ('antiklopmiddel'). In Nederland vervoeren binnenvaartschepen ongeveer 600 scheepsladingen MTBE per jaar. Wanneer een schip overgaat op een andere scheepslading, wordt het schip gereinigd en ontgast.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
In response: Some species sensitivity distribution statistics revisited. A governmental perspective | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Implementation of out-of-office blood pressure monitoring in the Netherlands: from clinical guidelines to patients' adoption of innovation | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Economic costs of measles outbreak in the Netherlands, 2013-2014 | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
De Staat van zoönosen geeft jaarlijks een overzicht van infectieziekten die overgaan van dier op mens, de zogenoemde zoönosen. Het gaat om de mate waarin meldingsplichtige zoönosen voorkomen en de ontwikkelingen daarvan op de lange termijn. Hierbij betreft het zowel het aantal ziektegevallen bij mensen als het voorkomen van deze ziekteverwekkers bij dieren. Ook worden elk jaar opmerkelijke voorvallen uitgelicht en wordt een thema behandeld. Voor de meeste zoönosen zijn in 2014 geen uitgesproken veranderingen waargenomen. Wel is het aantal mensen met leptospirose (waarvan de bekendste vorm de ziekte van Weil is) aanmerkelijk hoger dan het vorige jaar, van gemiddeld 30 gevallen in de afgelopen jaren naar 97 in 2014. Ook steeg het aantal Hantavirusinfecties (van gemiddeld 13 in de voorgaande jaren naar 36 in 2014). UItgelicht Een opmerkelijke gebeurtenis in 2014 is dat twee patiënten in een ziekenhuis zijn opgenomen met een ernstige longontsteking na een infectie met Chlamydia caviae. Beide patiënten bleken thuis cavia's te houden die een luchtweginfectie hadden doorgemaakt. Verder was er sinds 2003 weer een uitbraak van vogelgriep bij pluimveebedrijven veroorzaakt door een hoogpathogeen virus. Hierbij zijn vier van de vijf besmette bedrijven onafhankelijk van elkaar besmet geraakt. Het virus was vermoedelijk afkomstig van trekkende watervogels. Het is onbekend of dit virustype overdraagbaar is op de mens; wereldwijd zijn daar geen gevallen van bekend. Vogels Het thema van dit jaar is 'Onze gevleugelde vrienden' en gaat over zoönosen die via vogels kunnen worden overgebracht, zoals de papegaaienziekte. Hierbij wordt onder andere beschreven op welke vliegroutes van trekvogels gezamenlijke broed- en voederplaatsen liggen waar ze elkaar kunnen treffen en zoönoseverwekkers aan elkaar zouden kunnen overdragen.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Reproductive factors and risk of mortality in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition; a cohort study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Attitudes of Dutch general practitioners towards vaccinating the elderly: less is more? | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Farmacogenetica in de eerstelijnszorg | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Etnische verschillen bij een acuut hartinfarct | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Recovering full-length viral genomes from metagenomes | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Disability weights for the Global Burden of Disease 2013 study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Cyclosporin A induced toxicity in mouse liver slices is only slightly aggravated by Fxr-deficiency and co-occurs with upregulation of pro-inflammatory genes and downregulation of genes involved in mitochondrial functions | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Some models and methods for the analysis of observational data | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Microbial transport and fate in the subsurface environment: introduction to the special section | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Energy and macronutrient intake and risk of differentiated thyroid carcinoma in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Age-specific differences in influenza virus type and subtype distribution in the 2012/2013 season in 12 European countries | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Genotypic anomaly in Ebola virus strains circulating in Magazine Wharf area, Freetown, Sierra Leone, 2015 | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
First step in using molecular data for microbial food safety risk assessment; hazard identification of Escherichia coli O157:H7 by coupling genomic data with in vitro adherence to human epithelial cells | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Public health impact of salt reduction | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Grouping and read-across approaches for risk assessment of nanomaterials | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
De GGD adviseert de bevolking onder meer bij gezondheidsproblemen die voortkomen uit de fysieke leefomgeving, zoals verontreinigingen van bodem, lucht en water of het binnenmilieu met onder andere chemische verontreinigingen en straling. Om de adviezen te uniformeren, worden ze ontleend aan richtlijnen. Het RIVM heeft een nieuwe visie beschreven om de richtlijnen medische milieukunde op te stellen. De belangrijkste veranderingen zijn dat ze systematisch op basis van het 'beste bewijs' worden ontwikkeld en dat ze de mogelijkheid bevatten om continu te worden aangepast. Het 'beste bewijs' (evidence-based) kan variëren van het hoogste niveau van wetenschappelijk bewijs tot de mening van deskundigen op basis van praktijkervaringen. Dit laatste is relevant wanneer een wetenschappelijke onderbouwing ontbreekt. Door de richtlijn als 'levend document' in te richten, wordt de mogelijkheid gecreëerd om nationale en internationale ontwikkelingen te volgen en de richtlijn daar zonodig op aan te passen. Richtlijnen worden in elk geval elke vijf jaar geëvalueerd en desgewenst aangepast, maar dat kan nu ook tussentijds. Richtlijnen zijn niet bindend. De procedure is dusdanig opgesteld dat de richtlijnen optimaal worden ontwikkeld en beheerd. Het is mogelijk, en soms zelfs nodig, om, mits gemotiveerd, afhankelijk van de lokale situatie van een richtlijn af te wijken. De nieuwe visie is door het RIVM samen met GGD'en opgesteld en is gefinancierd door het ministerie van VWS. De consequenties van de voorgestelde veranderingen zullen nog door een werkgroep van GGD'en en het RIVM worden uitgewerkt. Hierbij wordt onder andere gekeken naar de haalbaarheid van veranderingen, de termijn waarop ze gerealiseerd kunnen worden en de inzet die het van betrokken organisaties vergt.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Bij een stralingsongeval kan radioactiviteit in het leefmilieu terechtkomen en kunnen mensen aan ioniserende straling worden blootgesteld. Om de Nederlandse bevolking zo veel mogelijk tegen de gevolgen hiervan te beschermen is beleid op dit gebied ontwikkeld. De uitgangspunten hiervoor zijn uiteengezet in het Nationaal Crisisplan Stralingsincidenten, dat sinds 2014 het Nationaal Plan Kernongevallenbestrijding vervangt. Naar aanleiding hiervan heeft het RIVM de belangrijkste technische informatie over dit onderwerp geactualiseerd en gebundeld. In dit document zijn onder meer de belangrijkste 'objecten' in kaart gebracht waar zich een stralingsongeval kan voordoen, zoals kernenergiecentrales. Verder zijn scenario's beschreven van typen ongevallen waarvoor in Nederland beschermingsmaatregelen zijn voorbereid. Daarnaast is beschreven op welke manier de effecten van een stralingsongeval in kaart kunnen worden gebracht, en wat de belangrijkste beschermingsmaatregelen zijn. Het document bevat ook de nieuwe interventieniveaus en zoneringen voor diverse beschermingsmaatregelen. Deze zijn recentelijk geharmoniseerd met het buitenland. Het RIVM beheert een groot deel van de kennis- en modelleringsinfrastructuur en heeft veel kennis en expertise in huis. Tijdens een stralingsongeval heeft het - samen met andere overheidsorganisaties - de taak om degenen die een beslissing moeten nemen over mogelijke maatregelen, van informatie te voorzien en te adviseren. Door de belangrijkste technische gegevens te actualiseren en te bundelen in dit document, zijn het RIVM en zijn crisispartners beter voorbereid op deze taak.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
In de Verenigde Staten zijn berichten verschenen dat militairen die naar Irak en Afghanistan zijn uitgezonden vaker zelfmoord plegen. Het RIVM heeft een eerste onderzoek gedaan naar de vraag of dat ook aan de orde is onder uitgezonden Nederlandse mannelijke militairen. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat de onderzochte uitgezonden Nederlandse militairen tussen 2004 en 2012 vaker zelfmoord hebben gepleegd. Het is niet uit te sluiten dat onderzoek over een andere periode met andere missies, andere uitkomsten kan geven. Om meer inzicht te krijgen in de gevolgen van uitzending op militairen en hoe dat ingrijpt in hun leven is ander onderzoek nodig. Hiervoor is het onder andere van belang uit te zoeken welke factoren van invloed zijn geweest op zelfmoordgevallen die zich hebben voorgedaan. Ook zouden andere zaken onderzocht kunnen worden, zoals het aantal mislukte zelfdodingen.\ Het RIVM baseert zijn bevindingen op gegevens van ruim 40.000 Nederlandse mannen die op (vredes)missies zijn uitgezonden; het ministerie van Defensie houdt deze gegevens sinds 2004 centraal en gestructureerd bij. In dit onderzoek is gekeken naar militairen die langer dan 30 dagen zijn uitgezonden. Het aantal militairen dat tussen 2004 en 2012 is overleden en de doodsoorzaken zijn herleid door de gegevens van Defensie te koppelen aan de registratie van doodsoorzaken van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). De mate waarin zelfdoding voorkomt onder militairen die op missie zijn geweest, verschilde niet statistisch significant van de mate waarin dat voorkomt onder werkende Nederlandse mannen en mannelijke militairen die niet of korter dan 30 dagen zijn uitgezonden. Het onderzoek is op verzoek van het ministerie van Defensie uitgevoerd naar aanleiding van de zorg over dit onderwerp onder militairen, in de media en de politiek.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Modelling the species jump: towards assessing the risk of human infection from novel avian influenzas | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Development and characterization of broadly cross-reactive monoclonal antibodies against all known ebolavirus species | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Fruit and Vegetable Consumption and Cognitive Decline | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Preferences for vaccination: does health literacy make a difference? | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Physical activity is not associated with estimated glomerular filtration rate among young and middle-aged adults: results from the Population-based Longitudinal Doetinchem Study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Disease burden of invasive meningococcal disease in the Netherlands between june 1999 and june 2011: a subjective role for serogroup and clonal complex | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Preferences for vaccination: does health literacy make a difference? | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Different dynamics for IgG and IgA memory B cells in adolescents following a meningococcal serogroup C tetanus toxoid conjugate booster vaccination nine years after priming: a role for priming age? | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Copulation activity, sperm production and conidia transfer in Aedes aegypti males contaminated by Metarhizium anisopliae: a biological control prospect | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Propensity to seek healthcare in different healthcare systems: analysis of patient data in 34 countries | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Silver sulfide nanoparticles (Ag2S-NPs) are taken up by plants and are phytotoxic | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Sinds 2001 mag pluimveevlees in Nederland uitsluitend verkocht worden in een verpakking waar een waarschuwingsetiket op staat. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat 81% van de consumenten dit etiket belangrijk vindt en dat 22% van plan is om de keukenhygiëne te verbeteren na het lezen van het etiket. Het RIVM adviseert daarom om dit etiket te behouden. Het doel van het waarschuwingsetiket is dat consumenten minder voedselinfecties oplopen door het vlees onder optimale condities naar huis te vervoeren, te bewaren en te bereiden. De waarschuwing op de verpakking luidt: 'Let op, geef schadelijke bacteriën geen kans. Zorg daarom dat deze bacteriën niet via de verpakking, uw handen of het keukengerei in uw eten terechtkomen. Maak dit vlees door en door gaar om deze bacteriën uit te schakelen'. Vlees van pluimvee is de belangrijkste oorzaak van de voedselinfecties die naar schatting 680.000 mensen jaarlijks in Nederland oplopen. Een belangrijke reden hiervoor is dat consumenten vaak geen optimale keukenhygiëne hanteren. Het advies is gebaseerd op een vragenlijst onder 514 consumenten. Respondenten die aangeven het etiket te lezen, rapporteren een iets betere keukenhygiëne dan respondenten die aangeven het etiket niet te lezen. Ruim 69% rapporteert een goede keukenhygiëne te hebben, ongeacht of zij aangeven het etiket te lezen. Vooral voor de 22% die aangeeft hun keukenhygiëne te willen verbeteren na het lezen van de waarschuwing, is het etiket zeer zinvol. Dit aantal is relatief laag omdat een groot deel van de respondenten aangeeft dat zij al een goede keukenhygiëne heeft. Of de 22% daadwerkelijk de keukenhygiëne gaat veranderen, moet nog nader worden onderzocht. Aanbevolen wordt te onderzoeken of een prominentere plek of een andere vormgeving van het etiket op de verpakking het effect ervan vergroot; het staat nu vaak op de achterkant van het product, bij de informatie over de voedingswaarde. Daarnaast kan overwogen worden om informatie toe te voegen over de juiste koelkasttemperatuur (4 0C). Veel respondenten geven aan dit niet te weten, maar het is momenteel geen verplichte informatie op het etiket.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
In Nederland mogen alleen geregistreerde geneesmiddelen in de handel worden gebracht, wat wil zeggen dat ze moeten zijn goedgekeurd door het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen. Wel is het toegestaan dat apothekers zelf op kleine schaal geneesmiddelen bereiden voor eigen patiënten als deze niet gebaat zijn bij een geregistreerd, industrieel bereid product. Tegenwoordig wordt hiervoor steeds vaker een product afgeleverd dat in een andere apotheek bereid is. Deze zogeheten collegiale levering is volgens de wet niet toegestaan. Het gaat hier immers niet om een rechtstreekse verstrekking aan eigen patiënten van een apotheek. Uit een inventarisatie van het RIVM blijkt dat een aantal producten dat collegiaal wordt geleverd geen meerwaarde heeft ten opzichte van geregistreerde producten. Sinds 2007 is het aandeel van dit type producten afgenomen van 52 naar 33 procent. Dat komt doordat vanaf dat jaar een aantal strikte voorwaarden gelden voor de collegiale leveringen van apotheekbereidingen. Deze voorwaarden zijn in het belang van patiënten bepaald door de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) met het ministerie van VWS. Zo mag het middel alleen worden verstrekt als er geen geregistreerd alternatief voor bestaat, of als voldoende is bewezen dat de patiënten niet gebaat zijn bij de geregistreerde alternatieven. Een deel van de apothekers heeft de collegiale leveringen van eigen bereidingen gestaakt omdat ze niet aan de voorwaarden van de IGZ konden voldoen. Andere apothekers hebben, conform de restricties, onder andere 'productiedossiers' samengesteld om aan te tonen dat ze aan de voorwaarden voldoen. De inventarisatie is gemaakt op basis van de in de productdossiers aanwezige informatie. Tijdens de IGZ-inspecties kan blijken dat een product waar het RIVM geen meerwaarde in ziet omdat het niet als zodanig in het productdossier is onderbouwd, toch als nuttig en noodzakelijk kan worden beschouwd door de IGZ. Ook de beroepsgroepen kunnen aangeven dat bepaalde producten in een behoefte voorzien. Productdossiers zouden dan wel met deze informatie moeten worden aangevuld.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
ABO blood group alleles and prostate cancer risk: Results from the breast and prostate cancer cohort consortium (BPC3) | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Molecular detection of Toxoplasma gondii in water samples from Scotland and a comparison between the 529bp real-time PCR and ITS1 nested PCR | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Rates of lateral gene transfer in prokaryotes: high but why? | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
EuroFIR quality approach for managing food composition data; where are we in 2014? | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Presence of human papillomavirus in semen of healthy men is firmly associated with HPV infections of the penile epithelium | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
A comparative analysis on the in vivo toxicity of copper nanoparticles in three species of freshwater fish | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Whole genome sequencing demonstrates that geographic variation of Escherichia coli O157 genotypes dominates host association | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Neurocysticercosis in Europe: need for a one health approach | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Sample selection, recruitment and participation rates in health examination surveys in Europe - experience from seven national surveys | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
A Mendelian randomization study of circulating uric acid and type 2 diabetes | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
De concentraties fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) op de twee permanente meetlocaties in Hilversum en Laren voldoen in 2013 aan de normen, net als in eerdere jaren. Deze meetpunten zijn representatief voor respectievelijk een verkeersbelaste en een stedelijke achtergrondlocatie in de omgeving van Hilversum. In 2013 verschillen de daggemiddelde concentraties van fijnstof op de twee stations niet betekenisvol. De concentratieniveaus zijn bovendien vergelijkbaar met die op andere stedelijke meetstations van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML). De concentraties van stikstofoxiden variëren sterk over de dag. De hoogste waarden werden tijdens de ochtendspits gemeten op de locatie met veel verkeer. De jaargemiddelde stikstof(di)oxidegehaltes op de stations van het Hilversumse meetnet zijn iets lager dan die van gelijksoortige type stations van het LML. Over de jaren 2009-2013 wordt op de stations een licht dalende trend waargenomen in concentraties van PM10 en NO2. Deze trend volgt de landelijke trend in het LML, alleen zijn de jaargemiddelde concentraties in het Hilversumse meetnet lager dan het landelijk jaargemiddelde van de gelijksoortige type stations in het LML. Dit blijkt uit de resultaten van luchtkwaliteitsmetingen van het RIVM. Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de gemeente Hilversum om gegevens te leveren over de luchtkwaliteit voor het Integraal BereikbaarheidsPlan (IBP) Hilversum. Het IBP is ingesteld om de doorstroom van verkeer in en rond Hilversum te verbeteren.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Towards an animal-free integrated testing strategy for the identification of skin sensitizing chemicals | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Exploring the use of influenza virus sequence diversity for the identification and characterization of transmission events | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Het RIVM heeft samen met buurtbewoners onderzocht in hoeverre bewoners uit Amsterdam-Slotermeer hun leefomgeving als gezond ervaren. Zij blijken de fysieke leefomgeving positief te waarderen, omdat deze een goede gezondheid ondersteunt. Minder positief oordelen ze over de sociale cohesie in de wijk. Meer sociale samenhang, ook tussen de verschillende culturen, vinden ze belangrijk voor hun gezondheid. Sociale contacten voorkomen dat mensen eenzaam worden en ongezond gaan leven. Daarnaast voelen veel mensen zich onveilig op straat. De bewoners zijn het meest positief over het groen in de wijk, zoals het Sloterpark en de Sloterplas. Ze zijn ook positief over het openbaar vervoer en buurtvoorzieningen waar mensen elkaar kunnen ontmoeten. Minder tevreden zijn ze over afval op straat en de slechte kwaliteit van de woningen. Verder blijkt dat bewoners veel behoefte hebben aan voorlichting over gezonde voeding, bewegen, opvoeding en veiligheid. Ook armoede is een belangrijk thema; gezond leven is voor veel mensen te duur. Voor dit project interviewden lokale vrijwilligers hun buurtgenoten. Door deze werkwijze konden de interviewers hun lokale netwerk inzetten, evenals hun 'insiderskennis' over de wijk. Zelf hebben ze ook veel aan het project gehad. Na afloop oordeelden zij positiever over hun wijk doordat zij bewuster naar hun leefomgeving zijn gaan kijken. Daarnaast kwamen de vrijwilligers in contact met mensen buiten hun directe netwerk en deden ze meer kennis op over gezondheid. Voor hen kreeg praten over gezondheid een verbindende functie. Doordat iedereen het belangrijk vindt om gezond te zijn en het geen politiek onderwerp is, leent dit onderwerp zich om culturele verschillen te overbruggen. De bevindingen zijn een aanvulling op bestaande wetenschappelijke inzichten en kunnen worden gebruikt om beleid beter te laten aansluiten op de praktijk. Door de eenzijdige samenstelling van zowel de interviewers als de geïnterviewden aan dit project (vooral Marokkaanse vrouwen van in de veertig), is het echter moeilijk om te bepalen hoe representatief de uitkomsten zijn.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Reduced-sodium lunches are well-accepted by uninformed consumers over a 3-week period and result in decreased daily dietary sodium intakes: a randomized controlled trial | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Sinds de jaren negentig wordt internationaal onderzoek verricht naar 'duurzaam stortbeheer'. Het idee hierachter is dat de bron, de stortplaats zelf, schoner wordt, zodat er minder verontreinigingen uit de stortplaatsen kunnen weglekken. Op deze manier worden de bodem en het nabijgelegen grondwater beschermd. Tot nu toe zijn er nog geen technieken beschikbaar waarvan het effect op grote schaal bewezen is. In dat verband heeft het RIVM, in samenwerking met het Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN), onderzoek gedaan voor drie vuilstortlocaties in Nederland. Voor deze locaties zijn 'emissietoetswaarden' afgeleid, waarmee kan worden vastgesteld hoeveel schadelijke stoffen er maximaal in het water afkomstig van de stortplaats mag zitten. Bij duurzaam stortbeheer wordt het afval geïnfiltreerd met water en lucht. Hierdoor treden er processen op die stimuleren dat de verontreinigingen in de stortplaats worden afgebroken of zich binden aan stoffen in het afval. Na een proefperiode van tien jaar zouden de nog aanwezige concentraties in de stortplaats lager moeten zijn. Het gaat om concentraties van organische stoffen (zoals PAK's), anorganische stoffen (zoals metalen) en 'macro-parameters' (zoals nitraat, fosfaat en chloride). Het 'vertrekpunt' bij de berekening van de emissietoetswaarden zijn de maximaal toegestane concentraties van verontreinigende stoffen in het grondwater en oppervlaktewater dat zich naast de stortplaatsen bevindt. Van daaruit zijn deze concentraties omgerekend naar de hoeveelheden die het water dat afkomstig is van de stortplaats (percolaat) zou mogen bevatten. Het unieke hierbij is dat er rekening is gehouden met de mate waarin stoffen in het grond- en oppervlaktewater worden verdund, door bijvoorbeeld regenwater of nabijgelegen grondwater. Ook kunnen stoffen zich binden aan bodemdeeltjes. Daarmee is voor een locatiespecifieke aanpak gekozen. Het huidige beleid voor het beheer van stortplaatsen is erop gericht om verontreinigingen in het afval volledig water- en luchtdicht in te pakken (zowel aan de boven- als aan de onderkant). Op deze manier is het risico zo klein mogelijk gemaakt dat de bodem en het grondwater verontreinigd raken. Een nadeel is dat eeuwigdurende en omvangrijke nazorg nodig is. Aangezien de verontreiniging niet wordt afgebroken, moeten de isolatiematerialen die op den duur poreus worden en gaan lekken, regelmatig worden vervangen. Hieraan zijn aanzienlijke kosten verbonden. Met de ontwikkeling van de emissietoetswaarden wordt een eerste stap gezet in het toestaan van proefprojecten om te onderzoeken of duurzaam stortbeheer het gewenste eindresultaat behaald.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Houd het simpel | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Contactallergie en fotocontactallergie voor de UV-filter octocrylene | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Prevalence, diagnosis, and disease course of pertussis in adults with acute cough: a prospective, observational study in primary care | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Transmission and progression to disease of Mycobacterium tuberculosis phylogenetic lineages in The Netherlands | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Is zesmaandelijkse controle bij type-2-diabetes haalbaar? | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
How can collaboration be strengthened between public health and primary care? A Dutch multiple case study in seven neighbourhoods | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Comparison of health care experience and access between young and older adults in 11 high-income countries | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Reduced-sodium lunches are well-accepted by uninformed consumers over a 3-week period and result in decreased daily dietary sodium intakes: a randomized controlled trial | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
How can collaboration be strengthened between public health and primary care? A Dutch multiple case study in seven neighbourhoods | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Association between oxidative stress and frailty in an elderly German population: results from the ESTHER Cohort Study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Comparison of health care experience and access between young and older adults in 11 high-income countries | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Has variation in length of stay in acute hospitals decreased? Analysing trends in the variation in LOS between and within Dutch hospitals | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Osteocalcin is not associated with the risk of type 2 diabetes: Findings from the EPIC-NL Study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
In Zuid-Limburg onderzoeken drie instanties de hoeveelheid nitraat die door landbouwactiviteiten in het grondwater terecht kan komen. Deze instanties hebben verschillen geconstateerd in de gemeten nitraatconcentratie in het bodemvocht dat naar het grondwater wegspoelt. Deze verschillen bleken terug te voeren op de meetmethodiek. Het RIVM heeft een literatuurstudie gedaan naar meetmethoden om nitraatconcentraties te meten. Hieruit blijkt dat de wetenschappelijke literatuur geen voorkeur aangeeft voor één bepaalde meetmethodiek. Het is niet zeker of aanvullend laboratorium- of veldonderzoek die duidelijkheid zal opleveren. De betrokken drie instanties zijn Waterleidingmaatschappij Limburg (WML), provincie Limburg en het RIVM. WML doet in Zuid-Limburg onderzoek in grondwaterbeschermingsgebieden, de provincie Limburg op de belangrijkste lössplateaus en het RIVM in het gehele lössgebied. De studie is uitgevoerd op verzoek van een werkgroep die de oorzaak onderzoekt van geconstateerde verschillen in de nitraatconcentraties. WML constateerde namelijk lagere nitraatconcentraties dan het RIVM. Uit een inventarisatie van de WML en het RIVM bleek dat alle meetprotocollen goed zijn onderbouwd. Doordat de gemeten nitraatconcentraties rond de norm liggen (50 milligram per liter), zijn de verschillen vanuit beleidsmatig oogpunt relevant.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
De griepepidemie van 2014/2015 duurde 21 weken en was daarmee de langstdurende in meer dan 40 jaar. Waarschijnlijk heeft het hoge aantal griepgevallen tot meer longontstekingen, een bekende complicatie van de griep, en meer sterfgevallen geleid. Tijdens de griepepidemie stierven ruim 65.000 mensen, dat is ruim 8.600 meer dan in deze 21 weken was verwacht. De griepprik bleek dit seizoen minder effectief dan verwacht. Het is niet duidelijk of dit de oorzaak van de lange duur van de epidemie is geweest. Dit blijkt uit het jaarverslag influenza en andere luchtweginfecties van het RIVM. Het RIVM voert met partners continue surveillance uit om ontwikkelingen in luchtweginfecties tijdig te signaleren. Zestigplussers en mensen die tot de medische risicogroep behoren, zoals astmapatiënten, worden elk najaar door de huisarts uitgenodigd om een griepprik te halen. Tussen begin december 2014 en eind april 2015 meldden zich wekelijks meer dan 51 patiënten per 100.000 inwoners met griepverschijnselen bij de huisarts. Er is sprake van een epidemie als dit aantal in twee opeenvolgende weken wordt overschreden. Het werkelijke aantal griepgevallen is veel hoger omdat lang niet iedereen met griepverschijnselen naar de huisarts gaat. Van de twee typen van het influenzavirus die voor de mens van belang zijn (A en B), is in het begin van het seizoen vooral het influenzavirus A (H3N2) aangetroffen. Later was dat vooral het influenzavirus B. Een deel van het circulerende influenza A-virus bleek af te wijken van het A-virus dat in het griepvaccin was opgenomen. Tot dusver kan nog niet worden geregistreerd hoeveel mensen in ziekenhuizen worden opgenomen vanwege complicaties van de griep. Het RIVM is daarom in 2015 in samenwerking met twee ziekenhuizen een onderzoek gestart om dit in kaart te brengen en de schattingen hiervan beter cijfermatig te onderbouwen. Andere luchtweginfecties In 2014 zijn in Nederland twee patiënten gediagnostiseerd met het MERS-Coronavirus. De patiënten hadden deze infectie opgelopen tijdens een reis naar het Midden Oosten. Wat betreft de meldingsplichtige luchtweginfectieziekten tuberculose, legionellose, papegaaienziekte (psittacose) en Q-koorts zijn er in het kalenderjaar 2014 geen zorgwekkende uitbraken of veranderingen in het aantal zieken waargenomen. Van deze infecties kwamen respectievelijk 823, 348, 41 en 25 meldingen binnen; de aantallen zijn in lijn met de voorgaande jaren. De genoemde infecties zijn meldingsplichtig, omdat tijdige maatregelen, zoals de besmettingsbron of contacten opsporen, belangrijk kunnen zijn om uitbraken of verdere verspreiding van de ziekte te voorkomen.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
In vrijwel alle Nederlandse woningen is de concentratie van zowel radon als thoron laag. Dat blijkt uit onderzoek naar radon en thoron dat het RIVM in 2013 en 2014 in ruim 2500 woningen in Nederland (bouwjaar 1930 en later) heeft uitgevoerd. Het is wereldwijd voor het eerst dat op deze schaal onderzoek is gedaan naar thoron in woningen. Radon en thoron zijn radioactieve edelgassen die van nature ontstaan in de bodem en in daarvan gemaakte bouwmaterialen. Vandaar uit kunnen ze in de woning terechtkomen. De radioactieve stoffen die ontstaan als radon en thoron vervallen, dragen bij aan het risico op longkanker. Bij radon zien we regionale verschillen. Zo is de gemiddelde concentratie in Zuid-Limburg ongeveer tweeënhalf keer zo hoog als het landelijk gemiddelde. Dit heeft waarschijnlijk te maken met verschillen in bodemtype. Maar in vergelijking met andere Europese landen is de radonconcentratie in Nederlandse woningen laag. Verder zien we dat de gemiddelde radonconcentratie in woningen, gebouwd vanaf 2000, ruim twintig procent lager is dan het landelijk gemiddelde. Daarmee is aan de eerder gemaakte afspraken tussen overheid en bouwwereld, om de straling in nieuwbouwwoningen niet te laten toenemen, voldaan. Voor thoron vallen de metingen lager uit dan verwacht. Er zijn enkele uitzonderingen, maar het aantal woningen met een meetwaarde aan de hoge kant is veel kleiner dan het RIVM op basis van een vooronderzoek uit 2012 had ingeschat. Voor thoron zijn nog geen normen of grens- waarden vastgesteld. En omdat dit het eerste grote thorononderzoek in de wereld is, is de onzekerheid in de meetresultaten groter dan bij radon het geval is. Dat maakt het interpreteren en beoordelen van de thoronmeetresultaten ingewikkeld. Ook is het precieze verband tussen de hoeveelheid thoron die vrijkomt uit pleistermaterialen, en de concentratie van vervalproducten van thoron in de woning nog niet duidelijk. Er is extra onderzoek nodig om dit beter uit te zoeken. Van nature veranderen radon en thoron in radioactieve stoffen die zich aan zwevende stofdeeltjes in huis hechten. Na inademen blijven ze achter in de longen en geven daar straling af. Die straling draagt bij aan het risico op longkanker. Hoewel de hier gemeten concentraties radon en thoron in woningen internationaal gezien laag zijn, leidt het toch nog tot zo'n vierhonderd gevallen van longkanker per jaar in Nederland. Het betreft vooral rokers. Dat komt doordat het gezondheidsrisico van radon en thoron voor rokers gemiddeld 25 keer zo groot is als voor nooit- rokers. De nieuwe schatting van het aantal gevallen van longkanker per jaar door radon en thoron valt iets lager uit dan de vorige schatting uit 2000. Ook hebben we nu een beter beeld van de bijdrage door radon (ongeveer 70 procent) en door thoron (ongeveer 30 procent).
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Het gebruik van chemische stoffen, bijvoorbeeld in consumentenproducten, kan door Europese maatregelen worden beperkt zodat mensen minder aan deze stoffen worden blootgesteld. De mate waarin deze beleidsmaatregelen bijdragen aan een afname van nadelige gezondheidseffecten moet worden onderbouwd. Voor een REACH-restrictiedossier of -autorisatieaanvraag worden de verwachte gezondheidseffecten geanalyseerd met een gezondheidseffectschatting (Health Impact Assessment). Om deze analyse optimaal te kunnen benutten, heeft het RIVM een handzame leidraad ontwikkeld. Hiermee worden beleidsmakers geholpen om de effecten van voorgenomen beleidsmaatregelen te bepalen. De leidraad bevat een beknopte tabel met de belangrijkste elementen die nodig zijn om te kunnen schatten welke gezondheidseffecten optreden. Het document geeft een helder beeld van de aannames die in de analyse aan de orde zijn. Op deze manier wordt duidelijk of met onzekerheden rekening is gehouden en of de gemaakte aannames zijn onderbouwd. De leidraad is ontwikkeld op basis van de huidige literatuur. Daarnaast is de leidraad toegepast op schattingen van gezondheidseffecten die voor bestaande restrictiedossiers zijn uitgevoerd. Op die manier zijn omissies en verbeterpunten in kaart gebracht waarmee de leidraad is verbeterd. De tabel kan gemakkelijk toegepast worden door degenen die de gezondheidseffectschattingen opstellen en de commissies die ze beoordelen.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Estimation of acute and chronic Q fever incidence in children during a three-year outbreak in the Netherlands and a comparison with international literature | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Metabolomic profiles of hepatocellular carcinoma in a European prospective cohort | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Pathogenic Escherichia coli producing extended-spectrum beta-lactamases isolated from surface water and wastewater | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Het RIVM heeft onderzocht of de ecologische risicogrenzen in bodem voor twee groepen bestrijdingsmiddelen veilig zijn voor roofvogels. Dit betreft zogeheten drins (dieldrin, aldrin, endrin) en DDT, inclusief de bijbehorende afbraakproducten DDD en DDE. Voor endrin en het totaal aan DDT-verbindingen zijn de risicogrenzen aangescherpt om ook roofvogels voldoende te beschermen. Voor dieldrin en aldrin zijn de risicogrenzen daarvoor wel toereikend. Deze informatie kan zowel landelijk als door lokale overheden worden gebruikt bij het afleiden van normen en beslissingen over hergebruik van grond, vooral in groene gebieden. De onderzochte bestrijdingsmiddelen zijn verboden, maar zitten in bepaalde gebieden van Nederland nog steeds in de bodem. Kleine vogels en zoogdieren krijgen de stoffen binnen via het eten van wormen en andere bodemdieren en geven ze vervolgens door aan grotere roofvogels. Voor dit onderzoek is recente kennis gebruikt over de mate waarin stoffen via de voedselketen schadelijk kunnen zijn voor grotere organismen. Deze 'stapeling' blijkt voor deze stoffen belangrijk en is daarom betrokken bij de berekening van de ecologische risicogrenzen. De huidige risicogrenzen zijn in 2001 afgeleid en zijn alleen gebaseerd op de mate waarin ze direct giftig zijn voor organismen in de bodem. Over de directe giftigheid waren destijds weinig gegevens beschikbaar en er zijn in de huidige studie ook nauwelijks nieuwe gegevens bijgekomen.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM doet een voorstel voor nieuwe Nederlandse risicogrenzen voor nikkel in de bodem. Deze grenzen geven aan bij welke concentraties nikkel negatieve effecten op het ecosysteem in de bodem kan veroorzaken. Het voorstel is gebaseerd op de meest recente data en inzichten in Europa. Met deze grenzen worden de risico's van een nikkelverontreiniging realistischer ingeschat. Als gevolg daarvan zullen de normen strenger zijn voor enkele typen bodems, zoals bodems waar meer nikkel uit vrijkomt. Voor het merendeel van de bodems zullen de normen soepeler uitvallen. Nieuw is dat bij deze normen rekening wordt gehouden met de mate waarin bodemorganismen worden blootgesteld aan de vervuilende stof, de zogeheten biobeschikbaarheid. Uit de bodem komt namelijk niet de totale concentratie vrij, omdat een deel aan bodemdeeltjes 'vast blijft zitten'. In welke mate dat gebeurt, is afhankelijk van de samenstelling van de bodem en verschilt daarom per bodemtype. In het onderzoek is ook een correctiemethode ontwikkeld waarmee de totale concentratie van een stof in de bodem kan worden omgerekend naar de concentratie die vrijkomt. e huidige bodemnormen voor nikkel dateren van 2001 en zijn gebaseerd op drie testgegevens met regenwormen. De laatste 15 jaar is er binnen de Europese Unie veel experimenteel onderzoek gedaan naar de mate waarin nikkel giftig is voor bodemorganismen. Het RIVM heeft op basis van deze 184 testresultaten, verdeeld over 43 verschillende soorten organismen of bodemprocessen, nieuwe maximaal toelaatbare risico- (MTR) en ernstige risicoconcentraties (ER) in de bodem afgeleid.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
De handreiking 'Een gezondere regio' biedt handvatten om lokaal of regionaal met de informatie uit de VTV-2014 aan de slag te gaan. De handreiking helpt om de afwegingen tussen gezondheidsproblemen, politieke doelen en maatschappelijke waarden op speelse wijze te bespreken, om zo tot (integrale) beleids- en besluitvorming te komen. Bijvoorbeeld om een lokale of regionale volksgezondheidnota te ontwikkelen. Ook andere toepassingen zijn denkbaar. Zo is de informatie uit de VTV bruikbaar om de doelen of visie van een organisatie te formuleren of om aansluiting te zoeken bij nieuwe samenwerkingspartners. Verder kan hij worden gebruikt om in te spelen op lokale ontwikkelingen, zoals de overgang van de verantwoordelijkheid naar de gemeenten voor de jeugdzorg, werk en inkomen, en zorg aan langdurig zieken en ouderen. De handreiking bevat inzichten, werkvormen, (spel)materialen en inspiratie voor GGD'en of andere professionals. De VTV (Volksgezondheid Toekomst Verkenning) brengt elke vier jaar een grote hoeveelheid actuele informatie samen over gezondheid en zorg in Nederland.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft nieuwe Nederlandse ecologische risicogrenzen bepaald voor arseen in de bodem. Deze grenzen geven aan bij welke concentraties arseen schadelijke effecten op het ecosysteem in de bodem kan veroorzaken. De nieuwe risicogrenzen zijn strenger, om bacteriën en schimmels te beschermen tegen hoge arseenconcentraties. Bacteriën en schimmels zijn belangrijk om de bodem gezond te houden maar blijken heel gevoelig te zijn voor arseen. Als ze door de aanwezigheid van een kleine hoeveelheid van deze stof minder goed functioneren, kan er in de bodem bijvoorbeeld een tekort ontstaan aan bepaalde voedingsstoffen. Arseen is een stof die van nature in de Nederlandse bodem zit. Ook door menselijke activiteit kan arseen de bodem hebben vervuild. Arseen is lange tijd veel gebruikt, bijvoorbeeld in verf en lijm of als bestrijdingsmiddel. Aangezien arseen een kankerverwekkende stof is, is het gebruik ervan sinds 2004 steeds meer aan banden gelegd. Interventiewaarden en Maximale Waarden bodem De nieuwe risicogrenzen zijn bepaald omdat de huidige van 2001 dateren en op beperkte gegevens zijn gebaseerd. Risicogrenzen zijn nodig om de zogeheten interventiewaarden en Maximale Waarden bodem te kunnen bepalen. Als de interventiewaarde wordt overschreden, komt de bodem in aanmerking voor sanering. Maximale Waarden zijn van belang om te bepalen of de grond in verband met hergebruik op een andere locatie mag worden verplaatst (grondverzet). De risicogrenzen voor bodem Voor deze doeleinden zijn in totaal twee risicogrenzen bepaald: de Ernstige Toevoeging (ET) en de Maximaal Toelaatbare Toevoeging (MTT). De Ernstige Toevoeging is de concentratie waarbij schadelijke effecten van de stof voor het bodemecosysteem te verwachten zijn. De bepaalde ET voor de bodem is 0,26 milligram per kilogram drooggewicht bodem. De Maximaal Toelaatbare Toevoeging (MTT) voor arseen in de bodem is bepaald op 0,0012 milligram per kilogram drooggewicht bodem. Onder dit niveau zijn geen negatieve effecten voor het ecosysteem in de bodem te verwachten. In beide risicogrenzen is nog niet verrekend hoeveel arseen er van nature in de bodem zit (de achtergrondconcentratie). De achtergrondconcentratie moet dus nog bij de risicogrenzen worden opgeteld. Het RIVM heeft daar na een separaat onderzoek ook een voorstel voor gedaan.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Rond Schiphol zijn de concentraties ultrafijnstof verhoogd als gevolg van de luchtvaart. Direct buiten het luchthaventerrein is de gemiddelde bijdrage van luchtvaartactiviteiten vergelijkbaar met de bijdrage van wegverkeer in straten in binnenstedelijk gebied. Naarmate de afstand tot het luchthaventerrein toeneemt, neemt de concentratie ultrafijnstof af: op zo’n vijftien kilometer van de luchthaven is de bijdrage van de luchtvaart nog circa 20 procent van de bijdrage direct naast het luchthaventerrein. Ultrafijnstof is het bestanddeel van fijnstof met de allerkleinste afmeting: kleiner dan 0,1 micrometer. In het algemeen wordt aangenomen dat ultrafijnstof schadelijk is. De wetenschappelijke kennis hierover is nog beperkt. Of, en zo ja in welke mate, in de omgeving van Schiphol sprake is van extra gezondheidseffecten als gevolg van de blootstelling aan ultrafijnstof kan op basis van de huidige inzichten niet worden bepaald. Dit blijkt uit verkennend onderzoek dat in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu is uitgevoerd. Ultrafijnstof komt zowel van nature in de lucht als door menselijk handelen voor. Vooral door het stoken van hout, verbranden van afval en het gebruik van fossiele brandstoffen in voertuigen voegt de mens ultrafijnstof toe. In het voorjaar van 2015 is voor dit onderzoek de hoeveelheid ultrafijnstof in de omgeving van Schiphol gemeten door een samenwerkingsverband van vier kennisorganisaties. Ultrafijnstof is in dat gebied voornamelijk afkomstig van wegverkeer, vliegtuigen en overige voertuigen op en rond het luchthaventerrein. Uit de beperkte gegevens die in de wetenschappelijke literatuur beschikbaar zijn, blijken de hoeveelheden ultrafijnstof rond Schiphol vergelijkbaar met die bij andere internationale luchthavens. De meetresultaten zijn met behulp van modelberekeningen vertaald naar een kaart van een groter gebied om Schiphol heen (circa twintig bij dertig kilometer). In het grootste deel van dit gebied zijn andere bronnen van fijnstof dan de luchtvaart, vooral wegverkeer, bepalend voor de totale hoeveelheid ultrafijnstof in de lucht. De meetgegevens laten zien dat er een extra bijdrage is, afkomstig van het vliegverkeer rond Schiphol en de activiteiten op de luchthaven.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Formaldehyde is de werkzame stof in veel desinfecteer- en conserveringsmiddelen, maar deze stof is kankerverwekkend. Daarom zal formaldehyde naar verwachting per 1 januari 2016 op Europees niveau als zodanig worden geclassificeerd (carcinogeen 1B). Dit kan betekenen dat formaldehyde-houdende middelen die momenteel op de markt zijn, niet meer worden toegelaten. Uit een eerste inventarisatie van het RIVM blijkt dat er voor de meerderheid van de toepassingen als desinfecteer- en conserveringsmiddel (biociden) voldoende chemische alternatieven beschikbaar zijn. Wel moet nog specifiek per sector en toepassing worden nagegaan of deze alternatieven daadwerkelijk geschikt zijn. Voorbeelden van toepassingen waar alternatieven voor zijn, zijn stal- en dierruimte ontsmetting, conserveringsmiddelen in wasmiddelen, verven en koelsystemen en slijmbestrijding in de papierindustrie. Voor sommige toepassingen zijn nauwelijks alternatieven gevonden. Dit betreft bijvoorbeeld de ontsmetting van champignonteeltcellen, schoeisel en de hoeven van vee. Hetzelfde geldt voor een aantal conserveringsmiddelen, bijvoorbeeld voor smeermiddelen en metaalbewerkingsvloeistoffen. Voor de desinfectie van afvalbakken voor maandverband (dameshygiëneboxen) blijkt geen enkel geregistreerd chemisch alternatief voor formaldehyde op de markt aanwezig. Dit geldt ook voor het (tijdelijk) conserveren van lichamen, dieren en weefsels. Hoewel dat niet is toegestaan, is het gebruik van formaldehyde voor deze conserveringen nog gangbaar. Vanwege de kankerverwekkende eigenschappen van formaldehyde wordt aanbevolen de blootstelling eraan te beperken of te voorkomen, dit vooruitlopend op mogelijk restrictief beleid. Als er geen alternatieven zijn, moet worden gestimuleerd dat ze worden ontwikkeld (innovatie). Het is van belang hierbij oog te hebben voor niet-chemische alternatieven, zoals verhitting en uv-straling als conserveermethode. Wanneer goede alternatieven beschikbaar zijn, moet worden aangemoedigd om daarop over te stappen, bijvoorbeeld via voorlichting.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
How may a shift towards a more sustainable food consumption pattern affect nutrient intakes of Dutch children? | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Extended O-Glc-NAc on HLA class-1-bound peptides | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Workplace health promotion and wellbeing | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Greenhouse gas emission of diets in the Netherlands and associations with food, energy and macronutrient intakes | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
From bioavailability science to regulation of organic chemicals | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Comprehensive analysis of the naturally processed peptide repertoire: differences between HLA-A and B in the immunopeptidome | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Complications in home parenteral nutrition patients: from lock solutions to lipids | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Summary and analysis of the currently existing literature data on metal-based nanoparticles published for selected aquatic organisms: Applicability for toxicity prediction by (Q)SARs | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Syndromic approach to arboviral diagnostics for global travelers as a basis for infectious disease surveillance | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Trends in expanded-spectrum cephalosporin-resistant Escherichia coli and Klebsiella pneumoniae among Dutch clinical isolates, from 2008 to 2012 | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Dioxins, PCBs and heavy metals in Chinese mitten crabs from Dutch rivers and lakes | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Het RIVM heeft in 2013 geluidmetingen verricht op 23 locaties langs rijkswegen en op 26 locaties langs spoorwegen. Langs rijkswegen bleek het gemiddelde geluidniveau substantieel (2,4 decibel) hoger te liggen dan de berekende waarde. Langs het spoor was er gemiddeld geen significant verschil (0,5 dB). Afhankelijk van de meetlocatie kunnen de verschillen groter of kleiner zijn. De verschillen langs rijkswegen worden veroorzaakt door het feit dat de wettelijk voorgeschreven rekenmethode uitgaat van stille banden op een droog wegdek bij een standaardtemperatuur van 20 graden Celsius. De omstandigheden zijn vaak ongunstiger. Daarnaast draagt de variatie in akoestische kwaliteit van het wegdek bij aan de verschillen. Het meetprogramma vloeit voort uit een motie van de Tweede Kamer naar aanleiding van geluidwetgeving uit 2012. De wet stelt grenswaarden aan het geluid langs rijkswegen en spoorwegen. De wegen spoorbeheerder (Rijkswaterstaat en ProRail) dienen met een jaarlijkse berekening aan te tonen hieraan te voldoen. Onderdeel van de wet is ook een validatie van de rekenuitkomsten met metingen. Het RIVM verricht hiertoe jaarlijks geluidmetingen en vergelijkt die met de berekende geluidproductie die de weg- en spoorbeheerder rapporteren. Dit rapport gaat in op de verschillen tussen reken en meetresultaten in 2013. Het rapport geeft ook de meetresultaten uit 2014 langs rijkswegen en spoorwegen op 92 meetlocaties. Deze zullen worden vergeleken met de rekenresultaten die door de weg- en spoorbeheerder gepubliceerd worden in september 2015. Hierover zal het RIVM in 2016 rapporteren. Als blijkt dat de verschillen tussen de meet- en rekenwaarden structureel zijn, is nader onderzoek nodig naar de gezondheidskundige relevantie voor de Nederlandse bevolking en naar de vraag of aanpassingen van de rekenmethode nodig zijn.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
