De interpretatie van de Europese normen voor validatie van sterilisatieprocessen door fabrikanten van medische hulpmiddelen gebeurt in de praktijk niet op uniforme wijze. Om te bepalen of de kostenaspecten van de validatie-procedure een significante rol zouden kunnen spelen bij beleidsbeslissingen aangaande de verschillende stappen die ondernomen moeten worden voor de validatie van een sterilisatieproces, is een kostenevaluatie gemaakt voor twee van de meest toegepaste processen: gammabestraling en ethyleenoxide-sterilisatie. Hierbij is gebruik gemaakt van de eisen in de hierop van toepassing zijnde Europese normen. Een belangrijk uitgangspunt was de definitie van validatie als een procedure om twee belangrijke parameters vast te stellen: effectiviteit en reproduceerbaarheid. Voor gammasterilisatie is de validatie voornamelijk proces-georienteerd, terwijl er bij ethyleenoxide-sterilisatie meer sprake is van productafhankelijkheid. Dit is mogelijk doordat gammastraling een hoge penetratiegraad heeft en daarom reproduceerbaarheid geen kritieke factor is. Voor ethyleenoxide is het veel moeilijker te bewijzen dat alle interne en externe oppervlakken effectief worden blootgesteld aan de sterilisatiecondities ; produktontwerp, produktverpakking en ladingspatroon zijn hier belangrijke parameters. Als gevolg van het bovenstaande blijkt de validatie van gammasterilisatie aanzienlijk goedkoper te zijn dan de validatie van ethyleenoxide-sterilisatie. Vooral voor de overkill methode (25 kGy) werd aangetoond dat de kosten niet hoog zijn, aangenomen dat de fabrikant volgens EN 46002 werkt en dat historische gegevens consistente effectiviteit van de 25 kGy sterilisatiedosis bewijzen. De belangrijkste reden voor deze lage kosten is het feit dat onder de bovengenoemde voorwaarden geen extra bioburden-onderzoek vereist is. Afhankelijk van de gebruikte validatiemethode liggen de kosten voor de validatie van een gammasterilisatieproces tussen Fl. 150,= (25 kGy) en Fl. 16000,= (AAMI b2 methode). Hiernaast zijn nog alternatieve methoden mogelijk, waarvan de kosten tussen deze bedragen in liggen. Hiermee kunnen lagere sterilisatiedoses mogelijk worden gemaakt. Voor ethyleenoxide-sterilisatie liggen de kosten tussen de Fl. 29000,= (half-cycle methode of fraction-negative methode) en Fl. 37000,= (survivor curve constructie).
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Een eenvoudige methode wordt voorgesteld voor het kalibreren van modellen in slecht-gedefinieerde en informatie-arme situaties, die veelvuldig worden aangetroffen bij milieu-onderzoek. De methode volvoert een efficiente zoekaktie in de parameterruimte op basis van Monte Carlo trekkingen in combinatie met rotaties. Software is ontwikkeld, en verwante gevoeligheidsanalyse-technieken zijn voorgesteld ter reductie van het aantal te kalibreren parameters. De kalibratie-methode is gebruikt voor het kalibreren van de parameters in een bodemverzuringsmodel.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Voor adequate handhaving van het Cadmiumbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen blijkt een snelle bepaling van het cadmiumgehalte in kunststof noodzakelijk. De aangewezen technieken zijn erg tijdrovend. Golflengte-dispersieve rontgenfluorescentie-spectrometrie (WD-XRF) is een geschikte techniek om het cadmiumgehalte te screenen. WD-XRF in combinatie met speciale software om de matrixeffecten te reduceren, maakt het mogelijk een kwantitatieve analyse van elementen in kunststof uit te voeren in circa 20 minuten. De methode is geschikt voor kunststoffen, er zijn geen matrixafhankelijke standaarden vereist. Het gehalte aan cadmium gemeten met de combinatie XRF / Uniquant bedraagt 88 - 110% van het gehalte aan cadmium gemeten met Instrumentele Neutronen Activerings Analyse (INAA).
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Het onderzoek naar de samenstelling van drainwater in klei-gebieden omvatte een twee- of meermalige bemonstering van water uit drains van 18 boerderijen. Het niveau van de bemesting is relatief goed bekend. De bepalingen bestonden steeds uit een analyse van de gehalten aan nitraat, ortho-fosfaat en totaal fosfaat in het drainwater. Ook andere eigenschappen zijn bepaald. Op de boerderijen is een geohydrologisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten van de bepalingen zijn per bedrijf weergegeven in de vorm van figuren en tabellen en korte beschrijvingen. Tussen het noordelijk zeekleigebied en de overige hoofdgebieden (centraal en zuidwestelijk zeekleigebied en de droogmakerijen) blijken aanzienlijke verschillen op te treden in de gemeten concentraties aan nitraat en ortho- en totaal fosfaat. De resultaten van het onderzoek maakten een eerste analyse mogelijk van de invloed van het gewas, de relatie tussen uitspoeling en mestgift, de relatie tussen uitspoeling en structuur van de bodem en de invloed van de meteorologie op de uitspoeling.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Het gedrag van Fijn Stof (PM10) is onderzocht in een veldstudie op een tweetal karakteristieke locaties, nl. stadsachtergrond (Amsterdam) en een landelijke omgeving (Biddinghuizen). Tijdens wintersmog verdubbelt de bijdrage van PM1 aan PM10 van circa 10 tot 20%. Het secondaire aerosol vormt de dominante factor (bijdrage aan PM10 meer dan 70%) ; de bijdrage van roet blijft beperkt. De goede correlatie tussen PM1 en verkeersgebonden componenten als benzeen, CO en aldehyden suggereert verkeer als de voornaamste bron voor PM1. Het verkeersgebonden PM1 draagt marginaal bij aan PM10. Dwz. een afname in verkeersgebonden PM1 leidt slechts tot een marginale afname van PM10. Omgekeerd houdt een afname in PM10 niet een evenredige afname van PM1 in.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport zijn Maximaal Toelaatbare Risiconivo's (MTR's) voor 10 Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK's) afgeleid. Voor het aquatisch milieu zijn MTR's afgeleid uit de beschikbare experimentele gegevens. Voor 3 PAK's zijn geen experimentele gegevens beschikbaar. Deze MTR's zijn berekend met behulp van de QSAR-methode (Van Leeuwen et al., 1992). Voor bodem en sediment zijn MTR's afgeleid met behulp van de beschikbare experimentele gegevens. Doordat experimentele gegevens erg schaars zijn, is het voor slechts 3 PAK's mogelijk MTR's af te leiden voor de bodem. Vervolgens zijn deze MTR's voor bodem afgestemd met die voor water met behulp van de evenwichtspartitie-methode. Voor de overige PAK's, 7 voor bodem en 10 voor sediment zijn MTR's afgeleid met behulp van de evenwichtspartitie-methode, waarbij de MTR's voor bodem en sediment worden berekend uit de MTR's voor het aquatische milieu. Omdat er onzekerheden zijn in de werkingsmechanismen voor PAK's is het op dit moment niet mogelijk een wetenschappelijk onderbouwde somnorm voor de 10 PAK's te berekenen.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport bevat de resultaten van een literatuuronderzoek naar de accumulatie van zeldzame aardmetalen (ZA) in planten, als onderdeel van een inventariserend onderzoek naar de overdracht van ZA in de keten kunstmest - bodem - plant - vee en mens. De gehalten in planten kunnen sterk verschillen, waarbij zowel plantfactoren als bodemfactoren het gehalte bepalen. De gehalten (drooggewicht) van zeldzame aardmetalen in planten zijn over het algemeen laag: < 0,2 mg/kg voor wortel- en bladgroenten, < 0,05 mg/kg in de meeste vruchten en < 1 mg/kg in kruiden/grassen. Verder blijkt dat ZA in geringe mate worden geaccumuleerd in gewassen. De op grond van de gegevens voor (vee)voedergewassen bepaalde bioconcentratiefactoren (BCF) liggen meestal tussen de 0,001 en 0,1. Voor voedingsgewassen liggen de meeste BCF-waarden tussen de 0,0001 en 0,01, een factor 10 lager dan die voor voedergewassen.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport wordt een validatiemethode gepresenteerd voor de concentraties van de Vluchtige Organische Stoffen zoals deze gemeten worden in het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit. De ontwikkelde methode is hoofdzakelijk verkregen door onderzoek van de meetresultaten en de bijbehorende informatie van 1994. Bij de validatiemethode wordt onderscheid gemaakt in technische validatie en inhoudelijke validatie. Beide bestaan uit meerdere procedures. Bij de technische validatie worden concentraties afgekeurd op grond van technische informatie waaruit blijkt dat de monstername niet goed is verlopen. De technische validatie bestaat uit de procedures: correctie datum/tijd + volumina: elk laatste weekmonster van een campagne wordt eerder beeindigd en is dus niet de volledige tijd bezogen ; verwerken opmerkingen: gedurende de monstername worden eventuele bijzonderheden opgemerkt, deze geven een indicatie over het technisch functioneren van de monstername-opstelling ; optreden codes in TAST-files: gedurende de monstername genereert de timer een overzicht met daarin codes die iets zeggen over het functioneren van de timer. Bij de inhoudelijke validatie wordt ervan uitgegaan dat er bepaalde verbanden tussen monsters c.q. componenten zijn die constant zijn. Wijkt een monster hiervan af dan wordt deze foutief verondersteld. De inhoudelijke validatie bestaat uit de procedures: relatie week-dag-overdag: tussen een monster dat omvat wordt door een ander monster moet een bepaalde relatie gelden, bijv. de concentratie van een component van een dagmonster moet gelijk of groter zijn dan de concentratie van het bijbehorende overdagmonster gedeeld door twee ; verhouding tolueen:benzeen: tussen de componenten tolueen en benzeen blijkt een constante verhouding te zijn die afhankelijk is van het type station en het jaargetijde, wijkt een verhouding hier sterk van af dan wordt het monster foutief verondersteld. Voor het bestand van 1994 leidt de ontwikkelde methode tot afkeuring van 258 monsters (21%). Op grond van de technische validatie worden 235 monsters afgekeurd, waarvan meer dan de helft afgekeurd wordt doordat de opstelling geheel of gedeeltelijk niet gewerkt heeft. Op grond van de inhoudelijke validatie worden 23 monsters afgekeurd waarvan twee gedeeltelijk. Hieruit blijkt dat het rendement van de monsterneming verbeterd kan worden door de opstelling voor de monsterneming te verbeteren. Mede gezien de complexiteit en de hoeveelheid gegevens van de huidige monsternemingsprocedure wordt aanbevolen om de monstername zoveel mogelijk te automatiseren.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Van 13 Nederlandse bodemmonsters zijn de totaalgehalten bepaald van de zware metalen Cd, Cu, Ni, Pb en Zn, zowel in de vaste fase als in het poriewater. De bodems zijn gekarakteriseerd in termen van organisch koolstofgehalte, pH, kleigehalte en kationuitwisselcapaciteit. Partitie coefficienten (Kp) zijn gedefinieerd als de verhouding van de metaalconcentratie in de vaste fase en in het poriewater. Gemiddelde Kp-waarden waren 706, 241, 1337,10785 en 1175 l per kg voor respectievelijk Cd, Cu, Ni, Pb en Zn. Deze waarden zijn ongeveer twee orden van grootte kleiner dan de partitiecoefficienten die voorgesteld zijn bij de harmonisatie van milieukwaliteitsdoelstellingen voor de compartimenten bodem, sediment en water. De variatie in Kp bleek in dezelfde orde van grootte te zijn als de gemiddelde waarde van Kp. Dit is het gevolg van variatie in bodem en poriewatersamenstelling. Voor alle metalen kon de Kp waarde goed gecorreleerd worden aan een gemodificeerde Freundlich isotherm voor de kationuitwisselcapaciteit, hetgeen een maat is voor het aantal beschikbare bindingsplaatsen in de bodem.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Voor de "risico-analyse methodiek CPR-15/2 bedrijven" is een literatuurstudie uitgevoerd naar de hoeveelheid gevormde stikstofoxiden bij de verbranding van chemicalien en/of bestrijdingsmiddelen. Stikstofdioxide en waterstofcyanide zijn verantwoordelijk voor de toxische effecten van branden in opslagen. Uit de onderzochte literatuur blijkt dat omzettingspercentages van stikstof in stikstofoxiden voornamelijk door middel van experimenten op microschaal zijn bepaald waarbij enkele grammen stof onder verschillende omstandigheden worden verbrand. Stoffen waarvoor in de onderzochte literatuur omzettingspercentages zijn gevonden, zijn methylparathion, ammoniumnitraat, dimethoaat, tolueen-2,4-diisocyanaat, hexamethyleen diamine, azinphosmethyl, nylon, 1,2-ethaandiamine, aminotriazol en dichlobenil.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Achtergrond: Lyme disease is een bacteriele infectieziekte veroorzaakt door de spirocheet Borrelia burgdorferi. Het is een multisystemische ziekte met als specifiek kenmerk het erythema migrans, een huidafwijking die in 50% van de gevallen als eerste manifestatie van Lyme disease wordt opgemerkt. In Europa verloopt de transmissie van Borrelia burgdorferi via de teek Ixodes ricinus. Doelstelling: Doel van deze studie was om meer inzicht te krijgen in de geografische verspreiding van het voorkomen van tekebeten en erythema migrans en de associatie met mogelijke risicofactoren zoals oppervlakte bosgebied, zandoppervlakte, droog en nat natuurlijk terrein, aanwezigheid van duingebied, mate van urbanisatie, aanwezigheid van runderen, schapen, paarden en konijnen en het aantal toeristen, die overnachtten, per inwoner. Voor gegevens over het voorkomen van tekebeten en erythema migrans is er onder alle huisartsen (n=7100) een enquete gehouden waarin gevraagd werd hoe vaak huisartsen geconsulteerd werden voor tekebeten en erythema migrans en hoe groot de praktijkomvang was. Gegevens over mogelijke risicofactoren waren afkomstig uit het Geografisch Informatie Systeem (GIS) en van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Resultaten: De respons van de huisartsen was 80%. Gemiddeld zag de huisarts in 1994 vijf tekebeten en een erythema migrans. Gezamenlijk kwamen de huisartsen ongeveer 33.000 patienten met tekebeten en ongeveer 6500 patienten met erythema migrans tegen. Gebieden waar meer tekebeten en erythema migrans voorkwamen dan in andere delen van het land waren: de Veluwe, de Achterhoek, de Utrechtse Heuvelrug, het zuiden van Friesland, Drenthe en de duingebieden. Belangrijkste risicofactoren voor het voorkomen van tekebeten en de incidentie van erythema migrans waren: de percentages aan bosoppervlakte, zandoppervlakte en oppervlakte droog natuurlijk terrein, dichtheid van schapen en runderen en het aantal toeristen, die overnachtten, per inwoner. Conclusie: De in deze studie gevonden incidentie van 6500 gevallen van erythema migrans is aanmerkelijk hoger dan de schatting gebaseerd op het NIVEL peilstation onderzoek. De onderzochte risicofactoren verklaarden slechts 25% van de variatie van het voorkomen van tekebeten. Dit kan zijn omdat gegevens over andere belangrijke geografische risicofactoren zoals de aanwezigheid van herten en de seizoensvariatie niet voorhanden waren. Ook individuele risicofactoren (o.a. gedrag in de natuur) konden in deze eerste orienterende retrospectieve studie niet bestudeerd worden. Een gepland prospectief vervolgonderzoek bij huisartsen in geselecteerde regio's zal zich op die aspecten richten, als ook op klinisch/diagnostische aspecten.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Volgens de wet Milieubeheer is de Milieubalans bedoeld om jaarlijks de actuele ontwikkeling van de milieukwaliteit te beschrijven in relatie tot het gevoerde milieubeleid en de ontwikkeling van de verschillende maatschappelijke activiteiten. Met deze rapportage wordt een eventuele bijsturing van het milieubeleid in de richting van de geformuleerde doelstellingen mogelijk gemaakt. Als onderdeel van de Milieubalans brengt het RIVM deze achtergronddocumentatie uit. Hierin wordt de wetenschappelijke onderbouwing gegeven van de conclusies uit de Milieubalans 95.
Jaar: 1995
Onderzoek
Houdbaarheid en conserveringsmogelijkheden voor anorganische analyses van grondwater zijn onderzocht. Grondwatermonsters, wel en niet geconserveerd met zuur, van vier meetpunten uit het Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit zijn daartoe tien keer in de loop van drie maanden geanalyseerd op een zestal komponenten, te weten opgelost organisch koolstof (DOC), ammonium (NH4), totaal-fosfor (Totaal-P), chloride (Cl), nitraat (NO3) en sulfaat (SO4). Alleen voor lage concentraties nitraat in de niet geconserveerde monsters wordt een significante vermindering van het gehalte in de tijd gekonstateerd. Alleen voor chloride zijn verschillen tussen 'geconserveerd' en 'niet-geconserveerd' geheel afwezig. Voor ammonium, totaal-fosfor en sulfaat zijn verschillen tussen 'geconserveerd' en 'niet geconserveerd' vrijwel afwezig, behalve bij zeer lage concentraties, rondom de desbetreffende aantoonbaarheidsgrenzen, waar geringe verschillen waarneembaar zijn. Ook voor nitraat is het verschil tussen 'geconserveerd' en 'niet-geconserveerd' afwezig bij de gemeten concentratie van 1.2 mmol/l, maar substantieel bij concentratienivo's lager dan ca. 60 mumol/l. Bij de monsters van een meetpunt traden voor DOC verliezen op bij conserveren, gemiddeld 10%. Bij sulfaat trad in de geconserveerde monsters van een sulfide-rijk meetpunt een toename in de tijd op, wellicht als gevolg van oxidatie van sulfide. De kwaliteit van de meetresultaten is over het algemeen goed: RSD-waarden voor duplobepalingen zijn vrij algemeen < 10%, behalve voor de gemeten nitraat- en sulfaat-concentraties in het gebied rondom de betreffende aantoonbaarheidsgrenzen. De grotere spreiding wordt in deze gevallen mede toegeschreven aan matrix-effekten. Algemeen wordt gekonkludeerd dat het effekt van de toegepaste zuur-conserveringen sterk matrix- en komponent-concentratie-afhankelijk is. De eindkonklusie is dat aanzuren van het monster het meest zinvol lijkt voor monsters met een lage nitraat concentratie. Omdat chloride, nitraat en sulfaat in de huidige praktijk in een analysegang worden gemeten, wordt aanzuren voor dit trio komponenten niet aanbevolen. Het nadeel van niet-aanzuren, nl. dat er twijfel kan bestaan aan de betrouwbaarheid van de metingen in het lage concentratiebereik van nitraat, kan ondervangen worden door zo spoedig mogelijk na monsterneming te meten, en extra meting(en) met aangezuurd monstermateriaal uit de fles voor de DOC-bepaling uit te voeren. De beste manier om betrouwbare resultaten van de onderzochte komponenten te verkrijgen blijft (zoals nu al wordt gepraktizeerd) zo spoedig mogelijk na monsterneming meten, voornamelijk met het oog op eventuele effekten in de lage concentratiebereiken voor de komponenten, in het bijzonder voor nitraat.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Bij 36 drinkwaterpompstations (alle freatische grondwaterwinningen) is ruw en rein water bemonsterd en geanalyseerd op een zevental zeldzame aarden. Het doel was de omvang van een eerder geconstateerd probleem beter in kaart te brengen. In ruw water werden bij achttien van de 36 pompstations een of meer van de geanalyseerde elementen aangetroffen ; bij vijf van deze achttien werden alle of op een na alle geanalyseerde elementen aangetroffen. Bij drie pompstations kwamen in het ruwe water een of meer zeldzame aarden voor in concentraties boven de Indicatieve Toelaatbare Concentraties (ITC's), op toxicologische gronden afgeleide waarden. Voorkomen van zeldzame aarden in ruw grondwater lijkt daarmee een structureel verschijnsel te zijn. In rein water werden bij acht van de 36 pompstations een of meer van de geanalyseerde elementen aangetroffen ; bij twee van deze acht ging het om meer dan een element. Geen enkel element werd aangetroffen in concentraties boven de ITC's. Dit betekent dat bij de meeste pompstations zeldzame aarden worden verwijderd tijdens de zuivering. De hoogte van de concentraties zeldzame aarden in het ruwe water kunnen goed verklaard worden uit de pH van het ruwe water. Bij een lagere pH van het grondwater lossen er meer zeldzame aarden op. Depositie van verzurende stoffen op de bodem kan dan ook, afhankelijk van de hydrologische omstandigheden en de bodemsamenstelling, leiden tot een stijging van de concentraties zeldzame aarden in het ruwe grondwater. Bij pH-waarden beneden circa 5.5 kunnen yttrium, lanthaan en cerium verwacht worden in concentraties hoger dan de ITC's. Het verdient aanbeveling bij dergelijke pH-waarden zeldzame aarden te meten in ruw en rein water om te kunnen beoordelen of aanvullende maatregelen nodig zijn, bijvoorbeeld in de zuivering.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Inleiding: Serosurveillance - onderzoek naar de aanwezigheid van specifieke antistoffen in de populatie - kan een belangrijke bijdrage leveren aan het inzicht in het voorkomen van infectieziekten. Met name ter bewaking van de immuniteit van de bevolking voor ziekten waartegen in het kader van het Rijksvaccinatieprogramma wordt gevaccineerd is sero- oftewel immunosurveillance van belang. In 1994 is als voorloper op een landelijk onderzoek een pilot-onderzoek voor het PIENTER-project (Peiling Immunisatie Effect Nederland ter Evaluatie van het Rijksvaccinatieprogramma) uitgevoerd. In het kader van dit project wordt een serumbank opgericht van een aselecte steekproef van de Nederlandse bevolking. Methode: Uit de provincie Utrecht is een naar inwonertal gewogen steekproef van gemeenten getrokken. Uit bevolkingsregisters van Utrecht, Zeist, Amerongen en Woudenberg is een naar leeftijd gestratificeerde steekproef (0, 1-4, 5-9 t/m 75-79 jaar) getrokken van 510 personen (N=2040). Van 827 personen kon een bloedmonster worden afgenomen. Daarin zijn antistofbepalingen verricht voor bof, mazelen, rubella, kinkhoest, Toxoplasma, Toxocara, T. spiralis en hepatitis A. De specifieke seroprevalentie werd berekend voor leeftijd, geslacht, ervaren gezondheid, sociaal economische status, geboorteland en religie. Resultaten: Voor bof, mazelen en rubella bedroeg het percentage seronegatieven resp. 2,4%, 1,8% en 2,4%. Ruim de helft van het aantal personen zonder aantoonbare antistoffen was jonger dan een jaar. Voor mannen was het percentage seronegatieven zowel voor bof, mazelen als rubella iets hoger (bof 3,7% vs. 2,2% ; mazelen 3,4% vs. 1,5% ; rubella 3,7% vs. 2,0%). Voor personen met een geloof waarbij vaccinaties principieel worden afgewezen, antroposofen en personen die niet tot een dergelijk geloof behoorden, bedroegen het percentage seronegatieven voor bof resp. 3,1%, 15,0% en 2,5%, voor mazelen resp. 0.9%, 6,1% en 1,9% en voor rubella 7,0%, 2,4% en 0,0%. In Woudenberg was het percentage seronegatieven voor mazelen (3,4%) en rubella (4,2%) het hoogst, in Zeist en Woudenberg voor bof (4,0% en 3,7%) . Voor kinkhoest nam het percentage personen met IgA-antistoffen van tenminste 5 E/ml toe met de leeftijd van 0% voor nuljarigen tot 80% bij 75-79 jarigen. Circa 4% van personen jonger dan 5 jaar en 23,7% van de 5-9 jarigen had IgG-antistoffen van tenminste 5 E/ml. Voor oudere leeftijdsgroepen schommelde dit percentage tussen de 25% en 52%. Bij 43% werden antistoffen tegen toxoplasma aangetoond. Het percentage nam toe van 3,6% bij nuljarigen tot 87,4% bij 75-79 jarigen. Voor Toxocara bedroeg de seroprevalentie 19%. Bij personen jonger dan 10 jaar werd bij 10% of minder antistoffen tegen Toxocara gevonden ten opzichte van 39,4% bij 75-79 jarigen. Bij twee personen werden IgM-antistoffen tegen T. spiralis aangetoond ; beide personen hadden geen IgG-antistoffen. Het percentage personen met hepatitis A antistoffen bedroeg 27,3% ; 0% voor personen jonger dan 5 jaar ten opzichte van 71% voor 75-79 jarigen. De prevalentie voor personen die niet in Nederland waren geboren bedroeg 52,9% t.o.v. 26,0% personen in Nederland waren geboren. Beschouwing: Door de beperkte omvang van de pilot en niet-landelijke representativiteit zijn (met name voor subgroepen) nog geen betrouwbare seroprevalentie schattingen mogelijk. Na de uitvoering van het landelijke onderzoek dat eind 1995 van start gaat, zullen betrouwbare seroprevalentie schattingen beschikbaar zijn. Voorlopige resultaten duiden erop dat de algemene bevolking goed beschermd is ten aanzien van bof, mazelen en rubella. Toename van IgG- en IgA-antistoffen met de leeftijd duiden op circulatie van en natuurlijke infecties met Bordetella (para)pertussis. De seroprevalentie van toxoplasma (43%) en Toxocara (19%) antistoffen nemen toe met de leeftijd. Er lijkt geen sprake te zijn van een infectiedruk voor T. spiralis. De seroprevalentie voor hepatitis A bedroeg 27%. De daling van de incidentie van hepatitis A infecties na de Tweede wereldoorlog zijn in de leeftijdspecifieke seroprevalenties duidelijk zichtbaar.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Comparative metabolism of several PAH compounds in rat liver microsomes and the extrapolation to man [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Incorporating land-use change in earth systems models. The land use component of IMAGE 2 and some consequences for environmental conservation [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
The use of route-specific biomarkers in the risk assessment of PAH exposure [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Development of a GC/MS method for the quantification of 1- and 2-naphthol in human urine (potential biomarkers for inhaled polycyclic aromatic compounds) [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Predicting the biodegradation of substituted monocyclic aromatic compounds in soils | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Biological availability and transformations of organic compounds in soil and sediment systems | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Biodegradation of pentachlorophenol | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Biodegradation of polycyclic aromatic compounds in soil | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Contaminants and microorganisms: intimate contact or Romea and Juliet? | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Risk assessment methodologies for ionizing radiation | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Microbial transformation of chlorinated aromatics in sediments | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Prospective studies on coronary heart disease in the elderly. The role of classical and new risk factors | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Sustainability and risk of damage: the European abatement of acidification | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Reducing population exposure to benzene: evaluation of policy options using a microenvironment-oriented model for exposure simulation | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Ozone depletion and skin cancer incidence: science and policy implications of risk-oriented approaches | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Modelling global change impacts [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Harmonization of environmental quality objectives | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Uniform System for the Evaluation of Substances (USES); hazard comparison between substances | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Risk assessment of pestidices: the ESPE-model | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Changes in crop yields due to climate change | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Comparison of environmental threats to ecosystems using a multiple stress model | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Lead abatement objectives and policy in The Netherlands | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Risks reducing by hazardous waste/soil cleaning technology | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Uncertainties and risks related to exceedances of critical acid loads on forests in the Netherlands | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
The penultimate scaling-up exercise: estimating boreal forest responses to environmental change during the past 20,000 years and the next 200 years [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
The effect of ozone-inhalation on guinea-pig tracheal smooth muscle function in vitro [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
On the toxicity of nitrite and nitrate in rats [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Chemical equilibrium modelling of metal partitioning in soils | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Physiologically based toxicokinetic modelling of nitrate and nitrite: implications for the safety evaluation of nitrate | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Prevention of blood supply to the rat brain in live Escherichia coli septic shock by intravenous ciprofloxacin [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
(Potentieel) proefdierpathogene micro-organismen. Yersinia SP | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Referentiematerialen voor bacteriesporen | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Effects of beta-adrenoceptor agonists, dopamine and glucagon on propanolol intoxication in rats [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
A pilot-study to investigate nitrate and nitrite kinetics in healthy volunteers with normal and artificially increased gastric pH after sodium nitrate ingestion | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Contribution of the individual enantiomers to racemic propanolol intoxication in rats [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Verdroging en de gewenste grondwatersituatie | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Consumptie van lang bewaarde gepasteuriseerde melk met hoge gehalten aan Bacillus cereus | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Het effect van natriumlactaat op hitteresistentie, sporekieming en toxinevorming van en door proteolytische Clostridium botulinum stammen | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Enhanced endogenous production of tetrahydrobiopterin and nitric oxide during septic shock in rats and rabbits [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
(Potentieel) proefdierpathogene micro-organismen. Coronavirussen bij muis en rat | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Is de rattekolonie besmet met Kilham's ratvirus (KRV) of met rat orphan parvovirus (ROPV) | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
(Potentieel) proefdierpathogene micro-organismen. Treponema cuniculi | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Pasteurellaceae: "recent" genetisch onderzoek | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
European environmental epidemiology network - GEENET-EURO [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Empirical orthogonal function (EOF) analysis of ozone variability | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Geographical distribution of respiratory wheeze in schoolchildren: application of empirical bayes methods for non-rare conditions [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Determination of the UVB climate in The Netherlands: high resolution spectral measurements, monitoring and modelling from the perspective of risk analysis | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Small area variation in air quality and health, part 2 (SAVIAH II) [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Health impact assessment of exposure to particulate air pollution in The Netherlands [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Small area variations in exposure to NO2 [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Noise and odour annoyance and complaints around Schiphol airport [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Unique gene organization of thioredoxin and thioredoxin reductase in Mycobacterium leprae | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Biomarkers in nasal lavage as a tool for the assessment of health effects of photochemical air pollution. A feasibility study with volunteers | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Conjugates of synthetic cyclic peptides elicit bactericidal antibodies against a conformational epitope on a class 1 outer membrane protein of Neisseria meningitidis | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Serological studies of Corynebacterium kutscheri and coryneform bacteria using an enzyme-linked immunosorbent assay (ELISA) | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
UVB can affect the immune system resulting in decreased resistance to infections and tumors | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Total ozone trend analysis from the TOMS data | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Molecular epidemiology of tuberculosis in Denmark in 1992 | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Performance of NO2 passive samplers in ambient air in dense networks [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Climate change and deforestation in West Africa: a space-time trend analysis of rainfall series from Cote d'Ivoire and Liberia | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Long-term exposure to air pollutants and respiratory health in children: an overview of studies [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Occupation and prevalence of respiratory symptoms in the general population [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Monitoring of exposures, bodyburdens and health effects of environmental pollution: the perspective from environmental epidemiology [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Climate change and malaria risk | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
An enzyme-linked immunosorbent assay (ELISA) for monitoring rodent colonies for Pasteurella pneumotropica antibodies | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Ambient SO2 measured by passive samplers in Poland and the Czech Republic [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Prediction of health effects caused by aircraft noise around Schiphol airport [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Research project on the relationship between air quality and health in six Central and Eastern European countries [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Dutch participation in the international network for the detection of stratospheric change (NDSC) | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
A rationale for the appropiate amount of inoculum in ready biodegradability tests | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Hepatitis C-virus-antistofconversie bij drie hemodialysepatienten in verschillende dialyseafdelingen | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Identification of clastogenic and/or aneugenic events during the preneoplastic stages of experimental rat hepatocarcinogenesis by fluorescence in situ hybridization | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Appraisal of signals concerning adverse effects of environmental pollution on public health; a checklist [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Socioeconomic status and related potential respiratory health risk factors in the SAVIAH study [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Small area variations in air quality and health (the Saviah study): design and methods [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Reclassification of 30 Pasteurellaceae strains isolated from rodents | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Quality control of membrane filters for bacteriological examination of water | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Validation of models on uptake of organic chemicals by plant roots | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Association between air pollution and duration of respiratory symptoms in children [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Comparative study of five different DNA fingerprint techniques for molecular typing of Streptococcus pneumoniae strains | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Geographical genotypes (geotypes) of poliovirus case isolates from the former Soviet Union: relatedness to other known poliovirus genotypes | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Climate change research: evaluation and policy implications. Proceedings of the international climage change research conference, Maastricht, The Netherlands, December 1994 | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Antigenicity and immunogenicity of recombinant envelope glycoproteins of SIVmac32H with different in vivo passage histories | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Assessment report on NRP subtheme "Greenhouse gases". Sources and sinks of CO2, CH4 and N2O, databases and socio-economic causes | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Small area variations in air quality and health (SAVIAH) in the Netherlands [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Fetal ductus venosus flow velocity waveforms and maternal serum AFP before and after first-trimester transabdominal chorionic villus sampling | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Continental ozone issues; monitoring of trace gases, data analysis and modelling of ozone over Europe | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Linking IMAGE 2 and WORLD SCAN | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Stabilizing greenhouse gases: global and regional consequences | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Integrated water resources management. Selected proceedings of "Living with water", the international conference on integrated water resources management, Amsterdam, The Netherlands, September 1994 | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Body iron stores and mortality due to cancer and ischaemic heart disease: a 17-year follow-up study of elderly men and women | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Climate change, policy options and research implications | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Global modelling of atmospheric trace gases: application of a global three dimensional model | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Effects of enhanced UV-B radiation on structure and function of phytoplankton communities | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Testing high resolution nitrous oxide emission estimates against observations using an atmospheric transport model | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Emissions inventories and options for control | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Continental ozone issues; monitoring of trace gases, data analysis and modelling of ozone over Europe "Dutch contribution to the EUROTRAC-TOR project" | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Occurrence of Cryptosporidium oocysts and Giardia cysts in the river Meuse and removal in the Biesbosch reservoirs | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Comparison of adjuvants for immune potentiating properties and side effects in mice | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Effects of increased UV-B radiation on structure and functioning of algal communities in different climatic zones: risks of a global decrease in stratospheric ozone | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Respiratory health in the SAVIAH study [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
The exposure of cyclists, car drivers and pedestrians to traffic-related air pollutants | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Overview of IMAGE 2.0: an integrated model of climate change and the global environment | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Emission database for global atmospheric research (EDGAR): version 2.0 | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Food-initiated outbreak of methicillin-resistant Staphylococcus aureus analyzed by pheno- and genotyping | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Analysis of the population structure of Mycobacterium tuberculosis in Ethiopia, Tunisia, and the Netherlands: usefulness of DNA typing for global tuberculosis epidemiology | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Dit rapport maakt deel uit van een project om Quantitative Species-Sensitivity Relationships (QSSRs) te ontwikkelen. QSSRs kunnen de gevoeligheid van soorten voor chemische stoffen voorspellen. Daarvoor wordt de variatie in de gevoeligheid van soorten voor chemische stoffen bestudeerd. Voor deze studie zijn acute toxiciteitsgegevens van stoffen (pesticiden) voor vogels en zoogdieren gebruikt. Een statistische patroonherkenningstechniek, Principale Componenten Analyse, is gebruikt om patronen in de gegevens te vinden. De volgende conclusies kunnen worden getrokken. Net als in voorgaande studies kunnen de patronen in de toxiciteit van stoffen eenvoudig worden beschreven. Een ordening van stoffen van lage naar hoge toxiciteit verklaart ongeveer 65% van de totale variatie in de dataset. Voor de vogels waren fensulfothion en fenitrothion respectievelijk de meest en de minst toxische verbinding. Voor de zoogdieren waren dat respectievelijk isobenzan en carbaryl. Patronen in de gevoeligheid van soorten zijn complexer. Meerdere componenten zijn nodig om meer dan 60% van de totale variatie te verklaren. De patronen laten zien dat soorten uit dezelfde taxonomische groep, klasse of orde, meer op elkaar te lijken, dan soorten uit verschillende groepen van hetzelfde taxonomische niveau. In het algemeen zijn vogels gevoeliger dan zoogdieren. Dit is het duidelijkst voor pesticiden die acetylcholine-esterase remmen (organofosfaten en carbamaten). Het verschil tussen vogels en zoogdieren is het kleinst voor neurotoxische stoffen. Om vogels en zoogdieren veilig te stellen voor pesticiden in het milieu, op basis van acute toxiciteitsgegevens, kan in principe volstaan worden met toetsresultaten van vogels. Als de stof neurotoxisch is, is het raadzaam tevens gebruik te maken van gegevens van zoogdieren. De meest gevoelige soort bestaat niet. Voor vogelsoorten zijn de Californische kwartel (Callipepla californica) en de roodsnavel-quelea (Quelea quelea) representatieve toetsorganismen. Voor de zoogdieren blijven de uitspraken speculatief, omdat slechts enkele soorten vertegenwoordigd waren in de dataset. De hond (Canis domesticus) en de cavia (Cavia dorcella) lijken gevoeligheidspatronen te hebben die als typisch voor zoogdieren beschouwd kunnen worden. De spreiding in soortgevoeligheid per stof was zowel bij de vogels als bij de zoogdieren klein. De Sensitivity Ratio 95:5 zijn kleiner dan 100. De gevoeligheid van een andere soort vogel of zoogdier ligt naar verwachting binnen een factor 10. Voor risico-beoordelingsdoeleinden is het testen van meer dan een soort vogel of zoogdier niet nodig. Door andere bronnen van onzekerheid in de beoordelingsprocedures zal een nauwkeuriger bepaalde gevoeligheid van een soort, slechts een zeer kleine invloed op de uiteindelijke beoordeling hebben.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Aan 12 mannelijke en 12 vrouwelijke Riv:TOX ratten werd in een periode van 15 dagen op 5 achtereenvolgende dagen per week oraal benzo(a)pyreen (per maagsonde, 30 mg/kg) toegediend, in de vorm van een oplossing in soja-olie. Bij de ene helft van de dieren werd er bloed afgenomen over een periode van 12 uur op de eerste dag van toediening (dag 1) en op dag 12, bij de andere helft van de dieren op dag 5 en dag 15. Uit de resultaten blijkt, dat de gemiddelde en maximale plasmaspiegels (C-max en AUC) van benzo(a)pyreen afnemen en de t-max toeneemt na herhaalde dagelijkse toediening. Deze effecten berusten waarschijnlijk op een inductie van de leverenzymen welke verantwoordelijk zijn voor het metabolisme van benzo(a)pyreen alswel op een afname van de absorptie. Geen uitspraak kan nog worden gedaan over wat de relatieve bijdrage van elk van de processen is. Na het doseringsvrije interval herstellen de plasmaspiegels van benzo(a)pyreen zich gedeeltelijk, maar zij blijven lager dan op de eerste dag van toediening. De plasmaspiegels van benzo(a)pyreen waren op dag 5 en dag 12 (beide na vijf dagelijkse toedieningen) gemiddeld 73% hoger bij de mannetjes dan bij de vrouwtjesdieren. Dit sexeverschil was na de eerste dosering niet aanwezig. Vergelijking met de resultaten van de eerder uitgevoerde studie BaP04, waarin de ratten gevast werden voor toediening, suggereert dat de absorptie van benzo(a)pyreen toeneemt in aanwezigheid van voedsel.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
In dit project zijn ca 50 kaarten, verdeeld over ca 150 digitale bestanden, met betrekking tot specifieke vormen van gebiedsgericht beleid bijeen gebracht. Het doel van het project was een zo compleet mogelijke verzameling bestaande kaarten en bestanden bijeen te brengen, teneinde een overzicht van het vigerende gebiedenbeleid tot stand te brengen. De bestanden, inclusief het programma ArcView versie 1, waarmee een beperkt aantal analyse- en presentatiemogelijkheden wordt geboden, zijn in principe voor de deelnemers aan het project c.q. leveranciers van bestanden op CD-ROM beschikbaar. Met 25 daarvoor geschikte kaarten is een cumulatiekaart van het gebiedenbeleid vervaardigd. Van deze 25 vormen van gebiedenbeleid blijken er maximaal 17 op een specifieke locatie voor te komen.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Op verzoek van de HIGB is de N-nitrosamine problematiek in cosmetische produkten in kaart gebracht. Deze spitst zich toe op de verbindingen NDELA [N-nitrosodiethanolamine] en NMPABAO [2-ethylhexyl 4-(N-nitroso-N-methylamino)benzoaat]. Gegevens over NMPABAO-gehalten in cosmetica van de Nederlandse markt ontbreken terwijl de informatie over NDELA-gehalten stamt uit het begin van de tachtiger jaren. N-nitrosaminen vormen een potentiele bedreiging voor de gezondheid van de gebruiker en horen niet in cosmetica thuis. Sinds 1992 is er een wettelijke regeling van kracht in de Europese Unie wat het voorkomen van N-nitrosaminen in cosmetica betreft. Aanbevolen wordt een selectief aantal monsters van de Nederlandse markt te onderzoeken op NDELA en NMPABAO en de hiervoor benodigde analysemethode te ontwikkelen. De beste basis hiervoor is capillaire gaschromatografie in combinatie met chemiluminescentie-detectie met behulp van een Thermal Energy Analyzer (TEA).
