Naar inhoud

Onderzoeken Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2020

Zoek binnen deze data in WooGLe

Evidence relating to environmental noise exposure and annoyance, sleep disturbance, cardio-vascular and metabolic health outcomes in the context of IGCB (N): a scoping review of evidence regarding sources other than transport noise. | RIVM

Evidence relating to environmental noise exposure and annoyance, sleep disturbance, cardio-vascular and metabolic health outcomes in the context of IGCB (N): a scoping review of evidence regarding sources other than transport noise. | RIVM
Jaar: 2020 Onderzoek

Monitoringsrapportage NSL 2020. Stand van zaken Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit | RIVM

In het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) werken de overheden samen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Hierover wordt jaarlijks gerapporteerd. Uit de monitoringsrapportage 2020 blijkt dat de luchtkwaliteit iets verder is verbeterd. In vrijwel heel Nederland liggen de concentraties stikstofdioxide en fijnstof in 2019 onder de Europese grenswaarden. Ook onder deze grenswaarden is luchtverontreiniging nog schadelijk. Daarom is er beleid om de luchtkwaliteit te verbeteren. Uit de rapportage blijkt ook dat in een enkele straat in de binnenstad van Amsterdam en Arnhem de grenswaarde voor stikstofdioxide nog wordt overschreden. Er waren minder overschrijdingen dan in 2018. De gemiddelde concentratie fijnstof in Nederland is in 2019 gedaald ten opzichte van 2018. In het grootste deel van het land zijn de grenswaarden voor wegverkeer niet overschreden. Op enkele locaties in gebieden met intensieve veehouderijen worden de grenswaarden van fijnstof ook nog overschreden. Dit zijn er wel minder dan in 2018, hoewel er meer veehouderijen in de berekeningen zijn meegeteld. De daling komt vooral doordat de gemeenten de gegevens over de veehouderij hebben verbeterd. De komende jaren zet deze daling naar verwachting door, zowel voor stikstofdioxide als voor fijnstof. Naar verwachting wordt de bevolking gemiddeld minder blootgesteld aan deze stoffen. Het is moeilijk aan te geven in welk tempo dat zal gaan. Minder uitstoot door verkeer en veehouderijen helpen daarbij. Effecten van de coronamaatregelen zullen er ook zijn, maar daar is nog nu geen zicht op. De kwaliteit van gegevens die overheden over wegverkeer en veehouderijen aanleveren, verbetert de laatste jaren sterk. Aandacht van alle overheden voor de kwaliteit van de data blijft nodig om een betrouwbaar beeld te kunnen geven van de luchtkwaliteit. Schone lucht is belangrijk voor de volksgezondheid. Daarvoor zijn lagere concentraties luchtvervuilende stoffen nodig dan de Europese grenswaarden stellen. Om dat te bereiken heeft de overheid in 2020 het Schone Lucht Akkoord (SLA) opgesteld. Hierin spreken de rijksoverheid, provincies en gemeenten met elkaar af de luchtkwaliteit in Nederland tot 2030 verder te verbeteren.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Supply security for medical radionuclides - additions 2020. Supplement to RIVM Reports 2019-0101, 2017-0063 and 2018-0075 | RIVM

Het RIVM heeft aanvullend onderzoek gedaan naar de leveringszekerheid van diagnostische en therapeutische radionucliden voor Nederland. Radioactieve stoffen kunnen worden gebruikt om een diagnose te stellen. Ook kunnen ze verschillende soorten kanker behandelen of pijn bestrijden, zogenoemde therapeutische radionucliden. Samen heten ze medische radionucliden. De meeste medische radionucliden worden in Europa gemaakt in zes kernreactoren, waarvan er één in Nederland staat (de HFR). Op een reactor na zijn deze installaties oud en zullen ze vroeg of laat moeten sluiten. In Nederland wordt overwogen een nieuwe reactor te bouwen, de Pallas. De wereldmarkt is op dit moment fragiel: als één grote reactor of één van de gespecialiseerde laboratoria onverwacht uitvalt, kan het wereldwijd een probleem worden om medische radionucliden te leveren. De andere reactoren kunnen de vraag dan niet altijd opvangen. Bovendien neemt de vraag naar deze middelen toe. Nieuwe bestralingscapaciteit is dan ook nodig om te voorkomen dat er binnen 10 jaar zorgelijke tekorten ontstaan. Het is ook belangrijk om Europa zelfvoorzienend te houden door het bouwen van nieuwe bestralingsfaciliteiten. De planning van initiatieven die gaande zijn, blijkt al jarenlang te optimistisch. Naast nieuwe bestralingscapaciteit zijn alle onderdelen van de leveringsketen belangrijk voor de leveringszekerheid. Het gaat dan om de aanvoer van grondstoffen, betrouwbare reactoren of versnellers, laboratoria die een medisch product kunnen maken, betrouwbaar en efficiënt transport tussen deze schakels, en naar de ziekenhuizen. Nederland heeft een groot deel van de leveringsketen in eigen land. Hierdoor is Nederland goed in staat om nieuwe radiofarmaceutische producten te ontwikkelen. De aanwezigheid van academische ziekenhuizen, een reactor en gespecialiseerde laboratoria dragen daaraan bij. Als de Pallas-reactor niet wordt gerealiseerd en de HFR moet sluiten, dan verliest Nederland een belangrijke schakel in de leveringsketen.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Cyanobacteria protocol 2020 | RIVM

Wanneer er veel blauwalgen in zwemwater zitten, kunnen ze voor overlast (zoals stank) en gezondheidsrisico's (zoals milde huid- en maagdarmklachten) voor zwemmers zorgen. De kwaliteit van water van officiële zwemlocaties moet voldoen aan Europese eisen. Om de gezondheid van zwemmers op deze zwemlocaties te beschermen, gebruiken waterbeheerders in Nederland daarom het Blauwalgenprotocol. Dit protocol vertelt hen hoe ze zwemlocaties moeten controleren op blauwalgen en welke maatregelen ze moeten nemen. Het Blauwalgenprotocol 2020 doet dit volgens de nieuwste inzichten Het Blauwalgenprotocol 2020 is een update. De update was nodig omdat er sinds het laatste Blauwalgenprotocol, uit 2012, nieuwe inzichten zijn hoe de aanwezigheid van blauwalgen kan worden gevolgd. Ook wil de overheid de blauwalgenproblematiek in heel Nederland op dezelfde manier aanpakken. Blauwalgen kunnen soms giftig zijn. Omdat het niet altijd mogelijk is de giftige van de niet-giftige te onderscheiden zijn, gaat het Blauwalgenprotocol 2020 er voor de zekerheid vanuit dat ze allemaal giftig kunnen zijn. Waterbeheerders controleren zwemlocaties door lokaal de situatie te bekijken. Daarna onderzoeken ze het water in het laboratorium. Ze volgen hierbij een verplichte, vaste procedure. Zo wordt vastgesteld hoeveel blauwalgen er in het water zitten en hoe groot het risico is. Waterbeheerders mogen ook extra onderzoek doen als zij dat nodig vinden. Als het risico bekend is, worden de maatregelen genomen die daarbij horen en worden de zwemmers geïnformeerd. Dit kan een waarschuwing, een negatief zwemadvies of een zwemverbod zijn. Dit wordt ter plaatse aangegeven en op www.zwemwater.nl . Door het Blauwalgenprotocol 2020 na te leven tijdens het zwemseizoen (1 mei - 1 oktober) voldoet Nederland aan de eisen van de Europese Zwemwaterrichtlijn.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

An overview of the available data on the mutagenicity and carcinogenicity of 1-bromopropane | RIVM

De stof 1-broompropaan wordt onder andere gebruikt als oplosmiddel voor vetten, waxen en harsen. Het RIVM heeft in de wetenschappelijke literatuur onderzocht wat er bekend is over twee mogelijke schadelijke eigenschappen van deze stof. De vraag is of 1-broompropaan kankerverwekkend is en erfelijke veranderingen kan veroorzaken door schade aan het DNA (mutageen). De gevonden informatie is samengevat. De Gezondheidsraad gebruikt de samenvattingen om de mutagene en kankerverwekkende eigenschappen te beoordelen. De Gezondheidsraad gebruikt de samenvattingen ook voor een advies voor de classificatie van de stof dat op verzoek van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) wordt opgesteld. De genoemde beoordeling wordt uitgevoerd door de Subcommissie Classificatie van carcinogene stoffen. Deze subcommissie valt onder de Commissie Gezondheid en Beroepsmatige Blootstelling aan Stoffen (GBBS) van de Gezondheidsraad. De GBBS richt zich op gezondheidsrisico's door blootstelling aan chemische stoffen op de werkplek.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Disease burden of food-related pathogens in the Netherlands, 2019 | RIVM

21-01-2021: Dit rapport bevat een erratum op pagina 51. Het RIVM onderzoekt elk jaar hoeveel mensen ziek worden of sterven door 14 ziekteverwekkers die de maag of darm kunnen infecteren. Deze zogeheten ziektelast wordt uitgedrukt in DALY's (Disability Adjusted Life Year), een internationale maat voor het aantal gezonde levensjaren dat verloren gaat aan ziekte of eerder dan 'normaal' overlijden. De 14 ziekteverwekkers kunnen niet alleen via voedsel in het lichaam van de mens terechtkomen (ongeveer 40 procent). Het kan ook via het milieu (bijvoorbeeld via oppervlaktewater), dieren, en van mens op mens. Het aandeel van deze routes verschilt per ziekteverwekker. Het totaal aantal DALY's die deze 14 ziekteverwekkers in 2019 veroorzaakten, is hetzelfde als in 2018 en 2017 (11.000 DALY's). De ziektelast via voedsel is in 2019 geschat op 4.200, en is daarmee iets lager dan in 2018 (4.300 DALY's). De totale kosten van deze ziektelast worden geschat op 423 miljoen euro. Dat is lager dan in 2018 (426 miljoen). Deze cost of illness zijn directe medische kosten, maar ook de kosten voor de patiënt en/of zijn familie. Dat zijn bijvoorbeeld reiskosten, en de kosten binnen andere sectoren, zoals door werkverzuim. De kosten van de ziektelast door besmet voedsel zijn iets gestegen: 174 miljoen euro in 2019 ten opzichte van 171 miljoen euro in 2018. De verschillen in DALY's en kosten komen vooral doordat het aantal infecties dat een aantal van de ziekteverwekkers veroorzaakte veranderde. Het gaat om norovirus, rotavirus, Cryptosporidium spp., en Campylobacter spp. Het RIVM heeft dit onderzoek in opdracht van het ministerie van VWS uitgevoerd. De resultaten geven handvatten om meer zicht te krijgen op de ziektelast en blootstellingsroutes van voedselinfecties bij de Nederlandse bevolking. Ook laten ze de ontwikkelingen hierin door de jaren heen zien.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Analyse REACH-autorisatieaanvragen: inventarisatie van alternatieven voor chroom-6 | RIVM

Chroom-6 zit in verschillende materialen en producten. Dit metaal beschermt materialen tegen roestvorming en andere vormen van verwering. Daarnaast zien verchroomde voorwerpen er mooi uit, zoals badkamerkranen en autovelgen. Chroom-6 heeft wel gevaarlijke eigenschappen. Als mensen eraan blootstaan, bijvoorbeeld tijdens het werk, kunnen ze daar ziek van worden. Bedrijven mogen daarom alleen chroom-6 gebruiken als er geen veilige alternatieven mogelijk zijn. Er blijken veel ontwikkelingen te zijn op het gebied van alternatieven voor chroom-6. Dat laat een overzicht zien dat het RIVM in opdracht van de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (i-SZW) heeft gemaakt. Het RIVM heeft per toepassingsgebied een overzicht van de mogelijke alternatieven gemaakt. De inspectie gebruikt deze informatie om haar controletaak beter uit te voeren. Het gebruik van chroom-6-houdende stoffen is verboden, tenzij een bedrijf toestemming voor gebruik heeft gekregen van de Europese Commissie en lidstaten (via een zogeheten autorisatie). Het doel van dit verbod is chroom-6 uiteindelijk te vervangen door minder gevaarlijke stoffen of technieken. De inspectie in Nederland controleert of een bedrijf genoeg doet om een alternatief voor chroom-6 te vinden. Alternatieven voor chroom-6 maken het mogelijk dat deze stof de komende jaren minder wordt gebruikt. Door welke stof of technieken het zal worden vervangen, is nu niet precies te voorspellen. Het RIVM- overzicht laat in elk geval zien dat het niet mogelijk is om voor alle toepassingen van chroom-6 één alternatief te vinden. Voor iedere toepassing moet een alternatief op maat worden gezocht. Om voor een autorisatie in aanmerking te komen, moet de aanvrager eerst via uitgebreid onderzoek aantonen dat er geen alternatieven zijn. Uit een analyse van autorisatieaanvragen blijkt dat er geen volledig beeld is van alle ontwikkelingen om chroom-6 te vervangen. De beschreven onderzoeken in de aanvragen zijn vaak enkele jaren oud of vertrouwelijk. Wanneer verlengingen van autorisaties worden aangevraagd, wordt meer nieuwe informatie openbaar. Het RIVM vindt het daarom belangrijk de ontwikkelingen goed te volgen. Ook zou het RIVM graag zien dat bedrijven meer informatie delen over lopend onderzoek, zodat een actueel beeld ontstaat van de alternatieven voor chroom-6.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Impact van de eerste COVID-19 golf op de reguliere zorg en gezondheid : Inventarisatie van de omvang van het probleem en eerste schatting van gezondheidseffecten | RIVM

De COVID-19-epidemie heeft tijdens de eerste golf grote impact gehad op de zorg, vooral in het voorjaar van 2020. Afspraken, behandelingen en operaties voor niet-COVID-patiënten zijn afgezegd of uitgesteld. Ook meden patiënten zelf de zorg, bijvoorbeeld uit angst om te worden besmet of om de zorg te ontlasten. Een deel van de afspraken is vervangen door zorg op afstand, bijvoorbeeld telefonisch of via beeldbellen. Aan het begin van de zomer herstelden veel sectoren in de zorg grotendeels, maar het lukte niet de achterstand in te halen. Sommige vormen, zoals de paramedische zorg, dagbesteding en groepsbehandelingen, herstelden moeizamer. Door de coronamaatregelen, zoals 1,5 meter afstand houden en de extra hygiënemaatregelen, was het vaak niet mogelijk om evenveel zorg als voorheen te leveren. Voor dit onderzoek is gekeken naar de behandelingen die binnen de 12 grootste specialismen in ziekenhuizen het meest worden uitgevoerd (in totaal 48). Tijdens de eerste coronagolf is gemiddeld 23 procent van deze behandelingen niet doorgegaan. De gezondheidswinst die behandelingen normaal gesproken opleveren is daardoor niet bereikt. Dit wordt uitgedrukt in 'verloren gezonde levensjaren', een eenheid die effecten op sterfte en kwaliteit van leven aangeeft. Door de uitgevallen behandelingen zijn er naar schatting 34.000 tot 50.000 minder gezonde levensjaren bereikt. Dit zijn vooral effecten op kwaliteit van leven, en in mindere mate op overlijden. Een relatief groot deel van de verloren gezonde levensjaren zijn het gevolg van weggevallen behandelingen binnen de specialismen oogheelkunde en orthopedie, zoals staar-, knie- en heupoperaties. De schattingen over de gevolgen voor kankerpatiënten vallen buiten de berekeningen van dit onderzoek. Deze schattingen zijn ingewikkelder. Als eerste aanzet daarvoor zijn de gevolgen voor melanoom uitgewerkt, de agressiefste vorm van huidkanker. Naar schatting zijn 1.600 tot 2.800 gezonde levensjaren verloren gegaan door deze uitgevallen zorg. De onderzochte behandelingen vormen 28 procent van de medisch-specialistische zorg. Deze behandelingen leveren in verhouding veel gezondheidswinst op, en dus ook relatief veel verlies als de zorg niet doorgaat. Het totale gezondheidsverlies zal zeker groter zijn dan de genoemde aantallen, maar niet drie tot vier keer zo groot. Een deel van het gezondheidsverlies gaat niet definitief verloren als de komende jaren extra behandelingen kunnen worden uitgevoerd.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Microbial cleaning products: an inventory of products, potential risks and applicable regulatory frameworks | RIVM

Microbiële reinigers zijn schoonmaakmiddelen met bacteriën erin. Dat kunnen schoonmaakmiddelen voor in en om het huis zijn, maar ook verzorgingsproducten om je huid of je haar schoon te maken. Voorbeelden zijn allesreinigers en shampoo met toegevoegde bacteriën. De bacteriën worden bijvoorbeeld toegevoegd omdat ze enzymen produceren die vuil of vlekken kunnen afbreken. Op de verpakking staat vaak dat de microbiële reiniger veilig, natuurlijk en vrij van chemische stoffen is. Het RIVM heeft op hoofdlijnen in kaart gebracht welke microbiële reinigers in Nederland te koop zijn. Er zijn 92 producten gevonden. Voor elk product is informatie verzameld over welke soort bacterie erin zit en hoe je het moet gebruiken. Het RIVM heeft dit overzicht gemaakt in opdracht van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Het doel was om meer zicht te krijgen op deze producten, waar ze voor zijn en welke risico's voor de gezondheid ze kunnen hebben. Microbiële reinigers kunnen onder verschillende wetgeving vallen. Bijvoorbeeld onder de wetgeving voor schoonmaakmiddelen (detergenten), voor verzorgingsproducten (cosmetica) of voor middelen die schadelijke organismen bestrijden (biociden). Alleen de biocidenwetgeving stelt specifieke veiligheidseisen aan bacteriën in microbiële reinigers. Om te toetsen of deze reinigers veilig zijn, is dus passende wetgeving nodig. Als mensen in aanraking komen met bacteriën uit een microbiële reiniger, kunnen ze daar klachten van krijgen zoals huiduitslag of een allergische reactie. Om de veiligheid van een microbiële reiniger te schatten, is onder andere informatie nodig over de eigenschappen van de bacteriesoort die erin zit. Ook moet bekend zijn hoe (inslikken, inademen of op je huid krijgen) en hoe vaak mensen met de bacteriën in aanraking komen. Voor veel microbiële reinigers ontbreekt deze informatie omdat er geen passende wetgeving is die dat vraagt. Daarom is het moeilijk om het risico te schatten. Wel is de fabrikant er in alle gevallen voor verantwoordelijk dat een product veilig is.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

De effectiviteit van 'Individuele plaatsing en steun' (IPS) op gezondheid en participatie : Een literatuuroverzicht | RIVM

Individuele plaatsing en steun (IPS) maakt deel uit van een behandeling voor personen met ernstige psychische aandoeningen waar werk een onderdeel van is. Voorbeelden van deze aandoeningen zijn psychosen, bipolaire stoornissen, en ernstige depressies. Het doel van IPS is dat mensen snel een reguliere baan krijgen volgens het first place then train-principe. Dit betekent dat ze hulp voor hun aandoening blijven krijgen nadat ze met een baan zijn begonnen. Bij andere initiatieven houdt die hulp dan op. Er is nog weinig onderzoek gedaan naar de gezondheidseffecten van IPS. Het beschikbare onderzoek laat geen duidelijk positief of negatief effect zien op de kwaliteit van leven, het functioneren, en de mentale gezondheid van de mensen. De maatregel heeft wel een duidelijk positief effect als naar de arbeidsparticipatie wordt gekeken, zoals betaald werk vinden en behouden. Het bewijs of mensen die aan IPS deelnemen ook op lange termijn hun werk behouden is alleen nog heel beperkt. Dit blijkt uit een literatuurstudie van het RIVM naar de effecten van IPS op gezondheid en participatie van mensen met psychische aandoeningen. De literatuurstudie is uitgevoerd in opdracht van de werkgroep Inclusieve samenleving van de Brede Maatschappelijke Heroverwegingen (BMH). De BMH wilde weten wat de effecten van IPS zijn op gezondheid en participatie.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Leveringszekerheid voor medische radionucliden - aanvullingen 2020 : Uitbreiding op RIVM Rapporten 2019-0101, 2017-0063 en 2018-0075 | RIVM

Het RIVM heeft aanvullend onderzoek gedaan naar de leveringszekerheid van diagnostische en therapeutische radionucliden voor Nederland. Radioactieve stoffen kunnen worden gebruikt om een diagnose te stellen. Ook kunnen ze verschillende soorten kanker behandelen of pijn bestrijden, zogenoemde therapeutische radionucliden. Samen heten ze medische radionucliden. De meeste medische radionucliden worden in Europa gemaakt in zes kernreactoren, waarvan er één in Nederland staat (de HFR). Op een reactor na zijn deze installaties oud en zullen ze vroeg of laat moeten sluiten. In Nederland wordt overwogen een nieuwe reactor te bouwen, de Pallas. De wereldmarkt is op dit moment fragiel: als één grote reactor of één van de gespecialiseerde laboratoria onverwacht uitvalt, kan het wereldwijd een probleem worden om medische radionucliden te leveren. De andere reactoren kunnen de vraag dan niet altijd opvangen. Bovendien neemt de vraag naar deze middelen toe. Nieuwe bestralingscapaciteit is dan ook nodig om te voorkomen dat er binnen 10 jaar zorgelijke tekorten ontstaan. Het is ook belangrijk om Europa zelfvoorzienend te houden door het bouwen van nieuwe bestralingsfaciliteiten. De planning van initiatieven die gaande zijn, blijkt al jarenlang te optimistisch. Naast nieuwe bestralingscapaciteit zijn alle onderdelen van de leveringsketen belangrijk voor de leveringszekerheid. Het gaat dan om de aanvoer van grondstoffen, betrouwbare reactoren of versnellers, laboratoria die een medisch product kunnen maken, betrouwbaar en efficiënt transport tussen deze schakels, en naar de ziekenhuizen. Nederland heeft een groot deel van de leveringsketen in eigen land. Hierdoor is Nederland goed in staat om nieuwe radiofarmaceutische producten te ontwikkelen. De aanwezigheid van academische ziekenhuizen, een reactor en gespecialiseerde laboratoria dragen daaraan bij. Als de Pallas-reactor niet wordt gerealiseerd en de HFR moet sluiten, dan verliest Nederland een belangrijke schakel in de leveringsketen.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Beter Weten: Een Beter Begin. Samen sneller naar een betere zorg rond de zwangerschap | RIVM

Dit rapport bevat een erratum d.d.15-11-2021 op pagina 89. In vergelijking met andere landen stierven er tien tot vijftien jaar geleden in Nederland veel meer baby's rond de geboorte. Na veel media-aandacht en nieuw beleid is de geboortezorg (verloskundigen, gynaecologen, en kraamzorg) meer gaan samenwerken. De babysterfte daalde daarna sterk. Maar die daling is gestopt en de babysterfte neemt weer toe. Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) heeft het RIVM gevraagd te onderzoeken hoe dat komt en betrokkenen uit de geboortezorg bij dit onderzoek te betrekken. Ook is gevraagd om de Nederlandse cijfers te vergelijken met die van Finland, waar de babysterfte al lange tijd laag is. De recente stijging van de Nederlandse babysterfte betreft vooral baby's die te vroeg geboren worden. Wel is het grote verschil in babysterfte met Finland veel kleiner geworden, omdat de babysterfte in Nederland tot 2015 sterk daalde. Het verschil dat er nog is met Finland, komt vooral omdat er in Nederland vaker kinderen te vroeg worden geboren. Verschillende factoren vergroten de kans dat een baby rond de geboorte overlijdt. Voorbeelden zijn een vroeggeboorte en een ongezonde leefstijl van de aanstaande moeder. Enkele van deze factoren komen de laatste jaren vaker voor. Zo hebben Nederlandse vrouwen steeds vaker obesitas of overgewicht. Maar ook sociale factoren hebben invloed, zoals laaggeletterdheid, taalachterstand, en armoede. In achterstandswijken komen vroeggeboorte en babysterfte vaker voor, net als bij de toenemende groep moeders met een migratieachtergrond. De zorg moet zich aanpassen aan die risico's om babysterfte te vermijden. Volgens de geïnterviewde betrokkenen kan de geboortezorg verder verbeteren als de onderdelen meer samenwerken. Samenwerken met gemeenten, sociale zorg en de jeugdgezondheidszorg hoort daarbij. De lokale organisatie van de geboortezorg moet daarin worden ondersteund. Ook moeten patiëntengegevens sneller kunnen worden uitgewisseld. Verder zijn een goede ICT-voorziening en betere gegevens over zwangerschap en bevalling belangrijk om de kwaliteit van de zorg te verbeteren. Een op te richten perinataal monitoring centrum moet inzicht gaan geven in de landelijke ontwikkelingen in de geboortezorg en de gezondheid van moeder en kind. Tot slot geven de geïnterviewde betrokkenen aan dat de eigen bijdragen in de geboortezorg zou moeten worden afgeschaft.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Tuberculose in Nederland 2019 : Surveillancerapport inclusief rapportage monitoring van interventies | RIVM

Het aantal tbc-patiënten in Nederland daalt de laatste tien jaar geleidelijk. In 2019 zijn er 759 patiënten gerapporteerd, ten opzichte van 797 in 2018. Tuberculose komt vaker voor bij personen die niet in Nederland zijn geboren; in 2019 waren dat driekwart van de zieken. Net als in de voorgaande jaren kwam de grootste groep patiënten uit Eritrea (88), gevolgd door Marokko (58) en India (41). In Afrika en Azië komt deze ziekte veel voor. Bijna de helft van de tbc-patiënten die geboren zijn in het buitenland, verbleef relatief kort (minder dan vijf jaar) in Nederland op het moment dat de tuberculose is vastgesteld. Dit zijn grotendeels immigranten en asielzoekers die in de jaren 2015 tot en met 2018 in Europa kwamen. Zij zijn waarschijnlijk in het land van herkomst of gedurende de reis naar Nederland besmet. Dit blijkt uit de cijfers over 2019. Het RIVM rapporteert deze cijfers jaarlijks om de effecten te monitoren van maatregelen om tuberculose in Nederland terug te dringen. Deze maatregelen staan beschreven in het Nationaal plan tuberculosebestrijding 2016-2020. Tuberculose wordt door een bacterie veroorzaakt en moet worden gemeld bij de GGD in de woonplaats van de patiënt. In 2019 ging meer dan driekwart van de patiënten zelf naar een dokter. Twaalf procent is gevonden door risicogroepen te onderzoeken op tuberculose, zoals immigranten en asielzoekers bij aankomst in Nederland. Tuberculose kan besmettelijk zijn, bijvoorbeeld als het in de longen zit, maar dat hoeft niet. De besmettelijkste vorm (open tuberculose) is in 2019 bij een kwart van de patiënten geconstateerd. Door zo vroeg mogelijk op te sporen wie in de omgeving van een patiënt besmet is geraakt, kon worden voorkomen dat meer mensen tuberculose krijgen. Zes procent van de patiënten in 2019 is op deze manier gevonden.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Pneumococcal vaccination of the elderly : Information for the Dutch Health Council | RIVM

De pneumokok is de belangrijkste veroorzaker van ernstige infecties als longontsteking, bloedvergiftiging en hersenvliesontsteking. Deze infecties komen het meest voor bij ouderen met minder weerstand en bij kinderen onder de vijf jaar. Bij ouderen veroorzaakt de bacterie vooral longontsteking. In Nederland worden ongeveer 10.000 patiënten per jaar in het ziekenhuis opgenomen vanwege een pneumokokkeninfectie. Vooral ouderen hebben een groter risico (10 tot 20 procent) om hieraan te overlijden. In februari 2018 heeft de Gezondheidsraad geadviseerd om mensen van 60-80 jaar elke vijf jaar een pneumokokkenvaccinatie (PPV23) aan te bieden. Het was de bedoeling dat hiervoor alle mensen van 60, 65, 70 of 75 jaar in de herfst van 2020 zouden worden uitgenodigd. Vanwege de COVID-19-pandemie heeft de Gezondheidsraad in april 2020 geadviseerd om de vaccinatie eerst aan te bieden aan de oudste leeftijdsgroepen (70-79-jarigen). Zij hebben zowel een grotere kans op ernstige pneumokokkeninfecties als op een ernstig verloop van COVID19. Aangezien er onvoldoende vaccins zijn om alle mensen van 70 tot 79 jaar in 2020 te vaccineren, worden in het najaar eerst mensen van 73 tot 79 jaar uitgenodigd. In december 2020 zal de Gezondheidsraad adviseren welke leeftijdsgroepen in 2021 voor de pneumokokkenvaccinatie in aanmerking komen. Als ondersteuning van dat advies heeft het RIVM nu de beschikbare en relevante wetenschappelijke informatie bijeengebracht. Het gaat onder meer om het aantal mensen dat in Nederland ziek wordt van pneumokokken vlak voor en tijdens de COVID-19 pandemie. Het aantal patiënten met pneumokokkenziekte is sinds april 2020 tot 80 procent lager dan voorgaande jaren. Dit komt waarschijnlijk doordat pneumokokken minder worden verspreid door de maatregelen tegen COVID-19. Ook staat er informatie in het rapport over nieuwe pneumokokkenvaccins die momenteel ontwikkeld worden.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Implementation of a data fusion approach to assess the concentration and dry deposition of ammonia in the Netherlands | RIVM

Methode om de concentratie en droge depositie van ammoniak vast te stellen is verder verfijnd Het RIVM heeft de methode om de concentratie en 'droge depositie' van ammoniak in Nederland vast te stellen verder verfijnd. De concentratie is de hoeveelheid ammoniak die in de lucht zit. De droge depositie is de hoeveelheid ammoniak die bij droog weer vanuit de lucht op de bodem terechtkomt. Met de verfijnde methode komen de gemeten en berekende ammoniakconcentraties nog beter overeen. De methode De nieuwe methode is een nabewerking op de berekende concentratie en droge depositie van ammoniak. Lokaal kan de verhouding tussen berekende en gemeten ammoniakconcentraties verschillen. De nieuwe methode houdt hier beter rekening mee dan voorheen en past de berekende waarden aan de lokale situatie aan. De eerdere methode gebruikte hiervoor een vaste, landelijke factor. De lokale aanpassing is nu mogelijk, omdat er in de afgelopen jaren veel meetpunten zijn bijgekomen in het Meetnet ammoniak in Natuurgebieden (MAN). Beter inzicht Met de nieuwe methode zijn lokale verschillen tussen de gemeten en berekende ammoniakconcentraties kleiner. De berekende concentratie en droge depositie met de nieuwe methode zijn hoger in het (zuid)westen van Nederland. In het oosten van Nederland zijn die juist lager. De gemiddelde concentratie en droge depositie van ammoniak over heel Nederland blijft vrijwel hetzelfde.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

The National Immunisation Programme in the Netherlands : Surveillance and developments in 2019-2020 | RIVM

In 2019 zijn 1.520.301 kinderen en zwangere vrouwen gevaccineerd via het Rijksvaccinatieprogramma (RVP). In totaal kregen zij 2.929.264 vaccinaties. De landelijke vaccinatiegraad is voor het eerst sinds 5 jaar licht gestegen. Er waren in 2019 geen meldingen van difterie, tetanus, rodehond en polio. Net als in de vorige jaren waren er weinig meldingen van Haemophilus influenzae type b (Hib; 39). Het aantal meldingen van mazelen was met 84 relatief hoog. Het aantal meldingen van bof (131) was twee keer hoger dan in 2018. Het aantal meldingen van hepatitis B (1205) bleef stabiel. Het totale aantal meldingen van meningokokken W ziekte (62) daalde nadat de vaccinatie hiertegen in het Rijksvaccinatieprogramma is opgenomen (voor de leeftijd van 14 maanden en 14 jaar). Daarmee kwam een einde aan de stijging van 2015 tot 2018 (9 tot 103). Het aantal meldingen van kinkhoest (6383) was hoger dan in 2018. Sinds eind 2019 krijgen zwangeren een vaccinatie tegen kinkhoest (de zogeheten 22 wekenprik) om ernstige kinkhoest bij jonge baby's te voorkomen. Van maart 2020 tot en met juni zijn er tijdens de corona-maatregelen, waaronder social distancing en de sluiting van scholen, minder gevallen van kinkhoest, invasieve pneumokokkenziekte, meningokokkenziekte en bof gemeld. Het ministerie van VWS besloot in april 2020 de invoering van de vaccinatie tegen het rotavirus voor kinderen die een groter risico lopen om er ernstig ziek van te worden in het Rijksvaccinatieprogramma uit te stellen. Een nieuwe studie laat zien dat het vaccin deze risicogroep minder goed tegen dit virus beschermt dan was verwacht. Het ministerie heeft de Gezondheidsraad om een nieuw advies gevraagd. Dit wordt in 2021 verwacht. In 2020 zou de pneumokokkenvaccinatie worden aangeboden aan ouderen van 60, 65, 70 en 75 jaar. Vanwege de uitbraak van het nieuwe coronavirus heeft de staatssecretaris van VWS op advies van de Gezondheidsraad besloten om de vaccinatie in dat jaar aan te bieden aan de oudste leeftijdsgroepen (73 tot en met 79-jarigen).
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Landbouwpraktijk en waterkwaliteit in Nederland; toestand (2016-2019) en trend (1992-2019) : De Nitraatrapportage 2020 met de resultaten van de monitoring van de effecten van de EU Nitraatrichtlijn actieprogramma's | RIVM

De afgelopen dertig jaar heeft de Nederlandse overheid maatregelen genomen waardoor de concentraties stikstof en fosfor sterk zijn gedaald. Hierdoor is de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater verbeterd. Maar de waterkwaliteit is nog niet overal voldoende. In de bovenste meter van het grondwater van meer dan de helft van de landbouwbedrijven in de Zand- en Lössregio is de nitraatconcentratie te hoog. Dit geldt ook voor de bovenste meter van het grondwater in ruim dertig van de circa 200 grondwaterbeschermingsgebieden. Ook voldoet een groot deel van de oppervlaktewateren nog niet aan de gewenste kwaliteit en zijn de concentraties stikstof en fosfor er te hoog. Na 2015 neemt het teveel aan stikstof en fosfor toe. Dit is vanaf 2018 versterkt door de droge zomers. Bij droogte groeien planten minder goed, waardoor ze minder stikstof en fosfor uit de bodem opnemen. Ook wordt er minder nitraat in de bodem afgebroken en spoelt er meer weg naar het grond- en oppervlaktewater. Zo verdubbelde de nitraatconcentratie in het slootwater op landbouwbedrijven in de periode 2016 tot en met 2019. Toch was de nitraatconcentratie in het grond- en oppervlaktewater in deze periode gemiddeld genomen lager dan in de vier jaar ervoor. Stikstof en fosfor zijn stoffen in mest die landbouwbedrijven gebruiken om gewassen beter te laten groeien. Een teveel aan stikstof en fosfor kan wegspoelen naar het grond- en oppervlaktewater en dat vervuilen. Nitraat is een van de vormen waarin stikstof voorkomt in de bodem en het water. De verbeterde waterkwaliteit komt vooral doordat boeren steeds minder mest zijn gaan gebruiken. Hierdoor nam het te veel aan stikstof en fosfor in de bodem af. Dit betekent ook dat er minder nitraat met regenwater wegzakt naar diepere lagen in de bodem en zo in het grondwater terechtkomt. Hoe minder stikstof en fosfor in de bodem en in het grondwater zit, hoe minder er naar het oppervlaktewater stroomt. Het is belangrijk om schoon grond- en oppervlaktewater te hebben waar drinkwater van kan worden gemaakt. Ook zorgt schoon oppervlaktewater ervoor dat er meer verschillende planten en dieren kunnen leven in het water. Alles over nitraatrapportage 2020, uitleg en animatie: www.rivm.nl/nitraatrapportage2020
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Afleiding bij aanrijdingen op de werkplek : Een verkenning van het onderwerp en analyse van vijftig ernstige arbeidsongevallen | RIVM