In 2014 waren 34 van de 36 Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) in de Europese Unie in staat om zowel hoge als lage concentraties Salmonella in kippenmest aan te tonen. Twee NRL's behaalden een matig resultaat vanwege een technische rapportagefout. In totaal hebben de laboratoria in 99 procent van de besmette monsters Salmonella aangetoond, zo blijkt uit het zeventiende ringonderzoek met monsters van kippenmest. Dit ringonderzoek wordt jaarlijks georganiseerd door het referentielaboratorium van de Europese Unie voor Salmonella (EURL-Salmonella). Europese verplichting Het onderzoek is in maart 2014 gehouden. Alle NRL's van de Europese lidstaten die verantwoordelijk zijn voor de opsporing van Salmonella in monsters van de primaire productie van dieren, zijn verplicht om aan het onderzoek deel te nemen. Het EURL-Salmonella is gevestigd bij het Nederlandse Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). De laboratoria toonden de Salmonella-bacterie in de kippenmest aan met behulp van de internationaal voorgeschreven analysemethode Modified Semi-solid Rappaport Vassiliadis (MSRV). Elk laboratorium kreeg een pakket toegestuurd met kippenmest dat ofwel besmet was met Salmonella in twee verschillende concentraties, of geen Salmonella bevatte. De laboratoria dienden de monsters volgens een protocol te onderzoeken op de aanwezigheid van Salmonella. Controlemonsters Bij een laboratoriumanalyse is het noodzakelijk dat de deelnemers via 'controlemonsters' aantonen dat zij hun analyses betrouwbaar hebben uitgevoerd. Deze controlemonsters gaven allemaal het gewenste resultaat. Enige optimalisatie van de controles is nog wenselijk.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Iron metabolism is prospectively associated with insulin resistance and glucose intolerance over a 7-year follow-up period: the CODAM study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Nieuwe concentratie- en depositiekaarten voor NSL en PAS: 2014 Het RIVM heeft op kaarten weergegeven wat in 2014 in Nederland de concentraties in de lucht waren van onder andere stikstofdioxide en fijn stof. Ook is aangegeven in welke mate stikstof op de bodem neerslaat. Daarnaast zijn toekomstberekeningen voor deze stoffen gemaakt voor de periode 2015-2030. De kaarten worden gebruikt om het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) en de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) te monitoren. Met deze programma's worden onder andere de effecten van ruimtelijke plannen getoetst. Stikstofdioxideconcentraties voor 2015 veelal lager De gemeten concentraties stikstofdioxide (NO2) waren in 2014 lager dan in 2013, waarschijnlijk als gevolg van lagere emissies. De concentraties die voor 2015 zijn berekend, zijn op de meeste locaties lager dan vorig jaar voor 2015 was geraamd. Op locaties nabij drukke rijkswegen zijn de concentraties wat hoger dan de raming van vorig jaar aangaf. De oorzaak hiervan zijn de hoger gemeten emissies van stikstofoxiden van dieselbestelauto's. Fijnstofconcentraties ook lager De gemeten concentraties PM10 en PM2,5 waren in 2014 lager dan in 2013. Ook de concentraties die voor 2015 zijn berekend, zijn op de meeste locaties lager dan vorig jaar was geraamd. De roetconcentraties dalen naar verwachting de komende jaren verder, onder andere doordat steeds meer dieselauto's een roetfilter hebben. Roet komt vrij bij allerlei verbrandingsprocessen en is een onderdeel van fijn stof. Roetconcentraties worden in beeld gebracht omdat ze mogelijk de lokale bijdrage van vooral verkeersemissies aan de gezondheidsrisico's van luchtluchtverontreiniging beter weergeven dan stikstofdioxide, PM10 en PM2,5. Verwachte neerslag van stikstof op de bodem daalt In lijn met eerdere ramingen daalt de hoeveelheid stikstof die op de bodem neerslaat naar verwachting de komende jaren. Wel zullen de maatregelen die vanaf 2015 vanwege de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) voor de landbouw zijn gepland om de neerslag van stikstof te verminderen, minder effect hebben dan de bedoeling was. De PAS is opgezet om economische groei mogelijk te maken en tegelijkertijd de neerslag van stikstof op natuurgebieden te laten afnemen, conform de doelen van Europees natuurbeleid. Minder stikstof op de bodem is een voorwaarde voor het behoud van de natuur.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Farmacotherapeutische zorg voor kwetsbare groepen met polyfarmacie moet beter | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
To notify or not to notify: decision aid for policy makers on whether to make an infectious disease mandatorily notifiable | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Subtropical and midlatitude ozone trends in the stratosphere: Implications for recovery | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Continuing harmonization of terminology and innovations for methodologies in developmental toxicology: Report of the 8th Berlin Workshop on Developmental Toxicity, 14-16 May 2014 | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Use of colistin-containing products within the European Union and European Economic Area (EU/EEA): development of resistance in animals and possible impact on human and animal health | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Reduction of extended-spectrum-?-lactamase- and AmpC-?-lactamase-producing Escherichia coli through processing in two broiler chicken slaughterhouses | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Baseline and lifetime alcohol consumption and risk of differentiated thyroid carcinoma in the EPIC study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Progress and future of in vitro models to study translocation of nanoparticles | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Hierarchical Bayesian approach to reduce uncertainty in the aquatic effect assessment of realistic chemical mixtures | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
The Measuring Ammonia in Nature (MAN) network in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Biomarkers of oxidative stress and redox status in a short-term low-dosed multivitamin and mineral supplementation study in two human age groups | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Adolescent audience segmentation on alcohol attitudes: A further exploration | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Laboratory diagnosis of pertussis | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Safety of vaccine adjuvants: focus on autoimmunity | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Het RIVM stelt voor om de indicatieve waterkwaliteitsnormen van een aantal bestrijdingsmiddelen aan te passen. Indicatieve normen geven waterbeheerders een eerste indruk of stoffen die zij in hun gebied aantreffen een reden tot zorg zijn. Van vrijwel alle onderzochte stoffen zijn de voorgestelde normen strenger dan de oude. Nieuwe gegevens voor waterorganismen laten namelijk zien dat schadelijke effecten al bij lagere concentraties optreden. Daarnaast is bij de nieuwe waarden rekening gehouden met de mate waarin mensen aan de stoffen worden blootgesteld als zij vis en visproducten eten. De bestrijdingsmiddelen uit dit onderzoek kunnen zich namelijk ophopen in vis. De nieuwe waarden beschermen daarom niet alleen waterorganismen maar ook mensen die vis eten. In de meeste gevallen zijn de nieuwe inzichten over de directe effecten die ze op waterorganismen hebben echter doorslaggevend voor de aanpassingen. Verder speelt mee dat de huidige methodiek om normen af te leiden een grotere veiligheidsmarge inbouwt als bepaalde gegevens ontbreken. Voor een aantal stoffen zijn er bijvoorbeeld geen studies naar de langetermijneffecten op soorten die gevoelig zijn voor deze stoffen. Dit onderzoek laat zien dat nieuwe gegevens van grote invloed kunnen zijn op de hoogte van de norm. Om de effecten van bestrijdingsmiddelen op de oppervlaktewaterkwaliteit goed te kunnen inschatten, is het dan ook van belang de indicatieve normen periodiek te actualiseren. De normvoorstellen dienen als advieswaarden voor het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM), dat de normen uiteindelijk bepaalt.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Airborne transmission of Coxiella burnetii | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Integrating interdisciplinary methodologies for One Health: goat farm re-implicated as the probable source of an urban Q fever outbreak, the Netherlands, 2009 | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Effect of weight loss, with or without exercise, on body composition and sex hormones in postmenopausal women: the SHAPE-2 trial | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Sexually transmitted infections among female sex workers tested at STI clinics in the Netherlands, 2006-2013 | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Urogenital Chlamydia trachomatis strain types, defined by high-resolution multilocus sequence typing, in relation to ethnicity and urogenital symptoms among a young screening population in Amsterdam, The Netherlands | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Safety and immunogenicity of influenza whole inactivated virus vaccines: A phase I randomized clinical trial | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Screening of bat faeces for arthropod-borne apicomplexan protozoa: Babesia canis and Besnoitia besnoiti-like sequences from Chiroptera | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Medicrime convention: against falsified medical products [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Early-life house dust mite allergens, childhood mite sensitization, and respiratory outcomes | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Transient and sustained effects of child-care attendance on hospital admission for gastroenteritis | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Validation of an aggregate exposure model for substances in consumer products: a case study of diethyl phthalate in personal care products | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Functional, interactive and critical health literacy: Varying relationships with control over care and number of GP visits | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Vitamin D and pancreatic cancer: a pooled analysis from the Pancreatic Cancer Case-Control Consortium | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Concurrency can drive an HIV epidemic by moving R0 across the epidemic threshold | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Gene expression regulation and pathway analysis after valproic acid and carbamazepine exposure in a human embryonic stem cell-based neurodevelopmental toxicity assay | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Internal distribution of Cd in lettuce and resulting effects on Cd trophic transfer to the snail: Achatina fulica | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Dynamics of the serologic response in vaccinated and unvaccinated mumps cases during an epidemic | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Dynamics of the serologic response in vaccinated and unvaccinated mumps cases during an epidemic | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Concurrency can drive an HIV epidemic by moving R0 across the epidemic threshold | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Added value of anti-Müllerian hormone in prediction of menopause: results from a large prospective cohort study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Internal distribution of Cd in lettuce and resulting effects on Cd trophic transfer to the snail: Achatina fulica | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Toxicity and accumulation of Cu and ZnO nanoparticles in Daphnia magna. | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Chlamydia screening is not cost-effective at low participation rates: evidence from a repeated register-based implementation study in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Relationship of night and shift work with weight change and lifestyle behaviors | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Diabetes and onset of natural menopause: results from the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Kinetics of antibody response to Coxiella burnetii infection (Q fever): estimation of the seroresponse onset from antibody levels | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Complement evasion by Bordetella pertussis: implications for improving current vaccines. | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Comparison of two-dose priming plus 9-month booster with a standard three-dose priming schedule for a ten-valent pneumococcal conjugate vaccine in Nepalese infants: a randomised, controlled, open-label, non-inferiority trial | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Food supply and actions to improve dietary behaviour of students - a comparison between secondary schools participating or not participating in the 'Healthy School Canteen Program' | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Domino effects at LPG and propane storage sites in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Biowaiver monographs for immediate release solid oral dosage forms: Levetiracetam | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
TERT gene harbors multiple variants associated with pancreatic cancer susceptibility | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Bij de ecologische risicobeoordeling van een stof in de bodem wordt gekeken welke concentraties schadelijk zijn voor het ecosysteem. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van ecologische risicogrenswaarden. De huidige grenswaarden voor ecologische risico's van stoffen in de bodem zijn tussen 2001 en 2012 bepaald op basis van destijds beschikbare gegevens over de mate waarin een stof schadelijk kan zijn. De (internationale) methoden waarmee die waarden worden bepaald zijn sindsdien aangepast en aangescherpt. Het RIVM heeft onderzocht op welke gegevens de huidige ecologische risicogrenswaarden van 34 stoffen of stofgroepen (16 metalen en 18 organische stoffen/stofgroepen) zijn gebaseerd en in hoeverre daarin onzekerheden zitten. Bij 20 stoffen (vooral metalen en oude bestrijdingsmiddelen) is in meer of mindere mate onzekerheid aanwezig. Voor deze stoffen kan via een aanvullende analyse bepaald worden of het zinvol is om de risicogrenswaarden te herzien. Of een herziening zinvol is hangt van drie factoren af. Als eerste de mate van onzekerheid in de risicogrenswaarden: deze is groter als er beperkte gegevens beschikbaar zijn, of als ze zijn verouderd. Verder is het voor de prioritering van belang om te weten of een stof in de praktijk vaak wordt aangetroffen en of dat met problemen gepaard gaat. Ten slotte is het relevant of er nieuwe kennis of inzichten beschikbaar zijn gekomen, die de risicogrenswaarden kunnen beïnvloeden. Dit moet uit de aanvullende analyse blijken. Voor de resterende stoffen is geen aanvullend onderzoek nodig. De huidige risicogrenswaarden kennen namelijk weinig onzekerheden of er is geen nieuwe relevante informatie beschikbaar. Mede op basis van dit briefrapport zal bepaald worden welke risicogrenzen met prioriteit worden geëvalueerd.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Als siliconengel uit een borstimplantaat weglekt en in het lichaam terechtkomt, kunnen lokale ontstekingsreacties ontstaan. Het is echter wetenschappelijk niet aangetoond dat er een direct verband bestaat tussen de aanwezigheid van een siliconen borstimplantaat (SBI) en algemene gezondheidsklachten. Dit blijkt uit een beperkte studie van het RIVM waarin wetenschappelijke literatuur van de laatste tien jaar en tal van 'casusbeschrijvingen' zijn beoordeeld. Aanvullend onderzoek is nodig. In de literatuur zijn aanwijzingen gevonden dat siliconen borstimplantaten tot het zogeheten ASIA-syndroom kunnen leiden. Dit recent gedefinieerde syndroom bundelt allerlei algemene gezondheidsklachten, van chronische vermoeidheid tot reumatische klachten. In een recente studie van het VU Medisch Centrum (VUmc) te Amsterdam bleken deze klachten vooral voor te komen bij vrouwen met aanleg voor allergische reacties. Een wetenschappelijk onderbouwd verband kan echter nog niet aan deze aanwijzingen worden ontleend. Er is namelijk nog geen onderzoek uitgevoerd in controlegroepen, zoals onder vrouwen met dergelijke klachten zonder implantaten. Bovendien is niet precies bekend bij hoeveel vrouwen met een borstimplantaat deze specifieke klachten voorkomen. Dit zijn belangrijke gegevens die nodig zijn voor een wetenschappelijke bewijsvoering. Om de aanwijzingen te kunnen bevestigen, is grootschalig onderzoek nodig. In de bestudeerde casusbeschrijvingen (case reports) zijn gevallen beschreven van vrouwen met een borstimplantaat die klachten hebben. Deze case reports vormen een signaal dat er een nadelig effect kan optreden na het plaatsen van een siliconen borstimplantaat. Ze vormen echter geen basis om een causaal verband tussen SBI en gezondheidsklachten aan te tonen. Ook hiervoor geldt dat er geen onderzoek in controlegroepen is uitgevoerd om de effecten te toetsen. Grootschalig onderzoek is ook hier nodig als bewijsvoering voor een relatie tussen de klachten en de aanwezigheid van een siliconen borstimplantaat. In het algemeen wordt ongeveer tachtig procent van de borstimplantaten geplaatst voor cosmetische doeleinden, en ongeveer twintig procent voor borstreconstructie met een medische aanleiding.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Explaining variation in morbidity estimates | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Experiences of general practitioners and practice assistants during the influenza A(H1N1) pandemic in the Netherlands: a cross-sectional survey | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Effects of reducing antimicrobial use and applying a cleaning and disinfection program in veal calf farming: experiences from an intervention study to control livestock-associated MRSA | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Om de luchtkwaliteit in Nederland te monitoren werken de luchtkwaliteitsmeetnetten van het RIVM, de GGD Amsterdam en de DCMR Milieudienst Rijnmond samen. Het RIVM toetst jaarlijks of de meetgegevens zodanig vergelijkbaar zijn dat ze gezamenlijk kunnen worden gebruikt. Dat blijkt ook in 2014 het geval te zijn. Hierbij wordt vooral gekeken naar de gegevens over stikstofdioxide, fijn stof en ozon. De jaarlijkse toets vloeit voort uit de functie van het RIVM als landelijk referentielaboratorium voor de luchtkwaliteit. Hiervoor voert het RIVM op een meetlocatie van elk van de netwerken doorlopend dezelfde metingen, waarna de gegevens met elkaar worden vergeleken. Deze steekproeven zijn representatief voor de overige meetlocaties van de netwerken. In 2014 zijn voor DCMR de data van stikstofdioxide vergeleken; voor GGD Amsterdam gaat het om de data van stikstofdioxide, ozon en fijn stof (PM2,5). Alle drie de instanties zijn geaccrediteerd (ISO 17025) om de desbetreffende metingen te voeren. Deze toets is ook onderdeel van deze accreditatie. Voor alle stoffen worden Europese referentiemethoden gebruikt.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Problemen met medicijnen bij kwetsbare ouderen Veel kwetsbare ouderen gebruiken dagelijks vijf of meer verschillende geneesmiddelen (polyfarmacie) en komen regelmatig in het ziekenhuis. Bij de overgang van huis naar het ziekenhuis en weer terug, bijvoorbeeld bij opname en ontslag, kunnen problemen bij het medicijngebruik ontstaan. Deze variëren van een ongunstige wisselwerking tussen middelen, onder- en overbehandeling en ongeschikte medicatie. De risicovolste momenten daarvoor zijn een acute ziekenhuisopname, polikliniekbezoek en de eerste weken vanaf ontslag uit het ziekenhuis. Dit blijkt uit literatuuronderzoek en gesprekken met experts, uitgevoerd door het RIVM. Diverse oorzaken De problemen kunnen ontstaan doordat bij polikliniekbezoek en bij een acute opname vaak geen actueel medicatieoverzicht beschikbaar is. Ook ontbreekt de tijd om te achterhalen welke medicijnen de patiënt precies gebruikt. Bij een acute opname is de kwetsbare oudere bovendien niet altijd in staat om zelf te vertellen welke medicijnen hij gebruikt. Na ontslag uit het ziekenhuis blijkt dat de patiënt vaak niet goed heeft onthouden of begrepen dat bepaald medicijngebruik is gestart, gewijzigd of gestopt, en waarom dat zo is. De informatie over ontslagmedicatie komt ook niet altijd snel terecht bij de huisarts of apotheker. Hierdoor kan een patiënt medicatie thuis verkeerd gaan gebruiken en problemen krijgen, zonder dat zorgverleners dat in de gaten hebben. Bij het achterhalen van het medicijngebruik, bijvoorbeeld bij opname in het ziekenhuis, bekijken zorgverleners weliswaar of dit overeenkomt met alle beschikbare medicatieoverzichten, maar wordt niet beoordeeld of alle gebruikte geneesmiddelen (nog) goed zijn voor die patiënt. Daarnaast ontbreekt bij medisch specialisten kennis over de geneesmiddelen die andere artsen voorschrijven, waardoor soms medicijnen niet goed samengaan. Ook blijkt geen zorgverlener de regie te hebben over alle voorgeschreven medicijnen. Verbeterpunten De grootste winst is waarschijnlijk te behalen als alle medicatiegegevens beter digitaal worden vastgelegd en uitgewisseld, inclusief de redenen van gemaakte aanpassingen. Ook zou de patiënt bij ontslag beter moeten worden geïnformeerd over de aanpassingen in het medicijngebruik. Dit moet gevolgd worden in de eerste weken na ontslag. Verder is het belangrijk dat een zorgverlener het overzicht heeft over alle gebruikte medicijnen en dat de medicatie voortdurend wordt bewaakt en periodiek wordt beoordeeld.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Op dit rapport is een aanvullend rapport verschenen d.d. 2 november 2020: Actualisering en addenda SRM-1 en SRM-2 https://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/2020-0118.pdf Technische beschrijving van standaardrekenmethode 1 (SRM-1) De Nederlandse overheid heeft in 2007 bepaald dat de gevolgen van de ruimtelijke ordening op de luchtkwaliteit met drie standaard rekenmethoden worden berekend (SRM-1, -2 en -3). Een heldere beschrijving van de rekenregels van deze standaardrekenmethoden is van groot belang voor het juiste gebruik ervan. Het RIVM is door het ministerie van Infrastructuur en Milieu gevraagd de technische regels voor rekenen in een stedelijke omgeving (SRM-1) in een rapport vast te leggen. Het ministerie zal voortaan voor de technische beschrijving van SRM-1 naar dit rapport verwijzen. De Nederlandse 'Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007' (Rbl 2007) geeft, behalve juridische informatie, praktische informatie over de rekenmethode. Het betreft gedetailleerde informatie over de locaties waarop en de wijze waarmee luchtkwaliteit met behulp van metingen en berekeningen moet worden vastgesteld. Voor de berekeningen met de standaardrekenmethoden voor luchtkwaliteit worden de relevante formules gegeven en de rekenstappen beschreven. Het RIVM heeft op alle relevante punten de nieuwste ontwikkelingen aan de rekenregels uit de Rbl 2007 toegevoegd. Het gaat hierbij vooral om praktische keuzes die de afgelopen jaren nodig waren voor het gebruik van de standaardrekenmethoden. In een separaat rapport worden de rekenregels langs (snel)wegen beschreven (standaardrekenmethoden 2)
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Het stralingsniveau aan de terreingrens van de kerncentrale in Borssele lag in 2013 onder het toegestane maximum. Dit blijkt uit controlemetingen van het RIVM. Het RIVM rapporteert jaarlijks of de kerncentrale aan de vergunningseis voldoet. Volgens de kernenergiewetvergunning moet de kerncentrale ervoor zorgen dat personen buiten de terreingrens een effectieve stralingsdosis ontvangen van ten hoogste 40 microsievert per jaar. Om dit te controleren wordt op acht punten op de terreingrens het stralingsniveau gemeten. Dit gebeurt met het door het RIVM beheerde MONET-meetnet. Van de meting wordt vervolgens de natuurlijke achtergrondwaarde afgetrokken. Om het resultaat te vergelijken met het toegestane niveau, wordt de zogeheten Actuele Blootstellings Correctiefactor (ABC-factor) toegepast. ABC-factoren hangen samen met de bestemming van het gebied waar de effectieve stralingsdosis kan worden opgelopen. Rond Borssele geldt voor de kerncentrale een ABC-factor van 0,2. Het RIVM rapporteert in opdracht van de Kernfysische Dienst van de Inspectie Leefomgeving en Transport. In dit rapport zijn de daggemiddelden van de metingen van de acht MONET-monitoren rond de kerncentrale in 2013 weergegeven. Ook wordt uitgelegd hoe voor elk meetpunt de natuurlijke achtergrondwaarde is bepaald. In 2013 was de hoogste waarde, na aftrek van de natuurlijke achtergrond, 3,8 microsievert per jaar. Na de toepassing van de ABC-factor, voor de toetsing van de vergunningslimiet, is de berekende maximale effectieve dosis 0,8 microsievert per jaar.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Op dit rapport is een aanvullend rapport verschenen d.d. 2 november 2020 Actualisering en addenda SRM-1 en SRM-2 https://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/2020-0118.pdf Technische beschrijving van standaardrekenmethode 2 (SRM-2) De Nederlandse overheid heeft in 2007 bepaald dat de gevolgen van de ruimtelijke ordening op de luchtkwaliteit met drie standaard rekenmethoden worden berekend (SRM-1, -2 en -3). Een heldere beschrijving van de rekenregels van deze standaardrekenmethoden is van groot belang voor het juiste gebruik ervan. Het RIVM is door het ministerie van Infrastructuur en Milieu gevraagd de technische regels voor rekenen langs (snel)wegen (SRM-2) in een rapport vast te leggen. Het ministerie zal voortaan voor de technische beschrijving vanSRM-2 naar dit rapport verwijzen. De Nederlandse 'Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007' (Rbl 2007) geeft, behalve juridische informatie, praktische informatie over de rekenmethode. Het betreft gedetailleerde informatie over de locaties waarop en de wijze waarmee luchtkwaliteit met behulp van metingen en berekeningen moet worden vastgesteld. Voor de berekeningen met de standaardrekenmethoden voor luchtkwaliteit worden de relevante formules gegeven en de rekenstappen beschreven. Het RIVM heeft op alle relevante punten de nieuwste ontwikkelingen aan de rekenregels uit de Rbl 2007 toegevoegd. Het gaat hierbij vooral om praktische keuzes die de afgelopen jaren nodig waren voor het gebruik van de standaardrekenmethoden. In een separaat rapport worden de rekenregels in stedelijke situaties beschreven (standaardrekenmethode 1).
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Health literacy: an asset for public health | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Carcinogenicity of insulin analogues | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Ross river virus disease in two Dutch travelers returning from Australia, February to April 2015 | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Dietary fibre and incidence of type 2 diabetes in eight European countries: the EPIC-InterAct Study and a meta-analysis of prospective studies | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
A practical approach to determine dose metrics for nanomaterials | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Sinds enkele jaren worden in Nederland programma's opgesteld met afspraken over maatregelen die nodig zijn om de risico's voor de kwaliteit van bronnen van drinkwater weg te nemen of te voorkomen. Of met deze maatregelen Nederland ook zal kunnen voldoen aan de concrete kwaliteitsdoelstellingen van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) voor bronnen van drinkwater, is nog niet duidelijk. Uit een inventarisatie van het RIVM blijkt dat hierover zorg bestaat bij de betrokken partijen (provincies, drinkwaterbedrijven en waterbeheerders). Wel is de bewustwording van de kwetsbaarheid van de waterwinningen bij deze partijen vergroot, evenals de betrokkenheid om mee te werken aan oplossingen. De programma's zijn onder regie van provincies en waterbeheerders opgesteld. Een van de problemen die bij de bescherming van de kwaliteit van de drinkwaterbronnen speelt is dat verschillende kaders, zoals de Drinkwaterwet en de Wet bodembescherming, van toepassing zijn. Dit geldt bijvoorbeeld voor historische bodemverontreinigingen en het gebruik van mest. Hierdoor kan het voorkomen dat betrokken partijen voldoen aan hun wettelijke verplichtingen voor de bodem maar er toch een probleem blijft bestaan voor de kwaliteit van het water dat bestemd is voor de drinkwatervoorziening. Daarnaast zijn lozingen van vervuilende stoffen op oppervlaktewater lastig aan te pakken. Dat komt doordat veel partijen, zowel binnen Nederland als daarbuiten, betrokken zijn en ieders verantwoordelijkheid hierin niet helemaal duidelijk is. De Drinkwaterwet biedt hiervoor wel allerlei handvaten, maar die moeten wel nader worden uitgewerkt en in de praktijk gebracht.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport is bedoeld om te komen tot een definitie van microplastics. Het RIVM levert bouwstenen voor de discussie hierover, evenals overwegingen voor criteria en normen. Het streven is om de discussie Europees te agenderen. Om een snelle en kosteneffectieve screening van microplastics mogelijk te maken wordt in dit document ook een beslisschema voorgesteld, waarmee in maximaal vijf stappen kan worden bepaald of een materiaal een microplastic is. Uitgangspunt voor de definitie is de globale overeenstemming die momenteel binnen de milieuwetenschappen bestaat over de belangrijkste eigenschappen van microplastics. Het startpunt voor een verdere specificatie is daarom de volgende beschrijving: microplastics zijn kunststoffen en bestaan uit vaste deeltjes die kleiner zijn dan 5 millimeter. Daarnaast zijn microplastics slecht oplosbaarheid in water en niet afbreekbaar. Een definitie van microplastics is nodig om wettelijke of vrijwillige maatregelen te kunnen implementeren die emissies van microplastics verminderen. Een definitie geeft bedrijven wettelijke duidelijkheid en bevordert dat trends in verontreinigingen door microplastic consistent in kaart kunnen worden gebracht. Ook kan op basis van een definitie de effectiviteit van beleidsmaatregelen worden geëvalueerd.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Sinds enkele jaren worden in Nederland programma's opgesteld met afspraken over maatregelen die nodig zijn om de risico's voor de kwaliteit van bronnen van drinkwater weg te nemen of te voorkomen. Of met deze maatregelen Nederland ook zal kunnen voldoen aan de concrete kwaliteitsdoelstellingen van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) voor bronnen van drinkwater, is nog niet duidelijk. Uit een inventarisatie van het RIVM blijkt dat hierover zorg bestaat bij de betrokken partijen (provincies, drinkwaterbedrijven en waterbeheerders). Wel is de bewustwording van de kwetsbaarheid van de waterwinningen bij deze partijen vergroot, evenals de betrokkenheid om mee te werken aan oplossingen. De programma's zijn onder regie van provincies en waterbeheerders opgesteld. Een van de problemen die bij de bescherming van de kwaliteit van de drinkwaterbronnen speelt is dat verschillende kaders, zoals de Drinkwaterwet en de Wet bodembescherming, van toepassing zijn. Dit geldt bijvoorbeeld voor historische bodemverontreinigingen en het gebruik van mest. Hierdoor kan het voorkomen dat betrokken partijen voldoen aan hun wettelijke verplichtingen voor de bodem maar er toch een probleem blijft bestaan voor de kwaliteit van het water dat bestemd is voor de drinkwatervoorziening. Daarnaast zijn lozingen van vervuilende stoffen op oppervlaktewater lastig aan te pakken. Dat komt doordat veel partijen, zowel binnen Nederland als daarbuiten, betrokken zijn en ieders verantwoordelijkheid hierin niet helemaal duidelijk is. De Drinkwaterwet biedt hiervoor wel allerlei handvaten, maar die moeten wel nader worden uitgewerkt en in de praktijk gebracht.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Conditions for sustainability of Academic Collaborative centres for public health in the Netherlands: a mixed methods design | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Development of consensus International Classification of Functioning, Disability and Health (ICF) Core Sets for lymphedema | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Meer doen met gezondheid op school. Opbrengsten en bereik van het ondersteuningsaanbod voor primair onderwijs | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
The applicability of the international classification of functioning, disability, and health to study lifestyle and quality of life of colorectal cancer survivors | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Risk factors for sporadic listeriosis in the Netherlands, 2008 to 2013 | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Position statement from the Chromosome Abnormality Screening Committee on behalf of the Board of the International Society for Prenatal Diagnosis | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
The pertussis problem: Classical epidemiology and strain characterization should go hand in hand | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
A step toward an optimized rifampin dose completed | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Good practice characteristics of diet and physical activity interventions and policies: an umbrella review | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Rare coding variants and X-linked loci associated with age at menarche | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Alcohol consumption and the risk of renal cancers in the European prospective investigation into cancer and nutrition (EPIC) | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Diurnal variation of hormonal and lipid biomarkers in a molecular epidemiology-like setting | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Differential B-cell memory around the 11-month booster in children vaccinated with a 10- or 13-valent pneumococcal conjugate vaccine | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Comparable dietary patterns describe dietary behavior across ethnic groups in the Netherlands, but different elements in the diet are associated with glycated hemoglobin and fasting glucose concentrations | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Alcohol intake and breast cancer in the European prospective investigation into cancer and nutrition | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Evaluation of macrolides for possible use against multidrug-resistant Mycobacterium tuberculosis | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Hoge concentraties stikstof en fosfor in het oppervlaktewater kunnen een nadelige invloed hebben op kwetsbare natuur en de kwaliteit van zwemwater. Uit RIVM-onderzoek blijkt dat de gemeten concentratie in oppervlaktewater afhangt van de methode waarmee monsters worden behandeld: in gefiltreerde monsters is de concentratie stikstof en fosfor lager dan in niet-gefiltreerde monsters. Er zijn twee nationale meetnetten waarin deze concentraties worden gemeten. Het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM), dat onder andere in het slootwater op landbouwbedrijven meet, en het Meetnet Nutriënten Landbouw-Specifiek Oppervlaktewater (MNLSO), dat de kwaliteit meet van oppervlaktewater dat alleen beïnvloed wordt door landbouwbedrijven, zoals nabijgelegen beken en vaarten. Gecombineerde resultaten van deze meetnetten kunnen een beter beeld geven van de verspreiding en bronnen van stikstof en fosfor. Het LMM is een meetnet waar de focus ligt op grondwater in tijdelijke putten, hierbij is filtreren van watermonsters noodzakelijk. De slootwatermonsters op LMM-bedrijven worden, voor de vergelijkbaarheid met grondwater, ook gefiltreerd. In het MNLSO worden oppervlaktewatermonsters niet gefiltreerd. Uit de Evaluatie Meststoffen Wet 2012 (EMW2012) bleek dat de meetnetten niet optimaal op elkaar aansluiten, een van de oorzaken hiervoor is het verschil in monsterbehandeling. In het onderzoek van het RIVM is het effect van filtreren onderzocht en het blijkt dat de stikstofconcentratie in sloten circa 5 procent hoger is in ongefiltreerde monsters. Voor fosfor geldt dat de niet-gefiltreerde monsters gemiddeld 80 procent hogere concentraties hebben. De verschillen tussen gefiltreerde en ongefiltreerde fosforconcentraties laten echter een grote spreiding zien, waardoor het niet mogelijk is een correctiefactor te bepalen. Dit betekent dat voor één van deze meetnetten monsters zowel gefiltreerd als ongefiltreerd beschikbaar moeten zijn om de resultaten van slootwatermonsters uit het LMM en oppervlaktewatermonsters uit het MNLSO op dit aspect goed te kunnen vergelijken.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft in samenwerking met de GGD'en de zogeheten gemeentelijke gezondheidsprofielen gemaakt. Hierop staat per gemeente het beeld van de gezondheid van de lokale bevolking weergegeven. Informatie over de volksgezondheid van alle gemeenten in Nederland zijn in de profielen uniform weergegeven. Ook kunnen de cijfers uit het profiel worden vergeleken met het gemiddelde van de GGD-regio waar de gemeente in ligt en het landelijke gemiddelde. De gemeentelijke gezondheidsprofielen zijn te vinden op: www.rivm.nl/gemeentelijke-gezondheidsprofielen . Een gezondheidsprofiel geeft cijfers weer zoals de levensverwachting, sterftecijfers naar doodsoorzaak, en de mate waarin een aantal ziekten en aandoeningen voorkomen. Ook is een aantal demografische gegevens opgenomen, zoals de bevolkingsgroei, het verschil tussen het totaal aantal sterfgevallen en het aantal geboortes (het geboorteoverschot), het migratiesaldo en de opbouw van de bevolking naar leeftijd en geslacht. Bezoekers kunnen ook zien hoe gemeenten scoren op verschillende leefstijlfactoren, zoals roken, drinken en overgewicht. Verder staan de vaccinatiegraad, de bereikbaarheid van zorgvoorzieningen en sociaaleconomische verschillen (naar inkomen en opleiding) in grafieken weergegeven. De gezondheidsprofielen zijn op verzoek van het ministerie van VWS gemaakt, op basis van bestaande data van onder meer de GGD'en, het CBS en het RIVM. Zo wordt de geografische informatie uit www.volksgezondheidenzorg.info niet op onderwerpen ontsloten, maar per gemeente. In dit rapport worden onder andere een overzicht en verantwoording gegeven van de gekozen indicatoren. Daarnaast is beschreven wat nodig is om de profielen te onderhouden en worden mogelijke uitbreidingen aangereikt.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Severely impaired health status of non-notified Q fever patients leads to an underestimation of the true burden of disease | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Clinical evaluation of the Nanoduct sweat test system in the diagnosis of cystic fibrosis after newborn screening | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Concentrations of dimethylaniline and other metabolites in milk and tissues of dairy cows treated with lidocaine | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Human health risk assessment related to contaminated land: state of the art | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
A high throughput screening system for predicting chemically-induced reproductive organ deformities | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Testing a cumulative and aggregate exposure model using biomonitoring studies and dietary records for Italian vineyard spray operators | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Stakeholder attitudes towards cumulative and aggregate exposure assessment of pesticides | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
In vitro innate immune cell based models to assess whole cell Bordetella pertussis vaccine quality: a proof of principle | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Common variation at 2p13.3, 3q29, 7p13 and 17q25.1 associated with susceptibility to pancreatic cancer | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Distribution, numbers, and diversity of ESBL-producing E. coli in the Poultry Farm Environment | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Air pollution from road traffic and systemic inflammation in adults: A cross-sectional analysis in the European ESCAPE project | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Application of the human intestinal tract chip to the non-human primate gut microbiota | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Dose metric considerations in in vitro assays to improve quantitative in vitro-in vivo dose extrapolations | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Health in all policies? The case of policies to promote bicycle use in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Horizon scan of nanomedicinal products | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Productive and reproductive performances of dairy cattle herds in Treviso province, Italy (2009-2012): an assessment of the potential impact of Schmallenberg virus epidemic | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Vaccination coverage for measles, mumps and rubella in anthroposophical schools in Gelderland, The Netherlands | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Examining a possible association between human papilloma virus (HPV) vaccination and migraine: Results of a cohort study in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Both released silver ions and particulate Ag contribute to the toxicity of AgNPs to earthworm Eisenia fetida | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Exposure assessment within a Total Diet Study: A comparison of the use of the pan-European classification system FoodEx-1 with national food classification systems | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
The ChemScreen project to design a pragmatic alternative approach to predict reproductive toxicity of chemicals | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Staphylococcus aureus spa type t437: identification of the most dominant community-associated clone from Asia across Europe | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
How to evaluate population management? Transforming the Care Continuum Alliance population health guide toward a broadly applicable analytical framework. | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
A European model and case studies for aggregate exposure assessment of pesticides | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Large and prolonged food-borne multistate hepatitis a outbreak in europe associated with consumption of frozen berries, 2013 to 2014 | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Fundamental movement skills, physical fitness and physical activity among Australian children with juvenile idiopathic arthritis | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Assessing the public health risk of shiga toxin-producing escherichia coli by use of a rapid diagnostic screening algorithm | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Knowledge sharing to facilitate regulatory decision-making in regard to alternatives to animal testing: Report of an EPAA workshop | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Challenges in antigenic characterization of circulating influenza a(H3N2) viruses during the 2011-2012 influenza season: An ongoing problem? | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Cumulative dietary exposure to a selected group of pesticides of the triazole group in different European countries according to the EFSA guidance on probabilistic modelling | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Dealing with future risks in the Netherlands: the National Security Strategy and the National Risk Assessment | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Particulate matter composition and respiratory health the PIAMA birth cohort study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
A genome-wide pleiotropy scan for prostate cancer risk | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Human papillomavirus 16 E6 antibodies in individuals without diagnosed cancer: A pooled analysis | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Health literacy and informed decision making regarding colorectal cancer screening: a systematic review | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
The effectiveness of interventions for ageing workers on (early) retirement, work ability and productivity: a systematic review | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Future directions for the European influenza reference laboratory network in influenza surveillance | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Bij de beoordeling van geneesmiddelen (veiligheid, kwaliteit en werkzaamheid) worden dierproeven ingezet. De overheid streeft ernaar hiervoor zo min mogelijk dieren te gebruiken. Het RIVM heeft onderzocht of er binnen de bestaande Europese en Nederlandse wetgeving voldoende mogelijkheden zijn om alternatieven voor dierproeven te gebruiken bij de beoordeling van geneesmiddelen. Uit dit onderzoek blijkt dat de huidige geneesmiddelenwetgeving het gebruik van alternatieve mogelijkheden voor dierproeven in strikt juridische zin niet belemmert, maar ook nauwelijks actief stimuleert. Het is toegestaan om alternatieven in te zetten, maar dan moet wel worden aangetoond dat ze dezelfde voorspellende waarde hebben als de dierproef. Deze validaties zijn in de praktijk ingewikkeld, kostbaar en tijdrovend. Vooral andere zaken dan de wet- en regelgeving zelf blijken de inzet van alternatieven voor dierproeven te belemmeren. Voor de beoordeling van geneesmiddelen gelden wetenschappelijke richtlijnen. Deze richtlijnen zijn niet wettelijk bindend, maar zijn wel doorslaggevend voor de beslissing of een geneesmiddel uiteindelijk op de markt mag worden gebracht. Hoewel vermindering en verfijning van dierproeven in richtlijnen veel aandacht krijgen, wordt in diezelfde richtlijnen nog regelmatig naar dierproeven verwezen. In de richtlijnen staan ook de voorwaarden vermeld waaraan alternatieven voor dierproeven moeten voldoen. Andere belemmerende factoren zijn het gebrek aan alternatieve methoden die dierproeven in zijn geheel kunnen vervangen. Ook worden nieuwe alternatieve methodes niet altijd in alle landen geaccepteerd door registratieautoriteiten. Geneesmiddelen worden meestal voor meerdere landen gemaakt en in sommige landen worden dierproeven nog als de gouden standaard daarvoor gezien. Daardoor kiest een fabrikant soms voor dierproeven om tegemoet te komen aan de eisen van de verschillende autoriteiten. Om de ontwikkeling van alternatieven te stimuleren is continue internationale afstemming nodig over de criteria waaraan ze moeten voldoen tussen registratieautoriteiten, wetenschappers en farmaceutische bedrijven. Aanbevolen wordt het onderzoek naar geschikte alternatieve methoden en de implementatie daarvan in richtlijnen voortdurend te stimuleren.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Immune status of health care workers to measles virus: Evaluation of protective titers in four measles IgG EIAs | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Decentralisation of long-term care in the Netherlands: The case of day care at green care farms for people with dementia - corrigendum | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
How persuasive are serious games, social media and mHealth technologies for vulnerable young adults? Design factors for health behavior and lifestyle change support: Sexual health case | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Occupational Exposure to Dromedaries and risk for MERS-CoV infection, Qatar, 2013-2014 | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Rett syndrome as a rare disease: a European perspective | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Identifying cardiovascular risk factor-related dietary patterns with reduced rank regression and random forest in the EPIC-NL cohort | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Decentralisation of long-term care in the Netherlands: The case of day care at green care farms for people with dementia | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Enhancing syndromic surveillance with online respondent-driven detection | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Evaluation of various biomarkers as potential mediators of the association between delta5 desaturase, delta6 desaturase, and stearoyl-CoA desaturase activity and incident type 2 diabetes in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition- | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Controlling highly pathogenic avian influenza outbreaks: An epidemiological and economic model analysis | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
School performance: a matter of health or socio-economic background? Findings from the PIAMA Birth Cohort Study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Treatment with insulin (analogues) and breast cancer risk in diabetics; a systematic review and meta-analysis of in vitro, animal and human evidence | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Is an unfavourable cardiovascular risk profile a risk factor for vasomotor menopausal symptoms? Results of a population-based cohort study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Impact of male circumcision among heterosexual HIV cases: comparisons between three low HIV prevalence countries | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Feasibility of dietary assessment methods, other tools and procedures for a pan-European food consumption survey among infants, toddlers and children | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Innovative testing in reproductive toxicology - The ChemScreen experience | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
An adverse outcome pathway framework for neural tube and axial defects mediated by modulation of retinoic acid homeostasis | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Modelling the future distribution of ammonium nitrate concentrations in The Netherlands for 2020: The sensitivity to meteorological | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
A perspective on the developmental toxicity of inhaled nanoparticles | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Antivirals against enteroviruses: A critical review from a public-health perspective | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Salivary antibody levels in adolescents in response to a meningococcal serogroup C conjugate booster vaccination nine years after priming: Systemically induced local immunity and saliva as potential surveillance tool | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Comparison of gene expression regulation in mouse- and human embryonic stem cell assays during neural differentiation and in response to valproic acid exposure | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Evaluation of an alternative in vitro test battery for detecting reproductive toxicants in a grouping context | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
The ACROPOLIS project: Its aims, achievements, and way forward | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Discovery of a novel epigenetic cancer marker related to the oxidative status of human blood | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Regulation of emissions of tobacco products other than cigarettes | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Environmental contamination with Toxocara eggs: a quantitative approach to estimate the relative contributions of dogs, cats and foxes, and to assess the efficacy of advised interventions in dogs | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Estimating HIV incidence, time to diagnosis, and the undiagnosed HIV epidemic using routine surveillance data | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Data-driven methods for imputing national-level incidence in global burden of disease studies | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Quantitative risk assessment of the aggregate dermal exposure to the sensitizing fragrance geraniol in personal care products and household cleaning agents | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
De kosteneffectiviteit van interventies gericht op verslaving aan alcohol en drugs | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
First international external quality assessment of molecular diagnostics for Mers-CoV | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Dit rapport bevat achtergrondrapportages en diverse aanvullende tabellen behorend bij het overzichtsrapport voor het programma voor de natte delen van de Zandregio van Nederland. Dit monitoringsprogramma is deel van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM). Het RIVM en het LEI Wageningen UR zijn verantwoordelijk voor het management en uitvoering van het LMM. Gezamenlijk hebben zij dit overzicht gemaakt in opdracht van het ministerie van Economische Zaken (EZ) en het ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M). De hoofdtekst is opgenomen in een apart RIVM-rapport (rapportnummer 2015-0055).