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Het derde rapport van het Coordination Center for Effects (CCE) beschrijft de voortgang die is gemaakt met de wetenschappelijke ondersteuning van multi pollutant-multi effect protocollen in het algemeen, en het komende NOx protocol in het bijzonder. Het onderzoek, waarover wordt gerapporteerd, vindt plaats in het kader van de Convention on Long Range Transboundary Air Pollution van de Economische Commisie van Europa onder de Verenigde Naties. Eerdere rapporten van het CCE beschreven het onderzoek en de resultaten van de critical load benadering ter ondersteuning van het tweede protocol voor de vermindering van zwavel emissies. Dit rapport bestaat uit 4 delen: Part I Status of Maps and Methods: beschrijft (a) resultaten van de nieuwe methodologie waarbij verzuring en vermesting simultaan worden beschreven in zg. Protection Isolines, (b) de achtergronddata en (c) een volledig overzicht van de methodologie. Part II Related Research and Development: omvat onderzoeksmateriaal dat voor toekomstig werk in het UN/ECE kader van belang is, i.e. Europees landgebruik, ruimtelijke schaal van atmosferische deposities en concentraties, een voorstel tot de bepaling van kritische waarden voor biodiversiteit, zware metalen en POPs. De methodiek voor de bepaling van kritische waarden voor zware metalen en aPOPs kan mettertijd worden ingezet bij de ondersteuning van een effect gericht zware metalen en POP protocol. Het gepubliceerde materiaal is in een eerder stadium op CCE workshops (1994 en/of 1995) gepresenteerd. De landgebruikskaarten zijn medio dit jaar door het CCE aan alle National Focal Centers toegestuurd voor kommentaar. Deze kaarten zullen de basis vormen van schattingen van Stock-at-risk. Part III National Focal Center Reports: een belangrijke rol van de RIVM-CCE rapportages is de getuigenis die erin wordt afgelegd van de betrokkenheid van het netwerk van nationale wetenschappelijke instituten. Dit, door het RIVM-CCE ontwikkelde netwerk, breidt zich verder uit (dit jaar 3 nieuwe instellingen) en zal volgend jaar waarschijnlijk worden vervolmaakt met een bijdrage van Zuid-Europese landen. Het netwerk is van groot belang voor de consensus over de toe te passen methoden en aan de UN/ECE geleverde resultaten. Een aantal rapportages bevatten andere dan critical load resultaten en gaan bijv. ook in op de ozone problematiek.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Voor 1993 en 1994 zijn het gebruik en de emissies, per doelgroep, in Nederland in kaart gebracht voor CFK's, HCFK's, HFK's, tetrachloormethaan, 1,1,1-trichloorethaan, methylbromide en halonen. Het gebruik en de emissies van CFK's, halonen, tetrachloormethaan en 1,1,1-trichloorethaan neemt af. Gezien de verboden voor CFK's (per 1 januari 1995), halonen (per 10 maart 1994) en 1,1,1-trichloorethaan (per 1 januari 1996) kunnen, behalve bij de produktie voor derde wereldlanden, uitsluitend bestaande voorraden nog bronnen van emissies zijn, er komen in de toekomst geen nieuwe stoffen meer bij. De emissies van deze stoffen zullen dus in de komende jaren sterk afnemen en alleen nog afkomstig zijn van met name schuim en in beperkte mate uit installaties (brandblussers en koeling). Het gebruik van HCFK's, als vervangers voor CFK's neemt nog steeds toe. Volgens Europese wetgeving is het gebruik tot 2003 aan een plafond gebonden. Daarna volgt uitfasering met een verbod op het gebruik in 2015. Mogelijke vervangers voor HCFK's zijn HFK's. HFK's tasten, in tegenstelling tot HCFK's, de ozonlaag niet aan, maar leveren een grotere bijdrage aan het broeikaseffect. Over het gebruik en de emissies van HFK's is weinig bekend. Met name het toekomstig gebruik dient uitgezocht te worden.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport bevat de achtergronden van het onderdeel landbouw in de Derde Nationale Milieuverkenning 1993-2015. Het basisjaar voor de scenarios is 1990. Op basis van het begin 1993 vastgestelde en voorgenomen milieubeleid wordt een vooruitblik gepresenteerd voor de jaren 1995, 2000 en 2010. De evaluatie richt zich hoofdzakelijk op fosfaat, stikstof en zware metalen. Deel I geeft de uitgangspunten van de modelberekeningen. Deel II bevat de resultaten van de modelberekeningen. Tevens worden de resultaten geanalyseerd en vergeleken met andere scenario-studies zoals de evaluatie van het mest- en ammoniakbeleid door TNO en Heidemij Advies en berekeningen in het kader van de Notitie Derde Fase mest- en ammoniakbeleid.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Voor de inschatting van het mogelijke risico voor vogels en zoogdieren bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de landbouw wordt in het algemeen uitgegaan van de laagste beschikbare LD50. Speciaal in het geval van slechts 1 of 2 LD50-waarden is de kans op onderschatting van het mogelijke risico niet denkbeeldig, omdat men nooit zeker kan zijn of de geteste soorten bij benadering een van de gevoelige soorten vertegenwoordigen. Een methode om laboratoriumgegevens te extrapoleren naar een acceptabele concentratie voor een risicoschatting is de HC5-waarde, de Hazardous Concentration voor 5% van de soorten, te berekenen (Kooijman 1987, Van Straalen & Denneman 1989, Wagner & Lokke 1990 en Aldenberg & Slob 1994). Deze methode berekent uit een set van 'n' laboratorium toxiciteitsgegevens het gemiddelde en de standaard afwijking van de log getransformeerde NOEC concentraties. Alhoewel deze methode in principe geschikt is voor n = 2 tot oneindig, wordt de methode in de praktijk toegepast voor n = 4 tot oneindig. De methode kan echter in geen geval gebruikt worden indien er slechts een NOEC voorhanden is. In dit rapport stellen we voor een HD5-waarde (Hazardous Dose) uit LD50's te berekenen op dezelfde manier als een HC5-waarde uit NOEC's. Daarnaast schatten we een standaard afwijking uit LD50-datasets met informatie voor tenminste 4 soorten per stof, die gebruikt kan worden bij stoffen waarvoor minder informatie beschikbaar is. De veiligheidsfactoren voor de HD5(50) waarden voor LD50's van vogels en zoogdieren zijn 5,7 en 3,8. De HD5(95) voor vogels voor n = 1, 2 en 3, zijn respectievelijk 33, 20 en 16 en voor zoogdieren 15, 10 en 8.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Een monitoring-methode is beschreven voor het bepalen van Salmonella op in de handel aangeboden pluimvee-producten. Voor de Nederlandse situatie dienen daatoe op 385 verkooppunten monsters te worden genomen (betrouwbaarheids-niveau 95%, geaccepteerde fout 5% en een geschatte prevalentie van 50%). De te nemen monsters dienen te omvatten: karkassen, poten, borst en overige delen. Deze dienen per verkooppunt te worden genomen. Om vergelijking mogelijk te maken dienen mosters op een identieke wijze te worden onderzocht. Aanbevolen kan worden de mosters met pepton water te schudden en deze schudvloeistof met behulp van de ISO 6579 methode op Salmonella te onderzoeken. Ofschoon het systeem beschreven is voor de Nederlandse situatie kan de methode in ieder land en voor andere pathogene agentia worden toegepast.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Dosis-respons functies, uit laboratorium toxiciteitstoetsen, werden gebruikt om het effect van stoffen op voedselwebben te voorspellen. Directe effecten van Chloorpyrifos (CPF), zoals vastgesteld in microcosmos experimenten, konden goed worden voorspeld op basis van toxiciteitstoetsen in het laboratorium. De aard van de indirecte effecten van CPF op functionele groepen kon ook voorspeld worden. Indirecte en/of directe toxische effecten leiden tot biomassaveranderingen in het voedselweb. Voorgesteld wordt om 5% biomassa-afwijking t.o.v. de controle als grens te laten fungeren voor de Hazardous Concentration for Ecosystems (HCE). HCE's zijn berekend voor cadmium, CPF, DTDMAC en TBT, en zijn altijd hoger dan huidige Grenswaarden. De betekenis van de HCE wordt besproken.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM brengt periodiek de zogenoemde Nationale Milieuverkenningen uit. Milieuverkenningen worden opgesteld ten behoeve van het strategische milieubeleid voor de lange termijn. Ze hebben een beleidsvoorbereidend en evaluerend karakter. Een van de onderwerpen in de milieuverkenningen is de lokale verkeersmilieuproblematiek in de Nederlandse steden: geluidhinder en lokale verkeersintensiteiten. Om deze lokale milieu-effecten te kunnen prognostiseren gebruikt het RIVM tot op heden een eenvoudig rekenmodel dat landelijke volume-ontwikkelingen omrekent naar lokale verkeersintensiteiten. Bij de prognose van de milieu-effecten in de milieuverkenning gaat het RIVM uit van een volledige uitvoering van het milieubeleid door het rijk en lokale overheden. Er is echter weinig zicht op de mate waarin lokale overheden het voorgenomen milieubeleid naar verwachting uitvoeren. De mate waarin dit gebeurt heeft invloed op de prognose van de volume-ontwikkeling en op de milieu-effecten. Het RIVM-rekenmodel wordt in dit onderzoek op twee manieren verbeterd. Ten eerste door het verbeteren van de empirische relatie tussen landelijke volume-ontwikkelingen en lokale intensiteiten in het bestaande rekenmodel. Ten tweede door de uitvoering van het landelijke verkeers- en vervoerbeleid en het 'eigen' verkeers- en vervoerbeleid van lokale overheden in het rekenmodel op te nemen. Dit rapport beschrijft het onderzoek waarmee tot een verbeterd rekenmodel is gekomen. Met behulp van het verbeterde rekenmodel worden tevens de consequenties aangegeven van de uitvoering van het lokale verkeers- en vervoerbeleid op de prognose van de intensiteiten en lokale milieu-effecten.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
In vitro responses to immunotoxicants. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Infection by V factor dependent Pasteurellaceae (Haemophilus) in rats | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Elektronische titelattenderingssystemen. Hulpmiddelen voor de attendering van (wetenschappelijke) literatuur geinventariseerd | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Risk assessment of UVB effects on resistance to infectious diseases [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Immune biomarkers in cord blood in the Northern Bohemia [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Risk assessment of medical devices: evaluation of microbiological and toxicological safety | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Uitloging van zware metalen uit stads- en natuurgronden | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Spatial and temporal variety of outdoor radiation levels in the Netherlands; an integrated modelling approach [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Therapy of bovine ocular squamous-cell carcinoma with local doses of interleukin-2: 67% complete regressions after 20 months of follow-up | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
A macaque model for Hantavirus infection | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Immunotoxicity of anthropogenic trace materials in the environment | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Impaired cellular immune response in harbour seals (Phoca vitulina) feeding on environmentally contaminated herring | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Zeldzame aarden in drinkwater en drinkwaterbronnen | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Systems models of terrestrial carbon cycling | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Comparative study of data assimilation methods in environmental models | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Risico-evaluatie van 4 ingredienten van was- en reinigingsmiddelen afgerond | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Spatial and temporal variety of outdoor radiation levels in The Netherlands; results of an exploratory data-analysis [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
13-Hydroxy-linoleic acid induces airway hyperresponsiveness to histamine and methacholine in guinea pigs in vivo | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Toxicity of Tobramycin in young and old rats [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Development of a high volume air sampler for the sensitive detection of gamma emitting radionuclides attached to aerosols. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
The pathogenesis of Torovirus infections in animals and humans. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Evaluation of a sampling method used for the analysis of chlorophenoxy herbicides, N-containing pesticides and PAHs in rain water | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Dietary factors determining diabetes and impaired glucose tolerance. A 20-year follow-up of the Finnish and Dutch cohorts of the Seven Countries Study | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Behaviour of organic micropollutants during groundwater recharge | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Dit rapport beschrijft: 1. De mathematisch statistische onderbouwing van de toetsing van partijen voor de handhavingscontrole, 2. Een inschatting van de totale variantie van de partij ten gevolge van de specifieke variantie van de partij (heterogeniteit) en de meetfout. 3. Berekening van de afkeurwaarde. 4. Het effect van de gemaakte keuzes op de kans op goedkeuring en op de hoogte van de afkeurwaarde. 5. Het effect van de wijze van toetsing op: - De bescherming van de bodem. - De herbruikbaarheid van bouwmaterialen. - De kosten van de toetsing. 6. Voorstel voor een toetsingsprocedure.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Hypertension and overweight associated with hyperinsulinaemia and glucose tolerance: a longitudinal study of the Finnish and Dutch cohorts of the Seven Countries Study | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Molecular epidemiology of wild poliovirus type 1 in Europe, the Middle East, and the Indian Subcontinent | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Immunotoxicological screening of morphine and methadone in an extended 28 day study in rats | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Disinfectant testing on surfaces | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Investigation of a screening battery for immunotoxicity of pharmaceuticals within a 28-day oral toxicity study using azathioprine and cyclosporin A as model compounds | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Detection of FRNA coliphages in groundwater [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Liposomes and ISCOMS as vaccine formulations | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Development, production and certification of microbiological reference materials | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Serum total cholesterol and long-term coronary heart disease mortality in different cultures. Twenty-five-year follow-up of the Seven Countries Study | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Immunogenicity of trypsin treated type 2 and type 3 poliovirus in rats | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Potential use of microbiological reference materials for the evaluation of detection methods for Listeria monocytogenes and the effect of competitors: a collaborative study | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Models of human exposure based on environmental monitoring | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Study on contamination routes and control of Campylobacter jejuni in poultry broiler flocks | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
The purification and protective capacity of Bordetella pertussis outer membrane proteins | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Evaluation of antigen and antibody detection in urine specimens from children with congenital human cytomegalovirus infection | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
The SCID-hu mouse as a tool in immunotoxicological risk assessment: effects of 2-acetyl-4(5)-tetrahydroxybutyl-imidazole (THI) and di-n-butyltin dichloride (DBTC) on the human thymus in SCID-hu mice | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Identification of critical control points in the HACCP system with a quantitative effect on the safety of food products | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Nutrient flows from the soil to draining surface water | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Impact of natural sequence variation in the V2 region of the envelope protein of human immunodeficiency virus type 1 on syncytium induction: a mutational analysis | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Analysis of 8-hydroxy-2'-deoxyguanosine in rat urine and liver DNA by stable isotope dilution gas chromatography/mass spectrometry | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
A non-linear theory of high-concentration-gradient dispersion in porous media | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
In het kader van het in 1990 tussen VROM en NVZ overeengekomen "Plan van Aanpak Was- en Reinigingsmiddelen Huishoudelijk Gebruik" is een risico-evaluatie ten aanzien van het milieu uitgevoerd voor 4 detergenten: LAS, AE, AES en zeep. De evaluatie is enerzijds gebaseerd op door de industrie verzamelde en geevalueerde literatuurgegevens en anderzijds op een monitoring programma op 7 representatieve locaties in Nederland. Uit de verhouding tussen het MTR (Maximaal Toelaatbaar Risiconiveau) en de PEC (Predicted Environmental Concentration) kan geconcludeerd worden dat voor LAS, AE en AES het risico laag is: de PEC/MTR is kleiner dan 0,05 voor deze detergenten. Voor zeep is de PEC/MTR ratio ongeveer gelijk aan 1. Dit betekent dat er een mogelijk risico is voor het aquatisch milieu. De MTR is echter gebaseerd op acute gegevens. Voorlopige resultaten van een chronische studie met zeep geven aan dat de toxiciteit van zeep vergelijkbaar is met LAS, AE en AES. Dit betekent dat het risico van zeep waarschijnlijk lager is.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport is geschreven op verzoek van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, afdeling Klimaatverandering om te voldoen aan de verplichtingen in het kader van het Bewakingsmechanisme Broeikasgassen, volgens besluit van de Milieuraad van de Europese Unie van 24 juni 1993 (93/389/EEC). De lidstaten van de Europese Unie hebben afgesproken de totale CO2 emissie van de Europese Unie te stabiliseren in 2000 ten opzichte van 1990. Het bewakingsmechanisme biedt de Commissie de mogelijkheid vorderingen op weg naar dit doel te volgen op basis van een jaarlijkse inventarisatie van broeikasgasemissies. Deze rapportage bevat een korte beschrijving van de methoden zoals toegepast in Nederland, de definitieve cijfers voor 1993 en de voorlopige cijfers voor 1994. Tevens zijn cijfers voor het basisjaar 1990 gegeven. De rapportage is conform de internationaal afgesproken IPCC guidelines. De rapportage is gebaseerd op de Milieubalans cijfers, maar levert op een aantal plaatsen meer details. Daarnaast wordt de CO2-emissie in de Milieubalans volgens de bruto NMP-methode gegeven, terwijl deze hier volgens de internationaal aanvaarde IPCC methode is bepaald. Temperatuur gecorrigeerde kooldioxide emissies en emissies van methaan en lachgas in 1993 waren iets hoger dan in 1990. Een kleine dip in de economische groei, vooral in de chemie, voorkwam dat de emissies verder groeiden. Voorlopige cijfers voor 1994 suggereren een significante groei in de kooldioxide emissies, hetgeen samenhangt met een voorspoedige economische ontwikkeling.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
DOEL Het vaststellen van de prevalentie van HIV-infectie en risicogedrag onder intraveneuze- (IVDs) en niet-intraveneuze-druggebruikers in Rotterdam. Het onderscheiden van subgroepen IVDs met een verhoogd risico op HIV-infectie. Het inschatten van het risico op verdere verspreiding van HIV. Het vaststellen van de bekendheid en het gebruik van preventie-activiteiten. METHODEN Tussen 6 september en 18 december 1994 is bij 701 druggebruikers (494 IVDs) in Rotterdam een speekselmonster en een vragenlijst naar risicogedrag afgenomen. Deelnemers werden geworven via de methadonverstrekking (67%) en via werving 'op straat' (33%). In de methadonwerving werd ook een bloedmonster verzameld. Deelname was vrijwillig en anoniem. RESULTATEN Van de 492 geteste IVDs waren 57 seropositief (prevalentie 12%, 95%-betrouwbaarheidsinterval [BI] 9-14%), onder de 207 niet-IVDs werden drie infecties gevonden (1.5%, 95%BI 0-4%). Onafhankelijke risicofactoren voor een positieve serostatus onder IVDs waren een jongere leeftijd (<25jr OR=5.17 [1.27-21], 25-34 OR=1.89 [1.01-3.57], >34 OR=1), geboorteland (Nederland OR=1, Turkije, Marokko, Suriname, Antillen OR=0.12 [0.02-0.94], overig buitenland OR=1.54 [0.72-3.32]), gevangenisstraf (nooit OR=1, 1 keer OR=1.96 [0.61-6.28], >1 keer OR=3.40 [1.36-8.52]) en een langere spuitcarriere (0-2 jr OR=2.17 [0.65-7.27], 3-10 OR=1, >10 OR=3.05 [1.39-6.71]). Het aantal druggebruikers in Rotterdam wordt geschat op tenminste 3500 op jaarbasis, waarvan 2500 IVDs en 200 tot 300 geinfecteerden. Op basis van zelfgerapporteerde testuitslagen sinds 1991 blijken recent infecties te zijn voorgekomen. Een op de vijf actuele spuiters had in de laatste 6 maanden gebruikte spuiten of naalden van anderen geleend. Van alle IVDs had 9% een vaste seksuele relatie met een niet-intraveneuze druggebruiker en 14% met een niet-druggebruiker. Binnen de meeste vaste seksuele relaties (79%) werden nooit condooms gebruikt. Van de 325 actuele spuiters was 97% bekend met een of meer spuitomruillocaties, 95% had er ooit gebruik van gemaakt. Van alle deelnemers kende 94% een of meer condoomverstrekkingsplaatsen en had 58% daar ooit gebruik van gemaakt. CONCLUSIES De prevalentie van HIV-infecties in Rotterdam wordt geschat op 12% onder intraveneuze-druggebruikers en 1.5% onder niet-intraveneuze druggebruikers. Dit komt naar schatting overeen met 200 tot 300 seropositieve druggebruikers. Risicofactoren voor HIV-infectie onder IVDs zijn een jongere leeftijd, gevangenisstraf en een lange spuitcarriere. IVDs die in Turkijke, Marokko, Suriname of de Antillen zijn geboren zijn minder vaak seropositief. Nieuwe infecties komen onder IVDs nog steeds voor. Verspreiding naar niet-druggebruikers, met name vaste seksuele partners van IVDs, is aannemelijk. De bekendheid met en gebruik van spuitomruil en condoomverstrekking zijn hoog.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
De nitraatconcentratie van het ondiepe grondwater in de zandgebieden is van invloed op de toekomstige nitraatconcentratie van het diepe grondwater dat wordt gewonnen voor de drinkwatervoorziening en op het oppervlaktewater. In de zandgebieden zijn nitraatconcentraties gemeten bij bos en heideveld in het winterhalfjaar 1989-1990 en bij landbouwgewassen in het voorjaar van 1992 en van 1993. Voor bos en heideveld en voor landbouwgewassen zijn regressiemodellen afgeleid die nitraatconcentraties relateren aan nationaal bekende variabelen die indicatief zijn voor de stikstoftoevoer aan het maaiveld en het bodemtype. Met deze regressiemodellen wordt geschat dat bij landbouwgewassen de nitraatconcentraties ongeveer 6 maal hoger zijn geweest dan bij bos en heideveld. Meer dan 94% van het oppervlak waar landbouwgewassen zijn en meer dan 23% bij bos en heideveld had een concentratie die de grondwaternorm overschrijdt. Bij landbouwgewassen kunnen lagere concentraties vooral in het noorden gevonden worden. Bij bos en heideveld vooral in de grote natuurgebieden (Veluwe).
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport presenteert het Energie Economie model zoals geimplementeerd in het geintegreerde IMAGE 2.1 model (Integrated Model for Analyzing Greenhouse Effects). Het Energie Economie submodel berekent energiegebruik in eindverbruikssectoren gebaseerd op economische activiteitenniveaus en het energiebesparingspotentieel ("end-use approach"). Vervolgens berekent het IMAGE 2.1 model emissies van broeikasgassen per regio. Het Energie Economie model stelt modelgebruikers en beleidsmakers in staat om consistente toekomstbeelden te ontwikkelen voor economische ontwikkeling, omvang van industriele processen en de energievraag. Verscheidene technisch economische parameters van het model kunnen worden gewijzigd om een beeld te krijgen van de effecten van energiebesparing en van andere strategieen gericht op het reduceren van emissies van broeikasgassen. In dit rapport wordt uiteengezet hoe de calibratie van het model heeft plaatsgevonden. Dit wordt geillustreerd aan de hand van een aantal voorbeelden ; de sectoren huishoudens en industrie in de regios West- en Oost-Europa en de landen aangesloten bij het GOS. Tevens wordt in dit rapport een aantal mogelijke toepassingen van het model gepresenteerd (het berekenen van CO2-kostencurves voor verschillende zichtjaren, het gebruik van deze curves ter bepaling van het potentieel van het instrument Joint Implementation en een scenario voor de langere termijn (1990-2100).