Waar mensen werken, worden fouten gemaakt. Fouten kunnen gevolgen hebben voor de veiligheid, bijvoorbeeld als mensen even niet opletten. Een factor die onveilige situaties op de werkplek kan veroorzaken is dat mensen afgeleid raken. Dat is bijvoorbeeld het geval bij arbeidsongevallen door aanrijdingen tussen voertuigen en personen. Deze kunnen ontstaan als de aangereden voetganger of de bestuurder van het voertuig afgeleid zijn. Afleiding is niet te voorkomen, omdat mensen niet de hele dag honderd procent alert kunnen zijn. Het RIVM adviseert daarom om kritisch naar de werkprocessen te kijken, om gevaarlijke situaties te vermijden. Zorg er bijvoorbeeld voor dat voetgangers niet in de buurt van voertuigen komen in een gebied waar zowel de bestuurder als de voetganger zich moeten concentreren op hun taak. Dit blijkt uit een analyse van het RIVM van vijftig ernstige arbeidsongevallen uit de periode 2012-2018. Mensen kunnen op het werk afgeleid worden als zij bijvoorbeeld rommel op de grond zien, of een obstakel op hun pad, of zij concentreren zich op hun taak. Hierdoor merken ze veranderingen in de omgeving, zoals een passerende voetganger of een naderend voertuig, niet op. Mensen op het werk lijken de afleiding niet vrijwillig op te zoeken, zoals bestuurders van auto's op de weg dat kunnen doen met hun smartphone. Het RIVM heeft voor de analyse informatie gebruikt uit de database (Storybuilder), waarin ernstige arbeidsongevallen in Nederland worden geregistreerd. Daarnaast is informatie gebruikt uit databronnen van de inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Registratie voedselgerelateerde uitbraken : in Nederland, 2018-2019 | RIVM

Mensen kunnen ziek worden van voedsel. Als twee of meer mensen tegelijk ziek worden na het eten van hetzelfde voedsel, wordt dat een uitbraak door een voedselgerelateerde infectie genoemd. In de periode 2006-2017 zijn in totaal 4155 uitbraken met 21.802 zieke mensen geregistreerd. In 2018 zijn 756 uitbraken met 2805 zieken gemeld. In 2019 waren dat 735 uitbraken met 3058 zieken. Net als in voorgaande jaren blijft norovirus de belangrijkste veroorzaker van geregistreerde voedselgerelateerde uitbraken, gevolgd door de bacteriën Salmonella en Campylobacter. De cijfers komen van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en de GGD'en. Zij registreren en onderzoeken voedselgerelateerde infecties en vergiftigingen om meer zieken en uitbraken te voorkomen. Daartoe proberen ze vanuit hun eigen werkveld te achterhalen wat de besmettingsbronnen waren en de aard van de ziekteverwekkers. De NVWA onderzoekt het voedsel op ziekteverwekkers en de herkomst en plaats waar het is bereid of verkocht. De GGD richt zich op de personen die hebben blootgestaan aan besmet voedsel en probeert via hen de mogelijke besmettingsbronnen te herleiden. Het RIVM voegt de meldingen van de twee instanties samen en analyseert ze als één geheel. Deze aanpak geeft inzichten in oorzaken van voedselgerelateerde uitbraken in Nederland, de mate waarin ze voorkomen en mogelijke veranderingen hierin door de jaren heen. De genoemde getallen zijn wel een onderschatting van het werkelijke aantal voedselgerelateerde uitbraken en zieken. Dit komt onder andere doordat niet iedere zieke naar de huisarts gaat of de NVWA informeert. Ook is niet altijd duidelijk dat besmet voedsel de oorzaak van een ziekte is.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Gammastralingsniveaumetingen aan de terreingrens van COVRA N.V. te Borsele in 2019 met het MONET-meetnet | RIVM

Het gammastralingsniveau aan de terreingrens van de Centrale Organisatie voor Radioactief Afval (COVRA N.V.) te Borsele lag in 2019 onder het toegestane maximum van 40 microsievert per jaar. De hoogste vastgestelde dosis is 3,0 microsievert. Dit blijkt uit controlemetingen van het RIVM. Het RIVM rapporteert jaarlijks in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) en toetst of COVRA N.V. aan de vergunningseis voldoet. COVRA N.V. moet ervoor zorgen dat personen buiten de terreingrens aan maximaal 40 microsievert per jaar worden blootgesteld. Dat is in de kernenergiewetvergunning bepaald. Om de maximale effectieve dosis te berekenen wordt het gammastralingsniveau op twaalf locaties langs de terreingrens gemeten. Dit gebeurt met het MONET-meetnet, dat in beheer is van het RIVM. Van de metingen wordt vervolgens de hoeveelheid die van nature voorkomt afgetrokken (natuurlijke achtergrondwaarde). De resulterende meetwaarde wordt gecorrigeerd met de zogeheten Actuele Blootstellings Correctiefactor (ABC-factor). Een ABC-factor hangt samen met de bestemming van het gebied waar de effectieve gammastralingsdosis kan worden opgelopen. Na het gebruik van de ABC-factor is de berekende maximale effectieve gammadosis 3,0 microsievert per jaar. Dit is ruim onder de maximaal toegestane jaarlijkse limiet. In dit rapport zijn de daggemiddelden van de metingen van de twaalf MONET-monitoren aan de terreingrens van COVRA N.V. in 2019 weergegeven. Ook wordt uitgelegd hoe voor elk meetpunt de natuurlijke achtergrondwaarde is bepaald.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Staat van Zoönosen 2019 | RIVM

Het RIVM maakt in opdracht van de NVWA elk jaar een overzicht van de belangrijkste zoönosen en geeft daarin aan hoe vaak ze in Nederland voorkomen. Zoönosen zijn infectieziekten die van dier op mens kunnen worden overgedragen. Eind 2019 waren er meer meldingen van mensen met papegaaienziekte (ook wel psittacose of ornithose genoemd) dan in voorgaande jaren. In totaal zijn er 91 meldingen binnengekomen, ten opzichte van 64 in 2018 en 52 meldingen in 2017. De ziekteverwekker, Chlamydia psittaci, kan door vogels op mensen worden overgedragen. Dat gebeurt meestal via thuis gehouden vogels. Waarschijnlijk heeft ook besmetting via vogels in het wild aan de toename bijgedragen. Geïnfecteerde mensen krijgen niet altijd ziekteverschijnselen. Als dat wel zo is, zijn dat meestal griepachtige klachten met koorts, hevige hoofdpijn, spierpijn, hoesten, rillerigheid en zweten. In ernstigere gevallen kan een longontsteking ontstaan. In 2019 is bij zes hazen hazenpest (tularemie) aangetoond. De hazen kwamen uit vijf gebieden waar nog niet eerder hazenpest was gezien: Gelderland, Limburg, Noord-Holland, Overijssel en Utrecht. Artsen en laboratoria zijn sinds november 2016 verplicht om hazenpest te melden. De ziekte komt bij mensen weinig voor; in 2019 zijn vier meldingen binnengekomen. Mensen krijgen meestal zweren op de huid nadat ze contact hadden met besmette karkassen van dieren. Dat kan ook na een beet van een besmet insect. Andere mogelijke klachten zijn een oogontsteking, opgezwollen lymfeklieren, buikklachten/diarree, of een longontsteking. De Staat van Zoönosen 2019 behandelt elk jaar een thema. Dit keer is dat de internationale samenwerking bij de bestrijding van zoönosen. Het hoofdstuk beschrijft hoe landen en organisaties in de grensregio's, in Europa en wereldwijd met elkaar samenwerken.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Geluidmonitor 2019 : Meting en validatie van geluidproductie door rijkswegen en spoorwegen | RIVM

Het RIVM heeft de gemeten en berekende geluidniveaus over 2018 met elkaar vergeleken. De gemeten geluidniveaus langs rijkswegen lagen gemiddeld 2 decibel hoger dan de berekende waarden. Langs het spoor waren de gemeten en berekende geluidniveaus gemiddeld hetzelfde. Dit beeld komt overeen met de resultaten van de jaren 2013-2017. Zowel bij rijks- als spoorwegen varieert op sommige trajecten de mate waarin de berekende en gemeten geluidniveaus verschillen. Eind 2020 brengt het RIVM een apart onderzoek uit waarin de oorzaken van de verschillen tussen meten en rekenen in de Geluidmonitor 2019 worden onderzocht. De weg- en spoorbeheerder, Rijkswaterstaat en ProRail, berekenen elk jaar hoeveel geluid het verkeer op de weg en het spoor maakt. Het RIVM toetst elk jaar met metingen de resultaten van de berekeningen. Het is belangrijk dat de berekeningen zo veel mogelijk aansluiten bij de praktijk. Zowel deze validatie als de berekeningen zijn een verplichting vanwege de Wet milieubeheer. Deze monitor bevat ook de door het RIVM gemeten geluidniveaus in 2019. De weg- en spoorbeheerder maken de berekeningen over 2019 in de tweede helft van 2020 openbaar. Deze berekeningen worden in de Geluidmonitor 2020 vergeleken met de gemeten geluidniveaus in 2019. Deze monitor verschijnt in 2021.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Validatie rekenhart AERIUS lucht | RIVM

De luchtkwaliteit in Nederland wordt gemonitord in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De luchtkwaliteit wordt berekend met behulp van technische rekenregels die voldoen aan de wettelijk voorgeschreven standaard rekenmethoden voor luchtkwaliteit. Het gaat hierbij specifiek om de rekenmethoden voor de luchtkwaliteit langs wegen in stedelijk gebied en rond snelwegen. Het rekenmodel voor het NSL is nu vervangen door AERIUS lucht en is gevalideerd als rekenmodel luchtkwaliteit. In dit rapport wordt de validatie van AERIUS lucht toegelicht. Een nieuw rekenmodel luchtkwaliteit wordt standaard gevalideerd door het RIVM. Dat gebeurt door de resultaten te vergelijken met die van het rekenmodel van het RIVM (TREDM). Het rekenmodel van het RIVM werkt ook met de wettelijk voorgeschreven standaardrekenmethoden. Om mogelijke discussies over de werkwijze te voorkomen heeft een onafhankelijke organisatie het validatieproces gecontroleerd. Volgens hen is de validatie goed uitgevoerd. Zie rapport: https://vito.be/sites/vito.be/files/rapport_rivm2.pdf De oude NSL-rekenmethode is van 2010 tot en met 2019 gebruikt. Het nieuwe model sluit aan bij de laatste ontwikkelingen in de wetenschap en ict. Het nieuwe model is in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) gebouwd. Zie ook rapport: Actualisering en addenda SRM-1 en SRM-2 https://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/2020-0118.pdf
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Actualisering en addenda SRM-1 en SRM-2 | RIVM

De Nederlandse overheid stelt rekenmodellen vast om de luchtkwaliteit langs wegen te berekenen. Met behulp van zogeheten technische rekenregels kunnen de rekenmodellen de luchtkwaliteit in een bepaalde omgeving goed berekenen. Het RIVM heeft in 2014 de technische regels voor het rekenen in een stedelijke omgeving (SRM-1) en langs (snel)wegen (SRM-2) in twee rapporten gepubliceerd. De Nederlandse wetgeving (Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007) verwijst naar deze rapporten. Er is nu een nieuw rapport verschenen als aanvulling op de twee rapporten met de technische rekenregels. Dit rapport bevat aanpassingen die door de jaren heen zijn gemaakt. In die tijd heeft het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) sommige rekenregels voor de luchtkwaliteit uitgebreider en/of preciezer omschreven. Dit is in overleg met het RIVM gedaan. Het RIVM publiceert de aanpassingen op verzoek van IenW. Dit rapport is een aanvulling op de twee rapporten die in 2014 zijn verschenen: https://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/2014-0127.pdf en https://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/2014-0109.pdf Zie ook rapport: Validatie rekenhart AERIUS lucht https://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/2020-0119.pdf
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Health survey on people living in the direct vicinity of agricultural plots: additional analyses | RIVM

Mensen die binnen 250 meter van landbouwpercelen wonen waar bestrijdingsmiddelen worden gebruikt, hebben over het algemeen niet méér gezondheidsproblemen dan mensen met geen of weinig landbouwpercelen in de buurt. Deze conclusie komt overeen met de resultaten van een verkenning uit 2018. Hierin waren andere uitgangspunten gebruikt. Er zijn een paar uitzonderingen op dit algemene beeld uit de twee verkenningen. Het wonen dicht bij maisteelt lijkt samen te gaan met een grotere kans op overlijden aan luchtwegaandoeningen. Verder is dicht bij roulatieteelt granen/bieten/aardappelen mogelijk meer sterfte door leukemie en lijkt dicht bij graanteelt meer zelfdoding voor te komen. Met de beschikbare gegevens was het niet mogelijk om deze bevindingen te verklaren. Specifieker onderzoek is nodig om meer te weten te komen over de relatie tussen bestrijdingsmiddelen en de gezondheid van omwonenden. Als daartoe wordt overgegaan dan adviseren de onderzoekers om de blootstelling aan specifieke bestrijdingsmiddelen gedetailleerd in kaart te brengen. Centraal in dat onderzoek zouden dan kunnen staan COPD en andere gezondheidsproblemen die in de wetenschappelijke literatuur regelmatig naar voren komen, zoals leukemie, de ziekte van Parkinson en cognitieve effecten. Daarvoor is dan ook meer informatie nodig over individuele factoren die invloed hebben op de gezondheid, zoals leefstijl. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM, de Universiteit Utrecht en het Nivel. Het onderzoek is een aanvulling op onderzoek uit 2018 naar de gezondheid van omwonenden van landbouwpercelen voor bepaalde gewassen. De Gezondheidsraad gaat het kabinet adviseren welk vervolgonderzoek moet worden uitgevoerd. VWS heeft om deze aanvullende analyses gevraagd. Aanleiding was onderzoek uit 2019, gecoördineerd door het RIVM, naar de blootstelling van omwonenden van bloembollenvelden aan chemische bestrijdingsmiddelen. Daaruit bleek dat de concentraties bestrijdingsmiddelen in huisstof binnen 250 meter tot de bespoten bloembollenvelden weinig verschilden. Er waren meer verschillen ten opzichte van woningen op meer dan 500 meter van de bloembollenvelden.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2020 | RIVM

Het RIVM heeft berekend hoeveel ambulances er in Nederland in 2020 nodig zijn. Op werkdagen overdag zijn dat er 642, 20 meer dan vorig jaar is berekend. De belangrijkste verklaring voor de extra 20 ambulances is dat er meer standplaatsen nodig zijn. Er zijn meer standplaatsen nodig doordat de uitgangspunten van het rekenmodel zijn aangepast. Verder zijn door de bijgestelde uitgangspunten ook extra ambulances toebedeeld aan regio's waar de werkdruk erg hoog is. Een derde verklaring is dat er in 2019 meer ritten zijn gereden; het aantal ritten in het jaar ervoor wordt gebruikt in het rekenmodel. Het 'referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg' berekent het aantal ambulances waarmee de ambulancezorg in Nederland kan worden uitgevoerd. Dit model is gebaseerd op een aantal uitgangspunten voor de Nederlandse ambulancezorg. Voorbeelden zijn de tijd na een melding waarbinnen een ambulance ter plaatse moet zijn en de spreiding van de standplaatsen over het land. Het model is dit jaar aangepast om de 25 Regionale Ambulance Voorzieningen (RAV's) in Nederland vergelijkbare randvoorwaarden te geven voor de spreiding en capaciteit. Het ministerie van VWS, de Ambulancezorg Nederland (AZN) en Zorgverzekeraars Nederland (ZN) hebben de uitgangspunten bijgesteld. De minister voor Medische Zorg en Sport heeft het nieuwe referentiekader vastgesteld. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) gebruikt de uitkomsten om te bepalen hoe de kosten van de ambulancezorg gedekt zullen worden.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Eet en drinkt Nederland volgens de Richtlijnen Schijf van Vijf? Resultaten van de voedselconsumptiepeiling 2012-2016 | RIVM

Het Nederlandse voorlichtingsmodel over voeding, de Schijf van Vijf, laat zien wat gezond eten inhoudt. Het gaat om een voedingspatroon dat genoeg energie en voedingsstoffen levert en mensen gezond houdt of gezonder maakt. Het RIVM heeft gekeken in hoeverre het Nederlandse voedingspatroon tussen 2012 en 2016 overeenkomt met de aanbevelingen van de Schijf van Vijf. Daaruit blijkt dat veel Nederlanders minder dan de aanbevolen hoeveelheden van de producten in de Schijf van Vijf eten en drinken. Ook eten ze veel producten die buiten de Schijf van Vijf vallen, terwijl het Voedingscentrum adviseert om deze producten niet te veel en niet te vaak te eten. Jonge kinderen en ouderen eten vaker volgens de Richtlijnen Schijf van Vijf dan de andere leeftijdsgroepen. De resultaten van dit onderzoek laten zien dat in Nederlandend het voedingspatroon gezonder kan en geven handvaten voor de voorlichting over een gezond voedingspatroon. Minder dan 10 procent van de Nederlanders eet de aanbevolen hoeveelheden groenten, peulvruchten, aardappelen en graanproducten, en smeer- en bereidingsvetten. Meer dan een derde van de Nederlanders eet voldoende brood en kaas, maar zij kiezen dan vooral voor soorten die weinig vezels, veel ongunstige vetten of veel zout bevatten. Als alleen naar de aanbevolen soorten wordt gekeken (zoals volkorenbrood en vetarme kaas), volgt ook minder dan 10 procent van de Nederlanders de richtlijnen voor deze productgroepen. Ongeveer twee derde deel van de Nederlanders eet meer vlees(producten) dan wordt aanbevolen en kiest daarbij voor de ongezondere vleessoorten, zoals vleeswaren, worst en hamburgers. Een derde deel van de totale hoeveelheid die we eten en drinken staat niet in de Schijf van Vijf. Dit deel is minder gezond. Deze producten bevatten vaak veel calorieën en ongunstige voedingsstoffen. Zo krijgen we veel zout, suiker en ongunstige vetten binnen door hartige en zoete snacks te eten. Via dranken die buiten de Schijf vallen, krijgen we alcohol en veel suiker binnen.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

COVID-19 / SARS-CoV-2 : Background information for the Health Council | RIVM

COVID-19 is een ziekte die wordt veroorzaakt door een infectie met het SARS-CoV-2-virus. Dit nieuwe coronavirus is eind 2019 voor het eerst ontdekt in China. Sindsdien heeft het zich verspreid over de wereld en een pandemie veroorzaakt. In Nederland is de eerste patiënt officieel in februari 2020 gemeld. Op dit moment wordt er aan veel verschillende vaccins tegen COVID-19 gewerkt. Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) heeft de Gezondheidsraad gevraagd een advies te geven wie voor de COVID-19-vaccinatie in aanmerking kan komen. Dan kunnen voorbereidingen getroffen worden voor het moment dat het vaccin er in Nederland is. Om de Gezondheidsraad hierbij te ondersteunen heeft het RIVM achtergrondinformatie over vaccinatie tegen COVID-19 verzameld. In dit overzicht staat alle informatie die er over COVID-19 is. Het gaat onder andere over de ziekteverwekker, hoe hij wordt overgebracht, welke klachten mensen ervan kunnen krijgen, en welke factoren het risico op een besmetting vergroten. Daarnaast staat erin welke vaccins in ontwikkeling zijn en hoe zij mensen beschermen, hoe het registratieproces voor vaccins werkt, de acceptatie van het publiek van vaccinatie, en overwegingen over de kosten van vaccinatie ten opzichte van de effectiviteit. De symptomen van COVID-19 variëren van zeer mild tot ernstig. Klachten aan de luchtwegen kunnen mild zijn en niet-specifieke klachten geven, maar ook een aanhoudende droge hoest en ademhalingsproblemen. Er kan ook een ernstige longontsteking ontstaan waarbij mensen moeten worden beademd. Koorts, droge hoest, kortademigheid, moeheid, en misselijkheid zijn de meest voorkomende klachten. Verlies van smaak en geur komt ook veel voor. Complicaties kunnen trombose en een tekort aan zuurstof zijn. Ook kunnen andere organen worden aangetast, zoals het hart, de nieren en de lever. Mensen die al een andere chronische ziekte hebben en mensen die ouder zijn dan 70 jaar, hebben een groter risico om ernstig ziek te worden of te overlijden.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Cumulative dietary exposure to pesticides in the Netherlands | RIVM

Via ons voedsel worden we bijna elke dag blootgesteld aan resten van gewasbeschermingsmiddelen. Dit zijn vaak verschillende middelen tegelijk. Deze gelijktijdige blootstelling kan een risico zijn voor de gezondheid. Het RIVM heeft berekend hoe groot de gelijktijdige blootstelling is aan gewasbeschermingsmiddelen die effecten kunnen hebben op ons zenuwstelsel. De berekende hoeveelheid is lager dan de blootstelling die veilig wordt geacht. Deze blootstelling geeft daarom geen risico op schadelijke effecten op het zenuwstelsel. Als we meerdere middelen tegelijk binnenkrijgen, noemen we dat cumulatieve blootstelling. Verschillende soorten groenten of vruchten kunnen bijvoorbeeld elk een ander gewasbeschermingsmiddel bevatten. Het kan ook zijn dat er op één soort groente of vrucht resten van verschillende middelen zitten. In ons eten zitten ook gewasbeschermingsmiddelen die ándere gezondheidseffecten kunnen hebben dan op ons zenuwstelsel. Ze kunnen bijvoorbeeld schadelijk zijn voor de lever en/of nieren. Het is nog niet bekend bij welke groepen middelen deze of andere effecten kunnen optreden. De Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA) onderzoekt dat op dit moment. Zodra zo'n groep middelen bekend is, moet de cumulatieve blootstelling daarvan berekend worden. Zo wordt bepaald of er een gezondheidsrisico is in Nederland.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

The diet of the Dutch Results of the Dutch National Food Consumption Survey 2012-2016 | RIVM

De Nationale Voedselconsumptiepeiling 2012-2016 laat zien hoeveel en wat mensen in Nederland eten en drinken. De peiling geeft ook aan wat daarin is veranderd sinds de vorige peiling in 2007-2010. Resultaten over deze peiling zijn al eerder gepubliceerd op www.wateetnederland.nl . Dit Engelstalige rapport beschrijft en bediscussieert de onderzoeksmethode en resultaten in detail. Het is bedoeld voor (inter)nationale wetenschappers en professionals. Voorzichtige verbetering De afgelopen jaren is het Nederlandse voedingspatroon voorzichtig verbeterd. Zo zijn Nederlanders meer fruit gaan eten en lijken ze ook meer groenten te eten. Verder eten ze minder vlees en drinken ze minder suikerhoudende dranken. Toch is er nog veel gezondheidswinst te behalen omdat de meeste Nederlanders zich niet aan de Richtlijnen goede voeding houden. Als de positieve ontwikkelingen doorgaan, kan dit helpen om overgewicht en chronische ziekten te voorkomen. Voedingsstoffen Nederlanders krijgen voldoende koolhydraten, eiwitten, onverzadigde vetzuren en niet te veel transvetzuren binnen. Wel drinken ze te veel alcohol en krijgen ze te veel zout, te veel vet en verzadigde vetzuren binnen, en te weinig voedingsvezels. Bepaalde leeftijdsgroepsgroepen krijgen van sommige mineralen en vitamines weinig binnen, zoals van vitamine A en calcium. Er zijn geen concrete aanwijzingen dat dit zorgelijk is voor hun gezondheid. Een uitzondering hierop is vitamine D. Daarvan neemt maar ongeveer de helft van de vrouwen van 50+ en een op de vijf mannen van 70+ voldoende vitamine D-supplementen in. Oudere mensen met een tekort aan vitamine D hebben een groter risico op botbreuken. Bevolkingsverschillen Over het algemeen volgen vrouwen, mensen met hogere leeftijd, mensen zonder overgewicht en hoger opgeleiden beter de richtlijnen dan mannen, jongvolwassenen en lager opgeleiden. Er zijn geen duidelijke verschillen tussen regio's en tussen steden en landelijk gebied. Gebruik van de voedselconsumptiepeiling Het RIVM bracht het voedingspatroon van ruim 4000 kinderen en volwassenen in kaart. Met deze gegevens kunnen beleidsmakers en professionals werken aan gezonde voeding en duurzaam en veilig voedsel, productinnovatie, voorlichting en voedingsonderzoek.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Health effects related to wind turbine sound: an update | RIVM

Vragen over gezondheidseffecten spelen een prominente rol in lokale discussies over de plannen voor uitbreiding van het windpark in Nederland, Zwitserland en elders. Het Zwitserse Federale Milieubureau vroeg het RIVM de literatuur verschenen tussen 2017 en medio 2020 op een rij te zetten, over het effect van geluid van windturbines op de gezondheid van omwonenden. Het RIVM en Mundonovo sound research verzamelden de wetenschappelijke literatuur over het effect van windturbines op ervaren hinder, slaapverstoring, hart- en vaatziekten en de stofwisseling. Ook werd bekeken wat bekend is over hinder door de visuele aspecten van windturbines en andere niet-akoestische factoren, zoals het lokale besluitvormingsproces. Uit de literatuurstudie blijkt dat hinder optreedt als gevolg van geluid: hoe sterker het geluid (in dB) van windturbines, hoe groter de hinder ervan. Uit de literatuur bleek niet dat het zogeheten 'laagfrequent geluid' (lage tonen) van windturbines voor extra hinder zorgt tot die gerelateerd aan "gewoon" geluid. Voor andere gezondheidseffecten zijn de resultaten van wetenschappelijk onderzoek niet eenduidig: deze effecten hangen niet duidelijk samen met het geluidniveau, maar soms wel met de ervaren hinder. Deze resultaten onderbouwen de eerdere conclusies van een vergelijkbare opdracht drie jaar geleden. De literatuur liet duidelijk zien dat omwonenden minder hinder hebben van de windturbines als ze betrokken werden bij de plaatsing ervan. Door mee te kunnen denken over de plaatsing en de balans tussen kosten en baten, ervaren omwonenden minder hinder. Het is daarom belangrijk zorgen van omwonenden serieus te nemen en hen te betrekken bij het planningsproces en de plaatsing van windturbines.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

GGD-richtlijn medische milieukunde : Veehouderij en gezondheid | RIVM

Kijk voor de meest actuele versie op https://www.rivm.nl/ggd-richtlijn-mmk-veehouderij De aanwezigheid van intensieve veehouderij kan invloed hebben op de gezondheid van omwonenden. De GGD'en hebben de richtlijn 'Veehouderij en gezondheid' ontwikkeld zodat ze op dezelfde manier hierover kunnen adviseren. De coördinatie van de richtlijn ligt bij het RIVM. De richtlijn beschrijft de huidige kennis over veehouderij en gezondheid. Ook geeft de richtlijn input voor gezondheidskundige adviezen voor omwonenden in verschillende situaties. Denk aan de uitbreiding of vestiging van veehouderijbedrijven, of de gebiedsinrichting van het platteland. Er is veel gezondheidswinst te behalen wanneer goed wordt nagedacht over de ruimtelijke inrichting, dus bij het opstellen van omgevingsvisies en plannen. Daarom is de GGD bij voorkeur vroeg in dit proces betrokken. De GGD heeft twee uitgangspunten bij zijn adviezen. De eerste is voorzorg: wees terughoudend met het plaatsen van gevoelige bestemmingen en veehouderijen binnen 250 meter van elkaar (bij geitenhouderijen binnen 2 kilometer). Gevoelige bestemmingen zijn bijvoorbeeld woningen, scholen, en ziekenhuizen. Het tweede uitgangspunt is het streven om de uitstoot van geur, stof, endotoxinen (kleine stukjes bacteriën) en ammoniak van veehouderijen te verminderen.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland : Rapportage 2020 | RIVM

Het RIVM maakt elk jaar kaarten van de luchtverontreiniging in Nederland. Dit gebeurt voor heel veel stoffen, waaronder stikstofdioxide, ammoniak en fijnstof. Ook wordt de hoeveelheid stikstof die op de bodem en planten neerslaat, de stikstofdepositie, in kaart gebracht. Naast de jaarlijkse berekeningen maakt het RIVM verwachtingen voor 2020, 2025 en 2030. Hierbij is geen rekening gehouden met de mogelijke langetermijneffecten van de COVID-19-pandemie. De kaarten worden gebruikt om de ontwikkeling van de luchtkwaliteit en de stikstofdepositie in Nederland te volgen. De overheden gebruiken de kaarten om nieuw beleid te maken om de luchtkwaliteit te verbeteren en de stikstofdepositie te verminderen. Luchtverontreiniging is schadelijk voor de volksgezondheid. Te veel stikstofdepositie op natuurgebieden is schadelijk voor het aantal soorten. De kaarten worden gemaakt door metingen te combineren met modelberekeningen. Zo komen de kaarten het beste overeen met de werkelijke situatie. Stikstofdioxide- en fijnstofconcentraties De gemeten concentraties stikstofdioxide in de lucht zijn in 2019 gemiddeld iets (circa 5 procent) lager dan in 2018. Naar verwachting zullen de gemiddelde concentraties in Nederland in 2030 ongeveer 30 procent lager zijn dan de concentraties in 2019. Deze concentraties dalen iets minder dan vorig jaar, werd verwacht. Dit komt vooral doordat de verkeersemissies naar verwachting minder zullen dalen. De gemeten concentraties fijnstof (PM10 en PM2,5) waren in 2019 ook iets lager dan in 2018 (ongeveer 7 procent en 13 procent). De verwachting is dat de gemiddelde berekende Nederlandse concentraties fijnstof (PM10 en PM2,5) in de komende tien jaar nog ongeveer 13 respectievelijk 20 procent dalen. Ammoniakconcentraties en stikstofdepositie Ammoniak in de lucht levert een belangrijke bijdrage aan de hoeveelheid stikstof die uiteindelijk op de bodem en planten neerslaat. De concentraties ammoniak in de lucht zijn daarom een graadmeter voor de hoeveelheid ammoniak die neerslaat. De gemeten concentraties ammoniak in de lucht zijn in 2019 ongeveer 12 procent lager dan in 2018. In 2018 waren de concentraties door de weersomstandigheden overigens hoger dan normaal De gemiddelde stikstofdepositie op het totale Nederlandse landoppervlak was in 2019 circa 7 procent lager dan in 2018. De verwachting, vanuit het huidige beleid, is dat deze stikstofdepositie in Nederland tot 2030 met ongeveer 15 procent zal dalen. De stikstofdepositie is vooral van belang in de Natura 2000- gebieden. De gemiddelde daling tussen 2019 en 2030, in de Natura 2000- gebieden op het Nederlandse landoppervlak, is ook ongeveer 15 procent.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Inzicht in beleidsacties richting een circulaire economie : Monitoring van acties en verkenning van transitie-indicatoren per prioritaire keten | RIVM

De Nederlandse rijksoverheid streeft naar een circulaire economie in 2050. Om deze overgang te stimuleren heeft zij doelen en acties beschreven voor beleid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. De doelen en acties om deze transitie te versnellen staan beschreven in het Uitvoeringsprogramma circulaire economie 2019 het Rijksbrede programma circulaire economie (2016) en de Transitieagenda's (2018). Vijf sectoren hebben voorrang: biomassa en voedsel, kunststoffen, de maakindustrie, consumptiegoederen en de bouw. Inmiddels zijn de acties in het Uitvoeringsprogramma goed van start gegaan: in september 2019 was ruim tachtig procent in uitvoering. Om de versnelling naar de circulaire economie te realiseren, beveelt het RIVM de overheid aan om concreter te benoemen welke veranderingen Nederland in gang wil zetten. Dit maakt het makkelijker om te bepalen welke acties nodig zijn. Ook is daardoor beter te monitoren welke verandering per sector plaatsvindt. Het RIVM heeft geanalyseerd op welk type actie de nadruk ligt in de drie genoemde beleidsdocumenten. Er blijkt nog vrij weinig aandacht te zijn voor hergebruik en reparatie van producten en materialen, en voor productontwerp. Deze aandacht is nodig voor de gewenste versnelling, wat betrokken partners in reflectiebijeenkomsten bevestigen. Het RIVM beveelt ook aan gedetailleerder in kaart te brengen waar acties per sector zich vooral op richten. Uit de inventarisatie blijkt dat voor een deel van de acties data over de voortgang ontbreken. Voor een goede monitoring is het belangrijk om deze informatie voor alle acties op dezelfde wijze beschikbaar te hebben. Het bleek waardevol om de analyse van de nadruk en de voortgang met alle betrokken partners te bespreken. Het resultaat is te gebruiken voor de jaarlijkse actualisatie van het uitvoeringsprogramma. Om de resultaten van de acties te kunnen gaan meten, stelt het RIVM per sector indicatoren voor. Denk aan de mate waarin overheden circulair inkopen en de bouwsector materialenpaspoorten gebruikt. Veel data voor de indicatoren kunnen uit bestaande lokale bronnen worden gehaald, maar zijn nog niet structureel beschikbaar. Aanbevolen wordt voor een aantal indicatoren gericht data te verzamelen, te beginnen met indicatoren waarvoor data beschikbaar zijn.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Effectiviteit van gebruiksadviezen bij diffuus lood in de bodem : Rapportage over een onderzoek in de gemeente Zaanstad | RIVM

In veel oude binnensteden en stedelijke gebieden is de bodem 'diffuus' verontreinigd met lood. Dit betekent dat er geen duidelijke bron van de verontreiniging is. Ook verschillen de loodgehalten in het gebied sterk en is een groot gebied verontreinigd. Dit is vooral het geval in wijken in vooroorlogse stadscentra, oude dorpskernen en veengebieden waarvan de grond is opgehoogd en verstevigd. Omdat het duur en ingrijpend is om alle bodem in deze gebieden schoon te maken, vertrouwen beleidsmakers bij de aanpak van diffuus lood deels op gebruiksadviezen, die de blootstelling zouden moeten verkleinen. Voorbeelden zijn handen wassen na tuinieren en kinderhanden wassen na buiten spelen en groenten kweken in bakken met schone aarde. Door gedrag dat mensen uit zichzelf doen, zoals zelfgekweekte groenten wassen en tuinen betegelen, wordt de blootstelling ook verlaagd, maar dat is niet genoeg. Het was nog niet bekend of bewoners gebruiksadviezen opvolgen en hiermee de blootstelling inderdaad verkleinen. Kennis hierover is belangrijk, omdat lood in de bodem al snel risico's kan hebben voor de gezondheid van mensen, en vooral van kinderen. Ook bij lage blootstellingen. Het RIVM heeft in Zaanstad onderzocht of bewoners gebruiksadviezen ontvangen en als een gevolg hiervan extra maatregelen nemen. Dat laatste blijkt minder vaak te gebeuren dan wordt gedacht, ondanks een groots opgezette communicatiecampagne. Het gevolg van deze resultaten kan zijn dat extra maatregelen nodig zijn, zoals gebruiksbeperkingen of de grond vaker schoonmaken. Om dat zeker te weten adviseert het RIVM om het onderzoek in andere gemeenten te herhalen.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Medicijnresten en waterkwaliteit: een update | RIVM