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Chronically alternating light cycles increase breast cancer risk in mice | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
De vergeten capitulatie van evidencebased medicine | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Alternative signaling network activation through different insulin receptor family members caused by pro-mitogenic antidiabetic insulin analogues in human mammary epithelial cells | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Association of cardiometabolic multimorbidity with mortality | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Dit is het hoofdrapport. Het bijlagenrapport heeft rapportnummer: 2015-0062 Het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) volgt sinds 1992 de landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven. Doel is het in kaart brengen van de effecten van het mestbeleid. Dit gebeurt in verschillende regio's in Nederland, zo ook in de Zandregio. Binnen het reguliere programma in de Zandregio, wordt de waterkwaliteit in de bovenste meter van het grondwater gemeten door bemonstering in de zomer. In de natte (gedraineerde) delen van de Zandregio spoelt een deel van het neerslagoverschot af naar het oppervlaktewater. Om de invloed van de landbouw op de kwaliteit van het klein oppervlaktewater (slootwater) in beeld te brengen, is een apart winterprogramma in het leven geroepen. Hierin worden, naast het ondiepe grondwater, ook het drain- en slootwater bemonsterd. Het gebruik van stikstof is belangrijk voor de landbouw. Als stikstof echter in het milieu terecht komt, dan kan dit leiden tot milieueffecten. Het beleid is erop gericht dat te beperken. Het stikstofbodemoverschot is het deel van stikstof in mest dat landbouwgewassen niet gebruiken om te groeien en dat in het milieu terecht kan komen. Dit overschot is op melkveebedrijven het grootst (circa 200 kg/ha) en op akkerbouwbedrijven het kleinst (circa 130 kg/ha). In de periode 2004-2008 neemt het stikstofoverschot op melkveebedrijven af van circa 240 tot 180 kg/ha. Bij de akkerbouwbedrijven is geen duidelijke trend zichtbaar. In de natte delen van de Zandregio is nitraat, net als in andere regio's, een belangrijke parameter voor de waterkwaliteit. In de beschouwde periode lag de nitraatconcentratie in het bovenste grondwater, gemiddeld voor alle bedrijfstypen, boven de Europese norm van 50 milligram per liter. De gemiddelde concentraties zijn het hoogst in grondwater (77 milligram per liter), gevolgd door drainwater (63 milligram per liter) en slootwater (45 milligram per liter). Voorliggend rapport geeft een overzicht van de monitoringsresultaten op de natte gronden van de Zandregio. Het RIVM en LEI Wageningen UR hebben deze resultaten gebruikt in de voorbereiding op en bij de uitvoering van een evaluatie van dit programma, die voorzien is in 2015. Binnen het LMM heeft het RIVM de taak de waterkwaliteit op landbouwbedrijven in kaart te brengen. De landbouwpraktijk wordt gemonitord door LEI Wageningen UR.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Statistically significant deviations from additivity: What do they mean in assessing toxicity of mixtures? | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Air pollution and mortality in seven million adults: The Dutch environmental longitudinal study (DUELS) | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Mycobacterium bovis BCG vaccination induces divergent proinflammatory or regulatory T cell responses in adults | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Validity of at home model predictions as a proxy for personal exposure to radiofrequency electromagnetic fields from mobile phone base stations | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Ziekenhuisuitbraken en resistente micro-organismen | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Eating out is different from eating at home among individuals who occasionally eat out. A cross-sectional study among middle-aged adults from eleven European countries | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Editorial Commentary: Genotyping of Mycobacterium tuberculosis in China and missing links in the chain of ongoing transmission of tuberculosis | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Effect of tailored antibiotic stewardship programmes on the appropriateness of antibiotic prescribing in nursing homes | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
The Presence of Borrelia miyamotoi, A Relapsing Fever Spirochaete, in Questing Ixodes ricinus in Belgium and in The Netherlands | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Sinds 1976 wordt in Nederland periodiek gemeten in welke mate mensen via voeding schadelijke stoffen binnenkrijgen, zoals metalen en gewasbeschermingsmiddelen. Hiervoor verzamelt een representatieve groep deelnemers in een gekoelde box de equivalenten van alles wat zij gedurende een etmaal hebben gegeten en gedronken (duplicaatvoeding). Het RIVM en het RIKILT voeren dit zogeheten duplicaatvoedingsonderzoek uit in opdracht van de Nederlandse Voedsel-en Warenautoriteit (NVWA). In dit rapport is beschreven hoe het onderzoek in 2014 is opgezet en uitgevoerd. In het voor- en najaar van 2014 hebben de ouders/verzorgers van 126 kinderen in de leeftijd van 2 tot en met 6 jaar uit de regio Wageningen succesvol een duplicaatvoeding verzameld. Deze kinderen waren representatief voor de Nederlandse kinderen wat betreft leeftijd, geslacht en sociale klasse. Naast het verzamelen van de duplicaatvoedingen hebben de ouders/verzorgers in een voedingsdagboekje genoteerd wat hun kind gedurende het etmaal heeft geconsumeerd. Het dagboekje diende onder andere om te checken of alle consumpties in de box zijn verzameld, zodat eventueel ontbrekende onderdelen konden worden aangevuld. De gevriesdroogde monsters van de duplicaatvoedingen worden bewaard bij het RIKILT en zijn bedoeld om nu en in de toekomst risico's van stoffen te beoordelen. Van de duplicaten is beschreven om welke voedingsmiddelen het gaat en in welke hoeveelheden ze zijn geconsumeerd. Het duplicaatvoedingsonderzoek maakt het zo mogelijk om door de jaren heen te volgen welke hoeveelheden van bepaalde stoffen mensen dagelijks binnenkrijgen. Daarbij kan worden gecontroleerd of deze hoeveelheden binnen de gestelde veiligheidsgrenzen blijven.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
E-sigaretten, oftewel elektronische sigaretten, verdampen een vloeistof die meestal nicotine en een smaakstof bevat. De e-sigaret is weliswaar minder ongezond dan tabakssigaretten, maar de damp van e-sigaretten bevat een aantal ingrediënten en chemische onzuiverheden in hoeveelheden die schadelijk zijn voor de gezondheid. Het gaat onder andere om nicotine, propyleenglycol en glycerol en aldehydes, nitrosamines en metalen. Inhalatie hiervan kan leiden tot irritatie en schade aan de luchtwegen, hartkloppingen en een verhoogde kans op kanker. Deze gezondheidseffecten zijn wel veel minder ernstig dan die van tabak roken. Dat blijkt uit onderzoek van het RIVM, waarvoor metingen zijn verricht, risicobeoordelingen zijn gedaan en gebruikers zijn geraadpleegd. Het onderzoek is in opdracht van VWS uitgevoerd vanwege de forse groei van het aantal e sigaretgebruikers en de onduidelijke gezondheidseffecten van het gebruik. Voor dit onderzoek is het risico voor gebruikers beoordeeld op basis van de stoffen in de damp. In 2015 gaat het RIVM de effecten van stoffen in uitgeademde damp op omstanders onderzoeken. Bevindingen gebruikers Uit het onderzoek blijkt dat mensen vooral e-sigaretten roken in de veronderstelling dat het minder schadelijk is voor de gezondheid dan een gewone sigaret en helpt om te stoppen met roken. Van de vele merken en modellen zijn navulbare e-sigaretten het meest populair. Vrijwel alle gebruikers rookten tabak voordat ze met de e-sigaret begonnen en de meesten gebruiken tabak naast hun e-sigaret. De 'dampers' verschillen sterk in hun dampgedrag, bijvoorbeeld in het aantal trekjes dat zij per dag gebruiken. Samenstelling vloeistoffen en damp De samenstelling van de vele soorten e-vloeistof op de Nederlandse markt en die van de resulterende damp blijken onderling sterk te verschillen. Soms komen de gevonden hoeveelheden nicotine in de vloeistof niet overeen met de gehalten die op de verpakking staan. Van sommige stoffen blijken de concentraties in de damp hoger te zijn dan in de vloeistof. Aldehydes ontstaan bij de opwarming van de vloeistoffen en metalen komen vrij uit de verdamper. Propyleenglycol en glycerol zijn 'dragervloeistoffen' voor nicotine en de smaakstoffen.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Screening van ziekenhuismedewerkers op tuberculose anno 2015 | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
High proportion of MERS-CoV shedding dromedaries at slaughterhouse with a potential epidemiological link to human cases, Qatar 2014 | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Hemorrhagic stroke probably caused by exercise combined with a sports supplement containing-methylphenylethylamine (BMPEA): A case report | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Methods of administering oral formulations and child acceptability | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Implementation of toxicokinetics in toxicity studies - Toxicokinetics of 4-methylanisole and its metabolites in juvenile and adult rats | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Mining microbial metatranscriptomes for expression of antibiotic resistance genes under natural conditions | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Genetic variation of Bordetella pertussis in Austria | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Er bestaat een methode om risico's van het gebruik, vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen inzichtelijk te maken, de zogeheten kwantitatieve risicoanalyse (QRA). Als onderdeel hiervan wordt voorspeld welk percentage mensen overlijdt na het inademen van stoffen die acuut giftig zijn. Deze voorspellingen worden berekend met behulp van 'probitrelaties'. Een probitrelatie geeft het verband weer tussen de concentratie van een stof, de duur van de blootstelling en het deel van de blootgestelde personen dat een bepaald effect vertoont. Om de probitrelaties te kunnen afleiden worden onderzoeksgegevens van dieren vertaald naar de mens. In dit rapport staat beschreven hoe deze afleiding moet worden uitgevoerd. De methodiek is in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu opgesteld door de Toetsgroep probitrelaties en vervangt de vorige versie van de methodiek uit 2001. De methodiek is grondig herzien en vervolgens internationaal gereviewd.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Nutritional impact of sodium reduction strategies on sodium intake from processed foods | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Erratum to: Physician reported incidence of early and late Lyme borreliosis | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
The role of the local microbial ecosystem in respiratory health and disease | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Detection of fetal chromosomal anomalies: Does nuchal translucency measurement have added value in the era of non-invasive prenatal testing? | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Multiple-locus variable number tandem repeat analysis is superior to spa typing and sufficient to characterize MRSA for surveillance purposes | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Exploring outcomes to consider in economic evaluations of Health Promotion Programs: what broader non-health outcomes matter most? | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Long-term serological follow-up of acute Q-fever patients after a large epidemic | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Genomics and machine learning for taxonomy consensus: the mycobacterium tuberculosis complex paradigm | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
First-Trimester serum acylcarnitine levels to predict preeclampsia: A metabolomics approach | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Dietary intake of carotenoids and risk of type 2 diabetes | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Burden of norovirus in healthcare facilities and strategies for outbreak control | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Estimating community health needs against a Triple Aim background: What can we learn from current predictive risk models? | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
SILA-421 activity in vitro against Rifampicin-Susceptible and Rifampicin-resistant Mycobacterium tuberculosis, and in vivo in a murine tuberculosis model | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Secretory products of trichinella spiralis muscle larvae and immunomodulation: Implication for autoimmune diseases, allergies, and malignancies | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Changing patterns of undiagnosed HIV infection in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Dit rapport bevat een erratum d.d. 08-07-2015 op de laatste pagina Kalium heeft een gunstig effect op de bloeddruk omdat het het bloeddrukverhogende effect van natrium (NaCl, 'keukenzout') tegenwerkt. Belangrijke bronnen van kalium zijn groente en fruit, aardappelen en vlees. Het is vrijwel onmogelijk om via voeding te veel kalium binnen te krijgen. Bij gezonde personen wordt bijna al het ingenomen kalium weer uitgescheiden via de nieren. De belangrijkste groep mensen die een risico kan lopen op een verhoogd kaliumgehalte in het bloed (hyperkaliëmie) zijn patiënten met ernstige nierschade. Zij zijn gebonden aan een kaliumbeperkt dieet. Ernstige hyperkaliëmie kan voor iedereen levensbedreigend zijn doordat hartritmestoornissen, een acute hartstilstand of spierverlammingen kunnen optreden. Andere groepen zouden mogelijk risico kunnen lopen op hyperkaliëmie door een combinatie van factoren. Het gaat dan bijvoorbeeld om mensen die niet weten dat ze een verstoorde nierfunctie hebben, en daarnaast veel kalium via supplementen binnenkrijgen of tegelijkertijd bepaalde medicijnen gebruiken, zoals ACE-remmers (tegen hartklachten) of kaliumsparende diuretica ('plaspillen'). Hoe groot dit risico is tegen de achtergrond van de huidige kaliuminname in Nederland, is nu niet te zeggen. Hiervoor is verder onderzoek nodig. Dit blijkt uit een eerste inventarisatie van het RIVM in opdracht van het ministerie van VWS. Hierin zijn beschikbare gegevens over de kaliuminname in Nederland en de potentiële risicogroepen voor hyperkaliëmie in kaart gebracht. De Gezondheidsraad (GR) bereidt momenteel een nieuw advies Richtlijnen Goede Voeding voor en kan deze informatie daarvoor gebruiken. Aanleiding voor dit onderzoek is dat Nederlanders te veel zout binnenkrijgen. Gestimuleerd door het Nederlandse beleid om dit te verbeteren heeft de voedingsmiddelenindustrie aangegeven de hoeveelheid zout in de vorm van natriumchloride in producten te verlagen. Dit zou het risico op hoge bloeddruk en hart- en vaatziekten verkleinen. Een methode om het zoutgehalte in producten te verlagen is het gebruik van zoutvervangers, zoals kaliumchloride.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Al lange tijd wordt geprobeerd de gezondheid te verbeteren via de inrichting van de leefomgeving. Een tijdje was die aandacht er wat minder, maar hij neemt nu weer toe. Voor een slimme en gezonde ruimtelijke inrichting is een goede samenwerking nodig tussen professionals uit de 'domeinen' van het ruimtelijk ontwerp, het milieu en de volksgezondheid. Uit een verkenning over de relatie tussen deze drie domeinen blijkt dat professionals veel meer van elkaars kennis en kunde kunnen profiteren dan ze nu doen. Door de kennis te bundelen, te delen en te vertalen naar de praktijk, krijgen de domeinen beter inzicht in elkaars achtergrond, drijfveren en belangen. Platforms waarin alle domeinen vertegenwoordigd zijn, zoals het Platform Gezond Ontwerp, kunnen daarbij ondersteunen. Gelijksoortige ontwikkelingen De drie domeinen hebben al lange tijd veel met elkaar gemeen. Zo is bij alle een accentverschuiving te zien van maatregelen die risico's beperken (gezondheidsbescherming) naar maatregelen die mensen aanzetten tot gezond gedrag (gezondheidsbevordering). Een ander voorbeeld is de ontwikkeling van een landelijk aangestuurd beleid (top- down) naar een actieve rol van mensen om meer regie op hun gezondheid en leefomgeving te krijgen (bottom-up). Weten wat werkt Verder is het belangrijk te weten welke maatregel of welk beleid 'werkt'. Ondanks de vele praktijkvoorbeelden zijn de effecten van de stedenbouwkundige structuur op gezondheid en welzijn nog maar weinig onderzocht. De drie domeinen blijken bovendien allemaal verschillend naar de effectiviteit van maatregelen en beleid te kijken. Het ruimtelijk domein bijvoorbeeld werkt vooral op basis van ervaringen van de ruimtelijk ontwerper en niet zozeer op basis van 'bewezen effectiviteit' (evidence-based). In de volksgezondheid staat vaak juist de evidencebased benadering centraal. Inzicht in de effectiviteit van maatregelen kan worden vergroot door inzichten hierover uit de drie domeinen bij elkaar te brengen en het effect van ruimtelijke ingrepen als standaard onderdeel van het proces te evalueren. Onder andere het beoordelingssysteem voor de kwaliteit en effectiviteit van leefstijlinterventies van het Centrum voor Gezond Leven (CGL) en partners kan daarbij helpen. De verkenning is uitgevoerd door het RIVM in samenwerking met TU Eindhoven voor het Planbureau van de Leefomgeving.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
De Europese Nitraatrichtlijn verplicht lidstaten om het gebruik van dierlijke mest te beperken tot 170 kg stikstof per hectare. Landbouwbedrijven in Nederland met ten minste 70 procent grasland mochten onder bepaalde voorwaarden van deze norm afwijken en in 2013 250 kilogram per hectare gebruiken (derogatie). Nederland is verplicht om op 300 bedrijven die derogatie inzetten de bedrijfsvoering en waterkwaliteit te meten en deze resultaten jaarlijks aan de EU te rapporteren. LEI Wageningen UR en het RIVM stellen jaarlijks deze rapportage op. Dit rapport beschrijft de situatie in 2013 en de trends voor de periode tussen 2006 en 2014. Uit de resultaten blijkt dat de nitraatconcentratie in het grondwater in deze periode, afhankelijk van de regio, is gedaald of gelijk is gebleven. Bedrijfsvoering Ook blijkt dat het stikstofgebruik uit dierlijke mest op de derogatiebedrijven in 2013 gemiddeld circa 4 kilogram per hectare lager was dan de maximaal toegestane 250 kilogram stikstof per hectare. De hoeveelheid stikstof die als nitraat kan uitspoelen naar het grondwater wordt onder andere bepaald door het stikstofbodemoverschot. Dit is het verschil tussen de aanvoer van stikstof (zoals meststoffen) en de afvoer ervan (waaronder via melk). Het gemiddelde Nederlandse stikstofbodemoverschot is gedurende de onderzochte periode niet significant veranderd. Grondwaterkwaliteit In 2013 lag de nitraatconcentratie in het grondwater in de Zandregio (gemiddeld 37 milligram per liter (mg/l)) onder de nitraatnorm van 50 mg/l. Bedrijven in de Kleiregio en de Veenregio hadden gemiddeld een lagere nitraatconcentratie (respectievelijk 11 en 6 mg/l). Alleen de derogatiebedrijven in de Lössregio lagen gemiddeld boven de norm (56 mg/l). Het verschil tussen de regio's wordt vooral veroorzaakt door een hoger percentage uitspoelingsgevoelige gronden in de Zand- en Lössregio; dit zijn gronden waar nitraat in mindere mate in de bodem wordt afgebroken en daardoor meer kan uitspoelen naar het grondwater.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
De Europese Nitraatrichtlijn verplicht lidstaten om het gebruik van dierlijke mest te beperken tot 170 kg stikstof per hectare. Landbouwbedrijven in Nederland met ten minste 70 procent grasland mochten onder bepaalde voorwaarden van deze norm afwijken en in 2013 250 kilogram per hectare gebruiken (derogatie). Nederland is verplicht om op 300 bedrijven die derogatie inzetten de bedrijfsvoering en waterkwaliteit te meten en deze resultaten jaarlijks aan de EU te rapporteren. LEI Wageningen UR en het RIVM stellen jaarlijks deze rapportage op. Dit rapport beschrijft de situatie in 2013 en de trends voor de periode tussen 2006 en 2014. Uit de resultaten blijkt dat de nitraatconcentratie in het grondwater in deze periode, afhankelijk van de regio, is gedaald of gelijk is gebleven. Bedrijfsvoering Ook blijkt dat het stikstofgebruik uit dierlijke mest op de derogatiebedrijven in 2013 gemiddeld circa 4 kilogram per hectare lager was dan de maximaal toegestane 250 kilogram stikstof per hectare. De hoeveelheid stikstof die als nitraat kan uitspoelen naar het grondwater wordt onder andere bepaald door het stikstofbodemoverschot. Dit is het verschil tussen de aanvoer van stikstof (zoals meststoffen) en de afvoer ervan (waaronder via melk). Het gemiddelde Nederlandse stikstofbodemoverschot is gedurende de onderzochte periode niet significant veranderd. Grondwaterkwaliteit In 2013 lag de nitraatconcentratie in het grondwater in de Zandregio (gemiddeld 37 milligram per liter (mg/l)) onder de nitraatnorm van 50 mg/l. Bedrijven in de Kleiregio en de Veenregio hadden gemiddeld een lagere nitraatconcentratie (respectievelijk 11 en 6 mg/l). Alleen de derogatiebedrijven in de Lössregio lagen gemiddeld boven de norm (56 mg/l). Het verschil tussen de regio's wordt vooral veroorzaakt door een hoger percentage uitspoelingsgevoelige gronden in de Zand- en Lössregio; dit zijn gronden waar nitraat in mindere mate in de bodem wordt afgebroken en daardoor meer kan uitspoelen naar het grondwater.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
De gemiddelde blootstelling aan geluid van vliegverkeer rond het vliegveld Eindhoven is tussen 2012 en 2014 toegenomen met ongeveer 3 decibel. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM naar de relatie tussen blootstelling aan vliegtuiggeluid rond het vliegveld Eindhoven en de ervaren hinder onder de bevolking. De stijging is toe te schrijven aan de toegestane groei van het aantal vluchten van dit vliegveld. Het gebied waarin vliegtuigverkeer tot hinder kan leiden, kan groter zijn dan het gebied waarin de GGD de mate van hinder heeft onderzocht. Dit betekent dat het aantal ernstige gehinderden in werkelijkheid waarschijnlijk groter is. De geluidblootstelling is door het Nederlands Lucht en Ruimtevaartlaboratorium (NLR) berekend tussen 2011 en 2014. De GGD Brabant-Zuidoost en het Bureau Gezondheid, Milieu & Veiligheid van de GGD'en Brabant/Zeeland hebben met vragenlijst in 2012 en 2014 de beleving van het vliegverkeer bij bewoners gemeten.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
In 2013 heeft het ministerie van VWS op voordracht van de verzekeraars negen regionale initiatieven benoemd tot proeftuinen. Deze proeftuinen hebben als doel om preventie, zorg en welzijn in samenhang vorm te geven. Dit rapport beschrijft de proeftuinen en de ontwikkelingen die zich sinds de oprichting hebben voorgedaan. Daarnaast geeft het de gezondheid, de kwaliteit van de zorg en de kosten in de proeftuinregio's weer. Ook wordt ingegaan op de ervaringen van bestuurders met de proeftuinen. Zorgaanbieders, verzekeraars, en vaak ook gemeenten en vertegenwoordigers van burgers / patiënten, werken binnen de proeftuin gezamenlijk aan duurzame zorg en maatschappelijke ondersteuning. Met behulp van een aantal interventies proberen deze partijen een basis te leggen voor de benodigde samenwerking, de organisatie en de bekostiging van de proeftuinen. De proeftuinen worden bestuurd door vertegenwoordigers van de betrokken partijen. Volgens hen wijzen de eerste ervaringen op een verbeterde samenwerking. Tegelijkertijd zoeken zij nog naar een goede aansturing van de proeftuin en de mogelijkheden van nieuwe bekostigingsvormen. Voor het welslagen van de proeftuinen is een goede samenwerking essentieel. Hiervoor is het van belang dat de organisatiebelangen van álle partijen meer op één lijn komen te liggen met de doelstelling van de proeftuin. Ook is aandacht nodig voor alternatieve vormen van bekostiging en voor transparantie van de kwaliteit en kosten van de zorg.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport beschrijft de resultaten van het Strategisch Onderzoek RIVM (SOR) programma 2011-2014. Het SOR-budget is bedoeld om het RIVM te voorzien van de benodigde expertise en kwaliteit. Daarmee kan het nu en in de toekomst zijn taken goed uitvoeren en zo bijdragen aan een gezonde bevolking in een gezonde leefomgeving. SOR-projecten worden in een cyclus van vier jaar uitgevoerd. In de beschreven periode is ongeveer € 45 miljoen besteed, aan in totaal 107 projecten. De resultaten hebben bijgedragen aan de kennisen expertiseontwikkeling en aan de wetenschappelijke status van het RIVM. Het programma heeft ook de internationale samenwerking versterkt. Resultaten Van de zeven speerpunten waaronder de projecten zijn gegroepeerd, wordt weergegeven welke inhoudelijke doelen zijn gehaald, zoals nieuwe kennis over gezond ouder worden, het gebruik van nieuwe technologie voor de leefomgeving en de volksgezondheid en de ontwikkeling van nieuwe modellen om gezondheidsrisico's en risico's voor de leefomgeving te beoordelen. Concrete resultaten van SOR-projecten zijn bijvoorbeeld de tekenapp en iSPEX. Met behulp van de tekenapp kun je teken herkennen, leer je hoe je ze moet verwijderen en kun je een gevonden teek melden zodat er onderzoek naar kan worden gedaan. iSPEX is een nieuwe methode om fijnstof te meten met behulp van een iPhone. In beide projecten was de interactie met de burger een belangrijk facet. De wetenschappelijke impact van de publicaties is hoog, gemeten aan de vooraf gestelde doelen. De wetenschappelijke impact is een maat voor de kennisontwikkeling, die wordt gemeten aan de hand van publicaties (242) in wetenschappelijke tijdschriften. Daarnaast is een groot aantal andere producten, zoals rapporten, proefschriften, databases en presentaties op internationale congressen opgeleverd. De maatschappelijke impact geeft aan wat de samenleving aan de onderzoeken heeft en wordt bepaald op basis van het gebruik van de resultaten in vervolgopdrachten, richtlijnen of wetten. strategisch onderzoek
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Wanneer zich in Nederland een grootschalig incident voordoet waarbij radioactiviteit vrijkomt, is de drinkwaterwinning waarbij grondwater als bron wordt gebruikt weinig in gevaar. Daardoor is er geen acuut probleem voor de drinkwaterproductie uit grondwater. Problemen zijn eerder te verwachten wanneer oppervlaktewater, bijvoorbeeld rivierwater, wordt gebruikt om drinkwater te produceren. Dat komt doordat dit water direct blootstaat aan de besmette lucht. Het RIVM zet in dit onderzoek uiteen hoe drinkwaterbedrijven die grondwater gebruiken, kunnen handelen wanneer zich een radiologische besmetting voordoet. Dit betreft vooral het meetplan: waar en hoe in grondwater radioactiviteit gemeten wordt. Dit onderzoek is uitgevoerd voor de calamiteitenorganisatie in Nederland. Grondwater zal niet gauw door radioactiviteit worden besmet. Een van de redenen daarvoor is dat radioactiviteit na een bepaalde tijd vervalt. Na een stralingsongeval zal dit voor een deel zijn gebeurd voordat het grondwater door duinzand, zand en kleilagen, en door rivieroevers bij de grondwateronttrekkingspunten terechtkomt. Een andere reden is dat zand, slib en kleilagen bepaalde filtrerende eigenschappen hebben, waardoor een radioactieve besmetting veel langzamer door de grondlaag zal 'reizen' dan het grondwater zelf. Tijdens een nucleair ongeval zijn de mogelijkheden om de drinkwaterzuivering aan te passen beperkt. Een belangrijke maatregel is de luchttoevoer bij de drinkwaterzuivering zo veel mogelijk te beperken wanneer een radioactieve wolk over het land trekt. In het uiterste geval wordt een besmet innamepunt van rivierwater (tijdelijk) gesloten en wordt gewacht tot de radionucliden zijn vervallen.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Regelmatig blijkt weinig bekend te zijn over de schadelijke effecten van stoffen op de werkvloer. Dat komt onder andere doordat de risicobeoordeling van de meeste stoffen wordt gebaseerd op tests waarbij de stof wordt ingeslikt. Voor werknemers is echter het contact met een stof via de luchtwegen (inademen) of huid juist relevant. Ondanks alle wet- en regelgeving zijn er dan ook regelmatig meldingen van nieuwe en toenemende risico's die worden veroorzaakt doordat medewerkers aan stoffen blootstaan. Om te voorkomen dat mensen ziek worden door deze 'nieuwe en toenemende risico's', pleit het RIVM ervoor dergelijke risico's zo snel mogelijk op te pikken. In 2013 is hiervoor een systeem ontwikkeld en is een overzicht gemaakt van 43 'nieuwe en toenemende' stoffen die via inhalatie of contact met de huid gezondheidsklachten veroorzaken. In het onderliggende onderzoek is deze lijst aangevuld tot 49 'nieuwe en toenemende' stoffen en is aangegeven welke van deze stoffen de meeste aandacht verdienen. Om de prioritering te kunnen aanbrengen, is eerst inzicht verkregen in het mogelijke risico van de stoffen en is uitgezocht in hoeverre ze in Nederland worden gebruikt. Op basis daarvan zijn drie categorieën opgesteld. Als een stof in de eerste categorie valt, dient er direct onderzocht te worden of er een oorzakelijk verband is tussen het gezondheidseffect van een stof en de blootstelling, om zo nodig direct maatregelen te nemen. In de tweede categorie is actie noodzakelijk, maar niet meteen. In de derde categorie is minimale actie vereist. Daarnaast is geïnventariseerd in welke mate de 49 stoffen al zijn gereguleerd binnen de Europese stoffenwetgeving REACH of andere wetgeving. Op basis hiervan kan Bureau REACH in samenwerking met de ministeries (SZW, VWS en I&M) en de inspecties (Inspectie SZW, NVWA en ILT) nagaan of op de hoogst geprioriteerde stoffen inmiddels voldoende actie wordt ondernomen en of aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Regelmatig blijkt weinig bekend te zijn over de schadelijke effecten van stoffen op de werkvloer. Dat komt onder andere doordat de risicobeoordeling van de meeste stoffen wordt gebaseerd op tests waarbij de stof wordt ingeslikt. Voor werknemers is echter het contact met een stof via de luchtwegen (inademen) of huid juist relevant. Ondanks alle wet- en regelgeving zijn er dan ook regelmatig meldingen van nieuwe en toenemende risico's die worden veroorzaakt doordat medewerkers aan stoffen blootstaan. Om te voorkomen dat mensen ziek worden door deze 'nieuwe en toenemende risico's', pleit het RIVM ervoor dergelijke risico's zo snel mogelijk op te pikken. In 2013 is hiervoor een systeem ontwikkeld en is een overzicht gemaakt van 43 'nieuwe en toenemende' stoffen die via inhalatie of contact met de huid gezondheidsklachten veroorzaken. In het onderliggende onderzoek is deze lijst aangevuld tot 49 'nieuwe en toenemende' stoffen en is aangegeven welke van deze stoffen de meeste aandacht verdienen. Om de prioritering te kunnen aanbrengen, is eerst inzicht verkregen in het mogelijke risico van de stoffen en is uitgezocht in hoeverre ze in Nederland worden gebruikt. Op basis daarvan zijn drie categorieën opgesteld. Als een stof in de eerste categorie valt, dient er direct onderzocht te worden of er een oorzakelijk verband is tussen het gezondheidseffect van een stof en de blootstelling, om zo nodig direct maatregelen te nemen. In de tweede categorie is actie noodzakelijk, maar niet meteen. In de derde categorie is minimale actie vereist. Daarnaast is geïnventariseerd in welke mate de 49 stoffen al zijn gereguleerd binnen de Europese stoffenwetgeving REACH of andere wetgeving. Op basis hiervan kan Bureau REACH in samenwerking met de ministeries (SZW, VWS en I&M) en de inspecties (Inspectie SZW, NVWA en ILT) nagaan of op de hoogst geprioriteerde stoffen inmiddels voldoende actie wordt ondernomen en of aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Avian Influenza A(H10N7) virus-associated mass deaths among harbor seals | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Vaccination of paediatric patients with rheumatic diseases | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Burden of Clostridium difficile infection in the United States | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
In 2013 voldeed Nederland aan de Europese verplichting om jaarlijks de hoeveelheid radioactiviteit in het milieu en in voeding te meten. Alle lidstaten van de Europese Unie zijn verplicht deze metingen jaarlijks te verrichten volgens het Euratom-verdrag uit 1957. Nederland voert daarbij de aanbevelingen uit die in 2000 zijn opgesteld om de metingen volgens een bepaald stramien uit te voeren. De metingen leveren achtergrondwaarden op, ofwel radioactiviteitsniveaus die onder normale omstandigheden aanwezig zijn. Deze waarden kunnen bij bijvoorbeeld calamiteiten of rampen als referentie dienen. Het RIVM rapporteert namens Nederland aan de Europese Unie over radioactiviteit in het milieu. Radioactiviteit in lucht, voedsel, melk, gras en veevoer De radioactiviteitsniveaus in lucht laten een normaal beeld zien dat niet verschilt van voorgaande jaren. De radioactiviteitsniveaus in voedsel en melk liggen net als in voorgaande jaren duidelijk onder de Europese limieten die zijn opgesteld voor consumptie en export, met uitzondering van een van de bijna 1.600 monsters. Dit was een wild zwijn-monster waarin het radioactiviteitsniveau de consumptielimiet met bijna een factor twee overschreed. Uitgaande van eenmalige consumptie is het risico voor de volksgezondheid verwaarloosbaar. Sinds 2013 zijn meetgegevens van gras en veevoer structureel toegevoegd aan deze rapportage. In beide laten de radioactiviteitsniveaus een normaal beeld zien. Radioactiviteit in oppervlaktewater, zeewater en drinkwater De radioactiviteitsniveaus in oppervlaktewater en zeewater verschillen niet van voorgaande jaren. De meeste radioactiviteitsniveaus in ongezuiverd water voor de drinkwaterproductie liggen duidelijk onder de screeningswaarden. Een uitzondering daarop zijn 31 monsters (8 procent van het totale aantal) waarbij licht verhoogde niveaus zijn gemeten. Een onderzoek naar de oorzaak van dit soort licht verhoogde niveaus is gaande. De overschrijdingen zijn in ieder geval zodanig dat ze niet schadelijk zijn voor de volksgezondheid.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Simulation models in population breast cancer screening: a systematic review | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Detection of circovirus in foxes with Meningoencephalitis, United Kingdom, 2009-2013 | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Reaction to: Valganciclovir for congenital cytomegalovirus (Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Partner notification among men who have sex with men and heterosexuals with STI/HIV: different outcomes and challenges | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
The application of mouse and human embryonic stem cells with transcriptomics in alternative developmental toxicity tests | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Risk of second primary malignancies in women with breast cancer: Results from the European prospective investigation into cancer and nutrition (EPIC) | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Potential harmful health effects of inhaling nicotine-free shisha-pen vapor: a chemical risk assessment of the main components propylene glycol and glycerol | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Te lage vitamine D-status in winter | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Op verzoek van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) heeft het RIVM een overzicht gemaakt van Nederlandse bedrijven die brandstoffen en brandstofadditieven produceren, importeren, distribueren, of deze op industriële schaal gebruiken. Daarnaast is informatie over brandstoffen en de hieraan toegevoegde additieven verzameld zoals welke chemische stoffen hiervoor worden gebruikt, wat de gevaarseigenschappen van deze stoffen zijn en welke stoffen niet meer zijn toegestaan. Ten slotte is informatie verzameld over de naleving van de Europese stoffenregelgeving. De ILT wil dit overzicht gebruiken om aandachtspunten in beeld te krijgen bij het toezicht op de naleving van stoffenregelgeving. Het rapport concentreert zich vooral op de toeleveringsketen van brandstoffen die gemaakt zijn van aardolie. Brandstoffen op basis van aardolie worden in alle sectoren van de economie gebruikt, het meeste in de transportsector. De keten voor brandstoffen en additieven is complex en bestaat uit veel schakels. Sommige schakels in de keten vervullen tegelijkertijd meerdere rollen, bijvoorbeeld die van producent, bereider van mengsels (formuleren) en importeur. Als aardolieproducten en additieven schadelijke (kankerverwekkende) eigenschappen hebben, kunnen ze op internationale stoffenlijsten komen te staan die het gebruik ervan verbieden of beperken. Tegenwoordig worden veel brandstoffen op basis van minerale aardolie niet meer als kankerverwekkend en mutageen geclassificeerd. Ze zijn vaak dusdanig geraffineerd dat ze slechts weinig ongewenste stoffen bevatten. Een uitzondering hierop zijn bijvoorbeeld bunkeroliën voor de scheepvaart en zware stookoliën. Een belangrijk aandachtspunt is dat de kwaliteit van de informatie in de zogeheten veiligheidsinformatiebladen over stoffen en componenten te wensen over laat; producenten van brandstoffen en brandstofadditieven ontvangen deze informatiebladen van hun leveranciers en verwerken die in de veiligheidsinformatiebladen die ze opstellen voor de volgende schakel in de keten. Enkele producenten van brandstoffen en brandstofadditieven hebben daarom aangegeven zelf de juistheid van de informatie te toetsen. Alleen grote bedrijven hebben echter genoeg deskundigheid in huis om dat te kunnen doen.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Prevalence and characterization of ESBL- and AmpC-producing Enterobacteriaceae on retail vegetables | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
A real-time assemblage-specific PCR assay for the detection of Giardia duodenalis assemblages A, B and E in fecal samples | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Het kabinet heeft een verbod aangekondigd op het gebruik van chemische onkruidbestrijdingsmiddelen op verhardingen, zoals stoepen en wegen. Een uitzondering is voorgesteld voor bestrijdingsmiddelen die zogeheten laag-risicostoffen bevatten. Het RIVM is gevraagd uit te werken wanneer stoffen in Nederland voor deze uitzondering in aanmerking komen. De criteria daarvoor zijn namelijk op Europees niveau nog niet goed uitgewerkt. Uit de verkenning blijkt dat het risico's met zich meebrengt om, vooruitlopend op Europa, criteria voor Nederland te stellen. Een van de risico's is dat stoffen onterecht als een laag-risicostof worden aangemerkt en op termijn alsnog moeten worden verboden. Een ander risico is dat enkele toegestane stoffen dan grootschalig worden gebruikt en zo alsnog schadelijke effecten veroorzaken voor mens en milieu. Het verleden heeft aangetoond dat grootschalig gebruik van onkruidbestrijdingsmiddelen op verhardingen daadwerkelijk tot problemen kan leiden. Het verbod is bedoeld om de volksgezondheid en het oppervlaktewater te beschermen. De Europese Commissie bepaalt welke stoffen als laagrisicostoffen gelden. Omdat de Europese eisen voor zulke laagrisicostoffen nog niet zijn ingevuld, heeft de Tweede Kamer de regering gevraagd te onderzoeken of het haalbaar is om voor Nederland eisen op te stellen. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft het RIVM opdracht gegeven dit te onderzoeken.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Environmental fate & effect of new generation flame retardants | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Fetal environment is a major determinant of the neonatal blood thyroxine level: results of a large Dutch twin study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Biovergisting is de afbraak van organisch materiaal uit mest en andere restanten in speciaal daarvoor ingerichte installaties. Bij dit proces komt het energierijke biogas methaan (CH4) vrij. Daarnaast ontstaat een product ('digestaat') dat gebruikt kan worden als meststof in de landbouw. Wanneer niet alleen mest maar ook andere organische materialen worden verwerkt in een vergister, spreken we van covergisting. In 2014 heeft de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (CDM) in opdracht van het ministerie van Economische Zaken een evaluatie uitgevoerd van covergisting in Nederland. Het RIVM heeft hiervoor informatie verzameld over gezondheid en veiligheid. Hieruit blijkt dat de mensen bij mestvergisting niet in hogere mate aan pathogenen en antibiotica-resisente bacteriën blootstaan dan bij andere vormen van mestverwerking. Wel zijn incidenten en ongevallen met covergistingsinstallaties gevaarlijk geweest voor medewerkers, bijvoorbeeld vanwege explosie- en verstikkingsgevaar door gasvorming. Ook hebben ze omwonenden stankoverlast bezorgd. Verder blijkt dat de risico's onbekend zijn als de regelgeving voor co-vergisting niet wordt nageleefd, bijvoorbeeld door materialen bij te mengen die daarvoor niet zijn toegestaan. Een goede procescontrole is daarom van belang. De bevindingen, waar meerdere partijen aan bijdragen, worden in 2015 gepubliceerd. Onderliggende rapportage bevat de uitgebreide informatie van het RIVM die wordt samengevat in het CDM-rapport. Voor het onderwerp gezondheid zijn de microbiologische risico's van mestvergisting nader beschouwd. Het onderwerp veiligheid betreft Arboregelgeving en externe veiligheidsrisico's.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Comparative hazard identification by a single dose lung exposure of zinc oxide and silver nanomaterials in mice | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Plasma fetuin-A concentration, genetic variation in the AHSG gene and risk of colorectal cancer | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
A national fine spatial scale land-use regression model for ozone | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Agreement of central site measurements and land use regression modeled oxidative potential of PM2.5 with personal exposure | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Mensen kunnen hinder ondervinden van geluid. Om dit te voorkomen gelden er normen voor de geluidsbelasting op gevels van woningen. De normen verschillen per geluidbron (zoals wegverkeer, railvervoer en industrie). Dit hangt onder andere samen met de mate van hinder die mensen blijken te ervaren. Maar mensen kunnen ook belast worden door meerdere bronnen tegelijk. Dan is er sprake van cumulatie van geluid. Voor de gecumuleerde geluidniveaus zijn er momenteel geen normen. De regelgeving voor geluid wordt herzien (het zogeheten Swung-2 proces) en zal deel gaan uitmaken van de Omgevingswet. De Tweede Kamer heeft aandacht gevraagd voor voldoende bescherming als er sprake is van gecumuleerde geluidniveaus. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) heeft in dat verband het RIVM gevraagd om één van de opties voor cumulatie in nieuwe regelgeving door te rekenen. Onderzocht is hoe vaak zich normoverschrijdingen voordoen als er rekening wordt gehouden met cumulatie van geluid. Het RIVM heeft hiervoor een methodiek ontwikkeld. De mate van normoverschrijding is sterk afhankelijk van de bronnen die cumuleren. Voor geluid van rijkswegen en spoorwegen werkt dit bijvoorbeeld anders uit dan voor de combinatie van gemeentelijke wegen en industrie. Voor de onderzochte optie leidt geluidcumulatie naar schatting bij 5% van alle woningen in Nederland tot overschrijding van de geluidnormen. De resultaten zijn in de loop van 2014 opgeleverd aan het ministerie van IenM. Dit rapport is de technische verslaglegging van de methode en resultaten, bedoeld voor geluid- en beleidsdeskundigen.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
An immuno-epidemiological model for Johne's disease in cattle. Modeling Johne's disease: From the inside out Dr Ad Koets and Prof Yrjo Grohn | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
The long subclinical phase of Mycobacterium avium ssp. paratuberculosis infections explained without adaptive immunity | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
The effect of dose on the antimalarial efficacy of artemether-lumefantrine: a systematic review and pooled analysis of individual patient data | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Determinants of students' willingness to accept a measles-mumps-rubella booster vaccination during a mumps outbreak: A cross-sectional study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Evaluating contribution of the cellular and humoral immune responses to the control of shedding of Mycobacterium avium spp. paratuberculosis in cattle | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Milieurisicogrenzen vormen de basis voor de beoordeling of stoffen in water, bodem en lucht schadelijk kunnen zijn voor mensen, dieren en planten. Het RIVM heeft de voorlopige methode uit 2009 om zogeheten indicatieve milieurisicogrenzen te bepalen, vernieuwd. Met deze methode kunnen ze snel en tegen lage kosten worden bepaald. In de nieuwe versie worden milieurisicogrenzen gebaseerd op de laatste inzichten en zijn ze uitgebreid van één naar vier risiconiveaus. Ook is toegevoegd hoe risicogrenzen voor zoute wateren kunnen worden bepaald; voorheen was dat alleen voor zoet water het geval. Binnen Nederland worden indicatieve milieurisicogrenzen gebruikt omdat de Europees geaccepteerde afleidingsmethode een tijdrovende exercitie is. Voor de indicatieve afleiding worden gegevens gebruikt uit een geselecteerde set van bronnen met informatie over eigenschappen en schadelijke effecten van stoffen. Er vindt geen uitgebreid literatuuronderzoek plaats en er wordt niet gecontroleerd in hoeverre de gegevens betrouwbaar zijn. Indicatieve milieurisicogrenzen kennen hierdoor een grotere onzekerheid dan de Europese, gedegen variant. Milieurisicogrenzen vormen de wetenschappelijke basis waarop de Nederlandse interdepartementale Stuurgroep Normstelling milieukwaliteitsnormen vaststelt: milieurisicogrenzen hebben zelf geen officiële beleidsmatige status. De overheid gebruikt milieukwaliteitsnormen bij de uitvoering van het nationale stoffenbeleid en de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Er bestaan normen voor vier verschillende niveaus: een verwaarloosbaar risiconiveau (VR), een niveau waarbij geen schadelijke effecten zijn te verwachten (MTR, JGMKN), het maximaal aanvaardbare niveau voor ecosystemen voor kortdurende blootstelling (MACeco), en een niveau waarbij mogelijk ernstige effecten voor ecosystemen kunnen optreden (EReco).