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Atmospheric deposition in relation to acidification and eutrophication | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Reliability of environmental information obtained by modelling and monitoring | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
EDACS: European deposition maps of acidifying components on a small scale | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Preliminary validation of ammonia emission data using a combination of monitoring and modelling | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Computer-assisted qualitative analysis of vibrational spectra. Applications in environmental and residue analysis | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Epidemiology and surveillance of Campylobacter infections | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Seals, pollution and disease: environmental contaminant-induced immunosuppression | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Synthetic peptide vaccines | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
European prospective investigation into cancer and nutrition | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Central European study on air quality and respiratory health (CESAR) | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
The emergence of a new cholera epidemic in Asia explained at the molecular level | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
A probabilistic model for deriving soil quality criteria based on secondary poisoning of top predators | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
The National Radioactivity Monitoring Network | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Risk assessment of contaminated soil: general approach for the Dutch intervention values for soil clean-up (formerly C-values) for organic compounds (phthalates and dioxins) | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Mycotoxins in food: analysis, detection and legislation. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Effects of UVB radiation on the resistance to infectious diseases | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Acetaldehyde (first draft) | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Beta-blocker intoxication. Effects of enantiomers and drug intervention in respiratory and cardiovascular function | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Carcinogenic risk assessment of polycyclic aromatic hydrocarbons. I. Tumorigenic effects in rats exposed life-long orally to benzo[a]pyrene | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Groundwater nitrate concentrations caused by atmospheric nitrogen deposition in the Netherlands | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Risk assessment of vitamin A intake during early pregnancy | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Risk estimation for Down Syndrome | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Risk assessment of UVB effects on resistance to infectious diseases | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Process analysis as a basis for prevention. Calculation of solvent emissions in the pharmaceutical industry | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Risk assessment of contaminated soil: proposals for adjusted, toxicologically based Dutch soil clean-up criteria (formerly C-values) for metals and arsenic | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Emission-effect chain modelling of dioxins: development and use in policy decisions during an acute environmental problem | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Modelling the long-term atmospheric behaviour of pollutants on various spatial scales | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Transport and the environment. Forecasts for the Netherlands for the period 1990-2010 | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Modulation of biotransformation and genotoxicity by eugenol | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Voedselallergie en vaccinatie. Vaccinatie met BMR is veilig | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Diagnosis and transmission of Lyme borreliosis | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Epithelial and dendritic cells in the chemically exposed rat thymus. A morphological study | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
National Immunisation Programme: the need for continuous evaluation | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Integrated public health modelling by using M, an interactive toolbox for simulation and visualization | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Tetrabromobisphenol A and derivatives (first draft) | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Mixtures of toxicants and their effects on soil animals | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Rapid detection of simultaneous strain differentiation of Mycobacterium tuberculosis for diagnosis and control of tuberculosis | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Utilization of hospital resources and the costs related to HIV infection | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Invasive infections and Toxic Shock Syndrome by streptococci of group A in the Netherlands | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Using comparative ecotoxicology to develop quantitative species sensitivity relationships (QSSR) | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Partial least squares regression as a multivariate tool for the interpretation of infrared spectra | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
The health impacts of global climate change: grappling with scenarios, predictive models, and multiple uncertainties | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Modeling fluoride transport in soils using ion binding models for oxides | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Development and validation of a non-radioactive assay for the determination of residual cell DNA in biological products | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Analysis of UV-skin carcinomas using a two-mutation carcinogenesis model and implications for risk estimation | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
PCLake: a modelling tool for the evaluation of lake restoration scenarios | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Samples of studies on the occurrence and cost of human campylobacteriosis [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Variability in the response of microorganisms to the toxicity of pentachlorophenol | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
A population study on gastro-intestinal disorders in four regions of the Netherlands during 1991 | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Contribution of particle deposition to the deposition onto forests | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Increased susceptibility to ultraviolet-B and carcinogens of mice lacking the DNA excision repair gene XPA | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
The state of the environment in the rural parts of the Netherlands | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Potential sources of local soil pollution | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Biomarkers in nasal lavage as a tool for the assessment of health effects of photochemical air pollution | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Dioxins and related compounds: status and regulatory aspects | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Life-style and prevention of chronic diseases: a multiple determinant - multiple diseases strategy | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
The development of an integrative, disease-specific and patient-based data monitoring system for health care, medical outcome, quality of life, and costs | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Document for selecting technological solutions for environmental deficiencies | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Restriction fragment length polymorphism (RFLP) typing of Campylobacter strains | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
De incidentie van diabetes mellitus bij 0-19 jarigen in Nederland (1988-1990) | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
On the weighted least-squares method for fitting a semivariogram model | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Siliconen borstprothesen. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
The clinical evaluation of modified and newly developed combined chilhood vaccines | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Negative effect of malachite green on haematocrit of rainbow trout (oncorhynchus mykiss walbaum) | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
The quality of drinking water in 1992 | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Variations in outdoor radiation levels in the Netherlands | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Quantitative assessment of health risk by exposure to suspended particulate matter | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
The Zutphen (Elderly) Study - chronic disease risk in an ageing cohort | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Chloroform | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Vaccins tegen bacteriele hersenvliesontsteking | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Brominated diphenyl ethers (first draft) | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
The impact of climate change on the river Rhine: a scenario study | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Intake of polyunsaturated fatty acids and antioxidants in relation to cognitive function in a group of elderly men [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Potential impact of global climate change on malaria risk | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
In-patient care for symptomatic, HIV-infected persons: a longitudinal study of hospitalizations, in-patient drug use, and related costs | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
"Where policy and quality meet": a reliability assessment in GIS of ammonia emissions | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Exchange of ozone between the atmospheric boundary layer and the free troposhere. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Ter ondersteuning bij Integrale Normstelling (INS) wordt in het project Exposure Assessment onderzoek verricht naar het omgaan met achtergrondrisicos van zware metalen. In het kader van dit deelproject is een literatuurstudie uitgevoerd naar natuurlijke achtergrondgehalten van de zware metalen, cadmium, chroom, koper, kwik, lood, nikkel en zink, en het metalloid arseen in de compartimenten bodem, sediment, oppervlaktewater en grondwater. Tevens is aandacht besteed aan de problemen bij de bepaling van achtergrondgehalten van zware metalen en arseen in het milieu.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Onlangs zijn voor een groot aantal stoffen de nieuwe interventiewaarden bodemsanering van kracht geworden. In dit rapport worden voorstellen gedaan voor humaan-toxicologisch en ecotoxicologisch onderbouwde interventiewaarden voor een 15-tal nog niet eerder in dit kader beoordeelde stoffen. Voor al deze stoffen is een humaantoxicologische ernstige bodemverontreinigingsconcentratie berekend met behulp van het computermodel CSOIL en het humaan-toxicolologisch maximaal toelaatbaar risico. De ecotoxicologische ernstige bodemverontreinigingsconcentratie is bepaald met behulp van de methode van Denneman en Van Gestel (1990, 1991), welke herzien is door Crommentuijn et al. (1994). De voorgestelde interventiewaarden komen tot stand door integratie van de ecotoxicologische en de humaan-toxicologisch ernstige bodemverontreinigingsconcentratie. De ecotoxicologisch ernstige bodemverontreinigingsconcentraties en humaan-toxicologisch maximaal toelaatbare risico's in dit rapport zijn in detail beschreven in respectievelijk rapport 715810008 en 715810009. De voorstellen zijn tot stand gekomen volgens de methoden die bij de eerste set van stoffen zijn gebruikt en in een aantal rapporten zijn vastgelegd. Afhankelijk van de gevoeligheid en betrouwbaarheid van de inputparameters is meer of minder inspanning geleverd om betrouwbare inputparameterwaarden te verkrijgen. Er worden voorstellen gedaan voor interventiewaarden bodem- en grondwatersanering voor zilver, ethyleenglycol, diethyleenglycol, acrylonitril, formaldehyde, methanol, 1-butanol, butylacetaat, methyl tert-butyl ether, 1,1-dichlooroethaan, 1,1,1-trichloorethaan, cis- & trans-1,2-dichlooretheen en een mengsel van aromatische oplosmiddelen dat hoge concentraties aan C3 en C4 alkylbenzenen bevat. Voor dodecylbenzeen is een risicoevaluatie uitgevoerd maar er is geen voorstel voor een interventiewaarde gedaan, bij gebrek aan een ecotoxicologisch ernstige bodem verontreinigingsconcentratie en aan betrouwbare fysisch-chemische gegevens.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
De interventiewaarde voor bodemsanering is gebaseerd op de integratie van een humaan toxicologisch ernstige verontreinigings bodem concentratie humane-EVBC en ecotoxicologisch ernstige bodemverontreinings concentratie of ecotox-EVBC. In dit rapport zijn voorstellen voor eco-EVBC's gedaan voor stoffen die in 1993 en 1994 zijn geevalueerd. De methodologie is beschreven in een serie eerder gepubliceerde rapporten.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport geeft een overzicht van het humaantoxicologische werk uitgevoerd door het Adviescentrum Toxicologie in de jaren 1993 en 1994 in het kader van het RIVM-project betreffende bodeminterventiewaarden. De methode voor afleiding van het Maximum Toelaatbare Risico (MTR), zoals beschreven in het eerdere RIVM-rapport van Vermeire et al. (1991), werd met slechts geringe wijzigingen toegepast voor een set van 26 stoffen. Binnen het project worden deze stoffen aangeduid als de tweede en derde serie van stoffen (de in het rapport van Vermeire et al. behandelde stoffen vormen de eerste serie). Voor elk van de in het huidige rapport opgenomen stoffen kon een MTR worden afgeleid. Voor een aantal van de stoffen is de afgeleide waarde een voorlopige vanwege beperkingen in de voor deze stoffen beschikbare datasets.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Een methode is ontwikkeld voor de meting van poly aromatische koolwaterstoffen (PAK) in de buitenlucht m.b.v. gaschromatografie - isotoopverdunning massa spectrometrie. De methode was ontworpen voor de meting van de grootst mogelijke vluchtigheidstraject binnen de groep inclusief de meestvoorkomende en vluchtige naftalenen. Het monstervolume bedroeg circa 500 m3 bij een bemonsteringssnelheid van ca. 18 m3/h. Het monstername apparaat bevatte drie sorptie trappen voor de simultane bemonstering van resp. de deeltjes gebonden fractie, de weinig vluchtige en de vluchtige PAK�s. De recoverie van de methode bedroeg gemiddeld ca. 90 %. De detectiegrens was circa 5 pg/m3 voor de niet-vluchtig en deeltjes gebonden fractie. Resultaten van toepassing van de methode in een woongebied (Bilthoven) toonden een vrij stabiel profiel van voorkomen van de belangrijkste PAK congeneren in achtergrondlucht. Vergelijking van specifieke verhoudingen van bepaalde PAK congeneren met literatuur gegevens duidde op een belangrijke bijdrage van verkeer aan PAK�s in lucht.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Het doel van dit onderzoek was om een, in de praktijk hanteerbare, methode te ontwikkelen, waarmee de risico's voor de volksgezondheid zijn te kwantificeren van beweiding van rundvee op met sporenelementen verontreinigde gronden. In eerste instantie is ingegaan op potentiele en niet op actuele risico's. Het onderzoek richtte zich op de elementen cadmium, lood, arseen, kwik, koper en zink. Een belangrijk deel van het onderzoek bestond uit een literatuurstudie. Daarnaast zijn er monsters genomen van bodem, gras, ruwvoer en dierlijke produkten. Bij het onderzoek is een ketenmodel opgesteld dat de routes in kaart brengt waarlangs sporenelementen kunnen accumuleren in dierlijke produkten afkomstig van runderen. Het bleek dat opname van sporenelementen door runderen voornamelijk plaatsvindt via consumptie van voer (in het geval van beweiding: gras) met aanhangende grond. Aan de hand van de analyseresultaten van bodem- en grasmonsters is een kwantitatieve relatie gelegd tussen concentraties van sporenelementen in gras en in de bodem. Hierbij is een onderscheid gemaakt tussen totaalgehaltes van sporenelementen in de bodem en biobeschikbare gehaltes voor opname door gewassen. Biobeschikbare gehaltes werden bepaald met behulp van CaCl2-extracties van bodemmonsters en door naast de totaalgehaltes van sporenelementen, de pH en het organisch stof-gehalte van de bodem in de berekeningen te betrekken. Voorspellingen van gehaltes van sporenelementen in gras op basis van biobeschikbare gehaltes hadden maximaal slechts een geringe verbetering tot gevolg vergeleken met voorspellingen op basis van totaalgehaltes. Waargenomen concentraties van sporenelementen in gras verschilden een factor 1,7 tot 3,7 (p<0,05) van de voorspelde concentraties. Er werd een significant lineair verband waargenomen tussen de logaritmen van concentraties van cadmium, lood, koper en zink in gras en in de bodem. Concentraties van arseen en kwik in gras leken onafhankelijk te zijn van die in de bodem. Met uitzondering van zink accumuleren de onderzochte sporenelementen voornamelijk in lever en nieren. Er vindt vrijwel geen accumulatie plaats in spiervlees en melk. Bij cadmium, lood, arseen en kwik bestaat er een min of meer vaste verhouding tussen de concentraties van deze sporenelementen in lever en nieren enerzijds en in het voer en de aanhangende grond anderzijds. Belangrijk is in welke matrix de sporenelementen aanwezig zijn. De biobeschikbaarheid voor runderen van sporenelementen ligt bij grond ongeveer 1,5 maal zo laag als bij voer. Met de gegevens over de overdracht van sporenelementen in de verschillende routes van het ketenmodel zijn potentiele risico's gekwantificeerd in de vorm van richtwaarden voor sporenelementen in veevoeders en in weidegronden. Deze richtwaarden geven de concentraties aan waarbij, bij een bepaald deel van een runderpopulatie, overschrijding van de warenwetnormen in lever en/of nieren verwacht wordt. Deze richtwaarden waren alleen vast te stellen voor sporenelementen waarvoor warenwetnormen bestaan: cadmium, lood en kwik.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport is informatie verzameld over de milieuaspecten van "het afsteken van vuurwerk". Het is gepubliceerd binnen het samenwerkingsproject WESP: de Werkgroep Emissies Servicebedrijven en Produktgebruik. In dit project wordt informatie verzameld over processen in de doelgroepen van consumenten, bouw, handel en dienstverlening om tot overeenstemming te komen over de gegevens die gebruikt worden bij verschillende instituten. Het WESP-document levert informatie ondersteuning voor het regeringsbeleid over emissiereductie. Dit document bevat informatie over processen, emissiebronnen, emissies naar lucht en water, afval, emissie factoren, gebruik van energie en energiefactoren, emissiereductie, energiebehoud, onderzoek naar schone technologie normstelling en vergunningen.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
De blootstelling van mensen aan stoffen in het milieu is meestal via verscheidene routes (multi-route blootstelling). Ter voorkoming van gezondheidsschade moet het milieubeleid rekening houden met verspreiding in het milieu en zodoende met multi-route blootstelling. Ook moet voor een beoordeling van mogelijke actuele risico's, die samenhangen met milieuverontreinigende stoffen, met multi-route blootstelling rekening worden gehouden. In twee onderzoeksprojecten "Mens en Milieu" (M&M) en "Integrale Normstelling Stoffen" (INS) speelt bepaling van multi-route blootstelling een belangrijke rol. Bij INS moet op basis van een multi-route blootstellingspatroon een toxicologische advieswaarde voor de mens worden toegerekend naar de te onderscheiden milieucompartimenten. Daartoe is tot op heden nog geen methodiek voorhanden, omdat van de meeste stoffen blootstellingspatronen ontbreken. Het programma M&M spitst zich toe op cumulatieve blootstelling van de mens aan milieuverontreinigende factoren. Voor dit programma is inzicht in het gedrag van milieucontaminanten interessant en de daarmee samenhangende routes van directe en indirecte blootstelling van de mens. Daarnaast is van belang de invloed die individuen middels life-style en activiteitenpatroon zelf op hun blootstelling uitoefenen. Het M&M programma vereist een beschrijving van bovengenoemde factoren op een veel hoger differentatieniveau dan voor INS vereist is omdat het aandacht besteedt aan blootstelling op nationale, regionale en lokale schaal, mede in afhankelijkheid van de veroorzakende bronnen. Dit rapport verkent de mogelijkheden voor de ontwikkeling van een methodiek ter bepaling van multi-route blootstellingspatronen. Daarbij is uitgegaan van het USES computermodel, dat voor nieuwe en bestaande stoffen en bestrijdingsmiddelen een risicoschatting kan genereren. Tevens kan het worden gebruikt voor prioritering van stoffen. Tijdens een evaluatie berekent USES een multi-route blootstellingspatroon. Het doel van het onderzoek, dat is beschreven in dit rapport, is vast te stellen in hoeverre de USES-benadering bruikbaar is binnen INS en M&M. Tevens is het er op gericht te signaleren waar eventueel nog aanvullingen op deze benadering nodig zijn. Dit rapport moet niet beschouwd worden als een validatie van USES. Met USES zijn de blootstellingspatronen van 5 verbindingen doorgerekend. Deze stoffen verschillen sterk in fysisch-chemische eigenschappen en in de wijze waarop ze worden gebruikt. De berekende patronen zijn vervolgens vergeleken met actuele meetgegevens. De USES benadering bleek geschikt om te worden gebruikt bij INS. Aanvulling is nog nodig voor blootstelling ten gevolge van contact met verontreinigde grond (bv. inslikken) en voor huidcontact met verontreinigd water. Voor M&M zijn uitgebreidere aanvullingen nodig, omdat ruimtelijke en temporele variabiliteit in USES vrijwel niet aan de orde komen en juist dat belangrijke aspecten zijn van dat onderzoeksprogramma.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Voor de milieuverkenningen van het RIVM zijn geaggregeerde indicatoren nodig die een beschrijving geven van milieu-effecten van menselijk handelen. In dit rapport wordt geinventariseerd op welke wijze bestaande ecotoxicologische data gebruikt kunnen worden bij de constructie van indicatoren voor effecten van stoffen in ecosystemen. Dit betreft zowel enkelvoudige effecten van stoffen op biota in het veld, als effecten van meervoudige stress op een selectie van de doelsoorten van het Nederlandse natuurbeleid. Er blijken nauwelijks of geen ecotoxicologische data voor deze soorten te bestaan. Daardoor is extrapolatie noodzakelijk, zowel van standaard-toetssoorten naar de doelsoorten, als van laboratorium- naar veldcondities. Twee typen extrapolatiemetoden worden in detail geanalyseerd op hun bruikbaarheid voor de constructie van geaggregeerde indicatoren. Bij het eerste type methoden wordt gecorrigeerd voor verschillen tussen blootstelling in laboratorium en veldcondities door het afleiden van correctiefactoren voor calorische inhoud van het voer, voor assimilatie-efficientie van voer en toxicant, en voor metabolische snelheden. Bij het tweede type methoden worden toxische effecten in veldcondities voorspeld aan de hand van ecosysteem-modellen waarin de trofische structuur opgenomen is. De methoden kunnen gebruikt worden bij de productie van geaggregeerde indicatoren voor actuele en potentiele effecten van toxicanten, inclusief situaties met meervoudige-stress. De operationalisatie van de methoden hangt echter af van de beschikbaarheid van data over de ecologische en ecotoxicologische eigenschappen van de betreffende soorten, en van data over lokale concentraties van toxische stoffen in Nederland. Daarnaast is operationalisatie afhankelijk van de ruimtelijke schaal waarop de modellen geparametriseerd moeten worden. Door verschillen in ontwikkelingsstadia is alleen een gefaseerde operationalisatie voor de milieuverkenningen mogelijk.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Ten behoeve van beleidsondersteuning in het kader van de Milieu-Verkenningen is het model METRAS ontwikkeld. Dit model beschrijft het transport en de accumulatie van zware metalen in de bodem en het bovenste grondwater. Het model heeft de volgende eigenschappen: 1. modulaire opbouw, waardoor ontwikkeling en onderhoud van het model eenvoudig is. Het model deelt een aantal modules met andere LBG modellen ; 2. het model is dynamisch en procesgeorienteerd. Hierdoor kan het model zowel in lokale als regionale studies voor scenario-analyses gebruikt worden ; 3. het model is een meer-lagen model. Dit is nodig, omdat numerieke een-laag modellen niet geschikt zijn voor de berekening van uitspoeling naar het grondwater ; 4. het model beschrijft een beperkt aantal bodemchemische interacties. Hierdoor wordt het model sneller, maar is vooral geschikt tot diffuse belastingen van zware metalen. 5. alle model parameters kunnen worden afgeleid uit standaardgegevens m.b.v. vertaalfuncties, of kunnen direct worden afgeleid uit laboratorium experimenten. Dit rapport beschrijft de versie van het model voor cadmium. Het beschrijft de theorie en achtergronden, de ontwikkeling en structuur van het computerprogramma, de verificatie van het model aan de hand van schud- en kolomexperimenten en het gebruik van het model. Verder wordt een toepassing van het model in de Kempen beschreven. Hoewel deze toepassing geen validatiestudie was, is het vertrouwen in het modelconcept door deze toepassing toegenomen. Er werd geconcludeerd dat het model geschikt is voor scenario-analyse op zowel een lokale schaal als op een landelijke schaal. Verdere validatie van het model, vergelijking van de resultaten van het model met andere modellen en een analyse van het effect van variaties van o.a. het weer, zijn noodzakelijk. De toepassing van het model in de Kempen heeft aangetoond dat uitspoeling van zware metalen naar het grondwater een probleem is dat in de komende jaren groter wordt.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Vergelijkend onderzoek is verricht naar de bepaling van minerale olien in sediment en water met behulp van infraroodspectrometrie (IR) en gaschromatografie (GC) conform de NEN-voorschriften 5733 en 6675. Daarnaast zijn modificaties ter verbetering van deze methoden bestudeerd. In een toepassing op sedimentmonsters met een gehalte van circa 0.5-1 g/kg ds, gaf de GC-bepaling gemiddeld een 20 % hoger resultaat (range 6-32%) dan IR. Oorzaken hiervoor zijn niet gevonden. Veranderingen van de bestaande NEN voorschriften zijn uitgevoerd met betrekking tot (1) verwijdering van dissolved organic carbon (DOC) macromoleculaire co-extractanten ; (2) gebruik van pentaan ter vervanging van gehalogeneerde koowaterstoffen als extractiemiddel ; (3) verwijdering van laag tot medium moleculaire polaire stoffen uit extracten door middel van terug-extractie in een verdunde loogoplossing. Geen van de modificaties resulteerde in een significant ander resultaat dan behaald met de normmethode. Op grond hiervan wordt geconcludeerd dat: (1) de huidige voorschriften voorzien in een betrouwbare analyse van minerale olie in sediment en water ; (2) de IR en de GC methode tot goed vergelijkbare resultaten leiden vanaf gehalten >0.2-0.5 mg/kg ; (3) verbetering van de methoden gericht op verlaging van het risico op vals positieve resultaten niet met eenvoudige middelen kan worden bereikt ; (4) pentaan als alternatief extractiemiddel kan worden gebruikt na een eventueel verbod op het gebruik van Freon-113 en ander gehalogeneerde koolwaterstoffen.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
De gevoeligheid voor antibiotica werd bepaald bij 192 coagulase-positieve en 259 coagulase-negatieve stafylokokken. De bacterien werden geisoleerd in drie regionale laboratoria en onderzocht met de microtiter-methode. De groei werd gemeten met een microtiterscanner en de resultaten werden verwerkt met een computerprogramma. De resistentie van Staphylococcus aureus tegen de onderzochte antibiotica was lager dan 5%, behalve dat 73% van de isolaten beta-lactamase vormde en dus resistent was tegen amoxicilline. Coagulase-negatieve stafylokokken waren vaker resistent, bijv. tegen clindamycine (21%), erytromycine (33%), fusidinezuur (14%), gentamicine (36%), doxycycline (12%), cotrimoxazol (27%) en ciprofloxacine (13%). Het percentage beta-lactamase vormers was 69%.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport is een afsluiting van het project Ecosysteemrendement. Doel van dit project is de ontwikkeling van een onderzoeksinstrument om prioriteiten te kunnen stellen in het gebiedsgerichte stoffenbeleid door het berekenen van effecten op ecosystemen als gevolg van stoffenbelasting. Het onderzoeksinstrument bestaat uit twee hoofdonderdelen: ecosysteemclassificaties en een risico-georienteerde voorspellingsmethodiek. Bij de classificatie van ecosysteemeenheden bleek de onderbouwing vanuit empirische onderzoeksgegevens tijdrovend, zodat de indeling vooral het kwantificeren van allerlei proceskenmerken en bijbehorende voedselwebstructuren behoeft. Het grootste knelpunt bij het berekenen van natuurwinst en -verlies blijkt het ontbreken van dosis-effectrelaties van "voldoende" stoffen op "voldoende" biotische compartimenten. Voor de meeste stoffen zal een gebiedsgerichte risico-analyse de kans berekenen op overschrijding van bestaande normen en/of grenswaarden in zowel het abiotisch milieu als in het voedselweb.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport worden de huidige milieukwaliteitsdoelstellingen voor stikstof- en fosfaatverbindingen in grond- en oppervlaktewater geevalueerd. Het doel van de studie was de kwaliteitsdoelstellingen voor grondwater te heroverwegen met het oog op de afstemming hiervan op de kwaliteitsdoelstellingen voor oppervlaktewater. De huidige kwaliteitsdoelstellingen voor stikstof- en fosfaatverbindingen zijn vergeleken met gegevens over de naturrlijke achtergrond concentraties in ondiep en diep grondwater. Op basis van deze vergelijking en de evaluatie is een voorstel opgenomen voor nieuwe milieukwaliteitsdoelstellingen voor nutrienten in grondwater. Tevens zijn enkele suggesties gegeven voor de verbetering van het systeem van doelstellingen voor zowel grond- als oppervlaktewater.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Preventieve bodembescherming bij bedrijfsmatige activiteiten | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
The implications of a two-mutation carcinogenesis model for internal emitters | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Recovery of nematodes from Scots pine soil- and litter bulk samples: effects of mixing and addition of water | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Use of a two-mutation carcinogenesis model for the analysis of bone tumours induced by internal emitters: implications for low dose risks | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Health expectancy in the Dutch document 'Public health status and forecasts'. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Molecular epidemiology: methods for tracing the spread of resistance genes. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Hoe duurzaam is de HSL? | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Bordetella pertussis fimbriae bind to human monocytes via the minor fimbrial subunit FimD | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Molecular techniques: applications in epidemiologic studies. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Recent trends in Pneumocystis carinii pneumonia as AIDS-defining disease in nine European countries | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Effects of acid deposition on forest ecosystems in The Netherlands: analysis of the Speuld Douglas fir site | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Multinational scenario analysis concerning epidemiological, social and economic impacts of HIV-AIDS on society | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Pregnancy outcome after periconceptional and first-trimester exposure to methoxsalen photochemotherapy | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
The exchange of carbon dioxide between the atmosphere and the terrestrial biosphere in Latin America | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Acid rain research: do we have enough answers? Proceedings of a speciality conference, 's-Hertogenbosch, The Netherlands, October 1994 | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Long-term trends in the nitrogen and phosphorus concentrations in the River Rhine [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Climate change: optimization of response strategies | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Voltammetric analysis of the competition between calcium and heavy metals for complexation by humic material | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Relation between soil characteristics and field-based partition coefficients for heavy metals. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Een landsdekkend overzicht van kwel: definitie- en schaalproblemen in de ecohydrologie. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Humaan herpes-virus 6: stand van zaken | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Parasietenwaan | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
(Potentieel) proefdierpathogene micro-organismen. Pneumonie virus van muizen (PVM) | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Polio-vaccinatie in Nederland | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Een vergelijkende studie naar de verwekker van kattekrabziekte. Detectie van Bartonella- (voorheen Rochalimaea) en Afipia felis-DNA, serologie en huidtest | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
(Potentieel) proefdierpathogene micro-organismen. Rotavirus | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Inhalatoire blootstelling van kleine proefdieren aan luchtverontreinigende stoffen | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
De epidemie van respiratoir syncytieel virus (RSV) in 1994-95 | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Mondiale eradicatie van poliomyelitis | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Validiteit van zelfgerapporteerde vaccinatiestatus | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
A determinant of feline immunodefiency virus involved in Crandell feline kidney cell tropism | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Infectieziekten in 'Volksgezondheid Toekomst Verkenningen' | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Non-respons in het pienterproject | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Organisatie van de pilot-studie van het PIENTER-project | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Ebola-virus haemorrhagische koorts | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Het PIENTER-project: serumverzameling t.b.v. volksgezondheidonderzoek | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Oorklachten na zwemmen in recreatieplassen; een verslag van een epidemiologisch onderzoek tijdens een explosie | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Two different mutations in the envelope protein of feline immunodeficiency virus allow the virus to escape from neutralization by feline serum antibodies | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Evaluatie Laboratorium Surveillance Infectieziekten (LSI-project), mei 1994-1995 | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Vulnerability to diffuse pollution and average nitrate contamination of European soils and groundwater | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
PCLake: a modelling tool for the evaluation of lake restoration scenarios | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Modelling the flow of nitrogen and phosphorus in Europe: from loads to coastal seas | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
The relationship between health effects in triathletes and microbiological quality of freshwater | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Stability of blood (pro)vitamins during four years of storage at -20 degrees C: consequences for epidemiologic research | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Epidemiology of stroke. The role of blood pressure, alcohol and diet | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Isolation of epidemic poliovirus from sewage during the 1992-3 type 3 outbreak in the Netherlands | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Effecten van UV-straling op het menselijk afweersysteem | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Construction of Neisseria meningitidis strains carrying multiple chromosomal copies of the por A gene for use in the production of a multivalent outer membrane vesicle vaccine | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Mycotoxins: regulations, quality assurance and reference materials | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Systemic fluoride poisoning following dermal hydrofluoric acid exposure : development of an intravenous sodium fluoride infusion model in rats | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Blood pressure: trends, determinants and consequences | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Removal and inactivation of viruses by drinking water treatment processes under full scale conditions | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Blood cholesterol; a public health perspective | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Pediatrische surveillance van invasieve infecties door Haemophilus influenzae type b bij kinderen in de periode na introductie van de vaccinatie | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Impaired immunity in seals exposed to bioaccumulated environmental contaminants | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Etiology of cat scratch disease: comparison of polymerase chain reaction detection of Bartonella (formely Rochalimaea) and Afipia felis DNA with serology and skin tests | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Hantavirus infections in The Netherlands | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Instelling op insuline van patienten met diabetes mellitus type II in de eerste lijn; goede resultaten bij geringe kosten | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Vaccins en het koude staartje: bewaking van de 'cold chain' | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Influence of nonionic surfactants on bioavailability and biodegradation of polycyclic aromatic hydrocarbons | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Monitoring nutrient transport in large rivers | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Modelling nutrient cycles in relation to food web structure in a biomanipulated shallow lake | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
DNA fingerprinting and phenotyping of Mycobacterium tuberculosis isolates from human immunodeficiency virus (HIV)-seropositive and HIV-seronegative patients in Tanzania | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Antigenic and molecular evolution of influenza A(H3N2) virus 1989-1993 [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
A lipoprotein lipase mutation (Asn291Ser) is associated with reduced HDL cholesterol levels in premature atherosclerosis | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Toxocara-induced eosinophilic inflammation. Airway function and effect of anti-IL-5 | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Marked differences in the role of O6-alkylguanine in hprt mutagenesis in T-lymphocytes of rats exposed in vivo to ethylmethanesulfonate, N-(2-hydroxyethyl)-N-nitrosourea, or N-ethyl-nitrosourea | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
The protective effect of a small amount of fish on coronary heart disease mortality in an elderly population | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Comparison of three laboratory devices for UV-inactivation of microorganisms | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
An SPE column-teflon sleeve assembly for in-line retention during supercritical fluid extraction of analytes from biological matrices | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Comparison of 24 different adjuvants for inactivated HIV-2 split whole virus as antigen in mice. Induction of titres of binding antibodies and toxicity of the formulations | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Een simulatiemodel voor het evalueren van vaccinatiestrategieen tegen influenza [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Antigen detection in vivo after immunization with different presentation forms of rabies virus antigen: involvement of marginal metallophilic macrophages in the uptake of immune-stimulating complexes | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Phytoplankton dynamics in the river Meuse as affected by pollution | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Validity and repeatability of a modified baecke questionnaire on physical activity | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Dietary patterns and cardiovascular risk factors in elderly men: The Zutphen Elderly Study | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Average intake of anti-oxidant (pro)vitamins and subsequent cancer mortality in the 16 cohorts of the Seven Countries Study | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Dietary saturated and trans fatty acids and cholesterol and 25-year mortality from coronary heart disease: The Seven Countries Study | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
In het kader van het onderzoek naar bagger- en verwerkingstechnieken voor de sanering van vervuilde waterbodems is het uitlooggedrag bepaald van organische en anorganische stoffen uit baggerspecie. Als uitloogtest is de CEN-test, in enigszins gewijzigde vorm, toegepast. De resultaten zijn ten eerste gebruikt om na te gaan wat de uitloogverandering was van stoffen uit de waterbodem als gevolg van baggeren. Ten tweede zijn de resultaten gebruikt om de produktverandering na te gaan als gevolg van verwerking van de baggerspecie. De volgende verwerkingstechnieken zijn daarbij onderzocht: fractionering, flotatie, beluchtingsbassin, landfarming en slurry-reactor. De emissie van stoffen uit (verwerkte) baggerspecie is voor organische stoffen getoetst aan samenstellingsnormen en voor anorganische stoffen aan uitloognormen voor cat. 1 en cat. 2 bouwmaterialen. Deze normen zijn afkomstig uit het Bouwstoffenbesluit. Daarnaast is de samenstelling van baggerspecie getoetst aan streefwaarden voor grond. De verontreiniging aan organische en anorganische stoffen in de waterbodem van de haven van Elburg was na baggeren (vak I en III) kleiner dan voor baggeren. Onbewerkte baggerspecie uit de haven van Elburg mag daarbij niet als bodem worden toegepast omdat de gehalten aan PAK10 en Zn de voor humus en lutum gecorrigeerde streefwaarden voor grond ruim overschreden. In vak I was na baggeren de emissie van metalen (Cu, Pb en Zn) uit de 'nieuwe' waterbodem hoger dan voor baggeren terwijl in vak III de emissie van PAK's na baggeren hoger was. De daarbij behorende uitloog- respectievelijk samenstellingsnormen voor toepassing als cat. 1 bouwmateriaal werden ondanks deze hogere emissies niet overschreden. Reiniging van baggerspecie door middel van fractionering in twee deelstromen resulteerde in een fijne zandfractie van vak I en III waarin het Zn-gehalte de voor organische stof en lutum gecorrigeerde streefwaarde voor grond niet meer overschreed. Het PAK10-gehalte overschreed echter de gecorrigeerde streefwaarde voor grond waardoor de fijne zandfractie niet als bodem mag worden toegepast. De emissies van de geselecteerde organische en anorganische stoffen uit de grove fracties waren vergelijkbaar met deze emissies uit de fijne fracties waarbij de emissies ruim onder de daarbij behorende samenstellings- respectievelijk uitloognormen lagen. Door middel van de verwerkingstechnieken flotatie, beluchtingsbassin, landfarming en slurry-reactor werd de emissie van organisch afbreekbare verontreinigingen in baggerspecie (zoals PAK's en minerale olie) lager. Na flotatie van baggerspecie uit de haven van Elburg waren tevens de emissies van Cu, Pb en Zn lager ten opzichte van het uitgangsmateriaal. De emissies van de geselecteerde organische en anorganische stoffen uit zowel de niet verwerkte als de verwerkte baggerspecies lagen ruim onder de samenstellings- respectievelijk uitloognormen voor toepassing als cat. 1 bouwmateriaal.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