Medicijnresten komen na gebruik door de patiënt via het riool in het oppervlaktewater terecht. Volgens het RIVM zijn de medicijnresten een risico voor dieren en planten die in het oppervlaktewater leven. Regelmatig gaan concentraties van verschillende soorten medicijnresten over risicogrenzen heen: van pijnstillers en antibiotica tot bloeddrukverlagers, antidepressiva en anti-epileptica. Dit blijkt uit nieuw onderzoek van het RIVM en Deltares naar medicijnresten in oppervlaktewater. In 2017 en 2018 hebben concentraties van 19 verschillende stoffen een of meerdere keren de risicogrens overschreden. Waarschijnlijk gebeurt dit vaker. Veel medicijnresten hebben namelijk een heel lage risicogrens. Waterbeheerders zijn niet altijd in staat stoffen op dit lage niveau aan te tonen. Jaarlijks bereikt minstens 190 ton medicijnresten het oppervlaktewater. Dat is meer dan het RIVM in 2016 schatte (minstens 140 ton). Dat komt omdat er nauwkeurigere gegevens zijn gebruikt over de mate waarin medicijnen in de mens worden afgebroken en de rioolwaterzuivering ze uit het afvalwater haalt. De werkelijke hoeveelheid medicijnresten die in het oppervlaktewater belandt is nog groter, omdat de huidige schatting voornamelijk gaat over receptgeneesmiddelen uit de openbare apotheek. Het gebruik van geneesmiddelen uit de vrije verkoop en de specialistische zorg is niet bekend. Er is ook geen rekening gehouden met afbraakproducten die in het water weer de vorm van de oorspronkelijke werkzame stof kunnen krijgen. Deze terugvorming zorgt mogelijk voor nog eens 50 tot 500 ton extra medicijnresten per jaar. De huidige analyse laat zien dat medicijnresten een risico vormen voor het watermilieu. Onderzoek naar nog meer stoffen kan het beeld genuanceerder maken, maar verandert de conclusie voor de stofgroep als geheel niet. Deze informatie kan beleidsmakers helpen om te beslissen of en waar maatregelen nodig zijn. Dit onderzoek is een vervolg op een eerdere studie uit 2016, waarin meetgegevens uit 2014 zijn gebruikt. Het RIVM en Deltares hebben nu nieuwe meetgegevens van waterbeheerders uit 2017 en 2018 gebruikt. Het onderzoek bevestigt de conclusies uit 2016.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Grip op chemische stoffen : Jaarverslag Bureau REACH 2019 | RIVM

Chemische stoffen zijn niet weg te denken uit onze maatschappij, van weekmakers in plastic, brandvertragers in matrassen tot kleurstoffen in verf. Om ervoor te zorgen dat veilig met deze stoffen wordt omgegaan, zowel tijdens de productie als bij het gebruik, is er Europese wetgeving opgesteld. De belangrijkste zijn twee Europese verordeningen: REACH (Registratie, Evaluatie, Autorisatie en restrictie van CHemische stoffen) en CLP (Classification (indeling), Labeling (etikettering) en Packaging (verpakking) van stoffen en mengsels). In opdracht van de Ministeries van IenW, VWS en SZW ondersteunt en adviseert Bureau REACH van het RIVM de uitvoering van deze Europese wetgeving. Dit jaarverslag beschrijft in hoofdlijnen de activiteiten in 2019 en belicht enkele specifieke cases. Bijvoorbeeld de officiële identificatie van GenX als Europese zeer zorgwekkende stof voor autorisatie (SVHC). Verder blijkt dat de te lage dosering van chemische stoffen in toxiciteitstesten gevolgen heeft voor de mogelijkheid om risicobeheersmaatregelen op te leggen bij het gebruik van die stoffen. Bureau REACH stelt onder andere dossiers op om aanvullende informatie over de schadelijkheid van een stof te vragen, of om de stof te identificeren als zeer ernstige zorgstof. Ook kan de classificatie van een stof Europees worden vastgesteld. Verder beoordeelt Bureau REACH dossiers die door andere landen en de industrie worden ingediend.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Stralingsniveaumetingen aan het terrein van de EPZ kerncentrale Borssele in 2019 | RIVM

Het gammastralingsniveau aan de terreingrens van kerncentrale Borssele lag in 2019 onder het toegestane maximum van 10 microsievert per jaar. De hoogste vastgestelde dosis is 1,5 microsievert. Dit blijkt uit controlemetingen van het RIVM. Het RIVM rapporteert jaarlijks in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) of de kerncentrale aan de vergunningseis voldoet. De kerncentrale moet ervoor zorgen dat de blootstelling van personen buiten de terreingrens maximaal 10 microsievert per jaar is. Dat is in de revisie van de kernenergiewetvergunning van 2016 vastgelegd. Om de maximale effectieve dosis te berekenen wordt op de terreingrens het gammastralingsniveau gemeten. Dit gebeurt met het door het RIVM beheerde MONET-meetnet. Van de meting wordt vervolgens de natuurlijke achtergrondwaarde afgetrokken. De resulterende meetwaarde wordt gecorrigeerd met de zogeheten Actuele Blootstelling Correctiefactor (ABC-factor). Een ABC-factor hangt samen met de bestemming van het gebied waar de effectieve stralingsdosis kan worden opgelopen. Rond het terrein van kerncentrale Borssele is de bestemming uitsluitend industriële doeleinden en daarvoor geldt een ABC-factor van 0,2. Na de toepassing van deze ABCfactor is de berekende maximale effectieve dosis 1,5 microsievert per jaar. In 2019 is met acht monitoren op de terreingrens het gammastralingsniveau continu gemeten. In dit rapport zijn de daggemiddelden van de metingen van de MONET-monitoren rond de kerncentrale in 2019 weergegeven. Ook wordt uitgelegd hoe voor elk meetpunt de natuurlijke achtergrondwaarde is bepaald.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Verkorte uitvoeringstoets aanvulling bevolkingsonderzoek borstkanker met MRI voor vrouwen met zeer dicht borstweefsel. September 2020 | RIVM

Volgens het RIVM is het in principe mogelijk het bevolkingsonderzoek borstkanker uit te breiden met een MRI-scan voor vrouwen die zeer dicht borstweefsel hebben. Deze vrouwen hebben een grotere kans op borstkanker en tumoren in zeer dicht borstweefsel zijn op de gewone röntgenfoto moeilijker te zien. Een belangrijke randvoorwaarde voor de uitbreiding van het bevolkingsonderzoek is dat er voldoende medisch personeel beschikbaar is op de arbeidsmarkt. Er moet nog onderzocht worden of er bij de vrouwen in de doelgroep en bij de bestuurders van ziekenhuizen genoeg draagvlak is voor de uitbreiding. Dit onderdeel van de 'verkorte uitvoeringstoets' naar de uitbreiding is vertraagd door de uitbraak van het nieuwe coronavirus. Het RIVM adviseert om het MRI-onderzoek in ziekenhuizen uit te voeren, gecoördineerd door de screeningsorganisaties. De belangrijkste reden is dat ziekenhuizen de noodzakelijke medische zorg in huis hebben als mensen allergisch reageren op de contrastvloeistof die zij voor de MRI krijgen ingespoten. Deze reactie komt heel weinig voor maar vraagt om acute zorg. Landelijke voorwaarden en meetprotocollen zorgen ervoor dat ziekenhuizen het MRI-onderzoek op dezelfde manier doen. Dat is belangrijk om resultaten te kunnen vergelijken en bij te kunnen houden hoe vaak een tumor wordt opgespoord met deze uitbreiding van het bevolkingsonderzoek. Het RIVM onderzocht of de uitbreiding van het bevolkingsonderzoek naar borstkanker met een MRI voor vrouwen met zeer dicht borstweefsel uit te voeren is. Als uit het gewone bevolkingsonderzoek blijkt dat een vrouw zeer dicht borstweefsel heeft, wordt zij bij deze uitbreiding uitgenodigd voor een aanvullende MRI. Het gaat om ongeveer 8 procent van de vrouwen van 50 tot 75 jaar die worden uitgenodigd voor het bevolkingsonderzoek borstkanker, zo'n 80.000 vrouwen per jaar. Deze uitvoeringstoets van het RIVM wordt tegelijk uitgebracht met het advies van de Gezondheidsraad over de uitbreiding. Het RIVM heeft drie mogelijkheden geanalyseerd om een MRI-onderzoek uit te voeren: in mobiele MRI-bussen, in MRI-centra speciaal voor de screening, en in ziekenhuizen. Alle betrokken organisaties hebben aan de analyse meegewerkt: de screeningsorganisaties, de kenniscentra voor de bevolkingsonderzoeken naar kanker, koepels van beroepsgroepen in de zorg, ziekenhuizen (met name radiologen), een patiëntenorganisatie, Zorgverzekeraars Nederland, en overheidsorganisaties die zich bezighouden met de kwaliteit en financiering van de zorg.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Particulier gebruik van gewasbeschermingsmiddelen | RIVM

Particulieren gebruiken de laatste jaren meer bestrijdingsmiddelen in hun tuin. Deze middelen worden gewasbeschermingsmiddelen genoemd. Tuinbezitters gebruiken vooral steeds meer middelen tegen insecten. De hoeveelheid gebruikte middelen tegen onkruid blijft gelijk. Tegen onkruid gebruikt men wel steeds meer bestrijdingsmiddelen op basis van organische zuren en minder op basis van glyfosaat. Het Europese en Nederlandse beleid streeft naar vermindering van het particuliere gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Het doel is er voor te zorgen dat particulieren ziekten, plagen en onkruiden niet aanpakken met gewasbeschermingsmiddelen, maar door gebruik te maken van bijvoorbeeld gronddoek, schoffels en andere niet-chemische methoden. Er is een Green Deal gesloten tussen de overheid en brancheorganisaties, waarin maatregelen zijn afgesproken om dit doel dichterbij te brengen. Het RIVM heeft een analyse gemaakt van de verkoopgegevens van gewasbeschermingsmiddelen aan particulieren en hoe particulieren onkruid bestrijden. De gegevens gaan over de jaren 2014-2019. Uit de resultaten blijkt dat de maatregelen in de Green Deal niet hebben geleid tot een verminderd gebruik van gewasbeschermingsmiddelen door particulieren. Gewasbeschermingsmiddelen die particulieren gebruiken zijn bestrijdingsmiddelen tegen onder andere onkruid, insecten, slakken en schimmels. Chemische middelen zoals (natuur)azijn en schoonmaakazijn behoren niet tot de groep van gewasbeschermingsmiddelen. De verkoop van gewasbeschermingsmiddelen aan particulieren is in de periode 2014-2019 gestegen. Dit is mede het gevolg van de verkoop van deze producten in discountwinkels. Die bieden hun producten tegen een lagere prijs aan. Particulieren kochten vooral onkruid- en insectenbestrijdingsmiddelen. Opvallend hierbij is dat zij meer onkruidbestrijdingsmiddelen zonder glyfosaat kochten. Mogelijk is dit deels het gevolg van discussies in de media over de schadelijke effecten van glyfosaat op het milieu en onze gezondheid. Wat de toename veroorzaakt van de verkoop van insectenbestrijdingsmiddelen aan particulieren is niet duidelijk en dit verdient nader onderzoek. Uit consumentenonderzoek blijkt dat twee van de vijf Nederlanders met een tuin geen onkruidbestrijdingsmiddelen gebruiken. Zij trekken het er met de hand uit of doen er niets tegen. Het aantal tuinbezitters dat wel onkruidbestrijdingsmiddelen gebruikt, is iets minder geworden. Maar zij gebruiken in plaats daarvan wel steeds meer azijn. Dit kan schadelijk zijn voor mens en milieu.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Uitvoeringstoets toevoeging Spinale Musculaire Atrofie aan de neonatale hielprikscreening | RIVM

SMA is een ernstige, aangeboren spierziekte. Kinderen met SMA raken verlamd en kunnen eraan doodgaan. Ieder jaar krijgen 15 tot 20 kinderen de diagnose SMA. De klachten beginnen meestal op jonge leeftijd. Om de ziekte goed te kunnen behandelen, moet ze vroeg worden ontdekt. Het ministerie van VWS heeft het RIVM daarom gevraagd te onderzoeken wat nodig is om SMA toe te voegen aan de hielprik. De resultaten staan in deze uitvoeringstoets. De uitvoeringstoets laat zien dat SMA kan worden toegevoegd aan de hielprik. Het RIVM verwacht dat de screening op SMA in oktober 2022 in het hele land kan beginnen. Nederland is dan een van de eerste landen in Europa die baby's screenen op SMA. Er zijn veel stappen nodig om SMA toe te voegen aan de hielprik. Het is belangrijk dat de screening op SMA goed verloopt en past in het proces van de hielprik. Dan blijft het draagvlak hoog en blijven bijna alle kinderen meedoen. Een van de benodigde stappen is de aanschaf van een goede testmethode om kinderen met SMA op te sporen. Voor de koop van een testmethode gelden wettelijke regels. Na de koop moet worden getoetst of de methode ook in de Nederlandse praktijk de zieke kinderen goed opspoort. Alle screeningslaboratoria in Nederland gaan de test gebruiken zodra de screening op SMA start. Voor sommige kinderen met SMA is nog niet bekend wat het beste moment is om met de behandeling te beginnen. Het is ook nog niet bekend wat het gevolg van de behandeling is na langere tijd. Daarom moet er een plan komen om de screening na een paar jaar te evalueren. Tot voor kort was er geen behandeling voor kinderen met SMA. Die is er nu wel. De zorgverzekeraar betaalt de behandeling.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Consequentieonderzoek probitrelaties : De impact van veranderingen in uitkomsten van risicoberekeningen | RIVM

Activiteiten van bedrijven die werken met giftige stoffen, kunnen een risico vormen voor de omgeving. Dit geldt ook voor de buisleidingen waardoor deze stoffen worden vervoerd. In een specifiek gebied om deze bedrijven en buisleidingen heen mogen daarom geen gebouwen zoals woningen en scholen worden gebouwd. Hoe groter het risico, hoe groter dat gebied is. Om de omvang van deze gebieden te kunnen bepalen, wordt berekend hoe groot de kans is dat iemand zou kunnen overlijden bij een incident waarbij deze persoon aan een giftige stof blootstaat. Dit risico wordt berekend met zogeheten probitrelaties, die de overheid voorschrijft. De methode waarmee deze probitrelaties worden bepaald, is in 2015 grondig herzien. Een probitrelatie geeft het verband weer tussen de concentratie van een giftige stof, de duur van de blootstelling en de kans dat een mens eraan overlijdt. De nieuwe probitrelaties zijn beter te controleren en nauwkeuriger. Inmiddels zijn voor veertig giftige stoffen nieuwe probitrelaties bepaald. Het RIVM heeft voor 62 bedrijven in Nederland onderzocht wat de consequenties zijn van de nieuwe probitrelaties. Het gaat om bedrijven die giftige stoffen produceren, opslaan, gebruiken of vervoeren. Bij de meerderheid van de onderzochte bedrijven wordt het gebied waarvoor bouwbeperkingen gelden, groter. Naar verwachting ontstaan in dertien van de 62 onderzochte situaties knelpunten. In de meeste van deze gevallen betekent dit dat er bestaande woningen komen te liggen in het gebied waarvoor bouwbeperkingen gelden. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat besluit hoe en wanneer ze de nieuwe probitrelaties in regelgeving invoeren. Dit onderzoek dient daarvoor als input.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

De tijdelijke opslag van radioactief afval in ziekenhuizen | RIVM

Ziekenhuizen gebruiken radioactieve stoffen voor onderzoeken en behandelingen van ziekten (zoals prostaatkanker). Hierbij ontstaat vaak radioactief afval. Het grootste deel van dit afval is na twee jaar niet meer radioactief. Dit deel mogen ziekenhuizen daarom zelf twee jaar opslaan in een aparte afgesloten bergruimte. Daarna kan het als conventioneel bedrijfsafval worden afgevoerd naar een afvalverwerker. Het afval dat langere tijd radioactieve stoffen bevat, wordt voor onbepaalde tijd opgeslagen bij de Centrale Organisatie Voor Radioactief Afval (COVRA). Een deel daarvan blijkt na enkele jaren weinig radioactief te zijn. Dit zorgt voor onnodige, dure opslag bij de COVRA. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat ziekenhuizen radioactief afval enkele jaren langer op een veilige manier kunnen opslaan. Hierdoor hoeft er minder afval naar de COVRA te worden afgevoerd. Vooral medewerkers van ziekenhuizen staan bloot aan de straling van het afval. Hiervoor nemen zij beschermende maatregelen. Volgens berekeningen van het RIVM neemt deze blootstelling weinig toe als het afval enkele jaren langer blijft staan. Ziekenhuizen verwachten in de toekomst meer radioactieve stoffen te gebruiken, onder andere door de komst van nieuwe behandelingen in de nucleaire geneeskunde. De kans is groot dat dan meer radioactief afval ontstaat. De Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) heeft het RIVM daarom gevraagd te onderzoeken of ziekenhuizen dit afval veilig langer kunnen opslaan.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Ernstige Hinder en Slaapverstoring. Monitoringsgegevens Onderzoek Beleving Woonomgeving (OBW) 2019 | RIVM

Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (I&W) wil weten hoe bewoners hun woonomgeving beleven. Het RIVM heeft dat onderzocht. Het heeft hierbij onder andere gekeken hoe bewoners geluid, trillingen, geur en veiligheid beleven. Daaruit blijkt dat de woontevredenheid hetzelfde is als in de vorige inventarisatie, uit 2016. Wegverkeer is een belangrijke bron van ernstige hinder en ernstige slaapverstoring. Vooral brommers en motoren veroorzaken ernstige geluidhinder. Ten opzichte van 2016 ervaren meer mensen ernstige hinder door geluid van bestelauto's. Wegverkeer geeft ook overlast omdat het trillingen veroorzaakt. Buren zijn een bron van geluidsoverlast en zijn de belangrijkste bron van ernstige geurhinder. Dat gaat vooral om geuren van open haarden, vuurkorven en barbecues. Ook veroorzaken activiteiten van buren ernstige hinder door trillingen. Verder komt uit het onderzoek naar voren dat de ernstige hinder van relatief nieuwe bronnen zoals laagfrequent geluid en geluid van drones is toegenomen. Ook blijkt dat mensen die de buurt wonen van een 'activiteit met een risico', zoals zware industrie, vaker (ernstig) bezorgd zijn over hun eigen veiligheid. In 2019 namen ruim 2259 inwoners van Nederland van 16 jaar en ouder deel aan deze inventarisatie. Het RIVM en het CBS voerden het onderzoek uit. Het RIVM rapporteert de bevindingen die op basis van een vragenlijstonderzoek (Onderzoek Beleving Woonomgeving OBW; voorheen Inventarisatie Verstoringen) zijn verzameld.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Toekomstverkenning veiligheid chemiesector : Inventarisatie van ontwikkelingen tussen nu en 2050 die van invloed zijn op de (arbeids)veiligheid | RIVM

Het RIVM heeft geïnventariseerd welke politiek-bestuurlijke, economische, sociaal-culturele en technologische ontwikkelingen de komende jaren invloed kunnen hebben op de veiligheid in de chemiesector. Het gaat om bedrijven die grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen produceren, verwerken of opslaan. Het RIVM heeft de inventarisatie in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) uitgevoerd. Kennis over deze ontwikkelingen helpt dit ministerie om beleid over deze bedrijven te vormen. De belangrijkste ontwikkeling voor de chemiesector is de energietransitie. De komende jaren zal het gebruik van grondstoffen en energiebronnen verschuiven van fossiele brandstoffen naar duurzame energie. Hiermee kunnen de risico's voor werknemers veranderen, zowel in positieve als negatieve zin. Een ongunstige economische situatie of een verslechterde concurrentiepositie van de Nederlandse chemiesector kan bedrijven aanzetten tot kostenbesparingen. In het algemeen geldt dat kostenbesparingen onveiligere arbeidsomstandigheden kunnen veroorzaken. Digitalisering en automatisering zullen op steeds grotere schaal in de chemiesector worden ingezet. In het algemeen zal de werkomgeving hierdoor voor werknemers veiliger worden. Dat komt doordat zij de processen steeds meer op afstand kunnen aansturen, bijvoorbeeld met robots. Tegelijkertijd kunnen onveilige situaties ontstaan door de kans op verstoringen in de ICT. Een steeds groter wordend risico is de veroudering van installaties die al lange tijd meegaan. Dit vraagt om goed beheer en onderhoud van bestaande installaties. Ook kennis en organisaties kunnen verouderen, mede door de snelle digitale ontwikkelingen.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Human health risk assessment of aluminium | RIVM

Mensen staan via verschillende bronnen bloot aan aluminium. Voorbeelden zijn voedsel, persoonlijke verzorgingsproducten, schoonmaakmiddelen, bodemdeeltjes en huisstof. Aluminium zit ook in sommige vaccins en medicijnen, zoals bepaalde maagzuurremmers. De laatste jaren bestaan er zorgen in de samenleving dat het gebruik van aluminium in persoonlijke verzorgingsproducten, zoals deodorant, een te hoge blootstelling aan aluminium kan veroorzaken. Te veel aluminium kan schadelijk zijn voor het zenuwstelsel. Het ministerie van VWS heeft het RIVM daarom gevraagd te bepalen aan hoeveel aluminium mensen via alle mogelijke bronnen blootstaan en wat het risico daarvan is. Volgens het RIVM is de totale blootstelling aan aluminium uit voedsel, consumentenproducten en bodem niet schadelijk voor de gezondheid. Dat komt omdat de totale blootstelling aan deze bronnen over het algemeen ruim beneden de gezondheidskundige grenswaarde ligt. Deze grens wordt alleen bij uitzondering overschreden, en zelfs dan slechts in lichte mate. Mensen krijgen de meeste aluminium binnen via het voedsel. Omdat zuigelingenvoeding soms relatief hoge gehaltes aluminium kan bevatten, is het raadzaam erop toe te zien dat deze gehaltes zo laag mogelijk zijn. In sommige voedingssupplementen op basis van klei kan ook veel aluminium zitten. Daarom wordt volwassenen afgeraden om vaak of langdurig ontslakkingsklei te gebruiken en zwangeren om zwangerschapsklei in te nemen. Kinderen tot een jaar of tien kunnen ook vrij veel aluminium binnenkrijgen via bodemdeeltjes die ze via hand-mond-contact inslikken. Aluminium uit huidverzorgingsproducten, zoals deodorant en zonnebrand, dringt nauwelijks door de huid heen. Hierdoor is de blootstelling van het lichaam aan aluminium door gebruik van deze producten heel laag. Voor jonge kinderen zijn sommige vaccins ook een bron van blootstelling. Ze worden door deze inentingen blootgesteld aan kleine hoeveelheden aluminium. De veiligheid van deze vaccins is bewezen en wordt continu in de gaten gehouden. Voor volwassenen kunnen maagzuurremmers die aluminium bevatten een grote bron van blootstelling zijn. De bijsluiter van dit type maagzuurremmers bevat daarom het advies om ze niet langdurig te gebruiken.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Combined exposure to nitrate and nitrite via food and drinking water in The Netherlands | RIVM

Mensen krijgen nitraat en nitriet binnen via voedsel en via drinkwater. Deze stoffen komen van nature voor in groente en fruit. Drinkwater kan met deze stoffen zijn vervuild. Ook mogen nitraat en nitriet als conserveermiddel worden toegevoegd aan vleesproducten en kaas. Nitraat kan het in het lichaam deels worden omgezet in nitriet. Nitriet kan schadelijk zijn voor de gezondheid. Daarom moet de hoeveelheid nitraat die we binnenkrijgen, worden opgeteld bij die van nitriet. Dit heet een gecombineerde inname. RIVM heeft voor het eerst deze gecombineerde inname geschat voor de Nederlandse bevolking. Deze schatting wijst er op dat de gecombineerde inname van nitraat en nitriet hoger is dan gewenst. Er zijn echter niet genoeg gegevens beschikbaar om vast te stellen hoe hoog deze inname precies is. Mensen krijgen vooral nitraat en nitriet binnen via groente (het meest via bladgroenten) en fruit. Groente en fruit bevatten veel goede stoffen. Het effect van de goede stoffen op de gezondheid is groter dan de mogelijk slechte effecten van nitriet. Er is daarom geen reden om minder groente en fruit te eten. Om een betere berekening te kunnen maken, moeten er meer gegevens komen voor nitraat en/of nitriet in groente en fruit. En ook voor nitraat en nitriet in vlees waaraan deze stoffen niet zijn toegevoegd maar van nature aanwezig zijn. Daarnaast is het belangrijk meer te weten over de mate waarin nitraat in het lichaam wordt omgezet wordt naar nitriet. Er zijn mogelijkheden om de inname van nitraat en nitriet zo laag mogelijk te houden: het zo laag mogelijk houden van het nitraatgehalte in drinkwater en drinkwaterbronnen en het verlagen van de toegestane hoeveelheden van deze stoffen als conserveermiddel.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Fifteen years of incident analysis : Causes, consequences, and other characteristics of incidents with hazardous substances at major hazard companies in the period 2004-2018 | RIVM

Het RIVM heeft 326 incidenten met gevaarlijke stoffen geanalyseerd die tussen 2004 en 2018 plaatsvonden bij grote chemische bedrijven. Bij deze incidenten was de veiligheid van werknemers in het geding. In totaal vielen er 215 slachtoffers, onder wie vijf doden. De aard, omvang en oorzaken van de incidenten zijn in de onderzochte periode gelijk gebleven. Het jaarlijkse aantal incidenten met relatief ernstige gevolgen is in de periode ook niet wezenlijk veranderd. Bij 90 procent van de incidenten kwamen gevaarlijke stoffen vrij. Bij 28 procent ontstond een brand of explosie. Drie keer (1 procent) gingen werknemers een besloten ruimte met gevaarlijke stoffen binnen. Incidenten ontstonden vooral tijdens de normale werkzaamheden (60 procent) of tijdens het onderhoud (20 procent). Slachtoffers ademden giftige of schadelijke stoffen in of kregen brandwonden door chemische reacties of hitte. Bij de incidenten tijdens het onderhoud vielen verhoudingsgewijs meer slachtoffers. Chemische bedrijven zijn ervoor verantwoordelijk dat installaties op orde zijn en de productieprocessen en -werkzaamheden veilig worden uitgevoerd. De incidenten ontstonden doordat in de reguliere procesvoering dingen mis gingen. De afwijkingen die daar het gevolg van waren, zijn niet op tijd opgemerkt. De veiligheid kan onder meer worden verbeterd door geschikte maatregelen in te voeren om deze afwijkingen op tijd in beeld te krijgen en te herstellen. Dit verkleint onder andere de kans dat incidenten ontstaan door ongewenste menselijke handelingen of door materiaalverzwakking. Voor deze analyse zijn incidentonderzoeken van de Inspectie SZW gebruikt. In opdracht van het ministerie van SZW gaat het RIVM na wat de overeenkomsten en verschillen tussen de onderzochte incidenten zijn. Inspectiediensten kunnen de analyse gebruiken voor hun inspectie- en handhavingsstrategieën. Bedrijven kunnen de inzichten gebruiken om de veiligheid te verbeteren.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Blauwalgenprotocol 2020 | RIVM

Wanneer er veel blauwalgen in zwemwater zitten, kunnen ze voor overlast (zoals stank) en gezondheidsrisico's (zoals milde huid- en maagdarmklachten) voor zwemmers zorgen. De kwaliteit van water van officiële zwemlocaties moet voldoen aan Europese eisen. Om de gezondheid van zwemmers op deze zwemlocaties te beschermen, gebruiken waterbeheerders in Nederland daarom het Blauwalgenprotocol. Dit protocol vertelt hen hoe ze zwemlocaties moeten controleren op blauwalgen en welke maatregelen ze moeten nemen. Het Blauwalgenprotocol 2020 doet dit volgens de nieuwste inzichten Het Blauwalgenprotocol 2020 is een update. De update was nodig omdat er sinds het laatste Blauwalgenprotocol, uit 2012, nieuwe inzichten zijn hoe de aanwezigheid van blauwalgen kan worden gevolgd. Ook wil de overheid de blauwalgenproblematiek in heel Nederland op dezelfde manier aanpakken. Blauwalgen kunnen soms giftig zijn. Omdat het niet altijd mogelijk is de giftige van de niet-giftige te onderscheiden, gaat het Blauwalgenprotocol 2020 er voor de zekerheid vanuit dat ze allemaal giftig kunnen zijn. Waterbeheerders controleren zwemlocaties door lokaal de situatie te bekijken. Daarna onderzoeken ze het water in het laboratorium. Ze volgen hierbij een verplichte, vaste procedure. Zo wordt vastgesteld hoeveel blauwalgen er in het water zitten en hoe groot het risico is. Waterbeheerders mogen ook extra onderzoek doen als zij dat nodig vinden. Als het risico bekend is, worden de maatregelen genomen die daarbij horen en worden de zwemmers geïnformeerd. Dit kan een waarschuwing, een negatief zwemadvies of een zwemverbod zijn. Dit wordt ter plaatse aangegeven en op www.zwemwater.nl . Door het Blauwalgenprotocol 2020 na te leven tijdens het zwemseizoen (1 mei - 1 oktober) voldoet Nederland aan de eisen van de Europese Zwemwaterrichtlijn.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Integrale bekostiging van de geboortezorg: ervaringen na drie jaar en de eerste zichtbare effecten | RIVM

In Nederland zijn maatregelen genomen om de kwaliteit van de geboortezorg te verbeteren. Aanleiding was het relatief hoge aantal baby's dat tijdens of vlak na de geboorte stierf. Het ministerie van VWS onderzoekt of een andere manier van betalen, zogeheten integrale bekostiging, de kwaliteit van de geboortezorg kan verbeteren. De zorg wordt hierbij zodanig georganiseerd dat zorgaanbieders meer samenwerken. Bij de traditionele bekostiging wordt elke zorgaanbieder, zoals verloskundigen, gynaecologen, en kraamzorg, apart betaald. Sinds 2017 zijn er acht integrale geboortezorg-organisaties (igo's) opgericht, waarin alle zorgaanbieders voor de geboortezorg zijn vertegenwoordigd. Zij moeten het eens worden over de verdeling van de taken en het geld. De igo's hebben met zorgverzekeraars een bedrag afgesproken waarmee voor de zorg rondom de zwangerschap, bevalling en kraamzorg in zijn geheel, en niet per onderdeel, wordt betaald. Eind 2020 beslist de minister van VWS of integrale bekostiging wordt voortgezet. Zorgprofessionals, bestuurders en zorgverzekeraars zijn tot nu toe positief over de gestructureerdere en minder vrijblijvende samenwerking binnen de igo's. Door integrale bekostiging stegen de uitgaven per zwangerschap minder snel. Daarnaast zijn er wat verschuivingen in de zorg te zien, waarbij het soms onduidelijk is of die gewenst is of niet. Zo zijn er iets meer bevallingen in een ziekenhuis onder leiding van een verloskundige (poliklinisch) geweest en minder ziekenhuisbevallingen onder leiding van een gynaecoloog. Het percentage geplande keizersneden was iets lager en het percentage niet-geplande keizersneden iets hoger. Er zijn (nog) geen effecten op de gezondheid te zien. Om alle mogelijke effecten van integrale bekostiging in beeld te kunnen brengen en verklaren, is het belangrijk om de werkwijze de komende jaren te blijven volgen. Volgens zorgprofessionals, bestuurders en zorgverzekeraars kunnen de hoge administratieve lasten invloed hebben op het draagvlak. Zij noemen ook dat de invoering van integrale bekostiging in een overgangsfase zit, waardoor de effecten nog niet optimaal zijn. Bestuurders geven aan dat de onzekerheid over de toekomst van integrale bekostiging belemmerend werkt. Zorgverzekeraars benadrukken dat een te snelle landelijke invoering niet wenselijk is.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Transitieplan landelijke taken in de tuberculosebestrijding | RIVM

De landelijke taken voor de bestrijding van tuberculose in Nederland zijn verdeeld over drie organisaties: de KNCV Tuberculosefonds, GGD GHOR Nederland en het RIVM. De GGD'en voeren de tuberculosebestrijding uit in hun regio's. De drie organisaties hebben de verdeling van de taken herzien; sommige taken van de KNCV Tuberculosefonds worden nu ondergebracht bij het RIVM. Daar worden ze onderdeel van de infectieziektebestrijding in brede zin. Op deze manier kunnen de tuberculosebestrijding en de reguliere infectieziektebestrijding elkaar versterken. Dat maakt de tuberculosebestrijding in Nederland toekomstbestendig. Dit rapport beschrijft het transitieplan, dat de drie directies hebben goedgekeurd. De overdracht van de taken is eind 2021 afgerond. Het gaat om drie taken: patiëntenvoorlichting, de ondersteuning van de ontwikkeling van richtlijnen voor de tuberculosebestrijding, zoals het secretariaat van de Commissie voor Praktische Tuberculosebestrijding, en de monitoring en evaluatie van de landelijke screeningsprogramma's voor tuberculose. Hier hoort het bron- en contactonderzoek en de screening van immigranten en asielzoekers op tuberculose bij. Daarnaast hebben de drie organisaties afgesproken wie verantwoordelijk is voor welke adviestaken: het RIVM voor vragen over de landelijke bestrijding (zoals surveillance), regio-overstijgende uitbraken, vragen met betrekking tot internationale contactonderzoeken en kennisvragen; KNCV voor vragen over 'case management' en kennisvragen; GGD GHOR Nederland voor vragen over de organisatie en uitvoering van de tuberculosebestrijding.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Surveillance zoönosen in vleeskuikens 2018-2019 | RIVM

Dieren kunnen ziekteverwekkers bij zich dragen waar mensen ook ziek van kunnen worden. De ziekten die ze veroorzaken noemen we zoönosen. In 2018 en 2019 onderzochten het RIVM en de NVWA hoe vaak een aantal van deze ziekteverwekkers voorkwamen bij vleeskuikens. Hiervoor zijn vleeskuikens op 198 Nederlandse bedrijven onderzocht. Daarnaast hebben 132 veehouders, gezinsleden en medewerkers meegedaan aan dit onderzoek. Het RIVM heeft gekeken of dezelfde ziekteverwekkers ook bij deze mensen voorkwamen. De meeste van deze ziekteverwekkers veroorzaken diarree, maar soms kunnen infecties ernstiger verlopen. Er is ook naar ESBL-producerende bacteriën gekeken, omdat zij ongevoelig zijn voor een belangrijke groep antibiotica. Bij de onderzochte vleeskuikens komen een aantal ziekteverwekkers vaak voor. Ze zitten in de darmen van de dieren en dus ook in de mest. Vlees kan besmet raken in het slachthuis als er mest op komt. Mensen kunnen een besmetting voorkomen door alleen kip te eten als het goed gaar is. Ook is het belangrijk te voorkomen dat ander voedsel in contact komt met rauw vlees. Van de onderzochte ziekteverwekkers kwamen ESBL-producerende bacteriën het vaakst voor bij de vleeskuikens: op 36 procent van de bedrijven. Bij veehouders en gezinsleden kwam dit type bacterie bij 7 procent van de deelnemers voor. Dit is ongeveer even vaak als bij de hele Nederlandse bevolking. De bacterie Campylobacter is op 32 procent van de bedrijven gevonden. Dit is ongeveer even vaak als bij onderzoek naar Campylobacter tussen 1999-2002. Bij twee van de deelnemers is deze bacterie ook gevonden. Op vleeskuikenbedrijven wordt volgens Europese regels standaard Salmonella-onderzoek gedaan. Op 11 procent van de bedrijven kwam de salmonellabacterie voor bij de vleeskuikens. De typen salmonellabacteriën die zijn gevonden, kunnen bij mensen diarree veroorzaken. Salmonella is ook bij één deelnemer gevonden. STEC en Listeria kwamen heel weinig voor bij de vleeskuikens. Deze bacteriën zijn op 1 procent (Listeria) of minder (STEC) van de bedrijven gevonden.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Suikertaks: een vergelijking tussen drie Europese landen : Kenmerken en effecten van een belasting op suikerhoudende dranken, met overwegingen voor Nederland | RIVM