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
The effect of dosing strategies on the therapeutic efficacy of artesunate-amodiaquine for uncomplicated malaria: a meta-analysis of individual patient data | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Het aantal mensen dat zich bij een Centrum Seksuele Gezondheid (CSG) heeft laten testen op een seksueel overdraagbare aandoening (soa) blijft stijgen. Het percentage bij wie een soa wordt aangetroffen neemt eveneens toe, tot 15,5 procent in 2014. De stijgende lijn is ook te zien bij huisartsen, waar nog steeds de meeste soa-consulten worden verricht. Net als in voorgaande jaren is chlamydia de meest voorkomende soa. De CSG bieden hoog-risicogroepen de mogelijkheid om zich gratis te laten testen op soa's. Daarnaast verstrekken zij medicatie als een soa wordt aangetroffen. In totaal waren er in 2014 141.191 consulten bij de CSG, een stijging van 6 procent ten opzichte van 2013. De meeste soa's zijn geconstateerd bij personen die voor een soa waren gewaarschuwd door een (voormalige) partner en bij hiv-positieve mannen die seks hebben met mannen (MSM). Chlamydia In 2014 had 12,6 procent van de CSG-bezoekers een chlamydia-infectie (17.753 diagnoses); een stijging van 0,8 procent ten opzichte van 2013. De grootste toename was te zien bij heteroseksuele mannen (van 12,8 procent in 2013 naar 13,9 procent in 2014). Chlamydia wordt nog steeds het meest aangetroffen bij vrouwen en bij heteroseksuele mannen onder de 25 jaar (15,6 procent had chlamydia). Bij MSM blijft het percentage chlamydia al jaren stabiel, rond de 10 procent. Gonorroe Sinds 2012 is het percentage CSG-bezoekers met gonorroe stabiel. Het bedroeg 3,6 procent in 2014 met in totaal 4.594 diagnoses. Gonorroe komt ruim vier keer zo vaak voor bij MSM als bij vrouwen en heteroseksuele mannen. In diverse Europese landen is gonorroe waargenomen die resistent is tegen de voorgeschreven antibiotica. In Nederland is deze resistentie nog niet aangetroffen. Het blijft van belang dit nauwkeurig in de gaten te houden. Syfilis Syfilis werd bij de CSG vooral vastgesteld bij MSM (93 procent van de 742 syfilis-diagnoses in 2014). Het percentage MSM met een syfilis-infectie steeg van 2,0 procent in 2013 naar 2,3 procent in 2014. De stijging was het grootst bij hiv-positieve MSM: van 5,8 procent in 2013 naar 6,6 procent in 2014. Van alle MSM met syfilis wist 41 procent dat ze hiv hadden. Hiv Het aantal nieuwe hiv-diagnoses bij de CSG is in 2014 met 9 procent gedaald (323 versus 358 in 2013), waarvan bijna 90 procent werd aangetroffen bij MSM. Het percentage nieuwe hiv-diagnoses bij MSM daalde van 3,0 procent in 2008 naar 1,1 procent in 2014. Het aantal nieuwe hiv-diagnoses daalde ook bij de Nederlandse hiv-behandelcentra (van 1.311 in 2008 naar 992 in 2013).
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM doet een voorstel voor een nieuwe, Nederlandse waterkwaliteitsnorm voor kwik. Deze norm houdt rekening met de mate waarin kwik zich ophoopt in visetende dieren, en beschermt daardoor ook vogels en zoogdieren. De bestaande Europese norm voor kwik in oppervlaktewater gaat alleen over het acute directe effect van kwik op waterorganismen zonder rekening te houden met de stapeling in de voedselketen. Deze waternorm is niet laag genoeg om visetende vogels en zoogdieren te beschermen. Van kwik is algemeen bekend dat het wereldwijd een probleem is. Het komt onder meer vrij bij de verbranding van steenkool. Kwik is opgenomen op de lijst van prioritair gevaarlijke stoffen onder de Kaderrichtlijn Water. Dit betekent dat de uitstoot naar het milieu moet worden voorkomen. Naast de Europese norm voor oppervlaktewater, is er een Europese norm die een maximum stelt aan de hoeveelheid kwik in vis, de zogeheten biotanorm. Deze norm moet voorkomen dat visetende roofvogels en zoogdieren te veel kwik binnenkrijgen via het voedsel dat ze eten. De biotanorm is het gehalte van kwik in vis waarbij vogels en zoogdieren via hun voeding geen extra risico lopen. Lidstaten moeten aantonen dat kwikgehalten in vis niet worden overschreden, maar mogen zelf bepalen hoe ze dat meten. Nederland geeft er de voorkeur aan om niet in vis, maar in water te meten. Daarom is berekend bij welke concentratie in water de biotanorm voor vis niet wordt overschreden. De berekende veilige concentratie in water is 0,07 nanogram opgelost kwik per liter. Deze norm is aanzienlijk strenger dan de norm voor de directe effecten op waterorganismen, die tot nu toe in Nederland is gebruikt. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) is van plan de voorgestelde norm dit jaar in de nieuwe wetgeving op te nemen.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Het totale aantal ernstige arbeidsongevallen in Nederland daalt van circa 2600 in 1999 tot circa 2000 in 2011. Dat blijkt uit een analyse van de arbeidsongevallen uit 1999-2011. De ernst van de ongevallen verandert niet: per jaar overlijdt 3% van de slachtoffers (80 personen in 1999; 60 personen in 2011) en 4% wordt arbeidsongeschikt. Bijna een derde van de werknemers in loondienst loopt een bovengemiddelde kans op een ernstig ongeval. De kans op een arbeidsongeval verschilt De kans op een ernstig arbeidsongeval wordt beïnvloed door leeftijd, sekse, arbeidsverband, herkomst en bedrijfstak. Zo blijkt dat jongeren rond 19 jaar relatief veel risico lopen. Werknemers achter in de 50 lopen de grootste kans op een ernstig arbeidsongeval. Het lijkt er op dat uitzendkrachten meer risico lopen dan medewerkers met een vaste werkweek (en vast of tijdelijk contract). Mannen lopen meer risico dan vrouwen, zelfs als wordt gecorrigeerd voor de bedrijfstak. Ook allochtone werknemers van de eerste generatie lopen meer risico, maar de risico's van de tweede generatie zijn gelijk aan die van autochtone werknemers. Het aantal arbeidsongevallen daalt niet in alle sectoren Ondanks de algehele daling, blijft in vier sectoren het aantal ongevallen onveranderd hoog. Het gaat om 'textiel en kleding', 'landbouw, visserij en delfstoffen', 'vervaardiging van machines en apparaten', en 'gespecialiseerde bouw'. Tot de laatste sector behoren activiteiten zoals dakbouw, steigerbouw, heien en betonvlechten. Bij andere bouwgerelateerde sectoren als 'afwerken van gebouwen' en 'bouwen van infrastructuur (zoals bruggen en leidingen)' daalde het aantal ongevallen wel. De analyse is gebaseerd op informatie over arbeidsongevallen die door de Inspectie SZW zijn onderzocht, gekoppeld aan CBS-gegevens over persoonskenmerken van werknemers in loondienst, zoals leeftijd en bedrijfstak. Het onderzoek geeft geen verklaringen over de geschetste ontwikkelingen.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Evaluation of the zebrafish embryo as an alternative model for hepatotoxicity testing | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Best urban water management practices to prevent waterborne infectious diseases under current and future scenarios | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
The role of water in human picornavirus transmission | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Monitoring the impact of HPV vaccination pre- and early post-vaccination data | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Regelmatig worden in het riool drugs en kalmeringsmiddelen aangetroffen. Via deze route kunnen ze ook in het oppervlaktewater terechtkomen. Er is op dit moment geen gefundeerde uitspraak te doen of dit risico's heeft voor het ecosysteem ter plaatse. Dat komt vooral omdat gegevens ontbreken over de mate waarin deze stoffen giftig zijn voor waterorganismen. Daarom is met behulp van rekenmodellen geschat welke concentraties veilig zijn voor het ecosysteem. Deze concentraties worden nergens overschreden, maar de schattingen kennen grote onzekerheden. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Eerder onderzoek heeft laten zien dat de drinkwaterkwaliteit niet in gevaar komt. De grootste belemmering voor een onderbouwde uitspraak is dat meestal niet wetenschappelijk is getest of de onderzochte drugs en kalmeringsmiddelen effecten hebben op waterorganismen. Daardoor is onbekend in hoeverre ze giftig zijn. Voor de toegelaten geneesmiddelen zou dit wel inzichtelijk kunnen worden gemaakt als fabrikanten deze gegevens over hun producten openbaar zouden maken. Omdat drugs illegaal zijn, kan de overheid de aanlevering van gegevens niet afdwingen. De overheid is daardoor voor deze informatie afhankelijk van wetenschappelijk onderzoek door bijvoorbeeld universiteiten. Om veilige concentraties voor het ecosysteem te kunnen schatten, zijn nu gegevens gebruikt over aanverwante stoffen die wel zijn getest. Dit brengt echter onzekerheden met zich mee. Een andere onzekerheid in de resultaten betreft het effect dat mogelijk kan optreden als waterorganismen met meerdere stoffen tegelijk in aanraking komen. Een combinatie van verwante stoffen met een vergelijkbare werking zou namelijk het negatieve effect kunnen versterken. Metingen van concentraties in Nederlands oppervlaktewater laten zien dat in kleinere wateren dicht bij rioolwaterzuiveringsinstallaties veel hogere concentraties aanwezig kunnen zijn dan in grotere wateren verderop. De stoffen zijn in de kleinere wateren minder verdund en het kost tijd voordat natuurlijke afbraakprocessen hun effect hebben. Op deze plaatsen kunnen concentraties van ecstasy in de buurt van de geschatte veilige concentratie komen.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Inconclusive evidence for non-inferior immunogenicity of two- compared with three-dose HPV immunization schedules in preadolescent girls: A systematic review and meta-analysis | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Het NethMap/MARAN-rapport is samengesteld door Stichting Werkgroep Antibioticabeleid (SWAB), Centrum Infectieziektebestrijding van het RIVM, Central Veterinary Institute (CVI), onderdeel van Wageningen UR, de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA) en de Stichting Diergeneesmiddelenautoriteit (SDa). NethMap verschijnt dit jaar voor de dertiende keer. Het is de vierde keer dat deze humane gegevens uit de NethMap gezamenlijk worden gepresenteerd met de veterinaire gegevens uit MARAN. MARAN monitort gebruik van en resistentie tegen antibiotica in de dierensector al sinds 1998. part 1: Nethmap 2015 pag 1-116 part 2: MARAN 2015 pag 1-72
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
An epidemiologic risk prediction model for ovarian cancer in Europe: the EPIC study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Reducing viral contamination from finger pads: Handwashing is more effective than alcohol-based hand disinfectants | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Net als in voorgaande jaren is in verslagjaar 2015 de deelname aan de verschillende vaccinaties uit het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) met 92 tot 99 procent hoog. Uitzondering hierop vormt de HPV-vaccinatie tegen baarmoederhalskanker, waaraan de deelname overigens wel verder blijft stijgen ten opzichte van het verslagjaar 2014 (tot 61 procent). De hepatitis B-vaccinatiegraad voor kinderen geboren in 2012, het eerste jaar waarin alle zuigelingen in aanmerking kwamen voor hepatitis B-vaccinatie, ligt op 94 procent. Ook de deelname onder zuigelingen in Caribisch Nederland aan de DKTP-, BMR- en pneumokokkenvaccinatie is hoog. De BMR-vaccinatiegraad voor schoolkinderen (93 procent) is dit keer identiek aan de DTP-vaccinatiegraad; meestal ligt de BMRvaccinatiegraad iets lager. Dit is een verbetering maar de gewenste deelname wordt er niet mee bereikt. Een deelname van minimaal 95 procent is belangrijk vanwege het streven van de World Health Organization (WHO) om mazelen wereldwijd uit te roeien. Zo'n hoge vaccinatiegraad is nodig om de bevolking als geheel te beschermen tegen uitbraken (groepsimmuniteit). Om zuigelingen effectief te kunnen beschermen tegen ziekten uit het RVP is het ook van belang de vaccinaties tijdig te geven. Het deel van de zuigelingen dat de eerste DKTP-vaccinatie op tijd krijgt, dat wil zeggen voordat ze 10 weken oud zijn, is verder gestegen naar 89 procent. Daarnaast is de tijdige en volledige deelname aan de volledige primaire DKTP-serie (de eerste drie vaccinaties) verbeterd van 60 procent voor kinderen geboren in 2007 naar 69 procent voor kinderen geboren in 2012. In Nederland wordt met de systematiek van vrijwillige vaccinatie een hoge vaccinatiegraad bereikt.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Off-label prescription of genetically modified organism medicines in Europe: Emerging conflicts of interest? | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Comparison of STI-related consultations among ethnic groups in the Netherlands: an epidemiologic study using electronic records from general practices | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Lung cancer risk among cooks when accounting for tobacco smoking: a pooled analysis of case-control studies from Europe, Canada, New Zealand, and China | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Repeated STI and HIV testing among HIV-negative men who have sex with men attending a large STI clinic in Amsterdam: A longitudinal study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Natural-cause mortality and long-term exposure to particle components: An Analysis of 19 European cohorts within the multi-center ESCAPE project | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Sinds een aantal jaren meet het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML) van het RIVM op een groot aantal locaties de concentraties van PM2,5. Deze kleine fractie van fijn stof kan tot diep in de longen doordringen en is daardoor mogelijk schadelijker dan PM10. Sinds 2008 is PM2,5 vanwege Europese verplichtingen gemeten met behulp van een zogenoemde referentiemethode. Sinds 2010 wordt ook gemeten met een automatische monitor van het merk MetOne, type BAM-1020. Deze monitor genereert zelf continu resultaten, waardoor het minder arbeidsintensief is om de data uit te lezen. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat de meetwaarden die met de BAM-1020 zijn verkregen gelijkwaardig zijn aan de referentiemeetwaarden. Daarom mag de BAM-1020 als gelijkwaardige methode worden gebruikt om PM2,5 te meten. Ook mogen de resultaten worden gebruikt voor zowel verplichte rapportages als om het publiek te informeren. Om de meetresultaten van de monitoren voor deze doeleinden te mogen gebruiken, moest eerst worden aangetoond dat de resultaten overeenkomen met die van de referentiemethode. Hiertoe heeft het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit met de beide methoden op een aantal meetlocaties gemeten.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Fruit and vegetable consumption in relation to hepatocellular carcinoma in a multi-centre, European cohort study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Dysregulation of serum gamma interferon levels in vascular chronic Q fever patients provides insights into disease pathogenesis | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Borrelia miyamotoi: A widespread tick-borne relapsing fever spirochete | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Dried blood spot measurement of pregnancy-associated plasma protein A (PAPP-A) and free beta-subunit of human chorionic gonadotropin (beta-hCG) from a low-resource setting | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
The relevance of work-related learning for vulnerable groups. Dutch case study of a Health Impact Assessment with equity focus | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Simple determination of sugars in cigarettes | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Developmental immunotoxicity testing of 4-methyl anisole | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Het Vinkje-logo geeft consumenten informatie over de samenstelling van een voedingsmiddel. Het Vinkje is een particulier initiatief, dat wordt gesteund door het ministerie van VWS. Het doel is tweeledig: producenten stimuleren om gezondere producten te maken en consumenten stimuleren om voor deze gezondere producten te kiezen. Producten kunnen een Vinkje krijgen als de producent lid is van de Stichting Ik Kies Bewust en het product aan bepaalde criteria voldoet. Uit een inventarisatie van het RIVM blijkt dat deze criteria overeenkomen met de Richtlijnen Voedselkeuze van het Voedingscentrum. Ook blijkt dat de criteria de afgelopen jaren zijn aangescherpt. Het Vinkje is enkele jaren geleden ingevoerd na een oproep van de Wereldgezondheidsorganisatie om producten gezonder te maken. Er zijn twee soorten Vinkjes. Het Vinkje met een groene cirkel geldt voor producten met een gezondere samenstelling uit een productgroep uit basisvoedingsmiddelen zoals volkorenbrood, magere en halfvolle zuivel, en verse groenten en fruit. Het Vinkje met een blauwe cirkel betreft producten uit voedingsmiddelengroepen die niet in de schijf van vijf staan, zoals oplossoep, hagelslag, jam, vruchtensap, frisdrank en pastasauzen. Momenteel zijn circa honderd bedrijven lid van de Stichting en hebben meer dan 7000 producten een Vinkje: 5000 een groene cirkel, en 2000 een blauwe cirkel.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Diabetes quality management in care groups and outpatient clinics | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
In 2013 heeft de Nederlandse overheid Bureau Biosecurity opgericht als kennis- en informatiepunt voor zowel de overheid als voor organisaties die werken met risicovolle ziekteverwekkers. Biosecurity gaat over de beveiliging van deze ziekteverwekkers. Het werken in laboratoria met risicovolle ziekteverwekkers brengt risico's met zich mee, en het is daarom van belang dat in een laboratorium veilig met deze ziekteverwekkers wordt gewerkt - ter bescherming van mens en milieu (biosafety), maar ook beveiligd (biosecurity) - zodat het materiaal en laboratorium afgeschermd is voor kwaadwillenden. Bureau Biosecurity ontwikkelt kennisproducten, informeert over biosecurity en vergroot de bewustwording rondom biosecurity vraagstukken. Het bureau bundelt jaarlijks relevante nieuwsberichten en signalen over het onderwerp biosecurity. In de 'Biosecurity Signalering 2014' rapporteert Bureau Biosecurity over nationale en internationale biosecurity initiatieven, berichten vanuit de beleidshoek en wetenschappelijke publicaties die met biosecurity te maken hebben. Tevens zijn berichten uit de media opgenomen, zoals berichtgeving in kranten en internetartikelen gerelateerd aan biosecurity, die een afspiegeling vormen van de nieuwsgeving en perceptie in de samenleving. Het doel van de rapportage is om betrokken overheidspartijen over biosecurity-ontwikkelingen te informeren die van invloed kunnen zijn op risico's en dreigingen in Nederland. Hiertoe behoren ook rapportages over fouten die in laboratoria voorkomen en de kwetsbaarheden die hiermee aan het licht komen. Deze informatie kan van belang zijn voor hetbeleidsvormingstraject en het in kaart brengen van nieuwe risico's rondom risicovolle ziekteverwekkers. Bij de selectie van de berichten is gelet op de onderwerpen: biosecurity, dual-use onderzoek, gain-offunction onderzoek en biosafety- en biosecurity-incidenten met risicovolle ziekteverwekkers.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Eco-epidemiology of Borrelia miyamotoi and Lyme borreliosis spirochetes in a popular hunting and recreational forest area in Hungary | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Molecular drug susceptibility testing in the Netherlands: performance of the MTBDRplus and MTBDRsl assays | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Diabetes, antidiabetic medications, and pancreatic cancer risk: an analysis from the International Pancreatic Cancer Case-Control Consortium | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Hypothesis: Cryptosporidium genetic diversity mirrors national disease notification rate | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
In Nederland nemen weinig mensen meer vitamine D in dan het maximum dat wordt aanbevolen. Wel zijn er supplementen in omloop die meer vitamine D bevatten dan volgens de wet is toegestaan. De supplementen met een hoge dosering worden vooral via internet aangeschaft. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM, dat in opdracht van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) is uitgevoerd. Tot voor kort was weinig bekend over wie in welke mate supplementen met vitamine D gebruikt. Vitamine D stimuleert de opname van calcium uit de darm en zorgt voor sterke botten. Het wordt door de huid aangemaakt onder invloed van zonlicht, maar ook voeding is een bron van vitamine D, zoals vette vis en margarine. De laatste jaren wordt vitamine D in verband gebracht met bijvoorbeeld een verbeterde spierfunctie, een sterker immuunsysteem en een lager risico op (darm)kanker. Wanneer mensen lange tijd heel veel vitamine D innemen, kan dit schadelijk zijn voor de gezondheid. Er kunnen dan nierstenen ontstaan en kalkafzetting rondom organen en weefsels. De Europese voedselveiligheidsautoriteit (EFSA) heeft daarom bepaald dat volwassenen maximaal 100 microgram per dag mogen binnenkrijgen. In de Nederlandse wet is vastgelegd dat een voedingssupplement maximaal 25 microgram mag bevatten. Voor dit onderzoek hebben meer dan 55.000 volwassenen online een vragenlijst ingevuld. Hierbij is aanvullende informatie verzameld over persoons- en leefstijlkenmerken. Van de ondervraagden namen 43 mensen (0,08 procent) elke dag meer dan 100 microgram vitamine D in via supplementen. Het zijn vooral vrouwen, vaak met een gemiddeld opleidingsniveau (bijvoorbeeld MBO), die vaker alternatieve genezers bezoeken. Ze gebruiken vaak supplementen die meer dan de wettelijk toegestane hoeveelheid vitamine D bevatten.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Molecular characteristics of extended-spectrum cephalosporin-resistant enterobacteriaceae from humans in the community | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Novel insights into the risk assessment of the nanomaterial synthetic amorphous silica, additive E551, in food | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
The vaccine potential of Bordetella pertussis biofilm-derived membrane proteins | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
The effects on bronchial epithelial mucociliary cultures of coarse, fine, and ultrafine particulate matter from an underground railway station | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Multidrug-resistant and extended spectrum beta-lactamase-producing Escherichia coli in Dutch surface water and wastewater | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Q fever in the Netherlands - 2007-2010: What we learned from the largest outbreak ever | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Humic substances alleviate the aquatic toxicity of polyvinylpyrrolidone-coated silver nanoparticles to organisms of different trophic levels | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Current status of newborn screening worldwide: 2015 | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Diet and cognitive decline at middle age: The role of antioxidants | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Quality of life after diet or exercise-induced weight loss in overweight to obese postmenopausal women: the SHAPE-2 randomised controlled trial | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
To be or not to be a pseudogene: a molecular epidemiological approach to the mclx genes and its impact in tuberculosis | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Synthetic long peptide influenza vaccine containing conserved T and B cell epitopes reduces viral load in lungs of mice and ferrets | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Long-term stability of cancer biomarkers in human serum: Biomarkers of oxidative stress and redox status, homocysteine, CRP and the enzymes ALT and GGT | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Assessing disability weights based on the responses of 30,660 people from four European countries | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Socio-economic status and ethnicity are independently associated with dietary patterns: the HELIUS-Dietary Patterns study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Modeling the effects of cervical cancer prevention in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Het RIVM heeft in 2015 berekend hoeveel cadmium mensen binnen kunnen krijgen via voeding in Nederland. Uit de berekening blijkt dat kinderen tot de leeftijd van ongeveer 10 jaar gemiddeld meer cadmium binnen krijgen dan wenselijk is. De hoeveelheid cadmium die mensen gemiddeld gedurende hun leven via de voeding binnenkrijgen is echter zodanig laag dat het risico op schadelijke gezondheidseffecten verwaarloosbaar is. Kinderen krijgen naar verhouding meer cadmium binnen, omdat zij per kilogram lichaamsgewicht meer eten dan volwassen. De voedselgroepen granen, aardappels, groente en fruit dragen het meeste bij aan de totale blootstelling (circa 80 procent). Cadmium komt vooral via de bodem in voeding terecht. De stof kan nadelig zijn voor de gezondheid doordat het stapelt in de nieren. Wanneer de concentratie te hoog wordt, kan het de werking van de nieren schaden. Voor de innameberekening van cadmium zijn voldoende concentratiegegevens beschikbaar voor producten als melk, granen, groente, fruit en aardappelen. Van een aantal voedingsmiddelen zijn deze gegevens niet of slechts beperkt beschikbaar, waaronder vlees, pindaproducten, bewerkte cacao, oliezaden (vooral zonnebloempitten), ananas, runder- en varkenslever en bepaalde vissoorten (koolvis, kabeljauw, zalm en haring). Met deze gegevens zou de innameberekening verder kunnen worden geoptimaliseerd. De beschikbare concentratiegegevens van cadmium in producten zijn gecombineerd met voedselconsumptiegegevens van de Voedselconsumptiepeiling (VCP). Daarna is de berekende inname vergeleken met de gezondheidslimiet die voor deze stof geldt. Deze limiet is gebaseerd op de gemiddelde hoeveelheid van een stof waar mensen langdurig dagelijks aan mogen worden blootgesteld, zonder dat dit nadelige gevolgen heeft voor de gezondheid. De gemiddelde cadmiuminname varieert van 0,57 microgram per kilo lichaamsgewicht per dag bij 2-jarigen tot ongeveer 0,20 microgram per kilo lichaamsgewicht per dag op volwassen leeftijd.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Development of the HELIUS food frequency questionnaires: ethnic-specific questionnaires to assess the diet of a multiethnic population in The Netherlands | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Cost-effectiveness of a nurse-led internet-based vascular risk factor management programme: economic evaluation alongside a randomised controlled clinical trial | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
The Ebola crisis: perspectives from European public health | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Comprehensive in vitro toxicity testing of a panel of representative oxide nanomaterials: first steps towards an intelligent testing strategy | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Successful validation of genomic biomarkers for human immunotoxicity in Jurkat T cells in vitro | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
SUDOQU: a new dose model to derive criteria for surface contamination of non-food (consumer) goods, containers and conveyances | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Serological evidence of influenza a viruses in frugivorous bats from Africa | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Influence of choice on vegetable intake in children: an in-home study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Associations of erythrocyte fatty acids in the de novo lipogenesis pathway with proxies of liver fat accumulation in the EPIC-Potsdam Study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Prenatal exposure to environmental chemical contaminants and asthma and eczema in school-age children | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Het RIVM controleert achtmaal per jaar de metingen van de uit bedrijf genomen kernenergiecentrale Dodewaard. Het gaat hierbij om lozingen van radioactiviteit in ventilatielucht. De contra-expertise onderbouwt de betrouwbaarheid van de analyses die de kernenergiecentrale uitvoert. Doorgaans komen de analyses overeen, zo ook in de periode 2013. RIVM en de kernenergiecentrale vonden geen gamma-stralers in ventilatielucht. De kernenergiecentrale is sinds 1997 buiten bedrijf en is in juli 2005 in de fase Veilige Insluiting overgegaan. Het voornemen is om de kernenergiecentrale over veertig jaar, als de radioactiviteit sterk is afgenomen, te ontmantelen. RIVM heeft in de periode 2013 acht monsters van ventilatielucht geanalyseerd op gamma activiteit, die verspreid over het jaar zijn genomen. Tevens is er in monsters van ventilatielucht de activiteit van 3H bepaald. Er is door RIVM geen gamma-activiteit, en slechts een zeer geringe 3H activiteit aangetroffen. Hoogstwaarschijnlijk zijn deze minieme 3H sporen afkomstig uit de poriën van het gebouw zelf. Er is geen afvalwater geloosd in de periode 2013. Opdrachtgever is de Kernfysische Dienst van de Inspectie Leefomgeving en Transport van het ministerie van Infrastructuur en Milieu.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM controleert achtmaal per jaar de metingen van NRG. Het gaat hierbij om lozingen van radioactiviteit in water en lucht. De contra-expertise onderbouwt de betrouwbaarheid van de analyses die NRG uitvoert. Ook in 2013 komen de analyses in afvalwater goed overeen, met name voor de gammaspectrometrie en totaal-alfa resultaten. Enkele structurele verschillen in dat jaar betreffen de totaal-beta metingen in afvalwater; RIVM meet altijd veel lager dan NRG. Dit wordt deels verklaard door het feit dat er veel kortlevende beta-stralers in het afvalwater aanwezig zijn, en deels door verschillen in de meetmethoden die NRG en RIVM toepassen. De overeenstemming in de tritium resultaten in afvalwater is goed. De resultaten behaald door NRG en RIVM in ventilatieluchtmonsters zijn in goede overeenstemming. De totaal-alfa en totaal-bèta resultaten zijn alle op of dicht bij de detectiegrens en verschillen niet significant van de waarden die in buitenlucht in Bilthoven worden aangetroffen. Het RIVM heeft in 2013 acht afvalwatermonsters en acht monsters van ventilatielucht geanalyseerd, die verspreid over het jaar gedurende een week door NRG zijn genomen. Opdrachtgever is de Kernfysische Dienst van de Inspectie Leefomgeving en Transport van het ministerie van Infrastructuur en Milieu.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
RIVM heeft voor drie toekomstscenario's voor de vraag naar drinkwater in 2040 berekend in hoeverre er voldoende productiecapaciteit is om aan die vraag te voldoen. Daaruit blijkt dat er alleen een tekort optreedt bij het scenario met de maximale vraag. Wat de kans op de scenario's is en welke concrete gevolgen ze hebben, is niet in dit onderzoek meegenomen. Wel worden mogelijke oplossingen aangereikt voor het geval zich tekorten voordoen. De drinkwaterbedrijven gaan ervan uit dat zij in 2040 beschikken over een productiecapaciteit van circa 1360 miljoen kubieke meter per jaar. Dit is voldoende om te voldoen aan de te verwachten vraag naar drinkwater volgens het zogenaamde trendscenario. In dit scenario is de ontwikkeling van de afgelopen decennia doorgetrokken naar de toekomst en wordt uitgegaan van een lichte stijging (circa 3 procent) van de vraag naar drinkwater. In dat geval blijkt er op landelijke schaal een reserve beschikbaar van circa 20 miljoen kubieke meter per jaar. Deze reserve is niet evenwichtig verdeeld: bij sommige drinkwaterbedrijven zijn er tekorten, andere beschikken wel over reserves. Bij het scenario met de maximale vraag is er in 2040 een landelijk tekort van circa 300 miljoen kubieke meter per jaar, als er geen maatregelen worden genomen. Dat is circa 20 procent van de te verwachten productiecapaciteit in 2040. De tekorten treden dan bij alle bedrijven op. Een voorbeeld van een oplossing is de inzet van 'strategische grondwatervoorraden'. Hiervoor is in beeld gebracht waar zich in Nederland grondwatervoorraden bevinden die in potentie geschikt zijn voor de productie van drinkwater. Andere mogelijkheden zijn minder water gebruiken, meer water oppompen bij bestaande drinkwaterwinningen, of meer leveringen van gebieden met overschotten naar gebieden met tekorten. De geboden oplossingen zouden gedetailleerder moeten worden uitgewerkt om te kunnen inschatten in welke mate ze kunnen bijdragen aan de noodzakelijke extra capaciteit. De geschetste scenario's zijn uitgewerkt in verband met de Structuurvisie Ondergrond (STRONG).
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM controleert achtmaal per jaar de metingen van de kerncentrale Borssele. Het gaat hierbij om lozingen van radioactiviteit in water en lucht. De contra-expertise onderbouwt de betrouwbaarheid van de analyses die de kerncentrale uitvoert. Doorgaans komen de analyses overeen, zo ook in 2013. Enkele verschillen in dat jaar betreffen radionucliden in afvalwater met een grote neiging tot adsorptie aan vaste deeltjes. Deze verschillen komen voort uit de inhomogene verdeling van activiteit in een watermonster en zijn daardoor nauwelijks kleiner te maken. De vergelijking in de 3H data in afvalwater was duidelijk beter dan het voorgaande jaar. In ventilatielucht is slechts in vier monsters door RIVM een zeer lage concentratie aan 131I aangetroffen; driemaal onder de detectiegrens van KCB en éénmaal met een goede overeenkomst tussen KCB en RIVM. De data voor 3H en 14C in ventilatielucht worden in 2015 door RIVM in een separaat briefrapport gerapporteerd. Het RIVM heeft in 2013 acht afvalwatermonsters en acht monsters van ventilatielucht geanalyseerd, die verspreid over het jaar gedurende een week door KCB zijn genomen. Opdrachtgever is de Kernfysische Dienst van de Inspectie Leefomgeving en Transport, Ministerie van Infrastructuur en Milieu.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM controleert maximaal achtmaal per jaar de metingen van COVRA. Het gaat hierbij om lozingen van radioactiviteit in water en lucht. De contraexpertise onderbouwt de betrouwbaarheid van de analyses die COVRA uitvoert. De overeenstemming in de gammaspectrometrische resultaten en de resultaten van de tritiumbepaling was goed. Bij de totaal-alfa, totaal-beta en 14C-resultaten in afvalwater was de overeenstemming redelijk. Gezien het feit dat RIVM en COVRA verschillende meetprincipes toepassen komen de totaal bèta meetwaarden van RIVM en de rest-bèta meetwaarden van COVRA in 2013 redelijk overeen. Bij de 14C bepaling was er één afwijkend resultaat waar de oorzaak niet duidelijk is. De overeenstemming tussen RIVM en COVRA betreffende de ventilatieluchtresultaten van AVG en HABOG is eveneens overwegend goed. Het RIVM heeft in 2013 vijf afvalwatermonsters en acht monsters van ventilatielucht van zowel het afvalverwerkingsgebouw als het HABOG geanalyseerd, die verspreid over het jaar door COVRA zijn genomen. Opdrachtgever is de Kernfysische Dienst van de Inspectie Leefomgeving en Transport, Ministerie van Infrastructuur en Milieu.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Direct benefit of vaccinating boys along with girls against oncogenic human papillomavirus: bayesian evidence synthesis | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Biomarkers for circadian rhythm disruption independent of time of day | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Livestock-associated MRSA in household members of pig farmers: transmission and dynamics of carriage, a prospective cohort study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Het RIVM controleert achtmaal per jaar de metingen van de verrijkingsfabriek Urenco te Almelo. Het gaat hierbij om lozingen van radioactiviteit in water en lucht. De contra-expertise onderbouwt de betrouwbaarheid van de analyses die Urenco uitvoert. Uit de metingen blijkt dat er in het afvalwater doorgaans een (zeer) lage totaal alfa en totaal bèta activiteit aanwezig is. De totaal alfa en totaal bèta resultaten in afvalwater komen redelijk tot goed overeen, zo ook in 2013. De radioactiviteit in ventilatielucht ligt zeer dicht bij het niveau van de hoeveelheid radon die van nature in buitenlucht aanwezig is. Voor totaal alfa is een activiteitsconcentratie van 0,006 - 0,07 mBq.m-3 gevonden en voor totaal bèta 0,02 - 0,39 mBq.m-3. De overeenstemming met de meetwaarden van Urenco was matig. Gelet op de natuurlijke totaal-bèta activiteit die veroorzaakt wordt door radondochters en de verhouding tussen de totaal alfa en totaal bèta activiteit, is het aannemelijk dat er in 2013 geen vrijzetting van uraan in ventilatielucht heeft plaatsgevonden. Het RIVM heeft in acht afvalwatermonsters en 40 monsters van ventilatielucht, die verspreid over het jaar 2013 door Urenco zijn afgenomen, de totaal alfa en totaal bèta activiteit bepaald. Deze bepaling is een snelle manier om een eventuele lozing van uraan naar het milieu aan te tonen. Opdrachtgever is de Kernfysische Dienst van de Inspectie Leefomgeving en Transport, Ministerie van Infrastructuur en Milieu.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Motives of Dutch persons aged 50 years and older to accept vaccination: a qualitative study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
De bodem levert dankzij een omvangrijk en divers bodemleven vele ‘ecosysteemdiensten’ aan de mens, zoals het natuurlijk vermogen om water te zuiveren, infecties en plagen te onderdrukken, het vermogen om gewassen te verbouwen, het klimaat te reguleren, enzovoort. Een goede staat van deze diensten is daarom cruciaal voor een aangenaam leefklimaat en het voortbestaan van de mens. Met behulp van indicatoren kan worden gemeten hoe de ‘ecosysteemdiensten’ van de bodem ervoor staan. Sinds 1997 is een veelheid aan indicatoren gebruikt in het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB). Het RIVM heeft met partners geanalyseerd welke van deze indicatoren bruikbaar zijn om ecosysteemdiensten te meten en welke nog aanvullend nodig zijn. De analyse is gemaakt met twaalf externe deskundigen in de bodemkunde, de bodemecologie, en het agrarische bodemadvies. De nieuwe set met indicatoren is state of the art, en is in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) opgesteld. Een set indicatoren bestaat uit biologische, chemische en fysische bodemindicatoren en uit systeemgerichte indicatoren (die bijvoorbeeld informatie over het bodemmanagement bevatten, zoals het type mest en hoe wordt geploegd). Meer dan de helft van de chemische en biologische bodemindicatoren die eerder in het LMB zijn gebruikt, zijn nog steeds bruikbaar. Er zijn echter ook fysische en systeemgerichte indicatoren nodig om ecosysteemdiensten optimaal te kunnen beoordelen. De indicatoren zijn ook bruikbaar om aan te geven of de beleidsdoelen in de Biodiversiteitsstrategie van de EU voor 2020 worden gerealiseerd (geen netto verlies van biodiversiteit). Deze doelen worden uitgedrukt in het zogeheten Natuurlijk Kapitaal: alle natuurlijke elementen die in staat zijn om ecosysteemdiensten te leveren. Op basis van informatie over het Natuurlijk Kapitaal van de Nederlandse bodem kunnen afwegingen worden gemaakt voor een duurzamer (lokaal) bodembeheer en gebiedsinrichting, zodat de ecosysteemdiensten van de bodem optimaal worden benut.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
De bodem levert dankzij een omvangrijk en divers bodemleven vele ‘ecosysteemdiensten’ aan de mens, zoals het natuurlijk vermogen om water te zuiveren, infecties en plagen te onderdrukken, het vermogen om gewassen te verbouwen, het klimaat te reguleren, enzovoort. Een goede staat van deze diensten is daarom cruciaal voor een aangenaam leefklimaat en het voortbestaan van de mens. Met behulp van indicatoren kan worden gemeten hoe de ‘ecosysteemdiensten’ van de bodem ervoor staan. Sinds 1997 is een veelheid aan indicatoren gebruikt in het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB). Het RIVM heeft met partners geanalyseerd welke van deze indicatoren bruikbaar zijn om ecosysteemdiensten te meten en welke nog aanvullend nodig zijn. De analyse is gemaakt met twaalf externe deskundigen in de bodemkunde, de bodemecologie, en het agrarische bodemadvies. De nieuwe set met indicatoren is state of the art, en is in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) opgesteld. Een set indicatoren bestaat uit biologische, chemische en fysische bodemindicatoren en uit systeemgerichte indicatoren (die bijvoorbeeld informatie over het bodemmanagement bevatten, zoals het type mest en hoe wordt geploegd). Meer dan de helft van de chemische en biologische bodemindicatoren die eerder in het LMB zijn gebruikt, zijn nog steeds bruikbaar. Er zijn echter ook fysische en systeemgerichte indicatoren nodig om ecosysteemdiensten optimaal te kunnen beoordelen. De indicatoren zijn ook bruikbaar om aan te geven of de beleidsdoelen in de Biodiversiteitsstrategie van de EU voor 2020 worden gerealiseerd (geen netto verlies van biodiversiteit). Deze doelen worden uitgedrukt in het zogeheten Natuurlijk Kapitaal: alle natuurlijke elementen die in staat zijn om ecosysteemdiensten te leveren. Op basis van informatie over het Natuurlijk Kapitaal van de Nederlandse bodem kunnen afwegingen worden gemaakt voor een duurzamer (lokaal) bodembeheer en gebiedsinrichting, zodat de ecosysteemdiensten van de bodem optimaal worden benut.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
De risicobeoordeling van stoffen wordt gebaseerd op informatie over de effecten die ze hebben op mens en milieu. Het kost echter veel tijd, geld en proefdieren om elke stof volledig op de effecten te testen. Om toch de gewenste informatie te verkrijgen wordt daarom zo veel mogelijk gebruikgemaakt van data over vergelijkbare materialen (read-across). Deze werkwijze wordt ook voor nanomaterialen ingezet. Het RIVM heeft een teststrategie laten ontwikkelen om voor nanomaterialen te beoordelen of de data van vergelijkbare stoffen geschikt zijn om voor read-across te gebruiken. Op deze manier hoeven er minder nieuwe data te worden gegenereerd en worden er zo min mogelijk proefdieren gebruikt. Voor de ontwikkeling van de teststrategie is een overzicht gemaakt van de fysisch-chemische eigenschappen die van belang zijn voor de manier waarop een stof zich in organismen gedraagt. Dit is gedaan met behulp van de huidige kennis over het gedrag en de schadelijkheid (toxiciteit) van nanomaterialen. Op basis van deze fysisch-chemische eigenschappen is vervolgens aangegeven welke informatie minimaal nodig is om nanomaterialen te kunnen karakteriseren. Hoe verplaatst de stof zich bijvoorbeeld in een organisme? Hoe reageert het op andere stoffen, zoals eiwitten en zouten? In welke mate wordt het onderweg afgebroken? De teststrategie geeft aan hoe per nanomateriaal op basis van deze fysisch-chemische eigenschappen kan worden beoordeeld onder welke voorwaarden data bruikbaar zijn voor read-across, en hoe dat is te verifiëren. De ontwikkelde teststrategie is getoetst op twee fictieve voorbeelden (nanozilver en nanotitaniumdioxide) en is bruikbaar bevonden. Wel blijkt dat de gedetailleerde informatie die nodig is over de relevante fysischchemische eigenschappen en over de condities waaronder de data zijn verkregen, niet altijd voldoende is gedocumenteerd.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft gedetailleerd in beeld gebracht welke ziekenhuizen in Nederland zowel overdag als 's nachts spoedeisende hulp bieden. Dit is ook voor de acute verloskunde gedaan. Uit een analyse van de resultaten blijkt dat 99,8 procent van de inwoners binnen 45 minuten naar een spoedeisende hulpafdeling (SEH) of een ziekenhuis met acute verloskunde kan worden vervoerd. Sinds de vorige bereikbaarheidsanalyse in 2013 zijn drie SEH's gesloten. Hierdoor is één ziekenhuis extra als 'gevoelig' aangewezen. Als een gevoelig ziekenhuis wordt gesloten, neemt het aantal mensen toe dat er langer dan 45 minuten over doet om een SEH te bereiken. Ziekenhuizen mogen daarom alleen stoppen met het aanbieden van acute zorg als de bereikbaarheid daardoor niet verslechtert. De richtlijn van 45 minuten betreft de tijd waarin een ambulance naar de plaats van een incident rijdt, de patiënt in de ambulance overbrengt en vervoert naar het dichtstbijzijnde SEH. Voor het onderzoek is de aanwezigheid en beschikbaarheid geïnventariseerd van onder meer specialisten, verpleegkundigen en faciliteiten om op de SEH's diagnoses te stellen en behandelingen te bepalen. Eind 2014 waren er 95 ziekenhuislocaties die spoedeisende basiszorg bieden. Hiervan waren 91 locaties 24 uur per dag, 7 dagen per week geopend. Op 84 ziekenhuislocaties werd 24/7 acute verloskunde aangeboden. Ook is gekeken naar de samenwerking tussen SEH's en huisartsenposten (HAP's). Een HAP kan op het terrein van een ziekenhuis zijn gevestigd. In een ruime meerderheid van deze gevallen werkten de HAP en de SEH met elkaar samen.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft een short list opgesteld van kankerverwekkende stoffen en mengsels waar mensen in Europa op de werkplek het meest aan kunnen blootstaan. Hieronder vallen ook bepaalde arbeidsprocessen waar chemische stoffen aan te pas komen, zoals lassen, schilderen en werken met olie. Met behulp van deze lijst kunnen stoffen worden geselecteerd die in Europees verband als eerste aangepakt kunnen worden door bindende arbeidskundige normen (grenswaarden) vast te stellen. Stoffen of processen die veel voorkomen zijn onder andere benzeen, formaldehyde, asbest, houtstof en uitlaatgassen; deze behoren tot de top 30 van het totaal van 175 stoffen waarover informatie beschikbaar is. Voor zover bekend, vormen deze stoffen de voornaamste blootstelling aan kankerverwekkende stoffen, mengsels en arbeidsprocessen. Het onderzoek betreft kankerverwekkende stoffen, mengsels of werkzaamheden 'zonder drempelwaarde'. Hiervoor geldt dat er altijd, dus ook bij de geringste concentratie, een risico is als mensen eraan worden blootgesteld. Europese wetgeving schrijft voor om dergelijke stoffen waar mogelijk te vervangen. Wanneer dit niet kan, dient de werkgever de mogelijke blootstellingen en risico's zo laag mogelijk te houden. Op dit moment verschilt per lidstaat hoe de grenswaarden voor kankerverwekkende stoffen worden afgeleid. De lijst is in opdracht van het ministerie van SZW opgesteld en is bedoeld om de veiligheid van werkers te vergroten. Er zijn zes Europese databases geraadpleegd met gegevens als het aantal werkers dat wordt blootgesteld aan een stof en zogeheten indicatoren voor blootstelling. Deze variëren van taken, zoals het mengen van vloeistoffen, tot het gebruik van chemische stoffen (bijvoorbeeld in/door de chemische industrie).