In het kader van het C.R.O.W-project "Relatie uitlooggedrag laboratorium-praktijk bij wegenbouwkundige projecten" is onderzoek verricht naar de uitlooggeschiedenis van secundaire bouwstoffen toegepast in wegfunderingen op een 2-tal praktijklocaties; Vondelingenweg en Coloradoweg (Rotterdam, Nederland). Met behulp van het geo-chemisch model ECOSAT zijn snelheid en mechanisme van uitloging uit de bouwstof onderzocht alsmede de mate van vastlegging van uitgeloogde componenten in de onderliggende bodem. Uit de modellering bleek dat de gemeten concentratieprofielen in de bouwstof en de onderliggende zandlaag op de locatie Vondelingenweg (asfaltafdekking) typerend zijn voor diffusie gecontroleerde uitloging en op de locatie Coloradoweg (klinkerafdekking) voor percolatie gecontroleerde uitloging. De gemeten concentratieprofielen in de zandlaag onder de bouwstof van locatie Coloradoweg (asfaltbedekking) representeren grotendeels de totale cumulatieve emissie sinds aanleg van de weg (ca. 10 jaar). Imissies van Zn, Cd en Pb op de locatie Vondelingenweg binden vermoedelijk in de bovenste decimeters van de zandlaag waardoor transport naar diepere lagen beperkt blijft.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport biedt een overzicht van de toepassingen van niet-ioniserende straling in de gezondheidszorg (in enge zin) en in het dagelijks leven en gaat in op de daaruit voortvloeiende effecten op de mens en op de volksgezondheid (in brede zin). Deze probleemanalyse signaleert de beheersbare problemen waarvoor (beleids-)maatregelen mogelijk zijn. In de gezondheidszorg wordt niet-ioniserende straling in toenemende mate gebruikt voor zowel therapeutische als diagnostische doeleinden. De beheersbare problemen liggen daar op het gebied van UV-therapie het gebruik van RF-straling in de fysiotherapie en van ultrageluid in de echoscopie. Ook buiten de medische toepassingen worden mensen aan niet-ioniserende straling blootgesteld. Bescherming tegen overmatige blootstelling van UV (zowel van de zon als van kunstmatige bronnen) draagt bij aan de reductie van blootstelling. Voorlichting op dit gebied kan leiden tot het terugdringen van de incidentie van huidkanker. Blootstelling aan laserstraling (bijvoorbeeld in discotheken) kan leiden tot oogschade. Nader onderzoek zou kunnen uitwijzen of toezicht op of regelgeving betreffende het gebruik van dergelijke apparatuur wenselijk is. Bestaande (PTT-)normen voor RF-straling bieden in het algemeen voldoende bescherming tegen gezondheidsschade. Blootstelling aan radiofrequente straling afkomstig van bijv. draagbare telefoons (GSM-net) en diefstalbeveiliging zou kunnen leiden tot interferentie met medische apparatuur of met elektronische implantaten bij personen. Radio- en tv-zenders leiden in Nederland in het algemeen niet tot overschrijding van de daartoe gestelde normen. Er zijn daarom geen directe gezondheidsrisico's te verwachten. Wel heerst er vrees voor niet-acute effecten. Blootstelling aan de straling van het hoogspanningsnet is in Nederland ook gebonden aan een norm, maar bij bepaalde (huishoudelijke) apparaten kan deze overschreden worden. Gerichte voorlichting kan bijdragen aan het verminderen van de kans op overschrijden van de norm en van onrust onder (delen van) de bevolking.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM heeft in Oktober 1994 een internationale workshop 'Noise and Public Health' georganiseerd in samenwerking met de universiteiten van Amsterdam en Goteborg. Dit rapport geeft een samenvatting van de discussies en conclusies van de workshop. Het doel van deze workshop was tweeledig. Enerzijds het presenteren van de stand van kennis op het gebied van geluid en slaap(verstoring) en het vaststellen van prioriteiten en geschikte methoden voor verder onderzoek op dit gebied. Daarnaast zijn voorstellen voor verder onderzoek naar de gezondheidstoestand van de bevolking woonachtig rondom de luchthaven Schiphol beoordeeld door een panel van internationale deskundigen. De onderzoeksvoorstellen die zijn besproken betreffen een vragenlijstonderzoek naar de beleving van de milieukwaliteit, ervaren gezondheid, hinder en risicobeleving rondom Schiphol en een tweetal veldstudies naar het effect van blootstelling aan (vliegtuig)geluid op de slaap bij volwassenen en op de prestatie van kinderen. De onderzoeksvoorstellen zijn positief beoordeeld en worden zinvol en haalbaar geacht, mits enkele aanpassingen, zoals voorgesteld tijdens de workshop, worden toegevoegd en adequate financiering gewaarborgd is.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
In de periode van oktober tot en met november 1994 is in opdracht van de Regionale Inspectie van de Volksgezondheid voor de Milieuhygiene Noord (RIMH-Noord) in de provincies Groningen, Friesland en Drenthe een onderzoek uitgevoerd naar de luchtemissies bij negen polyesterverwerkende bedrijven. Het onderzoek is uitgevoerd in samenwerking met TAUW Milieu BV en het RIVM. De doelstellingen van het emissieonderzoek zijn:-Het verkrijgen van inzicht in de emissies naar de lucht van de polyesterverwerkende industrie in de drie noordelijke provincies. - Toetsing van de gevonden emissiewaarden aan de Nederlandse Emissie Richtlijnen (NER). - Evaluatie van de invloed van de verschillende maatregelen (o.a. KWS2000) en technieken op de emissies. Op basis van het onderzoek is gebleken dat de bedrijven naast een substantiele styreenemissie tevens een emissie aan reinigingsmiddelen (aceton en dichloormethaan) hebben, die in dezelfde orde van grootte ligt als die van styreen. De emissies van de vluchtige organische stoffen styreen, dichloormethaan en aceton varieren, afhankelijk van de bedrijfsgrootte en activiteiten, van circa 1 tot 100 kg/uur. Uit berekeningen op basis van de meetresultaten blijkt dat de emissie-richtlijnen uit de NER voor styreen bij de meeste bedrijven (7 van de 9) worden overschreden. De emissies van dichloormethaan (DCM) en aceton blijven in het algemeen onder de grensmassastroom uit de NER. Daar echter de sommatiebepaling uit de NER van toepassing is, kan worden geconcludeerd, dat alleen bij kleine bedrijven de emissievrachten lager zijn dan de richtlijnen uit de NER. Het gebruik van Lage styreen emissie (LSE)-hars, als enige "zekere" KWS2000 maatregel lijkt slechts van beperkt belang bij het verder terugdringen van de styreenemissies. De grootste vracht aan styreen komt vrij tijdens de fase van het aanbrengen van de hars. In dit stadium heeft het gebruik van LSE-hars slechts weinig invloed. Met de huidige harssoorten lijkt de grootste winst te kunnen worden behaald door de overgang naar andere technieken van aanbrengen (waarbij met name gedacht moet worden aan gesloten technieken) en door middel van "good-housekeeping". Met betrekking tot het gebruik van reinigingsmiddelen kan worden geconcludeerd, dat sinds 1989 bij de meeste bedrijven slechts zeer weinig vooruitgang is geboekt bij het terugdringen van de emissies naar de lucht. De resultaten van het onderzoek wijzen erop, dat het in overeenstemming brengen van de emissies bij de polyesterverwerkende industrie met de richtlijnen uit de NER een aanzienlijke inspanning zal vergen. Hierbij dient te worden aangetekend, dat het huidige pakket maatregelen op basis van de beschikbare gegevens onvoldoende lijkt om op termijn te kunnen voldoen aan de richtlijnen uit de NER, dan wel aan de emissiereductie doelstellingen zoals opgenomen in KWS2000. Uit indicatieve metingen welke op de werkplek zijn uitgevoerd wordt geconcludeerd, dat bij verschillende bedrijven overschrijding van de MAC-waarde voor styreen kan plaatsvinden. Aangezien de MAC-waarde binnenkort verder zal worden verlaagd, is de arbeidshygienische situatie binnen de polyesterverwerkende industrie een punt van aandacht. Op grond van het onderzoek kunnen de volgende aanbevelingen worden gedaan: - Het begrip "LSE-hars" blijkt onvoldoende eenduidig gedefinieerd. Aangezien het gebruik van LSE-hars als een van de belangrijkste maatregelen is opgenomen in de afspraken die door de branche in het kader van KWS2000 zijn gemaakt verdient het aanbeveling te komen tot een kwaliteitscertificering van LSE-hars, op basis van de efficiency van beperking van styreenemissie in aanbreng- en uithardingsfase. - Toepassing van gesloten technieken kan de styreenemissie waarschijnlijk sterk terugdringen, maar deze technieken worden niet in alle gevallen toepasbaar geacht. Onderzoek naar de mogelijkheden en onmogelijkheden van de toepassing van gesloten technieken lijkt zinvol - Er dient een plan van aanpak te komen voor het terugdringen van het gebruik van reinigingsmiddelen binnen de polyesterverwerkende industrie.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Geschat wordt dat ongeveer 10% van de westerse wereld regelmatig CARA (Chronische Aspecifieke Respiratoire Aandoeningen) waaronder astmaklachten heeft. Naast een erfelijke component is bekend dat immunologische overgevoeligheidsreacties tegen ingeademde stoffen (allergenen) een belangrijke rol spelen bij respiratoire aandoeningen zoals CARA. Bij meer dan de helft van het aantal astma patienten betreft dit type I overgevoeligheidsreacties (allergische astma). Astma dat niet door type I reacties wordt geinduceerd kan niet-immunologisch geinduceerd zijn (intrinsieke astma, niet-allergische astma) of geinduceerd zijn door andere typen van immunologische overgevoeligheidsreakties. Voorbeelden van dergelijke typen overgevoeligheidsreacties zijn type III en IV overgevoeligheid. Om het risico van blootstelling aan chemische stoffen te schatten zijn voorspellende testen noodzakelijk. Deze testen moeten dan aangeven of een bepaalde klein-moleculaire verbinding een of meerdere typen van overgevoeligheid kan induceren. De meerderheid van de beschikbare testen zijn beperkt tot testen voor de inductie van huidovergevoeligheid (type IV). De toepasbaarheid van dit type (huid)testen met betrekking tot voorspellende inductie van luchtwegovergevoeligheid is beperkt. In dit rapport wordt een getrapt systeem voorgesteld voor de identificatie en karakterisatie van klein-moleculaire verbindingen als potentieel allergeen ten aanzien van de huid of de ademhalingswegen.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Dit is een verslag van een onderzoek ten behoeve van de uitvoering van het Convenant Verpakkingen. In dit Convenant zijn afspraken gemaakt inzake doelstellingen en maatregelen voor preventie en hergebruik van verpakkingsafval. In het kader hiervan is begin 1995 de fysische samenstelling onderzocht van papier en karton uit papiercontainers en papier/karton dat huis-aan-huis werd ingezameld. De resultaten van dit onderzoek dragen bij aan de evaluatie en beoordeling van de effecten van het Convenant op de hoeveelheid gebruikte verpakkingen voor het jaar 1994. Het percentage verpakkingen in gescheiden ingezameld oud papier en karton is vastgesteld op gemiddeld 20,9 %. In het gescheiden ingezameld papier bleek 0,9 % vervuiling aanwezig, d.w.z. materiaal dat niet tussen het oud papier en karton aangetroffen mag worden, zoals kunststoffen.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
GFT-compost, afkomstig van gescheiden ingezameld huishoudelijk afval, voldoet in de regel niet aan de kwaliteitseisen van zeer schone compost (AmvB BOOM). In het component-onderzoek wordt nagegaan of de belastende stoffen afkomstig zijn van bepaalde componenten in GFT, zodat deze componenten eventueel buiten de gescheiden inzameling van GFT kunnen worden gehouden. Voor elk onderzocht composteerbedrijf is het gemiddelde metaalgehalte in GFT-compost gerelateerd aan de normen voor schone en zeer schone compost. Daaruit bleek dat de gemiddelde compost ruimschoots voldeed aan de normen voor schone compost (BOOM-2). Na toetsing van de metaalgehalten aan de normen voor zeer schone compost (BOOM-1) bleken Cu, Ni, Pb en met name Zn de normen (sterk) te overschrijden. De kwaliteit van GFT-compost afkomstig van verschillende composteerbedrijven vertoont geen relatie met de bodemkwaliteit, de luchtdepositie, het tuinpercentage en het seizoen. Mogelijk speelt het composteerproces een belangrijkde rol in de kwaliteit van GFT-compost. In een vervolgonderzoek wordt de bijdrage van belastende stoffen van de diverse GFT-fracties aan de compost onderzocht.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Door middel van analytische onzekerheidsberekeningen en modelsimulaties wordt de betrouwbaarheid geevalueerd van de atmosferische NH3-emissieberekeningen voor 1992, die zowel op lokale (5x5 km gebieden), regionale (verzuringsgebieden), als ook op nationale schaal (Nederland) bepaald zijn. De resultaten van de uitgevoerde analyse worden vastgelegd in de vorm van betrouwbaarheidsintervallen en betrouwbaarheidsfactoren. De invloed van de divere foutenbronnen op de betrouwbaarheid wordt onderzocht.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport is informatie verzameld over de milieuaspecten van "gezelschapsdieren". Het is gepubliceerd binnen het samenwerkingsproject WESP: de Werkgroep Emissies Servicebedrijven en Produktgebruik. In dit project wordt informatie verzameld over processen in de doelgroepen van consumenten, bouw, handel en dienstverlening om tot overeenstemming te komen over de gegevens die gebruikt worden bij verschillende instituten. Het WESP-document levert informatie ondersteuning voor het regeringsbeleid over emissiereductie. Dit document bevat informatie over processen, emissiebronnen, emissies naar lucht en water, afval, emissie factoren, gebruik van energie en energiefactoren, emissiereductie, energiebehoud, onderzoek naar schone technologie normstelling en vergunningen.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
(ABSTRACT-NEDERLANDS) Deze handleiding geeft richtlijnen voor het samenvatten en beoordelen van diverse milieu-aspecten van landbouwkundige en niet-landbouwkundige bestrijdingsmiddelen. Het betreft dat deel van de toelatingsprocedure in Nederland dat de risico-schatting voorafgaat. De eisen van de Nederlandse overheid voor de toelating van bestrijdingsmiddelen zijn opgenomen in deze handleiding. Omdat ze niet integraal zijn opgenomen wordt het aangeraden het CTB Aanvraagformulier te raadplegen, indien gewenst. De handleiding richt zich vooral op richtlijnen wat betreft het gedrag in water en bodem, de ecotoxiciteit voor aquatische en terrestrische organismen, en de bioconcentratie in aquatische organismen. De richtlijnen hebben betrekking op zowel de intrinsieke betrouwbaarheid van de door de fabrikant aangeleverde testrapporten als op de beknopte beschrijving van deze rapporten in een zogeheten RIVM Adviesrapport. Dit laatste wordt opgesteld door de afdeling Beoordeling Bestrijdingsmiddelen Milieu (BBM) ten behoeve van het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen (CTB). Dit College heeft de verantwoordelijkheid voor het al dan niet toelaten van bestrijdingsmiddelen op de Nederlandse markt in het kader van de Bestrijdingsmiddelenwet. Er is onderscheid gemaakt tussen de betrouwbaarheid en de bruikbaarheid van testen. Het eerste verwijst naar de intrinsieke aspecten van een test - methodologie, rapportage -, het laatste verwijst naar het nut van een dergelijke test voor een specifiek doel - bijvoorbeeld risico-schatting. De nadruk ligt in deze handleiding op de betrouwbaarheid, en het geeft een check-list per milieu-aspect om op grond hiervan onderscheid te kunnen maken tussen betrouwbare, minder betrouwbare en onbetrouwbare testen. Deze check-listen worden weergegeven als zogenoemde resume-tabellen ; zij vormen de kern van de handleiding. De handleiding is niet compleet. Talrijke milieu-aspecten zijn momenteel zowel nationaal als internationaal in discussie. Daarom is de handleiding een reflectie van de huidige stand van zaken. Ze zal regelmatig worden bijgesteld om de nationale en internationale ontwikkelingen bij te kunnen houden. De risico-schatting is eveneens niet opgenomen. Dit zal gebeuren in een volgende versie.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Een schatting is gemaakt van de huidige mondiale emissies van vliegverkeer met behulp van statistische informatie over brandstofverbruik, vliegtuigtypen en de toepassing van emissiefactoren voor verschillende stoffen. Voor scenario's van toekomstige emissies van vliegverkeer zijn aannames gebruikt over de volume-ontwikkeling van vliegverkeer, de ontwikkeling van het specifiek energieverbruik en voor de emissiefactoren. Tevens zijn enkele varianten opgesteld van scenario's waarin extra emissiereducerende maatregelen verondersteld zijn. In samenwerking met het Britse Department of Trade and Industry (DTI) zijn met het DTI-luchtvaartmodel scenario's voor de volume-ontwikkeling van de mondiale luchtvaart opgesteld waarbij de economische groeicijfers zijn gebruikt van drie door het Centraal Plan Bureau gedefinieerde scenario's genaamd 'European Renaissance' (ER), 'Global Shift' (GS) en 'Balanced Growth' (BG). Samen met veronderstellingen voor de ontwikkeling van specifiek brandstofverbruik en emissiefactoren zijn hiermee mondiale emissiescenario's voor luchtvaart opgesteld voor 2003 en 2015. De huidige trend van broeikasgasemissies door vliegverkeer vertoont in de periode 1990-2015 een aanzienlijke autonome groei van 140 tot 190% voor NOx en tussen 180 en 250% voor andere stoffen. De ontwikkeling van de wereldwijde emissies van broeikasgassen door vliegverkeer is tamelijk ongevoelig voor de verschillen tussen de economische scenario's die gebruikt zijn. Ten opzichte van andere energie-gerelateerde emissies is de groei van luchtvaartemissies groter, omdat luchtverkeer naar verwachting sneller zal groeien dan het overige energiegebruik. Er is ook een schatting gemaakt van het maximale mondiale effect van beleidsmaatregelen gericht op de reductie van luchtvaartemissies. Afhankelijk van de stof zouden de emissies in 2015 aanmerkelijk gereduceerd kunnen worden ten opzichte van de referentiescenario's (gemiddeld zo'n 25%), indien een zwaar pakket van maatregelen volledig geimplementeerd zou worden (zonder zgn. retrofits bij de bestaande luchtvloot). Het cumulatieve effect van een geintegreerd (technisch, operationeel en economisch) pakket van reductiemaatregelen kan aanzienlijk zijn, in het bijzonder bij de emissies van NOx. De resultaten laten zien dat een aanzienlijke beperking - en in sommige gevallen zelfs een reductie in absolute zin - van de autonome groei van de emissies zou kunnen worden bereikt, mits de veronderstelde sterke technologische ontwikkeling inderdaad plaats vindt en deze nieuwe technologie ook volledig wordt toegepast, en wordt gecombineerd met andere, stringente (operationele en economische) beleidsmaatregelen. De berekende toekomstige mondiale emissies zijn drie-dimensional verdeeld met behulp van de 3D-luchtvaartdatabase van Warren Spring Laboratory (WSL) (nu: AEA, Harwell) en emissiefactoren opgesteld door WSL en het Nationaal Lucht- en Ruimtevaart Laboratorium (NLR). De gegevens van deze database zijn opgenomen in Versie 1 van de Emissions Database for Global Atmospheric Research (EDGAR) van het RIVM, en vervolgens bewerkt tot drie-dimensionale emissieverdelingen voor de jaren 2003 en 2015. Vlieghoogte per vliegtuigtype en tijdverdeling (over maanden) zijn daarbij constant verondersteld. Samen met tijdprofielen, die ontwikkeld zijn door bewerking van gegevens van McDonnell-Douglas, zijn deze emissiescenario's gebruikt worden voor atmosferisch-chemisch onderzoek. Door de combinatie van resultaten van een luchtvaart-scenariomodel met een luchtvaart-emissiedatabase op grid, zijn voor toekomstige jaren 3-dimensionale ruimtelijke verdelingen van luchtvaartemissies verkregen, die gebaseerd zijn op bekende en goed gedocumenteerde basisscenarios. Dit maakt het mogelijk om een geintegreerde analyse te maken van de atmosferische effecten van de emissies van luchtverkeer tegen de achtergrond van andere emissiebronnen. Deze resultaten zijn een 'ruimtelijke aanvulling' van de geaggregeerde vergelijking tussen de totale luchtvaart en wereldwijde grondemissies zoals hierboven beschreven en verschaffen informatie voor analyse van de milieu-effecten van de emissies door atmosferisch-chemische modellen.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Een gevoeligheidsanalyse, een beperkte onzekerheidsanalyse en validatie werden uitgevoerd voor een model dat de competitie tussen heide en grassoorten beschrijft (HEATHSOL). De resultaten van de gevoeligheidsanalyse laten zien dat de competitie tussen de soorten het meest wordt beinvloed door parameters die de licht- en nutrientcompetitie bepalen en door de minimum/maximum stikstofgehaltes van de planten. De onzekerheidsanalyse is alleen kwalitatief uitgevoerd. De parameters die de grootste bijdrage hebben in de onzekerheid van de modeluitkomsten zijn specifiek bladoppervlak, hoogte-coefficienten wortellengte, modelinitialisatie en stikstofdepositie. De validatie laat zien dat met het model de competitie in een Calluna/Deschampsia en Calluna/Molinia vegetatie redelijk kan worden beschreven.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Highlights of the eighteenth annual meeting of the American Society of Preventive Oncology; Bethesda, USA, 6-9 March 1994 | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Virussen en kanker. De relatie tussen virale infecties en het ontstaan van kanker bij de mens | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Recent trends in cardiovascular disease and risk factors in the Seven Countries: The Netherlands | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Social transmission routes of HIV. A combined sexual network and life course perspective | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Focus of trichinellosis and factors determining its mild clinical course | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Breast size as a determinant of breast cancer | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
A helper T-cell epitope of the E7 protein of human papillomavirus type 16 in BALB/c mice | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Risk assessment of UVB effects on resistance to infectious diseases [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Toxoplasmosis: the animal reservoir | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
A new physiological biomarker for nitrate exposure in humans | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Biomarkers in nasal lavage as a tool for the assessment of health effects of photochemical air pollution [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
The association between upper respiratory tract responses (nasal lavages) and ozone in schoolchildren [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Modulation of host defenses by exposure to oxidant air pollutants | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Focus of trichinellosis and factors determining its mild clinical course | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
An automated gross alpha-beta activity monitor applied to time-resolved quantitative measurements of Rn-222 progeny in air | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Evaluation of the OECD 421 reproductive toxicity screening test protocol using butyl benzyl phthalate | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Epidemiological data concerning T.spiralis infections in The Netherlands | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Heterogeneity of human luteinizing hormone in pituitary tumor homogenates and cell incubates | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Early detection of immunotoxicity: from animal studies to human biomonitoring | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Surface structure and secreted products of meningococci | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Kinkhoest in Nederland, 1989-1994 | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Paying the price for one's beliefs | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Quercetin prevented local immunosuppression has no consequence for UV-B induced tumor growth in skin of SKH-1 hairless mice [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Coupled-column reversed-phase liquid chromatography in environmental analysis | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Serotypes and subtypes of Neisseria meningitidis: results of an international study comparing sensitivities and specificities of monoclonal antibodies | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
The phreatic aquifer of the 'Plana de Castellon' (Spain): relationships between animal assemblages and groundwater pollution | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Automated solid-phase extraction and coupled-column reversed-phase liquid chromatography for the trace-level determination of low-molecular-mass carbonyl compounds in air | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Obesity and subcutaneous fat patterning in relation to survival of postmenopausal breast cancer patients participating in the DOM-project | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Function and response of type II cells to inhaled toxicants | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Cells with UV-specific DNA damage are present in murine lymph nodes after in vivo UV irradiation | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Migraine. Epidemiologie, etiologie en mogelijkheden voor preventie | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Separation of polycyclic aromatic hydrocarbons on a wide-pore polymeric C18 bonded phase | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Flavonoid intake and long-term risk of coronary heart disease and cancer in the Seven Countries Study | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Proteinuria, lipoproteins and renal apolipoprotein deposits in uninephrectomized female analbuminemic rats | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Solid-phase extraction of polycyclic aromatic hydrocarbons from soil samples | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Standardized biodegradability tests: extrapolation to aerobic environments | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Functional capacity in 70- to 89-year-old men in Finland, Italy, and the Netherlands | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Susceptibility of different species for UVB radiation with respect to the immune system [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Epidemiology. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Frequent p53 alterations but low incidence of ras mutations in UV-B-induced skin tumors of hairless mice | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Fasting serum insulin in relation to components of the metabolic syndrome in European healthy men: The European Fat Distribution Study | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Interlaboratory evaluation of embryotoxicity in the postimplantation rat embryo culture | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Body fat distribution in relation to breast cancer in women participating in the DOM-project | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
AIDS scenarios for The Netherlands; the economic impact on hospitals | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Design of immunoliposomes directed against human ovarian carcinoma | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Voor de vaststelling van de gezondheidsrisico's ten gevolge van de blootstelling aan oppervlaktewater met als functies recreatiewater en grondstof voor drinkwatervoorziening zijn de concentraties van virussen en parasitaire protozoa relevanter dan die van indicatororganismen voor faecale verontreiniging, vanwege hun hoge resistentie in waterzuiveringsprocessen, hun persistentie in het milieu en hun infectiviteit. Het hier beschreven onderzoek is een eerste verkenning om de emissie van pathogene micro-organismen naar en de verspreiding in het oppervlaktewater kwantitatief te beschrijven. De emissie via huishoudelijk afvalwater is met behulp van PROMISE gemodelleerd. Voor de berekening van de emissie werd een constante emissiefactor voor enterovirussen van 2,4 x 10.7 pvp/inwoner en jaar (plaquevormende partikels per inwoner en jaar) gebruikt. Deze is afgeleid van een gemiddelde enterovirusconcentratie van 200 pvp/l in ongezuiverd afvalwater. Tevens is een gemiddelde verwijdering bij RWZI's van 1,7 logeenheden (zuiveringsefficientie van 98%) aangenomen. Beide getallen zijn gebaseerd op een enkele serie metingen aan de proefinstallatie van de TU te Delft in 1985/86. Volgens de schattingen is de totale emissie in de periode 1970 tot en met 1990 ongeveer met een factor 6 afgenomen. Desondanks resteert nog een aanzienlijke belasting van ongeveer 4,1 x 10.12 pvp/jaar, welke grotendeels wordt veroorzaakt door ongezuiverde lozingen (inclusief overstort): deze maakt in 1990 slechts 9% uit van het totale volume aan afvalwater, maar gebaseerd op een reductie van enterovirus door biologische zuivering van 98% komt 82% van de enterovirussen via de ongezuiverde route op het oppervlaktewater. Verdere reductie van de emissie van enterovirussen naar het oppervlaktewater kan vanaf 1990 effectief worden bewerkstelligd door verdere terugdringing van ongezuiverde lozingen. Dit kan door toename van het aantal aansluitingen van huishoudens op RWZI's, verdere afname van de fractie mechanische zuivering en door het terugdringen van overstorten. Bij een percentage van ongeveer 96% is de directe belasting van het oppervlaktewater met enterovirussen gelijk aan de belasting die via het effluent van de RWZI's komt. Dit wordt zeer waarschijnlijk gehaald in 1994-1995. Als de biologische zuivering minder efficient enterovirussen verwijdert dan hier is ingeschat, dan is het aandeel van de gezuiverde lozingen in de totale emissie groter. Dit zal echter maximaal ongeveer 50% bedragen. Er is dus onvoldoende harde basis voor maatregelen ter verbetering van het zuiveringsrendement. De verspreiding in het oppervlaktewater is berekend met WATNAT met de emissiegegevens van PROMISE als input. Hierbij is uitgegaan van een constante aanvoer van enterovirussen vanuit Belgie in de Maas bij Eysden van 10 pvp/l en vanuit Duitsland in de Rijn bij Lobith van 1 pvp/l. Deze waarden zijn geschat uit concentraties van faecale streptococcen, thermotolorante bacterien van de coligroep (RIWA) en F-specifieke RNA-fagen met behulp van eerder gepubliceerde regressievergelijkingen. Virusinactivatie in het oppervlaktewater werd eerste orde temperatuurafhankelijk verondersteld met een k-intact = 0,02 dag-1 x graden C-1. De watertemperatuur is gemodelleerd als een cosinus-functie met een minimum van 2 graden C aan het begin en het einde van het jaar en een maximum van 22 graden C in het midden van het jaar. De berekende enterovirusconcentraties bleken voor de grote rivieren qua orde van grootte goed overeen te stemmen met concentratiemetingen. Voor de regionale wateren is de overeenstemming minder goed en zijn er verschillen van een factor 10 tot 100 tussen de metingen en de berekeningen. De gevoeligheid van deze modellering voor de verschillende factoren werd geanalyseerd door de factoren afzonderlijk te varieren en de invloed op de berekende concentraties te bepalen: -De aanvoer van enterovirussen vanuit het buitenland is sterk van invloed op de enterovirusconcentraties in de Maas, Rijn, IJssel en IJsselmeer, wel of geen aanvoer levert een verschil in concentratie van een factor 10 ; -Variatie in de waarde van k-intact van 0,002 tot 0,2 dag-1 x graden C-1 gaf een groot verschil in concentraties te zien van een factor 100 tot 1000 ; -De zuiveringsefficientie van de RWZI's heeft een duidelijk effect op de enterovirusconcentraties in de PAWN-knopen, maar niet in de Maas, Rijn, IJssel en IJsselmeer waar dit effect geheel wordt overschaduwd door de aanvoer van enterovirussen vanuit het buitenland. Gezien de aannames en de onzekerheden in de aanvoer van enterovirussen vanuit het buitenland, emissiefactor voor enterovirussen, de zuiveringsefficientie van RWZI's en in parameters als inactivatie en sedimentatie zijn de berekeningen van de enterovirusconcentraties in de PAWN-knopen nu nog te onzeker om hieraan conclusies te verbinden met betrekking tot de drinkwater- en recreatiewaterkwaliteit. Berekening van de emissie en verspreiding van enterovirussen kan als volgt verbeterd worden: -Door het verrichten van de metingen van de enterovirusconcentraties in de Maas bij Eysden en in de Rijn bij Lobith gedurende tenminste een jaar kan preciezer worden vastgesteld hoe groot de aanvoer van enterovirussen vanuit het buitenland is ; -Door het verrichten van enterovirusmetingen in ongezuiverd afvalwater waarvan de verhouding industrieel/huishoudelijk bekend is en met een bekend aantal inwoners in het betrokken gebied dat is aangesloten kan de emissiefactor voor enterovirussen beter worden vastgesteld. Ook deze metingen zouden gedurende een periode van tenminste een jaar moeten worden verricht ; -Gecombineerd met het voorgaande zouden metingen in het effluent van verschillende type RWZI's beter inzicht kunnen geven in de zuiveringsefficienties van RWZI's ; -Door inzicht in procesparameters als inactivatie en sedimentatie te vergroten, te denken valt aan metingen in bijvoorbeeld Rijn en Maas op verschillende plaatsen. De emissie van enterovirussen naar het oppervlaktewater is onderhevig aan seizoensvariatie, met name in de zomerperiode is de emissie relatief hoger en kunnen er piekbelastingen voorkomen. Voor nauwkeuriger berekening van de zwemwaterkwaliteit zijn derhalve waterbewegingsmodellen op lokale schaal nodig.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
De belangrijkste resultaten en aanbevelingen van een workshop getiteld "QSARs for HPV-Chemicals for predicting Biodegradation" worden beschreven. In de literatuur zijn verschillende modellen beschreven voor het voorspellen van het verloop van biodegradatie. Een beperkt aantal van deze modellen zijn geschikt om gebruikt te worden voor prioriteitsstelling en risicobeoordeling van uiteenlopende organische verbindingen. Geconcludeerd werd dat er een gebrek is aan betrouwbare, consistente data die geschikt zijn voor het afleiden van nieuw voorspellende modellen. Er is vooralsnog onvoldoende kennis voorhanden aangaande de primaire processen die plaats vinden tijdens biodegradatie en de invloed van milieufactoren op deze processen, waardoor het moeilijk is gebiedsdekkende, inter- en extrapolerende modellen te ontwikkelen. Voor de nabije toekomst valt de belangrijkste vooruitgang te verwachten van het standardiseren van biodegradatietesten en de hiermee te genereren biodegradatie-data. Aanbevolen wordt om voor verdere uitbouw van voorspellingsmethoden voor biodegradatie uit te gaan van het basisniveau voor wat betreft biodegradatie: het modelleren van de active site interacties binnen enzymen, om de hierdoor gegenereerde kennis vervolgens op te schalen naar interacties op microbieel niveau onder reeele milieuomstandigheden.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Sinds het verdrag van Maastricht (februari 1992) heeft de Europese Commissie nieuwe verantwoordelijkheden ten aanzien van Public Health. In een aantal beleidsrapporten van de EU is de noodzaak gesignaleerd om de coordinatie van beleidsontwikkeling en programmering verder te ontwikkelen en samenwerking tussen lidstaten te stimuleren. Consultatie en participatie mechanismen via diverse organisaties en netwerken worden daarbij als belangrijk gezien. De activiteiten van de EU zullen zich richten op harmonisering van de data verzameling, op de evaluatie en verspreiding van informatie over gezondheid en op het uitwisselen van kennis en ervaring tussen de lidstaten en, uiteindelijk, op de formulering van een gezamenlijke strategie en doelstellingen voor het gezondheidsbeleid. Om deze activiteiten te ondersteunen wordt een Europese Volksgezondheid Toekomst Verkenning (Public Health Status and Forecasts: PHSF) voorgesteld, waarin: - een brede, verklarende en vergelijkende analyse van de volksgezondheid in de EU ; - toekomstverkenningen voor belangrijke Public Health vraagstukken, gebaseerd op demografische extrapolaties, trend analyses and dynamische systeem analyse. Deze 'outline' bevat het ontwerp voor zo'n beleidsgericht, breed opgezet, PHSF-rapport, dat geproduceerd moet worden via een omvangrijk Europees samenwerkingsverband. De ruggegraat van het voorgestelde PHSF-rapport wordt een conceptueel model, dat relaties tussen de diverse elementen van Public Health beschrijft. Een systematische analyselijn wordt beschreven om tot een vergelijkende studie van belangrijke aspecten van de volksgezondheid en de achterliggende determinanten te komen voor de EU en haar lidstaten. Een dergelijke analyse zal de belangrijkste trends en ontwikkelingen en achterliggende oorzaken aangeven en daarnaast een indruk geven van in de toekomst mogelijk te behalen gezondheidswinst door specifieke beleidsmaatregelen. In deze benadering zullen geaggregeerde gezondheidsmaten, zoals gezonde levensverwachting, worden meegenomen, waarvoor andere gezondheidsgegevens (sterfte, ziekteprevalentie, kwaliteit van leven) nodig zijn en die waar mogelijk gekoppeld zullen worden aan gegevens over determinanten van gezondheid. De toegevoegde waarde van een geslaagd PHSF-rapport is het onstaan van een brede, uniforme en consistente gegevensset, die indicatoren bevat die relevant zijn voor de volksgezondheid in de Europese Unie. Dit kan de lidstaten ondersteunen bij het aangaan van samenwerkingsverbanden.Het rapport zal voortbouwen op de informatie die is gegeven in eerdere, meer beschrijvende, documenten en zo een aanzet geven tot een regelmatige rapportage over Public Health in de EU, een noodzaak die ook door de Commissie wordt onderschreven.In een haalbaarheidsstudie volgend op dit ontwerprapport moet de aanpak in meer detail worden uitgewerkt. Daarbij moeten instituten en netwerken worden ingeschakeld, die een belangrijke rol spelen bij het verzamelen, analyseren en vergelijken van internationale gezondheidsgegevens. De juiste experts moeten worden benaderd en databehoefte en bronnen moeten worden gespecificeerd. De haalbaarheidsstudie moet ook de verdere details uitwerken van de organisatie, kosten en planning van een PHSF-rapport voor de Europese Unie.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
In het kader van het project Exposure Assessment zijn Acid Volatile Sulfide (AVS) en Simultaneously Extracted Metal (SEM) gehalten bepaald in een aantal mariene en zoetwater sedimenten. AVS-gehalten varieren van niet aantoonbaar (<0.1) tot ongeveer 50 notmol per gram droog sediment. In het merendeel van de monsters is een SEM/AVS ratio van kleiner dan 1 gevonden, hetgeen volgens recent gepubliceerde toxiciteitsonderzoeken inhoudt dat de metalen niet beschikbaar zijn voor opname door organismen. Het AVS gehalte blijkt onder andere afhankelijk te zijn van het jaargetijde, hetgeen kan leiden tot veranderingen in de potentiele beschikbaarheid van zware metalen.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Om inzicht te krijgen in de voortgang van de uitvoering van het Convenant Verpakkingen wordt, als onderdeel van het meet- en monitoringsysteem, jaarlijks door het RIVM de output van verpakkingsafval vastgesteld. Dit rapport presenteert de resultaten van de analyse naar de hoeveelheid verpakkingsafval in 1994, uitgesplitst in de componenten kunststof, papier/ karton, (eenmalig) glas, blik (ferro) en aluminium. Ingegaan wordt op hoeveelheid, samenstelling en verwerkingswijze van verpakkingsafval afkomstig van de verschillende sectoren (huishoudens, kantoor-, winkel- en dienstensector (KWD-sector) en industrie). Tevens wordt de nauwkeurigheid van de gegevens voor de verschillende sectoren en de gehanteerde meetmethoden beschreven. Daarnaast worden de gegevens van 1994 vergeleken met die van voorgaande jaren. Door de Commissie Verpakkingen is in haar jaarverslag aan de convenantspartijen voorgesteld om bij de toetsing van de uitvoering van het Convenant Verpakkingen uit te gaan van gecorrigeerde hoeveelheden voor het referentiejaar 1986. Uitgangspunt bij vergelijking van de gegevens met 1986 zijn dan ook de gecorrigeerde hoeveelheden voor 1986. Bij het interpreteren van de gepresenteerde gegevens dient rekening te worden gehouden met de nauwkeurigheden van de gehanteerde meetmethoden. De hoeveelheid verpakkingen in restafval afkomstig van huishoudens is bepaald aan de hand van sorteeranalyses van het RIVM. Vanaf 1993 is gebruik gemaakt van een nieuwe opzet voor wat betreft de monstername van deze sorteeranalyses. Hiermee dient rekening te worden gehouden bij de vergelijking met voorgaande jaren. De hoeveelheden verpakkingsafval afkomstig van de KWD-sector en de industrie zijn in 1992, 1993 en 1994 bepaald door middel van enquetes onder bedrijven in beide sectoren. Deze onderzoeken zijn uitgevoerd door Motivaction in opdracht van het RIVM. Gezien de onnauwkeurigheidsmarges die gelden voor de aldus gemeten totale hoeveelheden verpakkingsafval zijn grote absolute veranderingen nodig om te kunnen spreken van significante verschillen. Voor 1986 zijn de gegevens via andere methoden bepaald. Uit toetsing van de gegevens uit het Motivaction-onderzoek over 1994 lijken de gegevens voor (gemengd ingezameld) KWD-afval evenwel een grotere betrouwbaarheid te hebben dan tot op heden werd aangenomen. Rekening houdend met de nauwkeurigheden van de gehanteerde meetmethoden lijken de gegevens voldoende betrouwbaar om te concluderen dat de totale hoeveelheid verpakkingsafval in 1994 redelijk constant is gebleven ten opzichte van 1993. Niet geconcludeerd mag worden dat er sprake is van een significante afname in 1994. Ten opzichte van 1986 is de totale hoeveelheid verpakkingsafval in 1994 met ongeveer 15 procent toegenomen. Wanneer ook rekening wordt gehouden met de hoeveelheid meermalig glas (afkomstig van industrie) die in 1986 is meegenomen, maar voor de andere jaren zoveel mogelijk buiten de metingen gehouden is, is de hoeveelheid verpakkingsafval in 1994 met circa 18 procent toegenomen ten opzichte van 1986. In de RIVM-rapportages over 1991/1992 en 1993 werd al aangegeven dat de gemeten hoeveelheden verpakkingsafval van de KWD-sector en industrie voor 1991/1992 aan de hoge kant leken voor de verschillende componenten. De resultaten over 1994 lijken deze conclusie te bevestigen. In het Convenant Verpakkingen is als tussentijdse doelstelling opgenomen dat de hoeveelheid verpakkingen in 1994 zich op het niveau van 1991 bevindt. Op basis van de gegevens in dit rapport kan worden geconstateerd dat de hoeveelheid verpakkingsafval in 1994 zeker niet is toegenomen ten opzichte van 1991, ook niet wanneer rekening wordt gehouden met een mogelijke overschatting in de meetresultaten over 1991.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Voor de evaluatie van de implementatie van kwaliteitszorgsystemen binnen het RIVM werd een kosten-baten onderzoek uitgevoerd. De baten blijken grotendeels door het toepassen van een voor dat doel ontwikkelde methode meetbaar gemaakt te kunnen worden. In essentie bestaat deze methode uit het formuleren en toepassen van relevante prestatie-indicatoren. Het meetinstrument blijkt in verschillende werksituaties toepasbaar voor het meten en de monitoring van kwaliteitsverbeteringen. Het grondpatroon en de aanpak van de methodiek is in de vorm van een Handleiding als Bijlage aan dit rapport toegevoegd. Voor de conclusies betreffende de kosten en de baten van kwaliteitszorgsystemen wordt verwezen naar de daarvan gegeven samenvatting.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
A user-friendly spreadsheet program for calibration using weighted regression | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
A new rat repetitive DNA family shows preferential localization on chromosome 3, 12 and Y after fluorescence in situ hybridization and contains a subfamily which is Y chromosome specific | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Implementing a global geographical information system for modelling sustainable environmental quality: the cricital load experience | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Meta-information systems for environment and health | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Indicators of public health and environmental quality | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Epidemie van penicillinase-vormende en tevens tetracycline-resistente gonokokken; risicofactoren voor de verspreiding | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Beoordeling van actuele risico's voor ecosystemen van ernstige gevallen van bodemverontreiniging | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Voeding en lichamelijke activiteit als determinanten van hyperinsulinemie [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Abortive and subclinical poliomyelitis in a family during the 1992 epidemic in the Netherlands | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
The HACCP concept: specification of criteria using quantitative risk assessment | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
The added value of geographical information systems in public and environmental health | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Karakterisering van meticilline-resistente Staphylococcus aureus met behulp van de polymerase-kettingreactie [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
The integration of information in geographical information systems | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
An introduction to geographical information systems | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Improved PCR sensitivity for direct genotyping of Chlamydia trachomatis serovars by using a nested PCR | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Seehunde zeigen storungen des Immunsystems nach einnahme von schadstoffhaltigem Fisch | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
In dit rapport worden de resultaten beschreven van een studie naar de effecten van vliegtuigemissies op de atmosfeer, met name de veranderingen in de hoge troposfeer. Deze studie is uitgevoerd in het kader van het project "Luchtverontreiniging en Luchtvaart" (LuLu). Het LuLu onderzoeks-programma is opgezet ten behoeve van de wetenschappelijke ondersteuning van de Parlementaire Nota LuLu. Hoofdvragen in deze studie waren: (1) Hoe groot is de toename van de stikstofoxide (NOx) concentraties ten gevolge van vliegtuigemissies op kruishoogte? (2) Wat zijn daarvan de effecten op de concentraties van ozon (O3) en verwante stoffen in de troposfeer? (3) Welke rol spelen processen in vliegcorridors? (4) Wat zijn de effecten van de emissies van toekomstig vliegverkeer? (5) Welke zijn de gevolgen van veranderingen veroorzaakt door vliegverkeer in relatie tot de NMP milieuthema's: het broeikaseffect, aantasting van de ozonlaag, zure depositie en ozontoename op leefniveau? De veranderingen in de concentraties van stikstofoxiden (NOx), salpeterzuur (HNO3), ozon (O3) en het hydroxyl radicaal (OH) veroorzaakt door vliegverkeer zijn berekend met behulp van het mondiale drie-dimensionale chemisch-transport model MOGUNTIA. De berekende relatieve toenames in de achtergrondconcentraties op kruisvluchthoogte (9-12 km) tussen 30-60 graden N, veroorzaakt door huidige vliegtuigemissies, is achtereenvolgens voor NOx: 20-70%, HNO3: 10-20%, O3: 1-4,5% en OH: 5-15%. Deze resultaten zijn consistent met andere studies. In de huidige modelstudies naar effecten van vliegtuigemissies wordt instantane grootschalige menging van de emissies verondersteld waarbij de kleinschalige processen in de uitlaatpluim en de vliegcorridors verwaarloosd worden. Deze processen zijn verdisconteerd in de emissievelden in de voorliggende studie met behulp van een eenvoudige parameterisatie van de zogenaamde sub-grid chemie, ontwikkeld met een vliegtuig-uitlaat-pluimmodel. Hierbij is uitgegaan van een gaussische pluimgroei. In de 'nieuwe' emissievelden zijn de NOx emissies gedifferentieerd in NOx (30%) en NOy (70%) verbindingen (HNO3, HO2NO2 and N2O5). De berekende relatieve bijdrage van vliegverkeer in de veranderingen in de concentraties van NOx, O3 en OH zijn dan ook kleiner (10-60%), daar in deze scenario's een deel van de NOx emissies omgezet is in een niet O3 producerende vorm. De effecten van toekomstig vliegverkeer zijn berekend voor de jaren 2003 en 2015 met behulp van drie verschillende CPB scenario's: European Renaissance, Global Shift and Balanced Growth. Deze scenario's onderscheiden zich van elkaar in hun verschillende regionale economische groei. De berekende relatieve toename op kruisvluchthoogte ten opzichte van 1990 tussen 30-60 graden N zijn 50-370% voor NOx en 1,5-11% voor O3. De grootte van de effecten ten gevolge van vliegverkeer zal relatief toenemen ten opzichte van de overige antropogene bronnen. De effecten van vliegverkeeremissies zijn gekwantificeerd in relatie tot de NMP milieuthema's: het broeikaseffect, aantasting van de ozonlaag, zure depositie en ozontoename op leefniveau. De onnauwkeurigheden zijn nog erg groot door de vele onzekerheden in de effecten van de verschillende geemitteerde stoffen. Het huidige en toekomstige subsone vliegverkeer draagt voor ongeveer 1-3% bij aan de stralingsforcering sinds de industriele revolutie. De effecten van vliegverkeer op de andere NMP milieuthema's zijn klein. Wel groeit het vliegverkeer sneller dan elke andere vervoerssector. Haar relatieve belang neemt dan ook toe. De bijdrage van vliegverkeer aan het broeikaseffect lijkt van de bovengenoemde milieu-effecten de grootste.