Vijftig procent van de Nederlanders is te zwaar. De overheid wil dit percentage in 2040 terugdringen naar 38 procent. Dat staat in het Nationaal Preventieakkoord (NPA). Een van de afspraken is om het aantal calorieën in frisdranken in 2025 verlaagd te hebben met 30 procent. Nietalcoholische dranken leveren 24 procent van het toegevoegde suiker en 7 procent van de dagelijkse hoeveelheid energie die we binnenkrijgen. In diverse landen lijkt de belasting op suikerhoudende dranken ervoor te zorgen dat mensen minder frisdrank kopen en drinken. Het RIVM heeft in kaart gebracht hoe de suikertaks in het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Noorwegen is vormgegeven. Vervolgens is bekeken wat de effecten van de belasting zijn op het aanbod, de samenstelling, de verkoop en consumptie van frisdrank, en op de mate waarin overgewicht voorkomt. Het doel van de belastingmaatregelen verschilt per land. Ook zijn het type belasting, de tarieven en de dranken die worden belast in elk land anders. Uit de beperkt beschikbare gegevens uit deze landen blijkt dat de verkoop van belaste frisdrank is afgenomen. In het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen worden meer gezondere alternatieven verkocht. Het is alleen niet duidelijk in hoeverre deze veranderingen in de verkoop het directe gevolg zijn van de belasting. Er zijn aanwijzingen vanuit het Verenigd Koninkrijk dat de suikertaks ook de herformulering van frisdrank kan stimuleren. De suikertaks is een van de mogelijke maatregelen tegen overgewicht. Het is belangrijk consumenten een gezonder alternatief te bieden. Om te kunnen achterhalen of de suikertaks effectief is, moeten de effecten ervan op korte en lange termijn goed worden gemonitord.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Een veilige leef- én werkomgeving: samenwerking tussen uitvoeringsorganisaties versterken | RIVM

Bedrijven die met chemische stoffen werken moeten zich aan regels houden om hun werknemers, omwonenden, en het milieu te beschermen. In Nederland is het toezicht op de arbeidsomstandigheden (arbo) meestal gescheiden van het toezicht op milieu. Het toezicht kan worden verbeterd als uitvoeringsorganisaties, zoals inspecties en omgevingsdiensten, meer samen zouden optrekken en meer kennis over chemische stoffen zouden delen. Het RIVM doet hier aanbevelingen voor. Door bijvoorbeeld kennis over zogeheten CMR-stoffen stoffen te delen, wordt het voor inspecties en omgevingsdiensten duidelijker voor welke bedrijven zij de meeste aandacht moeten hebben. Deze stoffen zijn kankerverwekkend, veranderen het DNA, of zijn schadelijk voor de voortplanting. De toezichthoudende instanties hebben veel kennis over de stoffen nodig om hun werk goed te kunnen doen. Ook moeten ze weten welke bedrijven met CMR-stoffen werken en of ze deze stoffen uitstoten of lozen. Deze informatie is nu niet centraal toegankelijk beschikbaar en daardoor versnipperd. Een gezamenlijke aanpak voorkomt ook dat maatregelen gunstig zijn voor arbo maar schadelijk voor het milieu, en omgekeerd. Zowel voor arbo als milieu gaat beleid ervan uit om zo min mogelijk gevaarlijke stoffen te gebruiken en ze te vervangen door stoffen die veilig zijn. Alleen verschilt de manier waarop beide kaders dit aanpakken. Dit geldt vooral voor hoe en wanneer een bedrijf onderzoek naar vervangende stoffen moet doen of hoe ze blootstelling kunnen voorkomen. Door deze onderzoeken meer op elkaar af te stemmen, wordt de kans op resultaat groter.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Invloed van procesintensificatie op omgevingsveiligheid | RIVM

In de industrie worden in het proces- en installatieontwerp innovatieve benaderingen bedacht om grondstoffen en materialen efficiënter te gebruiken. Dat kan resulteren in aanzienlijk kleinere, schonere en meer energie-efficiënte technologie. Deze zogeheten procesintensificatie kan ook een manier zijn om industriële processen met gevaarlijke stoffen veiliger te maken. Het RIVM beschouwt 14 van deze procesintensificatie-technologieën als 'kansrijk' om omgevingsrisico's te verminderen. Het heeft hiervoor 69 wereldwijd ontwikkelde procesintensificatie-technologieën bekeken. De technologieën worden nog weinig in de praktijk gebruikt. Procesintensificatie kan op verschillende manieren de omgevingsrisico's verminderen. Het zou de kans op een ongeval kunnen verkleinen door de installatie veiliger te ontwerpen. Door de hoeveelheid gevaarlijke stoffen in de installatie te verminderen zijn de effecten van een ongeval op de omgeving bovendien kleiner. Verder zouden met procesintensificatie kleinere installaties kunnen worden gebouwd dicht bij producent of afnemer van de gevaarlijke stoffen. Door gevaarlijke stoffen minder te vervoeren, nemen de risico's voor de omgeving af. Een mogelijk nadeel van procesintensificatie kan zijn dat de procesvoering complexer wordt, waardoor risico's ook groter kunnen worden. Beleidsmakers kunnen de resultaten uit dit onderzoek van het RIVM gebruiken om instrumenten te ontwikkelen die risico's voor de omgeving voorkomen of verkleinen. Dit kan bijvoorbeeld door procesintensificatie-veiligheidsstudies te ondersteunen, of door eerste toepassingen in de praktijk te stimuleren. Ze kunnen bedrijven en toezichthouders er op wijzen dat procesintensificatie een manier is om de veiligheid bij risicovolle bedrijven continu te verbeteren. Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW).
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Quick-scan instrument voor vroege opsporing van beroepsziekten door gevaarlijke stoffen: verkenning van mogelijkheden en randvoorwaarden | RIVM

Naar schatting overlijden in Nederland jaarlijks ongeveer 3000 mensen door te werken met gevaarlijke stoffen. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) wil daarom werknemers en ZZP-ers - samen 'werkenden' genoemd - bewuster maken van de mogelijkheid dat contact met chemische stoffen de oorzaak kan zijn van gezondheidsklachten. Een digitale vragenlijst over gezondheidsklachten en werk kan helpen die bewustwording te vergroten. Zo'n vragenlijst kan werkenden stimuleren om met gezondheidsklachten naar de bedrijfsarts te gaan. In de praktijk blijkt dat nu te weinig te gebeuren. De 'quick-scan', zoals de digitale vragenlijst ook wordt genoemd, kan de bedrijfsarts of huisarts ook helpen om de omstandigheden op het werk te betrekken bij hun diagnose. Het RIVM denkt dat het mogelijk is zo'n quick-scan te maken. Het heeft hiervoor in kaart gebracht waar werkenden met gezondheidsklachten naar toe kunnen gaan: de werkende kan rechtstreeks naar de bedrijfsarts gaan, of kan via zijn huisarts worden doorgestuurd naar de bedrijfsarts of een medisch specialist. Een goede samenwerking tussen de huisarts, medisch specialisten en bedrijfsarts is nodig om tot de juiste diagnose en behandeling te komen. De huisartsen, medisch specialisten, bedrijfsartsen, beleidsmedewerkers en kennisinstituten die zijn aangesloten bij het Platform Arbeidsgerelateerde Zorg van het RIVM ondersteunen het idee van een quick-scan. Ze zien dit als waardevolle eerste eenvoudige screening, waarna een zorgverlener een diagnose stelt. Voor werkgerelateerde longaandoeningen bestaat al een goed online instrument: de Werk en Longen Check. Deze kan als basis dienen voor de quick-scan die het ministerie voor ogen heeft en kan worden uitgebreid met bijvoorbeeld huidaandoeningen en aandoeningen van het zenuwstelsel.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Iron deficiency anemia at time of vaccination predicts decreased vaccine response and iron supplementation at time of vaccination increases humoral vaccine response: a birth cohort study and a randomized trial follow-up study in Kenyan infants. | RIVM

Iron deficiency anemia at time of vaccination predicts decreased vaccine response and iron supplementation at time of vaccination increases humoral vaccine response: a birth cohort study and a randomized trial follow-up study in Kenyan infants. | RIVM
Jaar: 2020 Onderzoek

Nucleair-geneeskundige therapieën: potentiële blootstelling voor derden : Dosisberekeningen als basisinformatie voor de herziening van maatregelen en leefregels. | RIVM

In Nederland krijgen patiënten bij de behandeling van bepaalde ziekten in totaal ongeveer 4500 keer per jaar radioactieve stoffen toegediend. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij schildklierkanker en uitgezaaide prostaatkanker. Door deze behandeling kunnen patiënten zelf een bron van straling worden. Als zij naar huis mogen, kunnen zij mensen in hun omgeving blootstellen. Dit geldt voor directe familieleden, maar ook voor verzorgers, chauffeurs, medepassagiers in een vliegtuig, enzovoort. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat de blootstelling aan straling flink lager kan worden met 'leefregels' na ontslag uit het ziekenhuis. Voorbeelden zijn afspreken om de duur van het contact met de patiënt te beperken, of de afstand tot die persoon te vergroten. Leefregels hebben het meeste effect voor handelingen die lang duren, zoals slapen, naar school gaan of studeren, uitgaan en zorgen voor kinderen. Het RIVM heeft een methode opgezet om te berekenen aan hoeveel straling mensen in de omgeving van een patiënt blootstaan en wat het effect van leefregels is. Hierin zijn scenario's verwerkt voor alledaagse situaties met bijvoorbeeld de partner, kinderen en verzorgers van de patiënt. Deze scenario's kunnen worden aangepast of uitgebreid. De resultaten van dit onderzoek worden gebruikt om de leefregels die die patiënten nu mee naar huis krijgen te actualiseren. De huidige leefregels zijn namelijk opgesteld in 2004 en zijn nog niet toegespitst op nieuwere therapieën.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Verkennende metingen aan ultrafijn stof in het IJmondgebied | RIVM

Het RIVM heeft in december 2019 en januari 2020 gemeten hoeveel ultrafijn stof (UFP) in het IJmondgebied in de lucht zit. Ultrafijn stof is het aantal zeer kleine deeltjes in de lucht (kleiner dan 0,1 µm). Ultrafijn stof komt in het algemeen van industrie, weg- en vliegverkeer en scheepvaart. Het onderzoek richtte zich op de hoeveelheid ultrafijn stof in IJmuiden, Wijk aan Zee en Beverwijk. Daarbij keken de onderzoekers of er verschillen zijn tussen plekken, tijdstippen en weersomstandigheden. Omdat dit verkennende metingen zijn geweest, worden er in dit rapport geen uitspraken gedaan over gezondheidseffecten. Tijdens de meetperiode kwam de wind vooral uit het zuiden en zuidwesten. Dit heeft invloed op de meetresultaten. Gemiddeld zijn in Wijk aan Zee de meeste ultrafijne stofdeeltjes gemeten. De aantallen ultrafijne stofdeeltjes zijn dan bijna vergelijkbaar met een drukke straat in de stad. In IJmuiden is het minste ultrafijn stof gemeten. In Wijk aan Zee en Beverwijk is ten tijde van de metingen meer ultrafijn stof gemeten dan in Ookmeer. Ookmeer is een achtergrondstation in Amsterdam-West. Voor elk meetpunt is berekend welke windrichtingen meer of minder bijdragen. Daardoor weten we dat het ultrafijn stof komt uit het gebied tussen IJmuiden en Wijk aan Zee. Hier zijn meerdere activiteiten waarbij ultrafijn stof kan vrijkomen: industrie, scheepvaart en zwaar transport. Welke bronnen precies de oorzaak zijn, is niet vast te stellen met de informatie uit dit onderzoek. Het RIVM heeft het onderzoek uitgevoerd in opdracht van de provincie Noord-Holland.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie in 2018 | RIVM

In Nederland mogen bepaalde agrarische bedrijven meer dierlijke mest waar stikstof in zit, op hun land gebruiken dan de algemene norm van de Europese Nitraatrichtlijn voorschrijft. Zij moeten hiervoor wel aan specifieke voorwaarden voldoen. Deze verruiming heet derogatie. Het RIVM en Wageningen Economic Research meten de gevolgen van de derogatie voor de waterkwaliteit op driehonderd bedrijven. Hieruit blijkt dat de derogatie geen negatieve effecten heeft op de waterkwaliteit. De aanhoudende droogte in 2018 heeft wel negatieve effecten gehad op de waterkwaliteit in 2019. Doordat de gewassen minder goed groeiden, namen zij minder stikstof op. Hierdoor bleef er meer stikstof in de bodem achter en kwam er meer in het grondwater terecht. Dit blijkt uit de resultaten van 2018 en een analyse van de ontwikkeling sinds 2006. Bedrijfsvoering In 2018 hebben derogatiebedrijven gemiddeld 244 kilogram stikstof uit dierlijke mest per hectare gebruikt (dit wordt in kilogrammen stikstof aangegeven omdat het per diersoort verschilt hoeveel stikstof er in mest zit). Een derogatiebedrijf mag 230 of 250 kilogram stikstof per hectare uit graasdiermest gebruiken, afhankelijk van de bodemsoort en regio. Door verbeteringen in de bedrijfsvoering wordt dierlijke mest efficiënter gebruikt om gewassen te produceren: de indicator 'stikstofbodemoverschot' is daardoor van 2006 tot en met 2017 gedaald. Dit betekent dat er in deze jaren minder nitraat met regenwater is weggezakt naar diepere lagen in de bodem en in het grondwater terecht is gekomen. Door de droogte in 2018 is het stikstofoverschot in de bodem met 12 procent gestegen in vergelijking met de voorgaande jaren. Grondwaterkwaliteit Vanaf 2015 lag de gemiddelde nitraatconcentratie van derogatie bedrijven in alle regio's onder de EU-norm van 50 milligram per liter. Wel zijn door de droogte de concentraties in 2019 in alle regio's gestegen. In de Lössregio kwam de gemiddelde concentratie boven de norm uit (65 milligram per liter). Toch zijn zowel in de Zandregio als in de Lössregio de concentraties gedaald als we naar de hele meetperiode kijken. De monitoring wordt uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV).
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Chroom-6 in kunstschilderverf onder REACH | RIVM

In 2019 concludeerde het RIVM dat de blootstelling van consumenten aan chroom-6 via alledaagse producten laag is en geen risico voor de gezondheid vormt. Wel bleef er nog onduidelijkheid bestaan over chroom-6 in een bepaalde soort verf, namelijk kunstschilderverf. Verschillende chroom-verbindingen worden al eeuwen als pigment in verf gebruikt. Het RIVM heeft nu uitgezocht wat er wettelijk is geregeld voor chroom-6 in kunstschilderverf. Kunstschilderverf blijkt in de Europese wetgeving voor chemische stoffen (REACH) een ‘uitzondering’ te zijn, wat betekent dat er schadelijke stoffen in mogen zitten. Hierdoor is het niet verboden om bepaalde chroom-6-verbindingen als pigment in kunstschilderverf te gebruiken. Het lijkt er echter op dat deze verbindingen niet in kunstschilderverf worden gebruikt. Voor een deel van de chroom-6-verbindingen moet de Europese Commissie sowieso een zogenoemde autorisatie verlenen. Zonder zo’n specifieke toestemming mogen deze chroom-6-verbindingen niet worden gebruikt. De Commissie heeft echter geen autorisaties gegeven voor het gebruik van deze chroom-6-verbindingen in kunstschilderverf, en dus is het niet toegestaan om ze in kunstschilderverf te gebruiken. Maar voor een aantal andere chroom-6-verbindingen is geen specifieke toestemming nodig (bariumchromaat, calciumchromaat, zinkchromaten, cadmiumchromaat en ijzertrichromaat). De consument zou dus met deze chroom-6 verbindingen in aanraking kunnen komen als zij kunstschilderverf gebruiken. Uit de registratiedossiers van REACH, waarin fabrikanten moeten aangeven welke stoffen ze gebruiken, blijkt dat deze verbindingen niet als pigment in kunstschilderverf worden gebruikt of als zodanig in Nederland of de EU worden geïmporteerd. Formeel beschermt REACH de consument nu niet tegen alle chroom-6-verbindingen in kunstschilderverf. Het RIVM reikt beleidsmakers mogelijkheden aan om het gebruik van chroom-6-pigmenten voor het grote publiek wettelijk verder te beperken. Dit kan door bijvoorbeeld alle chroom-6-verbindingen op de autorisatielijst te zetten. Of door de status van uitzondering op te heffen.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Risk assessment of caffeine in food supplements | RIVM

Voedingssupplementen met cafeïne worden bijvoorbeeld gebruikt om intensiever te kunnen sporten, sneller af te vallen of zich beter te kunnen concentreren. Deze voedingssupplementen bevatten vaak hoge gehaltes cafeïne. Mensen kunnen hierdoor meer cafeïne binnenkrijgen dan veilig is voor de gezondheid. Ze kunnen dan een te hoge bloeddruk krijgen, hoofdpijn, of rusteloos worden. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). De Europese Voedselveiligheidsautoriteit (EFSA) heeft maximale hoeveelheden cafeïne vastgesteld die veilig zijn om binnen te krijgen. Voor volwassenen bijvoorbeeld komt de veilige dagelijkse hoeveelheid overeen met vier tot zes koppen koffie. Door het gebruik van sommige voedingssupplementen met cafeïne kunnen de veilige hoeveelheden worden overschreden. Dit kan zeker gebeuren wanneer mensen deze voedingssupplementen combineren met andere producten die cafeïne bevatten, zoals koffie, thee en chocolade. In de Europese Unie is er geen wettelijke limiet voor de maximale hoeveelheid cafeïne in voedingssupplementen. VWS kan de uitkomsten van dit onderzoek gebruiken om een aanvraag te doen bij de Europese Commissie om cafeïne in voedingssupplementen op Europees niveau te reguleren.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Inventarisatie van toepassingen van chroom-6 op de werkplek | RIVM

Afgelopen jaren was er veel aandacht voor mogelijke blootstelling aan chroom-6 en de schadelijke effecten daarvan op de gezondheid van werknemers. Chroom-6 verbindingen zijn in verschillende materialen en producten terug te vinden. De stof beschermt namelijk tegen roestvorming en andere vormen van verwering van de ondergrond waarop hij is aangebracht. In Nederland kunnen mensen op de werkplek nog steeds aan chroom-6 worden blootgesteld. Het RIVM heeft daarom de toepassingen van en blootstelling aan chroom-6 voor werknemers in Nederland geïnventariseerd. Dat is in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) gedaan. Chroom-6 wordt veel gebruikt om de oppervlakten van metalen en plastics te behandelen, zoals hardverchromen en decoratief verchromen. Op beperkte schaal komt chroom-6 ook voor in primers en coatings, bijvoorbeeld voor specifieke toepassingen in de luchtvaart industrie. Voor bepaalde producten, zoals cement en leer, geldt een wettelijk maximum voor de hoeveelheid chroom-6 dat ze mogen bevatten. Toch is het niet uitgesloten dat werknemers tijdens het productieproces of het gebruik van deze producten, aan chroom-6 blootgesteld kunnen worden. Verder kan het gebruik van chroom-6 vanuit het verleden op dit moment nog blootstelling aan chroom-6 veroorzaken. Bijvoorbeeld bij het schuren of stralen van oude verflagen of het verzagen van met chroom-6 verduurzaamd hout. Dat kan ook bij hoogenergetische bewerkingen van chroomhoudende materialen, zoals lassen. Uit de inventarisatie blijkt ook dat er de laatste jaren meer aandacht is voor de gezondheidseffecten en de risico's die blootstelling aan deze stof met zich meebrengt. Hierdoor zijn onder andere werkgevers zich bewuster van risico's en bevorderen zij maatregelen om veilig met chroom-6 te werken.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Postmortem radiologie : Een verkennend onderzoek naar het gebruik van radiologische technieken bij overledenen | RIVM

Ziekenhuizen gebruiken radiologische technieken om diagnoses te stellen en patiënten te behandelen. Radiologische technieken kunnen ook worden gebruikt om na het overlijden van een patiënt de doodsoorzaak te onderzoeken. Dit gebeurt al bij forensisch onderzoek om meer informatie te krijgen bij een mogelijk misdrijf. Het is ook een goede manier om nieuwe ziekten, erfelijke ziekten en bijwerkingen van medicijnen beter te begrijpen. De meeste ziekenhuizen gebruiken de technieken nog niet structureel voor wetenschappelijke of diagnostische doeleinden. De politie kan met toestemming van het openbaar ministerie gebruik maken van radiologische technieken voor forensisch onderzoek. Het voordeel van deze technieken bij forensisch onderzoek is dat het snel informatie oplevert. Ziekenhuizen in Nederland die juridische, forensische en radiologische deskundigheid tot hun beschikking hebben voeren de radiologische onderzoeken uit. Dit zijn het Maastricht Universitair Medisch Centrum, Reinier de Graaf ziekenhuis te Delft, Meander Medisch centrum te Amersfoort en het Groene Hart Ziekenhuis te Gouda. De technieken bieden ook voordelen om nieuwe ziekten, erfelijke ziekten en bijwerkingen van medicijnen beter te begrijpen. Het lichaam van de overledene blijft intact, waardoor het onderzoek minder heftig is voor familie of vrienden van de overledene dan een sectie. Toch gebruiken maar weinig ziekenhuizen in Nederland deze technieken structureel bij overledenen. Dat komt omdat daar niet standaard geld voor is. Een uitzondering hierop zijn kinderen die bij de geboorte of kort daarna sterven. Dit blijkt uit een verkennend onderzoek van RIVM in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingshygiëne (ANVS). Wij hebben onderzocht hoe vaak ziekenhuizen in Nederland radiologische technieken gebruiken bij overledenen. En wat de aanleiding is voor ziekenhuizen om deze technieken te gebruiken.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Verschil in uitloging van PFAS uit grond en bagger | RIVM

De uitloging van PFAS uit landbodem, uiterwaardebodem en waterbodem (bagger) is vergelijkbaar voor deze drie categorieën bodems. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM en Deltares. Poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS) is een verzamel naam voor duizenden stoffen. PFOS en PFOA zijn twee veelvoorkomende PFASverbindingen die in heel Nederland verspreid kunnen worden aangetroffen in concentraties van enkele microgrammen per kilogram grond of bagger. Om te voorkomen dat deze stoffen zich verder door het milieu verspreiden, zijn er eisen gesteld aan het gebruik van grond en bagger waar PFAS in zit. Grond en bagger kunnen onder andere worden gebruikt bij het ondieper maken van plassen waaruit ooit zand en klei is gewonnen. Bij dit soort toepassingen onder oppervlaktewater zullen PFOS en PFOA in ongeveer dezelfde mate vrijkomen uit de drie soorten bodems die zijn onderzocht.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Contra-expertise op bepalingen van radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht van COVRA NV : Periode 2018 | RIVM

De Centrale Organisatie voor Radioactief Afval (COVRA) meet hoeveel radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht wordt geloosd. Het RIVM controleert deze metingen acht keer per jaar. Met deze 'contraexpertise' controleert het RIVM of de analyses die COVRA zelf uitvoert, betrouwbaar zijn. De te analyseren monsters worden verspreid over het jaar door COVRA genomen. Net als in voorgaande jaren komen de gamma-analyses van afvalwater uit de contra-expertise in 2018 op hoofdlijnen overeen met de resultaten van de COVRA. De analyses van het RIVM en COVRA in de gammaspectrometrische resultaten, de resultaten van de totaal-alfa bepaling, tritiumbepaling en de 14C-bepaling in afvalwater kwamen goed overeen. Hoewel het RIVM en COVRA verschillende meetprincipes gebruiken, komen de totaal bèta-meetwaarden van het RIVM en de rest bètameetwaarden van COVRA in 2018 redelijk tot goed overeen. Ook kwamen de resultaten van het RIVM en COVRA van de ventilatieluchtmonsters van het Afvalverwerkingsgebouw (AVG) en het Hoogradioactief Afval Behandelings- en Opslag Gebouw (HABOG) goed overeen. Het RIVM voert de contra-expertises jaarlijks uit in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Contra-expertise op bepalingen van radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht van NRG : Periode 2018 | RIVM

Het nucleair bedrijf NRG te Petten meet hoeveel radioactiviteit het in het eigen afvalwater en ventilatielucht loost. Het RIVM controleert deze metingen acht keer per jaar. Met deze 'contra-expertise' controleert RIVM of de analyses die NRG zelf uitvoert, betrouwbaar zijn. De te analyseren monsters worden verspreid over het jaar door NRG genomen. Net als in voorgaande jaren komen de gamma-analyses van afvalwater uit de contra-expertise in 2018 goed overeen. De totaal-alfa resultaten stemmen redelijk overeen. De verdeling van de alfa-activiteit in het afvalwatermonster is hoogstwaarschijnlijk niet altijd homogeen. De overeenstemming in de totaal-bèta resultaten is deels redelijk en deels matig, en kan aanzienlijk worden verbeterd. Dit resultaat wordt verklaard door de verschillen in de meetmethoden van NRG en het RIVM. De overeenstemming in de 3H resultaten in afvalwater is redelijk. De ventilatieluchtresultaten geven geen reden voor discussie. Er is in een aantal monsters door RIVM een zeer lage activiteitsconcentratie aan 131I, 133Xe en 191Os aangetroffen. Deze waarden vallen ruim onder de detectiegrens van NRG. RIVM en NRG hebben beiden geen totaal-alfa activiteit in ventilatielucht aangetroffen. De meetwaarden voor totaal-bèta in ventilatielucht liggen in de range van wat er in buitenlucht aangetroffen wordt en hebben waarschijnlijk een natuurlijke oorsprong. Het RIVM voert de contra-expertises jaarlijks uit in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Medicatie-incidenten als gevolg van gebruiksonvriendelijke IT-systemen | RIVM

De laatste jaren gebruiken zorgprofessionals steeds vaker computersystemen om informatie over een patiënt bij te houden en uit te wisselen. Deze systemen bieden veel voordelen, maar veroorzaken soms fouten, bijvoorbeeld bij het voorschrijven van medicijnen. Dat komt omdat ze niet altijd gebruiksvriendelijk zijn. Zo zijn waarschuwingen over wisselwerkingen met andere medicijnen of verkeerd gekozen doseringen in het beeldscherm niet altijd goed leesbaar. Ook is het voor de zorgprofessional soms lastig om het juiste medicijn uit de lijst met medicijnnamen te selecteren. Het is alleen niet duidelijk hoe vaak zorgprofessionals door een gebruiksonvriendelijk systeem medicijnfouten veroorzaken. Dat blijkt uit een verkennend onderzoek van het RIVM. Dit is in samenwerking met Amsterdam UMC ziekenhuis, in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, uitgevoerd. Artsen of apothekers moeten de fouten beschrijven en vastleggen via een (elektronisch) meldformulier. Maar deze meldingen bevatten niet altijd voldoende informatie om de invloed van het computersysteem bij de fout te bepalen. Verder blijkt dat gebruiksonvriendelijkheid vaak samenhangt met andere factoren. Zo kunnen hoge werkdruk en onervarenheid met het computersysteem fouten in de hand werken. De onderzoekers hebben een overzicht gemaakt van alle factoren die kunnen bijdragen aan medicijnfouten door gebruiksonvriendelijke computersystemen. Ook is voor het hele medicatieproces, van voorschrijven tot gebruik, een overzicht gemaakt van onhandig ontworpen onderdelen van computersystemen. Beide overzichten kunnen worden gebruikt om beter zicht te krijgen op de invloed van gebruiksonvriendelijke computersystemen bij het ontstaan van fouten met medicijnen. Door de systemen beter te ontwerpen, kunnen fouten mogelijk worden voorkomen.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Achtergrondwaarden perfluoralkylstoffen (PFAS) in de Nederlandse landbodem | RIVM

Het RIVM heeft onderzocht wat de concentraties van de stoffen PFAS zijn in de bodem op landbouw- en natuurlocaties verspreid over Nederland. PFAS staat voor poly- en perfluoralkylstoffen. Dit zijn door de mens gemaakte stoffen die van nature niet in het milieu voorkomen. Bekende PFAS zijn PFOS, PFOA en GenX. PFAS worden in veel producten gebruikt. Daardoor zijn deze stoffen in het milieu terechtgekomen. Dat is ook gebeurd doordat fabrieken PFAS hebben uitgestoten en door incidenten waarbij de stoffen vrijkwamen. De stoffen zitten nu onder andere in de bodem, in bagger en in het grond- en oppervlaktewater. Op basis van de concentraties zijn voor twee veelvoorkomende PFAS (PFOS en PFOA) zogenoemde achtergrondwaarden bepaald. Een achtergrondwaarde geeft aan hoeveel PFAS er al in de bodem zit. Als grond een lagere concentratie PFAS heeft dan de achtergrondwaarde, dan kan deze grond verplaatst worden binnen de regels van het Besluit bodemkwaliteit. De achtergrondwaarden gelden voor heel Nederland. In 2019 heeft het RIVM al tijdelijke achtergrondwaarden bepaald. Die waarden waren gebaseerd op beschikbare metingen van derden van PFAS-concentraties in relatief schone gebieden. Om een compleet landelijk beeld te krijgen van de concentraties PFAS in de bodem heeft het RIVM nieuw onderzoek gedaan op meer dan 100 locaties in Nederland. De nieuwe, landelijke achtergrondwaarden zijn hoger dan de tijdelijke achtergrondwaarden uit 2019. Dit komt omdat toen een extra marge is gebruikt. Door de manier waarop dit onderzoek is uitgevoerd, is dat niet meer nodig. In het huidige onderzoek zijn niet alleen bodemmonsters van landbouwen natuurlocaties onderzocht, maar ook van bebouwd gebied. Hieruit blijkt dat de concentraties PFAS op deze plekken doorgaans hoger zijn dan op locaties met landbouw- en natuur.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Contra-expertise op bepalingen van radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht van Urenco Nederland B.V. : Periode 2018 | RIVM

De fabriek Urenco Nederland, die uranium verrijkt, meet hoeveel radioactiviteit het in het eigen afvalwater en ventilatielucht loost. Het RIVM controleert deze metingen acht keer per jaar. Met deze 'contra-expertise' controleert RIVM of de analyses die Urenco zelf uitvoert, betrouwbaar zijn. De te analyseren monsters worden verspreid over het jaar door Urenco genomen. Dit jaar komen de totaal-alfa resultaten en de gamma-analyses van afvalwater uit de contra-expertise in 2018 goed overeen. De overeenstemming in de totaal-beta resultaten is redelijk. Uit de metingen blijkt dat de activiteitsconcentraties in afvalwater in de acht monsters laag zijn: 0,4 - 5,7 kBq.m-3 voor totaal-alfa en 0,4 - 8,1 kBq.m-3 voor totaal-bèta. De radioactiviteit in ventilatielucht ligt zeer dicht bij het niveau van de hoeveelheid radon die van nature in de buitenlucht aanwezig is. Voor totaal alfa is een activiteitsconcentratie van 0,006 - 0,07 mBq.m-3 gevonden en voor totaal bèta 0,02 - 0,42 mBq.m-3. De resultaten van de meetwaarden van Urenco in ventilatielucht kwamen matig tot redelijk overeen met de RIVM-analyses. In buitenlucht wordt de natuurlijke totaal alfa en bèta-activiteit veroorzaakt door radon-dochters, net als de verhouding tussen de totaal alfa- en totaal bèta-activiteit. De verhouding zou heel anders zijn wanneer uranium vrijkomt. Daarom is het aannemelijk dat er in 2018 geen uranium in ventilatielucht is vrijgekomen. RIVM voert de contra-expertises jaarlijks uit in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Contra-expertise op bepalingen van radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht van de kernenergiecentrale Borssele : Periode 2018 | RIVM

De kerncentrale Borssele (KCB) meet hoeveel radioactiviteit de centrale loost via het nucleair afvalwatersysteem en het nucleair ventilatiesysteem. Het RIVM controleert deze metingen acht keer per jaar. Met deze 'contra-expertise' controleert het RIVM of de analyses die de kerncentrale zelf uitvoert, betrouwbaar zijn. De te analyseren monsters worden verspreid over het jaar door KCB genomen. Net als in voorgaande jaren komen de gamma-analyses van afvalwater uit de contra-expertise in 2018 op hoofdlijnen overeen met de resultaten van de kerncentrale. De overeenkomst in de 3H-data in afvalwater was redelijk, maar kan nog worden verbeterd. Zowel de kerncentrale als het RIVM heeft geen strontium-isotopen en alfa-activiteit in het afvalwater aangetroffen. In ventilatielucht heeft het RIVM in de monsters van periode 2, 3 en 7 een geringe hoeveelheid 131I aangetroffen. KCB heeft geen gammaactiviteit aangetroffen. De resultaten van de bepaling van 3H en 14C in ventilatielucht, bemonsterd met een zeolietpatroon, kwamen redelijk overeen. Het RIVM voert de contra-expertises jaarlijks uit in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Vaccinatiegraad en jaarverslag Rijksvaccinatieprogramma Nederland 2019 | RIVM

In Nederland krijgen kinderen vaccinaties tegen twaalf besmettelijke ziekten. Het RIVM beschrijft elk jaar hoeveel kinderen zijn gevaccineerd (vaccinatiegraad) en de ontwikkelingen binnen het Rijksvaccinatieprogramma (RVP). Ontwikkelingen In 2019 kregen meer mensen baarmoederhalskanker, de bof, kinkhoest en mazelen dan in 2018. Minder mensen kregen meningokokkenziekte W. Sinds 2018 krijgen baby's van 14 maanden en jongeren een vaccinatie aangeboden waaraan meningokokken W is toegevoegd (ACWY-vaccinatie). Eind 2019 is de vaccinatie tegen kinkhoest voor zwangere vrouwen opgenomen in het RVP. Per 1 januari 2020 is het vaccinatieschema aangepast: baby's worden nu gevaccineerd als ze 3, 5 en 11 maanden oud zijn, in plaats van bij 2, 3, 4 en 11 maanden. Als de moeder tijdens de zwangerschap niet tegen kinkhoest is gevaccineerd, krijgt het kind een extra vaccinatie op de leeftijd van 2 maanden. Deze extra vaccinatie wordt ook gegeven in bijzondere situaties, bijvoorbeeld aan kinderen die te vroeg worden geboren. Verder heeft de staatssecretaris van VWS in 2019, op advies van de Gezondheidsraad, besloten om de HPV-vaccinatie aan te gaan passen: deze zal ook aan jongens worden gegeven en op een jongere leeftijd (rond 9 jaar). Ook wordt het voor mensen die de vaccinatie nog niet hebben gehad, mogelijk om deze tot en met 26 jaar alsnog te halen. Deze veranderingen staan voor 2021 gepland. Vaccinatiegraad De landelijke vaccinatiegraad is voor het eerst sinds vijf jaar licht gestegen. Bij zuigelingen, geboren in 2017, geldt dit in het bijzonder voor de vaccinatie tegen bof, mazelen en rodehond (BMR). Deze is met 0,7 procent gestegen tot 93,6 procent. De landelijke vaccinatiegraad voor de HPV-vaccinatie (baarmoederhalskanker) voor meisjes, geboren in 2005, is met 7,5 procent toegenomen tot 53 procent.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Sexually transmitted infections in the Netherlands in 2019 | RIVM