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
In opdracht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg heeft het RIVM onderzoek gedaan naar stralingsbescherming in de kinderradiologie. Volgens recente wetenschappelijke inzichten zijn de risico's van ioniserende straling voor kinderen namelijk groter dan eerder werd gedacht. Ten eerste valt op hoe verschillend ziekenhuizen te werk gaan. Zo worden in kinderziekenhuizen speciale kinderprotocollen voor radiologische verrichtingen gebruikt, in algemene ziekenhuizen gebeurt dat niet altijd. Ook zijn er grote verschillen in het gebruik van tegen straling beschermende maatregelen. Daarnaast is het aantal verrichtingen waarbij relatief hoge doses straling worden gebruikt de afgelopen jaren sterk gestegen. Voorbeelden zijn CT-scans en zogenoemde doorlichtonderzoeken, waarbij de patiënt real time wordt bekeken tijdens een ingreep. Vooral de toename met grofweg 80% van het aantal CTscans ten opzichte van 2005 is opmerkelijk. Overigens doet deze stijging zich ook onder volwassenen voor. Ten slotte worden in ongeveer de helft van de ziekenhuizen de gebruikte doses niet vergeleken met de zogeheten Diagnostische Referentieniveaus (DRN's) voor kinderen. Dit komt waarschijnlijk door het geringe aantal kinderen dat wordt onderzocht; voor deze toets is een minimaal aantal van twintig kinderen nodig. In de ziekenhuizen waar die vergelijking wel wordt gemaakt, worden deze waarden in gemiddeld een op de vijf gevallen overschreden. DRN's zijn bedoeld als indicatie voor een aanvaardbare dosis waarmee een goed radiologisch beeld kan worden verkregen bij radiologische handelingen. Bij zware patiënten en complexe procedures kunnen DRN's overschreden worden. Afdelingen radiologie zijn niet verplicht zich aan de waarden te houden. De redenen van het toegenomen aantal verrichtingen bij kinderen zijn niet bekend. Het is van belang dit nader uit te zoeken. Ook het geringe aantal vergelijkingen met de DRN's en de regelmatige overschrijding ervan verdienen aandacht. Verder wordt aanbevolen om de kennis bij de kinderziekenhuizen breder uit te dragen naar de algemene ziekenhuizen, opdat alle ziekenhuizen bij kinderen gebruik maken van state-of-the-art-kinderradiologie. Voor deze studie is literatuuronderzoek gedaan naar de state of the art in kinderradiologie. Daarnaast is een digitale enquête gehouden onder alle zeven kinderziekenhuizen in Nederland en bij 22 algemene ziekenhuizen.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Mensen die te veel retinol (de actieve vorm van vitamine A) binnenkrijgen, kunnen problemen krijgen aan hun lever. Zwangere vrouwen lopen het risico dat er problemen ontstaan bij de ontwikkeling van hun ongeboren kind. Daarom is voor verschillende leeftijdsgroepen een maximum bepaald voor de hoeveelheid retinol die ze mogen binnenkrijgen, de zogeheten aanvaardbare bovengrens. Retinol zit in bepaalde voedingsmiddelen, zoals producten die lever bevatten, maar kan ook via supplementen worden ingenomen. Het RIVM heeft voor de verschillende leeftijdsgroepen berekend hoeveel retinol zij via voeding binnenkrijgen. Op basis hiervan is vervolgens geschat hoeveel retinol deze leeftijdsgroepen maximaal via supplementen kunnen innemen totdat de aanvaardbare bovengrens wordt bereikt. Afhankelijk van de leeftijd ligt bij 5 tot 33 procent van de kinderen tot en met 3 jaar de retinolinname boven de aanvaardbare bovengrens; zij eten vaak producten die veel retinol bevatten, zoals smeerleverworst. Bij meer dan 95 procent van de kinderen van 4 tot en met 14 jaar blijft de retinolinname uit de voeding onder de bovengrens. Zij zouden, afhankelijk van de leeftijd, naast de voeding nog circa 100 tot 950 microgram retinol per dag kunnen binnenkrijgen uit supplementen totdat de bovengrens wordt bereikt. Voor jongens en mannen vanaf 15 jaar is deze 'ruimte' circa 1450 microgram per dag. Voor vrouwen die de overgang hebben doorgemaakt, is een lagere maximale inname vastgesteld vanwege het risico op botontkalking. Hun veilige maximale 'ruimte' uit supplementen komt op circa 400 microgram per dag. Voor vrouwen in de vruchtbare leeftijd is er 'ruimte' voor maximaal 1200 microgram per dag. Voor zwangere vrouwen en vrouwen die borstvoeding geven zijn te weinig voedselconsumptiegegevens bekend om deze 'ruimte' vast te stellen. Aanbevolen wordt om deze gegevens ook voor deze groepen regelmatig te verzamelen. Hetzelfde geldt voor kinderen onder de twee jaar, waarvoor geen recente voedselconsumptiegegevens beschikbaar zijn.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Identification of pertussis-specific effector memory T cells in preschool children | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
What is the origin of livestock-associated methicillin-resistant Staphylococcus aureus clonal complex 398 isolates from humans without livestock contact? An epidemiological and genetic analysis | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Primary human papillomavirus DNA screening for cervical cancer prevention | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
General and abdominal obesity and risk of esophageal and gastric adenocarcinoma in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Public health measures to control the spread of antimicrobial resistance in Neisseria gonorrhoeae in men who have sex with men | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Hepatitis A outbreaks | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Predictive performance of a seven-plex antibody array in prenatal screening for Down Syndrome | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
The microbiological quality of water in fish spas with Garra rufa fish, the Netherlands, October to November 2012 | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Effectiveness of human papillomavirus vaccine against incident and persistent infections among young girls: Results from a longitudinal Dutch cohort study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Phthalates, perfluoroalkyl acids, metals and organochlorines and reproductive function: a multipollutant assessment in Greenlandic, Polish and Ukrainian men | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
SI infection on a dynamic partnership network: characterization of R0 | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
The value of PET/CT with FES or FDG tracers in metastatic breast cancer: a computer simulation study in ER-positive patients | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Shedding of norovirus in symptomatic and asymptomatic infections | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Hepatitis C virus treatment as prevention among injecting drug users: who should we cure first? | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Audit van aterme perinatale sterfte in Nederland | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Seoul hantavirus in brown rats in the Netherlands: implications for physicians - Epidemiology, clinical aspects, treatment and diagnostics | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
MRSA spa t1081, a highly transmissible strain endemic to Hong Kong, China, in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Healthy lifestyle index and risk of gastric adenocarcinoma in the EPIC cohort study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Using self-organising maps to explore ozone profile validation results -SCIAMACHY limb compared to ground-based lidar observations | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
On the relative role of different age groups in influenza epidemics | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Cost-effectiveness of treatment of acute otorrhea in children with tympanostomy tubes | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Psychological distress as a determinant of changes in body mass index over a period of 10 years | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Climate, demographic factors and geographical variations in the incidence of invasive meningococcal disease in Italy | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Dit rapport bevat ten aanzien van de advieswaarde voor de zwemwaternorm voor chloraat een addendum d.d. 27-09-2023 vanaf pagina 81. Voor de overige in dit rapport genoemde waterkwaliteitsparameters is de actualiteit niet gecontroleerd. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) wijzigt het Besluit hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden (Bhvbz). Houders van gechloorde zwembaden moeten het water en de lucht op meer kwaliteitseisen gaan controleren om de gezondheid van de zwemmers beter te beschermen. Het huidige Bhvbz is ruim veertig jaar oud en nieuwe inzichten maken de herziening nodig. Het gewijzigde Bhvbz zal begin 2016 in werking treden. Ten opzichte van het huidige Bhvbz is het aantal microbiologische kwaliteitseisen uitgebreid, is een aantal chemische en fysische kwaliteitseisen strenger geworden en zijn metingen van de luchtkwaliteit in (overdekte) badinrichtingen en normen voor desinfectiebijproducten toegevoegd (DBP's). DBP's kunnen ontstaan doordat desinfectiemiddelen, die het zwemwater schoon moeten houden, chemische reacties kunnen aangaan met stoffen die door zwemmers in het water terechtkomen, zoals zweet en urine. DBP's kunnen bij zwemmers onder andere irritaties van ogen en luchtwegen veroorzaken. Het gewijzigde Bhvbz betreft niet alleen gechloorde zwembaden, maar ook verschillende andere typen baden, zoals zwemvijvers, peuterspeelbaden, baden waarin het water eenmalig wordt gebruikt, floating tanks (zoutwaterbaden) en zogenoemde bronbaden. Het RIVM heeft aan IenM per type bad adviezen uitgebracht over normen, meetmethoden en meetfrequenties voor de nieuwe kwaliteitseisen. Het uitgangspunt was hierbij de zwemmer en het personeel zo goed mogelijk te beschermen tegen mogelijke gezondheidsklachten door de aanwezigheid van microbiologische en/of chemische verontreinigingen in het water of in de lucht. De regelgeving moet zwemmers en personeel in alle typen baden in gelijke mate beschermen, ook al zijn niet alle typen baden hetzelfde en is per type bad een specifieke aanpak met eigen normen nodig.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft een systeem ontwikkeld dat aangeeft in hoeverre de luchtkwaliteit op een bepaald moment van de dag van invloed is op de gezondheid. Deze informatie biedt de mogelijkheid om de blootstelling aan luchtverontreiniging zo veel mogelijk te beperken. Mensen met een chronische aandoening, zoals astma of COPD, kunnen bijvoorbeeld beslissen om zich bij een bepaalde mate van luchtvervuiling minder in te spannen, of activiteit te verplaatsen naar een moment van de dag waarop de luchtkwaliteit beter is. Bij ernstige luchtvervuiling zijn de informatie en de handelingsperspectieven relevant voor de hele bevolking. Het systeem bestaat uit een index met de concentraties van stoffen in de lucht. Het gaat om twee vormen van fijn stof (PM10 en PM2,5), ozon en stikstofdioxide (NO2). De informatie hierover is gebundeld tot één getal, dat met behulp van kleuren vier gradaties van de luchtkwaliteit weergeeft. Deze classificatie is gebaseerd op kennis over de gezondheidseffecten van deze stoffen. De index is ontwikkeld naar aanleiding van de vraag van de GGD'en of de informatie in de bestaande luchtkwaliteitsapp van DCMR, GGD Amsterdam en het RIVM beter kan worden geduid. Ook is er behoefte aan begrijpelijke handelingsadviezen voor de gebruikers. De adviezen kunnen worden meegenomen in een nieuwe versie van de app, en op de website van de luchtmeetnetten. Bovendien zal de informatie dienen als input voor de nieuwe smogregeling, die in de loop van 2015 wordt opgesteld.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Sommige groepen mensen lopen een grotere kans om ziek te worden door blootstelling aan chemische stoffen. Dit komt doordat zij óf een grotere kans hebben om met een stof in aanraking te komen, óf gevoeliger zijn voor een stof dan de rest van de populatie. Deze groepen worden hoogrisicogroepen genoemd. Bekende voorbeelden zijn zuigelingen, ouderen en zwangeren. De Gezondheidsraad (GR) heeft in december 2011 een leidraad opgesteld met een stappenplan om deze hoogrisicogroepen systematisch te identificeren en te beschermen. Het RIVM heeft deze leidraad getoetst en hij blijkt goed bruikbaar om relevante hoogrisicogroepen te identificeren. Ook kan op basis van de leidraad worden afgewogen of maatregelen nodig zijn. Voor deze toets zijn vijf wettelijke kaders voor de risicobeoordeling van chemische stoffen doorlopen om te kijken of hoogrisicogroepen daarin expliciet worden benoemd. Als voorbeeldstof is aluminium gebruikt. De wettelijke kaders waarin aluminium is beoordeeld zijn: cosmetica, voedseladditieven, voedselcontactmaterialen, drinkwater en verontreinigende stoffen in voedsel (contaminanten). Veel factoren kunnen het risico op ziekte of gezondheidsschade beïnvloeden, zoals geslacht, leeftijd, gezondheidstoestand, roken, voedingspatroon maar ook de woon- en werkomgeving. Hoogrisicogroepen kunnen worden geïdentificeerd door systematisch te beoordelen in welke mate deze kenmerken van invloed zijn op het risico op gezondheidsschade of ziekte als gevolg van een blootstelling aan een chemische stof. De identificatie bestaat uit vijf stappen: eerst wordt gekeken om welk stof en/of ziekte het gaat, vervolgens wat de karakteristieken daarvan zijn en wie in theorie blootgesteld kan worden aan de desbetreffende stof. In de laatste twee stappen wordt bekeken welke factoren van belang zijn en wordt een mogelijke hoogrisicogroep benoemd. Uit het onderzoek van het RIVM blijkt dat binnen alle wettelijke kaders hoogrisicogroepen zijn te identificeren; wel kunnen ze per kader verschillen (zuigelingen, nierpatiënten, mensen met een ijzertekort en mensen die antitranspiratiemiddelen gebruiken). Er bestaan meerdere beleidsmatige opties om al dan niet met hoogrisicogroepen rekening te houden. Het is mogelijk om algemene maatregelen voor de gehele bevolking te bepalen (productnormen of eisen voor de etikettering van een product), of specifieke voor de wettelijke kaders maatregelen benoemd of daar wordt aan gewerkt. Het RIVM stelt enkele aanvullende maatregelen voor.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Lidstaten van de Europese Unie zijn verplicht om de luchtkwaliteit te meten en te rapporteren. Belangrijk hierbij is de rapportage van de jaargemiddelde concentratie. Voor het berekenen van een geldig jaargemiddelde geldt als criterium dat voor minimaal 90 % van de uren in een jaar een uur gemiddelde concentratie beschikbaar moet zijn. Als het aantal beschikbare uren niet aan het 90 % criterium voldoet mag een alternatieve methode gebruikt worden om het jaargemiddelde te berekenen. In dat verband heeft het RIVM voor stikstofdioxide en fijn stof een methode ontwikkeld. Op die manier kan, van een jaarreeks met een aanzienlijk aantal ontbrekende uurwaarden, toch een bruikbaar jaargemiddelde worden bepaald. Het jaargemiddelde van gemeten concentraties stikstofdioxide en fijn stof is een belangrijke waarde en wordt voor twee doelen gebruikt: om trends te bepalen en om metingen te vergelijkingen met modelberekeningen. Als uurwaarden ontbreken, heeft dit een effect op de nauwkeurigheid van het berekende jaargemiddelde. Uit RIVMonderzoek blijkt dat dit effect sterk afhankelijk is van het 'patroon' van de ontbrekende meetgegevens en de methode waarmee de ontbrekende gegevens vervolgens worden behandeld. Als een aaneengeschakelde hoeveelheid meetgegevens ontbreekt, heeft dat een veel grotere invloed op de nauwkeurigheid dan eenzelfde hoeveelheid ontbrekende gegevens die verdeeld zijn over het jaar. Voor de jaargemiddelde stikstofdioxide concentratie geldt, naast het criterium voor de databeschikbaarheid ook een onzekerheidscriterium van 15 %. Het jaargemiddelde van een dataset met een aaneengeschakeld gat van 35 procent blijkt nog steeds aan de vereiste maximale onzekerheid van 15 procent te voldoen als de dataset wordt opgevuld volgens de methoden die het RIVM heeft ontwikkeld. Voor fijn stof (PM10) voldoet dan zelfs een dataset waarvan 75 procent van de data ontbreekt nog steeds aan de vereiste maximale onzekerheid van 25 procent.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
In veel consumentenproducten, zoals schoonmaakmiddelen en hand zeep, zitten stoffen waarmee bacteriën kunnen worden bestreden. De zorg bestaat dat bacteriën resistent kunnen worden tegen dit soort desinfectiemiddelen. Dit zou namelijk ook de resistentie van bacteriën tegen antibiotica kunnen verergeren. Het is daarom relevant om voordat een middel op de markt komt te weten of het gebruik van dit soort producten daadwerkelijk resistentie bij bacteriën veroorzaakt. Uit een haalbaarheidsonderzoek van het RIVM blijkt dat er momenteel geen methode bestaat om dit vooraf te beoordelen. Het is wel mogelijk om dergelijke testen en scenario's te ontwikkelen, maar dat kost veel tijd en geld. Dat komt doordat deze stoffen in uiteenlopende producten en voor verschillende doeleinden worden gebruikt. Hierdoor is het lastig om in kaart te brengen in welke situatie en bij welke hoeveelheden eventueel resistentie optreedt. Het RIVM beveelt aan om deze beoordelingsmethodiek internationaal te ontwikkelen. Daarnaast wordt aanbevolen om, nadat een middel op de markt is toegelaten, in de praktijk te controleren of en wanneer resistentie zich voordoet.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Het Nationaal Hitteplan, dat in 2007 is opgesteld op verzoek van het ministerie van VWS, is sindsdien elk jaar gebruikt. Uit de evaluaties zijn enkele verbeterpunten naar voren gekomen die nog niet in de tekst van het Hitteplan waren opgenomen. Het RIVM heeft de tekst nu geactualiseerd. In het Hitteplan staat nu beter aangegeven welke verantwoordelijkheden de verschillende organisaties hebben tijdens een periode van aanhoudende hitte. In samenwerking met het KNMI is ook de nauwkeurigheid verbeterd waarmee de aanhoudende hitte wordt voorspeld, doordat de criteria voor de alarmering nu op vier dagen hitte zijn ingesteld in plaats van op vijf. Daarnaast is de praktische informatie over maatregelen overgeheveld naar de nieuwe GGDrichtlijn Gezondheidsrisico's van zomerse omstandigheden en de bijbehorende toolkit Hitte. Aanhoudende hitte vormt een risico voor de gezondheid van bepaalde groepen mensen, zoals ouderen, mensen in zorginstellingen, chronisch zieken en mensen met overgewicht. Deze risico's variëren van lichte verschijnselen, zoals vermoeidheid en jeuk tot ernstige aandoeningen met mogelijk levensbedreigende gevolgen. Het Nationaal Hitteplan heeft als doel organisaties er tijdig op te attenderen dat een periode van aanhoudend warm weer wordt verwacht. Dat zijn onder andere GGD'en, brancheorganisaties en het Nederlandse Rode Kruis. Zij waarschuwen vervolgens hun achterban en regionale contacten, die via het Hitteplan maatregelen aangereikt krijgen waarmee de gevolgen van de aanhoudende hitte kunnen worden beperkt.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
The MCRA model for probabilistic single-compound and cumulative risk assessment of pesticides | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Foetale resus-D-typering toegevoegd aan prenatale screening op infectieziekten en erytrocytenimmunisatie | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Streptococcus pneumoniae enhances human respiratory syncytial virus infection in vitro and in vivo | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Association of HIV infection with anal and penile low-risk human papillomavirus infections among men who have sex with men in Amsterdam: The HIV & HPV in MSM Study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
New approaches to advance the use of genetic toxicology analyses for human health risk assessment | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Association between quality management and performance indicators in Dutch diabetes care groups: a cross-sectional study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Effects of benzo[a]pyrene on mouse germ cells: Heritable DNA mutation, testicular cell hypomethylation and their interaction with nucleotide excision repair | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
A comparison of fluctuations of Campylobacter and Escherichia coli concentrations on broiler chicken carcasses during processing in two slaughterhouses | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Werkzame elementen, is dat de toekomst? | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Preventie in de Buurt: versterking van preventie in de huisartspraktijk | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Kansen en barrieres voor implementatie van de landelijke Handreiking Gezonde Gemeente in de GGD-organisatie | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
In opdracht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) heeft het RIVM onderzocht of er overtollige lijm zit in twee typen injectienaalden van de firma Terumo (K-Pack II en Neolus). Het onderzoek toont aan dat in minder dan 1 procent van de Terumo naalden zichtbaar overtollige lijm is aangetroffen (epoxyhars). Dit percentage is veel lager dan het percentage van 20 procent dat in het actualiteitenprogramma EenVandaag is genoemd. Het RIVM heeft voor dit onderzoek ruim 7000 naalden onderzocht. Het RIVM heeft ook naalden van andere fabrikanten onderzocht. Daarin is eveneens overtollige, uitgeharde lijm aangetroffen, in een vergelijkbaar klein percentage als bij de Terumo-naalden. Er zijn geen volledig geblokkeerde naalden aangetroffen. Ook is in de onderzochte naalden geen vloeibare lijm waargenomen. Vervolgens heeft het RIVM beoordeeld in hoeverre de overtollige lijm een risico vormt voor de gezondheid van de patiënt. Dit is gedaan op basis van een worst case scenario, waarbij er onder andere van uit is gegaan dat er niet-uitgeharde lijm wordt geïnjecteerd. Van de geëvalueerde stoffen die in de lijm zijn verwerkt, worden geen gezondheidseffecten verwacht. Alleen van titaandioxide (witte kleurstof) is dat niet met zekerheid vast te stellen, maar de kans op negatieve effecten wordt op basis van de testresultaten van de naalden die zijn onderzocht, als heel klein beschouwd. De kans op negatieve effecten van deeltjes uitgeharde lijm wordt eveneens als heel klein beschouwd. Tijdens het onderzoek zijn in de naalden van verschillende fabrikanten ook plastic deeltjes aangetroffen, afkomstig van de plastic houder van de naald. Hiervan zijn eveneens de risico's voor de gezondheid onderzocht. De aantallen deeltjes die uit naalden werden gespoeld bleken onder het niveau te zitten dat wettelijk voor injectievloeistoffen is toegestaan. Het RIVM beveelt fabrikanten aan om zelf op een grotere schaal te onderzoeken of de (plastic) deeltjes door de injectienaalden heen kunnen komen. Daarnaast beveelt het RIVM fabrikanten aan te onderzoeken in hoeverre het gebruik van titaandioxide daadwerkelijk nodig is.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
IWGT report on quantitative approaches to genotoxicity risk assessment II. Use of point-of-departure (PoD) metrics in defining acceptable exposure limits and assessing human risk | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Wind-mediated spread of low-pathogenic avian influenza virus into the environment during outbreaks at commercial poultry farms | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
IWGT report on quantitative approaches to genotoxicity risk assessment I. Methods and metrics for defining exposure-response relationships and points of departure (PoDs) | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Approaches for identifying germ cell mutagens: Report of the 2013 IWGT workshop on germ cell assays | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Discrete choice experiments in public health | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Pre-diagnostic concordance with the WCRF/AICR guidelines and survival in European colorectal cancer patients: a cohort study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Recommended protocols for the liver micronucleus test: Report of the IWGT working group | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Quantification of the exposure and effects of road traffic noise in a dense Asian city: a comparison with western cities | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Lage influenzavaccinatiegraad onder ziekenhuismedewerkers | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Use of long-term monitoring data to derive a relationship between nitrogen surplus and nitrate leaching for grassland and arable land on well-drained sandy soils in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Isocaloric substitution of carbohydrates with protein: the association with weight change and mortality among patients with type 2 diabetes | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Quantifying distribution of flow cytometric TCR-Vbeta usage with economic statistics | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Empowerment of patients in online discussions about medicine use | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Risk of hepatitis A decreased among dutch travelers to endemic regions in 2003 to 2011 | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Determinants of first trimester combined test participation within the central region of the Netherlands | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Lung particle overload: old school -new insights? | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Confirmed and potential sources of Legionella reviewed | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Bij een bodemverontreiniging kunnen de schadelijke stoffen 'doorwerken' in de voedselketen. De concentraties van de verontreiniging kunnen in een organisme groter worden naarmate het hoger in de voedselketen staat. Zo kan een stof in de bodem worden opgenomen in een worm, die vervolgens wordt opgegeten door een mol, die op zijn beurt gegeten wordt door een roofvogel. Hoewel de roofvogel niet in direct contact komt met de bodemverontreiniging, kan deze via zijn voedsel gevolgen ondervinden van de verontreiniging. Het RIVM beschrijft in dit rapport de modellen waarmee de doorvergiftiging wordt beoordeeld, en benoemt de ervaringen in de praktijk, de knelpunten daarin en mogelijke oplossingen. Er zijn twee routes om rekening te houden met de doorvergiftiging: in de normstelling van stoffen, en bij de risicobeoordeling van stoffen op een verontreinigde locatie. Voor de risicobeoordeling van stoffen op een locatie wordt de kans op een doorvergiftiging in de voedselketen beoordeeld door individuele experts. Hiervoor zijn verschillende rekenmodellen beschikbaar, zoals BERISP, OMEGA 6.0 en SEDIAS. Een veel geopperde wens vanuit de praktijk is een eenduidige werkwijze om doorvergiftiging te beoordelen. Ook is beschreven voor welke stoffen in de huidige normstelling rekening is gehouden met doorvergiftiging. Tot 2008, toen de bodemkwaliteitsnormen in het Besluit bodemkwaliteit zijn ingevoerd, was het niet gebruikelijk om bij de normstelling voor bodem rekening te houden met doorvergiftiging. Voor een aantal stoffen (onder andere de pesticiden aldrin, dieldrin en endrin en DDT, DDD en DDE) worden momenteel de risicogrenzen geëvalueerd waarbij dat wel gebeurt.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Circulating prolactin and in situ breast cancer risk in the European EPIC cohort: a case-control study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Consistency between stated and revealed preferences: a discrete choice experiment and a behavioural experiment on vaccination behaviour compared | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Stability of the nine sky quality meters in the dutch night sky brightness monitoring network | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Use of long-term monitoring data to derive a relationship between nitrogen surplus and nitrate leaching for grassland and arable land on well-drained sandy soils in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Control of a reassortant pandemic 2009 H1N1 influenza virus outbreak in an intensive swine breeding farm: Effect of vaccination and enhanced farm management practices | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
BMI, waist circumference at 8 and 12 years of age and FVC and FEV1 at 12 years of age; the PIAMA birth cohort study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Impact of smoking and smoking cessation on cardiovascular events and mortality among older adults: meta-analysis of individual participant data from prospective cohort studies of the CHANCES consortium | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Selection of key recommendations for quality indicators describing good quality outbreak response | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Veel (ziekenhuis)laboratoria sturen het te onderzoeken materiaal van patiënten naar het Centrum Infectieonderzoek, diagnostiek en screening (IDS) van het RIVM. Het gaat dan vooral om bijzondere diagnostiek waarvoor de laboratoria zelf geen test in huis hebben. Ook komen patiëntmaterialen binnen om te monitoren in welke mate bepaalde ziekteverwekkende micro-organismen voorkomen. Met de verkregen resultaten houdt het RIVM een vinger aan de pols hoe vaak en waar deze micro-organismen voorkomen. Op die manier kan snel worden gereageerd op (plotselinge) ontwikkelingen op het gebied van infectieziekten. De resultaten worden jaarlijks beschreven om inzenders van patiëntmaterialen inzicht te geven in wat er is gedaan aan diagnostiek, screening en onderzoek naar infectieziekten. In de jaarrapportage 2014 zijn onder andere de eerste monitoringsresultaten van de vaccinatie tegen het baarmoederhalskankervirus (HPV) te zien: het lijkt erop dat er minder HPV onder de doelgroep voorkomt en dat de opkomst voor de vaccinatie is gestegen. Verder is onderzocht waarom het huidige vaccin tegen kinkhoest minder goed werkt. Ook ondersteunt IDS Bonaire, Sint Eustatius en Saba in de Caribische Zee (de BES-eilanden) bij de diagnostiek van Chikungunya, een virus dat wordt overgedragen door muggen. Deze eilanden vallen sinds 2010 onder Nederlands bestuur. Het onderzoek bij IDS bestaat er vooral uit om innovatieve laboratoriumtesten te ontwikkelen en te verbeteren, in het belang van de openbare gezondheidszorg.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Fabrikanten voegen additieven aan tabaksproducten toe om het product te verbeteren. Additieven worden meestal gebruikt als smaakstof. Daarnaast kunnen ze de conditie van het product verbeteren (zoals de vochtigheidsgraad en de houdbaarheid) en het product een eigen karakter geven. Additieven kunnen echter ook schadelijk zijn voor de gezondheid. Ze maken het tabaksproduct, dat giftig en verslavend is, namelijk aantrekkelijker om te consumeren. Bovendien kunnen verbrandingsproducten van additieven zelf giftig zijn, of verslavend. Tabaksfabrikanten gebruiken in totaal 673 verschillende soorten additieven in tabaksproducten. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat er per productsoort een stijging is te zien in het totaal aantal verschillende additieven; dit geldt vooral voor sigaren en pijptabak. Daarnaast blijkt dat voor sommige sigaren dezelfde additieven worden gebruikt als voor sigaretten, met als doel om van sigaren een aantrekkelijker product te maken. In landen zoals de VS, Duitsland en China nemen deze zogenaamde "little cigars" in populariteit toe. Verder blijkt dat de samenstelling van additieven in sigaretten binnen een merk door de jaren heen niet zoveel verandert. Wel verschilt de samenstelling van additieven tussen grote fabrikanten en kleine fabrikanten. De bevochtiger propyleenglycol bijvoorbeeld wordt door kleine en grote fabrikanten in verschillende hoeveelheden toegevoegd. De meest gebruikte additieven zijn smaakstoffen, zoals vanille en cacao, gevolgd door bevochtigers. Tabaksfabrikanten (en -importeurs) zijn wettelijk verplicht ieder jaar voor elk tabaksproduct alle additieven op te geven, inclusief de hoeveelheden, functies en gezondheidseffecten. Voor zover bekend heeft het RIVM als eerste een trendanalyse van tabaksproducten over de jaren 2010 tot en met 2013 uitgevoerd. Hiervoor is een methode ontwikkeld om de grote hoeveelheid data te kunnen verwerken. Voor dit onderzoek is de samenstelling van additieven tussen productsoorten, zoals sigaar en sigaret, vooralsnog alleen vergeleken tussentabaksproducten die in 2013 op de Nederlandse markt waren. In de toekomst is dat voor meerdere jaren mogelijk.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
De tabaksplant neemt metalen op uit de bodem, uit meststoffen, en uit industriële luchtvervuiling. Door roken komt een aantal van deze metalen uit tabak vrij, waarna de roker en omstanders ze inademen. Van de metalen veroorzaken arseen, cadmium, nikkel en lood de grootste gezondheidsrisico's. De mate waarin dat gebeurt, hangt af van de 'vorm' van het metaal. De vorm kan tijdens het verbrandingsproces veranderen van een weinig giftige tot een zeer giftige vorm, én andersom. Daardoor is de chemische vorm in tabak anders dan in rook. In onderzoek dat in opdracht van het RIVM is uitgevoerd, is chroom in de minst schadelijke vorm in rook aangetroffen. Arseen daarentegen is juist in de schadelijkste vorm aanwezig. Het onderzoek is uitgevoerd door de Universiteit van St Andrews in Schotland. In het onderzoek is de chemische vorm, oftewel speciatie, beschreven van verschillende metalen in tabak en tabaksrook. Hiervoor is in eerste instantie gebruik gemaakt van een zeer krachtige deeltjesversneller, de Diamond Light Source, in Engeland. Voor deze werkwijze is gekozen omdat de speciatie van arseen en chroom moeilijk te meten is in tabak en rook. De uitkomsten van de experimenten kwamen goed overeen met voorspellingen op basis van rekenmodellen. Daarom zijn in het vervolg deze modellen gebruikt om de chemische samenstelling van andere metalen in tabaksrook te voorspellen. Tijdens dit onderzoek heeft TobReg, het expertpanel dat de WHO wetenschappelijk advies geeft over de regelgeving van tabaksproducten, aanbevolen dat fabrikanten de niveaus van arseen, cadmium, lood en nikkel in tabak moeten testen. De resultaten van de onderliggende studie ondersteunen de keuze voor deze metalen. Enkele voorbeelden van gezondheidseffecten van metalen zijn: kanker, lever- en nierschade.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Patiënten worden steeds vaker thuis met complexe medische technologie behandeld. Hierdoor verbetert de kwaliteit van hun leven en worden kosten van bijvoorbeeld een verblijf in een ziekenhuis bespaard. Er zijn echter ook risico's aan verbonden, omdat dergelijke apparatuur oorspronkelijk niet voor thuisgebruik is ontworpen en er bij mensen thuis niet continu professionele zorgverleners aanwezig zijn. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) hebben eerder aanbevelingen gedaan om verbeteringen tot stand te brengen voor drie vormen van complexe medische technologie: thuisbeademing, nierdialyse voor thuis, en het gebruik van infuusapparatuur thuis. Uit het vervolgonderzoek in dit rapport blijkt dat deze aanbevelingen voor een deel zijn opgevolgd. Er zijn echter ook risico's die nog niet voldoende worden ingeperkt. Een voorbeeld van een verbetering is de zogeheten veldnorm die is opgesteld voor chronische beademing. Hierin staan de minimale eisen voor de behandeling thuis beschreven. Daarnaast worden centra die zijn opgericht om mensen die thuis dialyseren te begeleiden tegenwoordig gecertificeerd. Er zijn echter ook nog enkele aandachtspunten. Zo worden niet altijd thuiszorgmedewerkers met de juiste deskundigheid ingezet. Verder krijgen patiënten en mantelzorgers soms onvoldoende begeleiding tijdens de overdracht van het ziekenhuis naar de thuissituatie. Ook ontbreekt regelmatig de noodzakelijke duidelijkheid over wie waarvoor verantwoordelijk is. Er zijn bij een thuisbehandeling namelijk veel partijen betrokken: naast de mantelzorger bijvoorbeeld ook de specialist, huisarts, apotheek, thuiszorg en zorgverzekeraar.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Surveillance van Listeria monocytogenes in Nederland, 2013 | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Surveillance van shigatoxine-producerende Escherichia coli (STEC) in Nederland, 2013 | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
De ziektelast van voedselgerelateerde infecties in Nederland, 2009-2012 | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Kan een zwangere vrouw helpen bij het lammeren? | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Preventief behandelen tegen herpes B-virusinfectie na de beet van een makaak op Bali? | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Comparison of two food record-based dietary assessment methods for a pan-European food consumption survey among infants, toddlers, and children using data quality indicators | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Coverage of the 2011 Q fever vaccination campaign in the Netherlands, using retrospective population-based prevalence estimation of cardiovascular risk-conditions for chronic Q fever | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Volwassenen met gezondheidsproblemen bewegen minder dan volwassenen zonder deze problemen. Ook doen zij minder vaak aan sport dan mensen die deze problemen niet hebben. Bij gezondheidsproblemen gaat het om chronische aandoeningen, zoals gewrichtsklachten en hart- en vaatziekten, en om een slechtere psychische gezondheid. Daarnaast gaat het om lichamelijke beperkingen, waaronder motorische, gezichts- en gehoorbeperkingen. Dit blijkt uit onderzoek dat het RIVM heeft uitgevoerd in opdracht van het ministerie van VWS. Hierbij is gebruik gemaakt van zelfgerapporteerde data van ruim 380.000 volwassenen uit de Gezondheidsmonitor Volwassenen GGD'en, CBS en RIVM 2012. Voor een goede gezondheid geldt de Nederlandse Norm voor Gezond Bewegen (NNGB): tenminste vijf dagen per week gedurende dertig minuten matig intensief bewegen. De berekening van de NNGB heeft lagere afkapwaarden om te bepalen of een activiteit matig intensief is voor 55+'ers dan voor 19-54-jarigen. Daarom is het voldoen aan de NNGB voor 55+'ers minder streng dan voor 19-54-jarigen en zijn de resultaten apart gepresenteerd voor deze leeftijdsgroepen. Van mensen met gezondheidsproblemen in de leeftijd van 19 tot 55 jaar haalt, afhankelijk van het gezondheidsprobleem, 33 tot 52 procent deze beweegnorm, tegenover 55 procent van de gezonde mensen uit deze leeftijdsgroep. Dit percentage is voor mensen van 55 jaar en ouder met gezondheidsproblemen 42 tot 71 procent, tegenover 84 procent van de gezonde mensen van die leeftijd. Het aantal mensen dat wekelijks sport, neemt af naarmate ze ouder worden. Van de gezonde 55+'ers sport 54 procent wekelijks, versus 68 procent onder de gezonde 19- tot 54-jarigen. Dit is bij mensen met gezondheidsproblemen respectievelijk 22 tot 39 procent en 33 tot 56 procent. Fitness wordt door zowel gezonde mensen als mensen met gezondheidsproblemen het meest beoefend. Mensen met een motorische beperking sporten het minst, namelijk 33 en 22 procent (onder 19-54- respectievelijk 55+-jarigen). Ook voldoet deze groep mensen het minst aan de beweegnorm. Het beleid van het ministerie van VWS is erop gericht mensen te stimuleren om te bewegen en te sporten, ongeacht een aandoening of beperking. Nu duidelijk is geworden dat mensen met een aandoening of beperking minder bewegen en sporten, is het van belang om inzicht te krijgen in de redenen daarvan. Inzicht in hun behoeften aan sport of beweging en of het aanbod aansluit bij hun behoeften is van groot belang.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Vaccinatiegraad RVP Het RIVM blikt jaarlijks terug op ontwikkelingen binnen het Rijksvaccinatieprogramma (RVP), zowel inhoudelijk als organisatorisch. Net als in voorgaande jaren liggen in 2014 de landelijke gemiddelde vaccinatiepercentages voor alle vaccinaties voor zuigelingen, kleuters en schoolkinderen ruim boven de 90 procent; voor zuigelingen zelfs boven de 95 procent. Uitzondering hierop vormt de deelname aan de HPVvaccinatie, die overigens wel verder is gestegen tot 59 procent. Punt van aandacht blijft dat iets minder kinderen aan de vaccinaties deelnemen naarmate zij ouder worden. Opvallende gebeurtenissen Het HPV-vaccinatieschema is in 2014 teruggebracht van drie naar twee prikken. Uit onderzoek is gebleken dat twee prikken nagenoeg dezelfde bescherming bieden als drie prikken. De minister van VWS heeft het schema aangepast nadat de Europese Geneesmiddelautoriteit (EMA) hierover een besluit had genomen. In 2014 is de Wet langdurige zorg (Wlz) van kracht geworden en is de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) vervallen. Hiermee is de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de RVP bij de gemeenten komen te liggen. De wetsartikelen over het RVP die in de AWBZ stonden, zijn opgenomen in de Wet publieke gezondheid (Wpg). Alle partijen die bij de vaccinaties zijn betrokken, hebben intensief samengewerkt om de huidige, goed lopende praktijk wettelijk te verankeren. De Wpg zal naar verwachting in januari 2018 in werking treden. Naar aanleiding van een Europese richtlijn over het gebruik van veilige naaldsystemen gaat ook het RVP van deze systemen gebruikmaken. Besloten is dat instellingen die de vaccinaties toedienen zelf de veilige naalden gaan inkopen. Deze prijsverhoging is verwerkt in de vergoeding van VWS aan de uitvoerders van de 2,5 miljoen vaccinaties die jaarlijks binnen het RVP worden gegeven. Bonaire, Saba en St. Eustatius (Caribisch Nederland) zijn in 2010 bijzondere gemeenten van Nederland geworden. In overleg met de uitvoerende instanties van die eilanden wordt het RVP-schema aldaar gelijkgetrokken met dat van Nederland. Met oog daarop zijn in 2014 diverse aanpassingen gedaan: de meningokokken C-vaccinatie is ingevoerd, de gebruikte vaccins zijn geharmoniseerd, en de prikschema's zijn aangepast.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Neighborhood and health | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Meldingen van voedselinfecties en -vergiftigingen in 2013 | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
De Zorgbalans geeft een beeld van de kwaliteit, de toegankelijkheid en de betaalbaarheid van de Nederlandse gezondheidszorg. Hieruit blijkt onder andere dat de toegankelijkheid van de gezondheidszorg een van de sterkste eigenschappen van de gezondheidszorg in Nederland is. De meeste eerstelijnszorgverleners zoals huisartsen, fysiotherapeuten of verloskundigen kunnen binnen een paar minuten worden bereikt. Een autorit naar een ziekenhuis duurt bijna nooit langer dan een half uur. Verder zijn wachttijden sinds 2008 voor de meeste behandelingen afgenomen. Er wacht nog wel een aanzienlijk aantal mensen op een plek in een verzorgingshuis of verpleeghuis, maar daardoor ontstaan zelden ernstige problemen. Het aantal mensen dat vanwege de kosten wel eens afziet van zorg is sinds 2010 toegenomen. Zo had 12 procent van de volwassen bevolking in 2013 wel eens afgezien van een bezoek aan een arts vanwege de kosten, tegenover 2 procent drie jaar daarvoor. Hiermee lijkt de financiële toegankelijkheid minder vanzelfsprekend dan voorheen; andere voorbeelden zijn medicijnen afhalen of een labonderzoek laten doen. Wat de kwaliteit van zorg betreft zijn er enkele gunstige ontwikkelingen te zien: het aantal mensen dat 30 dagen na een beroerte of hartinfarct stierf, nam af, evenals de (vermijdbare) sterfte in ziekenhuizen en het aantal ziekenhuisinfecties. Mensen met een gebroken heup worden sneller geopereerd, de vijfjaarsoverleving bij verschillende vormen van kanker steeg, en er zijn minder mensen in de langdurige zorg ondervoed. Ook internationaal scoort Nederland op veel punten bovengemiddeld. Zo worden veel minder antibiotica voorgeschreven in de eerste lijn dan in de meeste andere landen. Minder gunstig zijn het aantal sterfgevallen na een beroerte en de babysterfte. In de ouderenzorg is het tekort aan tijd en aandacht die worden besteed aan cliënten een veel voorkomend probleem. Meer dan de helft van de werknemers in verpleeghuizen gaf in 2013 aan dat er onvoldoende personeel is om goede kwaliteit van zorg te kunnen leveren. Verder blijkt de behandeling per zorgaanbieder sterk te kunnen verschillen. Een voorbeeld daarvan is de behandeling bij vrouwen die in een ziekenhuis bevallen van hun eerste kind zonder dat er sprake is van bijzonderheden (zoals een meerling of een stuitligging). In sommige ziekenhuizen wordt 40 procent van zulke bevallingen ingeleid, terwijl dit bij de meest ziekenhuizen in slechts 10 procent gedaan wordt. Vergelijkbare verschillen zijn waargenomen bij het uitvoeren van kunstverlossingen en keizersneden. De zorguitgaven vertonen na 2011 een opvallende trendbreuk. De uitgaven stegen tussen 2000 en 2013 gemiddeld met 5,5 procent per jaar, maar deze stijging vlakte de laatste drie jaar af. Binnen Europa hoort Nederland nog altijd tot de landen met de hoogste zorguitgaven als percentage van het Bruto Binnenlands Product, wat voornamelijk is toe te schrijven aan uitgaven aan de langdurige zorg. De Zorgbalans is nuttig voor iedereen die meer wil weten over de stand van zaken en ontwikkelingen binnen de Nederlandse gezondheidszorg. Aan de basis van de Zorgbalans ligt een schat aan informatie uit ruim 65 verschillende databronnen.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Nieuwe richtlijn voor preventie van en omgaan met tekenbeten en lymeziekte tijdens het werk | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Vaccinatiebereidheid van toekomstige artsen bij een volgende influenzapandemie | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Legionellapreventie bij scholen, kantoren en andere niet-prioritaire locaties niet nodig - interpretatie zorgplicht Drinkwaterwet | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Beweeg- en zitgedrag van sporters en resulterende sportblessures | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Livestock-associated MRSA: innocent or serious health threat? | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Presence of zoonotic agents in engorged ticks and hedgehog faeces from Erinaceus europaeus in (sub) urban areas | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Perceptions and behavioral responses of the general public during the 2009 Influenza A (H1N1) pandemic: A systematic review | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Change in HbA1c levels between the age of 8 years and the age of 12 years in Dutch children without diabetes: The PIAMA Birth Cohort Study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Detection and serotyping of pneumococci in community acquired pneumonia patients without culture using blood and urine samples | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Landscape and regional environmental analysis of the spatial distribution of hantavirus human cases in europe | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Dengue en chikungunya bij reizen naar de tropen | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Consumption of fatty foods and incident type 2 diabetes in populations from eight European countries | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Next-generation sequencing of carbapenem-resistant Gram-negative microorganisms: A key tool for surveillance and infection control | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Detection of Dermacentor marginatus and a possible Rickettsia slovaca case in the United Kingdom - The risk of the visiting traveller | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
An identification key for selecting methods for sustainability assessments | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Borstvoeding is gunstiger voor de gezondheid van kinderen en moeders dan flesvoeding. Zo is overtuigend aangetoond dat borstgevoede zuigelingen minder kans op bepaalde infectieziekten hebben. Het gunstige effect werkt bovendien door nadat met borstvoeding is gestopt. Borstgevoede kinderen hebben waarschijnlijk een lager risico op overgewicht, astma en een piepende ademhaling, en hun moeders op diabetes, reuma en een hoge bloeddruk. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM op basis van wetenschappelijke studies naar gezondheidseffecten van borstvoeding. Het RIVM heeft in 2005 en 2007 over de gezondheidseffecten van borstvoeding gerapporteerd. Een groot deel van de nu gerapporteerde gezondheidseffecten komt overeen met de resultaten uit de vorige rapporten, al is de sterkte van het bewijs soms net anders. Nieuw is dat moeders die borstvoeding hebben gegeven, waarschijnlijk minder vaak een hoge bloeddruk hebben. Het eerder beschreven beschermende effect van borstvoeding op eczeem bij kinderen is nu minder duidelijk. De update is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van VWS. De Nederlandse overheid wil over objectieve informatie over de gezondheidseffecten van borstvoeding beschikken. Deze informatie wordt gebruikt om zwangere vrouwen hierover te informeren.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Mode of action of organotins in immune cells | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
An evaluation of the development of a marketing strategy in mental healthcare delivery | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Risk factors for sporadic Shiga toxin-producing Escherichia coli O157 and non-O157 illness in the Netherlands, 2008-2012, using periodically surveyed controls | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Use of toxicogenomics in immunotoxicology | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Nationale en internationale inventarisatie van interventies voor depressiepreventie | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
RARE-Bestpractices: a platform for sharing best practices for the management of rare diseases | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
A simple visual model to compare existing front-of-pack nutrient profiling schemes | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Te veel verzadigd vet en zout in de Nederlandse voeding | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Exploring the uncertainties in cancer risk assessment using the integrated probabilistic risk assessment (IPRA) approach | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
WHO European Childhood Obesity Surveillance Initiative: Body mass index and level of overweight among 6-9-year-old children from school year 2007/2008 to school year 2009/2010 | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
The influence of social capital on individual health: Is it the neighbourhood or the network? | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
The development of the MeDALL core questionnaires for a harmonized follow-up assessment of eleven European birth cohorts on asthma and allergies | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
A prospective analysis of the effect of neighbourhood and individual social capital on changes in self-rated health of people with chronic illness | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Zelfmanagement door mensen met chronische ziekten. Kennissynthese van onderzoek en implementatie in Nederland | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Soil invertebrates, chemistry, weather, human management, and edaphic food webs at 135 sites in The Netherlands: SIZEWEB | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Nationwide registry-based ecological analysis of Q fever incidence and pregnancy outcome during an outbreak in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
De chemische voetafdruk en oplossingen voor watervervuiling | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Digitale atlas natuurlijk kapitaal: Nederland werkt in 2014 aan de National Ecosystem Assessment (NEA) | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Controlled induction of DNA double-strand breaks in the mouse liver induces features of tissue ageing | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Unraveling the relationships between freshwater invertebrate assemblages and interacting environmental factors | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Deriving field-based species sensitivity distributions (f-SSDs) from stacked species distribution models (S-SDMs) | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Long-term exposure to ambient air pollution and incidence of acute coronary events: prospective cohort study and meta-analyis in 11 European cohorts from the ESCAPE project | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Rodent models to study the metabolic effects of shiftwork in humans | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Authors response: Is a reduced duration of post-discharge surgical site infection surveillance really in our best interests? | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Melissopalynological analysis and biochemical assessment of the nectariferous plants in Lithuania | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Analysis of Bordetella pertussis clinical isolates circulating in European countries during the period 1998-2012 | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Critical loads of nitrogen and sulphur to avert acidification and eutrophication in Europe and China | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Gender-specific mortality in DTP-IPV- and MMR ± MenC-eligible age groups to determine possible sex-differential effects of vaccination: An observational study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Experimental determinations of soil copper toxicity to lettuce (Lactuca sativa) growth in highly different copper spiked and aged soils | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Highly successful treatment outcome of multidrug-resistant tuberculosis in the Netherlands, 2000-2009 | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Mycobacterium tuberculosis genotypic drug resistance patterns and clustering in Jayapura, Papua, Indonesia | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Actual and perceived exposure to electromagnetic fields and non-specific physical symptoms: An epidemiological study based on self-reported data and electronic medical records | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Toxocara canis in household dogs: prevalence, risk factors and owners' attitude towards deworming | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Influenza T-cell epitope-loaded virosomes adjuvanted with CpG as a potential influenza vaccine | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Voor de kust van Ter Heijde en Den Haag is in 2011 de Zandmotor aangelegd, een schiereiland van 128 hectare om de kust te beschermen en te onderhouden. Bij wetenschappelijk onderzoek naar de bodem - het zand is afkomstig van de bodem van de Noordzee, 10 kilometer uit de kust - is op enkele plaatsen op de Zandmotor arseen aangetroffen, een in potentie giftige stof. Vanwege de recreatiefunctie van dit gebied heeft Rijkswaterstaat het RIVM verzocht te onderzoeken of er ook arseen aanwezig is op plaatsen waar kinderen spelen, en of dat risico's met zich mee zou kunnen brengen. Het gehalte arseen in de bovenste laag zand blijkt erg laag te zijn, vergelijkbaar met de gehalten van niet vervuilde andere zandgronden in Nederland. Op de Zandmotor ligt ook een meertje. Het arseengehalte in het water van het meertje is eveneens getest. Gebleken is dat het gehalte in dit water vergelijkbaar is met de waarde die in drinkwater is toegestaan en daarom laag te noemen. Arseen wordt verder ook niet door de huid opgenomen. Op het strandoppervlak liggen hier en daar ook brokken ijzerhoudend materiaal (ijzeroer). Deze blijken meer arseen te bevatten. Alleen wanneer jonge kinderen wekenlang, uren per dag met deze brokken zouden spelen, en materiaal daarvan veelvuldig in hun mond krijgen, kan het risico in de buurt komen van het Maximaal Toelaatbaar Risico (MTR) voor arseen. Aangezien dit scenario in de praktijk niet realistisch is, betekent dit de facto dat kinderen hier zonder problemen kunnen spelen. Er bestaat evenmin een risico voor volwassenen en dieren (honden/paarden).