Jaar: 1995
Onderzoek
Alle mensen die leven en wonen in gebieden met verontreinigde lucht worden blootgesteld aan luchtverontreiniging. Deze blootstelling kan leiden tot gezondheidseffecten in (een deel van) de bevolking. De causale keten, beginnend bij emissie, via luchtkwaliteit en blootstelling tot eventueel optredende gezondheidseffecten, beschrijft de causale opeenvolging van de onderdelen en processen die tot een gezondheidseffect kunnen leiden. Tezamen bepalen deze onderdelen het gezondheidsrisico van de bevolking. Een essentieel onderdeel van de kwantitatieve schatting van het gezondheidsrisico van luchtverontreiniging is de kwantitatieve schatting van de blootstelling van een populatie aan luchtverontreiniging. Blootstellingsmodellen beschrijven de werkelijke blootstelling van de bevolking aan luchtverontreiniging, en kunnen dienen voor risicoschatting en voor het evalueren van mogelijke beleidsmaatregelen of trends in luchtkwaliteit. De bestaande, meest Amerikaanse, blootstellingsmodellen zijn evenwel onvoldoende bruikbaar voor risico-schattingsdoelstellingen voor de Nederlandse en Europese blootstellingssituatie, voor een deel omdat ze voor (zeer) specifieke doeleinden zijn ontwikkeld. In dit rapport wordt verslag gedaan van de ontwikkeling van het blootstellingsmodel AirPEX ("Air Pollution Exposure model"). In dit model zijn de onderdelen van de causale keten opgenomen, waarbij de nadruk op blootstelling is gelegd. Het model beoogt de werkelijke blootstelling van (delen van) de bevolking aan luchtverontreinigende stoffen te kwantificeren en het effect van beleidsmaatregelen en trends in luchtkwaliteit op de bevolkingsblootstelling te evalueren. Het beoogde gebruik voor risicoschattingsdoeleinden stelt een aantal eisen aan het model. Het te ontwikkelen model moet onafhankelijk zijn van luchtverontreinigende stof en geografisch gebied. Het model moet schattingen kunnen geven van verschillende blootstellingsparameters die relevant zijn voor een specifieke luchtverontreinigende stof, en die bijvoorbeeld gebruikt kunnen worden om schattingen te maken van optredende gezondheidseffecten. Het is noodzakelijk onderscheid te kunnen maken in bevolkingsgroepen die extreem hoog of laag worden blootgesteld of die extreem gevoelig zijn voor luchtverontreiniging. Het model moet tevens inzicht geven in de relatieve bijdrage van factoren die leiden tot een (verhoogde) blootstelling. Daarnaast moet het model bruikbaar zijn voor de beantwoording van specifieke beleidsvragen, zoals de effectiviteit van risico-reductie maatregelen. AirPEX simuleert de werkelijke blootstelling van een verzameling individuen (een populatie) aan een luchtverontreinigingscomponent. Als eerste wordt met behulp van Monte Carlo methoden een representatieve populatie samengesteld. Vervolgens wordt voor elk individu uit de populatie het verloop van de blootstelling in de tijd berekend. En tenslotte berekent AirPEX de gewenste populatie-blootstellingsparameters. AirPEX gebruikt hiervoor drie soorten gegevensbestanden als input, namelijk gegevens over de demografie van de bevolking, het verloop in de tijd van de buitenluchtconcentraties luchtverontreinigingscomponent, en het activiteitenpatroon van de bevolking. Ter illustratie van het gebruik van het model is de uitwerking van AirPEX voor de stof ozon gegeven. Hierbij zijn de ozon-specifieke modelcomponenten en de beschikbare inputgegevens beschreven, gevolgd door een voorbeeldberekening van de blootstelling van de Nederlandse bevolking aan ozon op een dag met verhoogde fotochemische luchtverontreiniging. Het model zoals dat momenteel is geimplementeerd voldoet aan de gestelde eisen. Het model is stof- en gebiedsonafhankelijk, het biedt een grote variabiliteit aan outputparameters en veel mogelijkheden om inputvariabelen en -functies te definieren. Het model is op eenvoudige wijze uit te breiden met een blootstellings-respons module waarmee een kwantitatieve schatting van de gezondheidseffecten kan worden berekend. Het ontwikkelde model AirPEX is een compleet en flexibel rekensysteem, waardevol bij de beantwoording van vragen naar kwantitatieve gezondheidsrisico's van luchtverontreiniging bij het evalueren van beleidsmaatregelen en trends in luchtkwaliteit, en bij het aansturen van onderzoek op het gebied van risicobeheersing en risicovaststelling. Het kan worden toegepast voor de beschrijving van blootstelling van de bevolking in Nederland en tevens voor blootstellingssituaties elders.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
In het kader van het Europe's Environment programma, in opdracht van de EU en gecoordineerd door EEA-Task Force, hebben RIVM, NILU en MGO een studie uitgevoerd naar de luchtkwaliteit in een aantal steden in Europa. De resultaten van dit onderzoek zijn samengevat in Sluyter (ed.), 1995 (Air Quality in Major European Cities, part I: Scientific Background Document to Europe's Environment). Aanvullend op het Scientific Background Document presenteert dit rapport de onderliggende data in speciaal ontworpen stadsrapporten (City Report Forms). Het eerste hoofdstuk bevat een korte introductie. Het tweede hoofdstuk geeft een samenvatting van de manier waarop data zijn verzameld. Procedures die zijn gevolgd bij het samenstellen van de stadsrapporten zijn beschreven in het derde hoofdstuk. De stadsrapporten zijn opgenomen in alfabetische volgorde.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport is het onderzoek naar Europese stedelijke en lokale luchtverontreiniging samengevat dat door RIVM, NILU en MGO in opdracht van EU is uitgevoerd in het kader van het Europe's Environment-programma. Alleen steden met meer dan 500.000 inwoners (105 in totaal) zijn beschreven. Ongeveer 148 miljoen mensen wonen in deze steden (22% van de totale Europese bevolking). Er is een inventarisatie gemaakt van natuurlijke en door de mens veroorzaakte karakteristieken die de stedlijke luchtkwaliteit bepalen. Stedelijke luchtkwaliteitsgevens zijn vergeleken met WHO-luchtkwaliteitsnormen. Het aantal stedelijke inwoners dat blootgesteld wordt aan overschrijdingen van WHO-luchtkwaliteitsnormen, is geschat. Een schatting is gemaakt van de schade die luchtverontreiniging toebrengt aan gebouwen en monumenten. Er is een inventarisatie gemaakt van gebieden met acute ("hot spot") luchtverontreiningsproblemen buiten de geselecteerde steden.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Methods in immunotoxicology | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Immunologic effects of UVB: recent progress | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Chronisch carcinogeniteitsonderzoek met transgene dieren [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Applicability of coupled-column liquid chromatography to the analysis of beta-agonists in urine by direct sample injection. I. Development of a single-residue reversed-phase liquid chromatography-UV method for clenbuterol and selection of chromatographic | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Performance robustness analysis of Kalman filter for linear discrete-time systems under plant and noise uncertainty | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Isolation of a parapoxvirus from pox-like lesions in grey seals | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Allocation of fossil CO2 emission rights quantifying cultural perspectives | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Relative immunocompetence of the newborn harbour seal, Phoca vitulina | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Development of a meningococcal vaccine | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Determination of phthalate-induced rat liver cytochrome P-450 IVA1 by a fluorimetric enzymatic assay and by chemiluminescence detection on Western blots | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Modelling the oceanic food web using a quasi steady-state approach | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Multifactorial analysis of antibiotic sensitivity of Bordetella bronchiseptica isolates from guineapigs, rabbits and rats | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
An enzyme-linked immunosorbent assay (ELISA) for monitoring antibodies to SP group Pasteurellaceae in guineapigs | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Genesis of the novel epidemic Vibrio cholerae O139 strain: evidence for horizontal transfer of genes involved in polysaccharide synthesis | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Change in locomotor activity pattern in mice: a model for recognition of distress? | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Chemical properties of the ultimate metabolites of 2-amino-5-phenylpyridine (PHE-P-1) and its ortho-methyl derivative | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Interspecies extrapolation in safety evaluation of human medicines in The Netherlands (1990-1992): practical considerations | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Are different combined vaccines needed in different parts of Europe? A point of view from a Northern-European country | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
A modeling procedure to evaluate the coherence of independently derived environmental quality objectives for air, water and soil | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Seasonal variation in composition and production of planktonic communities in the lower river Rhine | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
European Union reference laboratories for residue analysis: a quality challenge | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Fitting the dynamic model PCLake to a multi-lake survey through Bayesian statistics. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Uncertainties in the global source distribution of nitrous oxide | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Evaluating changes in land cover and their importance for global change | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Abstract niet beschikbaar
Jaar: 1995
Onderzoek
The rapid residue analysis of dinitrophenol pesticides in herring and serum of seals | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Synthesis of deuterium-labelled medroxyprogesterone, megestrol and melengestrol derivatives | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Host resistance models | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Een infectie met een niet eerder beschreven mycobacterium species [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Pathologist's approach | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Immunotoxicity; bridging the gap between animal research and human health effects | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Rabbit model for estimating relative bioavailability, residues and tissue tolerance of intramuscular products: comparison of two ampicillin products | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Contaminant-related suppression of delayed-type hypersensitivity and antibody responses in harbor seals fed herring from the Baltic Sea | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Phenylketonuria screening using the Quantase phenylalanine kit in combination with a microfilter system and the dye Tartrazine | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Ziekte & milieu. Deel 2 | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Gekoppelde kolomvloeistof-chromatografie (LC-LC) | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Immune effects of hexachlorobenzene in the rat: role of metabolism in a 13-week feeding study | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Clonal dysregulation of the antibody response to tetanus-toxoid after bone marrow transplantation | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Iron and copper metabolism in analbuminaemic rats fed a high-iron diet | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Dietary risk factors for clinically diagnosed gallstones in middle-aged men. A 25-year follow-up study (The Zutphen Study) | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Simulation of a photo-smog episode in summer 1990 | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Confirmational analysis of polycyclic aromatic hydrocarbons in soil extracts by cryotrapping gas chromatography-Fourier transform infrared spectrometry | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Intrinsic binding effects in mixed counterionic polyelectrolyte systems: extension of condensation theory and comparison with voltammetric data | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Irradiated [15N]DNA as an internal standard for analysis of base-oxidized DNA constituents by isotope dilution mass spectrometry | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Nitrate, nitrite and N-nitroso compounds | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Atmospheric composition calculations for evaluation of climate scenarios | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Confirmational analysis of beta-agonists by cryotrapping gas chromatography-Fourier transform infrared spectrometry | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Exchange of ozone between the atmospheric boundary layer and the free troposhere. A contribution to subproject TOR | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
A rat cytomegalovirus infection model as a tool for immunotoxicity testing | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Natte depositie kaarten van Europa zijn tot nu toe gebaseerd op modelresultaten. Kaarten die op metingen zijn gebaseerd zijn voor de meeste componenten slechts op nationale schaal beschikbaar. Natte depositie kaarten van potentieel zuur en basische kationen die op metingen zijn gebaseerd zijn nodig om de daadwerkelijke belasting op ecosystemen te kunnen bepalen. Daarnaast kunnen deze kaarten ter validatie van de modellen dienen. In dit rapport worden concentratie en natte depositie kaarten van sulfaat, nitraat, ammonium, waterstof, chloride, natrium, magnesium, kalium en calcium gepresenteerd. De kartering van deze componenten op Europese schaal voor 1989 heeft plaatsgevonden met een resolutie van 50x50 km, en was gebaseerd op metingen die op ongeveer 750 locaties in Europa zijn uitgevoerd. Puntobservaties zijn met behulp van 'kriging' over Europa geinterpoleerd. De waargenomen patronen in de kaarten komen goed overeen met wat op basis van kennis van Europese emissie- en klimaatspatronen kon worden verwacht. Hoge sulfaat fluxen zijn te zien in het grensgebied van Duitsland, Polen en de Tsjechische Republiek, en Oekraine en voormalig Joegoslavie, terwijl de hoogste nitraat depositie in een zone van zuid-Scandinavie tot Noord-Italie is te vinden. Ammonium fluxen zijn het hoogst in Centraal Europa. De invloed van zeezout deeltjes is duidelijk te zien in de natrium, chloride en magnesium kaarten. Hoge calcium fluxen komen vooral voor in Zuid-Oost Europa. Een uitgebreide onzekerheidsanalyse om de kwaliteit van de kaarten te beoordelen, leverde een onzekerheid van ongeveer 60% voor een gemiddelde 50x50 km gridcel in Europa. Vergelijking van de sulfaat, nitraat en ammonium natte depositie fluxen met natte depositie fluxen zoals die door het EMEP lange afstands transport model zijn berekend toonde dat de in deze studie verkregen fluxen gemiddeld ongeveer 75% hoger zijn voor sulfaat, 20% hoger voor nitraat en 55% hoger voor ammonium.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Inleiding. Een belangrijke bijdrage aan het inzicht in het voorkomen van infectieziekten op basis van surveillance van gegevens uit morbiditeits- en mortaliteitsregistraties en van gegevens uit laboratoria, kan worden geleverd door serosurveillance: onderzoek naar de aanwezigheid van specifieke antistoffen in de populatie. Met name ter bewaking van de immuniteit van de bevolking voor de ziekten waartegen in het kader van het Rijksvaccinatieprogramma wordt gevaccineerd is sero- oftewel immunosurveillance noodzakelijk. Daarom zijn door het RIVM initiatieven ontwikkeld om een serumbank van een aselecte steekproef van de Nederlandse bevolking op te richten en is het zogenaamde PIENTER-project (Peiling Immunisatie Effect Nederland ter Evaluatie van het Rijksvaccinatieprogramma) van start gegaan. In 1994 werd een pilot-onderzoek uitgevoerd. Doel. Het pilotonderzoek had een tweeledig doel: ten eerste de beoordeling van de haalbaarheid van de opzet en het ontwerp van een in de praktijk getoetst protocol voor de uiteindelijke landelijke gegevensverzameling, ten tweede de toetsing van de mogelijkheid om met de gekozen opzet een representatieve dataset te verkrijgen (met behulp van uitgebreid non-respons-onderzoek waarvan in deel II van deze onderzoeksrapportage verslag wordt gedaan). Opzet. Een cross-sectioneel populatie-onderzoek werd uitgevoerd in de provincie Utrecht. Methode. In vier gemeenten werd een leeftijdsgestratificeerde steekproef van 510 inwoners (0-80 jaar) getrokken uit het bevolkingsregister. Van de beoogde deelnemers die schriftelijk werden benaderd werd verwacht dat zij een vragenlijst zouden invullen en een speciaal spreekuur bezoeken voor afname van een bloedmonster. De logistieke evaluatie vond plaats op grond van de ervaringen gedurende de pilot, deels vastgelegd in registraties en logboeken van de betrokken onderzoeksmedewerkers, deels ontleend aan de gegevens van een schriftelijke evaluatie met behulp van een vragenlijst voor alle externe participanten. Daarnaast heeft het non-respons-onderzoek veel aanknopingspunten voor optimalisatie van de aanpak gegeven. Bevindingen en aanbevelingen. Gegevensverzameling in de algemene bevolking is in samenwerking met GGD'en met een centrale coordinatie goed mogelijk. De samenwerking tussen de vele betrokken partijen was prima en ieders inbreng is goed tot zijn recht gekomen. Het opstellen van onderzoeksplannen en de ontwikkeling van een beoordelingsprocedure voordat sera aan laboratoria kunnen worden uitgegeven verdient nog meer aandacht. In deze onderzoeksplannen zal ook de verdeling van taken en verantwoordelijkheden tussen laboratoria en CIE duidelijk worden vastgelegd. Op grond van de ervaringen in de pilot wordt geconcludeerd dat de gekozen opzet voldeed ; er zijn geen grote logistieke knelpunten naar voren gekomen. Evenwel worden -in verband met de schaalvergroting bij landelijke gegevensverzameling- enkele aanpassingen in de logistiek voorgesteld. Met name zal nog moeten worden geinvesteerd in automatisering van serumwinning en -beheer. Verbetering van de efficientie en beperking van mogelijke fouten zijn daartoe de belangrijkste reden. Voorts zal met het oog op de optimalisering van de respons een meer directe benadering van de beoogde deelnemers door telefonische rappellering worden ingebouwd.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport beschrijft de eerste resultaten van de superkritische vloeistof extractie (SFE), als techniek voor de extractie van organische componenten in grond. SFE is een relatief nieuwe analytisch chemische techniek, welke is gebaseerd op de extractie eigenschappen van superkritische vloeistoffen - in dit geval CO2 - die zowel vloeistof-achtige als gas-achtige eigenschappen bezitten zoals een lage viscositeit en een hoog oplossend vermogen voor organische verbindingen. De optimalisatie van SFE voor poly-gechloreerde biphenylen (PCBs) en organochloor pesticiden (OCPs) uit grond is uitgevoerd volgens een algemene, stapsgewijze, procedure voor kwantitatieve SFE. Een experimentele benadering is gekozen voor het testen van de invloed van de verschillende extractie parameters, zoals de druk, de extractie duur, de statische en/of dynamische extractie, het type restrictor en de opvangvloeistof bij off-line SFE. De met deze experimenten verkregen condities voor gespiked monsters zijn toegepast op reele grondmonsters en verder geoptimaliseerd naar maximale opbrengst voor de diverse componenten in vergelijking met conventionele vloeistofextractie. De optimale condities van de gespiked monsters gaven geen maximale concentraties voor de veldmonsters. Zwaardere extractie condities bleken noodzakelijk om interacties tussen de componenten en de grond-matrix te overwinnen. Een langere dynamische extractie duur was noodzakelijk en het gebruik van modifiers bleek essentieel voor SFE van reele monsters. Een verhoging van de extractie druk had geen verdere invloed op de resultaten. Uiteindelijk werden vergelijkbare resultaten verkregen voor SFE en vloeistof extracties met een totale standaard deviatie tussen beide methoden van 25%. Een stapsgewijze benadering blijkt een goede procedure te zijn om de verschillende aspecten die een rol spelen bij de methode ontwikkeling van SFE beter zichtbaar te maken, zoals de uitgangscondities, het belang van de verschillende extractie parameters en het eventuele succes van SFE voor een specifieke component - matrix combinatie. Mogelijkheden voor de verdere toepassing van SFE worden bediscussieerd, evenals de beperkingen voor een mogelijke doorbraak van SFE als toekomstige techniek voor de monstervoorbewerking van vaste matrices.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Sinds het begin van de jaren zeventig heeft de (internationale) overheid een aantal stringente maatregelen genomen om de risico's van polychloorbifenylen (PCB's) in het milieu te verminderen. Een belangrijke vraag is of deze maatregelen tot het gewenste resultaat hebben geleid. Het voorliggende rapport geeft voor Nederland een overzicht van de belangrijkste PCB-stromen in het (abiotische) milieu gedurende de periode 1980-1993. Voorts is een tweetal scenario's doorgerekend voor de PCB-stromen in het jaar 2000, respectievelijk met en zonder aanvullende beleidsmaatregelen. De bronnen van PCB-emissies in Nederland en de omringende landen zijn uitgebreid geinventariseerd. In de periode 1980-1990 zijn de emissies van PCB's naar lucht, water en bodem sterk gedaald. De aanvoer van PCB's in Nederland is momenteel vooral afkomstig uit het buitenland. Het gaat dan om grensoverschrijdende instroom via de grote rivieren en via atmosferische depositie. De PCB-concentraties in de grote rivieren zijn eveneens duidelijk afgenomen in de periode 1980-1990. Opvallend is echter dat deze daling zich niet heeft doorgezet. Sinds 1989 fluctueren de PCB-gehalten in de rijkswateren rond een nagenoeg constant niveau. Dit niveau bevindt zich boven de huidige grenswaarde voor PCB's. Eenzelfde patroon is zichtbaar voor de Nederlandse kustwateren. De schaarse meetgegevens voor de landbodem laten zien dat de streefwaarde voor PCB's waarschijnlijk niet op grote schaal wordt overschreden. De verwachting is dat met het thans gevoerde beleid de belangrijkste PCB-stromen verder zullen afnemen in de periode 1990-2000. Een versnelde sanering zou mogelijk zijn door het treffen van aanvullende maatregelen in het buitenland. Voor het terugdringen van de PCB-emissies naar lucht zou men zich hierbij kunnen richten op het (ongewenst) vrijkomen van deze stoffen bij diverse industriele processen. Waterbodemsanering in bovenstroomse gebieden kan de PCB-instroom via de grote rivieren verminderen. Omdat een aanzienlijk deel van de PCB's uit de grote rivieren uiteindelijk in de Noordzee terecht komt, heeft zo'n bovenstroomse waterbodemsanering ook invloed op de Nederlandse aanvoer van PCB's naar het mariene ecosysteem. Een verdere aanscherping van de beleidsmaatregelen in Nederland, zoals een versnelde inzameling van TL-armaturen en condensatoren, zal nauwelijks invloed hebben op het beeld voor het jaar 2000. Dit vanwege het relatief geringe aandeel van deze bronnen op de totale PCB-stromen. Het voorliggende rapport heeft de PCB-stromen in het abiotische milieu in kaart gebracht. De belangrijke vraag of de thans waargenomen PCB-concentraties in Nederland risicovol zijn voor mens of ecosystemen is daarmee echter nog niet beantwoord. Een nadere risicoschatting dient dan ook een belangrijke vervolg-stap te zijn op dit project. Dit sluit direct aan bij het beleidsvoornemen in Nederland om op basis van nieuwe inzichten in de milieuchemie en toxicologie van PCB's, de milieukwaliteitseisen voor deze groep van stoffen te her-evalueren.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Natte depositie kaarten van Europa zijn tot nu toe gebaseerd op modelresultaten. Kaarten die op metingen zijn gebaseerd zijn voor de meeste componenten slechts op nationale schaal beschikbaar. Natte depositie kaarten van potentieel zuur en basische kationen die op metingen zijn gebaseerd zijn nodig om de daadwerkelijke belasting op ecosystemen te kunnen bepalen. Daarnaast kunnen deze kaarten ter validatie van de modellen dienen. In dit rapport worden concentratie en natte depositie kaarten van sulfaat, nitraat, ammonium, waterstof, chloride, natrium, magnesium, kalium en calcium gepresenteerd. De kartering van deze componenten op Europese schaal voor 1989 heeft plaatsgevonden met een resolutie van 50x50 km, en was gebaseerd op metingen die op ongeveer 750 locaties in Europa zijn uitgevoerd. Puntobservaties zijn met behulp van 'kriging' over Europa geinterpoleerd. De waargenomen patronen in de kaarten komen goed overeen met wat op basis van kennis van Europese emissie- en klimaatspatronen kon worden verwacht. Hoge sulfaat fluxen zijn te zien in het grensgebied van Duitsland, Polen en de Tsjechische Republiek, en Oekraine en voormalig Joegoslavie, terwijl de hoogste nitraat depositie in een zone van zuid-Scandinavie tot Noord-Italie is te vinden. Ammonium fluxen zijn het hoogst in Centraal Europa. De invloed van zeezout deeltjes is duidelijk te zien in de natrium, chloride en magnesium kaarten. Hoge calcium fluxen komen vooral voor in Zuid-Oost Europa. Een uitgebreide onzekerheidsanalyse om de kwaliteit van de kaarten te beoordelen, leverde een onzekerheid van ongeveer 60% voor een gemiddelde 50x50 km gridcel in Europa. Vergelijking van de sulfaat, nitraat en ammonium natte depositie fluxen met natte depositie fluxen zoals die door het EMEP lange afstands transport model zijn berekend toonde dat de in deze studie verkregen fluxen gemiddeld ongeveer 75% hoger zijn voor sulfaat, 20% hoger voor nitraat en 55% hoger voor ammonium.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Ten behoeve van het preventieve bodembeleid was onvoldoende duidelijk welke bijdrage diverse bronnen leveren aan diffuse bodembelasting. Doel van deze inventarisatie was beschikbare kennis over diffuse bodembelasting te bundelen en kennis-lacunes aan te geven. Nevendoel is het beschrijven van de huidige bodemkwaliteit en inzicht krijgen in de verwachte kwaliteitsontwikkeling van de bovengrond. Daarbij is onderscheid gemaakt in vier typen bodemgebruik: natuur/bos, landbouwgronden, infrastructuur en stedelijk gebied. Onder diffuse bodembelasting wordt belasting verstaan door bronnen die de bodem over een groter oppervlak belasten, met een -gezien het schaalnivo- min of meer homogene verdeling. Voor de bodem relevante prioritaire stoffen zijn: zware metalen en arseen, enkele bestrijdingsmiddelen, Cl-kws, Cl-aromaten, PAK, aromaten, fenolen, ftalaten en olie. Betrokken bronnen zijn: atmosferische depositie, dierlijke mest, kunstmest, zuiveringsslib, compost, baggerspecie, corrosie van roestvaststaal, dakgoten en straatmeubilair, uitloging van verduurzaamd hout en jachtsport. De belangrijkste bronnen met relevante stoffen zijn: atmosferische depositie (As, Hg, Cl-kws, Cl-aromaten en PAK) ; dierlijke mest (Cd, Cu, Ni, Zn en As) ; kunstmest (Cd, Cr, Ni en Hg) ; baggerspecie (Pb); corrosie (Zn) ; en uitloging van verduurzaamd hout (PAK). In bos- en natuur-gebieden voldoen momenteel de gehalten in de bodem over het algemeen aan de streefwaarden. In landbouwgronden worden in relatief veel gevallen streefwaarden overschreden voor Cu, enkele bestrijdingsmiddelen, chloorbenzenen en PAK. Langs infrastructuur en in (groot)stedelijk gebied treden overschrijdingen op van Pb, Cu, Zn en PAK. Voor een aantal stoffen is er nog geen beeld van de huidige kwaliteit.Naar verwachting worden in de toekomst (bij het huidige beleid en de geschatte belasting in 2000) de streefwaarden met name op landbouwgronden overschreden. Dit geldt voor de stoffen Cd, Pb, Cu, Zn, Cr, bestrijdingsmiddelen, trichlooretheen en een of enkele PAK. Voor bos/natuur wordt dit verwacht voor cadmium, lood, trichlooretheen, pentachloorfenol en meerdere PAK. Voor enkele stoffen (As, endosulfan, hexachloorbenzeen, 1,1,1-trichloorethaan en benzeen) is het huidige beleid waarschijnlijk voldoende om de bodemgehalten in bos/natuur en landbouwgronden beneden de streefwaarden te houden. Voor een groot aantal stoffen is nog onvoldoende bekend over de gevolgen van de bodembelasting voor de bodemkwaliteit. Aanbevolen wordt daarvoor ook modelberekeningen uit te voeren om de kwaliteitsontwikkeling van de bodem te kunnen schatten. Tevens is het gewenst het begrip kritische bodembelasting verder te ontwikkelen en in te vullen. Mede ter onderbouwing van berekeningen is de behoefte aan meetgegevens in verschillende bodemgebruikstypen en grondsoorten groot.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Een model is ontwikkeld voor de berekening van Maximaal Toelaatbare Risiconiveau's (MTR's) in water voor stoffen die accumuleren in voedselketens van zeevogels en zeezoogdieren. Berekeningen zijn uitgevoerd voor twee zoutwater AMOEBE soorten: visdief (Sterna hirundo) en zeehond (Phoca vitulina) en vijf stoffen: cadmium, methylkwik, lindaan, dieldrin en PCB153. Laboratoriumgegevens zijn verzameld met betrekking tot de toxiciteit voor vogels en zoogdieren en de bioaccumulatie in de meest belangrijke aquatische voedseltypen. NOEC's worden ge-extrapoleerd van laboratorium naar veldomstandigheden door correctie voor verschillen in metabolische snelheid van vogels en zoogdieren en calorische waarde van voedsel. Er is zeer weinig informatie beschikbaar om te onderzoeken of de interne gevoeligheid van zeevogels en zeezoogdieren voor de geselecteerde stoffen afwijkt van die van andere vogels en zoogdieren. In vitro enzym testen doen vermoeden dat de visdief minder gevoelig is voor PCB153 dan de kip. De totale bioaccumulatie in voedselwebben is berekend uit de combinatie van opname via water, voedsel en sediment, achtereenvolgens aangeduid als bioconcentratie, biomagnificatie en bio-sediment accumulatie. De visdief wordt voornamelijk blootgesteld via een enkele voedselketen: water - fytoplankton - zooplankton - planktonetende vis - visdief. De zeehond staat aan de top van een uitgebreid voedselweb met sedimentsorganismen, tweekleppigen, kreeftachtigen, fyto- and zooplankton, planktonetende vis, visetende vis en omnivore vis. De onzekerheid in de blootstellingsschatting van stoffen is hoger voor de zeehond dan voor de visdief door het gebrek aan gegevens voor biomagnificatie factoren (BMF's) en bio-sediment accumulatie factoren (BSAF's). Vergelijking met mesocosmos en velddata maakt duidelijk dat het model de bioaccumulatie van PCB153 redelijk voorspelt, terwijl voor sommige organismen de bioaccumulatie van Cd wordt onderschat. Geconcludeerd wordt dat de huidige ge-integreerde zoutwater MTR's in Nederland bijgesteld moeten worden naar lagere waarden om visdief en zeehond te beschermen tegen toxische concentraties in het voedsel (doorvergiftiging). De met het onderhavige model berekende MTR's moeten worden beschouwd als voorlopige MTR's. Voor verbetering van de betrouwbaarheid van deze MTR's voor zeevogels en zeezoogdieren is meer onderzoek nodig voor de bepaling van BMF's, BSAF's, NOEC's and specifieke soortsgevoeligheid.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