In 2019 hebben vrijwel evenveel mensen zich bij een Centrum voor Seksuele Gezondheid (CSG) laten testen op seksueel overdraagbare aandoeningen (soa) als in 2018. Het percentage dat daadwerkelijk een soa had, is licht gestegen. Chlamydia bleef de meest voorkomende soa onder heteroseksuelen. Bij mannen die seks hebben met mannen (MSM) kwam gonorroe het meest voor. Bij huisartspraktijken nam het aantal soaconsulten toe onder alle leeftijden. Bij CSG's kunnen mensen die een grotere kans hebben op een soa, bijvoorbeeld jongeren onder de 25, zich gratis laten testen. In 2019 zijn er in totaal 150.782 consulten geregistreerd bij de CSG's. Het aantal consulten nam af onder vrouwen en heteroseksuele mannen, maar nam toe bij MSM. Bij 19 procent van de consulten is een soa gevonden. Infecties zijn het vaakst gevonden bij mensen die zijn gewaarschuwd voor een soa. Naast de CSG-cijfers worden schattingen gemaakt van het aantal soa-consulten en -diagnoses die de huisartsen uitvoeren. Hiervoor zijn gegevens gebruikt van 323 huisartspraktijken in 2018. Huisartsen voeren het merendeel van de soa-consulten uit. Chlamydia In 2019 waren er 21.134 chlamydia-diagnoses bij de CSG's, vergelijkbaar met 2018. Het percentage vrouwen en heteroseksuele mannen met chlamydia bleef in de afgelopen 3 jaar stabiel (respectievelijk 15 en 18 procent). Voor MSM ligt dit percentage al jaren rond de 10 procent. Het aantal geschatte diagnoses door huisartsen nam in 2018 toe ten opzichte van 2017 (42.500 versus 39.800). Gonorroe Het aantal gonorroe-diagnoses bij de CSG's is het afgelopen jaar met 11 procent toegenomen tot 8.186 infecties. Ook het percentage met gonorroe steeg ten opzichte van afgelopen twee jaar; onder heteroseksuele mannen naar 2,3 procent (1,9 in 2017), en onder vrouwen naar 1,9 procent (1,6 in 2017). Het percentage onder MSM is de afgelopen jaren stabiel gebleven rond de 11 procent (11,5 in 2019). Het geschatte aantal infecties bij de huisartsen nam toe van 9.550 in 2017 naar 11.300 in 2018. Deze toename was vooral onder vrouwen jonger dan 25 jaar. Bij de CSG's is geen antibioticaresistentie tegen het huidige 'eerste keus' antibioticum voor gonorroe (ceftriaxon) gemeld. Wel is er resistentie tegen andere antibiotica. De resistentie tegen ciprofloxacine steeg fors van 34 procent in 2018 naar 55 procent in 2019. Syfilis In 2019 is het aantal syfilis-diagnoses bij de CSG's met 16,8 procent gestegen ten opzichte van 2018 (1.430 versus 1.224). Daarvan is 96 procent bij MSM vastgesteld. Het percentage met syfilis onder MSM daalde van 2,9 procent in 2016 naar 2,4 procent in 2018 en 2,5 procent in 2019. Voornamelijk onder MSM met hiv was het percentage hoger (7,5 procent in 2019 ten opzichte van 6,7 procent in 2018). Het percentage vrouwen en heteroseksuele mannen met de infectie bleef in 2019 laag, respectievelijk 0,1 en 0,3 procent. Hiv Het aantal nieuwe hiv-diagnoses dat de CSG's stelde, is in 2019 (164) met 34 procent afgenomen ten opzichte van 2018. Hiervan waren 152 diagnoses bij MSM. Het aantal diagnoses onder vrouwen en heteroseksuele mannen bleef laag. Het aantal mensen met hiv dat in 2019 voor het eerst voor behandeling bij een van de Nederlandse hiv-behandelcentra kwam ('in zorg') was 972. Dat was meer dan in 2018 (911). In totaal zijn in 2019 20.724 mensen met hiv geregistreerd als in zorg.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

NethMap 2020: Consumption of antimicrobial agents and antimicrobial resistance among medically important bacteria in the Netherlands in 2019 / MARAN 2020: Monitoring of Antimicrobial Resistance and Antibiotic Usage in Animals in the Netherlands in 2019 | RIVM

Wereldwijd neemt het aantal bacteriën die resistent zijn tegen antibiotica toe. In Nederland blijft dat aantal over het algemeen stabiel en is het minder hoog dan in veel andere landen. In 2019 zijn nauwelijks stijgingen in resistentie gevonden en bij sommige bacteriesoorten neemt de resistentie tegen bepaalde antibiotica zelfs iets af ten opzichte van de voorgaande jaren. Ook het aantal bacteriën dat resistent is tegen meerdere verschillende antibiotica tegelijkertijd, en daardoor moeilijker te behandelen, neemt niet toe. Er blijft altijd reden voor waakzaamheid, zodat veranderingen op tijd kunnen worden opgemerkt. Om resistentie te voorkomen is het belangrijk om antibiotica op de juiste manier te gebruiken en alleen als het nodig is. Huisartsen schreven in het afgelopen jaar iets minder antibioticakuren voor dan de jaren daarvoor. In ziekenhuizen steeg het totale antibioticagebruik enigszins. Voor landbouwhuisdieren is in 2019 minder antibiotica voorgeschreven dan in 2018. Ten opzichte van 2009, het referentiejaar, is de verkoop met bijna 70 procent verminderd. Voor landbouwhuisdieren zijn de afgelopen jaren bijna geen antibiotica gebruikt die belangrijk zijn om infecties bij de mens te behandelen. Ten opzichte van 2018 is de antibioticaresistentie in de verschillende diersectoren gelijk gebleven of licht afgenomen. Het percentage ESBL-positieve dieren is verder afgenomen in alle diersectoren. De grootste daling over de afgelopen 5 jaar van ESBL-producerende bacteriën wordt gezien bij vleeskuikens en op kippenvlees. ESBL zijn enzymen die veelgebruikte antibiotica kunnen afbreken, zoals penicillines. In Nederland zijn de afgelopen jaren extra maatregelen genomen om antibioticaresistentie te bestrijden. Deze maatregelen reiken verder dan de gezondheidszorg omdat resistente bacteriën ook bij dieren, in voeding en in het milieu voorkomen. Daarom wordt in Nederland een 'One Health' aanpak gehanteerd. In de jaarlijkse rapportage NethMap/MARAN 2020 presenteren diverse organisaties gezamenlijk de gegevens over het antibioticagebruik en -resistentie in Nederland, zowel voor mensen als voor dieren.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Effectiviteit van een verbod op prijsaanbiedingen op suikerhoudende dranken : Een literatuuronderzoek naar de effectiviteit van een verbod op prijsaanbiedingen en marketing- en reclame-uitingen in de supermarkt | RIVM

Een aantal gezondheidsorganisaties heeft de overheid voorgesteld om een verbod in te stellen van kortingsacties op suikerhoudende dranken. Door deze maatregel zou de verkoop van suikerhoudende dranken afnemen. Nederlanders krijgen teveel suiker binnen, vooral via suikerhoudende dranken. De overheid heeft het RIVM de opdracht gegeven om literatuuronderzoek te doen naar het effect van een verbod op verkoopkortingen, marketing en reclame op de verkoop van suikerhoudende dranken en producten. De effectiviteit van een verbod op prijsaanbiedingen en/of een verbod op marketing en reclame in de supermarkt op de verkoop van suikerhoudende dranken zijn nog niet direct onderzocht. Wel zijn er indirecte aanwijzingen dat deze maatregelen kunnen bijdragen aan het verlagen van de aankoop van suikerhoudende dranken. Prijsaanbiedingen komen vooral voor op ongezonde producten en verhogen, in ieder geval op korte termijn, de verkoop. Het verbieden van reclame-uitingen voor ongezonde voedingsmiddelen op televisie, radio of internet gericht op jonge kinderen lijkt effectief om de verkoop hiervan te verlagen. In hoeverre een verbod op prijsaanbiedingen en/of een marketing- en reclameverbod, specifiek in de supermarkt, op langere termijn een direct effect heeft op de consumptie van suikerhoudende dranken, moet nog onderzocht worden. Het RIVM heeft de wetenschappelijk literatuur naar de effecten van (een verbod op) prijsaanbiedingen en reclame en marketing op de verkoop en consumptie van suikerhoudende dranken en voedingsmiddelen verkend. De resultaten hiervan staan beschreven in dit briefrapport.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

An overview of the available data on the mutagenicity and carcinogenicity of 1-tert-butoxypropan-2-ol. | RIVM

Het RIVM heeft in de wetenschappelijke literatuur onderzocht wat er bekend is over twee mogelijke schadelijke eigenschappen van 1-tertbutoxypropan-2-ol. De stof wordt onder andere gebruikt als oplosmiddel, in coatings en schoonmaakmiddelen, in inkten en lijmen, nagellak, lak en latexverf. De vraag is of de stof kankerverwekkend is en erfelijke veranderingen kan veroorzaken door schade aan het DNA (mutageen). De gevonden informatie is samengevat. De Gezondheidsraad gebruikt de samenvattingen om de mutagene en kankerverwekkende eigenschappen te beoordelen en om een advies op te stellen voor classificatie van de stof op verzoek van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). Die beoordeling zal uitgevoerd worden door de Subcommissie Classificatie van carcinogene stoffen van de Gezondheidsraad. Deze subcommissie valt onder de Commissie Gezondheid en Beroepsmatige Blootstelling aan Stoffen (GBBS) die zich richt op gezondheidsrisico's door blootstelling aan chemische stoffen op de werkplek.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Voortgangsrapportage Nationaal Preventieakkoord 2019 | RIVM

De meer dan 70 partijen die eind 2018 het Nationaal Preventieakkoord (NPA) hebben afgesloten, zijn in 2019 met het overgrote deel van de afspraken aan de slag gegaan. Binnen alle drie de deelakkoorden is het grootste gedeelte van de afspraken in 2019 in uitvoering (62% voor roken, 80% voor overgewicht en 65% voor problematisch alcoholgebruik). Veel andere afspraken zijn in voorbereiding (14% voor roken, 17% voor overgewicht en 20% voor problematisch alcoholgebruik). Een klein deel van de afspraken (2%-5%) was eind 2019 al afgerond. Het deel van de afspraken dat eind 2019 nog niet was gestart, is ook klein: 8% voor roken, 0% voor overgewicht en 10% voor problematisch alcoholgebruik. Met het NPA willen het ministerie van VWS en meer dan 70 partijen bijdragen aan een gezonder Nederland. Zij willen dat in 2040 minder mensen roken, minder mensen overgewicht hebben en minder mensen problematisch alcohol gebruiken. Vanaf 2010 is een daling te zien in het aantal volwassen Nederlanders die roken naar 22% in 2019. De ambities is dat in 2040 maximaal 5% van de volwassen Nederlanders nog rookt. Voor overgewicht is het doel om het aantal mensen met overgewicht terug te brengen tot minder dan 40% in 2040. In 2019 was het percentage volwassenen met overgewicht met 50% ongeveer gelijk aan dat van 2018. In 2019 dronk 9% van de volwassen Nederlanders overmatig en 9% zwaar. Het streven is dat zowel voor overmatig als voor zwaar drinken in 2040 is gedaald naar maximaal 5%. In het NPA is afgesproken dat het RIVM ieder jaar verslag zal uitbrengen over de uitvoering van de gemaakte afspraken van het NPA. Door middel van een gericht en herhaalde uitvraag bij alle deelnemende partijen is zo veel mogelijk concrete en cijfermatige voortgangsinformatie verzameld. De rapportage richt zich vooral op doelen die in 2020 bereikt moeten worden. In alle deelakkoorden is het voor een deel van de doelstellingen en afspraken onduidelijk wanneer de activiteiten plaatsvinden, door welke partij het uitgevoerd wordt of wat de concrete uitkomst is. Met name voor dit soort afspraken was de aangeleverde informatie over de voortgang van de afspraken niet altijd cijfermatig of concreet. Hierdoor, maar ook omdat de uitvoering van de afspraken binnen het NPA pas een jaar onderweg is, zegt de voortgang over 2019 nog niets over het al dan niet behalen van de ambities in 2040.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Doorontwikkeling referentiekader ambulancezorg 2020 | RIVM

Het ‘referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg’ (referentiekader) berekent hoeveel ambulances nodig zijn voor de 25 Regionale Ambulance Voorzieningen (RAV’s) in Nederland. Het referentiekader is gebaseerd op een aantal uitgangspunten en randvoorwaarden. Er zijn een aantal knelpunten in de Nederlandse ambulancezorg. Dat heeft onder andere te maken met de spreiding van standplaatsen in de regio’s en het aantal beschikbare ambulances. Het RIVM heeft daarom onderzocht hoe het referentiekader beter kan aansluiten bij de vraag naar ambulancezorg in de praktijk. Het heeft hiervoor een aantal varianten uitgewerkt met verschillen in het aantal standplaatsen en hun locaties. Dit onderzoek wordt de ‘doorontwikkeling’ van het referentiekader genoemd. Hierbij is nagegaan hoeveel inwoners bij deze varianten binnen 12 minuten rijtijd vanaf een standplaats kunnen worden bereikt, de ‘dekking’. Ook is gekeken naar het aantal inwoners dat vanuit twee of meer standplaatsen kan worden bereikt, de ‘dubbele dekking’. Verder is gekeken naar de werkdruk per RAV, oftewel het aantal spoedeisende inzetten per ambulance. Er zijn signalen dat de werkdruk in sommige RAV’s hoog is. Berekend is hoeveel extra ambulances nodig zijn om de werkdruk te beperken. Tot slot is ingeschat hoeveel ambulances over twee jaar nodig zijn. Deze ‘indexering’ is gebaseerd op een analyse van het aantal ambulanceritten over de afgelopen vier jaar. Dit onderzoek is in opdracht van het ministerie van VWS uitgevoerd. In het bestuurlijk overleg tussen dit ministerie, zorgverzekeraars en de ambulancesector wordt besloten welke variant uit het onderzoek in het referentiekader-2020 zal worden gebruikt.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Metingen van het gamma- en neutronendosistempo aan de terreingrens | RIVM

Op het terrein van de Onderzoekslocatie Petten heeft het RIVM in 2018 gemeten hoeveel de Hoge Flux Reactor (HFR) bijdroeg aan de dosis gamma en neutronen in de omgeving. De hoogst gemeten dosis bedraagt 33 microsievert per jaar. De bijdrage van neutronen, mogelijk afkomstig van de Hoge Flux reactor, is verwaarloosbaar. In dezelfde periode is ook naast de ingang van de Stekhal, eveneens op de Onderzoekslocatie Petten, de omgevingsdosis gemeten. De hoogste dosis is daar 7 microsievert per jaar. Transporten van radioisotopen door Curium ter hoogte van het hek nabij de HFR leveren een jaardosis van 4,4 microsievert. In de dosis is de blootstellingscorrectiefactor verwerkt. Deze factor brengt in rekening hoe lang iemand daadwerkelijk per jaar aan de terreingrens verblijft. Het RIVM heeft de metingen eenmalig in de eerste helft van 2018 uitgevoerd in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Effecten van de impuls klimaatneutraal en circulair inkopen in 2019 | RIVM

Met Maatschappelijk Verantwoord Inkopen (MVI) kan de overheid eraan bijdragen dat Nederland in 2050 overgaat op een klimaatneutrale en circulaire economie. Om dit te stimuleren kregen inkopers bij het rijk en decentrale overheden in 2019 de kans om in 98 pilots meer te leren over deze vormen van inkopen. Dat varieerde van concrete eisen en criteria opstellen tot intern draagvlak creëren. Deze 'impuls' werkte onder andere met subsidies om overheden te helpen bij MVI-aanbestedingen. Daarnaast zijn leernetwerken georganiseerd waarin deelnemers informatie ontvingen en uitwisselden over inkoopthema's en specifieke productgroepen. Het RIVM heeft de effecten van de pilots en de leernetwerken in 2019 in kaart gebracht. De impuls heeft eraan bijgedragen dat MVI in overheidsorganisaties is ingebed. Dat komt onder andere doordat veel deelnemers de opgedane kennis hebben verspreid binnen de organisaties. Deelnemers van de leernetwerken gaven aan veel te hebben aan de contacten die ze er hebben opgedaan. Van een kwart van de pilots zijn gegevens beschikbaar om in te schatten hoeveel broeikasgassen er in theorie minder wordt uitgestoten dankzij de pilots (5,7 kiloton CO2- equivalenten). Effecten meten is in de praktijk nog niet vanzelfsprekend. Daarnaast is er meer aandacht voor MVI nodig in de contractfase van het inkoopproces.Deze 'impuls' werkte onder andere met subsidies om overheden te helpen bij MVI-aanbestedingen. Daarnaast zijn leernetwerken georganiseerd waarin deelnemers informatie ontvingen en uitwisselden over inkoopthema's en specifieke productgroepen. Het RIVM heeft de effecten van de pilots en de leernetwerken in 2019 in kaart gebracht. Bij de impuls is ook geëxperimenteerd met mogelijkheden om bij aanbestedingen te werken met 'interne CO2-beprijzing'. Dit betekent dat de klimaatimpact wordt uitgedrukt in geld. Dit fictieve bedrag wordt bij de prijs van een product of dienst opgeteld en daarna pas vergeleken met alternatieven. Zo kan een inkoper een product of dienst kiezen op basis van de combinatie kosten én impact op klimaat. Voor deze 'schaduwprijs' is bepaald wat een ton CO2 minimaal zou moeten kosten om de werkelijke milieukosten mee te kunnen laten wegen bij inkopen (700 euro/ton). Een voorzichtige conclusie is dat schaduwbeprijzing een krachtig middel kan zijn om de uitstoot van CO2 te verminderen via aanbestedingen. Voorwaarde is wel dat met de minimale prijs voor CO2 wordt gewerkt. Aanbestedende diensten bij decentrale overheden hebben 83 keer gebruik van gemaakt van de subsidie. De rijksoverheid deed dat 15 keer. De pilots richtten zich op diverse productgroepen 'grond-, weg- en waterbouw', 'gebouwen', 'vervoer', 'energie', 'catering', 'bedrijfskleding', 'kantoorinrichting', 'ICT' en 'zorg'.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Inventarisatie van het gebruik van Diagnostische Referentieniveaus voor röntgenonderzoeken in Nederland : Update van RIVM briefrapport 080129001/2013KRW | RIVM

Om ziekten op te sporen en te behandelen kan straling worden gebruikt. Om de nadelen daarvan kleiner te maken is het belangrijk de dosis zo laag mogelijk te houden. Daarom zijn voor elf medische onderzoeken bepaald welke dosis voor ziekenhuizen haalbaar moeten zijn per onderzoek. Dit noemen we diagnostische referentieniveaus. Ziekenhuizen in Nederland moeten de gebruikte dosis vergelijken met deze referentieniveaus. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat de meeste ziekenhuizen deze meting uitvoeren. En daar ook de extra waarde van zien. Zij vergelijken de dosis meestal zorgvuldig, al gebruiken ze daar niet altijd de geadviseerde aanpak voor. De referentieniveaus zijn afgesproken in 2012. Door nieuwe techniek verbetert de beeldkwaliteit. Hierdoor kan met een lagere dosis een beeld van goede kwaliteit worden gemaakt. Daarom is het nuttig om nieuwe, lagere, referentieniveaus af te spreken. Dit zou ziekenhuizen kunnen aanmoedigen om de gebruikte dosis nog lager te krijgen. Uit het overzicht blijkt ook dat ziekenhuizen voor meer typen onderzoeken referentieniveaus willen hebben. In andere landen binnen Europa is dat (vaak) al zo. De ziekenhuizen wensen een nieuwe aanpak om de dosis voor onderzoeken bij kinderen te vergelijken met de afgesproken referentieniveaus. De richtlijn adviseert nu om het referentieniveau te vergelijken met een gemiddelde dosis van 20 patiëntjes uit dezelfde leeftijdsgroep. Maar in de meeste ziekenhuizen zijn niet genoeg gegevens om de dosis zorgvuldig te vergelijken met het referentieniveau. Dit komt door het kleine aantal kinderen dat deze ziekenhuizen onderzoeken. Voor dit onderzoek hebben 22 van de 30 aangeschreven ziekenhuizen meegewerkt. Het RIVM vroeg hen hoe ze de diagnostisch referentieniveaus gebruiken. Ook vroegen we wat hun wensen zijn voor het gebruik van de diagnostische referentieniveaus.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

EURL-Salmonella Proficiency Test Primary Production, 2019 : Detection of Salmonella in chicken faeces samples | RIVM

De Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) van de Europese lidstaten waren in 2019 in staat om Salmonella aan te tonen in kippenmest. Alle deelnemers konden hoge en lage concentraties van Salmonella aantonen. Op één na hebben alle laboratoria een goede score behaald. Dat ene laboratorium had de controlemonsters verwisseld en haalde daarom een matige score. Dit blijkt uit het ringonderzoek dat het overkoepelende EURL-Salmonella in oktober 2019 organiseerde. Sinds 1992 zijn de NRL's van de Europese lidstaten verplicht om deel te nemen aan jaarlijkse kwaliteitstoetsen die bestaan uit zogeheten ringonderzoeken voor Salmonella. Elke lidstaat wijst voor de kwaliteitstoets een laboratorium aan, het Nationale Referentie Laboratorium. Deze laboratoria zijn er namens dat land voor verantwoordelijk Salmonella aan te tonen in de leefomgeving van dieren die voor de voedselproductie worden gehouden. In totaal hebben 35 NRL's aan dit ringonderzoek deelgenomen: 29 NRL's afkomstig uit alle 28 EU-lidstaten, vijf NRL's uit andere Europese landen en een NRL uit een niet-Europees land. Het Europese Referentielaboratorium (EURL) Salmonella is gevestigd bij het Nederlandse Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Een belangrijke taak van het EURL-Salmonella is toezien op de kwaliteit van de nationale referentielaboratoria voor deze bacterie in Europa.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

ew approach methodologies (NAMs) for human-relevant biokinetics predictions: Meeting the paradigm shift in toxicology towards an animal-free chemical risk assessment.New approach methodologies (NAMs) for human-relevant biokinetics predictions: Meeting the | RIVM

ew approach methodologies (NAMs) for human-relevant biokinetics predictions: Meeting the paradigm shift in toxicology towards an animal-free chemical risk assessment.New approach methodologies (NAMs) for human-relevant biokinetics predictions: Meeting the | RIVM
Jaar: 2020 Onderzoek

Twee methoden om blootstelling op de werkplek te toetsen aan een grenswaarde: BOHS-NVvA (2011) en de NEN-EN-689 (2019) : Een vergelijking voor het gebruik in veilige werkwijzen | RIVM

Bedrijven die met chemische stoffen werken kunnen een veilige werkwijze opstellen. Deze werkwijze beschrijft nauwkeurig hoe werknemers op hun werkplek bij een bedrijf veilig kunnen werken. Als een bedrijf meerdere locaties heeft, geldt de werkwijze voor alle locaties. De Inspectie SZW vraagt bedrijven wel om aan te tonen dat de blootstelling aan de chemische stof voldoende onder controle is. Hiervoor wordt in Nederland sinds 2011 de BOHS-NVvA-methode gebruikt. Sinds 2018/2019 is ook de Europese NEN-EN-689-methode van kracht, nadat deze enkele jaren geleden was ingetrokken. Het RIVM heeft in opdracht van de Inspectie SZW gekeken hoe deze methoden zich tot elkaar verhouden. De methoden blijken op grotendeels dezelfde manier voor te schrijven hoe de blootstelling moet worden gemeten en geanalyseerd. Beide methoden zijn geschikt als ondersteuning van een veilige werkwijze. Wel heeft de BOHS-NVvA-methode de voorkeur boven NEN-EN-689. Dat komt omdat deze methode meer minimale eisen stelt aan de metingen: meer en vaker meten. Een hoger aantal metingen geeft met meer zekerheid aan dat de blootstelling voldoende onder controle is. Ook kan de BOHS-NVvA eenvoudiger voor meerdere locaties worden gebruikt. Deze kan namelijk aantonen of verschillende locaties van bedrijven op dezelfde manier werken of niet.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Geluidmonitor 2018 - Nader Onderzoek : Individuele bronemissies van weg- en spoorverkeer | RIVM

Rijkswaterstaat en ProRail berekenen, als beheerders van de rijkswegen en spoorwegen, elk jaar hoeveel geluid het verkeer op de weg en het spoor maakt. Het RIVM toetst de resultaten met metingen in de Geluidmonitor. Belangrijk aandachtspunt hierbij is hoe aannames in de rekenmethode over de gemiddelde hoeveelheid geluid van voertuigen en treinen zich verhouden tot de praktijk. De afgelopen jaren bedroegen de verschillen tussen meten en rekenen gemiddeld 2 decibel bij het wegverkeer en 0 decibel bij het spoorverkeer. Om de oorzaken van de verschillen te vinden, heeft het RIVM de belangrijkste factoren onder de loep genomen die invloed hebben op geluid. Hierbij is gekeken naar de effecten van banden en naar de kwaliteit van het wegdek. Daarnaast is onderzocht hoeveel geluid afzonderlijke voertuig- en treintypen produceren. Voertuigtypen In de rekenmethode wordt een correctie gemaakt voor stille banden. Sinds 2016 mogen geen banden meer worden verkocht die niet voldoen aan de Europese bandenrichtlijn. Dit geldt zowel voor personenauto's als voor vrachtauto's. Het rekenmodel loopt vooruit op de situatie van 2022, waarin naar verwachting alle (vracht)auto's door deze maatregel 1 tot 2 decibel stiller zijn. De metingen laten zien dat vrachtauto's de afgelopen drie jaar 1,5 decibel minder geluid zijn gaan maken. Voor personenauto's is het geluid echter hetzelfde gebleven. Invloed wegdek Een andere correctie in de rekenmethode is het type wegdek. Deze correctie gaat uit van een gemiddelde levensduur van het wegdek, ongeacht de conditie van het wegdek. Verschillen tussen de gemeten en berekende hoeveelheid geluid in de Geluidmonitor blijken echter voor een groot deel te verklaren door de staat van het wegdek. Het RIVM gaat daarom met Rijkswaterstaat het verband tussen de geluidproductie en de conditie van het wegdek nog verder onderzoeken. Treintypen Voor het treinverkeer is het type trein van invloed op de geluidproductie. In het rekenmodel zijn de verschillende treintypen, zoals de sprinter, opgenomen in afzonderlijke categorieën. De moderne sprinter blijkt echter, volgens de metingen, 3 tot 4 decibel minder geluid te maken dan de waarden die in de rekenmethode aan deze categorie wordt gegeven.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Inventarisatie van gewasbescherming toepasbaar in de teelt van cannabis binnen het "Experiment met een gesloten coffeeshopketen" | RIVM

In het regeerakkoord is een experiment opgenomen om cannabis vier jaar lang volgens regels te telen en verhandelen. Tijdens dit experiment mogen maximaal 10 telers cannabis voor recreatief gebruik telen. Het RIVM heeft uitgezocht welke ziekten en plagen bij deze teelt kunnen ontstaan. Ook is geïnventariseerd hoe deze ziekten en plagen kunnen worden voorkomen of bestreden met natuurlijke vijanden of met gewasbeschermingsmiddelen die 'passen binnen een biologische teelt'. Voor ziekten en plagen waar geen of te weinig biologische mogelijkheden voor bestaan, zoals schimmels, zijn enkele reguliere gewasbeschermingsmiddelen geselecteerd. De meeste plagen zijn met natuurlijke vijanden te bestrijden, zoals bepaalde kevers en wespen. Dat geldt niet voor de ziekten toprot en echte meeldauw. Deze ziekten kunnen een sterke daling van de oogst veroorzaken. Hiervoor heeft het RIVM een klein aantal gewasbeschermingsmiddelen geselecteerd die passen binnen de biologische teelt. Om deze ziekten goed te kunnen bestrijden zijn mogelijk ook gewasbeschermingsmiddelen nodig die niet passen binnen de biologische teelt. Het kan zijn dat restanten van gewasbeschermingsmiddelen op de cannabis achterblijven. Als het middel volgens voorschriften wordt gebruikt, ligt bij vier van tien geselecteerde middelen de geschatte hoeveelheid die een cannabisgebruiker maximaal kan binnenkrijgen, ruim onder de grenzen die voor de gezondheid zijn bepaald. Voor de zes andere middelen hoeft niet te worden bepaald hoeveel er maximaal op de plant achterblijft, omdat deze stoffen geen risico vormen voor de cannabisgebruiker. De blootstelling aan de onderzochte gewasbeschermingsmiddelen via het gebruik van cannabis is daarom niet schadelijk voor de cannabisgebruiker. De WUR (University of Wageningen), BMC (Bureau Medicinale Cannabis), NVWA (Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit, expertiseteam Natuur & Gewasbescherming), Ctgb (College ter beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen en biociden) en twee producenten hebben informatie geleverd voor dit rapport. Het rapport en de conclusies zijn opgesteld door het RIVM.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Motie Schonis en de WHO-richtlijnen voor omgevingsgeluid (2018) : Het doel heiligt de middelen | RIVM

De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft in oktober 2018 de richtlijnen omgevingsgeluid uitgebracht. Deze WHO-richtlijnen zijn een advies en zijn bedoeld om de schadelijke gezondheidseffecten door geluid, zoals een verstoorde slaap en hinder, te verminderen. Nieuw in deze richtlijnen is dat er rekening wordt gehouden met nieuwe inzichten dat de ernstigere gezondheidseffecten van geluid, zoals coronaire hartziekten, al bij lagere geluidniveaus optreden dan in het verleden werd aangenomen. Ook gaan deze richtlijnen ervan uit dat geluid van het spoor bij meer mensen hinder veroorzaakt dan eerder werd berekend. Volgens het RIVM zou het Nederlandse beleid kunnen worden verbeterd door het aan te passen aan de nieuwe inzichten van de WHO. Dit betekent dat er vanuit beleid nadrukkelijker aan wordt gewerkt om de gezondheidseffecten van geluid te verminderen. Beleidsmakers en andere (lokale) professionals kunnen gezondheid dan een belangrijker onderdeel laten zijn van beslissingen over geluid bij woningen. Mogelijkheden hiervoor zijn de wettelijke maximaal toegestane geluidniveaus te verlagen om het extra risico op coronaire hartziekten te verminderen. Ook kunnen mensen met ernstige hinder of slaapverstoring beter in beeld komen door een groter gebied rond geluidbronnen in het beleid te betrekken. Hierbij worden dan de nieuwste inzichten over de relatie tussen gezondheid en de hoogte van geluidniveaus gebruikt. Verder kunnen gerichte maatregelen ervoor zorgen dat mensen minder last hebben van geluid. Het RIVM schrijft dit in reactie op de motie-Schonis en de nieuwe richtlijnen van de WHO voor geluid in de leefomgeving. Het RIVM beschrijft zoals in de motie is gevraagd eerst de achtergronden van de WHO-richtlijnen en het Nederlandse beleid. Vervolgens is onderzocht welke mogelijkheden er zijn om het beleid te verbeteren. Het Nederlandse geluidbeleid heeft als doel schadelijke gezondheidseffecten te voorkomen door preventie en sanering. Toch hebben mensen ernstige hinder van geluid van wegverkeer (ruim 970.000 personen, waaronder circa 800.000 vanwege verkeer in steden), treinen (bijna 100.000 personen), vliegtuigen (circa 260.000 personen) en van geluid van windturbines (ruim 7.000 personen).
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Risicobeoordeling van het gebruik van thermisch gereinigde grond bij de Plas van Heenvliet (Zwartewaal) | RIVM

Bij de Plas van Heenvliet in de provincie Zuid-Holland zijn de zuidoostelijke oevers opgehoogd met zogeheten thermisch gereinigde grond (TGG). TGG ontstaat uit een mengsel van grond en asfaltdeeltjes dat wordt verhit om verontreinigende stoffen zoals minerale olie te verwijderen. Daarna kan het materiaal worden hergebruikt. Na de reiniging blijven metalen en zouten (sulfaat, chloride, bromide) in de grond achter. In de toekomst krijgt de Plas van Heenvliet een recreatieve functie waardoor mensen erin mogen zwemmen en vissen. Daarom heeft het RIVM onderzocht of er stoffen uit de TGG vrijkomen. Dat blijkt inderdaad zo te zijn. Deze stoffen hebben daardoor invloed op het grondwater, wat lokaal en in kleine mate effect heeft op planten en dieren in de bodem. Uit het onderzoek blijkt dat er geen gezondheidsrisico's zijn voor recreanten. Het RIVM vindt het belangrijk om de kwaliteit van het oppervlaktewater en het grondwater in de komende jaren te blijven controleren. Het is namelijk niet uit te sluiten dat vervuilende stoffen uit TGG in de toekomst via de bodem en het grondwater in het oppervlaktewater terechtkomen. De TGG heeft vooralsnog geen aantoonbare invloed op het oppervlaktewater. De huidige kwaliteit van het oppervlaktewater heeft wel effecten op planten en dieren die daarin leven. In de bodem van de plas worden PCB's gemeten, maar deze zijn niet afkomstig uit de TGG. Het is onduidelijk in hoeverre de concentraties PCB's afwijken van die in vergelijkbare plassen in Nederland. Het onderzoek is in opdracht van de DCMR uitgevoerd.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Trendanalyse grondwaterkwaliteit van drinkwaterwinningen (2000 - 2018) | RIVM

Voor de Europese kaderrichtlijn Water (KRW) heeft het RIVM de kwaliteit van het grondwater van drinkwaterwinningen in Nederland geïnventariseerd. Per winning is onderzocht of de gemiddelde grondwaterkwaliteit aan de normen voldoet, welke stoffen er worden aangetroffen en welke ontwikkelingen er door de jaren heen te zien zijn. Dit is gedaan voor de kwaliteit van het grondwater tussen 2000 en 2018. Deze informatie wordt gebruikt om elke zes jaar de concentraties van stoffen in de desbetreffende grondwaterlichamen te duiden. In de onderzochte periode blijkt bij 92 van de 156 winningen het ongezuiverde grondwater (ruwwater) enige mate van verontreiniging te bevatten. De belangrijkste probleemstoffen zijn gewasbeschermingsmiddelen, oplosmiddelen en andere industriële stoffen. Ten opzichte van de vorige inventarisatie (2000-2012) waren de ontwikkelingen zowel positief als negatief: sommige concentraties nemen af, andere nemen toe. Op 21 locaties is de concentratie van 13 verschillende stoffen gestegen. Het gaat in totaal om 36 combinaties van stoffen en locaties ('stijgende trends'). Op 23 locaties is de concentratie van 16 verschillende stoffen afgenomen. Het gaat in totaal om 41 combinaties van stoffen en locaties ('dalende trends'). Bij een aantal winningen zijn de concentraties van stoffen voor het eerst gestegen. Veel van de stoffen met normoverschrijdende concentraties zijn ook in andere studies gezien. Voor de beoordeling van de grondwaterwinningen voor de drinkwatervoorziening zijn de data van REWAB (Registratie Waterkwaliteit Bedrijven) onder andere vergeleken met normen uit het Drinkwaterbesluit. In de REWAB-database rapporteren drinkwaterbedrijven over de drinkwaterkwaliteit in Nederland.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Vitamine K-profylaxe bij pasgeborenen : Beleidvormingsanalyse | RIVM