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Fish consumption and mortality in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition cohort | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Exploring global changes in nitrogen and phosphorus cycles in agriculture induced by livestock production over the 1900-2050 period | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Pyrrolizidine alkaloïden (PA's) zijn stoffen die van nature in veel plantensoorten voorkomen, onder andere in kruiden. Deze stoffen zijn schadelijk als mensen ze in te grote hoeveelheden binnenkrijgen. Ze hebben kankerverwekkende eigenschappen en kunnen de lever ernstig beschadigen. Er bestaat een productnorm voor de maximaal toegestane hoeveelheid PA's in kruidenpreparaten (1 microgram per kilo). Het RIVM heeft onderzocht of de productnorm nog steeds overeenkomt met de huidige wetenschappelijke inzichten. Voor kruidenthee en voedingssupplementen met kruiden is dat het geval. Vanuit wetenschappelijk oogpunt zou voor deze productgroepen een iets minder strenge norm mogelijk zijn (5 microgram per kilo). Maar vanwege de kankerverwekkende eigenschappen van PA's is het wenselijk om de blootstelling zo laag mogelijk te houden. Behalve voor kruidenthee en voedingssupplementen met kruiden geldt de productnorm ook voor andere levensmiddelen waaraan kruiden(extracten) zijn toegevoegd. Voorbeelden hiervan zijn frisdranken of snoepjes met kruidenextracten. Over de samenstelling en consumptie van deze 'overige kruidenpreparaten' is te weinig bekend om conclusies over een aanpassing van de huidige productnorm te trekken. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM waarin op basis van de huidige wetenschappelijke inzichten een risicobeoordeling is opgesteld. Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Nanodeeltjes zijn ultrakleine deeltjes met bijzondere eigenschappen, waardoor ze ongekende mogelijkheden hebben. Ze kunnen materialen en voorwerpen extra sterk maken, zonnecellen beter laten werken of heel gericht medicijnen op die plek in het lichaam brengen waar het nodig is. Vanwege deze veelbelovende eigenschappen wordt veel in nanotechnologie geïnvesteerd en is deze technologie niet meer weg te denken uit onze samenleving. Nanodeeltjes hebben echter andere eigenschappen en gedragen zich anders dan de klassieke, grotere bouwstenen van stoffen. De huidige modellen en technieken die nodig zijn voor een goede risicobeoordeling van nanodeeltjes en -materialen zijn nog niet voldoende geschikt om te beoordelen in hoeverre ze schadelijk zijn voor mens en milieu. Er zijn aanwijzingen dat sommige nanodeeltjes schadelijke eigenschappen hebben, maar het is onbekend waarom dat juist bij die deeltjes het geval is. Bovendien geldt het zeker niet voor alle nanodeeltjes en -materialen. Dit blijkt uit een overzicht van het RIVM van de wetenschappelijke kennis over risicobeoordeling van nanodeeltjes en -materialen en hun toepassingen. Hierin staat onder meer de huidige stand van zaken in de Europese regelgeving beschreven. Behalve in algemene inzichten wordt dat verder uitgewerkt voor een aantal specifieke deelgebieden: consumentenproducten, voeding, medische toepassingen, toepassingen in de arbeidssituatie, en milieu. Om de producten die momenteel worden ontwikkeld toch te kunnen beoordelen, moet de risicobeoordeling voorlopig met beperkte kaders worden uitgevoerd. Het RIVM signaleert de noodzaak om daar nu pragmatischer mee om te gaan. Gezien het hoge tempo van de nieuwe ontwikkelingen blijft aandacht noodzakelijk voor de wijze waarop risicobeoordeling vorm moet krijgen en hoe daarin met de onzekerheid over mogelijke risico's moet worden omgegaan. Nieuwe aanpakken zijn hierbij behulpzaam, zoals safe innovation, waarbij de veiligheid van een product onderdeel is van het innovatieproces. Voor de lange termijn zijn een goed werkende systematiek en beoordelingskader nodig. Belangrijke ingrediënten hiervoor zijn: gegevens over het gedrag van nanodeeltjes en -materialen, en kennis om de eigenschappen daarvan te kunnen voorspellen. Extra aandacht is nodig voor de aankomende nieuwe generaties nanomaterialen, zoals zelf-organiserende materialen, omdat over deze deeltjes en materialen de ontwikkeling van kennis nog in de kinderschoenen staat.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Air pollution exposure affects circulating white blood cell counts in healthy subjects: the role of particle composition, oxidative potential and gaseous pollutants - the RAPTES project | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Vertical transmission of Bartonella schoenbuchensis in Lipoptena cervi | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Health gain by salt reduction in Europe: a modelling study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
The amsterdam model for control of tattoo parlours and businesses | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Evolution of an influenza pandemic in 13 countries from 5 continents monitored by protein microarray from neonatal screening bloodspots | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Oxidative stress markers and all-cause mortality at older age: a population-based cohort study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
A probably minor role for land-applied goat manure in the transmission of Coxiella burnetii to humans in the 2007-2010 Dutch Q fever outbreak | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Opinion on environmental risks and indirect health effects of mercury from dental amalgam | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Zorgkosten in de laatste levensjaren | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Effect of comprehensive oncogenetics training interventions for general practitioners, evaluated at multiple performance levels | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Nationale en internationale wetgeving is erop gericht dat chemische stoffen veilig worden geproduceerd, verwerkt en gebruikt. Zo is in de Europese wetgeving REACH (Registratie, Evaluatie, Autorisatie en restrictie van CHemische stoffen) vastgelegd dat de industrie verantwoordelijk is dat de chemische stoffen die ze op de markt brengen, veilig kunnen worden geproduceerd en gebruikt. Toch kunnen er op korte of lange termijn nieuwe risico's van stoffen voor mens of milieu ontstaan. Van stoffen die al langer worden gebruikt, kunnen ongewenste effecten aan het licht komen als de stof via een andere blootstellingsroute (bijvoorbeeld inhalatie) bij de mens binnenkomt. Ook nieuw op de markt gebrachte stoffen die bijvoorbeeld niet voldoende zijn getest, kunnen de gezondheid van mens en milieu schaden. Voor zowel bestaande als nieuwe stoffen geldt bovendien dat een screening vooraf nooit alle mogelijke schadelijke effecten kan onderkennen. Sinds 2012 doet het RIVM onderzoek naar methoden om dergelijke nieuwe risico's van stoffen, ook wel New or Emerging Risks of Chemicals (NERCs) genoemd op te sporen, zodat tijdig maatregelen kunnen worden genomen. Het gaat hierbij om de blootstelling en nadelige effecten van stoffen voor werkers, consumenten en het milieu. Daarbij kan het gaan om onbekende risico's van bestaande stoffen of risico's van nieuwe stoffen. Dit rapport is een voortgangsrapportage van de onderzoeksresultaten die tot nu toe voor de drie beschermingsgroepen verkregen zijn. In dit onderzoek zijn methodieken ontwikkeld voor het vinden van potentiële NERCs. Een voorbeeld hiervan is de signalering van diacetyl als nieuw risico voor Werkers. Blootstelling van werkers via de lucht aan smaakstoffen die diacetyl bevatten kan zeer ernstige luchtwegaandoeningen veroorzaken en kan bijvoorbeeld vrijkomen bij de productie van popcorn. Als maatregel hiervoor wordt aanbevolen om een veilig blootstellingsniveau op te stellen, en beschermingsmaatregelen te treffen, zoals het gebruik van luchtfilters, om de gevolgen te beperken. Een strategie is in ontwikkeling waarbij de methodieken geïntegreerd worden om na te gaan in hoeverre een gesignaleerde NERC ook voor de andere beschermingsgroepen schadelijk kan zijn.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Trends in health life expectancy and health indicators among older people in 27 EU countries. Mobilising the Potential of Active Ageing in Europe | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Difference in the breast milk proteome between allergic and non-allergic mothers | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Zorggerelateerde infecties bij heropname | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Evaluation of semi-generic PBTK modeling for emergency risk assessment after acute inhalation exposure to volatile hazardous chemicals | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Global, regional, and national age-sex specific all-cause and cause-specific mortality for 240 causes of death, 1990-2013: A systematic analysis for the Global Burden of Disease Study 2013 | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
The Carbapenem inactivation method (CIM), a simple and low-cost alternative for the Carba NP test to assess phenotypic carbapenemase activity in gram-negative rods | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
An epidemiological perspective on gastroenteritis in child day care centers | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Is gezond zijn een voorwaarde voor de participatie van ouderen? | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
ECHI indicator development and documentation | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Estimating the burden of foodborne diseases | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Molecular immunotoxicology | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
The nonclinical evaluation of biotechnology-derived pharmaceuticals. Moving on after the TeGenero Case | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
The European technical report on aquatic effect-based monitoring tools under the water framework directive | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Gastroenteritis attributable to 16 enteropathogens in children attending day care: significant effects of rotavirus, norovirus, astrovirus, cryptosporidium and giardia | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
PER.C6® cells as a serum-free suspension cell platform for the production of high titer poliovirus: A potential low cost of goods option for world supply of inactivated poliovirus vaccine | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
A SpoT polymorphism correlates with chill stress survival and is prevalent in clinical isolates of Campylobacter jejuni | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Bridging the data gaps in the epidemiology of hepatitis C virus infection in Malaysia using multi-parameter evidence synthesis | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Daphnid life cycle responses to the insecticide chlorantraniliprole and its transformation products | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Human papillomavirus antibodies and future risk of anogenital cancer: A nested case-control study in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Ex vivo peptide-MHC II tetramer analysis reveals distinct end-differentiation patterns of human pertussis-specific CD4+ T cells following clinical infection | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Healthy lifestyle and risk of breast cancer among postmenopausal women in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition cohort study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Norovirus genotype profiles associated with foodborne transmission, 1999-2012 | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Assessing recovery from acidification of European surface waters in the year 2010: evaluation of projections made with the MAGIC model in 1995 | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Risk factors for gastroenteritis in child day care | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Fruit and vegetable intake and cause-specific mortality in the EPIC study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Molecular epidemiology of tuberculosis in Cambodian children | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Modulation of the CD4+ T cell response after acellular pertussis vaccination in the presence of TLR4 ligation | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Equivalence testing of filter-based, beta-attenuation, TEOM, and light-scattering devices for measurement of PM10 concentration in animal houses | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Environmental testing for norovirus in various institutional settings using catering companies as sentinels for norovirus prevalence among the general population | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Standardization of misleading immunoassay based 25-hydroxyvitamin D levels with liquid chromatography tandem-mass spectrometry in a large cohort study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Comparing vaccines: A systematic review of the use of the non-inferiority margin in vaccine trials | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Variation at ABO histo-blood group and FUT loci and diffuse and intestinal gastric cancer risk in a European population | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Molecular hazard identification of non-O157 Shiga toxin-producing Escherichia coli (STEC) | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
E-sigaretten, oftewel elektronische sigaretten, verdampen een vloeistof die meestal nicotine en een smaakstof bevat. De e-sigaret is weliswaar minder ongezond dan tabakssigaretten, maar de damp van e-sigaretten bevat een aantal ingrediënten en chemische onzuiverheden in hoeveelheden die schadelijk zijn voor de gezondheid. Het gaat onder andere om nicotine, propyleenglycol en glycerol en aldehydes, nitrosamines en metalen. Inhalatie hiervan kan leiden tot irritatie en schade aan de luchtwegen, hartkloppingen en een verhoogde kans op kanker. Deze gezondheidseffecten zijn wel veel minder ernstig dan die van tabak roken: longkanker, hartinfarct en beroerte, longemfyseem en COPD, en mond-, tong-, slokdarm-, maag- en blaaskanker. Dat blijkt uit onderzoek van het RIVM, waarvoor metingen zijn verricht, risicobeoordelingen zijn gedaan en gebruikers zijn geraadpleegd. Het onderzoek is in opdracht van VWS uitgevoerd vanwege de forse groei van het aantal e-sigaretgebruikers en de onduidelijke gezondheidseffecten van het gebruik. Voor dit onderzoek is het risico voor gebruikers beoordeeld op basis van de stoffen in de damp. In 2015 gaat het RIVM de effecten van stoffen in uitgeademde damp op omstanders onderzoeken. Bevindingen gebruikers Uit het onderzoek blijkt dat mensen vooral e-sigaretten roken in de veronderstelling dat het minder schadelijk is voor de gezondheid dan een gewone sigaret en helpt om te stoppen met roken. Van de vele merken en modellen zijn navulbare e-sigaretten het meest populair. Vrijwel alle gebruikers rookten tabak voordat ze met de e-sigaret begonnen en de meesten gebruiken tabak naast hun e-sigaret. De 'dampers' verschillen sterk in hun dampgedrag, bijvoorbeeld in het aantal trekjes dat zij per dag gebruiken. Samenstelling vloeistoffen en damp De samenstelling van de vele soorten e-vloeistof op de Nederlandse markt en die van de resulterende damp blijken onderling sterk te verschillen. Soms komen de gevonden hoeveelheden nicotine in de vloeistof niet overeen met de gehalten die op de verpakking staan. Van sommige stoffen blijken de concentraties in de damp hoger te zijn dan in de vloeistof. Aldehydes ontstaan bij de opwarming van de vloeistoffen en metalen komen vrij uit de verdamper. Propyleenglycol en glycerol zijn 'dragervloeistoffen' voor nicotine en de smaakstoffen.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Extensive dissemination of extended spectrum beta-lactamase-producing enterobacteriaceae in a Dutch nursing home | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Physician reported incidence of early and late Lyme borreliosis | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Carriage of Streptococcus pneumoniae in aged adults with influenza-like-illness | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Generation shifts in smoking over 20 years in two Dutch population-based cohorts aged 20-100 years | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Spot the difference-development of a syndrome based protein microarray for specific serological detection of multiple flavivirus infections in travelers | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Global, regional, and national levels and causes of maternal mortality during 1990-2013: A systematic analysis for the Global Burden of Disease Study 2013 | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Integrated approach to the in vivo genotoxic effects of a titanium dioxide nanomaterial using LacZ plasmid-based transgenic mice | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Implementation of the BeweegKuur in practice: Utilization of care of a lifestyle intervention in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Comparative toxicity of copper nanoparticles across three Lemnaceae species | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Endogenous androgens and risk of epithelial invasive ovarian cancer by tumor characteristics in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Perceived HIV status is a key determinant of unprotected anal intercourse within partnerships of men who have sex with men in Amsterdam | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
The revised electromagnetic fields directive and worker exposure in environments with high magnetic flux densities | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Mechanisms of amiodarone and valproic acid induced liver steatosis in mouse in vivo act as a template for other hepatotoxicity models | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Developing requirements for a mobile app to support citizens in dealing with ticks and tick bites via end-user profiling | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
The probabilistic aggregate consumer exposure model (PACEM): Validation and comparison to a lower-tier assessment for the cyclic siloxane D5 | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Diabetes mellitus and risk of prostate cancer in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Dietary B vitamin and methionine intake and MTHFR C677T genotype on risk of colorectal tumors in Lynch syndrome: the GEOLynch cohort study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Differences in weight loss across different BMI classes:A meta-analysis of the effects of interventions with diet and exercise | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Spatial analysis of positive and negative Q fever laboratory results for identifying high- and low-risk areas of infection in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Biomarker patterns of inflammatory and metabolic pathways are associated with risk of colorectal cancer: results from the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC) | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Occupational risk quantification owing to falling objects | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Reply to the comment by Van der Deen et al.: "Possible methodological reason for the finding that 'Neither tax increase nor reimbursement reduced health disparities'" | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Results from a horizon scan on risks associated with transplantation of human organs, tissues and cells: from donor to patient | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Living environment matters: relationships between neighborhood characteristics and health of the residents in a Dutch municipality | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Chlamydia trachomatis antibody testing in vaginal mucosal material versus blood Samples of women attending a fertility clinic and an STI clinic | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Coprophagy in dogs interferes in the diagnosis of parasitic infections by faecal examination | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Duurzaam inzetbaarheidsbeleid is erop gericht werknemers gezond en productief aan het werk te houden. Specifieke aandacht hierbij voor potentieel kwetsbare groepen kan mogelijk positief bijdragen aan de duurzame inzetbaarheid van deze groepen. Zo profiteren chronisch zieken, ouderen, laaggeschoolden, zzp'ers en mantelzorgers mogelijk minder van werkgerelateerde scholingsmaatregelen gericht op het bevorderen van duurzame inzetbaarheid op de arbeidsmarkt. Dit komt naar voren in een Health Impact Assessment (HIA) van een aantal maatregelen op het terrein van duurzame inzetbaarheid die is uitgevoerd door het RIVM. De HIA was gericht op het in kaart brengen van mogelijke gezondheidseffecten van een aantal maatregelen die genoemd worden in het Vitaliteitspakket. De nadruk van deze HIA lag op het effect van scholingsmaatregelen. Hierbij was speciaal aandacht voor het identificeren van potentieel kwetsbare groepen. De omvang van deze groepen en hun potentiële kwetsbaarheid is afhankelijk van de definitie die gehanteerd wordt. Deze definities bleken in de literatuur niet altijd overeen te komen. In het duurzame inzetbaarheidsbeleid van het ministerie van SZW is al specifieke aandacht voor 55-plussers. Deze HIA laat zien dat het daarnaast zinvol is om, bijvoorbeeld met betrekking tot scholingsmaatregelen, specifiek aandacht te besteden aan laaggeschoolden, chronisch zieken, zzpers/ flexwerkers en mantelzorgers. In aanvulling op de geformuleerde aanbevelingen per groep liggen belangrijke algemene aanbevelingen op het terrein van: gedeelde verantwoordelijkheid, integrale aanpak, multidisciplinaire samenwerking, maatwerk, lange termijn planning en strategisch personeelsbeleid.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Genetic susceptibility to norovirus GII.3 and GII.4 infections in Chinese pediatric diarrheal disease | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Disclosure of selective advantages in the "modern" sublineage of the Mycobacterium tuberculosis Beijing genotype family by quantitative proteomics | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Tijdens de vroege ontwikkeling van de mens worden verschillende typen weefels en organen gevormd. De informatie hiervoor ligt in het DNA opgeslagen. Per weefseltype worden specifieke delen van het DNA afgelezen , en die afleesbaarheid wordt gereguleerd door de zogenoemde methylering van het DNA. Wetenschappers gaan er steeds meer van uit dat de omgeving van invloed is op de wijze waarop het DNA precies wordt afgelezen. Geopperd wordt dat de toename van chronische ziekten zoals kanker, diabetes en overgewicht zijn oorsprong kan hebben in een verkeerde inregeling van de methylering van het DNA tijdens de vroege ontwikkeling, bijvoorbeeld door chemische verontreiniging in voedsel. Om meer zicht te krijgen op deze processen is het van belang in kaart te brengen of en in welke mate chemische stoffen de methylering van het DNA beïnvloeden. Het RIVM heeft hiervoor een testmodel ontwikkeld in embryo's van de zebravis. Inderdaad zijn veranderingen in de DNA-methylering vastgesteld nadat de embryo's aan meerdere teststoffen zijn blootgesteld. Vervolgonderzoek moet bevestigen of deze veranderingen gekoppeld zijn aan bepaalde typen chemische stoffen. Ook moet nader worden onderzocht of de geconstateerde veranderingen in de methylering effecten op de gezondheid hebben. Halverwege 2015 worden de resultaten van dit vervolgonderzoek verwacht. Het zebravis-model blijkt dus toereikend te zijn om metingen in uit te voeren. Voor het onderzoek is ook een stamcelmodel getoetst maar dit bleek minder geschikt.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Anchoring molecular mechanisms to the adverse outcome pathway for skin sensitization: Analysis of existing data | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Time-kill kinetics of antibiotics active against rapidly growing mycobacteria | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Carbohydrate intake in the etiology of Crohn's disease and ulcerative colitis | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Organizational aspects of primary care related to avoidable hospitalization: a systematic review | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Extension of traditional infectious disease surveillance with a repeated population survey | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Trajectories of injecting behavior in the Amsterdam Cohort Study among drug users | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Azole, polyene and echinocandin MIC distributions for wild-type, TR34/L98H and TR46/Y121F/T289A Aspergillus fumigatus isolates in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Cost-effectiveness of newborn screening for cystic fibrosis determined with real-life data | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Leukocyte telomere length in relation to pancreatic cancer risk: A prospective study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
FTO genetic variants, dietary intake and body mass index: insights from 177,330 individuals | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Sensitivity of a point of care tick-test for the development of Lyme borreliosis | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Plasma carotenoids, vitamin C, retinol and tocopherols levels and pancreatic cancer risk within the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition: a nested case-control study: plasma micronutrients and pancreatic cancer risk | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Temporal trends in mortality among people who use drugs compared with the general Dutch population differ by hepatitis C virus and HIV infection status | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Structural bisphenol analogues differentially target steroidogenesis in murine MA-10 Leydig cells as well as the glucocorticoid receptor | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Estimating seroprevalence of human papillomavirus type 16 using a mixture model with smoothed age-dependent mixing proportions | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Het drinkwater in Nederland was in 2012 van goede kwaliteit. Wel is blijvende aandacht nodig om de kwaliteit van de bronnen voor drinkwater goed te houden. Dit blijkt uit deze rapportage van het RIVM, die in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu is uitgevoerd. De resultaten van de meetprogramma's van de drinkwaterbedrijven uit 2012 zijn de basis van het rapport. Net als in 2011 is bij 19 procent van de locaties waar drinkwater wordt geproduceerd, een drinkwaternorm overschreden. In geen geval vormde dat een bedreiging voor de volksgezondheid. De kwaliteitsafwijkingen waren meestal eenmalig. Het betrof parameters als troebeling, ijzer en mangaan die geen directe betekenis hebben voor de volksgezondheid. Op twee productielocaties zijn indicatorbacteriën aangetroffen die aangeven dat er mogelijk ziekmakende micro-organismen in het drinkwater zitten. In het distributienet zijn deze indicatoren op veertien plaatsen aangetoond. In alle gevallen was de aanwezigheid van deze bacteriën van korte duur en gaf deze geen aanleiding tot gezondheidsproblemen. Het is mogelijk dat het drinkwater tijdens werkzaamheden aan het distributienet met bacteriën besmet kan raken. In 73 gevallen is de bewoners van de nabijgelegen woningen geadviseerd het drinkwater voor gebruik te koken. In deze rapportage wordt aandacht besteed aan de kwaliteit van oppervlaktewater bij innamepunten voor de drinkwaterproductie. Ook is informatie opgenomen over de inspanningen om geneesmiddelen in water te meten. Hieruit blijkt dat de drinkwaterbedrijven in 2012 gezamenlijk 22.000 meetgegevens over geneesmiddelen hebben gegenereerd. Aanbevolen wordt om de aandacht te blijven richten op de bescherming van de drinkwaterbronnen. Mogelijkheden hiertoe zijn de emissies van vervuilende stoffen terug te dringen, zoals gewasbeschermingsmiddelen, biociden, loodvervanger in benzine (MTBE) en (dier)geneesmiddelen. Ook is het van belang de afvalwaterstroom van rioolwaterzuivering die van invloed kunnen zijn op drinkwaterwinningen op specifieke stoffen zoals geneesmiddelen extra te behandelen.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Lag times between lymphoproliferative disorder and clinical diagnosis of chronic lymphocytic leukemia: a prospective analysis using plasma soluble CD23 | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Choice of resolution by functional trait or taxonomy affects allometric scaling in soil food webs | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Developing a foundation for eco-epidemiological assessment of aquatic ecological status over large geographic regions utilizing existing data resources and models | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Antimicrobial resistance in bacteria from animals and the environment | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Revisiting susceptibility testing in MDR-TB by a standardized quantitative phenotypic assessment in a European multicentre study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Change in quality management in diabetes care groups and outpatient clinics after feedback and tailored support | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Nauwkeurige fijnstofkaarten op basis van ISPEX-metingen | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Estimation of the serial interval of pertussis in Dutch households | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Tracing the sources of human salmonellosis: a multi-model comparison of phenotyping and genotyping methods | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Intrinsic hydroxyl radical generation measurements directly from sampled filters as a metric for the oxidative potential of ambient particulate matter | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Antibiotic prescribing in dutch nursing homes | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Definition and applications of a versatile chemical pollution footprint methodology | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Modelling metal accumulation using humic acid as a surrogate for plant roots | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Norovirus introduction routes into nursing homes and risk factors for spread: A systematic review and meta-analysis of observational studies | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Chemical footprints: thin boundaries support environmental quality management | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Evaluation of In Silico models for the identification of respiratory sensitizers | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Seroprevalence of pertussis in The Gambia: evidence for continued circulation of Bordetella pertussis despite high vaccination rates | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
The Dutch Q fever situation - Lessons learned? | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Atmospheric aerosol characterization with a ground-based SPEX spectropolarimetric instrument | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Betere informatie over ammoniakemissies De berekende ammoniakemissies in Nederland blijven dalen. Wel blijkt voor de periode 1990-2013 dat de totale emissie van ammoniak hoger is dan eerder gerapporteerd. De ammoniakemissies kunnen dankzij betere waarnemingen nauwkeuriger worden berekend en een aantal nieuwe bronnen zijn toegevoegd. De emissies van stikstofoxiden, zwaveldioxiden en niet methaan vluchtige organische stoffen blijven licht dalen. RIVM verzamelt en rapporteert de emissiecijfers samen met partnerinstituten in het project Emissieregistratie. Nieuwe onderzoeksresultaten Op basis van nieuw onderzoek konden bepaalde emissiefactoren voor ammoniak nauwkeuriger worden berekend. Zo is geconstateerd dat er per varken meer ammoniak wordt uitgestoten dan eerder verondersteld. Daarnaast blijkt de mest die over het land wordt verspreid meer stikstof te bevatten, waardoor er meer ammoniak vrijkomt. Verder is berekend dat de bijdrage van wegverkeer aan de ammoniakuitstoot in Nederland hoger is dan eerder gerapporteerd. Eén van de bronnen die volgens internationale voorschriften (EMEP Guidebook 2013) nu is meegenomen in de berekeningen, is de uitstoot van ammoniak door gewassen terwijl ze rijpen ('gewasafrijping') en na de oogst ('gewasresten'). Hetzelfde geldt voor de ammoniak die vrijkomt bij het gebruik van compost (zoals van gft-afval) en het slib van rioolwaterzuiveringsinstallaties. Het RIVM verzamelt en analyseert de cijfers. Behalve bovengenoemde stoffen gaat het om de uitstoot van koolmonoxide, fijn stof, zware metalen en persistente organische stoffen. De uitstoot van al deze stoffen is tussen 1990 en 2013 gedaald. Dit komt vooral door schonere auto's en brandstoffen en door emissiebeperkende maatregelen in de industrie.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Screen time, adiposity and cardiometabolic markers: mediation by physical activity, not snacking, among 11-year-old children | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Two human challenge studies confirm high infectivity of norwalk virus [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Novel dutch self-assessment biosecurity toolkit to identify biorisk gaps and to enhance biorisk awareness | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Resource niche overlap promotes stability of bacterial community metabolism in experimental microcosms | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Towards a taxonomy for integrated care: A mixed-methods study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Antibodies against MERS coronavirus in dromedaries, United Arab Emirates, 2003 and 2013 | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Entero- and parechovirus distributions in surface water and probabilities of exposure to these viruses during water recreation | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Bestrijding van de ziekte van Lyme | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Dromedaris en 'Middle East respiratory syndrome' | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Human exposure to tickborne relapsing fever spirochete Borrelia miyamotoi, the Netherlands [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Non-specific physical symptoms and related functioning in people with self-reported noise sensitivity | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Genetic and antigenic structural characterization for resistance of echovirus 11 to pleconaril in an immunocompromised patient | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
The role of noise events in noise research, policy and practice (peaks, events or both...) | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
First report of established population of Aedes japonicus japonicus (Theobald, 1901) (Diphtera, Culicidae) in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Borrelia miyamotoi in host-seeking Ixodes ricinus ticks in England | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Measuring underreporting and under-ascertainment in infectious disease datasets: A comparison of methods | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Intervention strategies to reduce human Toxoplasma gondii disease burden | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Associations of sugar-containing beverages with asthma prevalence in 11-year-old children: the PIAMA birth cohort | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Analysis of adult cerebral cortex and hippocampus transcriptomes reveals unique molecular changes in the Ts1Cje mouse model of down syndrome | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Extended-spectrum and AmpC beta-lactamase-producing Escherichia coli in broilers and people living and/or working on broiler farms: prevalence, risk factors and molecular characteristics | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Mensen gebruiken steeds vaker kruidenpreparaten als voedingssupplement om hun gezondheid te bevorderen. Dit gebeurt als zelfmedicatie, soms als aanvulling op een behandeling met reguliere geneesmiddelen. De kruidenpreparaten mogen volgens de Warenwet in principe niet schadelijk zijn. In combinatie met reguliere medicijnen kan echter een interactie ontstaan die de werking van geneesmiddelen kan versterken of kan verminderen. Dit kan ongewenste gevolgen voor de gezondheid hebben. Het RIVM heeft in opdracht van de Nederlandse Voedsel- en Waren Autoriteit (NVWA) een top tien samengesteld van kruidenpreparaten waarvan de interactie met geneesmiddelen mogelijk gezondheidsrisico's kan veroorzaken. De lijst bevat onder andere Sint Janskruid, knoflook, ginkgo biloba, valeriaan, geelwortel en groene thee. Daarnaast worden voorstellen gedaan hoe de resultaten kunnen worden gecommuniceerd via de NVWA. In dit onderzoek zijn de effecten van de interactie van de nummer één van deze lijst onderzocht: Sint Janskruid - de overige negen volgen de komende jaren. Van Sint Janskruid, dat veelal wordt gebruikt tegen innerlijke onrust en neerslachtigheid, zijn de meeste en ernstigste interacties bekend. Concreet verminderen ze de werking van een aantal geneesmiddelen die worden voorgeschreven bij de behandeling van onder andere schimmel- of virusinfecties in het lichaam, bij kanker (chemotherapie), en van middelen die het afweersysteem (zoals bij transplantaties) onderdrukken. De werking van bepaalde bewustzijns verlagende en bewustzijns stimulerende middelen wordt juist (ongewenst) versterkt. De ernst van deze bijeffecten is afhankelijk van zowel de dosis van de geneesmiddelen als de dosis van het kruidenpreparaat. Uit voorzorg wordt geadviseerd geen Sint Janskruid te gebruiken (in de vorm van thee of supplementen) bij het gebruik van deze medicijnen. Vanwege de gevolgen van de interacties is het van belang dat consumenten, artsen en apothekers op de hoogte zijn van de eventuele risico's en elkaar hierover kunnen informeren. Hierin is verbetering gewenst om ongewenste interacties door het gebruik van kruidenpreparaten te kunnen voorkomen.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Blood feeding on large grazers affects the transmission of Borrelia burgdorferi sensu lato by Ixodes ricinus | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
A quantitative microbiological risk assessment for campylobacter in petting zoos | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Handhygiëne in de jeugdgezondheidszorg, ook bij het vaccineren? | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Hoe snel tetanusvaccin toedienen na verwonding? | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
De geschiedenis van rabiës bij dieren in Nederland | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Tekenweetjes | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Is er risico na een besmettingsaccident met een overledene? | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Is contactisolatie bij ESBL in een woongroep noodzakelijk? | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Kat vangt vleermuis: is er een risico op rabies? | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Opleiden, trainen en oefenen als voorbereiding op infectieziekte-uitbraken | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Gezondheidsrisico's van baden met knabbelvisjes | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Wat weten Nederlanders van Salmonella en welke maatregelen namen ze tijdens een uitbraak? | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Hepatitis A laten typeren? | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Ongewenst uitstel eerste DKTP-vaccinatie bij te vroeg geboren baby's | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Vaccinating: self-evident or not? | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Recreatiewatergerelateerde gezondheidsklachten in de zomers van 2012 en 2013 | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Nationaal uitbraakonderzoek in de praktijk: Salmonella Thompson in gerookte zalm | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Lokale uitbraak van Salmonella tyhimurium voorjaar 2012 | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Reactie op Een mondhygiëniste met hepatitis B | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Legionellapneumonie als vakantiesouvenier: reisgerelateerde legionellose-meldingen in 2012 en 2013 | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Bofuitbraak na een feest op een jongerensoos | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Legionellapneumonie na bezoek aan een autowasstraat | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Een cluster van PVL-positieve MRSA-infecties bij gedetineerden | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Poliomyelitis in Syrië: gevolgen voor het Midden-Oosten en voor Nederland | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Resultaten van de Bronopsporings Eenheid Legionella-pneumonie 2011-2012 | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Veel consumentenproducten bevatten stoffen die een allergische reactie kunnen veroorzaken (sensibiliserende stoffen). Dat kan door contact met de huid of als de stoffen worden ingeademd. De sensibiliserende stoffen kunnen in consumentenproducten voorkomen, zoals speelgoed, cosmetica, schoonmaakmiddelen, textiel en sieraden. In opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) heeft het RIVM geïnventariseerd hoe de productie en het gebruik van allergene stoffen in consumentenproducten in wettelijke kaders is gereguleerd. Bedrijven die chemische stoffen en mengsels in de handel brengen, zijn verplicht om deze in te delen, te etiketteren en verpakken volgens de criteria van de Verordening Indeling Etikettering en Verpakking (CLP). Dit geldt ook voor stoffen waar mensen allergisch op kunnen reageren. Daarnaast hebben producenten en importeurs van chemische stoffen de verplichting om deze, afhankelijk van de hoeveelheid waarin ze worden geproduceerd, te registreren in verband met de Europese verordening voor de productie en handel van chemische stoffen REACH (Registratie, Evaluatie, Autorisatie en restrictie van Chemische stoffen). Bij de registratie van een chemische stof moeten mogelijke gevaren worden beoordeeld en moet worden aangetoond dat het gebruik van de stof veilig is. Ook biedt REACH overheden de mogelijkheid om zeer gevaarlijke of risicovolle stoffen of toepassingen Europees te beperken of te verbieden. Daarnaast bestaan er wettelijke kaders voor specifieke productcategorieën, zoals cosmetica, schoonmaakmiddelen en speelgoed. Deze richtlijnen bevatten lijsten met onder andere sensibiliserende stoffen (veelal geurstoffen), die niet aan deze producten mogen worden toegevoegd, of verplicht op het etiket moeten worden vermeld. Het kan ook zijn dat een sensibiliserende stof eerst moet worden beoordeeld voordat het op de markt mag worden toegelaten, zoals bij biociden.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Seksueel overdraagbare aandoeningen, waaronder hiv, in Nederland in 2013 | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Meldingen van voedselinfecties en -vergiftigingen in 2012 | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Antivirale therapie voor zwangere vrouwen met chronische hepatitis B | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Kunnen luchtwassers legionella-bacteriën verspreiden naar de omgeving? | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Wat weten, denken en vinden Nederlandse schoolkinderen van teken en lymeziekte? | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Informatie van GGD naar ketenpartners | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Vaccinatie van aanstaande moeders om baby's te beschermen: een kosteneffectiviteitsanalyse | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Surveillance van Listeria monocytogenes in Nederland, 2012 | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Is wateroverlast door een wolkbreuk ongezond? | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Moleculaire typeringstechnieken in de bron- en contactopsporing: 9 ethische vragen om de besluitvorming te structureren | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) verplicht medisch specialisten in Nederland per 1 juli 2015 om een internationale codering voor ziekten en aandoeningen (ICD-10) te gebruiken. Op die manier kunnen schattingen van kosten van zorg beter met andere landen worden vergeleken. De behandelend artsen kunnen hierbij als hulpmiddel de diagnosethesaurus (DT) gebruiken, die de stichting Dutch Hospital Data (DHD) heeft ontwikkeld. Hierin zijn medische termen over ziekten (zogeheten referentietermen), zoals hepatitis, gerubriceerd en gekoppeld aan een ICD-10 diagnosecode, bijvoorbeeld K75.9 ontstekingsproces van de lever, niet gespecificeerd. In opdracht van de NZa heeft het RIVM onderzocht of DHD de termen op de juiste manier en volgens de codeerregels aan de diagnosecodes heeft gekoppeld. In 85 procent van de 11.000 onderzochte referentietermen gevallen blijkt dat het geval te zijn. In 15 procent van de gevallen wordt een andere koppeling voorgesteld, bijvoorbeeld omdat de koppeling niet volgens de ICD-10 codeerregels plaatsvond of omdat aan een specifiekere klasse gekoppeld kon worden. Over 50 koppelingen vindt nog afstemming plaats. Het RIVM heeft de aangepaste en goedgekeurde koppelingen in een bestand verzameld en aan DHD ter beschikking gesteld.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Post-discharge surveillance (PDS) for surgical site infections: A good method is more important than a long duration | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Mumps serum antibody levels before and after an outbreak to assess infection and immunity in vaccinated students | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Implementing the European Core Health Indicators (ECHI) in the Netherlands: an overview of data availability | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Trends in Dutch hospital spending by age and disease 1994-2010 | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Analyse poliomonsters na lozingsincident Op 2 september 2014 heeft het bedrijf GlaxoSmithKline (GSK), dat vaccins produceert, in België door een menselijke fout 45 liter geconcentreerd poliovirus op het riool geloosd. Via de nabijgelegen rioolwaterzuivering is dit water onder andere in de rivier De Laan terechtgekomen, en vervolgens in de Westerschelde. Er is geen poliovirus aangetoond in de beschikbare monsters. Ook is het poliovirus niet in de onderzochte bevolking verspreid. Dit blijkt uit onderzoek van het door de WHO erkende referentielaboratorium voor polio van het RIVM. Het onderzoek hier verricht in opdracht van de WHO, omdat België niet over een laboratorium beschikt dat hiervoor geaccrediteerd is. De WHO streeft ernaar om polio uit te roeien. Het onderzoek is ingegeven door het ophanden zijnde oesterseizoen (begin oktober) en het hoge aantal nietgevaccineerde bewoners van sommige Zeeuwse gemeenten. Tussen 2 en 18 september zijn monsters bij de rioolwaterzuivering (rwzi) te Rosières verzameld door personeel van GSK en de KU Leuven. Ook zijn monsters van sediment uit de bezinkingsbak van deze rwzi en slibmonsters uit de rivier De Laan genomen. Verder zijn in enkele gemeenten met een lage vaccinatiegraad tussen 30 september en 7 november rioolwatermonsters verzameld. Daarnaast is berekend dat de lozing vanaf 20 september in de Westerschelde zou kunnen stromen. Aangezien schelpdieren zich voeden door water te filteren, kunnen aanwezige verontreinigingen, zoals poliovirussen, zich ophopen in hun maag-darmkanaal. Op 24 september en 3 en 28 oktober zijn mosselen verzameld in het oostelijke deel van de Westerschelde, daar waar de te verwachte concentratie poliovirussen het hoogst was.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Human risk assessment of dermal and inhalation exposures to chemicals assessed by route-to-route extrapolation: The necessity of kinetic data | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Studying Bordetella pertussis populations by use of SNPeX, a simple high-throughput single nucleotide polymorphism typing method | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Adapting high-throughput screening methods and assays for biocontainment laboratories | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Reliable typing of MERS-CoV variants with a small genome fragment | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
A semi-empirical model for transport of inorganic nanoparticles across a lipid bilayer: Implications for uptake by living cells | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Nanotechnologie - kansen en risico's van nanogeneesmiddelen | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Mazelen | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Concern-driven safety assessment of nanomaterials. An integrated approach using material properties, hazard, biokinetic, and exposure data and considerations on grouping and read-across | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Comparative study of biodegradability prediction of chemicals using decision trees, functional trees, and logistic regression | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Physicochemical properties and aquatic toxicity of poly- and perfluorinated compounds | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Particle-specific toxic effects of differently shaped zinc oxide nanoparticles to zebrafish embryos (Danio rerio) | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Genetic predisposition of RSV infection-related respiratory morbidity in preterm infants | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Tissue distribution and elimination after oral and intravenous administration of different titanium dioxide nanoparticles in rats | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
A day and night difference in the response of the hepatic transcriptome to cyclophosphamide treatment | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Erratum: Non-invasive risk scores for prediction of type 2 diabetes (EPIC-InterAct): a validation of existing models | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
De toekomst van richtlijnen | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
A prospective study of the immune system activation biomarker neopterin and colorectal cancer risk | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Results of a survey on the implementation of diagnostic reference levels for x-rays among Dutch hospitals | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Ongoing transmission of hepatitis B virus in rural parts of the Netherlands, 2009-2013 | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Wat gebeurde er bij de LCI in 2013? | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Evaluatie regeling Aanvullende Seksuele Gezondheidszorg (ASG) - Gevolgen en de uitvoering in de praktijk | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Context analysis for epidemic control in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Dagelijkse advisering en respons in de praktijk van de LCI in 2012 | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Typing of Chlamydia psittaci to monitor epidemiology of psittacosis and aid disease control in the Netherlands, 2008 to 2013 | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
A synthetic stimulant never tested in humans, 1,3-dimethylbutylamine (DMBA), is identified in multiple dietary supplements | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Symptom reporting after the introduction of a new high-voltage power line: A prospective field study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
The relationship between fermented food intake and mortality risk in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition-Netherlands cohort | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Methicillin-resistant Staphylococcus aureus and extended-spectrum and AmpC beta-lactamase-producing Escherichia coli in broilers and in people living and/or working on organic broiler farms | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Coffee, tea and decaffeinated coffee in relation to hepatocellular carcinoma in a European population: Multicentre, prospective cohort study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
TP53 mutations induced by BPDE in Xpa-WT and Xpa-Null human TP53 knock-in (Hupki) mouse embryo fibroblasts | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Reporting accuracy of population dietary sodium intake using duplicate 24 h dietary recalls and a salt questionnaire | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
MAX-DOAS tropospheric nitrogen dioxide column measurements compared with the Lotos-Euros air quality model | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Usefulness and applicability of infectious disease control measures in air travel: A review | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Worldwide variations in artificial skyglow | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Genome-wide interaction study of smoking and bladder cancer risk | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Het RIVM heeft van 47 (groepen van) stoffen een overzicht gemaakt van de in de EU beschikbare grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling en de classificatie die er op basis van mogelijke kankerverwekkende eigenschappen aan wordt gegeven. De overzichten maken het mogelijk om de bestaande grenswaarden en classificaties direct te vergelijken. Om een veilige en gezonde werkomgeving te creëren voor werknemers die met gevaarlijke stoffen werken, is het belangrijk dat de blootstelling zoveel mogelijk wordt beperkt. Hiervoor is het nodig te bepalen welke concentratie van een stof maximaal in de lucht mag zitten die nog veilig wordt geacht. Deze grenswaarden kunnen worden vastgelegd op Europees niveau, op nationaal niveau of door bedrijven. De regelgeving hiervoor kan echter verschillen, waardoor er voor één stof binnen Europa meerdere grenswaarden kunnen bestaan. Naast de grenswaarden kunnen stoffen worden ingedeeld in categorieën op basis van hun mogelijk kankerverwekkende eigenschappen. Ook voor deze zogeheten classificatie bestaan er binnen Europa verschillende systemen en verschillende criteria. De gegevens over grenswaarden zijn overgenomen van de beoordelingen van het Wetenschappelijk Comité inzake grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling (SCOEL), de Europese wetgeving voor chemische stoffen (REACH)- registratiedossiers, en gepubliceerde grenswaarden in Nederland, Duitsland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Finland. Daarnaast zijn gegevens over classificatie op basis van kankerverwekkende eigenschappen overgenomen van de Europese Commissie en het Internationaal Agentschap voor Kankeronderzoek (IARC).