De methode voor bepaling van sporen van sulfiet reducerende clostridia (SSRC) op Sulfiet Cycloserine Agar (SCA) is slecht reproduceerbaar. Een aantal sulfiet reducerende clostridia groeit na in water of in sediment en niet alle sulfiet reducerende clostridia zijn van faecale oorsprong. Bepaling van het aantal SSRC geeft meer informatie over het functioneren van zuiveringsprocessen dan over faecale verontreiniging. Clostridium perfringens is exclusief van faecale oorsprong en vertoont geen nagroei in water en sediment. Sporen van C.perfringens zouden een index functie kunnen vervullen voor het voorkomen van persistente darmpathogenen zoals virussen en (oo)cysten van protozoa. Dit rapport beschrijft de evaluatie van een membraanfiltratie methode voor de detectie van sporen van C.perfringens op mCP-agar. De gemiddelde recovery van sporen van C.perfringens WR 62 op het mCP-medium bedroeg 63,6 +- 10,2% ten opzichte van schapebloed agar. Op SCA was deze recovery 73,5 +- 4,8%. De selectiviteit van het mCP-medium is hoog ; 97,5% van de karakteristieke kolonies is met behulp van de MNLG-tests als C.perfringens bevestigd. De specifiteit is echter minder goed ; 8/24 (33,3%) niet-karakteristieke kolonies werden toch als C.perfringens bevestigd. Dit heeft tot gevolg dat zowel karakteristieke als niet-karakteristieke kolonies op mCP-agar bevestigd moeten worden. De aantallen SSRC en sporen van C.perfringens werden in 10 monsters (huishoudelijke/industrieel/slachthuis) afvalwater met behulp van resp. de SCA- en de mCP-methode bepaald. In afvalwater bestaan SSRC grotendeels uit sporen van C.perfringens. In 8/10 onderzochte monsters bestond geen significant verschil tussen de SCA- en mCP-methode. De gemiddelde recovery op het mCP-medium ten opzichte van SCA bedroeg voor deze monsters 103,8 +- 24,5%. In 2/2 onderzochte monsters slachthuisafvalwater werd met de SCA-methode een significant hoger aantal SSRC dan sporen van C.perfringens met de mCP-methode gevonden. Mogelijk gaat de aanname dat SSRC in afvalwater grotendeels uit sporen van C.perfringens bestaan voor dit type afvalwater niet op. De geisoleerde SSRC zijn echter niet gedetermineerd waardoor hier niet met zekerheid een uitspraak over gedaan kan worden. De mCP-methode kan echter goed gebruikt worden voor het bepalen van het aantal C.perfrigens sporen in afvalwater van humane herkomst.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Inleiding Om de huidige immuunstatus van de Nederlandse bevolking te bepalen is het PIENTER-project (Peiling Immunisatie Effect Nederland ter Evaluatie van het Rijksvaccinatieprogramma) opgezet. In het kader van dit project wordt een serumbank opgericht, die sera moet bevatten van een representatieve steekproef van de Nederlandse bevolking. De serumbank wordt benut voor: 1. immunosurveillance onderzoek naar leeftijdspecifieke immuniteit tegen ziekten waartegen in het RVP wordt gevaccineerd ; 2. schatting van voorkomen van infectieziekten die vaak subklinisch verlopen ; 3. onderzoek naar prevalentie van serum-determinanten van andere ziekten. Om de haalbaarheid van een dergelijk project te toetsen is een pilot onderzoek uitgevoerd in de provincie Utrecht. Doel van dit pilot-onderzoek is, naast het toetsen van de logistiek en haalbaarheid van de onderzoeksopzet (zie deel 1 van de rapportage), inzicht te verkrijgen in redenen van weigering opdat responsverhogende maatregelen genomen kunnen worden in het hoofdonderzoek en het toetsen van representativiteit. Opzet. Non-responsonderzoek als onderdeel van een cross-sectioneel populatie onderzoek. Methode. Uit de provincie Utrecht is een naar inwonertal gewogen steekproef van gemeenten uitgevoerd. Uit bevolkingsregisters van vier gemeenten (Utrecht, Zeist, Amerongen en Woudenberg) is een naar leeftijd gestratificeerde steekproef getrokken van 510 personen. De beoogde respondenten werden gevraagd een vragenlijst in te vullen en een spreekuur voor bloedafname te bezoeken. Alle personen die niet hebben geparticipeerd aan de bloedafname zijn in de week na de bloedafname telefonisch of -indien dit onmogelijk was- schriftelijk benaderd voor het non-respons onderzoek. Van de non-respondenten zijn gegevens verzameld over reden van nonrespons, bereidheid tot deelname aan extra bloedafname spreekuur, vragenlijstgegevens over geloofs- of levensovertuiging, vaccinatiestatus, land van herkomst, sociaal-economische status en ervaren gezondheid. Uit bevolkingsregisters waren gegevens aanwezig over leeftijd, geslacht, nationaliteit, burgerlijke staat en woonplaats. Daarnaast was bekend of personen een schriftelijke reminder hadden ontvangen voorafgaand aan het bloedafnamespreekuur. De redenen van weigering zijn beschreven. De vergelijkbaarheid van de nonrespondenten met de respondenten is getoetst in een logistische regressie analyse. Tevens is een schatting gemaakt van de immuunstatus voor hepatitis A en mazelen voor respondenten en nonrespondenten door het percentage immunen in de respons groep te wegen met de variabelen uit het logistische regressie model. Resultaten. Er werden vier groepen van (non)respondenten onderscheiden: 1. initiele respondenten (n=714, 34%) ; 2. additionele respondenten die het extra bloedafnamespreekuur bezochten (n=113, 6%) ; 3. partiele non-respondenten waarvan gegevens uit vragenlijst bekend zijn (n=667, 27%) ; 4. absolute non-respondenten waarvan alleen gegevens uit bevolkingsregister aanwezig zijn en eventueel de reden van weigering (n=546, 27%). 1021 van de 1326 nonrespondenten zijn telefonisch benaderd. Hiervan werd 75% in twee en 95% in vijf pogingen bereikt. 301 personen zijn schriftelijk benaderd ; 49% had een geheim nummer, 30% geen aansluiting, 9% stond niet in telefoonboek vermeld, 13% weigerde actieve deelname. Van de overige 5 personen hadden 4 zelf contact opgenomen met de GGD en weigerde 1 persoon ook deelname aan het nonresponsonderzoek. Van 58,9% van de non-respondenten is schriftelijke of telefonische informatie verkregen. De redenen die non-respondenten opgaven voor non-participatie waren zeer divers. 36% van de redenen die opgegeven waren, werden beinvloedbaar geacht. Uit de logistische regressie bleek dat kinderen van 0-4 jaar, mannen, ongehuwden, personen die geen schriftelijke reminder ontvingen, personen met een lagere sociaal-economische status, niet-Nederlandse nationaliteit en slechte ervaren gezondheid minder vaak participeerden. Personen die een geloof aanhangen waarbij vaccinaties worden geweigerd doen minder frequent mee met name als zij niet ingeent zijn. Personen van 5-14 jaar namen frequenter deel. De schatting voor de immuniteit van hepatitis A en mazelen is niet vertekend door de non-respons. Conclusie. Het is mogelijk gebleken door telefonische benadering informatie te verkrijgen over nonrespondenten. Het nonrespons onderzoek heeft waardevolle informatie opgeleverd over aanpassingen waarmee de respons in vervolgonderzoek verbeterd kan worden. Zo bleek het mogelijk een redelijke responsverhoging te bereiken door personen telefonisch te herinneren aan de bloedafname. Hoewel selectieve nonrespons is opgetreden, heeft deze niet geleid tot vertekening van de prevalentie-schatting van mazelen en hepatitis A. De resultaten van het non-respons onderzoek kunnen gebruikt worden om ook de gemeten seroprevalentie van andere ziekten te corrigeren voor de selectieve non-respons.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport beschrijft de effecten en milieu-chemie van binaire combinaties van cadmium, zink en koper op de reproduktie van twee wormsoorten (Eisenia andrei en Enchytraeus crypticus) in een standaardtoets met OECD-kunstgrond. Het grote verschil tussen aquatische en terrestrische systemen is de aanwezigheid van de vaste bodemfase, die een belangrijke rol speelt bij sorptieprocessen, die voor een belangrijk deel de biobeschikbare fractie van een stof bepalen. Door de toxiciteitswaarnemingen te interpreteren met totale en extraheerbare metaalconcentraties, wordt de invloed van binding aan de bodemmatrix op de respons van bodemorganismen gekwantificeerd. Tevens zijn extraheerbare concentraties versus totaalconcentraties met Freundlich-isothermen bestudeerd. Effecten op de reproduktie worden met het toxic unit model en het isobologram-model beschreven. Alle toegepaste metaalcombinaties hebben een minder dan concentratie-additief effect op de reproduktie van beide wormsoorten. Dat betekent dat de metalen elkaars toxiciteit deels opheffen of onafhankelijk van elkaar werken. De EC50-waarden voor de toegepaste metaalmengsels hebben een grootte van 1.5 tot 3 Toxic Units. Dat betekent dat er 1.5 tot 3 keer zo veel metaal nodig is om 50 % effect te bereiken als verwacht wordt op grond van de concentratie-effect curves van de individuele metalen. Bij gebruik van extraheerbare concentraties verschuift het combinatie-effect in de richting van concentratie-additie (EC50 = ca. 1 TU). Dit duidt op interacties op het niveau van de bodemmatrix. Milieu-chemisch heeft cadmium -het meest toxische metaal- een hogere beschikbaarheid dan zink en is daardoor in de extracten van het mengsel steeds sterker vertegenwoordigd. Deze verschuiving van de cadmium/zink-ratio kan een veranderende respons teweeg brengen. Voor competitie tussen metalen om sorptieplaatsen in de bodem is geen eenduidig bewijs gevonden. Voor normstelling van mengsels van metalen lijkt concentratie-additie vooralsnog een veilige benadering. De factor 100 voor de afleiding van streefwaarden voldoet hierin. Bij de huidige interventiewaarden wordt geen rekening gehouden met combinatie-effecten, terwijl juist bij hoge concentraties meer competitie op bodem-chemisch niveau verwacht wordt, omdat er verzadiging van sorptieplaatsen optreedt. Door deze verzadiging komt er relatief meer metaal beschikbaar. Door bij interventiewaarden concentratie-additie toe te passen (concentraties van toxicanten worden als fractie van hun interventiewaarde uitgedrukt) kan een evenwichtiger beoordeling van verontreinigde locaties plaatsvinden. In dit rapport is een aanzet voor de te hanteren methodiek gegeven.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Monitoring Water Quality in the Future, Volume 3: Biomonitoring | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Met de Nitrachek wordt het nitraatgehalte on-site in grondwater bepaald. In het kader van het deelproject Veldmetingen/GLP (712602) zijn experimenten uitgevoerd om de vergelijkbaarheid tussen veldmetingen met de Nitrachek, en spectrofotometrische-laboratoriummetingen vast te stellen. Uit het onderzoek blijkt het gemiddelde van 12 Nitrachek-metingen in het veld, niet significant te verschillen van de spectrofotometrische laboratoriumbepaling van het mengmonster. Daarnaast zijn voor de nitraatmeting met de Nitrachek een aantal kenmerken bepaald. De verschillende kenmerken zijn o.a. meetbereik (5 tot 440 mg.l-1), herhaalbaarheid (16 mg.l-1) en binnen-laboratorium-reproduceerbaarheid (74 mg.l-1). Voor de Nitrachek metingen zijn verschillende meetmethoden met elkaar vergeleken. Zoals de dip-methode waarbij het teststrookje in de te meten oplossing wordt gestoken en de druppel-methode waarbij een vast volume (standaard, 10 mul) op het teststrookje wordt gebracht. De meting heeft een grotere nauwkeurigheid wanneer een vast volume monster in contact wordt gebracht met het teststrookje. De meetmethode is toepasbaar voor on-site metingen, waarbij een maximale meetfout van 10% wordt geaccepteerd. Voor de dip-methode en de druppel-methode (10 mul) moeten vier metingen worden verricht. Bij de druppel-methode waarbij 8 mul monster op het teststrookje wordt gepipetteerd, kan worden volstaan met drie metingen. De metingen moeten worden gecorrigeerd naar een temperatuur. De nitraatbepaling met de Nitrachek wordt gestoord door nitriet. Het constateren van de aanwezigheid van nitriet levert belangrijke informatie over de betrouwbaarheid van de nitraat-meting.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport behandelt de betrouwbaarheid van milieu-indicatoren van een van de berekeningsketens, die door het RIVM gehanteerd worden bij het opstellen van de milieubalans en milieuverkenningen (MB/MV). Het betreft de keten (voor Nederland) van stikstof-emissies in 1992 tot de nitraat-concentratie in ruw water in 2100. Hiertoe wordt het begrip betrouwbaarheid gespecificeerd in termen van een betrouwbaarheidsfactor en een betrouwbaarheidsinterval. De behandelde keten, door middel van stroomdiagrammen in kaart gebracht, is opgebouwd uit metingen, registraties, modelberekeningen en GIS-operaties. De primaire gegevens m.b.t. de stikstofbelasting zijn afkomstig van bronnen buiten het RIVM. Ze zijn gebaseerd op registraties, zoals bijvoorbeeld de landbouwtellingen. Voor de stikstofbelasting is een betrouwbaarheid gepostuleerd. De toegepaste RIVM modellen zijn respectievelijk OPS (atmosferisch transport), DEADM (atmosferische depositie), NLOAD (nitraat-uitspoeling vanaf bouw- en weilanden), BOSMODEL (nitraat-uitspoeling vanaf bos- en heidegrond) en FLOPZ1 (grondwater- stroombanen en verblijftijden). Meetnet-data zijn afkomstig van de Landelijke Meetnetten Luchtkwaliteit (LML, windsnelheden en NOy concentraties) en Grondwaterkwaliteit (LMG, nitraat-concentratie in het diepe grondwater). Door toepassing van onzekerheidsanalyses op modellen en met behulp van statistische methoden worden de onzekerheden in de diverse indicatoren bepaald, waarbij onzekerheden zich door de keten heen voortplanten. Op basis van deze gegevens wordt de betrouwbaarheid van de voor 1992 gerapporteerde milieu-indicatoren vastgesteld. Bij de berekeningen wordt veelal een ruimtelijke schaal van 5 x 5 km gehanteerd. Daarnaast worden ook de betrouwbaarheden voor verzurings-gebieden en voor geheel Nederland gegeven. Voor de nitraat-concentratie in ruw water wordt de betrouwbaarheid bepaald voor twee winputten in Nederland. De resultaten van het onderzoek worden gepresenteerd in de vorm van tabellen en figuren, waaronder histogrammen en geografische weergaves van de indicatoren en de betrouwbaarheidsfactoren. Tabel 7.1 op bladzijde 73 geeft een overzicht van de betrouwbaarheid van de in dit rapport onderzochte indicatoren. Dit rapport heeft mede tot doel een aanzet te geven tot een (discussie over een) algemeen bruikbare methodiek voor het bepalen van de betrouwbaarheid in de berekeningen van milieu-indicatoren.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
INLEIDING In 1994 is als voorloper op een landelijk onderzoek een pilot-onderzoek voor het PIENTER-project (Peiling Immunisatie Effect Nederland ter Evaluatie van het Rijksvaccinatieprogramma) uitgevoerd. In het kader van dit project wordt een serumbank opgericht die sera moet bevatten van een representatitieve steekproef van de Nederlandse bevolking. Met behulp van deze gedefinieerde serumbank kan populatie-onderzoek worden verricht naar de immuniteit van ziekten uit het Rijksvaccinatieprogramma, naar het voorkomen van infectieziekten en naar serumderterminanten voor andere aandoeningen. Onderdeel van het pilot-onderzoek is de evaluatie van de vragenlijst zodat een vragenlijst kan worden ontwikkeld voor het landelijke onderzoek. DOEL Evaluatie van vragenlijst als onderdeel van een pilot van een cross-sectioneel populatie-onderzoek in de provincie Utrecht. METHODE Uit de provincie Utrecht is een naar inwonertal gewogen steekproef van gemeenten getrokken. Uit bevolkingsregisters van vier gemeenten (Utrecht, Zeist, Amerongen en Woudenberg) is een leeftijd gestratificeerde steekproef (leeftijdklassen 0, 1-4, 5-9 t/m 75-79 jaar) getrokken van 510 personen. Deelnemers werden gevraagd een vragenlijst in te vullen en deze tezamen met Rijksvaccinatieboekje, tropenvaccinatieboekje en militairpaspoort mee te nemen naar een spreekuur voor bloedafname. Inentingsgegevens uit deze boekjes werden op het spreekuur geregistreerd. De mening van de deelnemers over de lengte en duidelijkheid van vragen en frequenties van ontbrekende waarden zijn beschreven. Tevens zijn de naar leeftijd gewogen percentages voor de zelf-gerapporteerde vaccinatiestatus en de relatie met geloofs- of levensbeschouwelijke groepering beschreven. De zelf-gerapporteerde vaccinatiestatus voor DKTP en BMR zijn vergeleken met de vaccinatiestatus uit het Rijksvaccinatieboekje. De naar leeftijd gewogen percentages voor ervaren gezondheidstoestand, nationaliteit en hoogst voltooide opleiding zijn vergeleken met cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Het verwachte aantal personen en nauwkeurigheid van prevalentieschattingen in een landelijk onderzoek voor subgroepen voor wat betreft hoogst voltooide opleiding, geloofs- of levensbeschouwelijke groeperingen waarbij vaccinaties worden geweigerd, nationaliteit, ethnicititeit en deelname aan het Rijksvaccinatieprogramma worden berekend op grond van de resultaten van de pilot. BELANGRIJKSTE BEVINDINGEN EN CONCLUSIES De resultaten van de pilot bevestigen het verschil in vaccinatiestatus en attitude van personen die behoren tot geloofs- of levensbeschouwelijke groeperingen waarbij vaccinaties worden geweigerd. Deze personen zijn frequenter onvolledig gevaccineerd en zijn vaker van mening dat DKTP- en BMR-vaccinaties niet noodzakelijk zijn op grond van hun geloofsovertuiging. Tevens geven zij frequenter principiele weigering als reden voor onvolledige vaccinatie aan. Het merendeel van de personen die behoren tot een dergelijke geloofs- of levensbeschouwelijke groepering rapporteerde echter wel gevaccineerd te zijn. Aangezien geloofs- of levensovertuiging van personen is gerelateerd aan de vaccinatiestatus en attitude is het van belang om bij analyse van serologische profielen in het landelijke onderzoek gegevens te verzamelen over de geloofs- of levensovertuiging van de personen. De zelf-gerapporteerde vaccinatiestatus voor DKTP en BMR komt niet overeen met de vaccinatiestatus volgens het Rijksvaccinatieboekje en lijkt derhalve niet betrouwbaar. Ook uit de toetsing van de begrijpelijkheid van de vragenlijst blijkt dat vragen over vaccinatiegeschiedenis de meeste problemen opleveren. Vragen over vaccinaties kunnen derhalve in het landelijk onderzoek worden beperkt. Wel lijkt het zinvol gegevens uit het Rijksvaccinatieboekje te verzamelen. In het Pienter-project zijn personen met een niet-Nederlandse nationaliteit ondervertegenwoordigd. Op grond van vergelijking tussen resultaten van het CBS gebaseerd op een steekproef van huishoudens in Nederland, is behalve voor nationaliteit de representativiteit in het Pienter-project mogelijk niet gewaarborgd voor wat betreft sociaal-economische status. Wel komen de resultaten voor ervaren gezondheidstoestand met uitzondering van personen met een slechte ervaren gezondheid overeen met die van het CBS. Op grond van de te verwachten betrouwbaarheid voor prevalentieschattingen in het landelijk onderzoek lijken subgroepanalyses mogelijk voor subgroepen naar geslacht, naar sociaal-economische status en voor personen die rapporteren deel te hebben genomen aan het Rijksvaccinatieprogramma. Gezien de te verwachten betrouwbaarheid van prevalentieschattingen voor subgroepen van personen met een niet-Nederlandse nationaliteit of ethniciteit is het van groot belang om in het landelijke onderzoek maatregelen te nemen die ervoor zorgen dat de respons onder allochtonen toeneemt. Voor personen die behoren tot een geloof waarvan bekend is dat vaccinaties worden geweigerd en voor personen die rapporteren niet deel te hebben genomen aan het Rijksvaccinatieprogramma lijken in het landelijke onderzoek geen betrouwbare analyses mogelijk. Door onderzoek te verrichten in gemeenten met een lage vaccinatiegraad zal het aantal personen dat niet is gevaccineerd toenemen waardoor betrouwbare seroprevalentieschattingen mogelijk zijn.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport bespreekt de vervluchtiging van bestrijdingsmiddelen vanaf en vanuit de grond en vanaf de plant. Niet alleen tijdens toepassing van bestrijdingsmiddelen, maar vooral ook daarna, verdampt een deel van de toegediende stof. De mate van vervluchtiging verschilt per stof en hangt in eerste instantie samen met de dampdruk van de stof. Daarnaast spelen factoren als temperatuur, wateroplosbaarheid, adsorptie aan grondoppervlak of plant, bodemvochtigheid, luchtstroom en de concentratie van de stof een rol. Uit de literatuur is een groot aantal gegevens verzameld omtrent gemeten hoeveelheden vervluchtiging van bestrijdingsmiddelen per tijdseenheid. Deze gegevens zijn gepresenteerd in tabellen. Gegevens van veldstudies en laboratoriumstudies zijn in afzonderlijke tabellen gezet. Gegevens over vervluchtiging vanuit de grond, vanaf het grondoppervlak en vanaf de plant zijn ook opgesplitst over verschillende tabellen. Daarnaast zijn literatuurgegevens verzameld omtrent modellen waarmee de mate van vervluchtiging van bestrijdingsmiddelen geschat kan worden. Veel van de gevonden modellen zijn vanwege niet beschikbare invoerparameters niet bruikbaar. Voor het schatten van de vervluchtiging van bestrijdingsmiddelen vanaf het grondoppervlak wordt het gebruik van de zgn. "Dow-methode" voorgesteld. Bij deze methode zijn dampdruk, wateroplosbaarheid en adsorptie aan grond factoren die geacht worden de mate van vervluchtiging daadwerkelijk te beinvloeden. Als eerste aanzet om de "Dow-methode" te valideren zijn enkele hiermee berekende waarden vergeleken met gemeten waarden. Over het algemeen bleek de overeenkomst tussen deze waarden binnen een factor 7 te blijven. Voor de vervluchtiging van in de grond ingewerkte bestrijdingsmiddelen en voor de vervluchtiging vanaf planten werd geen bruikbaar model gevonden. Tenslotte wordt voor een groot aantal bestrijdingsmiddelen een overzicht gegeven van de met de "Dow-methode" berekende percentages vervluchtigde stof, 1 en 4 dagen na toepassing.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Dit onderzoek maakt deel uit van een project dat inzicht wil verschaffen in de variatie in de gevoeligheid van soorten voor toxicanten. Patronen in de chronische toxiciteit van chemische stoffen voor aquatische soorten worden daartoe onderzocht met een multivariate statistische techniek, principale componenten analyse. Het is een vervolg op een vergelijkbare studie met acute toxiciteitsgegevens. In deze studie is een gegevensset geanalyseerd met chronische toxiciteitsgegevens (NOECs) voor groei voor 15 aquatische soorten en 22 chemische stoffen. De soorten behoren tot verschillende taxonomische klassen: algen, vaatplanten, protozoen, kreeftachtigen, vissen en amfibieen. De organische verbindingen zijn in te delen in verschillende toxicologische groepen: niet-polair narcotische, polair narcotische of reactieve verbindingen en verbindingen met een specifiek werkingsmechanisme. Drie zware metalen, een halogeen en een detergent zijn ook in de gegevensset opgenomen. De toxiciteitsgegevens zijn verzameld uit de Aquire-database van de EPA en uit aanvullend literatuuronderzoek. Principale componenten analyse is toegepast om patronen te onderkennen in de variatie van toxiciteit voor soorten. De ratio van acute over chronische toxiciteit is berekend voor elke toxicant. Ook wordt een vergelijking gemaakt tussen de gemiddelde toxiciteit van een stof en de octanol-water partitie-coefficient. De belangrijkste conclusies van deze studie zijn: 1. Het grootste gedeelte van de variatie in soortgevoeligheid wordt veroorzaakt door de toxiciteit van de verbindingen en niet door intrinsieke verschillen tussen de soorten. 2. De stoffen kunnen op eenduidige wijze geordend worden naar hun chronische toxiciteit. Deze ordening is hetzelfde voor bijna alle soorten in de analyse en vergelijkbaar met de ordening gebaseerd op acute toxiciteit. 3. Er zijn geen duidelijke patronen in de soortgevoeligheid gevonden. 4. De ratio van LC50 over NOECgroei is vergelijkbaar voor alle verbindingen. Deze acuut/chronisch-ratio heeft een gemiddelde waarde van 4. Voor deze ratio is een 95% betrouwbaarheidsinterval berekend dat loopt van 1 tot 50 voor de 13 stoffen in deze studie waarvoor zowel acute als chronische toxiciteitsgegevens beschikbaar waren. 5. De gemiddelde toxiciteit van verbindingen met een niet-specifiek werkingsmechanisme vertoont een sterke relatie met de octanol-water partitie-coefficient (Kow) en, zoals verwacht, zijn verbindingen met meer specifieke werkingsmechanismen toxischer dan voorspeld op basis van hun Kow.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport worden de stofstromen door economie en milieu beschreven van zes zware metalen: koper, zink, lood, chroom, cadmium en kwik in het basisjaar 1990. Met behulp van scenarioberekeningen is het effect van het milieubeleid met aanvullende maatregelen op de stofstromen in 2010 geschat. De studie is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van VROM, afdeling Stoffen, omdat de gestelde milieukwaliteitsnormen voor de geselecteerde zware metalen in een aantal milieucompartimenten en restprodukten (onder andere RWZI-slib en AVI-bodemas) wordt overschreden. Uit de studie blijkt dat het huidige milieubeleid tot reducties leidt, maar dat deze niet voldoende zijn om de gewenste milieukwaliteit te bereiken. Daarom worden (potentiele) aanvullende beleidsmaatregelen opgesomd, die volgens de berekeningen wel voldoende effectief zijn. Een nevendoelstelling van de studie was het bepalen van de effectiviteit van het milieubeleid voor wat betreft voorraadbeheer.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
DOEL: Het vaststellen van de prevalentie van HIV onder intraveneuze- (IVDs) en niet-intraveneuze-druggebruikers in Heerlen e.o. en Maastricht. Het onderscheiden van subgroepen IVDs met een verhoogd risico op HIV-infectie. Het vaststellen van het risico op verdere verspreiding van HIV. METHODEN: Tussen 15 augustus en 25 november 1994 is bij 449 druggebruikers (340 IVDs) in Heerlen, Kerkrade, Brunssum en Maastricht een speekselmonster en een korte vragenlijst naar risicogedrag afgenomen. Deelnemers werden geworven via de methadonverstrekking (54%), de spuitomruil (16%), een straatprostitutieproject (3%), straatwerving (23%) en via andere druggebruikers (4%). RESULTATEN: Van de 340 IVDs waren 33 seropositief (prevalentie 10%, 95%-betrouwbaarheidsinterval [BI] 7-13%), onder de 109 niet-IVDs werden geen infecties gevonden (0%, 95%BI 0-3%). IVDs die gebruik maken van de spuitomruil hebben een hogere prevalentie (odds ratio 3.13, 95%BI 1.37-7.61). Een op de vijf actueel spuitende IVDs rapporteerde in de laatste 6 maanden een spuit of naald van een ander te hebben gebruikt. Een op de vijf IVDs heeft een niet-druggebruiker als vaste seksuele partner. Bij seksueel contact tussen vaste partners worden weinig condooms gebruikt. Op basis van zelfgerapporteerde serostatus lijken recent infecties te zijn voorgekomen. CONCLUSIES: De prevalentie van HIV onder IVDs in Heerlen e.o. en Maastricht is ongeveer 10%. IVDs die gebruik maken van de spuitomruil hebben een hogere prevalentie. Het risico op verdere verspreiding onder IVDs is hoog. Het risico op verspreiding naar niet-IVDs en niet-druggebruikers is aanwezig.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
In het kader van een herziening van de Leidraad bodembescherming worden in dit rapport voorstellen gedaan voor de humaan-toxicologisch onderbouwde C-toetsingswaarden voor grond en grondwater, gebaseerd op de humaan-toxicologische advieswaarden en een blootstellingsanalyse. Ten behoeve van de blootstellingsanalyse wordt in dit rapport het CSOIL-model besproken, dat is afgeleid om de blootstelling via de verschillende routes die relevant zijn voor beoordeling van bodemverontreiniging, te kwantificeren. Tevens wordt ingegaan op de onzekerheden die met betrekking tot een dergelijk model of modelonderdelen bestaan. Naast het gebruik van het model voor de afleiding van C-toetsingswaarden wordt aangegeven hoe het bruikbaar is bij actuele blootstellingsanalyse.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
In de regio Arnhem vinden sinds april 1989 een aantal surveillance-activiteiten voor HIV-infecties plaats. Dit rapport presenteert de resultaten van vijf jaar monitoring van laboratoriumdiagnostiek van HIV-infecties aangevuld met een continue enquete naar de indicatie voor de test bij alle aanvragers van deze diagnostiek. Van april 1989 tot en met juni 1994 zijn 16.411 testen verricht voor 14.715 personen uit het verzorgingsgebied van het Streeklaboratorium Arnhem (SLA). Het percentage geinfecteerde personen (1,0%, n=140) was bijna twee keer zo klein als het percentage positieve testen (1,8%, n=303). Het aantal positieve personen nam niet toe in de tijd, alhoewel het aantal aangevraagde testen wel sterk is gestegen. Dit werd hoofdzakelijk veroorzaakt door een stijging in testaanvragen vanwege "wisselende heteroseksuele contacten". Sinds de start van de enquete in 1990 zijn 13.002 personen getest, waaronder 114 seropositieven. Door de enquete is van 88% van deze personen de reden voor testaanvraag bekend. Van de personen werd 38,3% getest op verzoek van derden, meestal in het kader van een keuring voor een (levens)verzekering. Onder deze testen werden twee infecties (0.05%) aangetoond. Er werden 3835 mannen en 3220 vrouwen getest met een medische reden waarvan 1,3% positief werd bevonden. Bij mannen werden de meeste infecties waargenomen onder homo/biseksuelen: 9,7% seropositief. Per kalenderjaar varieerde dit percentage van 6% tot 10%. Ook onder de intraveneuze druggebruikers werden relatief veel infecties aangetoond: 4,2% van de mannelijke druggerbuikers was positief en 5,8% van de vrouwelijke. Circa 44% van de mannen en 59% van de vrouwen met een test op medische indicatie werden getest vanwege heteroseksueel risicogedrag. Het percentage infecties dat in deze groep werd gevonden was echter laag: 0,2% en 0,3% van deze mannen resp. vrouwen. Er was geen trend zichtbaar in de heteroseksuele verspreiding over de 5 jaren. Dit alles wijst erop dat de verspreiding van HIV-infecties zich nog steeds met name in de bekende risicogroepen voordoet ; aanwijzingen voor aanzienlijke transmissie in de algemene bevolking werden niet gevonden.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
De kwaliteit van het tijdens hoogwater van 1995 met Rijn en Maas meegevoerde rivierslib blijkt goed vergelijkbaar te zijn met de kwaliteit van het hoogwaterslib van 1993. De gemiddelde dikte van de in het winterbed en de uiterwaarden afgezette sliblaag varieert van enkele mm's tot enkele cm's. Uit de blootstellingsanalyse blijkt dat de lokale bevolking nagenoeg niet wordt blootgesteld aan contaminanten in de recent afgezette sliblaag. Dat geldt ook voor jonge kinderen, die, zoals bekend, een belangrijke risicogroep vormen voor de zware metalen die zich in het slib bevinden. Bij het voorkomen van blootstelling hebben de door de gemeentes geadviseerde maatregelen (zoals schoonmaken verharde oppervlakken, zand in overstroomde zandbakken vervangen etc.) een belangrijke rol gespeeld. Aangezien de kwaliteit van het afgezette slib ongeveer gelijk is aan, en in sommige gevallen beter is dan, de oudere bodemlagen, wordt ervan uitgegaan dat de kwaliteit van gewassen en dierlijke produkten als gevolg van de recente depositie gemiddeld genomen niet zal verslechteren. Geconcludeerd moet worden dat de depositie van slib tijdens het hoogwater van 1995 niet tot een relevante extra opname van contaminanten leidt of zal leiden. Het kan echter niet worden uitgesloten dat tijdens het hoogwater enkele particuliere drinkwaterwinningen microbieel verontreinigd zijn ; dit zal nader moeten worden onderzocht. De kwaliteit van het afgezette slib brengt weinig of geen verandering in de al bestaande risico's voor flora en fauna in de uiterwaarden. Die zijn er met name voor worm-etende vogels en zoogdieren en, in mindere mate, voor enkele soortgroepen ongewervelde dieren. Duidelijk waarneembare effecten op het uiterwaard ecosysteem worden op grond van de gemeten gehaltes in het recent afgezette slib echter niet verwacht.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Het rapport doet verslag van het onderzoek naar de samenstelling van het Nederlandse huishoudelijk (rest)afval in 1993. Daartoe werd het afval onderzocht van 11 verschillende typen huishoudens dat tezamen een afspiegeling vormt van het totale Nederlandse huishoudelijk afval. De belangrijkste componenten in het Nederlands huishoudelijk afval zijn: Groente-, Fruit- en Tuinafval (GFT) en ongedefinieerde rest (39,8%) ; papier en karton (27,1%) ; kunststoffen (8,9%) ; glas (4,2%) en ferro (4,1%).