Vitamine K zorgt voor een goede bloedstolling. Een tekort kan bij pasgeboren baby's bloedingen veroorzaken. Deze bloedingen kunnen ernstig zijn, vooral als ze in de hersenen ontstaan. Om een tekort te voorkomen, krijgen baby's direct na de geboorte vitamine K-druppels toegediend. Kinderen die flesvoeding krijgen, zijn hiermee genoeg beschermd. Voor borstgevoede zuigelingen is deze dosering genoeg voor een week. Hun ouders wordt daarom geadviseerd om hen daarna drie maanden lang elke dag vitamine K-druppels te geven. Een deel van de zuigelingen blijkt de vitamine K-druppels niet goed in het lichaam op te nemen. Ze zijn daardoor niet genoeg beschermd tegen bloedingen door een vitamine K-tekort. Bij welke zuigelingen dit zo is, is bij de geboorte niet te bepalen. Daarom heeft de Gezondheidsraad in 2017 geadviseerd om vitamine K voor zuigelingen die borstvoeding of hypoallergene flesvoeding krijgen in een andere vorm te geven. En wel via een eenmalige injectie in de spier vlak na de geboorte. Op deze manier wordt vitamine K beter in het lichaam opgenomen. In buitenlandse studies zijn hier goede resultaten mee gehaald. Het ministerie van VWS heeft om aanvullende informatie gevraagd om een afgewogen besluit te kunnen nemen. Het RIVM heeft deze informatie over bijvoorbeeld kosten, de uitvoerbaarheid en draagvlak onder professionals bij elkaar gezet. Het is aan het ministerie om te beslissen of het vitamine K-beleid voor zuigelingen wordt herzien en op welke manier.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Verkenning e-healthmonitor: de digitale transitie in de zorg in beeld | RIVM

Moderne technologie maakt zorg op afstand mogelijk. Digitale zorg, of e-health, kan de zorg mogelijk betaalbaarder, toegankelijker en beter maken. Het ministerie van VWS wil weten in hoeverre de zorg digitaler wordt en welke effecten dat heeft op patiënten en zorgverleners. Het RIVM heeft op verzoek van VWS verkend hoe deze ontwikkeling met een nieuwe e-health monitor in kaart kan worden gebracht. De bedoeling is om de omvang van de digitale zorg in cijfers weer te geven, en te duiden waarom digitale hulpmiddelen wel of niet worden gebruikt. De monitor kan aangeven hoe e-health wordt ingezet door onder andere huisartsen, in ziekenhuizen, bij de zorg voor ouderen en voor mensen met een verstandelijke beperking. Het RIVM heeft dit advies in samenwerking met relevante partijen opgesteld. Het advies reikt een aantal indicatoren aan om kenmerken van de digitale zorg te kunnen gaan meten. Bijvoorbeeld de mate waarin organisaties in staat zijn om gegevens digitaal uit te wisselen of het gebruiksgemak. Voor sommige indicatoren kunnen bestaande data over e-health worden gebruikt. Wel zijn aanvullende data nodig, onder andere over ervaringen van zorgverleners en patiënten. De monitor kan verschillen in de aard en omvang van de digitale zorg gaan aangeven, zoals tussen regio's en groepen patiënten. Bovendien kan de monitor laten zien hoe patiënten en zorgverleners de digitale zorg ervaren. Het advies bevat verder voorbeelden van best practices die anderen kunnen inspireren. Tot slot wordt aanbevolen om te onderzoeken welke factoren de digitale zorg bevorderen of belemmeren. Dit gaat dus verder dan het gebruik van specifieke digitale toepassingen monitoren. De overgang naar een digitaler zorgproces is niet vanzelfsprekend: e-health toepassingen komen niet altijd van de grond, verdwijnen soms weer, of worden maar door een kleine groep mensen gebruikt. Zorg op afstand met digitale ondersteuning is in deze coronacrisis essentieel. Het is nu nog niet in te schatten of en hoe deze zorg op afstand na deze crisis gebruikt blijft worden. De nieuwe monitor is een vervolg op de monitor die Nictiz en het NIVEL tussen 2013 en 2019 hebben uitgebracht.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Een eerste verkennende literatuurstudie over het effect van bodembeheer op het behalen van bodem-, water- en luchtdoelstellingen | RIVM

Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wil de kwaliteit van de Nederlandse landbouwbodems verbeteren. Daarom wil het ministerie dat alle landbouwbodems in 2030 duurzaam worden beheerd. Dit is belangrijk om voldoende gewassen te blijven produceren en minder vervuilende stoffen, zoals CO2 en stikstof, naar lucht en water uit te stoten. Het RIVM heeft hiervoor op een rij gezet of maatregelen voor bodembeheer alleen positieve of ook negatieve effecten hebben. Maatregelen kunnen bijvoorbeeld de uitstoot van vervuilende stoffen verminderen of de bodemfuncties verbeteren. Onbedoeld kunnen maatregelen ook de uitstoot van andere stoffen vergroten of andere bodemfuncties slechter maken. Het RIVM beveelt aan om zowel de positieve als de negatieve effecten mee te laten wegen in de keuze voor beleidsmaatregelen (systeembenadering). Een voorbeeld van een maatregel die alleen positieve effecten heeft, is begroeide stroken land langs de akker aanleggen (akkerranden). Doordat de begroeiing stikstof en fosfor opneemt, stromen deze stoffen minder weg naar de omliggende sloten. Een voorbeeld van een maatregel met positieve en negatieve effecten is bekalken. Door deze maatregel verdwijnt er minder stikstof vanuit de bodem naar het grondwater, maar komt er wel meer CO2 vrij. Ook mest onder de grond inspuiten heeft goede en slechte gevolgen. Door deze maatregel komt minder ammoniak in de lucht terecht, maar lekt er meer stikstof in het grondwater. Deze studie is een verkenning van de wetenschappelijke literatuur. Sommige effecten zijn nog niet helemaal onderzocht. Vervolgonderzoek zou duidelijk moeten maken hoe goed een maatregel werkt vergeleken met een andere om de kwaliteit van de lucht, het water en de bodem te verbeteren. Ook moet duidelijk worden of een maatregel in de praktijk uit te voeren is.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Coping with substances of concern in a circular economy | RIVM

De Nederlandse overheid streeft naar een volledig circulaire economie in 2050. Hierin is er zo min mogelijk afval en worden grondstoffen steeds opnieuw gebruikt. In een veilige circulaire economie zijn de risico's van schadelijke stoffen in (hergebruikte) materialen verwaarloosbaar voor mens en milieu. Stoffen met zeer zorgwekkende eigenschappen (ZZS), omdat ze bijvoorbeeld kanker veroorzaken, mogen dan alleen worden gebruikt in materialen en producten als er geen andere mogelijkheid bestaat en het product onmisbaar is. De ZZS mogen er niet uit vrijkomen, ook niet bij het hergebruik. Volgens het RIVM biedt de overgang naar een circulaire economie kansen om veilig om te gaan met ZZS en het gebruik ervan in beeld te krijgen. Het is alleen niet makkelijk. Het RIVM heeft geïnventariseerd wat nodig is en heeft daarbij drie uitdagingen geconstateerd. Als eerste is het noodzakelijk om door de hele productketen informatie te delen over de gebruikte stoffen, inclusief ZZS. Als tweede moeten alle partijen in de productketen ervoor zorgen dat materialen en producten veilig kunnen worden hergebruikt. Producenten kunnen hier al bij het ontwerp over nadenken. Gebruikers, (afval)verwerkers en overheden kunnen daar ook aan bijdragen. Ten slotte is het van belang dat alle betrokkenen verantwoord omgaan met materialen en producten met ZZS die niet te vervangen zijn. Aan de hand van de drie uitdagingen doet het RIVM aanbevelingen welke acties op de korte en langere termijn mogelijk zijn. Voor de korte termijn benadrukt het RIVM het belang om scherper te stellen voor welke producten en materialen met voorrang veilige circulaire productketens moeten worden gerealiseerd. Daarnaast zou een beleidsvisie en met tussentijdse doelen moeten worden uitgewerkt. De aanbevelingen moeten de komende jaren verder worden uitgewerkt en worden aangepast aan de snel veranderende vraag naar stoffen door technologische ontwikkelingen. Ook reikt het RIVM mogelijkheden aan om verantwoord hergebruik van ZZS te monitoren tijdens de overgang naar een circulaire economie. Deze verkenning is agenderend, en beschrijft aandachtspunten voor discussies tussen overheden, bedrijven, maatschappelijke organisaties en onderzoeksinstanties. Deze discussies gaan over beleid, onderzoek en monitoring van ZZS in een circulaire economie. De verkenning is in opdracht van het Planbureau voor de Leefomgeving uitgevoerd. Dit rapport is een Engelse vertaling van: Omgaan met zeer zorgwekkende stoffen in een circulaire economie (2019-0186)
Jaar: 2020 Onderzoek

Minimum Unit Pricing voor alcohol - Verkenning van effectiviteit, implementatieaspecten en scenario's voor prijsbeleid in Nederland | RIVM

In enkele landen is een prijsmaatregel ingevoerd om goedkopere alcoholproducten duurder te maken. Deze maatregel, 'Minimum Unit Pricing' (MUP), moet ervoor zorgen dat mensen die overmatig, zwaar en problematisch drinken, minder gaan drinken. Deze typen drinkers hebben meer last van schadelijke gezondheidseffecten dan matige drinkers. De Nederlandse overheid overweegt om de maatregel in te voeren en wil daarom weten wat er bekend is uit studies en wat de ervaringen zijn in het buitenland. Uit onderzoek van het RIVM en het Trimbos-instituut blijkt dat MUP voor deze groep effectief is. In Schotland en Canada zijn overmatige, zware en problematische drinkers door MUP minder alcohol gaan drinken. De verwachting is dat er in Schotland en Australië minder ziekenhuisopnames en sterfgevallen zijn, maar ook minder verkeersovertredingen, misdrijven, zorgkosten en productieverliezen die aan alcohol zijn gerelateerd. Verder blijkt dat MUP effectiever is om de alcoholconsumptie bij overmatige, zware en problematische drinkers te verlagen dan een algemene maatregel zoals accijnsverhoging. Dat komt omdat deze drinkers vaker goedkopere alcohol drinken. Ook blijkt dat MUP de grootste economische baten heeft voor de maatschappij ten opzichte van andere maatregelen. Bij de MUP geldt een minimumprijs voor één eenheid alcohol (10 gram). Verkopers, zoals supermarkten of detailhandel, mogen alcohol niet onder deze prijs aanbieden. Hoe meer alcohol een drankje bevat, des te hoger de prijs met MUP wordt. MUP is een andere prijsmaatregel dan een accijnsverhoging, waarbij alle alcoholhoudende drank duurder worden. Bij MUP houden verkopers de extra opbrengsten en niet de overheid, zoals bij accijnsverhoging. Het RIVM en het Trimbos-instituut hebben voor dit onderzoek gegevens over de effectiviteit, economische effecten en implementatie van MUP verkend. Hiervoor is de wetenschappelijke literatuur onderzocht en zijn experts geïnterviewd. Verder is het RIVM op werkbezoek geweest in Schotland en Engeland, waar het vertegenwoordigers van de overheid, onderzoekers en lobbyorganisaties heeft gesproken. Het heeft vier scenario's uitgewerkt voor prijsbeleid in Nederland. Elk scenario heeft voor- en nadelen voor de betrokken partijen, zoals alcoholconsumenten, overheid en alcoholproducenten en -verkopers.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Verkenning monitor MVI waterschappen : Op weg naar sturen op het MVI-effect | RIVM

Maatschappelijk Verantwoord Inkopen (MVI) is een werkwijze om producten en diensten in te kopen die het milieu zo min mogelijk belasten en zo veel mogelijk positief maatschappelijk effect hebben. Om inzicht te krijgen in het effect van MVI moet deze meerwaarde voor mens en milieu worden gemeten en bijgehouden. Dit maakt het voor aanbestedende diensten mogelijk om op duurzaamheidsdoelen te sturen en MVI beter te gebruiken. De waterschappen meten sinds 2009 in hun Klimaatmonitor de effecten van veel bedrijfsprocessen, maar nog niet van inkoop en aanbesteding. Daarom heeft het RIVM verkend hoe waterschappen MVI kunnen monitoren en meten. Zeven waterschappen hebben hier enthousiast en betrokken aan meegewerkt. Het RIVM heeft hun ervaringen gebruikt om de Unie van Waterschappen aanbevelingen te geven voor een monitor MVI die alle waterschappen kunnen gebruiken. Bekeken is of het gebruik van MVI effect heeft gehad bij aanbestedingen in de productgroepen waterbouwkundige werken, slibtransport en afvalinzameling en -verwerking. De deelnemers hebben hierdoor concreet ervaren hoe ze MVI kunnen meten en monitoren. Naar voren kwam dat afstemming met de juiste mensen binnen de aanbestedende dienst en met leveranciers over MVI een belangrijke voorwaarde is om het effectief te kunnen meten en te monitoren. Dit onderzoek is financieel ondersteund vanuit de Klimaatenveloppe: Impuls Klimaatneutraal en Circulair Inkopen. De Rijksoverheid stimuleert hiermee organisaties met een publieke inkooptaak om meer klimaatneutraal en circulair in te kopen.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Gezonder op de basisschool: schoollunches en meer bewegen : Een verkenning naar draagvlak, haalbaarheid, betaalbaarheid en impact | RIVM

De overheid stimuleert dat basisscholen kinderen helpen om gezond te leven. Een gezonde schoollunch en meer bewegen onder schooltijd kunnen hierbij helpen. Uit onderzoek blijkt dat hier draagvlak voor is onder ouders, kinderen en scholen. Ook is het haalbaar, mits al deze partijen worden betrokken bij de organisatie. Ouders zijn bereid om mee te betalen (1,75 euro per kind per dag), maar daarmee zijn de kosten (2,40 euro per kind per dag voor de zelfsmeerlunch en 4,50 euro voor de schoollunch met beweegactiviteiten) niet gedekt. Ondersteuning is dus nodig om minder draagkrachtige gezinnen financieel te steunen. Bij een zelfsmeerlunch maken kinderen zelf op school een gezonde lunch klaar. Ze eten dan meer fruit, groente en bruinbrood en drinken meer melk en water. Voor een zelfsmeerlunch is minimaal 30 minuten tijd nodig. Een cateraar kan de benodigdheden inkopen en leveren. De school kan dit ook zelf doen, maar dat vraagt om een goede coördinatie. Extra beweegmomenten zijn mogelijk door tijdens de lessen korte momenten daarvoor in te lassen. Pedagogisch medewerkers, zoals van de naschoolse opvang, en buurtsportcoaches van gemeenten, kunnen helpen bij sport- en spelactiviteiten. Door beweegactiviteiten en de zelfsmeerlunch hebben kinderen een gezonder gewicht. Het percentage kinderen van 4 tot 18 jaar met overgewicht zou kunnen dalen van 13,5 procent naar 10,2 procent in 2040, en met obesitas van 2,8 procent naar 2,3 procent. In de toekomst kan de daling eraan bijdragen dat minder volwassenen overgewicht, obesitas en diabetes hebben. Dan moeten de kinderen het veranderde gedrag wel blijven volhouden als ze volwassen zijn. Om kinderen hierbij te helpen kunnen schoollunches en beweegactiviteiten worden aangevuld met activiteiten op de middelbare school en in de wijk. Aanleiding voor deze verkenning zijn eerdere succesvolle projecten met gezonde schoollunches en meer bewegen in het basisonderwijs.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Perception of Living Environment in the Netherlands : Disturbances Survey 2016 | RIVM

Inwoners van Nederland hebben in hun woonomgeving vooral hinder van geluid dat wordt veroorzaakt door wegverkeer, burenlawaai en vliegverkeer. Bij wegverkeer zorgt verkeer op wegen met een snelheidsbeperking tot 50 kilometer per uur, brommers en scooters voor de meeste geluidhinder. Burenlawaai wordt vooral veroorzaakt door 'contactgeluiden' in woningen (traplopen, slaan met deuren, lopen op harde vloeren) en geluid dat buren buiten maken. Geluidhinder door militair vliegverkeer is afgenomen; de hinder door de burgerluchtvaart op landelijk niveau blijft ongeveer gelijk. Treinverkeer valt landelijk gezien buiten de top 3 van wegverkeer, burenlawaai en vliegverkeer, maar kan lokaal voor veel hinder zorgen, vooral als er veel goederenvervoer is. Geurhinder wordt vooral veroorzaakt door activiteiten van de buren waarbij verbrandingsprocessen (bij barbecues, vuurkorven, openhaarden en allesbranders) een belangrijke rol spelen. Dit gaat vaak samen met geluidhinder. Wegverkeer is met afstand de belangrijkste bron van hinder door trillingen, gevolgd door bouw- en sloopactiviteiten en vliegtuigen en helikopters. Geluid kan tot slaapverstoring leiden. Vooral geluid van wegverkeer, van buren en van recreatieve activiteiten (zoals kermissen en sportvelden) zorgen daarvoor. Slaapverstoring door vliegverkeer komt voornamelijk voor in de omgeving van Schiphol. Dat is minder het geval rond de regionale burgerluchthavens omdat daar minder nachtvluchten zijn. Een opvallende toename van de slaapverstoring komt door overvliegende helikopters, vooral in het westen van het land. Bronnen die nu en in de toekomst voor hinder kunnen zorgen zijn bijvoorbeeld drones en bronnen van laagfrequent geluid (laag zoemend of brommend geluid zoals van een ventilator of airconditioning). Acht procent van de Nederlandse bevolking heeft last van laagfrequent geluid. Hierbij is vaak niet één bron als oorzaak aan te wijzen. De omvang van het probleem vormt een signaal voor de overheid om deze overlast in beleid mee te wegen. Bovenstaande blijkt uit de zevende landelijke Inventarisatie Verstoringen, die het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (I&W) ongeveer eens in de zes jaar laat uitvoeren over de beleving van de woonomgeving. Dit keer namen ruim 8000 inwoners van Nederland van 16 jaar en ouder eraan deel. Het onderzoek is uitgevoerd door het RIVM en het CBS.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Informative Inventory Report 2020 : Emissions of transboundary air pollutants in the Netherlands 1990-2018 | RIVM

De uitstoot van ammoniak in Nederland is in 2018 met 0,6 kiloton is afgenomen ten opzichte van 2017. Dit komt vooral door ontwikkelingen in de landbouw, waar minder runderen worden gehouden en er steeds meer varkensstallen komen die minder ammoniak uitstoten. Toch ligt de uitstoot van ammoniak in 2018 met 129,3 kiloton boven het maximum van 128 kiloton dat vanuit Europa voor Nederland is bepaald. De uitstoot van stikstofoxiden en zwaveldioxide is in 2018 licht gedaald, met respectievelijk 8,6 en 1,6 kiloton. Minder stikstofoxiden komt onder andere door de strengere eisen voor de uitstoot door personenauto's en vrachtverkeer, en doordat energiecentrales minder steenkool gebruiken. Minder zwaveloxiden komt vooral doordat raffinaderijen niet meer op olie maar op gas stoken, met een betere rookgasreiniging. De uitstoot van beide stoffen blijft onder de vastgestelde maxima. Ook de emissies van fijnstof zijn iets gedaald. Dat komt door aanpassingen in productie processen en toenemend gebruik van stoffilters in de industrie, en door strengere eisen voor de uitstoot door wegverkeer. De uitstoot van vluchtige organische stoffen is in 2018 met 13,1 kiloton afgenomen tot 241,6 kiloton, maar ligt wel boven het maximum van 185 kiloton. De afname wordt vooral veroorzaakt doordat in de landbouw minder kuilvoer nodig is. Een andere reden zijn extra milieumaatregelen bij de energieproductie en in de industrie. Voor Nederland verzorgen het RIVM en diverse partnerinstituten deze zogeheten Informative Inventory Report rapportage (IIR) waarin de uitstoot van in totaal 26 verontreinigende stoffen wordt gerapporteerd. Nederland gebruikt de analyses om beleid te onderbouwen en om te rapporteren in hoeverre de emissies onder de afgesproken maximale hoeveelheden (emissieplafonds) blijven.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Methodology for the calculation of emissions from product usage by consumers, construction and services | RIVM

Nederland rapporteert elk jaar nationaal en internationaal welke verontreinigende stoffen in de lucht terechtkomen door het gebruik van producten. Het gaat bijvoorbeeld om oplosmiddelen uit cosmetica, luchtverfrissers, spuitbussen, verf, en stoffen die vrijkomen bij het stoken van hout en het afsteken van vuurwerk. De Nederlandse Emissieregistratie berekent om welke stoffen het gaat en hoeveel ervan in de lucht vrijkomt. Het RIVM heeft nu de methoden die de Nederlandse Emissieregistratie gebruikt, geactualiseerd en beschreven. De methoden worden elk jaar bijgesteld volgens de meest actuele wetenschappelijke inzichten. De emissiegegevens zijn openbaar via de website emissieregistratie.nl. De gegevens worden gebruikt voor de rapportages die vanwege internationale verdragen verplicht zijn, zoals het Kyoto-protocol, de EU-Emissieplafonds (NEC-Directive) en de Convention on Long-range Transboundary Air Pollution (CLRTAP). Deze rapportage vormt ook de basis voor de (internationale) reviewers die de Nederlandse rapportages aan de EU en VN valideren.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Greenhouse gas emissions in the Netherlands 1990-2018 National Inventory Report 2020 | RIVM

In 2018 is de totale uitstoot van broeikasgassen in Nederland met 2,7 procent gedaald ten opzichte van 2017. Deze daling komt vooral doordat er minder kolen zijn gebruikt om elektriciteit te produceren. De totale uitstoot van broeikasgassen naar de lucht wordt uitgedrukt in CO2-equivalenten en bedroeg in 2018 188,2 miljard kilogram. Het jaar 1990 geldt als referentiejaar (het zogeheten Kyoto-basisjaar) voor de te halen doelstellingen. De uitstoot in 1990 bedroeg 221,7 miljard kilogram CO2-equivalenten. Ten opzichte van het basisjaar is de uitstoot gedaald met 15,1 procent. De uitstoot van CO2 alleen ligt 1,6 procent onder het niveau van het basisjaar. De uitstoot van de andere broeikasgassen (methaan, distikstofoxide en gefluoreerde gassen) is sinds 1990 met meer dan 50 procent gedaald. Dit blijkt uit de inventarisatie van broeikasgasemissies die het RIVM jaarlijks op verzoek van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) opstelt. Met deze inventarisatie voldoet Nederland aan de nationale rapportageverplichtingen voor 2020 van het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties (UNFCCC), van het Kyoto Protocol en van het Bewakingsmechanisme Broeikasgassen van de Europese Unie. De inventarisatie bevat verder analyses van ontwikkelingen in de uitstoot van broeikasgassen tussen 1990 en 2018, een analyse van de belangrijkste bronnen die broeikasgassen uitstoten ('sleutelbronnen'), evenals de onzekerheid in hun uitstoot. Daarnaast zijn de gebruikte berekeningsmethoden en databronnen beschreven. Ten slotte bevat het een overzicht van het kwaliteitssysteem en de manier waarop de Nederlandse Emissieregistratie de berekeningen controleert.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Methodology report on the calculation of emissions to air from the sectors Energy, Industry and Waste : as used by the Dutch Pollutant Release and Transfer Register | RIVM

Nederland rapporteert elk jaar nationaal en internationaal hoeveel stoffen door de sectoren Industrie, Energieopwekking en Afverwerking (ENINA) worden uitgestoten naar de lucht. Het gaat om alle stoffen die in de Emissieregistratie voorkomen en relevant zijn voor ENINA. Denk aan broeikasgassen, verzurende stoffen en stoffen die grootschalige luchtverontreiniging veroorzaken. Het RIVM heeft de methoden waarmee de uitstoot worden berekend, geactualiseerd en beschreven. De methoden worden elk jaar bijgesteld volgens de meest actuele wetenschappelijke inzichten. De emissiegegevens zijn openbaar via de website emissieregistratie.nl. De gegevens worden gebruikt voor de rapportages die vanwege internationale verdragen verplicht zijn, zoals het Kyoto-protocol, de EU-Emissieplafonds (NEC-Directive) en de Convention on Long-range Transboundary Air Pollution (CLRTAP). De rapportage is ook de basis voor de (internationale) reviewers die de Nederlandse rapportages aan de EU en VN valideren.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Afweging van voor- en nadelen van beschermende maatregelen bij kernongevallen : Een verkenning van mogelijkheden voor optimalisatie | RIVM

Bij een kernongeval moet de overheid maatregelen nemen zodat mensen aan zo weinig mogelijk straling blootstaan. Mensen in de directe omgeving van het ongeval kunnen bijvoorbeeld schuilen, jodium slikken of uit het gebied vertrekken. Welke maatregelen passend zijn, is afhankelijk van de aard en ernst van het kernongeval. Naast het gewenste effect, een lagere blootstelling aan straling, kunnen maatregelen ook onbedoelde, vaak negatieve, effecten hebben. Dat bleek onder meer na het kernongeval in Fukushima (2011). Om een goede afweging te kunnen maken, heeft het RIVM op een rij gezet wat er bekend is over het afwegen van voor- en nadelen van crisismaatregelen. Dit is in opdracht van de ANVS gedaan. Inmiddels is veel kennis beschikbaar, maar onderzoek naar de afzonderlijke gevolgen van maatregelen gebeurt versnipperd. Ook bestaat er nog geen methode om alle effecten tegen elkaar af te kunnen wegen of om aan te geven welk effect het belangrijkst is. De gevolgen van evacuatie zijn het meest onderzocht, omdat dit de meest ingrijpende maatregel is. Het RIVM heeft gekeken naar de gevolgen van maatregelen voor de gezondheid, de economie en de samenleving. Maatregelen die bedoeld zijn om de gezondheid van de bevolking te beschermen, kunnen de gezondheid soms ook schaden. In Fukushima bijvoorbeeld zijn ouderen en ernstig zieke ziekenhuispatiënten met onvoldoende medische zorgvoorzieningen geëvacueerd. Het aantal mensen dat door de evacuatie overleed, was daardoor waarschijnlijk groter dan het aantal mensen dat erdoor werd gered. De voorbereiding en uitvoering van maatregelen kosten geld, bijvoorbeeld voor de tijdelijke opvang van mensen die een gebied moeten verlaten. Maar de maatregelen kunnen tot op grote afstand van het ongeval economische gevolgen hebben, bijvoorbeeld doordat producten tijdelijk niet kunnen worden gemaakt door een gebrek aan onderdelen. Crisismaatregelen kunnen grote gevolgen hebben voor de leefbaarheid van een gebied. Mensen durven soms bijvoorbeeld uit angst voor straling niet meer terug te keren. Als dat op grote schaal gebeurt, daalt de werkgelegenheid en kunnen voorzieningen als scholen en winkels wegvallen.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Risk assessment of Argyreia nervosa | RIVM

In Nederland zijn de zaden van de plant Hawaiian baby woodrose (Argyreia nervosa) als roesmiddel te koop in smartshops en via webshops. Het gebruik van deze zaden is niet veilig. Ze kunnen onder andere hallucinaties, misselijkheid, overgeven, verhoogde hartslag, verhoogde bloeddruk, (ernstige) vermoeidheid, en (ernstige) onverschilligheid veroorzaken. Deze gezondheidseffecten kunnen al ontstaan bij de geadviseerde doseringen. Dit blijkt uit een risicobeoordeling van het RIVM. Hawaiian baby woodrose zaden worden los verkocht of in de vorm van capsules. Ze kunnen direct worden gegeten, of eerst worden vermalen en aangelengd met vloeistof (meestal heet water). In de zaden van deze plant zit de stof lyserginezuuramide (LSA), dat sterk lijkt op LSD. De zaden staan bekend om hun krachtige psychedelische effecten.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Gezondheid en arbeidsparticipatie rond de AOW-leeftijd : Verwachte ontwikkelingen tot 2040 | RIVM

De leeftijd waarop mensen in Nederland gebruik mogen maken van de Algemene Ouderdomswet (AOW) zal in 2040 gestegen zijn naar 68 jaar. De regering heeft dit besloten vanwege de stijgende levensverwachting. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat mensen de afgelopen twintig jaar langer gezond blijven. De komende jaren zal deze 'gezonde levensverwachting' blijven stijgen. Gezondheid is in die zin geen belemmering om de AOW-leeftijd te verhogen. De gezondheid van één leeftijdsgroep, de 60-65-jarigen, is echter niet verbeterd maar hetzelfde gebleven. Waarom hun gezondheid is achtergebleven bij de rest van de Nederlandse bevolking, is niet helemaal duidelijk. Het zou te maken kunnen hebben met de plotseling weggevallen mogelijkheden om vervroegd met pensioen te gaan. Hierdoor hebben mensen het misschien als belastend ervaren om langer door te werken. Als mensen zich daar de komende jaren beter op kunnen voorbereiden, blijft hun gezondheid mogelijk niet achter. Het zou ook kunnen komen doordat ze langer blijven werken. In dat geval zal de gezondheid van 60-65-jarigen ook in de toekomst achter kunnen blijven. Met 'gezondheid' wordt de manier waarop mensen zelf hun gezondheid en de mate van lichamelijke beperkingen ervaren bedoeld. Hoe de ontwikkelingen ook uitpakken, zeker is dat er de komende jaren meer zestigplussers zullen zijn met een minder goede gezondheid die in principe langer doorwerken. Dit komt doordat een grotere groep Nederlanders de leeftijd van zestig jaar en ouder zal bereiken en langer zal doorwerken. Deze mensen lopen het risico om eerder uit het arbeidsproces te vallen of arbeidsongeschikt te worden. Het is daarom belangrijk ervoor te zorgen dat mensen gezond zijn in de periode dat ze langer werken. Er is nog weinig bewijs welke maatregel daarvoor effectief is. De meeste kans lijkt een 'levensloopbenadering' te hebben: zorg ervoor dat mensen gedurende hun hele werkende leven gezond en inzetbaar blijven. Ook een 'integrale' aanpak lijkt effectief, met aandacht voor meerdere zaken, zoals een gezonde leefstijl en goede werkomstandigheden.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

EURL-Salmonella Proficiency Test Typing 2018 | RIVM

De Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) van de 28 Europese lidstaten scoorden in 2018 goed bij de kwaliteitscontrole op Salmonellatypering. Uit de analyse van alle NRL's als groep bleek dat de laboratoria aan 97 procent van de geteste stammen de juiste naam konden geven. Twaalf laboratoria hebben, behalve de standaardtoets (serotypering) op Salmonella, extra typeringen op DNA-niveau uitgevoerd met behulp van de zogeheten PFGE-typering (Pulsed Field Gel Electroforese). Deze preciezere typering kan soms nodig zijn om de bron van een besmetting op te sporen. Om de kwaliteit ervan te toetsen moeten de laboratoria elf extra stammen met deze methode typeren. Tien van de twaalf deelnemende laboratoria waren daartoe in staat. Sinds 1992 zijn de NRL's van de Europese lidstaten verplicht om deel te nemen aan jaarlijkse kwaliteitstoetsen, die bestaan uit zogeheten ringonderzoeken voor Salmonella. Elke lidstaat wijst een laboratorium aan, het Nationale Referentie Laboratorium (NRL). Deze NRL is namens dat land verantwoordelijk om Salmonella in monsters van levensmiddelen of dieren aan te tonen en te typeren. Om te controleren of de laboratoria hun werk goed uitvoeren moeten zij onder andere twintig Salmonella-stammen op juiste wijze identificeren. Soms doen ook landen van buiten de Europese Unie vrijwillig mee. In 2018 waren dat de EU-kandidaat-lidstaten Albanië, Republiek NoordMacedonië en Servië, de European Free Trade Association (EFTA)-landen IJsland, Noorwegen en Zwitserland, en Israël. De organisatie van het jaarlijkse ringonderzoek Salmonella-typering is in handen van het Europese Unie Referentie Laboratorium voor Salmonella (EURL-Salmonella). Dit laboratorium is ondergebracht bij het RIVM in Nederland.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Toekomstverkenning zorguitgaven 2015-2060 : Kwantitatief vooronderzoek in opdracht van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR). Deel 1: toekomstprojecties | RIVM

Naar verwachting blijven de zorguitgaven tot 2060 stijgen, ook na de 'piek' van de vergrijzing rond 2040. De vergrijzing blijft een belangrijke factor voor de stijgende zorguitgaven maar heeft er na 2035 steeds minder invloed op. De kosten zullen gemiddeld met ongeveer 2,8 procent per jaar toenemen. Ongeveer twee derde daarvan komt door andere factoren dan de vergrijzing. De komende jaren komen steeds meer mensen steeds eerder in aanraking met de zorg. Dat komt door nieuwe mogelijkheden om ziekten vroegtijdig op te sporen en door toenemende medische kennis. Ook worden mensen langer en intensiever behandeld dan vroeger. Bovendien worden voor die behandelingen steeds meer nieuwe, vaak dure, technologie of geneesmiddelen ingezet, zoals bij kanker. In 2060 gaat het meeste geld naar de zorg in ziekenhuizen (groeit 2,8 procent per jaar naar 96 miljard). Ook de uitgaven aan gehandicaptenen ouderenzorg nemen sterk toe. De uitgaven aan geestelijke gezondheidszorg zijn tegen die tijd vervijfvoudigd. Uitgesplitst naar zieken stijgen vooral de uitgaven voor dementie, kanker, hart- en vaatziekten. Dit blijkt uit de verkenning van de mogelijke ontwikkeling van de zorguitgaven tot 2060. Het RIVM heeft dit in opdracht van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) gedaan. De WRR gebruikt de bevindingen voor een verkenning naar de houdbaarheid van de Nederlandse gezondheidszorg op de lange termijn. Deze toekomstverkenning is gebaseerd op de Kosten van Ziekten-studie en de Volksgezondheid Toekomst Verkenning (VTV) van het RIVM. De voorspellingen gaan met onzekerheden gepaard. Dat komt doordat demografische ontwikkelingen vaak anders lopen dan verwacht, economische groei lastig te voorspellen is en de medische wetenschap, de zorgpraktijk en overheidsbeleid veranderen. De toekomstprojecties in deze studie zijn stand gekomen voordat Nederland getroffen werd door de Corona-pandemie. De gevolgen daarvan konden daardoor niet meer worden verwerkt in deze studie.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Gezondheidseffecten en maatschappelijke baten van de gezondheidszorg : Kwantitatief vooronderzoek in opdracht van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Deel 2: maatschappelijke baten | RIVM