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Zuivelproducten, (fris)dranken, banket en zoetwaren dragen het meeste bij aan de hoeveelheid toegevoegde suikers die mensen dagelijks binnenkrijgen. Het RIVM onderzoekt, in opdracht van het ministerie van VWS, hoe de suikergehalten in voedingsmiddelen zich in de komende jaren ontwikkelen. Hiervoor is nu eerst in kaart gebracht wat het suikergehalte van diverse productcategorieën is. Deze 'nulmeting' maakt het mogelijk om te kijken in hoeverre fabrikanten erin slagen om het gehalte aan toegevoegde suiker in producten in de komende jaren stapsgewijs te verlagen. Aanleiding voor de nulmeting is het 'Akkoord Verbetering Productsamenstelling', dat de minister van Volksgezondheid en vertegenwoordigers van de voedingsmiddelenindustrie, retail, horeca en catering begin 2014 hebben getekend en loopt tot 2020. Daarin is afgesproken de gehalten aan zout, (verzadigd) vet en energie (suiker, vet) in voedingsmiddelen te verlagen. De nulmeting is uitgevoerd bij productgroepen die meer dan drie procent bijdragen aan de dagelijkse inname van suikers in Nederland. Behalve zuivelproducten, (fris)dranken en banket en zoetwaren zijn dit broodbeleg, brood- en graanproducten, en bewerkte groenten en fruit. Het betreft producten die niet uitsluitend van nature aanwezige suikers bevatten. Binnen de productgroepen is aangegeven welke producten veel of weinig suiker bevatten. Bij de producten met een hoog suikergehalte, zoals zuivel waar suiker aan is toegevoegd, zijn immers aanpassingen mogelijk. De resultaten van de nulmeting kunnen door de voedingsmiddelenindustrie worden gebruikt worden bij het maken van (sectorbrede) afspraken om het suikergehalte in voedingsmiddelen te verlagen.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Het zoutgehalte in brood is sinds 2011 met 21 procent gedaald. In kaas is het zoutgehalte met circa 11 procent ook afgenomen ten opzichte van 2011. Het zoutgehalte verschilt echter aanzienlijk per soort kaas. In vleeswaren bedoeld als broodbeleg is het zoutgehalte in 2014 vergelijkbaar met dat van 2011 en 2013. De vleeswarensector heeft volgens afspraak tot in 2015 de tijd het gehalte aan zout en aan verzadigd vet te verlagen. Bewerkte groente en peulvruchten, zoals doperwten of bonen in blik of glas, hebben ook een lager zoutgehalte. Aangezien brood een grote bijdrage levert aan de inname van zout, draagt de daling van het zoutgehalte in deze productcategorie er in belangrijke mate aan bij dat mensen dagelijks minder zout binnenkrijgen. Voor verzadigd vet en suiker verschillen de productsamenstellingen niet. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Hierin wordt per productgroep gevolgd wat de gehalten aan zout, suiker en verzadigd vet zijn en hoe deze zich door de jaren heen ontwikkelen. Aanleiding hiervoor is het 'Akkoord Verbetering Productsamenstelling', dat de minister van Volksgezondheid en de brancheorganisaties van de voedingsmiddelenindustrie, retail, horeca en catering begin 2014 getekend hebben. Hierin is afgesproken de gehalten aan zout, (verzadigd) vet en energie (suiker, vet) in voedingsmiddelen stapsgewijs te verlagen. Dit akkoord loopt tot 2020. Voor dit onderzoek worden diverse gegevens gebruikt over de samenstelling van producten: gegevens die fabrikanten en de desbetreffende sectoren aanleverden, en onafhankelijke analyses door de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (zout en verzadigd vet). Deze gegevens zijn gecombineerd en vervolgens vergeleken met gegevens uit de publicaties van het Nederlands Voedingsstoffenbestand (NEVO 2011 en 2013). In 2012 is de verandering van de productsamenstelling van voedingsmiddelen voor het eerst op deze manier in kaart gebracht. De 'Herformuleringsmonitor' was toen toegespitst op zout (natrium) en verzadigd vet. Sinds 2014 is dit uitgebreid met suiker (mono- en disachariden). De herformuleringsmonitor wordt uitgevoerd in opdracht van het ministerie van VWS.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Transstadial transmission of Borrelia turcica in hyalomma aegyptium ticks | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Mammary gland tumor promotion by chronic administration of IGF1 and the insulin analogue AspB10 in the p53R270H/+WAPCre mouse model | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
In Nederland liggen circa 845.000 woonadressen met naar schatting 1.347.400 bewoners van 16 jaar en ouder binnen 300 meter afstand van het spoor. Ongeveer 20% van hen ondervindt ernstige hinder van de trillingen die treinen veroorzaken. Zij klagen over gevoelens van irritatie, boosheid en onbehagen. 's Nachts kan deze hinder zich uiten in ernstige verstoring van de slaap. Verreweg de meeste hinder en slaapverstoring wordt gerapporteerd in relatie met trillingen van goederentreinen. Ongeveer 528.000 mensen van 16 jaar en ouder wonen binnen 300 meter van het spoor waar de trillingen voelbaar zijn, maar onder een Vmax trillingssterkte van maximaal 3,2 liggen, een niveau dat in Nederland als grenswaarde wordt gehanteerd. Een groot deel van de hinder en slaapverstoring doet zich voor bij trillingsniveaus bij Vmax-trillingssterktes beneden deze grenswaarde. Vanuit gezondheidsoptiek is het relevant om in het beleid ook aandacht te besteden aan deze trillingssterktes. Aangezien het om een groot aantal mensen gaat, valt hier veel gezondheidswinst te behalen. Om de effecten van deze relatief lagere trillingsniveaus effectief te bestrijden zijn niet alleen maatregelen gewenst die de trillingen kunnen verminderen, maar is ook duidelijke communicatie nodig over factoren die, naast de trillingen, de hinder versterken. Gedacht kan worden aan de angst voor schade aan de woning en de verwachting dat de trillingen in de toekomst zullen toenemen. Het is van belang oog te hebben voor deze gevoelens en goed te communiceren over toekomstige ontwikkelingen aan het spoor, en mogelijke compensatiemogelijkheden. Hoewel er al jaren klachten zijn, is nog onvoldoende onderzocht welke effecten trillingen door treinen hebben op de gezondheid van omwonenden en bij wie die zich voordoen. Om daar meer inzicht in te krijgen heeft het RIVM een vragenlijstonderzoek uitgevoerd onder 4927 mensen die binnen 300 meter van het spoor wonen. Dit onderzoek onderbouwt verdere regelgeving, maar een nadere uitwerking van de normstelling valt buiten de scope van dit rapport. Daarvoor zijn aanvullende gegevens over maatregelen en kosten nodig. In verband met de verwachte toename van het goederentreinverkeer op een aantal locaties wordt geadviseerd de gezondheidseffecten van trillingen door deze treinen te monitoren.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Prediagnostic immunoglobulin E levels and risk of chronic lymphocytic leukemia, other lymphomas and multiple myeloma-results of the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Drug-induced endoplasmic reticulum and oxidative stress responses independently sensitize toward TNFalpha-mediated hepatotoxicity | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Roet kan worden gebruikt als een indicator voor gezondheidseffecten van luchtverontreiniging als gevolg van verkeer. Tot nu toe worden daar meestal de twee maten voor fijnstof (PM10 en PM2,5) voor gebruikt. Dit geeft echter een onvolledig beeld. Daarom zijn (voor het eerst) de roetconcentraties op alle adressen in heel Nederland in kaart gebracht. Informatie over roetconcentraties kan helpen keuzes te maken voor (verkeers)maatregelen die de luchtkwaliteit lokaal verbeteren. Verkeer stoot relatief veel roet uit. De hoeveelheid roet nabij drukke verkeerswegen is dan ook relatief hoog. Voor roet is er geen grenswaarde, zoals voor fijnstof en stikstofdioxide. Door uitbreiding van de roetmonitoring in Nederland zal naar verwachting in 2015 een nog meer gedetailleerde roetkaart opgesteld kunnen worden. Het RIVM heeft, in samenwerking met de Milieudienst Rijnmond DCMR, de roetkaart in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) gemaakt.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Adherence to dietary guidelines and cardiovascular disease risk in the EPIC-NL cohort | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Differences in the prospective association between individual plasma phospholipid saturated fatty acids and incident type 2 diabetes: the EPIC-InterAct case-cohort study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Sinds enkele jaren zijn er voedingssupplementen en producten op de markt die olie uit de microalg Schizochytrium sp. bevatten en krillolie, afkomstig van een kreeftachtig schaaldier. Deze oliën zijn rijk aan de vetzuren EPA en DHA, ook wel bekend als 'gezonde' visvetzuren. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat het gebruik van supplementen of voedingsmiddelen met deze bestanddelen geen risico's voor de gezondheid heeft. Alleen bij een extreem hoge inname zou de strengste grens die voor deze ingrediënten bestaat bij 10 procent van de oudere kinderen en volwassenen kunnen worden overschreden. Dit scenario is echter niet realistisch. Het onderzoek betrof producten die op de Nederlandse markt beschikbaar zijn: per mei 2014 waren er 25 voedingssupplementen die hoofdzakelijk krillolie bevatten en 8 met microalgolie. Er zijn geen voedingsmiddelen met krillolie gevonden, wel drie met de DHA-rijke olie uit de genoemde microalg. Dit zijn voornamelijk maaltijdvervangers en -repen. De grens die de EFSA (European Food Safety Authority) hanteert (5 gram per dag) voor volwassenen is in de uitgewerkte scenario's niet bereikt. Het Duitse Federal Risk Assessment Agency werkt met een strengere aanvaardbare bovengrens van 1,5 gram per dag. Die werd alleen overschreden bij het worst case-scenario waarbij een consument de Nederlandse richtlijn voor visconsumptie volgt (450 milligram per dag), dagelijks een supplement met EPA en DHA inneemt (645 milligram), en alle beschikbare producten gebruikt die met EPA en DHA zijn verrijkt. Mogelijke schadelijke gevolgen van de veel EPA en DHA zijn bloedingen, verminderde immuunfunctie, en verminderde vet- en glucosestofwisseling. Voor dit onderzoek is de methode gebruikt die het RIVM heeft ontwikkeld om in kaart te brengen welke producten een bepaald ingrediënt bevatten en in welke hoeveelheden dat ingrediënt erin zit (post-launch monitoring). Deze procedure wordt gebruikt voor zogenoemde nieuwe voedingsmiddeleningrediënten. Dat zijn producten die na mei 1997 op de Europese markt zijn verschenen en waarvoor is beoordeeld of ze veilig zijn voordat ze op de markt mogen worden toegelaten. Met de post-launch monitoring wordt getoetst of de dagelijkse toelaatbare hoeveelheid van het toegestane ingrediënt daadwerkelijk niet wordt overschreden.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Consumenten komen dagelijks in contact met textiel, bijvoorbeeld via kleding en beddengoed. De bezorgdheid bestaat dat textiel stoffen bevat met eigenschappen die een risico zouden kunnen vormen voor de gezondheid, zoals huidallergie. Een aantal kleurstoffen mag inmiddels niet meer in textiel worden gebruikt. Het RIVM heeft in dit verband een methode ontwikkeld waarmee een rangorde kan worden gegeven aan stoffen die in de Europese wetgeving REACH staan geregistreerd voor gebruik in textiel. Op basis van deze prioritering kan worden bepaald van welke stoffen het belangrijk is een risicobeoordeling uit te voeren. Keuzes voor deze prioritering zijn ontleend aan de registratiegegevens over het gebruik van de stof: zit de stof in het eindproduct van textiel of wordt deze tijdens het productieproces van het textiel gebruikt? Daarnaast is gekeken naar classificatie van de gevaarseigenschappen zoals huidallergie of kanker. Ten slotte is de hoogte van de blootstelling waarboven effecten op de gezondheid niet kunnen worden uitgesloten (drempelwaarde) van belang. Met de methode zijn 788 individuele stoffen geïdentificeerd, waarvan 32 stoffen de hoogste prioriteit kregen. De meeste stoffen met zo'n hoge prioriteit waren kleurstoffen en vlamvertragers. Van tien van deze hoog-prioritaire stoffen is nader onderzocht of de registratiegegevens in REACH informatie over de blootstelling bevatten. Deze informatie bleek weinig specifiek te zijn, waardoor een goede risicoschatting niet mogelijk is. Hoewel de methode geschikt is gebleken voor de prioritering, geeft het RIVM enkele aanbevelingen om de methode verdere uit te werken en te valideren. Zo is een realistisch model voor blootstellingschattingen nodig om een risicobeoordeling van gevaarlijke stoffen te kunnen uitvoeren. De belangrijkste beperking om deze blootstelling en een risicoschatting te kunnen maken is het gebrek aan stofspecifieke gegevens over de mate waarin stoffen aanwezig zijn in textiel en eruit vrijkomen tijdens het gebruik. Ten slotte is de hoogte van de blootstelling waarboven effecten op de gezondheid niet kunnen worden uitgesloten (drempelwaarde) van belang.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Cosmetica zijn in principe veilig, maar kunnen soms huidklachten veroorzaken, zoals roodheid en jeuk. Het RIVM beheert een systeem waarin deze klachten en andere overgevoeligheidsreacties na gebruik van cosmetica kunnen worden geregistreerd (CESES, Consumer Exposure Skin Effects and Surveillance). In 2014 bestond dit systeem vijf jaar. Dit rapport geeft een overzicht van de informatie die met behulp van CESES is vergaard. In deze periode zijn 2283 klachten door consumenten gemeld en 450 gevallen van allergische reacties op cosmetica door dermatologen. Er worden vooral klachten op het gezicht en op de handen gemeld na gebruik van huidverzorgingsproducten voor het gezicht, haarproducten en make-up. Symptomen bij deze klachten zijn voornamelijk roodheid, jeuk en een schilferige, schrale huid. In sommige gevallen treden ernstigere klachten op, zoals haaruitval en ademhalingsmoeilijkheden. Dit gebeurt vooral bij een allergische reactie op haarproducten. Ingrediënten in cosmetica die het vaakst allergische reacties veroorzaken zijn isothiazolinonen, een groep conserveringsmiddelen, en geurstoffen. De Europese Commissie bereidt daarom een verbod voor op het gebruik van methylisothiazolinon in cosmetica die op de huid blijft zitten (leave on), zoals crème en bodylotion. Voor producten die worden afgespoeld (rinse off), zoals douchegel, gaan waarschijnlijk lagere maximale concentraties gelden. Ook het UV-filter octocryleen, dat bijvoorbeeld in zonnebrandcrème zit, heeft momenteel de aandacht. De Europese Commissie heeft de lidstaten gevraagd om meer informatie te verzamelen over allergische reacties op octocryleen, zodat een eventuele toename ervan zichtbaar kan worden gemaakt. CESES wordt gebruikt om na te gaan of Europese wetgeving en handhaving de consument voldoende beschermt. Ook kunnen er risico's voor werknemers mee worden geïdentificeerd. Consumenten kunnen zelf hun klacht melden via de website www.cosmeticaklachten.nl . Daarnaast registreren deelnemende dermatologen huidklachten van patiënten waarbij cosmetica de mogelijke oorzaak zijn. Bij deze patiënten wordt vervolgens een allergieonderzoek uitgevoerd om vast te stellen welk productingrediënt de klacht veroorzaakt.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Regulatory watch: Outcomes of EMA marketing authorization applications: does partnering have an influence? | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Plasma elaidic acid level as biomarker of industrial trans fatty acids and risk of weight change: report from the EPIC Study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Investigation of dietary factors and endometrial cancer risk using a nutrient-wide association study approach in the EPIC and Nurses' Health Study (NHS) and NHSII | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Chlamydia test results were associated with sexual risk behavior change among participants of the Chlamydia screening implementation in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Voor de beoordeling van risico's van chemische stoffen voor mens en milieu worden veelal dierproeven gebruikt. Alternatieven daarvoor mogen alleen worden ingezet als de wettelijke beoordelingskaders daar expliciet de mogelijkheid voor bieden. Het RIVM heeft bij tien van deze Europese beoordelingskaders onderzocht of dat het geval is. Bij negen van de tien kaders wordt naar alternatieve mogelijkheden voor dierproeven verwezen en doen zich dus geen wettelijke belemmeringen voor. Bij het tiende kader, voor de toelating van diergeneesmiddelen, is het onduidelijk: de wet vermeldt de mogelijkheid niet, maar in de onderliggende richtlijn (guideline), die volgens de wet moet worden nageleefd, worden wel alternatieven aangereikt. Dit maakt de juridische status van de mogelijkheid om ze in te zetten onduidelijk. Uit het onderzoek blijkt ook dat het vooral technisch wetenschappelijke barrières zijn die de inzet van alternatieven voor dierproeven belemmeren, en niet zozeer wettelijke. Er bestaan bijvoorbeeld geen alternatieven voor bepaalde dierproeven, of ze zijn nog onvoldoende geschikt of gevalideerd. Aanbevolen wordt eraan te werken om deze praktische belemmeringen weg te nemen. De studie signaleert daarnaast nog twee aandachtspunten: als eerste gaat het om het gebruik van resultaten van alternatieve methoden voor dierproeven bij de risicobeoordeling bij calamiteiten en bij de vaststelling van industriële locaties waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn. Specifieke dierproefresultaten nemen hier vaak een prominente plaats in. De resultaten van alternatieve methoden passen niet zonder meer in methodieken die in een aantal landen voor deze risicobeoordelingen worden gebruikt. Daarnaast verdient de gevaarsclassificatie, etikettering en verpakking (CLP) van schadelijke stoffen aandacht. Het kader REACH, dat leidend is en waarvoor data voor de CLP worden gegeneerd, schrijft voor dat alternatieven mogelijk zijn mits deze geschikt zijn voor de CLP. Voor de CLP zijn echter voor sommige classificaties geen alternatieve methoden beschikbaar en de classificatie criteria beperken de mogelijkheid om alternatieve methoden te ontwikkelen. De studie is in opdracht van het ministerie van Economische Zaken uitgevoerd, naar aanleiding van een motie in de Tweede Kamer bij de recente aanpassing in de Wet op dierproeven. Mogelijke wettelijke belemmeringen voor geneesmiddelen worden momenteel in een aparte RIVM-studie onderzocht.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Effectmodificatie en interactie | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Erythrocyte membrane fatty acid fluidity and risk of type 2 diabetes in the EPIC-Potsdam study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Candidatus Neoehrlichia mikurensis and anaplasma phagocytophilum in natural rodent and tick communities in Southern Hungary | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Differential proinflammatory responses induced by diesel exhaust particles with contrasting PAH and metal content | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Risk assessment of listeria monocytogenes in poultry and beef | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Quantifying reporting timeliness to improve outbreak control | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Het RIVM heeft van een breed scala aan stofgroepen geïnventariseerd welke daarvan de grootste risico's vormen voor milieu, consumenten en werknemers. De risico-inventarisatie is bedoeld om de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) te helpen om prioriteiten te stellen bij het toezicht op het gebied van gevaarlijke stoffen. In de inventarisatie staat beschreven op welke manier de stoffen voor de 55 stofgroepen zijn geselecteerd, welke criteria zijn gebruikt om de risico's te beoordelen, en welke beslisregels zijn gebruikt om te komen tot een rangorde van de stofgroepen. Eerst zijn voor de risico-inventarisatie per stofgroep 4 tot 8 stoffen geselecteerd die de stofgroep representeren. Vervolgens zijn de stoffen beoordeeld op hun gevaarseigenschappen, zoals de mate waarin ze brandgevaarlijk, explosief of giftig zijn, en de kans dat mensen of het milieu eraan blootstaan. Ten slotte zijn de stofgroepen, afhankelijk van het beschermingsdoel (milieu, werknemer of consument), door middel van beslisregels ingedeeld in verschillende risicoklassen. Als andere risicocriteria of beslisregels worden gebruikt, kan dat tot andere uitkomsten leiden. De risico-inventarisatie is gemaakt in samenwerking met TNO-Triskelion, in opdracht van de ILT. Als vervolgstap op deze inventarisatie is voor een aantal stofgroepen die hoog scoren onderzocht welke branches de desbetreffende stofgroep produceren, importeren, distribueren en/of verwerken in chemische producten of voorwerpen. Dit rapport is in het Engels verschenen met nummer 2014-0159
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft van een breed scala aan stofgroepen geïnventariseerd welke daarvan de grootste risico's vormen voor milieu, consumenten en werknemers. De risico-inventarisatie is bedoeld om de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) te helpen om prioriteiten te stellen bij het toezicht op het gebied van gevaarlijke stoffen. In de inventarisatie staat beschreven op welke manier de stoffen voor de 55 stofgroepen zijn geselecteerd, welke criteria zijn gebruikt om de risico's te beoordelen, en welke beslisregels zijn gebruikt om te komen tot een rangorde van de stofgroepen. Eerst zijn voor de risico-inventarisatie per stofgroep 4 tot 8 stoffen geselecteerd die de stofgroep representeren. Vervolgens zijn de stoffen beoordeeld op hun gevaarseigenschappen, zoals de mate waarin ze brandgevaarlijk, explosief of giftig zijn, en de kans dat mensen of het milieu eraan blootstaan. Ten slotte zijn de stofgroepen, afhankelijk van het beschermingsdoel (milieu, werknemer of consument), door middel van beslisregels ingedeeld in verschillende risicoklassen. Als andere risicocriteria of beslisregels worden gebruikt, kan dat tot andere uitkomsten leiden. De risico-inventarisatie is gemaakt in samenwerking met TNO-Triskelion, in opdracht van de ILT. Als vervolgstap op deze inventarisatie is voor een aantal stofgroepen die hoog scoren onderzocht welke branches de desbetreffende stofgroep produceren, importeren, distribueren en/of verwerken in chemische producten of voorwerpen. Dit rapport is in het Nederlands verschenen met nummer 2014-0124
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Non-specific physical symptoms in relation to actual and perceived exposure to electromagnetic fields (EMF): A multidisciplinary approach | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
First evidence of Seoul hantavirus in the wild rat population in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Multistate foodborne hepatitis A outbreak among European tourists returning from Egypt- need for reinforced vaccination recommendations, November 2012 to April 2013 | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Seropositivity for ascariosis and toxocariosis and cytokine expression among the indigenous people in the venezuelan delta region | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Identification of the novel spectinomycin resistance gene spd in a different plasmid background among methicillin-resistant Staphylococcus aureus CC398 and methicillin-susceptible S. aureus ST433 | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Het RIVM heeft de verslagen gebundeld van de presentaties van de twintigste jaarlijkse workshop voor de Europese Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) voor de bacterie Salmonella (28 en 29 mei 2015). Het doel van de workshop is dat het overkoepelende orgaan, het Europese Referentie Laboratorium (EURL) Salmonella, en de NRL's informatie kunnen uitwisselen. Daarnaast worden de resultaten gepresenteerd van de ringonderzoeken van het EURL, waarmee de kwaliteit van de NRL-laboratoria wordt aangegeven. Een uitgebreidere weergave van de resultaten wordt per ringonderzoek in aparte RIVMrapporten opgenomen. Nieuwe technieken steeds belangrijker Een aantal verslagen geeft informatie over het gebruik van nieuwe technieken om overeenkomsten tussen verschillende Salmonellastammen aan te tonen. Veelal zijn dit moleculaire technieken die het DNA van de bacterie aantonen. Deze technieken worden steeds vaker gebruikt bij het opsporen van de ziekmakende bacterie in voedsel, dieren en bij de mens. Iedere bacteriestam heeft namelijk een eigen unieke moleculaire typering. Een databank voor unieke moleculaire typering resultaten De European Food Safety Authority (EFSA) geeft verslag van een databank in oprichting. In deze databank kunnen alle Europese landen moleculaire typeringsresultaten van Salmonella opslaan. Zo is het mogelijk om na te gaan of een bepaalde ziekmakende bacteriestam in meerdere landen en producten voorkomt. NRL's presenteren hun activiteiten In vier verslagen wordt informatie gegeven over de activiteiten van de NRL's voor Salmonella uit Noord-Ierland, Portugal, Spanje en Slovakije. De organisatie van de workshop is in handen van het EURL voor Salmonella, dat onderdeel is van het RIVM. De hoofdtaak van het EURL- Salmonella is toezien op de kwaliteit van de nationale referentielaboratoria voor deze bacterie in Europa.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Biological monitoring guidance values for chemical incidents | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Use of neural networks in ground-based aerosol retrievals from multi-angle spectropolarimetric observations | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Integrated testing strategies (ITS) for safety assessment | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
HMG-coenzyme A reductase inhibition, type 2 diabetes, and bodyweight: Evidence from genetic analysis and randomised trials | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Developmental immunotoxicity of chemicals in rodents and its possible regulatory impact | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Corrigendum to "Exploiting the explosion of information associated with whole genome sequencing to tackle Shiga toxin-producing Escherichia coli (STEC) in global food production systems" [Int. J. Food Microbiol. 187 (2014) 57-72] | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Comparison of toxicogenomics and traditional approaches to inform mode of action and points of departure in human health risk assessment of benzo[a]pyrene in drinking water | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Human biological monitoring for exposure assessment in response to an incident involving hazardous materials | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Het RIVM brengt jaarlijks verslag uit van het onderzoeksprogramma van het instituut, het Strategisch Onderzoek RIVM (SOR). Dit onderzoeksprogramma is bedoeld om te voorzien in de expertise en kwaliteit om nu en in de toekomst de taken voor de opdrachtgevers adequaat uit te kunnen voeren. SOR-projecten worden in een cyclus van vier jaar uitgevoerd. De jaarrapportage 2013 omvat het derde jaar van de vierjarige cyclus van SOR 2011-2014. Per project is aangegeven wat de doelstelling is, de voortgang en de maatschappelijke relevantie van de behaalde resultaten. Daarnaast liepen er nog projecten door uit de voorgaande SOR-ronde (2007-2010). De genoemde aantallen en bedragen hebben betrekking op alle lopende SOR-projecten. Er zijn 99 publicaties verschenen in peer-reviewed tijdschriften en nog 78 publicaties ingediend. Van de verschenen publicaties zijn er 81 waarvan een RIVM-medewerker eerste, tweede of laatste auteur is. Daarnaast is een groot aantal andere producten gerealiseerd: 18 (brief)rapporten, 101 lezingen op internationale congressen, 34 instrumenten (bijvoorbeeld modellen), 34 databases en 6 websites. De wetenschappelijke impact van de publicaties wordt gemeten aan de hand van een vooraf vastgestelde lijst met referentietijdschriften. Over het algemeen was deze impact in 2013 hoger dan de norm die hier van tevoren voor was bepaald. In 2013 is ongeveer 10,1 miljoen aan SOR-projecten besteed.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Medische hulpmiddelen variëren van relatief eenvoudige producten als pleisters en rolstoelen tot complexe apparatuur, zoals pacemakers en MRI-scanners. Op verzoek van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) heeft het RIVM de markttoelatingssystemen voor medische hulpmiddelen in de Verenigde Staten en Europa met elkaar vergeleken. Wanneer de eisen die beide systemen stellen naast elkaar worden gelegd, kan niet geconcludeerd worden dat het ene systeem tot veiligere medische hulpmiddelen leidt dan het andere. Het uitgangspunt van beide toelatingssystemen is dat medische hulpmiddelen worden ingedeeld in risicoklassen. Naarmate het risico groter wordt, neemt de zwaarte van de toelatingsprocedure toe. Een belangrijk verschil is dat het markttoelatingsproces in de Verenigde Staten volledig wordt uitgevoerd door de overheid (Food and Drug Administration). In Europa wordt dit uitgevoerd door bedrijven die hier specifiek voor zijn aangewezen (notified bodies), en onder toezicht van de nationale overheden staan. Ook verschilt de manier waarop de risicoklasse wordt bepaald. In Europa bestaan daarvoor vast omschreven eisen, in de Verenigde Staten is dat diffuser. Op beide systemen is kritiek ontstaan over de manier waarop de veiligheid en werkzaamheid van medische hulpmiddelen op de markt worden gegarandeerd. De kritiek richt zich vooral op producten die op de markt zijn toegelaten doordat zij gebruikmaken van gegevens over de veiligheid en werkzaamheid van andere, al toegestane producten. Fabrikanten claimen dan dat hun eigen product gelijkwaardig is aan deze bestaande producten. De veiligheid en werkzaamheid van de nieuwe producten hoeven daardoor met aanzienlijk minder eigen onderzoeksgegevens te worden aangetoond. Dit is zowel in de Verenigde Staten als in Europa mogelijk. Recente voorbeelden hiervan, die via beide systemen tot de markt zijn toegelaten, en waarmee onverwachte problemen zijn opgetreden, zijn metaal-op-metaal heupimplantaten en bekkenbodemmatjes. In reactie op dit soort problemen zijn verbeteringen in de systemen voorgesteld, die gedeeltelijk zijn ingevoerd. Als voorbeeld hiervan zijn in Europa de eisen die aan de notified bodies worden gesteld aangescherpt en wordt het toezicht geïntensiveerd.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Als stikstof vanuit de lucht op de bodem terechtkomt, werkt dat als een voedingsstof. Door te veel stikstof kunnen bepaalde plantensoorten verdwijnen of juist gaan overheersen. In internationale politieke gremia is daarom de vraag gesteld bij welke hoeveelheid stikstof (stikstofoxides en ammoniak) in de lucht natuurgebieden intact blijven. Het internationale Coordination Centre for Effects (CCE) helpt deze vraag te beantwoorden door een Europese database te beheren en te analyseren waarin de limieten ('kritische belastingsgrenzen') per type natuurgebied staan weergegeven. Landen uit het CCE-netwerk leveren hiervoor informatie. In de afgelopen jaren hebben de landen nieuwe methoden getest om de kritische belastingsgrenzen te bepalen. Deze methode is gericht op de biodiversiteit: er wordt een relatie gelegd tussen de planten die typerend zijn voor een bepaald soort vegetatie en de omstandigheden in de bodem waaronder deze planten optimaal gedijen. In acht landen is vooruitgang geboekt met de toepassing en kwantificering van deze methode. Het blijkt essentieel om informatie te hebben over de typerende plantensoorten, maar dat is nog niet van alle vegetatiesoorten gelukt. Bossen zijn nog problematisch. Momenteel zijn er twee methoden in gebruik om de kritische belastingsgrens te bepalen: bij de ene wordt de toegestane neerslag van stikstof begrensd door de stikstofconcentratie in het bodemvocht (in de laag van de bodem waar de wortels zitten), bij de ander gebeurt dat op basis van geobserveerde effecten van stikstof depositie op de natuur. De nieuwe methode - gebaseerd op de biodiversiteit - is hierop een aanvulling. Vanaf komend jaar worden aan de landen data over de belastingsgrenzen voor alle drie de methoden gevraagd. Het CCE informeert beleidsmakers over de effecten van luchtverontreiniging op verschillende ecosystemen en wat het rendement van maatregelen is. De stikstofdepositie neemt al jaren af, maar op veel plekken in Europa verliezen ecosystemen nog steeds aan diversiteit.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Het ministerie van SZW wil inzicht krijgen in welke mate werknemers in Europa blootstaan aan kankerverwekkende stoffen. Om de meest voorkomende kankerverwekkende stoffen te kunnen identificeren, heeft het RIVM geïnventariseerd welke databases en andere bronnen informatie daarover bevatten. Op basis hiervan wordt een lijst van stoffen opgesteld die Europees als eerste aangepakt zouden moeten worden om de veiligheid van werknemers te vergroten. Het gaat om kankerverwekkende stoffen of processen zonder drempelwaarde. Dit zijn stoffen die altijd een risico met zich meebrengen als mensen eraan blootgesteld worden. Europese wetgeving schrijft voor om dergelijke stoffen waar mogelijk te vervangen. Indien dit niet kan, dient de werkgever de mogelijke blootstellingen en risico's zo laag mogelijk te houden. Op dit moment, verschilt de aanpak van kankerverwekkende stoffen per lidstaat. De identificatie van twaalf databases en andere bronnen is tot stand gekomen op basis van input die experts uit elf EU-lidstaten hebben aangereikt. Op basis van de inventarisatie blijkt dat de REACH-IT/IUCLID-database, in combinatie met de nationale registers en databases, zoals de MEGA-database, SUMERsurvey en de SIREP-database, het meest geschikt zijn om de meest voorkomende kankerverwekkende stoffen te identificeren. Deze databases bevatten namelijk de benodigde informatie over de hoogte van de blootstelling en het aantal werknemers dat aan deze stoffen blootstaat. Ook wordt aanbevolen om de doorontwikkelingen van de, op dit moment gedateerde, CAREX-database te volgen. Deze database bevat de benodigde informatie over het aantal werknemers dat blootstaat aan kankerverwekkende stoffen voor een groot aantal EU-lidstaten.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Tussen 1994 en 2014 is bij families in Nederland onderzocht of er sprake is van de erfelijke vetstofwisselingsstoornis Familiaire Hypercholesterolemie (FH). Deze aandoening kan een verhoogd cholesterol veroorzaken, maar kan effectief worden behandeld als het tijdig wordt ontdekt. Op die manier kan vroegtijdig overlijden worden voorkomen. Dankzij dit onderzoek zijn in 20 jaar tijd 28.000 patiënten met FH opgespoord. Sinds januari 2014 is de betrokkenheid van de overheid bij de opsporing van FH stopgezet; van meet af was duidelijk dat dit onderzoek tijdelijk van aard was. In onderliggend rapport staat beschreven hoe het onderzoek tussen 1994 en 2014 is georganiseerd en wat de resultaten ervan zijn. Vanaf 2004 is de opsporing van FH georganiseerd binnen een landelijk bevolkingsonderzoek, dat via het ministerie van VWS subsidie ontving. Vanaf 2006 trad het RIVM hiervoor op als regisseur, was de Stichting Onderzoek Erfelijke Hypercholesterolemie (StOEH) verantwoordelijk voor de uitvoering van het programma en voerde het AMC het DNA-onderzoek uit. Van het aantal opgespoorde patiënten zijn er 15.000 getraceerd tussen 2004 en 2014, de periode waarin het onderzoek als een bevolkingsonderzoek was georganiseerd. Daarmee heeft het bevolkingsonderzoek een aanzienlijke bijdrage geleverd aan de preventie van hart- en vaatziekten. Bovendien is sinds 1994 veel kennis en ervaring verzameld op het gebied van FH en de opsporing van FH-patiënten. Als een FH-patiënt niet wordt behandeld, is de kans dat deze vroegtijdig overlijdt door hart en vaatziekten vier keer hoger dan bij iemand zonder FH. Het bevolkingsonderzoek naar FH bestond uit een cholesterolmeting en DNAdiagnostiek bij familieleden van patiënten bij wie FH was geconstateerd (zogeheten indexpatiënten). Sinds januari 2014 zet de stichting LEEFH de opsporing van patiënten met FH voort.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
The SOLUTIONS project: Challenges and responses for present and future emerging pollutants in land and water resources management | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Addressing the risk of inadequate and excessive micronutrient intakes: traditional versus new approaches to setting adequate and safe micronutrient levels in foods | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Werknemers kunnen op hun werkplek blootgesteld worden aan chemische stoffen. Om ervoor te zorgen dat deze blootstelling niet schadelijk is voor de gezondheid, worden zogeheten grenswaarden bepaald. Dit betekent een veilig blootstellingsniveau voor stoffen die mensen op de werkplek kunnen inademen, zodanig dat deze blootstelling, zelfs als deze herhaaldelijk voorkomt gedurende het gehele beroepsleven, niet schadelijke is voor de blootgestelde personen én hun nageslacht. Voor de groep kankerverwekkende stoffen die directe schade aan het DNA veroorzaakt is echter een andere methodiek nodig dan voor stoffen die een drempel kennen voor het schadelijke effect. Elke blootstelling aan deze zogeheten niet-drempelwaarde kankerverwekkende stoffen, hoe laag ook, brengt namelijk een mogelijk risico met zich mee. Voor deze groep stoffen worden grenswaarden bepaald op basis van een 'risiconiveau': het aantal extra kankergevallen als gevolg van een blootstelling aan een dergelijke stof. Het RIVM heeft geïnventariseerd welke methodieken in de Europese Unie voor dit type stoffen gebruikt worden. De inventarisatie is in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) gemaakt vanwege diens wens om de methodieken Europees te harmoniseren. Er blijken veel overeenkomsten maar ook enkele verschillen te zijn. Een van de overeenkomsten is dat de methodieken op dezelfde uitgangspunten zijn gebaseerd. Zo worden vergelijkbare criteria gebruikt voor de kwaliteit en geschiktheid van de geselecteerde data waarmee de grenswaarden worden bepaald. Ook wordt bij alle methodieken de voorkeur gegeven aan data verkregen uit mensen na blootstelling op de werkplek, boven het gebruik van data uit dierproeven. Hierbij wordt erkend dat deze 'humane data' in veel gevallen niet beschikbaar of ontoereikend zijn. De voornaamste oorzaak van verschillen in grenswaarden voor deze categorie kankerverwekkende stoffen zijn beleidsmatige keuzes over de hoogte van het risiconiveau. Andere oorzaken zijn de keuze bij dierstudies voor het blootstellingsniveau dat het schadelijk effect veroorzaakt, en factoren zoals de onzekerheidsmarge die wordt gehanteerd bij de vertaalslag van dierproefresultaten naar de mens. Ten slotte zijn overwegingen als sociaaleconomische of technisch haalbare van invloed op de uiteindelijke grenswaarden.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Tailoring the implementation of new biomarkers based on their added predictive value in subgroups of individuals | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
The shifting perception on antioxidants: The case of vitamin E and beta-carotene | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Antibiotic resistance genes in food and gut (non-pathogenic) bacteria. Bad genes in good bugs | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Associations between air pollution and socioeconomic characteristics, ethnicity and age profile of neighbourhoods in England and the Netherlands | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Joint modelling of serological and hospitalization data reveals that high levels of pre-existing immunity and school holidays shaped the influenza A pandemic of 2009 in The Netherlands | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Cytomegalovirus infection in the Netherlands: Seroprevalence, risk factors, and implications | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Dietary intake of acrylamide and epithelial ovarian cancer risk in the european prospective investigation into cancer and nutrition (EPIC) cohort | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Effect of exercise on insulin sensitivity in healthy postmenopausal women: the SHAPE Study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
The validation of cardiovascular risk scores for patients with type diabetes mellitus | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Het RIVM heeft een overzicht gemaakt van de sulfaatconcentraties in het gronden oppervlaktewater en welke ontwikkelingen daarin door de tijd hebben plaatsgevonden. Dit is gebeurd op verzoek van de Commissie Deskundigen Meststoffenwet, die een advies voorbereidt over het gebruik van zwavelhoudende meststoffen. Het gebruik van zwavelhoudende meststoffen is een actueel vraagstuk omdat zwavel een belangrijke voedingsstof voor planten is en de afgelopen jaren de depositie van zwavel gedaald is dankzij milieumaatregelen bij industrie en energiebedrijven. Zwavel komt in grond- en oppervlaktewater meestal voor als sulfaat. In de Kleien de Veenregio, in het westen en noorden van het land, is de sulfaatconcentratie van nature op veel locaties hoger dan de geldende milieukwaliteitsnormen. De concentraties liggen in deze delen op ongeveer 40 procent van de meetlocaties hoger dan de normen; dat zijn een streefwaarde van 150 milligram per liter voor grondwater en een MTR-waarde van 100 milligram per liter voor oppervlaktewater. Door de van nature hogere sulfaatconcentraties hebben andere factoren relatief minder invloed op de concentraties. In de Zand- en de Lössregio (het oosten en zuiden van het land) zijn de concentraties duidelijk lager dan de normen (rond de 50 milligram per liter voor landbouw-beïnvloed water en rond de 30 milligram per liter in natuurgebieden). In de Zandregio is de sulfaatconcentratie in het ondiepe grondwater in de afgelopen 20 tot 25 jaar met ongeveer 1 milligram per liter per jaar gedaald.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Tablets, smartphones, led-tv, led-lampen en dergelijke geven relatief meer blauw licht af dan traditionelere lichtbronnen, zoals gloeilampen en traditionele computer- en televisieschermen. Er zijn aanwijzingen dat de biologische klok van mensen wordt beïnvloedt wanneer zij dergelijke apparaten 's avonds of 's nachts gebruiken. Dit effect lijkt zich voor te doen vanaf een blootstelling van enkele uren. Het is nog niet bekend in welke mate dat schadelijk is. Daarom wordt aanbevolen om te onderzoeken hoe lang en op welke momenten van de dag mensen zulke apparaten gebruiken. Ook dient te worden onderzocht welke effecten optreden, bij welke blootstelling, en in hoeverre ze schadelijk zijn voor de gezondheid, zowel op de korte als de lange termijn. Meer inzicht is nodig omdat het aantal producten dat relatief veel blauw licht uitzendt toeneemt en ze steeds meer worden gebruikt. Het effect van blauw licht op de biologische klok ontstaat doordat het dag-ennachtritme vooral gevoelig is voor licht in het blauwe deel van het spectrum. De biologische klok heeft een ritme van ongeveer één dag, het zogeheten circadiane ritme. Licht is hiervoor de belangrijkste 'tijdgever' en zorgt ervoor dat de biologische klok een ritme van ongeveer 24 uur houdt. Het circadiane systeem stuurt verschillende processen aan, waaronder de slaapwaak- cyclus, de afgifte van hormonen en de energiehuishouding. Het is al bekend dat een langdurige verstoring van het circadiane ritme (jet lag, nachtwerk) negatieve gezondheidseffecten kan veroorzaken, zoals overgewicht, hart- en vaatziekten en borstkanker. Of deze effecten een verband hebben met een blootstelling aan blauw licht is nog niet bewezen. Dit staat in een verkennende studie van het RIVM, in opdracht van de NVWA Hierin is op een rij gezet wat in de wetenschappelijke literatuur bekend is over blauw licht, de effecten daarvan op de gezondheid en welke kennishiaten er zijn.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