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
De minister van VROM heeft het RIVM opgedragen vanaf 1995 jaarlijks een Milieubalans (MB) en vanaf 1997 vierjaarlijks een Milieuverkenning (MV) uit te brengen ter ondersteuning van de ontwikkeling van het milieubeleid. Om deze opdracht doelgericht en met oog voor toekomstige beleidsvragen uit te voeren heeft het RIVM een inhoudelijk ontwerp opgesteld voor de korte (MB95/MV97) en voor de langere termijn (MBx/MVx). In dit ontwerp geven de Milieuverkenning en Milieubalans het verband tussen het maatschappelijk activiteitenpatroon, inclusief mogelijke beleidsmaatregelen, en de daaruit voortvloeiende effecten op het milieu. Een programma van eisen is opgesteld waaraan de Milieubalans en de Milieuverkenning-van-de-toekomst moeten voldoen. Deze eisen hebben zowel betrekking op de inhoud, vorm als het proces. Om in dit programma van eisen te voorzien, dient periodiek een kwantitatief beeld te worden gegeven van de toestand en ontwikkeling van het milieu, uitgedrukt in een vaste set variabelen. Met deze vaste set variabelen, "graadmeters of indicatoren", worden de opeenvolgende Milieuverkenningen en Milieubalansen onderling vergelijkbaar en worden verbeteringen en verslechteringen in het milieu zichtbaar, analoog aan de CPB-cijfers in de economische verkenningen. Graadmeters of indicatoren worden gegeven voor zes relevante aandachtsgebieden voor het milieubeleid, zijnde dwarsdoorsneden van de causaliteitsketen: maatschappelijke ontwikkelingen (oorzaken), verbruik van voorraden, milieudruk, abiotische milieukwaliteit, effecten op ecosystemen, volksgezondheid en de maatschappelijke ontwikkeling, waaronder functies en sociaal-economische effecten van het milieubeleid incl. kosten. Deze graadmeters kunnen zowel detailinformatie als hooggeaggregeerde informatie betreffen, samengesteld uit vele variabelen. Tenslotte wordt een concreet en gedetailleerd ontwerp gepresenteerd aan de hand van dummies voor de Milieubalans en de Milieuverkenning waarin zowel de structuur is gegeven als de graadmeters met bijbehorende dimensies in de vorm van figuren. Deze figuren vormen de kern van de groep graadmeters waarin de ontwikkeling van de milieukwaliteit wordt uitgedrukt. Deze dummies zijn als losse bijlagen uitgebracht. Dit geheel -het produktontwerp- is in de loop van 1994 ter toetsing voorgelegd aan de NMP-departementen en de betrokken technisch-wetenschappelijke instituten. De resultaten hebben geleid tot deze verbeterde versie. Op basis van dit produktontwerp wordt een samenhangende basis-infrastructuur van meetnetten, modellen, informatiesystemen en procedures ontwikkeld. Hiermee wordt geanticipeerd op een toekomst waarin binnen een kort tijdsbestek 70-80% van de inhoud van de Milieubalans en Milieuverkenning op gestandaardiseerde wijze wordt geproduceerd. De resterende 20-30% wordt gereserveerd voor capita selecta, waarin actualiteiten of aandachtspunten worden beschouwd.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Het programma en de handleiding die tezamen dit rapport vormen, geven de mogelijkheid om de blootstelling te schatten en te beoordelen van stoffen die uit consumentenprodukten komen. De voornaamste overeenkomst tussen consumentenprodukten is eigenlijk de enorme diversiteit. Zo kunnen consumentenprodukten bestaan uit schoensmeer, uit huishoudzepen of uit bladluisbestrijdingsmiddelen. Al deze produkten bevatten potentieel schadelijke stoffen, soms als de actieve ingredient, soms als een toevallige contaminant. Bij het beoordelen van de blootstelling aan deze stoffen is het noodzakelijk meer informatie te hebben dan alleen de concentratie in het produkt zelf. Veel produkten staan immers tijdens gebruik stoffen af of worden voor gebruik verdund. Het rapport biedt een modelbenadering voor het schatten van de blootstelling, gebaseerd op relatief simpele blootstellings- en opnamemodellen. Om de diversiteit in consumentenprodukten te kunnen hanteren, zijn deze modellen gebaseerd op een algemeen modelraamwerk waarin het mogelijk is blootstellings- en opnamemodellen te vangen die in een range van situaties bruikbaar zijn. Ten tweede biedt het programma een groot aantal voorgedefinieerde blootstellings- en opnamemodelmodules, die door de gebruiker achter elkaar gezet kunnen worden. Het beginpunt van deze modellen is de route van blootstelling, te weten de inhalatoire, de dermale of de orale route. Meerdere blootstellingsroutes tegelijkertijd zijn ook mogelijk door voor meerdere routes een blootstellings- en opnamemodel te definieren. In sommige gevallen past het programma automatisch blootstelling via meerdere routes toe, zoals bij blootstelling via de lucht. In principe kan dan blootstelling via de inhalatoire, dermale en orale route plaatsvinden. Als resultaat van de berekeningen rapporteert het programma een aantal blootstellings- en opnamevariabelen. Dit zijn achtereenvolgens de blootstelling per gebeurtenis, de jaargemiddelde blootstelling, de opgenomen hoeveelheid per route, de gesommeerde opgenomen hoeveelheid en de opgenomen hoeveelheid per kilogram lichaamsgewicht per dag. Daarnaast laat het programma stochastische parameters in de modellen toe. Deze hebben tot gevolg dat de resultaten geen puntwaarde zijn, maar een verdeling van waarden volgen. Deze verdeling kan getekend en bestudeerd worden.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Het RIVM ontwikkelt een set van uitloogproeven voor organische componenten in het kader van het Taakstellend Plan ter ondersteuning van de normcommissie 390011 afvalstoffen'(TSP). In onderhavig onderzoek zijn de emissies van Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK) uit diverse materialen bepaald middels de kolom- en cascadeproef voor PAK. Op basis van latere studies is echter gebleken dat PAK adsorptie aan de gebruikte testopstelling voor de uitloogproeven optreedt en dat bovendien deze adsorptie beperkt kan worden door een aantal aanpassingen. In vergelijking met de verbeterde testmethode resulteert de werkwijze in deze studie in lagere PAK emissies. Kolom- en cascadeproeven zijn met de volgende bouwmaterialen en afvalstoffen uitgevoerd: drie gronden met verschillende mate van PAK verontreiniging, metselwerkgranulaat, betongranulaat, zeefzand, twee asfaltmonsters met verschillend teergehalte, AVI-bodemas, straalgrit, industriele vliegas en baggerspecie. De emissie van het totaal aan 10 PAK uit deze materialen lag doorgaans tussen circa 1 en 15 mug/kg. Alleen de emissies uit de zwaar verontreinigde grond en het asfalt met teer lagen vele malen hoger (165 en 17540 mug/kg). De laag moleculaire PAK zijn het meest oplosbaar in water, hierdoor waren de emissies van deze PAK ook hoger dan die van de hoog moleculaire PAK. De gemiddelde PAK concentratie in de kolomproef is indicatief vergeleken met een aantal normen voor water, waaruit bleek dat een aantal PAK concentraties in het eluaat van het asfalt met hoog teergehalte en van de zwaar verontreinigde grond boven de (oude) B-waarde voor grondwater lag. In deze studie is ook de bepaling van de PAK emissie. Doordat een lagere pH en verkleining van de deeltjesgrootte (<125 mum) weinig invloed had op de PAK emissie van PAK, is geconcludeerd dat de huidige beschikbaarheidsproef niet geschikt is voor de bepaling van de drijvende kracht voor PAK uitloging. In deze studie zijn de PAK emissie uit diverse bouw- en afvalstoffen bepaald. Aanbevolen wordt om voor het opzetten van een normstelling op basis van PAK uitloging uit bouwmaterialen, het uitloogmechanisme van PAK in de tijd, de parameters die de uitloging bepalen en de relatie tussen laboratorium experimenten en praktijk te onderzoeken.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
De huidige methode die in de Verenigde Staten, Groot- Brittannie en Nederland wordt gebruikt voor de detectie van Cryptosporidium en Giardia in water bestaat uit een combinatie van filtratie, concentratie door centrifugeren en flotatie en immuunfluorescentie microscopie. De methode is zeer arbeidsintensief en inefficient. Tijdens het opwerken van de monsters gaan veel (oo)cysten verloren; dit resulteert in een gemiddelde overall recovery van ongeveer 3% in monsters oppervlaktewater. Interpretatie van de microscopische preparaten is zeer tijdrovend en bovendien wordt hinder ondervonden van het in de preparaten aanwezige debris. In dit onderzoek werd de huidige methode verbeterd door gebruik te maken van fluorescence activated cell-sorting met een flow-cytometer. Hiertoe werd de FACSort flow cytometer ingepast in de huidige methode om de (oo)cysten van Cryptosporidium en Giardia uit concentraten van rivierwater, rioolwater en secundair effluent te zuiveren. De (oo)cysten werden gekleurd met FITC-gelabelde monoclonale antilichamen en op basis van hun fluorescentie en forward-scatter eigenschappen gesorteerd op een 13 mm polycarbonaat membraanfilter. 28 milieu monsters (inclusief 10 kunstmatig besmette monsters) werden onderzocht met zowel de standaard methode als de methode met de FACSort. De FACSort bleek zeer gebruikersvriendelijk en gemakkelijk te bedienen en verbeterde de prestaties van de standaard methode. Met de FACSort was 96% van de monsters positief voor Giardia (geometrisch gemiddelde 8,6 cysten/l), met de standaard methode was dit 86% (geom. gem. 4,1 cysten/l). In 22/25 monsters die met beide methoden werden onderzocht detecteerde FACSort 14 ( range 1,2-84) maal zo veel cysten als de standaard methode. Verschillen tussen de beide methoden zijn significant (P<0,05). FACSort detecteerde Cryptosporidium in 74% van de monsters (geom. gem. 0,95 oocysten/l), terwijl de standaard methode dat in 64% van de monsters deed (geom. gem. 0,38 oocysten/l). FACSort vond 17 (range 1,1-91) maal zo veel oocysten in 15/27 monsters die met beide methoden werden onderzocht ; de verschillen tussen de beide methoden zijn echter niet significant. Met de FACSort werden (oo)cysten op membraanfilters gesorteerd ; de verkregen preparaten waren erg schoon en makkelijk te beoordelen, waardoor de tellingen betrouwbaarder werden. Bij sorteren op membraanfilters met een diameter van 13 mm kon de tijd nodig voor microscopische beoordeling met ca. 70% gereduceerd worden. De overall recovery van beide methoden is relatief laag. Met FACSort werd voor Giardia een recovery van 17,1% behaald, voor Cryptosporidium bedroeg de recovery 5,9%. De standaard methode vond 15,6% van de cysten en 2,9% van oocysten terug. De lage overall recovery is niet te wijten aan de FACSort ; deze vindt 95% van de oocysten in een suspensie terug. De monster opwerk procedure die voor beide methoden gelijk is kent echter een aantal stappen die een aanzienlijk verlies van (oo)cysten veroorzaken. Er worden een aantal aanbevelingen gedaan om het onderscheidend vermogen van de FACSort te verbeteren door andere monoclonale antilichamen of fluorochromen te gebruiken, om de microscopische bevestiging te laten vervallen. De recovery van de totale opwerkings procedure kan verhoogd worden als flow cytometrie gekoppeld wordt met flocculatie met calciumcarbonaat. Gesorteerde monsters die naast (oo)cysten weinig debris bevatten zijn mogelijk ook geschikt voor het gebruik van technieken die de levensvatbaarheid van (oo)cysten vaststellen. Levensvatbaarheid is het belangrijkste criterium bij het bepalen van de gevolgen van (oo)cysten uit het milieu voor de volksgezondheid.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Voor 21 stoffen zijn met het multimedia model SimpleBox de verhoudingen van de stationaire concentraties in bodem en lucht berekend. Met deze Stationaire Concentratie Verhoudingen (SCV-waarden) zijn, uitgaande van de bekende Maximaal Toelaatbaar Risiconiveau's (MTR-waarden) voor grond, kritische concentraties in lucht afgeleid. De onzekerheden in de berekende SCV-waarden zijn bepaald door Monte Carlo simulaties te doen met als uitgangspunt de onzekerheid en variabiliteit in de invoergegevens voor het model. Voor de beschouwde stoffen was de onzekerheid in de berekende SCV-waarden ruwweg een factor 5. De tijd die nodig is voor het bereiken van 95% van het stationaire eindniveau (t 95%) is eveneens berekend. Voor de beschouwde stoffen varieerden deze tijden van 0,2 tot 40 jaar.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Onzekerheid speelt een sleutelrol in mondiaal geintegreerde assessment modellen. Het identificeren, zichtbaar maken en verklaren van onzekerheden in het TARGETS model (Tool to Assess Regional and Global Environmental and Health Targets for Sustainability) neemt daarom een centrale plaats in in het onderzoeksprogramma 'Global Dynamics and Sustainable Development' (RIVM), waarbinnen het TARGETS model ontwikkeld wordt. Met de huidige methoden van onzekerheidsanalyse is het niet mogelijk om alle bronnen en typen onzekerheden zichtbaar te maken, kunnen onzekerheden niet op een systematische, consistente en coherente manier geclusterd worden en worden onzekerheden niet op een voor beleidsmakers begrijpelijke manier gepresenteerd. In dit rapport introduceren we een methode waarmee onzekerheden ten gevolge van onenigheid tussen experts en subjectieve beoordeling zichtbaar en hanteerbaar worden gemaakt en waarmee het mogelijk is onzekerheden op een systematische manier consistent en coherent te clusteren. Omdat subjectieve beoordeling en onenigheid tussen experts optreden doordat mensen verschillende perspectieven hebben, stellen wij perspectief-gebaseerde alternatieve modelroutes voor om dergelijke onzekerheden te analyseren. Alternatieve modelroutes zijn modelinterpretaties waarin onzekerheden 'ingekleurd' worden door (voor)oordelen en preferenties van een bepaald perspectief. In andere woorden, de interpretaties van onzekerheden worden geclusterd met behulp van verschillende perspectieven. De alternatieve modelroutes worden gebruikt om onzekerheid te vertalen in risico van beleidsstrategieen. Rekening houdend met het feit dat beleidsmakers gewend zijn aan het begrip risico als besluitvormingscriterium, denken wij dat de gepresenteerde benadering een nuttige bijdrage is aan de beoogde beleidsondersteunende rol van geintegreerde assessment modellen. De methodologie is toegepast op het fertiliteitssubmodel en het klimaat onderdeel van het mondiale kringlopenmodel van TARGETS, om de mogelijkheden en beperkingen van deze manier van onzekerheidsanalyse voor zowel het menselijke als het milieusysteem te verkennen. Voorlopige experimenten met de alternatieve routes in het fertiliteitsmodel laten zien dat de verschillen in projecties gemotiveerd en verklaard kunnen worden met behulp van de achterliggende interpretaties van de onzekerheden, in tegenstelling tot de traditionele methoden die slechts minima, maxima en beste schattingen laten zien. De evaluatie van onzekerheden in termen van risico's van beleidsstrategieen geeft aan welke onzekerheden ten gevolge van subjectieve beoordeling en onenigheid tussen experts het meest relevant zijn voor het politieke debat. Dergelijke inzichten kunnen gebruikt worden om de onderzoeksagenda op dan wel bij te stellen. Experimenten met modellen voorzien van alternatieve model routes bieden de mogelijkheid om op een consistente en coherente manier beleidsscenario's te ontwikkelen. Vanwege vertraging in de modelontwikkeling was het niet mogelijk op tijd alternatieve routes in het kringlopenmodel te implementeren. De beschreven studie voor het thema klimaat dient bijgevolg beschouwd te worden als een haalbaarheidsstudie, waarvan het resultaat een kwalitatieve beschrijving van de alternatieve model routes in het kringlopenmodel is. Deze routes zullen in de komende maanden geimplementeerd worden ten einde de consequenties van onzekerheden ten gevolge van subjectieve beoordeling en onenigheid tussen experts te kunnen analyseren en te verklaren.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
In gevallen waar humane toxiciteitsgegevens niet beschikbaar zijn wordt de "Acceptable Daily Intake" (ADI) berekend door deling van de "No Observed Adverse Effect Level" (NOAEL) in proefdieren door een veiligheidsfactor. In deze berekening wordt de NOAEL gebruikt als een puntschatting voor de drempelwaarde voor chemische toxiciteit. De manier waarop de NOAEL gebruikt wordt voor het berekenen van de ADI heeft echter enkele beperkingen. Enkele van deze beperkingen zijn de zwakte van de NOAEL als schatter voor de toxiciteitsdrempel en de onmogelijkheid om de toxiciteit van blootstellingen groter dan de ADI te kunnen beoordelen. Dit rapport evalueert drie kwantitatieve methoden, te weten Crump's "Benchmark" Dosis, Gaylor's Extrapolatie Methode en Hoekstra's "Bounded-Effect" Dosis, op hun meerwaarde ten opzichte van de NOAEL methode ter bepaling van de ADI. In tegenstelling tot de NOAEL methode betrekken de genoemde methoden de gemeten experimentele variatie bij het bepalen van de toxiciteitsdrempel. Verder betrekken deze methoden alle experimentele waarnemingen bij het vaststellen van de toxiciteitsdrempel. Bij de traditionele manier methode om de ADI vast te stellen worden daarentegen slechts de waarnemingen bij een van de toegediende doses, nl. de NOAEL, gebruikt. De toepasbaarheid van de genoemde methoden als alternatief voor de NOAEL methode wordt voor een groot deel bepaald door de kwaliteit van de te analyseren waarnemingen. In het bijzonder zijn daarbij de volgende punten van belang : 1. In hoeverre laten de waarnemingen een kwantitatieve dosis-effect analyse toe ? 2. Kan de drempelwaarde voor toxiciteit uit de waarneminegn zelf afgeleid worden of is hiervoor extrapolatie buiten het waarnemingsgebied nodig ? 3. Kunnen a priori veilige cq. niet-veilige effect niveau's aangegeven worden ? Wat betreft de toepasbaarheid van genoemde methoden kunnen de volgende conclusies getrokken worden. In gevallen waar de waarnemingen een kwantitatieve dosis-effect analyse toelaten heeft Crump's "Benchmark" Dosis methode de voorkeur boven de NOAEL methode. Toxiciteitsgegevens die in het kader van regelgeving beschikbaar zijn lenen zich in het algemeen echter niet voor een gedegen dosis-effect analyse. In dergelijke gevallen zou Hoekstra's "Bounded Effect" Dosis als alternatief voor de NOAEL methode gebruikt kunnen worden. In gevallen waar extrapolatie buiten het waarnemingsgebied noodzakelijk is voor het vastellen van toxiciteitsdrempels cq. veilige blootstellingsniveau's verdient Gaylor's Extrapolatie Methode de voorkeur. Het toepassen van de "Benchmark" Dosis methode kan belangrijke consequenties hebben voor het experimentele protocol dat toegepast wordt bij het vastellen van veilige blootstellingsnivau's. Toepassing van deze methode maakt het gebruik van herhaalde waarnemingen per toegediende dosis overbodig. Deze eigenschap maakt een efficienter gebruik van proefdieren bij het vaststellen van toxiciteitsdrempels mogelijk. Verwacht mag worden dat deze methode daarom tot een aanzienlijke besparing van het proefdiergebruik in het toxicologisch onderzoek kan leiden. Voor de toepassing van zowel Crump's "Benchmark" Dosis, Hoekstra's "Bounded Effect" Dosis en Gaylor's Extrapolatie Methode is kennis van veilige vs. niet-veilige effect niveau's noodzakelijk. Deze kennis kan veelal niet uit het huidige toxiciteitsondezoek verkregen worden. Aan het definieren van veilige vs. niet-veilige effect niveau's voor toxiciteitsparameters dient daarom de hoogste prioriteit gegeven te worden.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Bij de produktie van fosfaatkunstmest uit fosfaaterts komt fosfogips vrij. Dit fosfogips mag door zijn hoge radioactiviteit niet direct verwerkt worden. De verwijdering van radionucliden uit het ruwe gips vindt nog slechts op zeer geringe schaal plaats. Het overgrote deel wordt op land opgeslagen in speciale depots, of in oppervlaktewater geloosd. Europa produceerde in 1991 fosfaatkunstmest met in totaal ruim 4 Mton P2O5, hetgeen gepaard ging met een geschatte fosfogipsproduktie van 19 Mton. De totale Europese fosfaatkunstmestproduktie neemt af sinds 1987. Van negen landen waarvan in het kader van dit onderzoek gedetailleerde kwantitatieve gegevens zijn aangetroffen (Belgie, Frankrijk, Duitsland, Nederland, Noorwegen, Portugal, Spanje, Zweden en Groot-Brittannie) bedroeg in 1991 de gezamenlijke geschatte fosfogipsproduktie ca 11,8 Mton (deze landen produceerden samen ca 63% van de totale Europese fosfogipsproduktie). Hiervan werd 27% geloosd in het oppervlaktewater (3,2 Mton) ; 68% werd op land opgeslagen (8 Mton), en 5% (0,6 Mton) werd verder verwerkt tot produkten die geschikt zijn voor gebruik in de bouw, wegenaanleg etc. Dit laatste vond voor zover bekend uitsluitend plaats in Belgie, door toepassing van een gipsconditioneringsinstallatie, waarmee o.a. radionucliden uit het fosfogips worden verwijderd. De geschatte activiteit (in GBq) geloosd in water respectievelijk opgeslagen op land door genoemde landen in 1991 wordt gegeven.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Om de effecten van verzurende stoffen op ecosystemen te beschrijven moet de depositie van deze stoffen ook op een voor ecosystemen relevante schaal (typisch enkele kilometers) zijn gegeven. De huidige modellen die het transport van verzurende stoffen over Europa beschrijven, zoals EMEP en TREND model, beschrijven deze depositie op een relatief grote schaal (tientallen kilometers). In dit rapport wordt een beschrijving gegeven van het EDACS (European Deposition of Acidifying Components on Small scale) model. Met dit model wordt de depositie van verzurende stoffen op kleine schaal over Europa berekend. Het doel van deze voorlopige kaarten is het zichtbaar maken van het detail van de verzurende depositie relevant in de effectenstudies. Met deze meer gedetailleerde depositiekaarten is een betere vergelijking mogelijk geworden met de "critical loads" over Europa. De componenten die als verzurend beschouwd worden zijn: SO2 and SO4-- aerosol (SOx), NO, NO2 (NOx), HNO3 and NO3- aerosol and NH3 and NH4+ aerosol (NHx). De droge depositie wordt berekend met behulp van de "inference" methode. Dit betekent dat de depositie op een bepaald oppervlak bepaald wordt uit een geparametrizeerde depositiesnelheid en de concentratie, beide gegeven op eenzelfde hoogte boven het oppervlak. In EDACS worden droge depositievelden over Europa berekend gebruikmakend van het RIVM landgebruikbestand op 1/6 graad x 1/6 graad lengte-breedtegraad rooster en meteorologische informatie en een gedetailleerde beschrijving van het depositieproces (i.e. depositiesnelheid). Deze parametrizaties zijn afgeleid uit experimenten (zoals uitgevoerd in het EUROTRAC/Biatex programma) en literatuurgegevens. De droge depositiesnelheidsvelden per component worden vermenigvuldigd met de concentratievelden van het EMEP Lagrangiaanse verspreidingsmodel op 150x150km resolutie. De natte depositie van verzurende stoffen is ook geschat, op basis van metingen en toegevoegd aan de droge depositiekaarten om zo vervolgens de totale potentiele verzuringskaart over Europa te verkrijgen. De depositievelden vertonen verscheidene ruimtelijk patronen. Deze zijn gekoppeld aan de brongebieden, meteorologische omstandigheden en het landgebruik. De onzekerheden in deze kaarten is groot aangezien er een groot aantal onzekerheden in de droge depositie-parameterizaties en de gegevensbestanden aanwezig zijn. Deze kaarten zijn dan ook voorlopig en zullen in de loop van 1995 en verder, vernieuwd worden. De verzuringskaarten op kleine schaal over Europa worden vervaardigd in samenwerking met het EMEP/MSC-W, te Oslo, Noorwegen.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
De SAS procedure MIXED schat parameters voor gemengde lineaire modellen (modellen met zowel 'fixed' als 'random' effecten). Het gemengde model analyseert data met meerdere variantie bronnen in plaats van een bron (zoals met het algemene lineaire model, dat door de SAS procedure GLM gebruikt wordt). Een aantal verschillende gemengde modellen zijn toepasbaar, b.v. split-plot modellen, herhaalde metingen, random coefficinten, BLUP (best linear unbiased predictor) modellen en heterogene varianties. Model parameters worden geschat met behulp van 'maximum likelihood' (ML) of 'restricted maximum likelihood' (REML). Dit rapport wordt uitgebracht in het kader van de taak die de afdeling IMA voor het RIVM vervult.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Dietary saturated fatty acids, serum cholesterol, and coronary heart disease. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Gedurende het project Focal Point Preventie Chronische Ziekten zijn 'state-of-the-art' rapporten geschreven voor negen chronische ziekten. Mede op basis van deze rapporten is in dit integrerend rapport getracht een ziekteoverstijgend beeld te geven van de mogelijkheden voor primaire en tertiaire preventie van chronische ziekten door middel van leefstijlinterventies. Daartoe zijn vier leefstijlfactoren besproken, te weten: lichamelijke (in)activiteit, roken, voeding en alcoholgebruik. Er wordt achtereenvolgens ingegaan op de relatie tussen deze leefstijlfactoren en het ontstaan en beloop van de negen chronische ziekten, de prevalentie van de leefstijlfactoren in de algemene bevolking en onder chronisch zieken, en de effecten van interventies op de leefstijlfactoren op het ontstaan en het beloop van de chronische ziekten. Er wordt onderscheid gemaakt tussen interventies gericht op een risicofactor (unifactorieel) dan wel meer risicofactoren (multifactorieel). Bij preventieprogramma's wordt bovendien onderscheid gemaakt tussen programma's gericht op een chronische ziekte en programma's die gericht zijn op meer chronische ziekten. Bij het ontstaan of het beloop van een ziekte spelen meerdere leefstijlfactoren een rol. Tevens geldt zowel voor het ontstaan als het beloop van chronische ziekten dat een leefstijlfactor van invloed kan zijn op meerdere ziekten. Lichamelijke inactiviteit, roken, (overmatig) alcoholgebruik en ongezonde voeding komen regelmatig in de algemene bevolking voor. De gunstige trends in de prevalentie van roken en overmatig alcoholgebruik stagneren of lijken zelfs om te keren. Wat betreft voeding zijn er zowel gunstige als ongunstige verschuivingen. De mate van lichamelijke inactiviteit lijkt te zijn toegenomen, mede door allerlei (technologische) ontwikkelingen. Gegevens over de prevalentie van bovengenoemde leefstijlfactoren bij chronisch zieken zijn nauwelijks voorhanden. Met behulp van gegevens uit de CBS-gezondheidsenquete is getracht een eerste indruk te verkrijgen van de prevalentie van (zelfgerapporteerde) lichamelijke inactiviteit, roken en overmatig alcoholgebruik bij chronisch zieken. Hieruit blijkt dat ook bij chronisch zieken (theoretisch) gezondheidswinst is te behalen door middel van leefstijlinterventies. Uit preventieprogramma's gericht op de algemene bevolking komen aanwijzingen dat gunstigere resultaten ten aanzien van primaire preventie kunnen worden geboekt met de multifactoriele benadering, waarbij op meerdere determinanten van een ziekte tegelijk wordt geintervenieerd. De beste resultaten lijken te komen uit 'community-based' preventieprogramma's, die de populatiebenadering combineren met een (meer intensieve) doelgroep- of 'high risk'-benadering. Een lange adem, dat wil zeggen continuiteit in de programma's, is nodig om tot gedragsbehoud te komen. Ook voor het meten van een effect op gezondheidsparameters is een lange adem noodzakelijk. Op basis van beschikbare resultaten uit observationeel onderzoek is aannemelijk te maken dat interventies op leefstijlfactoren een gunstig effect kunnen hebben op het beloop van chronische ziekten. Er zijn bovendien enkele goed uitgevoerde unifactoriele interventiestudies op het gebied van leefstijlfactoren bij chronisch zieken gevonden die gunstige effecten op gezondheidsparameters aantonen. Het aantal goed opgezette interventiestudies met een voldoende lange follow-up om deze effecten op gezondheidsparameters aan te kunnen tonen, is echter nog zeer beperkt. Multifactoriele leefstijlinterventies bij chronisch zieken zijn voornamelijk bij hart- en vaatziektenpatienten uitgevoerd. Studies onder deze patientengroep rapporteren gunstige effecten op het beloop van de ziekte. In hoeverre deze resultaten ook doorgetrokken kunnen worden naar andere ziekten is nog onduidelijk. Bij leefstijlinterventies gericht op chronisch zieken ligt een ziektespecifieke aanpak het meest voor de hand. Daarmee wordt allereerst bedoeld dat de leefstijlinterventies onderdeel dienen te vormen van de behandeling en daarnaast dat dan allereerst moet worden geintervenieerd op de leefstijlfactoren die een directe relatie hebben met het beloop van de ziekte. Leefstijlfactoren die geen directe relatie hebben met het beloop van de ziekte moeten alleen als onderdeel van de behandeling worden opgenomen als zij voldoende gelegitimeerd kunnen worden vanuit de preventie van comorbiditeit. Dit integrerend rapport wordt afgesloten met een aantal uitgangspunten voor een geintegreerde preventiestrategie, alsmede een zestal hieruit volgende aanbevelingen.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
De invloed op bossen van de depositie van zwavel en stikstof, ozon en van op grote schaal onderzocht. Hiertoe zijn een aantal intensieve monitoring studies opgezet en werden modellen van de kringloop van water, nutrienten en assimilaten ontwikkeld. Dit rapport beschrijft de toepassing van het bodemverzuringsmodel NuCSAM, en de geintegreerde modellen SoilVeg en ForGro op het Speulderbos, een Douglas-opstand op een holtpodzol. In dit bos werd van 1987 t/m 1991 een uitgebreide meetcampagne uitgevoerd. De gesimuleerde bodemwatergehalten, concentraties van stoffen in het bodemwater, naaldmassa's, stam-aanwas en nutrientenstatus kwamen redelijk goed overeen met de metingen. De modellen vertoonden echter aanzienlijke onderlinge verschillen op het gebied van grootheden welke niet gemeten konden worden, zoals bosverdamping, drainage, nutrientenopname en mineralisatie. Het gedrag van de geintegreerde modellen werd geverifieerd door toepassing van deze modellen op een irrigatie- en fertigatie experiment op een nabij gelegen Douglas opstand. De modellen konden in het algemeen de effecten van irrigatie en fertigatie op de stam-aanwas redelijk goed voorspellen, maar er waren grote verschillen wat betreft de voorspelde nutrienten status en de stikstof-mineralisatie. De modellen werden vervolgens gebruikt voor scenario analyses voor de periode 1994-2050. Ook hier werden grote verschillen tussen de modellen gevonden voor met name de stikstofkringloop en de nutrienten status (met name het N-gehalte in bladeren). Alle modellen voorspelden dat de concentraties van sulfaat en aluminium in de bodemoplossing snel omlaag gaan na een afname van de verzurende depositie, en dat de concentratie van nitraat een aantal jaren hoog blijft na een afname in de stikstofdepositie. Dit laatste wordt veroorzaakt door opslag van een overmaat aan stikstof in de biomassa en het strooisel. Uit de resultaten van de geintegreerde modellen blijkt verder dat de directe effecten van verhoogde SOx en ozon concentraties in de atmosfeer, alsmede de indirecte effecten van een lage pH en hoge aluminium concentratie een minder groot probleem opleveren dan de effecten van droogte en de overmaat aan stikstof. Onze kennis van de effecten van luchtverontreining en zure depositie op bossen is in het algemeen gebaseerd op laboratoriumstudies en korte monitoring studies. Tot dusverre is het bijna onmogelijk om effecten die in het laboratorium gevonden werden te vertalen naar de veldsituatie. Zolang dit het geval is, blijft elke voorspelling en extrapolatie die met geintegreerde modellen gedaan wordt onzeker, zeker als het gaat om de voorspelling van effecten op een landelijke schaal.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
UBS, het Uniforme Beoordelingssysteem Stoffen (in het engels: USES), is een beslissings-ondersteunend gereedschap voor een snelle, kwantitatieve risico-analyse van een chemische stof gedurende zijn levenscyclus. Risico-analyse is een inherent onzeker proces door de beperkte beschikbaarheid van invoergegevens, en gebrek aan kennis. Verder vertonen veel modelparameters natuurlijke variatie (zoals bijvoorbeeld de stroomsnelheid van een rivier). Een grondige modelanalyse is daarom aan te bevelen. Onzekerheidsanalyse toont de gebruiker van een model de onzekerheidsmarge van het eindresultaat (de risico-quotienten of PEC/NEC ratio's). Zo kan de onzekerheid worden meegenomen in de te nemen beslissing door de kans op een verkeerde beslissing aan te geven. Een bijkomend voordeel is de mogelijkheid tot sturing van verder onderzoek door de grootste bronnen van onzekerheid in het eindresultaat te identificeren. Dit kan effectief gebruikt worden om een risico-analyse te verfijnen. Versie 1.0 van UBS bevatte reeds een beperkte onzekerheidsanalyse voor de aquatische organismen en de micro-organismen in de rioolwaterzuivering. In dit rapport wordt de onzekerheidsanalyse uitgebreid naar de andere beschermingsdoelen (mensen, terrestrische organismen, vis- en wormetende vogels en zoogdieren). Alleen het lokale blootstellingsmodel is onderzocht. Door het technische karakter is dit rapport met name bedoeld ten behoeve van de verdere ontwikkeling van UBS. De beschreven simpele analytische methode is beperkt tot multiplicatieve modellen met lognormale onzekerheden. Het voordeel van deze methode is dat een exact antwoord op een snelle manier berekend kan worden. Niet alle berekeningen zijn echter multiplicatief. Daarom moeten voor verscheidene delen van het systeem Monte Carlo methoden worden toegepast. Een eenmalige onzekerheidsanalyse van UBS is niet mogelijk omdat de onzekerheid in het eindresultaat anders zal zijn bij verschillende stofeigenschappen. De analyse moet dus door de gebruiker van UBS gedaan kunnen worden bij elke stof die doorgerekend wordt. Dit stelt natuurlijk beperkingen aan de computertijd die nodig is voor de onzekerheidsberekeningen. Elke berekening of model van UBS 1.0 wordt apart besproken voor wat betreft de onzekerheden. Verder worden de onzekerheden gekwantificeerd. In veel gevallen is dit door een nauwkeurige gegevensanalyse gebeurd, in een aantal gevallen werd gebruik gemaakt van expert judgement. Niet alle bronnen van onzekerheid kunnen worden gekwantificeerd. Alleen de onzekerheid en/of variabiliteit in modelparameters is meegenomen. De onzekerheid ten gevolge van het blootstellingsscenario kan bijvoorbeeld niet worden gekwantificeerd. Verder dienen de onzekerheden in de extrapolatie van No-Effect Concentrations (NEC's) voor ecosystemen nader onderzocht te worden. Daarom moet de absolute waarde van de onzekerheid in het eindresultaat niet overschat worden. Bij de interpretatie van de risicoquotienten met hun onzekerheidsmarge dienen de genoemde beperkingen in overweging te worden genomen. Grondig testen van de voorgestelde onzekerheidsanalyse is daarom aan te raden (testen kan mogelijk in 1995 plaatsvinden).