De gezondheidszorg in Nederland kost veel geld. Het levert veel op, vooral gezondheid en welvaart. De kosten voor de zorg zullen in de toekomst stijgen. Dat vraag om keuzes, want ook andere onderdelen van onze welvaart kosten geld. Door niet alleen naar de zorguitgaven te kijken, kunnen beleidsmakers en politici beter afwegen hoeveel de zorg mag kosten. Het is daarom belangrijk te weten wat de maatschappelijke baten van de gezondheidszorg zijn en of zij de kosten waard zijn. Het RIVM heeft dat op verzoek van de Wetenschappelijk Raad voor de Regering (WRR) op een rij gezet. Het totale effect van de gezondheidszorg is niet zo gemakkelijk in cijfers uit te drukken. Dat komt omdat de gezondheidszorg verschillende soorten zorg omvat. Een nieuwe kankertherapie is iets heel anders dan de zorg voor demente bejaarden, maar ze zijn allebei belangrijk. Ook zijn er andere manieren om de gezondheid te verbeteren, vooral op het gebied van preventie en een gezondere leefomgeving. Deze keuzes moeten tegen elkaar worden afgewogen. Er is een wisselwerking tussen gezondheid en welvaart. Een gezonde bevolking is productiever en draagt zo bij aan economische groei. Omgekeerd betekent meer welvaart dat meer mensen en geld kunnen worden ingezet om de gezondheid te verbeteren. We merken nu hoe een pandemie, waarin een infectieziekte zich over de hele wereld verspreidt, het economisch leven tot stilstand brengt en samenlevingen ontwricht. Maar ook onder gewone omstandigheden zijn gezondheid en welvaart nauw verbonden. Voor een bloeiende economie zijn investeringen in technologie minstens even belangrijk als investeringen in de gezondheidszorg. Dat vraagt net zo goed om afwegingen. Dit onderzoek is uitgevoerd voordat Nederland getroffen werd door de Corona-pandemie. Alle mogelijke gevolgen daarvan voor de gezondheid en de maatschappelijke baten van de zorg zijn daarom slechts summier meegenomen.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Embrace experimentation in biosecurity governance. | RIVM

Veranderingen in technische, sociale en politieke omgevingen en de opkomst van natuurlijke ziekten stellen het systeem van biosecurity governance op de proef. Biosecurity governance is het beleid en de processen die bedoeld zijn om misbruik van biologische wetenschap en technologie te voorkomen of tegen te gaan. Dit is nu gebaseerd op traditioneel risicobeheer, gericht op wat we al weten waarover we ons zorgen moeten maken, zoals risico's van bestaande ziekteverwekkers. In een Policy Forum-artikel in Science van afgelopen week, roepen de achttien auteurs van het artikel, waaronder medewerkers van Bureau Biosecurity van het RIVM, op tot een innovatieve benadering van biosecurity governance. Hierbij wordt een meer experimentele aanpak gevolgd, waarbij hypothesen over de relatie tussen biologie, veiligheid en samenleving systematisch worden geanalyseerd en geleerd kan worden door te doen. Bij een dergelijke benadering wordt geaccepteerd dat niet alle risico’s vooraf bekend of te voorspellen zijn.
Jaar: 2020 Onderzoek

An overview of mycotoxins relevant for the food and feed supply chain: using a novel literature screening method | RIVM

Schimmels kunnen stoffen maken die hen beschermen tegen bacteriën en andere schimmels. Als schimmels landbouwgewassen besmetten, kunnen deze stoffen, die mycotoxinen heten, in voedsel terechtkomen. Als mensen of dieren mycotoxinen binnenkrijgen, kan dat schadelijk voor hun gezondheid zijn. De Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) controleert daarom of mycotoxinen in voedsel en diervoer zitten. Er bestaan veel verschillende mycotoxinen. Van tientallen typen is eerder al beoordeeld of ze een risico vormen voor de gezondheid. Van een groter aantal is niet bekend in welk voedsel ze voorkomen en of ze schadelijk zijn en zo ja, bij welke hoeveelheid. Het RIVM heeft daarom een overzicht gemaakt met alle informatie die bekend is over de mogelijke mycotoxinen in de voedsel- en diervoederketen voor mens en dier. Het RIVM heeft een nieuwe methode ontwikkeld om deze informatie te verzamelen en deze in een database gezet. Met dit overzicht kan de NVWA per product snel inschatten op welke mycotoxinen ze moeten letten. Het overzicht bevat onder andere informatie over de maximaal toegestane hoeveelheden van mycotoxine op producten (maximale limieten). Ook staat erin in welke producten een mycotoxine voorkomt en welke schadelijke effecten ze kunnen hebben. Voor het overzicht is informatie gebruikt van de nieuwste evaluaties van internationale organisaties die risicobeoordelingen doen, zoals de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA). Daarnaast is in de wetenschappelijke literatuur nagegaan in welke producten de beoordeelde mycotoxinen in voedsel en diervoeder voorkomen. De mycotoxinen die in de hoogste concentraties voorkomen, zijn apart op een rij gezet. Van deze mycotoxinen zijn ook de effecten opgezocht en opgenomen in de database, voor zover die bekend zijn.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Rekenmethode risico's doorgaand vervoer gevaarlijke stoffen over spoor : Een actualisatie op basis van grote ongevallen in Europa | RIVM

Dit rapport bevat een addendum d.d. 02-02-2022 op pagina 35 Dit rapport bevat een bijlage: RIVM-rapport 2019-0208 bijlage Sommige grondstoffen en producten in de chemische industrie zijn brandbaar of giftig. Vervoer over het spoor van en naar de chemische industrie brengt risico's met zich mee voor de omgeving. In het Nederlandse beleid voor veilig vervoer van gevaarlijke stoffen en omgevingsveiligheid wordt gebruikgemaakt van een rekenmethode om de risico's voor de omgeving in te schatten. De huidige methode is gemaakt in de jaren negentig van de vorige eeuw. Het RIVM heeft de rekenmethode geactualiseerd. Het RIVM heeft voor dit onderzoek grote ongevallen in de afgelopen dertig jaar in Europa verzameld, geanalyseerd en vertaald naar de Nederlandse situatie. Op basis daarvan zijn kansen op een groot ongeval en de effecten daarvan bijgewerkt. Met de aangepaste methode worden de risico's berekend op basis van recente ongevalsgegevens. Het RIVM adviseert het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat daarom om de aangepaste rekenmethode te gebruiken in het beleid voor veilig vervoer van gevaarlijke stoffen en omgevingsveiligheid. Het RIVM heeft dit onderzoek gedaan in samenwerking met adviesbureau AVIV. Zij betrokken daarbij een aantal deskundigen van adviesbureaus, bedrijven, omgevingsdiensten en ProRail.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

CARC op de POMS-locaties van Defensie: blootstelling en gezondheidsrisico's : Bevindingen uit het onderzoek op hoofdlijnen, met speciale aandacht voor het bestanddeel HD | RIVM

Tussen 1984 en 2006 hebben werknemers van Defensie op de zogenoemde POMS-locaties (Prepositioned Organizational Materiel Storage) Amerikaans legermaterieel onderhouden. Zij hebben daar onder andere gewerkt met CARC, een beschermende toplaag (coating) voor legervoertuigen. Eén bestanddeel van de coating heeft zeer schadelijke eigenschappen: hexamethyleen di-isocyanaat, afgekort HDI. Tijdens onderhoudswerk kunnen werknemers dit HDI hebben binnengekregen. Hun gezondheid is hierdoor mogelijk geschaad. De kans om ziek te worden is groter naarmate iemand meer, vaker en/of langer aan HDI is blootgesteld. Vooral degenen die de CARC-laag op het materieel spoten, hebben blootgestaan aan HDI. Zij ademden de stof in tijdens het spuiten en hun huid kwam ermee in contact. Werknemers die de verf opbrachten met rollers en kwasten zijn er in mindere mate direct mee in contact gekomen. Dat geldt ook voor werknemers die bezig waren met het schuren, stralen en lassen van geverfde oppervlakten. Degenen die het spuitwerk moesten controleren, de quality inspectors, zijn in geringe mate indirect blootgesteld. HDI wordt in verband gebracht met verschillende ziekten: vormen van astma, neus- en oogslijmvliesontsteking, contacteczeem en de longaandoening Hypersensitivity Pneumonitis. Deze ziekten kunnen zijn veroorzaakt door blootstelling aan HDI uit CARC op de POMS-locaties. Er zijn geen aanwijzingen dat HDI kankerverwekkend is. Ziekteverschijnselen treden maximaal binnen 1 jaar na blootstelling op. Werknemers kunnen dus nu niet meer ziek worden door de eerdere blootstelling aan HDI op de POMS-locaties. Naast de aard van de blootstelling bepalen nog andere zaken of werknemers ziek worden. Ze kunnen bijvoorbeeld aan andere stoffen zijn blootgesteld, en persoonlijk gevoelig zijn om een van de ziekten na blootstelling te krijgen. Oud-medewerkers die zijn blootgesteld aan HDI op de POMS-locaties, kunnen Defensie aansprakelijk stellen als ze een ziekte hebben die door HDI kan zijn veroorzaakt.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Nadelige gezondheidseffecten en ziekten veroorzaakt door chroom-6 : Actualisatie van de wetenschappelijke literatuur en de risicobeoordeling voor strottenhoofdkanker bij tROM | RIVM

Tussen 2004 en 2012 hebben ongeveer achthonderd mensen zonder werk deelgenomen aan het re-integratieproject tROM van de gemeente Tilburg. Zij waren wettelijk verplicht op deze manier werkervaring op te doen om in aanmerking te komen voor een bijstandsuitkering. De deelnemers voerden restauratiewerkzaamheden uit aan museumtreinen in een werkplaats van NedTrain in Tilburg. Daar hebben ze oude verflagen van de treinen verwijderd. In 2015 kwamen er signalen dat er in de verflagen chroom-6 had gezeten, een schadelijke stof. In januari 2019 bracht het RIVM een overzicht uit van gezondheidseffecten en ziekten die door chroom-6 kunnen worden veroorzaakt. Ook is toen onderzocht of blootstelling aan chroom-6 tijdens werkzaamheden op de tROM-locatie kan hebben geleid tot deze ziekten. Het RIVM heeft in 2019 dit onderzoek geactualiseerd op basis van de nieuwste wetenschappelijke kennis. Hieruit blijkt dat chroom-6 er ook van wordt verdacht strottenhoofdkanker te kunnen veroorzaken. Het RIVM heeft daarom beoordeeld wat dat betekent voor deelnemers aan het tROM-project en hun trajectbegeleiders van de gemeente Tilburg die tijdens hun werkzaamheden in contact zijn gekomen met chroom-6. Het blijkt dat zij hierdoor strottenhoofdkanker kunnen hebben gekregen of nog kunnen krijgen. In januari 2019 is al geconcludeerd dat directe en indirecte blootstelling aan chroom-6 op de tROM-locatie longkanker, neus- en neusbijholtekanker, maagkanker, chroom-6-gerelateerde allergische astma en rhinitis, allergisch contacteczeem en perforatie van het neustussenschot door chroomzweren kan hebben veroorzaakt. Langdurige directe blootstelling aan chroom-6 op de tROM-locatie kan tot chronische longziekten leiden. De kans op een ziekte is groter naarmate zij er meer, vaker en/of langer aan zijn blootgesteld. Ook hangt het af van de manier waarop blootstelling aan chroom-6 plaatsvond. Dat kon door inademing, contact met de huid en inslikken. Naast de aard van de blootstelling op de tROM-locatie, bepalen andere zaken of werknemers ziek worden. Dat kan ander werk zijn, een blootstelling aan andere stoffen, de leefstijl en persoonlijke gevoeligheid om na een blootstelling een ziekte te krijgen. Het RIVM blijft volgen of er nieuwe wetenschappelijke aanwijzingen zijn voor een verband tussen chroom-6 en ziekten.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Risicobeoordeling van blootstelling aan HDI op de POMS-locaties van Defensie | RIVM

Dit rapport maakt onderdeel uit van een serie van acht rapporten over het onderzoek naar HDI uit CARC op de POMS-locaties van Defensie. Dit rapport bevat geen afzonderlijke publiekssamenvatting. Een overkoepelende publiekssamenvatting van de acht rapporten is te vinden op de website van het RIVM: "CARC op de POMS-locaties van Defensie: blootstelling en gezondheidsrisico's. Bevindingen uit het onderzoek op hoofdlijnen, met speciale aandacht voor het bestanddeel HDI" RIVM Rapport 2020-0017.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Achtergrondinformatie over HDI: gebruik, voorkomen in het leefmilieu en gedrag in het lichaam | RIVM

Dit rapport maakt onderdeel uit van een serie van acht rapporten over het onderzoek naar HDI uit CARC op de POMS-locaties van Defensie. Dit rapport bevat geen afzonderlijke publiekssamenvatting. Een overkoepelende publiekssamenvatting van de acht rapporten is te vinden op de website van het RIVM: "CARC op de POMS-locaties van Defensie: blootstelling en gezondheidsrisico's. Bevindingen uit het onderzoek op hoofdlijnen, met speciale aandacht voor het bestanddeel HDI" RIVM rapport 2020-0017.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Nadelige gezondheidseffecten en ziekten veroorzaakt door blootstelling aan hexamethyleen di-isocyanaat (HDI) : Literatuuronderzoek en consultatie van deskundigen | RIVM

Dit rapport maakt onderdeel uit van een serie van acht rapporten over het onderzoek naar HDI uit CARC op de POMS-locaties van Defensie. Dit rapport bevat geen afzonderlijke publiekssamenvatting. Een overkoepelende publiekssamenvatting van de acht rapporten is te vinden op de website van het RIVM: "CARC op de POMS-locaties van Defensie: blootstelling en gezondheidsrisico's. Bevindingen uit het onderzoek op hoofdlijnen, met speciale aandacht voor het bestanddeel HDI" RIVM rapport 2020-0017
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Nadelige gezondheidseffecten en ziekten veroorzaakt door chroom-6 : Actualisatie van de wetenschappelijke literatuur en de risicobeoordeling voor strottenhoofdkanker bij de POMS-locaties | RIVM

Tussen 1984 en 2006 hebben werknemers van Defensie op de zogenoemde POMS-locaties (POMS: Prepositioned Organizational Materiel Storage) Amerikaans materieel onderhouden. Hierbij kon chroom-6 vrijkomen, dat vooral in de grondverf van het materieel zat. In 2018 bracht het RIVM een overzicht uit van gezondheidseffecten en ziekten die door chroom-6 kunnen worden veroorzaakt. Ook is toen onderzocht of blootstelling aan chroom-6 tijdens werkzaamheden op de POMS-locaties kan hebben geleid tot deze ziekten. Het RIVM heeft in 2019 dit onderzoek geactualiseerd op basis van de nieuwste wetenschappelijke kennis. Hieruit blijkt dat chroom-6 er ook van wordt verdacht strottenhoofdkanker te kunnen veroorzaken. Het RIVM heeft daarom beoordeeld wat dat betekent voor oud-werknemers die op de POMS-locaties in contact zijn gekomen met chroom-6. Het blijkt dat zij hierdoor strottenhoofdkanker kunnen hebben gekregen of nog krijgen. In 2018 is al geconcludeerd dat directe en indirecte blootstelling aan chroom-6 op de POMS-locaties longkanker, neus- en neusbijholtekanker, maagkanker, chroom-6-gerelateerde allergische astma en rhinitis en allergisch contacteczeem en perforatie van het neustussenschot door chroomzweren kan hebben veroorzaakt. Directe blootstelling aan chroom-6 op de POMS-locaties kan tot chronische longziekten leiden. De kans op een ziekte is groter naarmate zij er meer, vaker en/of langer aan zijn blootgesteld. Ook hangt het af van de manier waarop blootstelling aan chroom-6 plaatsvond. Dat kon door inademing, contact met de huid en inslikken. Naast de aard van de blootstelling op de POMS-locaties, bepalen andere zaken of werknemers ziek worden. Dat kan ander werk zijn, een blootstelling aan andere stoffen, de leefstijl en persoonlijke gevoeligheid om na een blootstelling een ziekte te krijgen. Het RIVM blijft volgen of er nieuwe wetenschappelijke aanwijzingen zijn voor een verband tussen chroom-6 en ziekten.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Uitvoeringstoets implementatie Niet-Invasieve Prenatale Test (NIPT) | RIVM

Zwangeren kunnen laten onderzoeken of hun ongeboren kind down-, edwards- en patausyndroom heeft. Lange tijd werd dit bepaald met de combinatietest. Dat is een bloedonderzoek bij de zwangere en een echo bij het kind. Sinds 2017 kunnen zwangere vrouwen ook voor een ander bloedonderzoek kiezen: de niet-invasieve prenatale test (NIPT). De voorwaarde is wel dat de vrouwen meedoen aan een onderzoek naar deze test (TRIDENT-studies). De NIPT ontdekt meer kinderen met down-, edwards- of patausyndroom en de uitslag klopt vaker dan bij de combinatietest. Zwangeren kunnen de NIPT vanaf de 11e week van de zwangerschap laten doen. De onderzoeken naar de NIPT stoppen in 2023. Uit deze zogeheten uitvoeringstoets van het RIVM blijkt dat het mogelijk is de NIPT in 2023 in het landelijke screeningsprogramma in te voeren. Er is hiervoor voldoende draagvlak bij de beroepsgroepen en andere betrokken partijen. Het blijkt niet haalbaar om de combinatietest naast de NIPT te blijven aanbieden. Het is ingewikkeld maar haalbaar om de NIPT in te voeren. De invoering heeft gevolgen voor alle processen in het programma, van communicatie- en voorlichtingsmaterialen tot ict. Daarnaast moeten onder andere de laboratoria die de NIPT uitvoeren, de laboratoriumproducten en de locaties waar bloed wordt afgenomen op een eerlijke manier worden geselecteerd. Zo'n aanbesteding kost veel tijd. De onderzoeken die nu voor de NIPT lopen, moeten de komende jaren worden afgebouwd, net als de combinatietest. Het RIVM heeft de uitvoeringstoets in opdracht van het ministerie van VWS gedaan. De minister besluit onder andere op basis van deze resultaten of de NIPT wordt ingevoerd in het landelijke screeningsprogramma.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Beweegrichtlijnen en Wekelijks Sporter : van vragenlijst tot cijfer | RIVM

Het RIVM heeft een methode ontwikkeld om op een standaard manier te berekenen hoeveel mensen in Nederland voldoen aan de nieuwe Beweegrichtlijnen. Met deze methode kan ook berekend worden hoeveel mensen minimaal een keer per week sporten. Het ministerie van VWS gebruikt deze cijfers voor hun beleid over sport en bewegen. De methode is bedoeld voor onderzoekers. Door de standaardberekening kunnen zij hun resultaten beter onderling vergelijken. De methode is te downloaden via www.sportenbewegenincijfers.nl/methode . Het RIVM heeft de methode ontwikkeld naar aanleiding van de Beweegrichtlijnen die de Gezondheidsraad in augustus 2017 uitgaf. De Beweegrichtlijnen vervangen de 'Nederlandse Norm Gezond Bewegen (NNGB)', 'fitnorm' en 'combinorm', die tot dan toe golden. Voor de berekening worden de antwoorden gebruikt van een vragenlijst over bewegen, de zogeheten SQUASH-vragenlijst. Mensen geven daarin aan hoeveel dagen per week ze besteden aan wandelen en fietsen naar hun werk of school en aan de activiteiten die ze daar doen. Dat geldt ook voor activiteiten in het huishouden en in de vrije tijd, zoals wandelen, fietsen, buitenspelen en sport. Daarnaast geven ze aan hoeveel tijd per dag ze aan een activiteit besteden. Op basis van deze gegevens berekent het RIVM hoeveel tijd mensen per week bewegen en sporten. Ten slotte wordt berekend welk percentage van de bevolking volgens de richtlijnen beweegt of wekelijks sport. Bewegen is belangrijk voor een goede gezondheid. Iemand voldoet aan de Beweegrichtlijnen door elke week genoeg 'matig of zwaar intensieve' activiteiten te doen, zoals stevig wandelen, trampoline springen of voetballen. Ook zijn hiervoor voldoende spier- en botversterkende activiteiten nodig, zoals krachttrainingen, fietsen of zwemmen. In 2018 voldeed 47 procent van de Nederlandse bevolking van 4 jaar en ouder aan de beweegrichtlijn,53 procent deed wekelijks aan sport.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Advies Risicogrenswaarden voor PFOA, PFOS en GenX in zwemwater en vis | RIVM

Het RIVM heeft risicogrenswaarden bepaald voor de stoffen PFOA, PFOS en GenX in zwemwater en voor de consumptie van vis. Dit zijn drie stoffen uit de groep van PFAS. Het RIVM heeft de waarden in opdracht van het Waterschap Rivierenland berekend. Het waterschap wil weten of er een risico is voor mensen die in oppervlaktewater zwemmen of vis uit deze wateren eten. In verschillende wateren waarvoor het waterschap verantwoordelijk is, zijn PFOA, PFOS en GenX gemeten. Het RIVM heeft de gemeten concentraties vergeleken met de risicogrenswaarden. Op sommige plekken zijn de concentraties in oppervlaktewater hoger dan de risicogrenswaarden. Dit betekent niet dat mensen direct ziek zullen worden. Wel is het reden om meer onderzoek te doen. Het RIVM raadt daarom aan om te onderzoeken of mensen daadwerkelijk in het water zwemmen of vis uit deze wateren eten en zo ja, hoe vaak. Deze informatie is nodig om de risico's nauwkeuriger in te schatten. Om de risicogrenswaarden te berekenen zijn gezondheidskundige grenswaarden voor PFOA, PFOS en GenX gebruikt. Gezondheidskundige grenswaarden geven aan welke hoeveelheid van een stof mensen binnen mogen krijgen zonder schadelijke effecten voor hun gezondheid. Door de gezondheidskundige grenswaarden te combineren met de geschatte hoeveelheid water die mensen inslikken als zij zwemmen zijn de risicogrenswaarden voor zwemwater berekend. De risicogrenswaarden voor vis zijn berekend door de gezondheidskundige grenswaarden te combineren met aannames over de hoeveelheid wild gevangen vis die mensen dagelijks eten.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Persistent organic pollutants in human milk in the Netherlands | RIVM

Mensen staan hun leven lang via voedsel en het milieu bloot aan kleine hoeveelheden van zogeheten POP's (Persistent Organic Pollutants/persistente organische verontreinigingen). Dit zijn door de mens gemaakte stoffen die heel langzaam afbreken, ophopen in het lichaam en giftig zijn. POP's hopen op in bloed en vetweefsel en komen zo ook in moedermelk terecht. Volgens het RIVM gaat het in Nederland over het algemeen om lage concentraties POP's in moedermelk. Er zijn geen risico's voor baby's als ze via moedermelk aan deze stoffen blootstaan. Er is daarom geen aanleiding te stoppen met borstvoeding. Ook blijkt dat de concentraties van POP's in moedermelk de afgelopen decennia lager zijn geworden. Dat komt door internationale afspraken, vooral het POP-verdrag van Stockholm uit 2001, om het gebruik van deze stoffen te verbieden of alleen onder strenge voorwaarden toe te staan. Doordat de stoffen zo langzaam afbreken, komen ze nog steeds voor in het milieu. De concentratie POP's in moedermelk is gemiddeld genomen pas na 5 tot 10 jaar gehalveerd. POP's kunnen onder andere vrijkomen in de industrie, bij verbrandingen of kunnen in gewasbeschermingsmiddelen zitten. Voorbeelden van POP's zijn dioxines, PCB's en gewasbeschermingsmiddelen als DDT en heptachloor. Sinds 2009 staat ook PFOS op de POP-lijst vanwege de ongewenste eigenschappen van deze stof. Het is niet bekend of de hoeveelheid PFOS in moedermelk afneemt. Deze stof is namelijk in 2014 voor het eerst in het meetprogramma opgenomen. Het RIVM heeft voor dit onderzoek in 2014 monsters moedermelk verzameld, die tussen 2014 en 2016 door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) zijn geanalyseerd. De WHO meet sinds 1969 wereldwijd POP's in moedermelk. Hierdoor kunnen ontwikkelingen in de concentratie van POP's in moedermelk tussen landen en door de jaren heen worden vergeleken. De concentraties van POP's in moedermelk van Nederlandse vrouwen zijn vergelijkbaar met die in andere Westerse landen. Het RIVM beveelt aan om de concentraties van POP's in moedermelk de komende jaren te blijven meten. Dan kan ook de concentratie van stoffen die later aan de lijst POP's zijn toegevoegd, zoals PFOS en verwante verbindingen, in de gaten worden gehouden.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Voedselgerelateerde uitbraken in Nederland : 2006-2017 | RIVM

Mensen kunnen ziek worden van voedsel. Als twee of meer mensen tegelijk ziek worden na het eten van hetzelfde voedsel, wordt dat een voedselgerelateerde uitbraak genoemd. Om te voorkomen dat er meer zieken en uitbraken ontstaan, registreren en onderzoeken de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en de GGD'en vanuit hun taak voedselgerelateerde infecties en vergiftigingen. Het RIVM voegt deze cijfers samen en analyseert ze. Van 2006 tot en met 2017 zijn 4.155 uitbraken met 21.802 zieken geregistreerd. De belangrijkste verwekkers waren het norovirus, en de Salmonella- en Campylobacter-bacterie. Van 138 uitbraken kon worden achterhaald van welk voedselproduct iemand ziek was geworden. De belangrijkste ziekteverwekkers die daarin zijn aangetroffen zijn Bacillus cereus, Salmonella spp. en het norovirus. De schadelijke stoffen die door de bacterie Bacillus cereus worden gemaakt, zijn het vaakst gevonden in samengestelde producten zoals nasi en bami. Deze stoffen ontstaan als een product te langzaam afkoelt en blijven ook na verhitting leven. Daarnaast is in vlees en schaal- en schelpdieren het vaakst een ziekteverwekker aangetroffen. De NVWA en GGD proberen elk vanuit hun eigen taak te ontdekken wat de besmettingsbronnen zijn en welke ziekteverwekkers de oorzaak zijn. De NVWA onderzoekt of er ziekteverwekkers in voedsel zitten, waar zij vandaan komen, en de plaats waar het voedsel is bereid of verkocht. De GGD richt zich op de personen die hebben blootgestaan aan besmet voedsel en probeert via hen de mogelijke bronnen te herleiden. Het RIVM verzamelt de cijfers elk jaar. Dit keer zijn de meldingen over de jaren 2006-2017 samengevoegd en als een geheel geanalyseerd. Door de grotere aantallen wordt duidelijker welke voedselproducten en welke ziekteverwekkers het vaakst een uitbraak veroorzaken. De genoemde getallen zijn een onderschatting van het werkelijke aantal voedselgerelateerde uitbraken en het aantal zieken. Dit komt onder andere doordat niet iedere zieke naar de huisarts gaat of de NVWA informeert. Ook is niet altijd duidelijk dat besmet voedsel de oorzaak van de ziekte is.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Environmental radioactivity in the Netherlands : Results in 2018 | RIVM

In 2018 voldeed Nederland aan de Europese verplichting om elk jaar te meten hoeveel radioactiviteit in het milieu en in voeding zit. Alle landen van de Europese Unie zijn volgens het Euratom-verdrag uit 1957 verplicht om dat te doen. Nederland volgt daarbij de aanbevelingen op uit 2000 om de metingen op een bepaalde manier uit te voeren. De metingen leveren achtergrondwaarden op, ofwel radioactiviteitsniveaus die er onder normale omstandigheden zijn. Deze waarden kunnen bij bijvoorbeeld calamiteiten of rampen als referentie dienen. Het RIVM brengt namens Nederland verslag uit aan de Europese Unie over radioactiviteit in het milieu. Radioactiviteit in lucht, voedsel, melk, gras en veevoer De radioactiviteitsniveaus in lucht laten een normaal beeld zien, net als in eerdere jaren. De radioactiviteitsniveaus in voedsel en melk liggen net als in vorige jaren onder de Europese limieten voor consumptie en export. Ook de radioactiviteitsniveaus in gras en veevoer laten een normaal beeld zien, net als de jaren ervoor. Radioactiviteit in oppervlaktewater, zeewater en drinkwater De radioactiviteitsniveaus in oppervlaktewater en zeewater zijn vergelijkbaar met die van eerdere jaren. De niveaus van het merendeel van de monsters (meer dan 97 procent) van ongezuiverd water voor de drinkwaterproductie liggen onder de zogeheten referentiewaarde; boven deze waarde moet verder onderzoek worden uitgevoerd. De niveaus van een klein aantal monsters ongezuiverd water zaten daar licht boven. Deze verhogingen zijn zo klein dat ze niet schadelijk zijn voor de gezondheid. Het vervolgonderzoek liet ziet dat de niveaus in het gezuiverde drinkwater ruim onder de referentiewaarden lagen.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Monitoren van het beweeg-, sport-, en zitgedrag van de Nederlandse bevolking met objectieve meetmethoden | RIVM

Bewegen is belangrijk voor een goede gezondheid. Om beleid te kunnen maken wil het ministerie van VWS weten hoeveel de Nederlander gemiddeld beweegt, sport en zit. Om daar inzicht in te krijgen vult een representatieve groep Nederlanders elk jaar een enquête in voor de zogeheten Leefstijlmonitor. Een nauwkeuriger beeld ontstaat als mensen een week lang met een beweegmeter op het lichaam bijhouden hoeveel ze bewegen, sporten en zitten. Mensen blijken het namelijk lastig te vinden om bij een enquête zelf in te schatten hoelang ze bewegen of zitten. Een beweegmeter geeft precies aan hoelang zij dat doen. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Het RIVM beveelt aan om de beweegmeter naast de Leefstijlmonitor in te voeren en de resultaten te combineren. De combinatie heft de nadelen van beide methoden op. De beweegmeter registreert namelijk niet wat voor activiteit iemand doet, en in welke context (bijvoorbeeld fietsen naar het werk of als sport). De enquête voor de Leefstijlmonitor vraagt daar wel naar. Bovendien geven de cijfers van de Leefstijlmonitor over een lange periode inzicht in de ontwikkelingen in beweeg- en zitgedrag. Hoe de onderzoeken het beste kunnen worden gecombineerd, moet nog in overleg met het ministerie van VWS worden besloten. Een ander nadeel van de beweegmeter is dat minder mensen bereid lijken om hem te dragen dan een enquête in te vullen. Van de 11.000 mensen die zijn uitgenodigd voor het onderzoek met de beweegmeter, hebben er maar 1100 meegedaan. Waarschijnlijk komt dat omdat ze, naast het invullen van een vragenlijst, zeven dagen de beweegmeter moesten dragen en een dagboekje moesten invullen. De deelnemers zijn mede daardoor niet representatief voor heel Nederland: zij zijn gezonder en actiever dan de gemiddelde Nederlander. De onderzoekers zullen daarom meer inspanning moeten verrichten om een representatieve groep mensen te laten deelnemen.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Een verkenning van het begrip verwaarloosbaarheid, toegepast op straling | RIVM

Een risico kan zo klein zijn dat we het 'verwaarloosbaar' vinden. Dit geldt ook voor de risico's die het gevolg zijn van straling. In de communicatie over straling gebruikt de overheid soms het begrip verwaarloosbaar om aan te geven dat er geen risico van betekenis is als mensen blootstaan aan een kleine hoeveelheid straling. Het begrip komt ook voor in de Nederlandse regelgeving over straling. Of iets verwaarloosbaar is of niet is een oordeel en geen wetenschappelijk te bepalen gegeven. Maar de overheid heeft niet aangegeven welk risico of hoeveel straling zij verwaarloosbaar vindt. Het RIVM heeft een historisch overzicht gemaakt van het gebruik en de betekenis van het woord verwaarloosbaar bij de blootstelling aan straling. Dit overzicht is gemaakt op verzoek van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS). Ook is onderzocht welke termen internationale organisaties gebruiken voor kleine risico's van straling. Eind jaren tachtig heeft de Nederlandse overheid voorgesteld wat een verwaarloosbare hoeveelheid straling zou kunnen zijn. Ook is toen voorgesteld de blootstelling aan straling als gevolg van menselijk handelen in bijvoorbeeld laboratoria of in de industrie zoveel als mogelijk tot dat niveau terug te brengen. Dit streven bleek in de praktijk echter niet realistisch. Sindsdien is deze beleidsdoelstelling verlaten, en is het woord verwaarloosbaar bij straling minder gebruikt. Parallel hieraan hebben internationale organisaties die zich bezighouden met straling benoemd wat zij als een 'triviaal' risico zien. Dit hebben zij vervolgens vertaald naar een triviale hoeveelheid straling. Het resultaat is opgenomen in Europese, en in Nederlandse regelgeving. In die regelgeving is ook opgenomen dat voor handelingen die een dergelijke hoeveelheid straling veroorzaken, geen vergunning, registratie of kennisgeving nodig is. De waarden voor een verwaarloosbare en een triviale hoeveelheid straling zijn niet hetzelfde. Bovendien hebben de internationale organisaties een onderscheid gemaakt tussen straling van natuurlijke en kunstmatige bronnen. In het Nederlandse beleid was dit niet het geval. Wanneer Nederland opnieuw een verwaarloosbaar stralingsniveau wil bepalen is het van belang om goed uit te leggen hoe dit oordeel is bepaald en welke verplichtingen hieraan zijn verbonden. Ook is het van belang om te kijken hoe de samenleving risico's beleeft. Ten slotte is het de vraag of een onderscheid nodig is tussen straling van kunstmatige bronnen en van natuurlijke bronnen.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Dragerschap van antibioticaresistente bacteriën bij dierenartsen en dierenartsassistenten. De AREND-studie | RIVM

Bepaalde type bacteriën zijn resistent tegen antibiotica, zoals ESBLproducerende bacteriën. ESBL’s komen vaker voor bij dierenartsen en assistenten van dierenartsen dan bij mensen die niet met dieren werken. Het is aannemelijk dat dierenartsen en hun assistenten deze bacteriën bij zich dragen door het contact met dieren tijdens hun werk. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Veel deelnemers uit deze zorgsector hadden contact met verschillende soorten dieren, zowel huisdieren als vee. Van hen had 69 procent alleen contact met huisdieren. Het is daardoor niet mogelijk om aan te wijzen welk specifiek dier de bron van de resistente bacterie was. Het RIVM heeft onderzocht of drie soorten (antibioticaresistente) bacteriën in de ontlasting van de dierenartsen en dierenartsassistenten zaten. Dat waren ESBL-producerende bacteriën, bacteriën die resistent zijn tegen het ‘laatste redmiddel’ antibioticum colistine, en Clostridioides difficile (C. diff). Voor deze drie bacteriën zijn er namelijk aanwijzingen dat contact met dieren een kans geeft om ermee besmet te raken. Er deden 482 mensen mee aan het onderzoek. Colistineresistente bacteriën en C. diff kwamen even vaak voor bij dierenartsen en hun assistenten als bij de Nederlandse bevolking. Er zijn daarom geen aanwijzingen dat zij door hun werk een grotere kans hebben om deze twee soort bacteriën bij zich te dragen. Antibioticaresistente bacteriën kunnen in de darmen zitten van gezonde personen of dieren zonder dat zij daar last van hebben. Maar ze kunnen ook infecties veroorzaken. Infecties door deze bacteriën zijn moeilijker te behandelen met antibiotica. De bacteriën worden onder andere via de ontlasting van dieren verspreid. Een goede hygiëne is dan ook belangrijk om besmetting te voorkomen.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Duurzame en effectieve knaagdierbeheersing. Verkennend onderzoek effectiviteit en optimalisatie geïntegreerde knaagdierbeheersing | RIVM