De luchtkwaliteits-meetnetten van het RIVM, de GGD Amsterdam en de DCMR Milieudienst Rijnmond worden gezamenlijk gebruikt om de luchtkwaliteit in Nederland te monitoren. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat de gegevens over stikstofdioxide en fijn stof zodanig vergelijkbaar zijn dat ze onderling tussen de meetnetten kunnen worden uitgewisseld. Hetzelfde geldt voor ozon, waarvoor het RIVM en de GGD Amsterdam sinds 2013 metingen verrichten. Om te toetsen of de resultaten van deze drie meetnetten vergelijkbaar zijn, worden de gegevens over stikstofdioxide en fijn stof (PM10) jaarlijks op een meetlocatie per stad met elkaar vergeleken. Sinds 2013 worden ook de gegevens voor ozon van RIVM en GGD Amsterdam vergeleken. De gegevens van het RIVM en de DCMR waren in 2013 goed vergelijkbaar en komen overeen met die van 2012. De verschillen tussen de gemiddelde meetwaarden zijn statistisch gezien klein. Hetzelfde geldt voor de resultaten voor stikstofdioxide en ozon van het RIVM en de GGD Amsterdam. Voor PM10 lijkt de GGD Amsterdam hogere waarden te meten bij hogere concentraties. Vanwege het nog geringe aantal beschikbare meetwaarden is een eenduidige conclusie echter niet mogelijk. Alle drie instanties zijn geaccrediteerd (ISO 17025) om de desbetreffende metingen te voeren. Daarom mag ervan worden uitgegaan dat het kwaliteitsniveau en de vergelijkbaarheid van de data representatief zijn voor de andere meetlocaties van de netwerken.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Persistent high IgG phase I antibody levels against Coxiella burnetii among veterinarians compared to patients previously diagnosed with acute Q fever after three years of follow-Up | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Genital Chlamydia prevalence in Europe and non-European high income countries: systematic review and meta-analysis | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Quantitative farm-to-fork risk assessment model for norovirus and hepatitis A virus in European leafy green vegetable and berry fruit supply chains | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Comparing ischaemic stroke in six European countries. The EuroHOPE register study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Distinct gene expression responses of two anticonvulsant drugs in a novel human embryonic stem cell based neural differentiation assay protocol | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Improved detection of artifactual viral minority variants in high-throughput sequencing data | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Identification of essential outstanding questions for an adequate European laboratory response to Ebolavirus Zaire West Africa 2014 | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Benefits of hepatitis C virus treatment: A balance of preventing onward transmission and re-infection | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Differential gene expression of Moraxella catarrhalis upon exposure to human serum | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Accumulation of polychlorinated dibenzo-p-dioxins, dibenzofurans, and biphenyls in livers of young sheep | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Insulin-like growth factor I and risk of epithelial invasive ovarian cancer by tumour characteristics: Results from the EPIC cohort | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
In Nederland wordt een vastgestelde methode gebruikt om het risico op een ongeval door het transport van gevaarlijke stoffen over het spoor te bepalen. Hiermee kan de omvang van een gebied worden bepaald waarbinnen mensen kunnen overlijden als ontvlambare en giftige stoffen door een treinongeval vrijkomen. De 'faalfrequenties', die in de huidige rekenmethodiek zijn gebaseerd op ongevallen van vóór 1995, zijn door het RIVM geactualiseerd. De actualisatie leidt tot aandachtspunten die in een nieuw te ontwikkelen rekenmethodiek moeten worden meegenomen. In het onderzoek is specifiek in kaart gebracht wat de kans is op een ongeval waarbij gevaarlijke gassen en vloeistoffen uit goederenwagens vrijkomen. Omdat er in Nederland in de beschouwde periode geen ongevallen hebben plaatsgevonden waarbij deze stoffen zijn vrijgekomen, zijn voor de herziene kansen op botsingen en ontsporingen de Nederlandse ongevalsgegevens aangevuld met Europese ongevallen. Indertijd is, wegens afwezigheid van Nederlandse ongevallen met gassen, aangenomen dat de kans dat gassen uitstromen na een botsing of ontsporing kleiner is dan bij vloeistoffen. Uit het RIVM-onderzoek blijkt echter dat de uitstroomkansen voor gassen en vloeistoffen weinig van elkaar te verschillen. Ook blijkt dat de beschikbare vervoersgegevens onvoldoende gedetailleerd zijn om rekening te houden met verschillende risicofactoren, zoals de snelheid waarmee gereden wordt of het aantal keren dat een trein een wissel passeert.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
What causes environmental inequalities and related health effects? an analysis of evolving concepts | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Het RIVM doet een voorstel voor nieuwe wetenschappelijk onderbouwde normen voor PCB-verontreinigingen (polychloorbifenylen) in de bodem. Dit is nodig om te beoordelen voor welke doeleinden afgegraven grond kan worden hergebruikt. De kwaliteit van de grond bepaalt óf dat kan en voor welke bestemming het mag worden hergebruikt: bij voldoende kwaliteit voor 'wonen', anders voor 'industrie'. Voor de beoordeling van hergebruik van grond wordt aan de hand van een standaardlijst gemeten welke vervuilende stoffen in de bodem zitten. In 2008 zijn PCB's aan deze stoffenlijst toegevoegd. De kwaliteit van de grond wordt beoordeeld op basis van de grenswaarden voor deze stoffen (de zogenoemde Maximale Waarden). Tot op heden bestonden er geen wetenschappelijk onderbouwde maximale waarden voor PCB's. De voorgestelde wetenschappelijk onderbouwde normen voor PCBverontreinigingen zijn gebaseerd op de blootstelling van marterachtigen aan PCB's. Het blijkt namelijk dat marterachtigen als meest gevoelige soort kunnen worden aangeduid. Tot nu toe waren de risicogrenswaarden van PCB's in de bodem alleen gebaseerd op de directe giftigheid van deze stoffen voor mens of ecosystemen. Het is echter gebleken dat ophoping van PCB's in de voedselketen een groter risico vormt dan directe giftigheid. Als ophoping in de voedselketen niet wordt meegenomen, wordt het risico onderschat.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Chemische stoffen en farmaceutische producten moeten wettelijk een strenge selectie doorstaan voordat zij op de markt mogen worden toegelaten. Bij de risicobeoordeling van stoffen voor schadelijke effecten op de vruchtbaarheid van de mens en de ontwikkeling van het ongeboren kind worden veel proefdieren gebruikt. Het RIVM heeft op twee manieren uitgezocht hoe de regelgeving zou kunnen worden aangepast, zodat er minder dierproeven nodig zijn, maar wel een nauwkeurige risicobeoordeling behouden blijft. De eerste manier betreft een nieuwe testrichtlijn (de Extended One Generation Reproductive Toxicity Study, EOGRTS) die de zogeheten twee-generatiestudie vervangt. Voorheen was het verplicht om bij twee generaties van dieren te toetsten of een stof een schadelijk effect heeft. In de voorgestelde testrichtlijn wordt bij één generatie uitgebreider en nauwkeuriger gemeten, zodat de tweede niet meer nodig is. Door met de EOGRTS te werken, neemt het proefdiergebruik met 40 procent af, én worden betrouwbaardere resultaten verkregen. Deze test is inmiddels wettelijk geïmplementeerd. Bij de tweede manier is in kaart gebracht of eventuele schadelijke effecten voor het embryo van nieuw te ontwikkelen geneesmiddelen in één in plaats van twee diersoorten (rat en konijn) kunnen worden getest. Hierdoor zou het benodigde aantal dierproeven voor dit onderdeel van de risicobeoordeling tot 50 procent kunnen verminderen. Voorlopige analyses wijzen erop dat de testresultaten in beide diersoorten niet veel verschillen. Het is echter nog te vroeg om uit te spreken welke van de twee diersoorten het beste kan worden ingezet. Ook kan niet uitgesloten worden dat het soms noodzakelijk blijft om in beide diersoorten te testen. Het RIVM gaat deze analyse in 2015 verder uitwerken. In de jaren zeventig van de vorige eeuw is het 3V-principe (Verminderen, Verfijnen of Vervangen) in de Wet op de dierproeven geïmplementeerd. Met dit onderzoek draagt het RIVM eraan bij dat dit 3V- principe in de internationale wetgeving wordt geaccepteerd en doorgevoerd.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Twelve-month incidence and clearance of oral HPV infection in HIV-negative and HIV-infected men who have sex with men: the H2M cohort study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Genome-wide association study identifies multiple susceptibility loci for pancreatic cancer | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
De meeste ouderen en mensen van niet-westerse afkomst in Nederland krijgen te weinig vitamine D binnen. Door een bepaalde hoeveelheid vitamine D toe te voegen aan een aantal voedingsmiddelen, zoals melk, yoghurt, vruchtendrank en margarine, is het mogelijk om deze inname te verhogen, zonder dat de maximale hoeveelheid in het merendeel van de algemene Nederlandse bevolking (2-70 jaar) wordt overschreden. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Om voldoende vitamine D binnen te krijgen wordt ouderen en mensen met een donkere huidskleur geadviseerd om dagelijks supplementen met vitamine D te slikken, met respectievelijk 20 en 10 microgram. Een alternatief voor supplementen is het eten van voedingsmiddelen waaraan vitamine D is toegevoegd (verrijking). Het RIVM heeft scenario's doorgerekend waarbij verschillende hoeveelheden vitamine D zijn toegevoegd aan een aantal geselecteerde voedingsmiddelen. Deze scenario's geven inzicht in mogelijkheden om met verrijking van bepaalde voedingsmiddelengroepen de vitamine D inname te verhogen. In het onderzoek is gekeken naar een aantal risicogroepen voor een te lage vitamine D inname waarvan gegevens over de voedselconsumptie beschikbaar waren; namelijk zelfstandig wonende ouderen en mensen van Surinaamse afkomst. Op dit moment haalt vrijwel geen enkele oudere de geadviseerde vitamine D inname. Uit de scenario's blijkt dat ruim 80 procent van de ouderen de norm voor vitamine D zou kunnen halen als aan zowel melk als yoghurt 5 microgram vitamine D per 100 gram product wordt toegevoegd, en daarnaast aan margarine en halvarine 25 microgram per 100 gram product. Personen van Surinaamse afkomst kunnen hun vitamine D-inname aanzienlijk verhogen als zowel melk als vruchtendrank met 5 microgram vitamine D per 100 gram product wordt verrijkt. Voor mensen met een donkere huid geldt een ander type voedingsnorm, waardoor het niet mogelijk is te voorspellen bij welk percentage zij voldoende binnenkrijgen. In deze studie is een beperkt aantal scenario's doorgerekend. Voor zowel zelfstandig wonende ouderen als personen van Surinaamse afkomst, zou de strategie voor vitamine D verrijking verder geoptimaliseerd kunnen worden, waarbij de bovengrens bij de andere groepen in de Nederlandse bevolking nog steeds niet overschreden wordt. Bijvoorbeeld door het verrijken van meer voedingsmiddelengroepen of met een ander vitamine D gehalte.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Tussen 1998 en 2011 is op acht schietterreinen onderzocht of de bodem is vervuild door stoffen uit kogels die het doel missen en die in zogeheten kogelvangers terechtkomen. Centraal staat de vraag of de vervuiling die hierdoor ontstaat, vooral door lood, een risico vormt voor het ecosysteem. Als daar sprake van is, moet vervolgens worden bepaald of de bodem met spoed moet worden gesaneerd. Het RIVM heeft deze risicobeoordelingen geanalyseerd en reikt enkele verbeterpunten aan om toekomstige onderzoeken op vergelijkbare terreinen efficiënter uit te voeren. Bij een verontreiniging wordt stapsgewijs bepaald of wel of niet met spoed moet worden gesaneerd. Hiervoor worden onder andere modelberekeningen gemaakt van de effecten van een vervuiling op het ecosysteem op basis van de concentraties van stoffen in de grond. Een volgende, optionele, stap is het zogeheten Triade-onderzoek, waarbij de vervuiling gelijktijdig via drie 'sporen' wordt beoordeeld: chemisch, ecotoxicologisch en ecologisch. Uit een evaluatie blijkt dat met deze stap een genuanceerder beeld van de verontreiniging wordt verkregen dan met een standaard risicobeoordeling. De Triade-onderzoeken op de schietbanen laten in bijna alle gevallen zien dat de risico's kleiner zijn. De aanbevelingen betreffen de opzet van de risicobeoordelingen, een optimale bemonsteringsstrategie, de keuze van indicatoren, en de integratie van de gegevens. Zo wordt aanbevolen om een toets met bacteriën (Microtox-toets) in te zetten, en tevens een andere bioassay. Bioassays zijn laboratoriumtesten waarin organismen worden blootgesteld aan monsters van de schietbanen om de effecten van verontreiniging te meten. Een andere aanbeveling is om de bemonsteringsstrategie af te stemmen op veelvuldig voorkomende factoren die de relatie tussen de vervuiling en de effecten op het ecosysteem verstoren.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Vitamine D is belangrijk voor sterke botten en tanden. Het lichaam maakt zelf vitamine D aan als de huid aan zon wordt blootgesteld. Daarnaast is voeding een bron. Sommige voedingsmiddelen bevatten van nature vitamine D, maar deze vitamine wordt ook aan producten toegevoegd, zoals aan smeerbare vetten. Mensen die het risico lopen te weinig vitamine D binnen te krijgen, wordt aanbevolen om vitamine D-supplementen te slikken. Het gaat om jonge kinderen, vrouwen van 50 jaar en ouder, mannen van 70 jaar en ouder, mensen met een donkere huidskleur, zwangere vrouwen en mensen die onvoldoende buiten komen. Een andere manier om de inname te verhogen is om meer vitamine D toe te voegen aan voedingsmiddelen. Het maximumgehalte vitamine D dat in supplementen mag zitten, moet daar dan op worden aangepast. Het RIVM heeft berekend wat het effect is op de maximale dagdosering vitamine D in supplementen als het vitamine D-gehalte in smeerbare vetten, zoals margarine en halvarine, wordt verhoogd tot het huidige maximale wettelijke niveau. De vitamine D inname van de Nederlandse bevolking zal in dit scenario substantieel toenemen. De veilige maximale dagdosering vitamine D uit supplementen zal hierdoor iets afnemen. Dit is een aanvullende berekening naast eerder onderzoek uit 2013. De onderzoeken zijn uitgevoerd in opdracht van het ministerie van VWS. Op basis hiervan overweegt dit ministerie om de maximale gehaltes vitamine D in supplementen en/of verrijkte voedingsmiddelen te herzien. Sinds enkele jaren bestaat er een maximum voor de hoeveelheid vitamine D in supplementen, en voor de hoeveelheid die aan voedingsmiddelen mag worden toegevoegd. Deze maxima zijn bepaald om een te hoge inname te voorkomen. Een te hoge inname van vitamine D kan namelijk een te hoog calciumniveau in het bloed of de urine veroorzaken, wat bijvoorbeeld kan leiden tot nierstenen. De maximale gehalten zijn bepaald op basis van de 'aanvaardbare bovengrens'. In 2012 is de aanvaardbare bovengrens voor vitamine D door de European Food Safety Authority (EFSA) verhoogd voor personen vanaf 1 jaar.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
De Schijf van Vijf is een hulpmiddel om gezond te eten. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat bijna driekwart van de voeding van Nederlanders bestaat uit 'basisvoedingsmiddelen' zoals die in de Schijf van Vijf zijn beschreven. Dit zijn bijvoorbeeld groente en fruit, aardappelen, brood, rijst en pasta, zuivel, vlees en vis, vetten en oliën, en water. Een kwart van de voeding bestaat uit producten die hier niet in zijn beschreven, zoals snacks en (niet-)alcoholische dranken. Dit is meer dan wordt aanbevolen. Verder kiezen Nederlanders binnen productgroepen veelal de minder gezonde producten, zoals witte rijst in plaats van zilvervliesrijst of harde margarine in plaats van olie. Dat is nog meer bij kinderen en bij personen met een laag sociaaleconomische status het geval. De Schijf van Vijf is gebaseerd op de Richtlijnen voedselkeuze van het Voedingscentrum. Een eetpatroon dat meer overeenkomt met deze richtlijnen, kan ervoor zorgen dat mensen onder andere meer onverzadigde vetzuren en voedingsvezels binnenkrijgen en minder suiker en zout. Een gezond voedingspatroon draagt bij aan het voorkomen van chronische ziekten en overgewicht. Binnen de productgroepen, zowel uit de Schijf van Vijf als daarbuiten, wordt een onderscheid gemaakt tussen de gezondere producten en de minder gezonde. De mate waarin mensen voor gezondere producten kiezen, verschilt per productgroep. Van de groep aardappelen, pasta en rijst is dat bijvoorbeeld 49 procent, van hartige snacks is dat slechts 3 procent. Kinderen consumeren meer zoete en hartige snacks, niet-alcoholische dranken (zoals vruchten- en frisdrank) en broodbeleg (zoals jam, hagelslag en pindakaas). Mensen met een hoge sociaaleconomische status kiezen vaker voor de gezondere producten. Zij eten meer groente, fruit en vis en drinken meer water, koffie en thee. Ook drinken zij meer alcoholische dranken. Dit onderzoek is uitgevoerd met gegevens uit de Nederlandse Voedselconsumptiepeiling van 2007-2010 en het Nederlands Voedingsstoffenbestand (NEVO 2011). De gegevens zijn onderdeel van het nationale voedingspeilingsysteem en dragen bij aan de ontwikkeling van beleid voor gezonde voeding en veilig voedsel, productinnovatie, voorlichting en voedingsonderzoek.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Het stralingsniveau aan de terreingrens van kerncentrale Borssele lag in 2012 onder het toegestane maximum. Dit blijkt uit controlemetingen van het RIVM. Volgens de kernenergiewetvergunning moet de kerncentrale ervoor zorgen dat personen buiten de terreingrens een effectieve stralingsdosis ontvangen van ten hoogste 40 microsievert per jaar. Om dit te controleren wordt op acht punten op de terreingrens het stralingsniveau gemeten. Dit gebeurt met het door het RIVM beheerde MONET-meetnet. Van de meting wordt vervolgens de natuurlijke achtergrondwaarde afgetrokken. Om het resultaat te vergelijken met het toegestane niveau, wordt de zogeheten Actuele Blootstellings Correctiefactor (ABC-factor) toegepast. ABC-factoren hangen samen met de bestemming van het gebied waar de effectieve stralingsdosis kan worden opgelopen. Rond Borssele geldt voor de kerncentrale een ABC-factor van 0,2. In opdracht van de Kernfysische Dienst van de Inspectie Leefomgeving en Transport, Ministerie van Infrastructuur en Milieu rapporteert het RIVM jaarlijks of de kerncentrale aan deze vergunningseis voldoet. In dit rapport zijn voor 2012 de daggemiddelden van de metingen van de acht MONET-monitoren rond de kerncentrale weergegeven. Ook wordt uitgelegd hoe voor elk meetpunt de natuurlijke achtergrondwaarde is bepaald. In 2012 was de hoogste waarde, na aftrek van de natuurlijke achtergrond, 6,1 microsievert per jaar. Na toepassing van de ABC-factor, voor toetsing aan de vergunningslimiet, is de berekende maximale effectieve dosis 1,2 microsievert per jaar.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Om de hoeveelheid beschikbare grondstoffen minder aan te spreken wordt gestimuleerd om materialen zoveel mogelijk opnieuw te gebruiken in nieuwe producten. Dit draagt bij aan een circulaire economie. Recycling is echter lastig bij materialen die gevaarlijke stoffen bevatten, bijvoorbeeld omdat deze stoffen kankerverwekkend, slecht afbreekbaar of giftig zijn. De neiging bestaat om materialen die dergelijke stoffen bevatten te vernietigen door verbranding. Plastics zijn daar een voorbeeld van. Het RIVM stelt voor om bij de afweging tussen verbranden of recyclen een breder milieuperspectief voor ogen te houden. Bijvoorbeeld door er rekening mee te houden dat minder energie nodig is om plastics uit een gerecycled product te maken dan nieuw plastic te vervaardigen. Tegelijkertijd moet nadrukkelijk worden gegarandeerd dat mens en milieu niet blootstaan aan gevaarlijke stoffen uit het gerecycled materiaal. Dit is de conclusie van een onderzoek naar de vraag hoe om te gaan met materialen die gevaarlijke stoffen bevatten. Het rapport schetst de huidige afvalverwerkingspraktijk, de technische achtergrond van de recycling van deze materialen en de complexe wetgeving rond recycling. De dilemma's zijn uitgewerkt in enkele casussen: de brandvertrager HBCDD (hexabroomcyclododecaan) in piepschuim en weekmakers, cadmium en lood in plastic buizen (PVC). Aanbevolen wordt om voor oplossingen voor te recyclen materialen de wettelijke kaders voor de toelating van stoffen op elkaar af te stemmen. Zo is het raadzaam het afvalbeleid en het beleid voor gevaarlijke stoffen over elkaars werkgebied te laten meedenken en de gehele recycleketen in ogenschouw te nemen om te bepalen waar obstakels zitten.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
HPV seroconversion following anal and penile HPV infection in HIV-negative and HIV-infected MSM | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Plasma advanced glycation end products are associated with incident cardiovascularevents in individuals with type 2 diabetes: A Case-Cohort study with a median follow-Up of 10 years (EPIC-NL) | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Carryover of cadmium from feed in growing pigs | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Diarrhoea in general practice: When should a Clostridium difficile infection be considered? Results of a nested case-control study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Prolactin determinants in healthy women: A large cross-sectional study within the EPIC cohort | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
De nieuwe Omgevingswet wordt ontwikkeld om de wet- en regelgeving voor ruimtelijke plannen te vereenvoudigen. Bij de vergunningverlening wordt bepaald hoe een activiteit in het gebied zodanig kan worden opgezet dat het niet schadelijk is voor de leefomgeving. Om dit proces eenvoudiger, sneller en goedkoper te laten verlopen, stelt het RIVM voor deze procedure stapsgewijs in te richten. Hiermee kan al op basis van beperkte informatie een beslissing worden genomen. Wanneer dat ontoereikend is, wordt steeds meer informatie in beschouwing genomen. Het RIVM doet deze voorstellen in een eerste verkenning naar mogelijkheden voor de vereenvoudiging. Bij de eerste stap wordt in de regelgeving aangegeven welke activiteiten waar en wanneer zijn toegestaan. Voor de tweede stap van de beoordeling is het nodig om te bepalen bij welke waarden (afkapgrenzen) activiteiten effecten op de omgeving veroorzaken. Pas als de afkapgrenzen worden overschreden, wordt getoetst aan de bestaande normen (omgevingswaarden). Bij deze stapsgewijze werkwijze is het van belang te controleren of de kwaliteit van de leefomgeving op orde blijft. Op die manier kan worden voorkomen dat deze ongemerkt verslechtert en er omgevingswaarden worden overschreden.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Immune responses after controlled human malaria infections: acquisition, maintenance and association with protection | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Assembly of viral genomes from metagenomes | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Diagnosis of human granulocytic anaplasmosis in Belgium by combining molecular and serological methods | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Vector-borne disease intelligence: strategies to deal with disease burden and threats | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Dit bijlagenrapport behoort bij het rapport 'Gezondheid en veiligheid in de Omgevingswet. Doelen, normen en afwegingen bij de kwaliteit van de leefomgeving' (RIVM-rapport 2014-0138, Roels et al., 2014). Het zet relevante aspecten in de afleiding en onderbouwing van een aantal belangrijke normen voor de omgevingskwaliteit en fysieke veiligheid op een rij. Voor vijftien normenkaders is beschreven welke normen er zijn, waarvoor ze worden gebruikt, wat het beschermingsdoel is en hoe de norm is onderbouwd. Ook wordt ingegaan op de historie van de normen, wat belangrijke verbeteringen zouden zijn en wat de relatie is tussen gezondheid of fysieke veiligheid en de huidige norm. De beschreven normenkaders zijn: oppervlaktewater, zwemwater, bronnen voor drinkwater (oppervlaktewater en grondwater), lucht, bodem, grondwater (vanuit nationaal en vanuit Europees kader), geluid, geur (van bedrijfsmatige activiteiten en van veehouderijen), externe veiligheid, ontplofbare stoffen, vuurwerk, waterveiligheid en luchtvaart. Elk hoofdstuk is op dezelfde manier opgebouwd, zodat overeenkomstige informatie in dezelfde paragraaf is terug te vinden. Elk hoofdstuk eindigt met de literatuuropgave van het betreffende hoofdstuk. De paragrafen zijn: 1. Welke normen zijn er? 2. Wat is het doel van de norm? 3. Wat is het beschermingsdoel van de norm? 4. Hoe is de norm onderbouwd? 5. Wat is de historie van de norm? 6. Wat zouden belangrijke verbeteringen zijn in de onderbouwing? 7. Humane gezondheid of fysieke veiligheid in relatie tot de huidige norm.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Bij dit rapport is een bijlagenrapport verschenen In 2018 moet de nieuwe Omgevingswet van kracht worden. Deze stelselherziening brengt bestaande regels over beheer en gebruik van de leefomgeving bij elkaar om de besluitvorming over projecten in de leefomgeving te vereenvoudigen en verbeteren. Ook normen voor de kwaliteit van de leefomgeving vallen onder de stelselherziening. In de ondersteuning van dit proces heeft het RIVM een groot aantal milieunormen op een rij gezet en de normen geëvalueerd. Daarbij is gelet op hoe de normen zich tot elkaar verhouden, hoe goed ze zijn onderbouwd en hoe ze uitpakken in de praktijk. De nadruk lag op normen voor de doelen gericht op gezondheid en veiligheid. In Nederland geldt als uitgangspunt dat onnodige belasting van de omgevingskwaliteit moet worden vermeden. Mens en milieu worden tegen maatschappelijk onaanvaardbaar geachte gezondheids- en milieurisico's beschermd. In de afgelopen decennia is het dankzij deze uitgangspunten, en door gebruik te maken van normen, gelukt om ons land op veel terreinen schoner, gezonder en veiliger te maken. Wel blijkt dat het geheel van normen ingewikkeld is. Er kan niet snel inzichtelijk worden gemaakt hoe de normen eraan bijdragen dat deze doelen worden behaald. Dit komt enerzijds omdat er geen eenduidig praktijkgericht beeld is van wat we onder gezondheid en veiligheid verstaan. Anderzijds doordat normen op uiteenlopende manieren zijn bepaald en op verschillende manieren worden gebruikt. De normen houden bovendien geen rekening met een opeenstapeling van risico's, terwijl die zich in de praktijk wel voordoet In aanvulling op de normen is een 'indicator' in ontwikkeling bij het RIVM, waarmee wel combinaties van effecten van meerdere leefomgevingsfactoren op ziekte en sterfte in beeld kunnen worden gebracht, zoals luchtvervuiling en geluidbelasting. Met deze indicator kunnen burgers en bestuurders keuzes maken over de inrichting van hun gebied. Tot slot geldt dat morele dimensies van invloed zijn op afwegingen over onzekere, complexe of omstreden risicoproblemen waarbij schadelijke effecten worden vermoed, zoals de ondergrondse opslag van CO2, toepassing van nieuwe technologie of boren naar schaliegas. Bij de besluitvorming over deze vraagstukken moet worden omgegaan met onzekerheid doordat eenduidige wetenschappelijke onderbouwing ontbreekt. Morele dimensies, die dan van invloed zijn op de besluitvorming, zijn bijvoorbeeld vrijwilligheid (wordt een gezondheidsbedreiging aan burgers opgelegd of is sprake van een eigen keuze?) en billijkheid (worden de lusten en de lasten eerlijk verdeeld?). In deze gevallen is het van belang dat de overheid tijdig de dialoog over mogelijke morele dimensies met belanghebbenden aangaat. Dit rapport reikt hulpmiddelen aan die deze dialoog ondersteunen.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM doet voorstellen voor nieuwe risicogrenzen voor de stof xyleen in water, bodem en lucht. Aanpassing was nodig omdat er aanvullende gegevens beschikbaar waren en omdat de Europese methodiek om waterkwaliteitsnormen af te leiden, is veranderd. Xyleen wordt gebruikt in brandstof voor motoren en als grondstof voor de productie van polyesterverbindingen. De stof komt voor in drie verschillende vormen (isomeren), die elk een iets andere chemische structuur hebben: ortho-, meta- en para-xyleen. Omdat de giftigheid van deze afzonderlijke isomeren van xyleen vergelijkbaar is, worden ze in dit rapport als een groep behandeld. Om te bepalen of de risicogrenzen worden overschreden, moeten daarom de meetgegevens van alle drie de isomeren bij elkaar worden opgeteld. Op basis van deze totale hoeveelheid kan een conclusie worden getrokken. De voorgestelde normen voor oppervlaktewater zijn inmiddels overgenomen door het ministerie van Infrastructuur en Milieu.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Air pollution: what matters most? | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
2013 European guideline on the management of lymphogranuloma venereum | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
A transcriptomics-based hepatotoxicity comparison between the zebrafish embryo and established human and rodent in vitro and in vivo models using cyclosporine A, amiodarone and acetaminophen | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Gender-specific genetic associations of polymorphisms in ACE, AKR1C2, FTO and MMP2 with weight gain over a 10-year period | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
In vitro dopaminergic neurotoxicity of pesticides: a link with neurodegeneration? | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Uit een verkennend onderzoek van het RIVM blijkt dat kruidenproducten uit de traditionele Chinese geneeskunde (Traditional Chinese Medicine; TCM) gebruikt worden voor alle denkbare medische aandoeningen. Op een enkele uitzondering na, zijn deze producten geen geneesmiddelen, maar warenwetproducten. Voor de consument en de beroepsbeoefenaars kan dit verwarrend zijn. Zij zouden er onterecht vanuit kunnen gaan dat kruidenproducten geneesmiddelen zijn. Zo worden deze producten niet conform de geneesmiddelenwetgeving door de overheid op een veilig gebruik beoordeeld en goedgekeurd vóórdat ze op de Nederlandse markt verschijnen, maar is de Warenwet van toepassing. Daarnaast leeft bij consumenten het hardnekkige misverstand dat natuurlijke producten, zoals kruiden, altijd veilig zijn. De verschillende autoriteiten vinden de wet- en regelgeving voor deze producten duidelijk en goed toepasbaar. Uit het onderzoek blijkt echter onder andere dat de wettelijke status van kruidenpreparaten in Europa niet is geharmoniseerd, dat het toezicht op de kwaliteit van de producten incidenteel is en dat het Warenwetbesluit Kruidenpreparaten uit 2001 gedateerd is. De toe te kennen wettelijke status (geneesmiddel of warenwetproduct) heeft directe gevolgen voor de eisen die aan de productie, distributie en het gebruik van deze producten worden gesteld. Daarom beveelt het RIVM aan om vanuit de overheid duidelijk naar consumenten en beroepsbeoefenaren te communiceren welke praktische betekenis deze status heeft voor de kwaliteit, effectiviteit en veiligheid van het gebruik van deze producten. Het aantal bedrijven dat zich als handelaar in producten uit de traditionele Chinese geneeskunde bij de Kamer van Koophandel heeft geregistreerd is de afgelopen 25 jaar sterk gegroeid, van enkele tot meer dan 150 in 2013. Hieruit zou de verwachting afgeleid kunnen worden dat de omvang van het gebruik van kruidenproducten uit de traditionele Chinese geneeskunde is gestegen. De daadwerkelijke omvang van het gebruik van deze producten is echter onbekend. In hoeverre het gebruik van producten uit de traditionele Chinese geneeskunde mogelijk schadelijk is voor de gezondheid, is onduidelijk. Meldingen daarover lijken incidenteel en uitsluitend bij zware gevallen te worden gedaan, zoals bij de verwisselingen van de kruiden Aristolochia (1992) en Steranijs (2001) met een schadelijk alternatief. De werkelijke gezondheidsschade zou onderbelicht kunnen zijn. Nader onderzoek naar de aard en omvang van het gebruik van deze producten als pseudo-geneesmiddelen wordt aanbevolen.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
The dynamic changes of dominant clones of Staphylococcus aureus causing bloodstream infections in the European region: Results of a second structured survey | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
De laatste jaren wordt er in de publieke gezondheid aan gewerkt om complexe gezondheidsvraagstukken lokaal en regionaal aan te pakken met behulp van integraal beleid en samenwerkingsverbanden. Dergelijke integrale acties worden steeds belangrijker vanwege de gezamenlijke taken die ontstaan tussen diverse sectoren en partijen binnen en buiten volksgezondheid (preventie, zorg, ruimtelijke ordening, scholen, bedrijven, burgers). Denk aan thema's als gezond gewicht en bewegen, gezond participeren in de buurt, gezond ontwerpen en inrichten van de leefomgeving. In de praktijk is het een complexe aangelegenheid om integraal beleid en samenwerken te realiseren en het gebeurt op diverse manieren. Ook ontbreekt het aan theoretische kaders. Dat maakt het moeilijk zicht te krijgen op de aanpak en voortgang van lokale en regionale integrale praktijken en processen. Om hier meer grip op te krijgen zijn zes nieuwe tools ontwikkeld. Hiermee kunnen professionals en onderzoekers integrale acties (integrale beleidsvorming en samenwerkingsprocessen) realiseren, monitoren en evalueren. Zo kan 'sturingsinformatie' naar boven gehaald worden, zoals het draagvlak bij stakeholders en beleidsuitvoerders, de integratie van gezondheid in beleidsnota's, of inzicht in lokale of regionale samenwerkingsprocessen en - prestaties. Uit de sturingsinformatie komen verbeter- of leerpunten voort, die op lokaal of regionaal niveau kunnen worden ingezet om integraal beleid of samenwerken verder vorm te geven. Het onderwerp gezondheid kan bijvoorbeeld een plek krijgen in beleidsnota's die niet direct met de volksgezondheid te maken hebben, zoals op het gebied van ruimtelijke ordening of welzijn. Ook kunnen afspraken worden gemaakt om de samenwerking tussen partijen in toekomst te verbeteren of samenwerking met nieuwe partijen aan te gaan. De tools zijn in opdracht van ZonMW ontwikkeld. Dit is gedaan door het Consortium instruments for integrated action (i4i), dat uit negen onderzoeksgroepen bestaat en door het RIVM is gecoördineerd.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Restanten van humane geneesmiddelen komen voornamelijk via gezuiverd rioolwater in het oppervlaktewater terecht. Aangezien oppervlaktewater wordt gebruikt voor de drinkwaterproductie, is het van belang dat dit water zo min mogelijk verontreinigingen bevat. Daarom is met een rekenmodel onderzocht in hoeverre de waterkwaliteit bij de innamepunten voor de drinkwaterproductie wordt beïnvloed door restanten uit Nederlands rioolwater, dan wel door de aanvoer uit het buitenland via de Rijn en de Maas. Het onderzoek is uitgevoerd door het RIVM samen met kennisinstituut Deltares en richt zich op vier geneesmiddelen. Deze middelen worden door de drinkwaterbedrijven als probleemstoffen beschouwd. Er bestaan nog geen wettelijke normen voor. Het gaat om metformine, een medicijn tegen diabetes type 2, carbamazepine, een anti-epilepticum, metoprolol, een bloeddrukverlager en amidotrizoïnezuur, een röntgencontrastmiddel. De bijdragen vanuit het buitenland en Nederland blijken sterk te verschillen per stof, per rivier en per innamepunt. Ook is de hoeveelheid water die door de rivieren wordt aangevoerd van invloed. Bij de innamepunten langs de Maas zijn zowel de buitenlandse aanvoer als emissies vanuit Nederlandse rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi's) van belang voor de waterkwaliteit. Met name in droge perioden is de invloed van gezuiverd rioolwater vanuit Nederland groter. Bij de meeste innamepunten langs de Rijn is de buitenlandse aanvoer via de Rijn belangrijker, zelfs in droge perioden. Een uitzondering vormt metoprolol, waarvoor de bijdrage vanuit Nederlandse rwzi's het grootst is. Dit komt doordat dit middel in Nederland meer wordt gebruikt dan in het buitenland. Op basis van de bevindingen kan worden bepaald welke maatregelen effectief zijn om de concentraties van deze geneesmiddelen bij de innamepunten voor drinkwater te verlagen. Zowel bij de Rijn als de Maas zal de waterkwaliteit verbeteren als de emissies in het buitenland dalen. Als emissies vanuit Nederlandse rwzi's afnemen, heeft dat een groter effect bij de innamepunten langs de Maas dan langs de Rijn, vooral stroomafwaarts. De bevindingen zijn ondermeer relevant voor de strategie die de Europese Commissie momenteel ontwikkelt met betrekking tot de aanpak van waterverontreiniging door restanten van geneesmiddelen. De conclusies zijn gebaseerd op een landelijk model met daarbij passende schematisatie. Lokaal kan het beeld anders zijn, evenals bij kleinere wateren in Nederland die niet zijn meegenomen in deze studie.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
In 2013 zijn meer, maar kleinere uitbraken van voedselinfecties of -vergiftigingen geregistreerd dan in 2012. In totaal waren het er 290; 14 meer dan in het jaar ervoor. De uitbraken veroorzaakten minstens 1460 zieken, een aanzienlijk lager aantal dan in 2012 (2607). Dit komt doordat de uitbraken in 2013 minder omvangrijk waren dan in 2012. Bij de NVWA zijn in 2013 daarnaast nog 265 individuele gevallen van voedselinfectie of -vergiftiging geregistreerd. Dit blijkt uit een analyse van de registratiecijfers in 2013 van voedselinfecties en -vergiftigingen afkomstig van de NVWA en de GGD'en door het Centrum Infectieziektebestrijding (CIb) van het RIVM. De NVWA en GGD'en onderzoeken beide de oorzaken van voedselinfecties en -vergiftigingen (de besmettingsbron en de ziekteverwekker), elk vanuit het eigen werkveld. Aangezien deze gegevens elkaar aanvullen, zijn voor het eerst de meldingen van beide registraties samengevoegd en als één geheel besproken. Voorheen gebeurde dat apart. Net als in voorgaande jaren waren Campylobacter en het norovirus de meest frequente verwekkers van voedselgerelateerde uitbraken. Hoewel beide evenveel uitbraken veroorzaakten, leidden de uitbraken door het norovirus tot de meeste zieken. Salmonella veroorzaakte beduidend minder uitbraken dan in voorgaande jaren; hetzelfde geldt voor het aantal hierbij betrokken patiënten. Beide instanties registreren de gemelde uitbraken. De NVWA onderzoekt daarbij het voedsel en de plaats waar het wordt bereid. De GGD ondervraagt de personen die hebben blootgestaan aan besmet voedsel. De nieuwe, geïntegreerde aanpak geeft een duidelijker beeld van de mate waarin uitbraken van voedselinfecties en -vergiftigingen in Nederland voorkomen en de trend daarin door de jaren heen. De genoemde getallen zijn een onderschatting van het werkelijke aantal voedselinfecties en -vergiftigingen, omdat niet iedere zieke naar de huisarts gaat of de NVWA informeert. Naar schatting zijn jaarlijks 680.000 mensen in Nederland ziek door het eten van besmet voedsel.
Jaar: 2015
Onderzoek
Documenten: 1
Reproductive and menstrual factors and risk of differentiated thyroid carcinoma: The EPIC study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
A prospective study of one-carbon metabolism biomarkers and cancer of the head and neck and esophagus | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Complete genome sequences of Bordetella pertussis isolates B1917 and B1920, representing two predominant global lineages | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Selenium status is associated with colorectal cancer risk in the European prospective investigation of cancer and nutrition cohort | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Hemolytic uremic syndrome associated with Escherichia coli O8:H19 and Shiga toxin 2f Gene | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Exposure-based validation list for developmental toxicity screening assays | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Associations between three specific a-cellular measures of the oxidative potential of particulate matter and markers of acute airway and nasal inflammation in healthy volunteers | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Enhancement of in vitro activity of tuberculosis drugs by addition of thioridazine is not reflected by improved in vivo therapeutic efficacy | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Traffic-related air pollution and noise and children's blood pressure: Results from the PIAMA birth cohort study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
An essential role for senescent cells in optimal wound healing through secretion of PDGF-AA | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Bordetella pertussis naturally occurring isolates with altered lipooligosaccharide structure fail to fully mature human dendritic cells | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Viable Legionella pneumophila bacteria in natural soil and rainwater puddles | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Toolkit for visualization of the cellular structure and organelles in aspergillus niger | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Silent spread of highly pathogenic Avian Influenza H5N1 virus amongst vaccinated commercial layers | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Association of CRP genetic variants with blood concentrations of C-reactive protein and colorectal cancer risk | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Authors' response to the letter from Kalleian Eserian et al | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
The Consortium on Health and Ageing: Network of Cohorts in Europe and the United States (CHANCES) project-design, population and data harmonization of a large-scale, international study | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek
Complex T-cell receptor repertoire dynamics underlie the CD8+ T-cell response to HIV-1 | RIVM
Jaar: 2015
Onderzoek