Ratten en muizen veroorzaken gezondheidsproblemen, economische schade en overlast. In het verleden zijn ze vooral met chemische middelen bestreden, maar die zijn voor de mens, andere zoogdieren en vogels zeer giftig. Sinds 1 januari 2017 is IPM, oftewel Integrated Pest Management, verplicht bij de bestrijding van ratten buiten gebouwen. Het doel van dit beleid is bepaalde chemische middelen (anticoagulantia) zo min mogelijk in te zetten door ratten- en muizenplagen zo veel mogelijk te voorkomen. Als preventieve maatregelen niet genoeg werken, horen eerst mechanische producten zoals klapvallen worden ingezet. Pas daarna mogen, indien nodig, de dieren worden bestreden met anticoagulantia. Om die middelen buiten te mogen gebruiken is een opleiding én een certificaat nodig. Rond 2023 wordt deze aanpak ook verplicht voor de bestrijding van ratten én muizen binnen gebouwen. Voor particulieren blijven na 2023 naar verwachting wel andere chemische bestrijdingsmiddelen tegen muizen beschikbaar, zonder de genoemde IPM-verplichtingen. Vanwege de uitbreiding van de IPM-aanpak beschrijft het RIVM knelpunten en mogelijke oplossingen om dit beleid voor knaagdieren zo goed mogelijk te laten werken. Een van de genoemde knelpunten is onduidelijkheid over de rollen en verantwoordelijkheden van de overheidspartijen. Bij het knaagdierbeleid zijn vier ministeries betrokken (Infrastructuur, Landbouw, Volksgezondheid en Binnenlandse Zaken). Ook hebben provincies en gemeenten een rol. Meer duidelijkheid is nodig wie de regie heeft over welke maatregel. Om overlast te voorkomen is het belangrijk dat huizen, gebouwen, bedrijven en de ruimte eromheen schoon blijven. Dan is er geen voedsel voor ratten en muizen. Dit is vooral 's nachts belangrijk, omdat knaagdieren juist dan actief zijn. Voorlichting kan helpen, net als een goed afvalbeleid (geen plastic zakken gebruiken maar afgesloten containers) en een doordachte ruimtelijke inrichting (geen plaatsen waar ratten zich kunnen nestelen).
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Juist gebruik van antibiotica in de langdurige zorg : Tweede pilot antibiotic surveillance & stewardship | RIVM

Resistentie tegen antibiotica is wereldwijd een steeds grotere bedreiging voor de volksgezondheid. Te veel en onnodig gebruik van antibiotica zijn belangrijke oorzaken van die stijging. Nederlandse artsen schrijven in het algemeen niet snel antibiotica voor. Toch is er nog winst te halen als zij het alleen geven als het echt nodig is. De landelijke aanpak antibioticaresistentie uit 2015 wil 'onjuist' antibioticagebruik met 50 procent verminderen. Hiervoor is het belangrijk te weten hoe vaak en in welke situaties artsen antibiotica voorschrijven aan ouderen, en hoe vaak dit als onjuist aangeduid kan worden. Het RIVM heeft hiervoor met de academische werkplaats ouderenzorg van Amsterdam UMC (UNO-VUmc) een methode ontwikkeld. De methode geeft met een minimale registratie in het elektronisch cliëntendossier inzicht in het voorschrijfgedrag van artsen die werken in de langdurige zorg. Het gaat om artsen die werken met ouderen in verpleeghuizen en kwetsbare personen die lange tijd zorg nodig hebben. Deze mensen krijgen relatief vaak antibiotica voor infecties aan de lage luchtwegen en urinewegen. De artsen hebben als proef drie maanden bijgehouden hoe vaak en wanneer zij antibiotica voorschreven voor deze twee infecties. Het RIVM en UNO-VUmc hebben de gegevens verzameld, geanalyseerd en de resultaten aan de artsen gegeven. Met deze 'spiegelinformatie' worden artsen bewuster van hun voorschrijfgedrag en kunnen zij dit zo mogelijk verbeteren. De artsen vonden deze informatie heel nuttig. Alle deelnemers willen de registraties in de toekomst herhalen. De methode was in een eerder proefproject ontwikkeld en is nu verbeterd. De artsen vonden de methode nu veel gebruiksvriendelijker. Ook zijn er twee nieuwe richtlijnen in verwerkt om de genoemde mensen te behandelen voor infecties aan de lage luchtwegen en infecties aan de urinewegen. De methode blijkt een hulpmiddel voor artsen om goed volgens de twee nieuwe richtlijnen te handelen.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Plastic Pact Nederland : de Monitor Nulmeting (2017-2018) | RIVM

In februari 2019 is in Nederland het Plastic Pact gestart. Dit is een eerste stap om plastic producten en verpakkingen die één keer worden gebruikt duurzamer te maken en te gebruiken. Het Pact is ondertekend door 96 partijen, waaronder producenten, winkeliers, en het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW). Het RIVM heeft gegevens van de deelnemende partijen verzameld over het gebruik van plastic in 2017 en 2018. Deze nulmeting gaat over de vier doelen van het Pact: in 2025 zijn plastic producten en verpakkingen 100 procent te recyclen, gebruiken we 20 procent minder plastic onder andere door het meer te hergebruiken, wordt minimaal 70 procent van de eenmalig gebruikte producten en verpakkingen gerecycled, en bestaan deze producten voor minimaal 35 procent uit gerecycled plastic. Van de 67 partijen die data voor de indicatoren kónden leveren, heeft 40 procent dat nu gedaan. Dat had soms praktische redenen. Nog niet alle bedrijven konden bijvoorbeeld gegevens leveren over 2017 en 2018, maar sommige investeren om dit volgend jaar wel te kunnen. De meeste data die zijn ontvangen gaan over de mogelijkheid om te recyclen en gerecyclede plastics te gebruiken. Over recycling en sortering is nauwelijks informatie ontvangen. Ook is weinig informatie gekregen over de hoeveelheid schadelijke stoffen in plastic, zoals Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS). Er is een goede start gemaakt met de monitoring, maar het is belangrijk dat meer partijen de komende jaren meer data gaan leveren. De nulmeting komt voort uit de opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) aan het RIVM om, als lid van de voortgangscommissie, elk jaar te volgen hoe Pact wordt uitgevoerd. In samenwerking met de aangesloten partijen en experts heeft het RIVM indicatoren opgesteld, bijvoorbeeld hoeveel plastic een partij op de markt brengt en hoeveel daarvan te recyclen is. Daarnaast krijgt het RIVM de data van de aangesloten partijen en verzamelt het de gegevens voor de indicatoren. In samenwerking met de partijen en experts zal het RIVM de monitoring volgend jaar waar nodig aanscherpen.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Risk assessment of propyl gallate in water-based vitamin D supplements intended for infants and young children | RIVM

Het voedseladditief propylgallaat (E 310) wordt als antioxidant gebruikt in druppels vitamine D op basis van water ('aquosum'). Het zit niet in druppels vitamine D op basis van olie. Baby's (jonger dan 1 jaar) en peuters (1-3 jaar) krijgen iedere dag vitamine D-druppels. Bij het gebruik van druppels op waterbasis krijgen zij elke dag propylgallaat binnen. Propylgallaat in vitamine D-druppels is veilig voor baby's die ouder zijn dan 4 maanden en voor peuters. Voor baby's jonger dan 4 maanden is meer informatie nodig om hier een uitspraak over te kunnen doen. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Het ministerie van VWS heeft het RIVM gevraagd de veiligheid van propylgallaat in deze voedingssupplementen te beoordelen. Een mens mag iedere dag 0,5 milligram propylgallaat per kilo lichaamsgewicht binnenkrijgen. Het kan zijn dat voor baby's jonger dan vier maanden andere veilige hoeveelheden gelden. Omdat hun organen nog in ontwikkeling zijn, moet voor hen een specifieke veilige hoeveelheid worden bepaald. Er zijn meer studies nodig om dat te kunnen doen. Baby's ouder dan 4 maanden en peuters krijgen elke dag niet meer dan 0,03 milligram propylgallaat per kilo lichaamsgewicht binnen met deze druppels. Via andere voedingsmiddelen krijgen ze ook nog elke dag 0,3 milligram per kilo lichaamsgewicht binnen. Alles bij elkaar opgeteld is de hoeveelheid propylgallaat minder dan de veilige hoeveelheid van 0,5 milligram per kg lichaamsgewicht per dag.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Effect meten van circulair inkopen : Definities, methode en test voor de nationale CE Rapportage | RIVM

Wereldwijd gebruiken steeds meer mensen, meer energie, land en materalen. De voorraden hiervan worden niet groter. Dit veroorzaakt spanning. Met circulair inkopen proberen overheden daar iets aan te doen. Circulair inkopen betekent dat de inkoop van producten of diensten met minder materiaal wordt gerealiseerd. Het RIVM heeft met TNO en CE-Delft een methode ontwikkeld om te kunnen onderzoeken hoe effectief circulair inkopen is, én hoe effectief het zou kunnen zijn. De methode is getest met twee productgroepen, namelijk circulair inkopen van wegen en kantoormeubilair in 2017 en 2018. Uit de test bleek dat bij deze twee productgroepen circulair inkopen vaak wordt toegepast, maar nog niet zo effectief als mogelijk is. Het effect dat circulair inkopen kan hebben is veel groter dan in 2017 en 2018 werd gehaald. Dit komt doordat niet alle manieren van circulair inkopen die zijn toegepast even effectief zijn én doordat veel manieren van circulair inkopen nog in ontwikkeling zijn. Dit laatste heeft vaak meer te maken met organisatie dan met de technische mogelijkheden. Met circulair inkopen van wegen en kantoormeubilair is in 2017 en 2018 bijna 300.000 ton materiaal bespaard. Hiermee is ook de uitstoot van 27.000 ton broeikasgas voorkomen. De methode bleek succesvol en wordt in 2020 ook toegepast op zes andere productgroepen en de resultaten van de in totaal acht productgroepen worden verwerkt in de nationale CE Rapportage van het Planbureau voor de Leefomgeving.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

GGD-richtlijn Medische Milieukunde : Koolmonoxide in woningen en verblijfsruimte | RIVM

Kijk voor de meest actuele versie op https://www.rivm.nl/ggd-richtlijn-mmk-koolmonoxide De GGD-richtlijn 'Koolmonoxide in woon- en verblijfsruimten' uit 2008 is geactualiseerd. Deze richtlijn ondersteunt GGD'en om vragen van bijvoorbeeld bewoners en gemeenten te beantwoorden en over dit onderwerp te adviseren. Ook kan de richtlijn helpen om voorlichting te geven over de risico's van koolmonoxide. Verbrandingstoestellen GGD-medewerkers zijn meestal niet betrokken bij acute incidenten met koolmonoxide door verbrandingstoestellen, zoals geisers en cv-ketels. Wel krijgen ze regelmatig vragen van bewoners die vermoeden dat zij klachten hebben door koolmonoxide. De GGD beoordeelt of de klachten, zoals hoofdpijn, duizeligheid en vermoeidheid, kunnen samenhangen met blootstelling aan koolmonoxide. Dat komt niet alleen voor in woningen met open, afvoerloze verbrandingstoestellen, of bij toestellen die niet voldoende zijn onderhouden. Inmiddels weten we dat dit ook voorkomt in woningen met nieuwe, goed onderhouden, gesloten toestellen. Sishalounges In sishalounges komt koolmonoxide vrij bij de verbranding van kooltjes in waterpijpen. De lucht uit een shishalounge dringt soms door naar de woning erboven, waardoor bewoners last kunnen krijgen van geurhinder en gezondheidsklachten. De GGD kan meten of er koolmonoxide in de woning is, en de bewoners adviseren hoe zij de blootstelling kunnen beperken. Ook kan de GGD contact zoeken met handhavende instanties om ervoor te zorgen dat de shishalounge maatregelen neemt om de koolmonoxideconcentratie te verlagen. Houtpelletopslag Steeds meer mensen kiezen in hun woning voor een houtpelletkachel als verwarming. In de opslagruimte van de houtpellets kan koolmonoxide ontstaan door een chemische reactie van het hout met zuurstof in de lucht. Hierdoor kunnen gevaarlijke concentraties koolmonoxide ontstaan. Voor zover bekend zijn er in Nederland nog geen ernstige incidenten geweest bij particulieren. Hier is wel aandacht voor nodig. Voorlichting en preventie Voor de voorlichting over koolmonoxide zoeken GGD'en aansluiting bij de campagne van Brandweer Nederland. De boodschap is: ventileer, controleer en alarmeer. GGD-richtlijnen Medische Milieukunde De GGD-richtlijnen Medische Milieukunde (MMK) zijn gemaakt zodat GGD'en op dezelfde manier en zo goed mogelijk te werk gaan. De richtlijnen worden gemaakt door professionals van de GGD'en. De coördinatie ervan ligt bij het RIVM.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Omgaan met zeer zorgwekkende stoffen in een circulaire economie | RIVM

De Nederlandse overheid streeft naar een volledig circulaire economie in 2050. Hierin is er zo min mogelijk afval en worden grondstoffen steeds opnieuw gebruikt. In een veilige circulaire economie zijn de risico's van schadelijke stoffen in (hergebruikte) materialen verwaarloosbaar voor mens en milieu. Stoffen met zeer zorgwekkende eigenschappen (ZZS), omdat ze bijvoorbeeld kanker veroorzaken, mogen dan alleen worden gebruikt in materialen en producten als er geen andere mogelijkheid bestaat en het product onmisbaar is. De ZZS mogen er niet uit vrijkomen, ook niet bij het hergebruik. Volgens het RIVM biedt de overgang naar een circulaire economie kansen om veilig om te gaan met ZZS en het gebruik ervan in beeld te krijgen. Het is alleen niet makkelijk. Het RIVM heeft geïnventariseerd wat nodig is en heeft daarbij drie uitdagingen geconstateerd. Als eerste is het noodzakelijk om door de hele productketen informatie te delen over de gebruikte stoffen, inclusief ZZS. Als tweede moeten alle partijen in de productketen ervoor zorgen dat materialen en producten veilig kunnen worden hergebruikt. Producenten kunnen hier al bij het ontwerp over nadenken. Gebruikers, (afval)verwerkers en overheden kunnen daar ook aan bijdragen. Ten slotte is het van belang dat alle betrokkenen verantwoord omgaan met materialen en producten met ZZS die niet te vervangen zijn. Aan de hand van de drie uitdagingen doet het RIVM aanbevelingen welke acties op de korte en langere termijn mogelijk zijn. Voor de korte termijn benadrukt het RIVM het belang om scherper te stellen voor welke producten en materialen met voorrang veilige circulaire productketens moeten worden gerealiseerd. Daarnaast zou een beleidsvisie en met tussentijdse doelen moeten worden uitgewerkt. De aanbevelingen moeten de komende jaren verder worden uitgewerkt en worden aangepast aan de snel veranderende vraag naar stoffen door technologische ontwikkelingen. Ook reikt het RIVM mogelijkheden aan om verantwoord hergebruik van ZZS te monitoren tijdens de overgang naar een circulaire economie. Deze verkenning is agenderend, en beschrijft aandachtspunten voor discussies tussen overheden, bedrijven, maatschappelijke organisaties en onderzoeksinstanties. Deze discussies gaan over beleid, onderzoek en monitoring van ZZS in een circulaire economie. De verkenning is in opdracht van het Planbureau voor de Leefomgeving uitgevoerd. Dit rapport is ook in het Engels verschenen met rapportnummer 2020-0049
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Varicella in the Netherlands : Background information for the Health Council | RIVM

Waterpokken is een ziekte die wordt veroorzaakt door een infectie met het varicellazostervirus (VZV). Nadat iemand waterpokken heeft gekregen, blijft het virus in het lichaam achter zonder actief te zijn. Als het virus later weer actief wordt, kan het gordelroos veroorzaken. In Nederland bepaalt de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) welke vaccinaties via het Rijksvaccinatieprogramma worden aangeboden. De minister neemt die beslissing op basis van een advies van de Gezondheidsraad. De Gezondheidsraad bereidt nu een advies voor over vaccinatie tegen waterpokken. Als ondersteuning van het advies door de Gezondheidsraad heeft het RIVM achtergrondinformatie verzameld over vaccinatie tegen waterpokken. Dit overzicht biedt onder meer informatie over het aantal mensen in Nederland dat per jaar ziek wordt, de werkzaamheid en veiligheid van vaccins en de mening van het publiek over waterpokkenvaccinatie. Waterpokken begint meestal met lichte koorts en hangerigheid (bij kinderen). Na 1 of 2 dagen ontstaan kleine bultjes op het lichaam, beginnend op het hoofd of de romp. Deze bultjes ontwikkelen zich tot blaasjes die jeuk veroorzaken en na een paar dagen tot korstjes indrogen. De ziekteverschijnselen duren ongeveer een week. Waterpokken verloopt meestal mild. Soms kan het ernstige complicaties veroorzaken, bijvoorbeeld aantasting van het centrale zenuwstelsel, longontsteking, of bacteriële infecties. Mensen overlijden bijna nooit aan waterpokken. Bijna iedereen in Nederland krijgt vroeg of laat de waterpokken; het komt het meest voor bij kinderen onder de 5 jaar.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Foliumzuur rondom de zwangerschap, gegevens in Nederland vanaf 2008 : Technische rapportage | RIVM

Foliumzuur verkleint de kans op aangeboren afwijkingen bij het ongeboren kind zoals een open ruggetje. Daarom wordt vrouwen aanbevolen om foliumzuursupplementen te slikken vanaf 4 weken voor tot 8 weken na de bevruchting. Op basis van beschikbare data blijkt dat een groot deel van de vrouwen, dit niet doet, en dan vooral vrouwen met een lagere opleiding. Meer en actuele informatie is nodig over het gebruik van het foliumzuursupplement, de redenen waarom vrouwen het wel of niet gebruiken, en hoe vaak een open ruggetje voorkomt. Volgens de Voedselconsumptiepeiling 2012-2016 krijgt circa een derde tot een kwart van de vrouwen in de vruchtbare leeftijd onvoldoende foliumzuur binnen. Dit percentage is ongeveer even hoog als in de peiling van 2007-2010. Uit een studie over het gebruik van supplementen blijkt dat minder dan 40 procent van de vrouwen met een lager opleidingsniveau in 2009 foliumzuur slikt tijdens de aanbevolen periode. Voorlichting lijkt de kennis en de bereidheid om foliumzuur te gebruiken, te vergroten. Het is onduidelijk hoeveel vrouwen met de voorlichting worden bereikt en of ze hierdoor daadwerkelijk foliumzuur zijn gaan slikken. Sinds 2008 zijn verschillende projecten opgezet om de voorlichting over het gebruik van foliumzuur te verbeteren, onder andere met speciale websites. Ook is er meer aandacht voor voorlichting over foliumzuur voor vrouwen met een lager sociaaleconomische status die zwanger willen worden. Het aantal afwijkingen bij de geboorte is tussen 2014 en 2016 afgenomen. Het is niet duidelijk of dit komt door het beleid op foliumzuur of door een (tijdelijke) verslechterde registratie.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Review of Evidence Relating to Environmental Noise Exposure and Annoyance, Sleep Disturbance, Cardio-Vascular and Metabolic Health Outcomes in the Context of the Interdepartmental Group on Costs and Benefits Noise Subject Group (IGCB(N)) | RIVM

In 2018 is de WHO Richtlijn voor Omgevingsgeluid verschenen. De richtlijn is gebaseerd op reviews van de wetenschappelijke literatuur die tussen 2000 en 2014 is verschenen. Sinds 2014 zijn er veel nieuwe publicaties bijgekomen, waarin bestaande en nieuwe studies van hoge kwaliteit zijn verwerkt. Deze waren nog niet opgenomen in de WHO-reviews. Ook zijn in de gebruikte reviews minder geluidbronnen betrokken dan voor het geluidbeleid in het Verenigd Koninkrijk van belang zijn. Dit beleid omvat, behalve geluid van transport en windturbines, ook geluid van industrie, buren- en buurt, en laagfrequent geluid van gebouw installaties zoals koel- en ventilatiesystemen en warmtepompen. Het RIVM heeft gekeken of een update van de literatuur reviews de moeite waard is voor het geluidbeleid in het Verenigd Koninkrijk. Volgens het RIVM is er voldoende nieuw bewijs om een de WHO-reviews over de gezondheidseffecten van geluid van transport en windturbines met de nieuwste kennis aan te vullen voor sommige gezondheidseffecten. Het RIVM vindt het ook belangrijk om de gezondheidseffecten van de geluidbronnen die nu nog ontbreken, nader te evalueren. Meer onderzoek is nodig om dat goed te doen; het bewijs voor een relatie tussen een gezondheidseffect en deze geluidbronnen is nu nog mager of onvoldoende in kaart gebracht. Dit literatuuroverzicht is gemaakt op verzoek van het Departement voor Environment, Food and Rural Affairs (DEFRA) van het Verenigd Koninkrijk en namens de Interdepartementale Kosten en Baten Groep over Geluid (IGCB(N)). DEFRA heeft het RIVM om dit advies gevraagd, omdat het een goed overzicht heeft van de stand van zaken op gebied van geluid en gezondheid. Als onderbouwing van het advies vat dit rapport de resultaten samen van de literatuur over omgevingsgeluid en gezondheid die tussen 2014 en eind 2019 is verschenen over transport en wind turbine geluid. Hetzelfde geldt voor de publicaties die tussen 2000 en 2019 zijn verschenen over de geluidbronnen die niet in de WHO reviews werden opgenomen.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

European Collaborative and Interprofessional Capability Framework for Prevention and Management of Frailty-a consensus process supported by the Joint Action for Frailty Prevention (ADVANTAGE) and the European Geriatric Medicine Society (EuGMS). | RIVM

European Collaborative and Interprofessional Capability Framework for Prevention and Management of Frailty-a consensus process supported by the Joint Action for Frailty Prevention (ADVANTAGE) and the European Geriatric Medicine Society (EuGMS). | RIVM
Jaar: 2020 Onderzoek

Verkenning van de blootstelling aan elektromagnetische velden afkomstig van 5G-systemen : Small cells en massive MIMO | RIVM

5G-systemen gaan de nieuwe generatie mobiele netwerken vormen, na 2G, 3G en 4G. Uit de eerste metingen en berekeningen aan 5G-systemen blijkt dat de blootstelling aan de elektromagnetische velden van losse antennes en gebruikerstoestellen lager is dan de limieten die de Europese Unie aanbeveelt. De verwachting vanuit de bestudeerde literatuur is dat het aantal bronnen zal toenemen. Ook is er sprake van toenemend gebruik van datacommunicatie. In welke mate de blootstelling ten opzichte van de limieten wijzigt, is nu niet met zekerheid te voorspellen. Fabrikanten en operators houden bij het ontwerp rekening met de blootstellingslimieten. Het is belangrijk om de ontwikkelingen te blijven volgen om duidelijk te krijgen wat de veldsterkte is als 5G-systemen in gebruik zijn genomen. Ook moet duidelijk worden hoe de variabele blootstelling bij meerdere zenders en gebruikers moet worden gemeten, en of er geen verstoring van elektronische apparatuur optreedt. 5G-systemen verschillen op een aantal punten van eerdere generaties telecommunicatiesystemen. Met de 5G-technologie kan met ongeveer dezelfde hoeveelheid energie als de huidige systemen sneller en meer informatie worden verstuurd. Daarnaast komen er op langere termijn op meer plekken antennes te staan (meer zenders per vierkante kilometer). Verder kunnen de bundels in verschillende richtingen worden uitgezonden en zo de gebruiker 'volgen'. Hierdoor wisselt de blootstelling in plaats en tijd. Ook zullen in de toekomst frequenties worden gebruikt die hoger zijn dan de nu al gebruikte frequenties. In de samenleving zijn er zorgen over gezondheidseffecten door blootstelling aan elektromagnetische velden van telecommunicatie-systemen. Hoewel sommige onderzoeken naar de huidige generaties mobiele telecommunicatie aanwijzingen voor gezondheidseffecten leveren, geven alle wetenschappelijke onderzoeken samen geen bewijs dat blootstelling onder de limieten schadelijk is. Of inzichten over gezondheidseffecten veranderen, zal nog moeten blijken. Voor dit onderzoek heeft het RIVM in opdracht van Agentschap Telecom de peer-reviewed wetenschappelijke literatuur onderzocht op de blootstelling en eventuele gezondheidseffecten van 5G-systemen. Daarnaast hebben Agentschap Telecom en het RIVM bij 5G-testopstellingen veldsterktemetingen uitgevoerd.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Pure fruit juice and fruit consumption are not associated with incidence of type 2 diabetes after adjustment for overall dietary quality in the European Prospective Investigation into cancer and nutrition-Netherlands (EPIC-NL) study. | RIVM

Pure fruit juice and fruit consumption are not associated with incidence of type 2 diabetes after adjustment for overall dietary quality in the European Prospective Investigation into cancer and nutrition-Netherlands (EPIC-NL) study. | RIVM
Jaar: 2020 Onderzoek

Grondstoffen Informatie Systeem (GRIS) Verkenning | RIVM

Bij de overgang naar een circulaire economie wordt het steeds belangrijker om het gebruik van ruwe grondstoffen te verminderen of ze opnieuw te gebruiken. Het kabinet heeft een programma opgezet om deze overgang te stimuleren. Het RIVM en het Planbureau van de Leefomgeving (PBL) werken momenteel aan een systeem om te kunnen volgen of dit programma het gewenste effect heeft op het gebied van grondstofgebruik. Dit Grondstoffen Informatie Systeem (GRIS) verzamelt structureel gegevens over de grondstofstromen, het gebruik en de voorraden ervan in de Nederlandse economie. Een projectgroep, die uit verschillende kennisinstituten bestaat, heeft onderzocht hoe dit systeem eruit zou kunnen gezien. Hierbij is gekeken naar de informatie die in het systeem moet worden ontsloten, uit het systeem moet kunnen worden gehaald, wie de gebruikers zijn, en wat de gebruikers met het systeem zouden willen doen. Op basis daarvan is een inschatting gemaakt wat het kost om een GRIS te ontwikkelen bij verschillende wensen. De resultaten zijn vastgelegd in deze verkenning. Op basis daarvan kan het PBL keuzes maken over hoe het systeem eruit moet gaan zien en wat het moet kunnen. Het PBL heeft van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) de opdracht gekregen het systeem te ontwikkelen.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Potential health risks of nanomaterials in food: a methodology to identify signals and prioritise risks | RIVM

Nanotechnologie maakt het mogelijk om voor voedsel veel nieuwe producten en nanomaterialen te ontwikkelen. Zo zou nano-ijzer aan voedingsmiddelen kunnen worden toegevoegd om bloedarmoede tegen te gaan. Nano-verpakkingsmethoden kunnen worden ontwikkeld voor betere houdbaarheid van het product. Producenten zijn verantwoordelijk voor de veiligheid en moeten voldoen aan de wet- en regelgeving. Maar het kan zijn dat de huidige wet- en regelgeving onvoldoende up-to-date is om eventuele gezondheidsrisico's van nanotechnologie te herkennen. Beleidsmakers kunnen er dan op aansturen de wetgeving aan te passen. Ook kan er aanleiding zijn voor verder onderzoek. Het RIVM heeft een methode ontwikkeld die duidelijk maakt welke ontwikkelingen (signalen genoemd) van nanomaterialen in voedsel beleidsmakers als eerste moeten beoordelen op mogelijke gezondheidsrisico's. Op basis van de uitkomst kunnen zij maatregelen nemen. Het RIVM heeft met de methode zes van deze signalen uitgewerkt. Het gaat om de blootstelling van mensen aan nanoplastic deeltjes via voedsel en drinkwater, nanodeeltjes om ijzer aan voedingsmiddelen toe te voegen, nano-zilver, nano-verpakkingsmethoden voor voedsel, en naaldvormig nano-hydroxyapatiet in zuigelingenvoeding. Ten slotte is ook onderzocht of blootstelling aan meerdere slecht oplosbare deeltjes tegelijk een groter gezondheidseffect veroorzaken. Het RIVM doet hiervoor aanbevelingen en reikt vervolgacties aan. Als basis voor de methodiek is de bestaande methode voor risico's van nieuwe chemische stoffen aangepast op mogelijke gezondheidsrisico's van nanomaterialen in voedsel. De methodiek verzamelt informatie over producten en materialen voor voeding waarin nanomaterialen zijn verwerkt. Daarna beoordelen experts eventuele risico's van de (nano)eigenschappen van een stof.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Mogelijke luchtverspreiding van Legionella door afvalwaterzuiveringsinstallaties: een patiënt-controle onderzoek | RIVM

Legionellabacteriën kunnen zich via de lucht verspreiden en een longontsteking veroorzaken als mensen ze inademen. Het RIVM heeft met een rekenmodel geschat hoeveel hele kleine waterdruppels (aerosolen) met legionellabacteriën zich vanuit afvalwaterzuiveringsinstallaties (AWZI's) via de lucht verspreiden. Vergeleken met mensen zonder longontsteking door Legionella bleken de patiënten aan meer aerosolen van AWZI's te zijn blootgesteld. Dit is een aanwijzing dat deze aerosolen in de afgelopen jaren deze vorm van longontsteking hebben veroorzaakt. Deze resultaten geven nog niet aan wélke AWZI's legionellabacteriën verspreiden via aerosolen. Daarvoor is meer onderzoek nodig. Zo is een actueel overzicht met meer details nodig van de AWZI's in Nederland, en eventuele andere bronnen. Ook is meer inzicht nodig in hoe waterdruppels met legionellabacteriën ontstaan en zich via de lucht verspreiden. Dit geldt ook voor de vraag hoe Legionella overleeft onder verschillende weersomstandigheden. Voor dit onderzoek heeft het RIVM voor het eerst het luchtverspreidingsmodel OPS gebruikt om de concentratie aerosolen met Legionella te berekenen. Het model lijkt geschikt om de mate waarin aerosolen zich verspreiden vanuit AWZI's te berekenen. Tussen 2013 en 2018 is het aantal gemelde patiënten in Nederland met een longontsteking door Legionella bijna verdubbeld. In 2017 en 2018 bleek een aantal patiënten te zijn besmet door blootstelling aan legionellabacteriën van twee AWZI's in Boxtel en Son. Voor de meeste patiënten die in Nederland besmet raken blijft onduidelijk via welke bron ze besmet zijn, ondanks pogingen van de GGD om die te vinden. Dit onderzoek hoopt eraan bij te dragen de bron te herleiden, en zo te voorkomen dat er meer mensen ziek van worden.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Potentiële maatregelen tegen verspreiding van Legionella uit afvalwaterzuiveringsinstallaties | RIVM

Legionellabacteriën kunnen zich via de lucht verspreiden en een longontsteking veroorzaken als mensen ze inademen. Ze komen meestal in de lucht via installaties die water vernevelen, zoals bubbelbaden en natte koeltorens. De afgelopen jaren bleken afvalwaterzuiveringsinstallaties in Nederland de bron te zijn van meerdere gevallen van deze vorm van longontsteking. Het RIVM heeft daarom verkend welke maatregelen kunnen voorkomen dat het aantal legionellabacteriën in afvalwaterzuiveringsinstallaties stijgt en ze zich verspreiden. Ook is van een paar maatregelen onderzocht of ze goed werken. De meeste maatregelen hebben effect, al is het lastig om precies aan te geven in hoeverre ze het aantal legionellabacteriën verminderen. In het algemeen is onduidelijk of de afname voldoende is om te voorkomen dat werknemers of mensen die in de buurt wonen een longontsteking door Legionella kunnen krijgen. Daarvoor is meer duidelijkheid nodig hoeveel legionellabacteriën onder welke omstandigheden een gezondheidsrisico kunnen vormen. Een van de mogelijke maatregelen is de temperatuur van het afvalwater tijdens het zuiveringsproces te verlagen tot onder de 25 graden Celsius. Bij hogere temperaturen kunnen legionellabacteriën zich snel vermenigvuldigen. Een andere mogelijkheid is de bassins waarin het afvalwater wordt belucht, een onderdeel van het zuiveringsproces, af te dekken. Dit kan bijvoorbeeld door een zeil over het bassin te spannen of door ballen of andere vormen op het water te laten drijven. De lucht uit een afgesloten beluchtingsbassin kan ook nog worden afgezogen en daarna worden gefiltreerd en ontsmet met UV-straling. Bij de meeste onderzochte maatregelen nam het aantal legionellabacteriën in de lucht af. Een afdekking voorkomt dat legionella zich via de lucht verspreidt, zolang er geen scheuren of openingen in het zeil zitten. Het water afdekken met ballen bleek weinig effect te hebben. Door de afgevoerde lucht te filtreren en met UV-straling te behandelen, nam het aantal legionellabacteriën in de lucht voor een groot deel af. De meeste afvalwaterzuiveringsinstallaties verschillen in soort en grootte, waardoor het effect van een maatregel per installatie kan verschillen. Het is daarom belangrijk om de processen en kenmerken van de afvalwaterzuiveringen goed in kaart te brengen. Daarnaast is duidelijkheid nodig over welke stappen mogelijk zijn als een afvalwaterzuiveringsinstallatie een risico lijkt te vormen. Verder is het wenselijk een platform in te richten om van elkaars ervaringen te kunnen leren.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1

Methoderapport gezondheidsindicatoren : Schone Lucht Akkoord | RIVM

Luchtvervuiling heeft invloed op de gezondheid van de burger. Tot voor kort vormden Europese normen de basis voor het luchtbeleid in Nederland. Inmiddels is duidelijk dat blootstelling aan concentraties vervuilende stoffen onder de normen ook gezondheidseffecten kunnen veroorzaken. Om die reden wil de rijksoverheid de luchtkwaliteit in Nederland verbeteren. In het Schone Lucht Akkoord worden hiervoor extra maatregelen opgenomen. Het doel is de gezondheidsschade door luchtvervuiling in 2030 te verminderen. Het akkoord is een samenwerkingsverband tussen de rijksoverheid en een groot aantal provincies en gemeenten. Het RIVM heeft gezondheidsindicatoren ontwikkeld waarmee het rijk, provincies en gemeenten hun ambitie om met luchtkwaliteitsbeleid de gezondheid te verbeteren, kunnen berekenen. De gezondheidsindicatoren geven ook aan in welke sectoren of gebieden extra luchtkwaliteitsmaatregelen mogelijk zijn om de gewenste gezondheidswinst in hun regio te bereiken. De gezondheidsindicatoren zijn in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) ontwikkeld. Het RIVM beschrijft in dit rapport wat de wetenschap onder milieu-gezondheidsindicatoren verstaat. Ook geeft het aan hoe de gezondheidsindicatoren zijn ontwikkeld. Daarna wordt het rekensysteem stap voor stap uitgelegd en worden de resultaten met enkele voorbeelden voor Nederland voor 2016 en 2030 geïllustreerd. Ten slotte wordt dieper ingegaan op de keuzes die bij de ontwikkeling van de indicatoren zijn gemaakt, en volgen enkele aanbevelingen.
Jaar: 2020 Onderzoek Documenten: 1