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport over de produktie van cement is gepubliceerd binnen het Samenwerkingsproject Procesbeschrijvingen Industrie Nederland (SPIN). In het kader van dit project is informatie verzameld over industriele bedrijven of industriele processen ter ondersteuning van het overheidsbeleid op het gebied van emissiereductie. Dit rapport bevat informatie over de processen, bronnen van emissie, emissies naar lucht en water, afval, emissiefactoren, het gebruik van energie en energiefactoren, emissiereductie, onderzoek naar schone processen en normstelling en regelgeving.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Het proces van de humane risicoschatting kan verdeeld worden in risico-identificatie, vaststellen van dosis-respons relaties, vaststellen van blootstelling en risico-karakterisering. In de humane risicoschatting worden kwantitatieve methoden en modellen toegepast. Welk model dient te worden toegepast is afhankelijk van de vraagstelling. Voor het stellen van een norm kan een eenvoudig model gebruikt worden. Indien een norm overschreden wordt, en men wil een schatting van de gevolgen voor de gezondheid van de bevolking, dan is een complex model noodzakelijk. In dit rapport wordt een overzicht gegeven van een aantal belangrijke dosis-responsmodellen en methoden. Daarnaast wordt aangegeven waarvoor de verschillende methoden gebruikt kunnen worden.Het rapport is onderverdeeld in methoden en modellen voor genotoxische stoffen en niet genotoxische stoffen. Aangenomen wordt dat niet-genotoxische stoffen een drempelwaarde hebben waaronder geen effect optreedt. Voor deze stoffen wordt een overzicht gegeven van methoden om de drempelwaarde te schatten en methoden om een toxiciteitsnorm voor mensen vast te stellen. Daarnaast worden enkele extrapolatieproblemen die ontstaan bij het vertalen van diergegevens naar de mens in het kort beschreven. Vervolgens wordt uitgelegd wat "physiologically-based pharmacokinetic" (PBPK) modellen zijn en welke extrapolatieproblemen ermee kunnen worden opgelost Voor non-genotoxische en genotoxische stoffen worden enkele dosis-responsmodellen beschreven. Zowel curve-fit procedures als biologische modellen worden gepresenteerd.Ten slotte wordt een overzicht gegeven van modellen die gebruikt en onderzocht worden binnen het RIVM en wordt aangegeven wat, met het oog op de toekomst, belangrijk is op dit gebied.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport wordt in het kort een overzicht gegeven van de stand van zaken op het gebied van PCBs en dioxines in voedsel. Achtergrondblootstelling en de manier waarop deze achtergrondblootstelling ontstaat wordt besproken. In de risicobeoordeling wordt een overzicht gegeven van de toxicologische effecten, de wijze waarop een norm voor PCBs en dioxines is afgeleid, welke meetmethoden gebruikt worden en welke concentraties van PCBs en dioxines in verschillende voedingsmiddelen voorkomen. In het risico management deel wordt inzicht gegeven in de maatregelen die genomen zijn om de risico's ten gevolge van blootstelling aan PCBs en dioxines te verminderen.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport beschrijft een model dat dient om de kwaliteit van het oppervlaktewater te berekenen op Europese schaal. Het model combineert een GIS-gebaseerde aanpak om belastingen te schatten, geohydrologische gegevens om de modelstructuur te bepalen en statistische technieken om parameters te schatten. Het model start met een inventarisatie van diffuse bronnen van N en P: landbouw en atmosferische depositie. Stikstofstromen worden geacht zowel de oppervlakkige afstroming als de grondwaterstroming te volgen, fosfor volgt alleen de oppervlakkige afvoer. Naast diffuse bronnen vormen afvalwaterlozingen een belangrijke bron van nutrienten, in het bijzonder voor fosfor. Met realistische waarden voor de modelparameters blijkt het mogelijk een goede overeenstemming te verkrijgen tussen geschatte riviervrachten en metingen. De resultaten geven twee probleemgebieden aan: West-Europa (Theems, Schelde, Elbe, Rijn) met zijn intensieve landbouw en hoge bevolkingsdichtheid, en Zuid-Europa, waar lokaal hoge belastingen voorkomen, die in combinatie met lage afvoeren van water voor hoge concentraties zorgen. Voor de kustzeeen van Europa werden concentraties berekend op grond van conservatief gedrag van N en P. Bestaande advectie-diffusiemodellen werden gehercalibreerd op basis van saliniteitsgegevens. De resultaten wijzen uit dat de belangrijkste probleemgebieden liggen in de Oostzee en Zwarte Zee, met veel kleinere effecten in de Noordzee en de Adriatische Zee. In andere kustwateren zijn de menselijke invloeden gering. Hierbij moet worden opgemerkt, dat door ruimtelijke en seizoensvariabiliteit, die in deze studie niet is meegenomen, in bepaalde deelgebieden (m.n. kustzones) periodes met belangrijke problemen toch kunnen voorkomen.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Met het gereed komen van deel 2 van het beoordelingssysteem ESPE (Evaluation System for Pesticides, part 2, Non-agricultural pesticides) in 1993 (Luttik et al.) werd de eerste stap tot een methodiek van de toelatings-beoordeling van niet-landbouwbestrijdingsmiddelen afgerond. Het grootste deel van ESPE 2, werd ingebouwd in het Uniform Beoordelingssysteem (UBS). In het ESPE 2 rapport waren nog verschillende open plekken voorhanden, omdat in de literatuur nog niet voor alle routes een voldoende geaccepteerde methode beschikbaar was. Dit rapport geeft modellen, die kunnen worden ingebouwd in het Uniform Beoordelingssysteem (UBS), voor de volgende scenario's: desinfectantia die gebruikt worden in zwembaden, uitloging van geimpregneerd hout (pa-len/schuttingen) naar de bodem en het grondwater, en fumigantia die gebruikt worden in silo's, gebouwen, etc. Naast deze drie emissie modellen wordt een concept gepresenteerd waarmee de diffusie van metaalionen van de waterfase naar het sediment kan worden gesimuleerd. Dit concept wordt geintroduceerd omdat als gevolg van verschillen in de concentratie van zware metalen in het oppervlaktewater en het poriewater van het sediment, zware metalen kunnen diffunderen van het ene compartiment naar het andere. Diffusie van zware metalen in anaerobe sedimenten in de aanwezigheid van "beschikbaar" sulfide zal hoofdzakelijk optreden vanuit het oppervlaktewater naar het sediment. Ten gevolge van dit proces zal de concentratie in het oppervlaktewater verminderen, hetgeen consequenties kan hebben voor de risicoschatting voor het aquatische ecosysteem. Dit deel van het rapport is niet bedoeld om direct in UBS te worden opgenomen, maar meer als een aandachtspunt voor de ontwikkeling van een risicoschattingsmodel voor het sediment. De ontwikkeling van methoden voor het inschatten van de risico's van niet-landbouwbestrijdingsmiddelen zullen in de komende jaren voorgezet worden en het is de bedoeling dat dit zal resulteren in een tweede (nationale) versie van UBS in 1996.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport over lassen is gepubliceerd binnen het Samenwerkingsproject Procesbeschrijvingen Industrie Nederland (SPIN). In het kader van dit project is informatie verzameld over industriele bedrijven of industriele processen ter ondersteuning van het overheidsbeleid op het gebied van emissiereductie. Dit rapport bevat informatie over de processen, bronnen van emissie, emissies naar lucht en water, afval, emissiefactoren, het gebruik van energie en energiefactoren, emissiereductie, onderzoek naar schone processen en normstelling en vergunningssituatie.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport over de grofkeramische industrie is gepubliceerd binnen het Samenwerkingsproject Procesbeschrijvingen Industrie Nederland (SPIN). In het kader van dit project is informatie verzameld over industriele bedrijven of industriele processen ter ondersteuning van het overheidsbeleid op het gebied van emissiereductie. Dit rapport bevat informatie over de processen, bronnen van emissie, emissies naar lucht en water, afval, emissiefactoren, het gebruik van energie en energiefactoren, emissiereductie, onderzoek naar schone processen en normstelling en vergunningssituatie.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport geeft een overzicht van de huidige kennis over emissies van HFKs, PFKs, FIKs en SF6. De mate waarin deze stoffen voorzien in de behoefte aan CFK's, halonen en CH3CCl3 zoals deze zou zijn geweest zonder Montreal Protocol is geschat voor gebruik als drijfgas (9-11%), oplosmiddel (<5%), blaasmiddel voor open schuimen (1-2%), blaasmiddel voor gesloten schuimen (40-45%), stationaire koeling (>50%), auto-airconditioning (<75%), brandblusmiddel (45-50%) en overige (30%). In deze studie worden emissies gepresenteerd voor verschillende scenario's. Het referentiescenario gaat uit van de huidige situatie, waarin het gebruik van HFK's, PFK's, FIK's en SF6 niet gereguleerd is. De belangrijkste toepassing voor halogeenkoolwaterstoffen zijn in 2040 stationaire koeling (60%), het blazen van gesloten schuimen (19%) en oplosmiddel (8%). De meest gebruikte van de halogeenkoolwaterstoffen is HFK-134a (40%). Zonder additioneel HFK beleid bedraagt de emissie van HFK's, PFK's, FIK's en SF6 in 2040 8 - 14% van de werelwijde CO2 emissie in 1990. De benedengrens van de range is gebaseerd op maximale inzet op het gebied van better housekeeping, hergebruik en vernietiging van afgedankte halogeenkoolwaterstoffen, hetgeen niet waarschijnlijk is zonder additioneel beleid. In het scenario waarin gebruik van halogeenkoolwaterstoffen is beperkt tot stationaire koeling en het blazen van gesloten schuimen (toepassingen met de laagste jaarlijkse lek), is de emissie ongeveer 40 - 50% lager dan in het referentiescenario. Wanneer slechts stoffen met een lage GWP worden gebruikt, kunnen de CO2-equivalente emissies 90% lager dan in het referentiescenario.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Levensduurverkorting personenauto's goed voor het milieu? Een beschouwing vanuit de levenscyclusanalyse | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Vergelijkende (histo-)pathologie van UVB-geinduceerde huidlaesies in mens, muis en rat [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Numerieke modellering en relatie met GAIM | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
The SCID-HU mouse as a tool in immunotoxicological risk assessment | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Risk estimation and primary prevention of birth defects | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Wanneer is een verkeers- en vervoerssysteem duurzaam? | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Infection rates of Borrelia burgdorferi in different instars of Ixodus ricinus ticks from the Dutch North Sea Island of Ameland | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Locale weefselreacties op subcutaan geimplanteerde biodegradeerbare polymeren [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Smoking in Dutch women [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Integration of concentration-response relations in risk assessment models to calculate hazardous concentrations for ecosystems [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Conversion of nitrate intro nitrite in healthy volunteers with normal, and artificially increased gastric pH after the administration of nitrate [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Joint toxicity of metals in terrestrial oligochaete worms [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Het Tsjernobyl-ongeval: bloostelling, beleving en effecten. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Joint toxicity and low bioavailability influence metal toxicity in terrestrial oligochaete worms exposed in smelter soil [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Parkeerbeleid: steeds belangrijker voor mobiliteitsbeleid | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Informatievoorziening voor een samenhangende Volksgezondheid Toekomst Verkenning. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Dry deposition monitoring of SO2, NH3 and NO2 over a coniferous forest. A contribution to subproject BIATEX | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Pneumococcal vaccines | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
The role of herbivory and grazing loss on the competion between macrophytes and phytoplankton in a biomanipulated lake; a model study [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
A generalised description of the deposition of acidifying pollutants on a small scale in Europe. A contribution to subproject BIATEX | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Milieuthesaurus. Systeem van gecontroleerde termen voor het ontsluiten van milieu-informatie | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Effects of gamma2-MSH/ACTH-like peptides on blood pressure, heart rate, and blood flow: structure-activity relationship [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Changes in body composition and fat distribution in response to weight loss and weight regain. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Spatial and temporal variation of area-specific nutrient transports in Eastern, Western and Northern European rivers [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Comparison of enhanced potency inactivated poliovirus vaccine (EIPV) versus standard oral poliovirus vaccine (OPV) in Thai infants | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Small scale deposition fluxes of acidifying components over Europe. A contribution to subproject BIATEX | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Measuring and modeling mineral weathering in an acid forest soil, Solling, Germany. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Modelling combined effects of nutrients and toxicants in a branch of the Rhine delta [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Visceral fat and weight loss in obese subjects: relationships to serum lipids, energy expenditure and sex hormones. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Are hemodynamic effects of gamma2-MSH directly of indirectly mediated by actions on peripheral cardiovascular structures or on sympathetic neurotransmission? [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Establishment of a microbiologically acceptable daily intake of antimicrobial drug residues | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Using xad resins to study the effects of reduced organic micropollutant concentrations in river water on growth of field phytoplankton communities [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
De bijdrage van ammoniak aan de verzuringsproblematiek in Nederland. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
De conclusie van dit rapport is dat bij de huidige Nederlandse niveaus van deeltjesvormige luchtverontreiniging sprake lijkt te zijn van ernstige gezondheidseffecten in de Nederlandse populatie. In deze samenvatting zit een tweeledige boodschap verpakt. Enerzijds wordt op basis van herhaald, consistent en in vele landen uitgevoerd epidemiologisch onderzoek geschat dat dagelijkse blootstelling aan PM10 in Nederland kan leiden tot een vervroegde dagelijkse sterfte bij enige duizenden personen per jaar en tot ernstige gezondheidseffecten bij enige tienduizenden personen per jaar. Anderzijds schiet onze kennis tekort om de gevonden uitkomsten volledig te kunnen verklaren. Het feit dat bij de huidige niveaus aan luchtverontreiniging associaties met sterfte worden gevonden blijft een opmerkelijke bevinding. Het is de vraag of de gevonden effecten toe te schrijven zijn aan PM10 of aan een andere factor die een hoge correlatie heeft met PM10. Op verzoek van DGM heeft het RIVM een kwantitatieve schatting uitgevoerd van de gezondheidseffecten van blootstelling van de bevolking aan deeltjesvormige luchtverontreiniging, geindiceerd door PM10. PM is een afkorting van 'particulate matter' en PM10 heeft betrekking op de deeltjesdiameter die kleiner is dan 10 micrometer (10 mum). Dergelijke deeltjes kunnen diep in de luchtwegen doordringen. De gezondheidseffecten zijn geschat door gegevens over het daggemiddelde van de PM10-niveaus in 1993, zoals gemeten door het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit, te koppelen aan concentratie-respons relaties uit buitenlandse en Nederlandse epidemiologische studies. De ruimtelijke variatie in PM10-niveaus is gering, per dag zijn de verschillen over Nederland doorgaans niet meer dan een factor twee. De variatie van dag tot dag kan aanzienlijk zijn. Tijdens episoden worden niveaus gemeten die een factor tien tot vijftien hoger zijn dan de achtergrondniveaus. Men onderscheidt primair geemitteerd aerosol en secundair aerosol dat door chemische omzetting ontstaat uit gasvormige luchtverontreiniging vooral zwavel-en stikstofoxiden. De lange atmosferische verblijftijd van enkele dagen betekent dat PM10 tevens een grootschalig probleem is. In 1993 is op ongeveer de helft van de meetlokaties het jaargemiddelde luchtkwaliteitsdoel van 40 mug/m3 met maximaal 20% overschreden. Het daggemiddelde kwaliteitsdoel van 140 mug/m3 is vrijwel overal op een of enkele dagen overschreden. Op basis van de huidige epidemiologische gegevens is niet aan te geven of de berekende mortaliteit ten gevolge van de acute blootstelling aan deeltjesvormige luchtverontreiniging slechts enkele dagen of weken eerder sterven inhoudt, of dat de toename van het PM10-niveau leidt tot een verlies aan levensjaren. Deeltjesvormige luchtverontreiniging lijkt het tijdstip van overlijden te vervroegen van met name oudere mensen met hart-vaatziekten en ziekten van de luchtwegen, of een anderszins zwakke gezondheid. De omvang van de verhoging van de sterfte is zodanig dat de door VROM gehanteerde risicogrens van 10-6 per jaar wordt overschreden. Het is verder belangrijk om op te merken dat met de huidige kennis geen drempelwaarde is aan te geven, waaronder de vervroegde sterfte niet optreedt. Behalve met een vervroegde mortaliteit is blootstelling aan PM10 geassocieerd met een verhoging van ziekenhuisopnamen als gevolg van ademhalingsziekten, een toename van luchtwegklachten, een reversibele daling van de longfunctie en een acute verergering van astma en een toename van medicijngebruik bij astmatici. De omvang van deze effecten is groter dan die van de sterfte ; waarbij sterfte kan worden beschouwd als het cumulatieve resultaat van onderliggende effecten. Vanwege de onzekerheid in de concentratie-respons relatie en de extrapolatie van literatuurgegevens uit het buitenland naar de Nederlandse situatie, varieert de onder- en bovengrens van de onzekerheid in de kwantitatieve uitspraken van een factor twee tot meer dan twintig. De schattingen van de sterftecijfers zijn in het algemeen nog het meest betrouwbaar. De berekeningen wijzen uit dat alleen het terugbrengen van piekbelastingen als beleidsoptie relatief weinig bijdraagt aan de vermindering van de gezondheidseffecten. De gemiddeld voorkomende niveaus dragen relatief meer bij dan korte episoden met pieken. Het is vooralsnog de vraag of PM10 een voor de gezondheid relevante maat is, en daarmee of PM10 verlaging wel het juiste bestrijdingsdoel is. Het is bovendien moeilijk om aan te geven of het uitvoeren van beleid gebaseerd op terugdringen van PM10-niveaus als doel op zich, effectief de gezondheidseffecten zal reduceren. Uitspraken over de effectiviteit van specifieke beleidsmaatregelen kunnen worden verbeterd wanneer de onzekerheden over gezondheidseffecten worden verkleind, de kennis met betrekking tot verspreiding, blootstelling en werkingsmechanisme wordt vergroot en de bronnen die bijdragen aan de voor gezondheidseffecten meest kritische fracties van deeltjesvormige buitenluchtverontreiniging beter worden gekend. Mogelijke alternatieven voor het beleid en hun effecten kunnen daarna via een proces van kwantitatieve effectschatting worden doorgerekend.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
UBS, het Uniforme Beoordelingssysteem Stoffen, is een beslissings-ondersteunend gereedschap voor een snelle, kwantitatieve analyse van de risico's verbonden aan de levenscyclus van een chemische stof. Omdat risico-analyse een inherent onzeker proces is, is een grondige modelanalyse aan te bevelen. Een vorige versie van UBS was slechts gedeeltelijk gevalideerd, wat onvoldoende was voor een volledige validatie. Risico's kunnen niet in het veld gemeten worden, daarom zal de aandacht voornamelijk gericht zijn op validatie van de afzonderlijke modellen en modulen van UBS. Dit rapport beschrijft de procedure die gevolgd kan worden om de gebruiker te tonen wat de nauwkeurigheidsgraad is die UBS kan geven. Dit geeft de beleidsmaker de mogelijkheid om de nauwkeurigheid van UBS bij risico-analyse in overweging te nemen. In dit rapport wordt de validatie-status van de huidige modulen van UBS bediscussieerd. Een kader en aanbevelingen voor toekomstige validatie wordt gegeven. De aannamen en keuzen (vaak impliciet gemaakt) zijn nu geexpliciteerd. Geconcludeerd kan worden dat voor vele modulen numerieke validatie reeds is uitgevoerd of geinitieerd. Operationele validatie van de toepasbaarheid van het gehanteerde model en conceptuele validatie van het blootstellingsscenario ontbreekt echter. Omdat veel van de validatieactiviteiten buiten het kader van het UBS-project plaatsvinden, is inventarisatie van al de resultaten noodzakelijk. Dit rapport beschrijft tevens een experiment om de risicoschattingen van UBS te 'valideren'. Dit gebeurde door prioritering van stoffen door experts te vergelijken met prioritering door UBS. Ondanks vele onzekerheden geeft deze aanpak meer inzicht in de relatie tussen 'objectieve' risico-schatting van UBS en de 'risico-perceptie' van experts. In 1995 en 1996 zal een Europees systeem voor risico-analyse ontwikkeld worden, gebaseerd op de huidige versie van UBS. De inventarisatie en discussie in dit rapport van de huidige modulen en scenario's kan gebruikt worden bij deze ontwikkeling. Een validatie van het huidige UBS is niet gepland. Als het Europese systeem afgerond is kan dit systeem grondig geanalyseerd worden waarbij dit rapport de basis kan vormen.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport over de slachterijen en vleeswarenindustrie is gepubliceerd binnen het Samenwerkingsproject Procesbeschrijvingen Industrie Nederland (SPIN). In het kader van dit project is informatie verzameld over industriele bedrijven of industriele processen ter ondersteuning van het overheidsbeleid op het gebied van emissiereductie. Dit rapport bevat informatie over de processen, bronnen van emissie, emissies naar lucht en water, afval, emissiefactoren, het gebruik van energie en energiefactoren, emissiereductie, onderzoek naar schone processen en normstelling en vergunningssituatie.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Dit rapport gaat over populatie attributieve risico's (PAR's) die de bijdrage van verschillende risicofactoren (leefstijlfactoren, zoals roken, alcoholconsumptie, lichamelijke activiteit, en voeding, alsmede biologische factoren, zoals totaal serum cholesterol, HDL-cholesterol, bloeddruk, glucosetoleratie, en lichaamsgewicht naar lengte) aan mortaliteit ten gevolge van een aantal ziekten (coronaire hartziekten, beroerte, CARA, diabetes, en sommige vormen van kanker) kwantificeren. Relatieve risico's en prevalenties van risicofactoren zijn nodig om PAR's te berekenen. Relatieve risico's zijn ontleend aan de internationale literatuur en prevalenties van risicofactoren (voornamelijk in de leeftijdsklasse van 20-59 jaar) zijn ontleend aan het MONITORING project 1987-1991. In hoofdstuk twee worden belangrijke aannamen en problemen voor het berekenen van PAR's en PAR-achtige maten uiteengezet. Hoofdstuk drie bevat een beschrijving van PAR berekeningen voor een aantal determinanten, later samengevat in hoofdstuk vier vanuit het perspectief van zowel ziekten als determinanten. PAR's voor individuele determinanten varieerden van 10 tot 90%. Vanuit volksgezondheidsperspectief levert ingrijpen in een determinant met een matige tot grote invloed op een of vaak voorkomende ziekten, meer winst op dan interventie op een determinant met een grote invloed op een betrekkelijk zeldzame ziekte. Het roken van sigaretten blijkt het grootste gezondheidsverlies te bewerkstelligen: de prevalentie van roken is in Nederland hoog (40% van de mannen en vrouwen van 20-59 jaar). Het roken van sigaretten beinvloedt de mortaliteit van een aantal indicatoren (longkanker, keelkanker, slokdarmkanker, coronaire hartziekten, beroerte, en CARA). Coronaire hartziekten heeft het grootste aantal determinanten waarvoor PAR's konden worden berekend. De algemene conclusie is dat er voor genoemde gezondheidsproblemen in Nederland, althans theoretisch, nog een aanzienlijke gezondheidswinst is te boeken. Aangezien een groot gedeelte van de risicofactoren bestaat uit leefstijlfactoren, zijn er belangrijke individuele en collectieve keuzeproblemen met een verdere verbetering van de volksgezondheid gemoeid. De PAR's berekend voor individuele determinanten zijn een vereenvoudiging van de werkelijkheid, omdat interacties tussen determinanten niet in de beschouwing zijn opgenomen. Wiskundige modellen worden thans ontworpen om deze interacties wel in de beschouwing te betrekken. Ook zal meer aandacht worden besteed aan gezondheidswinst te behalen op hoge leeftijd.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Er is naar alle waarschijnlijkheid een groot aantal factoren in de fysieke omgeving met een schadelijk effect op de gezondheid. Zo zijn er talrijke pathogene micro-organismen, talloze stoffen die voor laboratorium dieren kankerverwekkend bleken, en verschillende vormen van straling. Daarenboven vormen vele activiteiten zoals autorijden, skien, of duiken een mogelijk gevaar voor onze gezondheid. In dit rapport dat is ontleend aan eerder gepubliceerd materiaal in de volksgezondheid toekomstverkenning, wordt een overzicht gegeven van factoren in de fysische omgeving die een schadelijk effect op de volksgezondheid hebben. De keten van gebeurtenissen van blootstelling aan de desbetreffende factor tot effect op de gezondheid wordt beschreven in termen van verschillende soort risico-indicatoren. Methoden voor het opsporen van gezondheidsrisico's en kwantitatieve schattingen worden kort besproken, alsmede mogelijke gezondheidswinst door risicoverlagende maatregelen. Na een algemene inleiding volgen voorbeelden van chemische (luchtvervuiling binnen en buiten het huis), fysische (geluid, straling), en biotische (micro-organismen in het drinkwater) factoren (hoofdstuk 2, 3 en 4). In alle bijdragen worden relaties aan de orde gesteld met andere determinanten van gezondheid, interventiemogelijkheden en beleid (mogelijke gezondheidswinst), gegevens- en informatiebehoefte.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
In deze literatuurstudie is nagegaan hoe microbiotestsystemen toepasbaar zijn als toxiciteitsindicatoren in milieumeetnetten. Onder microbiotestsystemen worden hier geminiaturiseerde aquatische ecotoxiciteitstoetsen begrepen die relatief snel, eenvoudig en goedkoop kunnen worden uitgevoerd. De uit de internationale literatuur verkregen testsystemen worden geevalueerd en op basis van deze evaluatie wordt een minimum testbatterij van microbiotests voorgesteld. Deze testbatterij is zo ontworpen dat met grote zekerheid de meeste klassen van toxicanten kunnen worden gedetecteerd. De meeste behandelde testsystemen zijn gebaseerd op bacterien die als respons op blootstelling aan toxische stoffen een vermindering van hun luminescentie laten zien, of een verandering vertonen in de aanmaak van bepaalde enzymen, hetgeen een kleurreactie teweeg brengt. Eveneens zijn onderzocht: een "microplate" algentoets, enkele geminiaturiseerde LC50 toetsen met evertebraten (Toxkits), enkele toetsen waarbij in evertebraten in vivo een enzymremming wordt gemeten, een teratogeniteitstoets met de larven van klauwpadden en een tweetal bacteriele genotoxiciteitstoetsen. Van elke test zijn de volgende eigenschappen onderzocht: 1. het toetsgemak, 2. de volledigheid van de documentatie, 3. de kosten, 4. de reproduceerbaarheid van de resultaten, 5. de mate van standaardisatie van de test, 6. de beinvloeding van de resultaten door de toetscondities, 7. de relatieve gevoeligheid voor milieumonsters en enkelvoudige zuivere stoffen. Het onderzoek toont aan dat de meeste toetsen in de literatuur onvoldoende zijn gedocumenteerd. De geselecteerde testbatterij omvat het Microtox toetsysteem, de algen "microplate" toets, de Thamnotoxkit F met larven van een kreeftachtige en een bacteriele mutageniteitstoets (Mutatox of SOS-chromotest).
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Een van de belangrijkste kwaliteiten van verpakkingen voor medische hulpmiddelen is de mogelijkheid tot het bewaren van de steriliteit van de inhoud. De kwaliteit van de verpakking wordt bepaald door de kwaliteit van de materialen en de naden. De eerste wordt vaak bepaald door middel van testmethoden waarin micro-organismen worden gebruikt. In ziekenhuizen worden veel verpakkingen gemaakt door instrumentennetten te verpakken in vellen materiaal. De naden worden gesloten door de vellen een aantal malen in elkaar te vouwen. Er bestaat echter geen standaard testmethode om de kwaliteit van dit soort naden te testen. Het zelfde probleem treed op bij containers. De filters of kleppen kunnen wel getest worden met een micro-biologische methode, echter niet de gehele container. In 1990 is door het RIVM een fysische testmethode ontwikkeld. In tegenstelling tot de bestaande testmethoden, waarin slechts een monster van het materiaal wordt getest, is de RIVM-methode in staat om alle aspecten te bepalen die de kwaliteit van een verpakking bepalen. Dit nadat de verpakking is gemaakt, gesloten en gesteriliseerd. De oorspronkelijke methode bleek echter noch nauwkeurig, noch reproduceerbaar te zijn. De methode is nu aangepast. Dit onderzoek toont aan dat de gewijzigde RIVM-methode zowel nauwkeurig als reproduceerbaar is.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Ten behoeve van bewakingsonderzoek naar het voorkomen van residuen van het diergeneesmiddel ivermectine werd een analysemethode op basis van vloeistofchromatografie operationeel gemaakt. Op het niveau van de laagste thans geldende Maximale Residu Limiet (MRL) van 15 mug/kg voor lever bleek de herhaalbaarheid van de methode, uitgedrukt als relatieve standaarddeviatie, 10% (9 vrijheidsgraden (vhg)) terwijl de binnen laboratorium reproduceerbaarheid, eveneens uigedrukt als relatieve standaarddeviatie, 6% (vhg 2) bedroeg.Met de methode werden 107 monsters lever, afkomstig van kalveren, volwassen runderen, paarden, schapen, varkens (o.a. zeugen), geiten en een bok onderzocht. In vier monsters werd ivermectine aangetoond. In drie gevallen was het gehalte echter minder dan 15 mug/kg (rund (1), schaap (1) en zeug (1)). In een monster, afkomstig van een schaap, werd 54 mug/kg aangetroffen.De MRL voor monsters lever afkomstig van schapen, varkens en paarden bedraagt 15 mug/kg, voor runderen 40 mug/kg. Het aantal positieve, dat wil zeggen de MRL overschrijdende, monsters bedroeg derhalve slechts 1 (ca. 1%). Hoewel dit percentage niet verontrustend is, is herhaling van dit onderzoek over 3 jaar gewenst. De aard van de analysemethode maakt dat de hiervoor benodigde analytische capaciteit slechts beperkt is.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Doel van het onderzoek was om inzicht te verkrijgen in de antigene en genetische variatie van het in Nederland en Curacao circulerende humane immunodeficientie virus type 1 (HIV-1). De genetische variatie tussen HIV-1 isolaten is aanzienlijk. De genetische variatie doet zich vooral voor op een vijftal gebieden van het deel van het virale genoom, dat codeert voor het externe envelop eiwit gp120 van HIV-1. Van deze vijf gebieden is het derde variabele domein (V3) gelegen tussen aminozuur-positities 269 en 331 van gp120 het meest uitvoerig bestudeerd. Van de Nederlandse serummonsters reageerde 54.8% specifiek tegen een van de peptiden p108, p109 of p110, welke representatief zijn voor het genotype B. Voor wat betreft de monsters afkomstig uit Curacao werd een vergelijkbaar resultaat gevonden, met dit verschil dat ten opzichte van de Nederlandse monsters een relatief hoge frequentie van serum reactiviteit tegen p110 werd gevonden. Op grond van de serologische reactiviteit in het V3 gebied kan worden geconcludeerd dat in de periode 1988 - 1990 in Nederland en Curacao subtype B HIV-1 varianten het meest prevalent waren. De V3-loop reactiviteit bleek vergelijkbaar met die gemeten in de Amsterdamse cohortstudies onder homoseksuele mannen en druggebruikers. De resultaten van de specifieke antistofreactiviteit werd in het algemeen bevestigd door de resultaten van het V3 sequentie-onderzoek, maar subtiele sequentieverschillen tussen de V3 loop reactiviteit en circulerend viraal V3 werden in een aantal gevallen aangetoond. Aanbevolen wordt in 1995 een tweede survey uit te voeren, te meer daar inmiddels meer bekend is over verschillende subtypen van HIV-1 en recent het zogeheten subtype O is beschreven.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport wordt een beschrijving gegeven van bij gezondheidsdiensten (ggd's) gemelde klachten over de kwaliteit van het binnenmilieu. Het gaat om klachten gemeld bij die ggd's die tussen 1991 en 1994 gebruik maakten van het geautomatiseerde registratiesysteem BIMI. Circa 40% van de klachten waren gezondheidsklachten, gevolgd door fysisch-chemische klachten (25%). De gezondheidsklachten bestonden voor 33% uit aspecifieke klachten, hoofdpijn, misselijkheid, moeheid, en voor circa 25% uit klachten die verband houden met CARA of hoesten. Van de fysisch-chemische klachten betreft circa 64% klachten over de aanwezigheid van vocht en schimmels. Na huisbezoek en indien nodig verder onderzoek, blijkt zo'n 20% van de klachten uiteindelijk ongegrond. In het rapport wordt verder nog ingegaan op de implementatie van dit systeem en de omstandigheden die gebruik door een meerderheid van ggd's in de weg hebben gestaan.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Het onderzoek dat hier wordt gepresenteerd werd gestart om de mogelijkheden van moleculaire methoden voor detectie en epidemiologisch onderzoek van HIV en HTLV infecties te onderzoeken. We presenteren de resultaten van een literatuurstudie en beschrijven de ontwikkeling en gedeeltelijke evaluatie van een PCR methode voor de amplificatie van RNA en DNA sequenties van HIV-1 pol, env en gag, HIV-2 ltr en HTLV-I/II tax/rex genen. Voor de amplificatie van viraal RNA werden de monsters behandeld met guanidine thiocyanaat en natrium-lauryl-sarcosinaat om het virus kapot te maken en om RNAses te inactiveren. Paramagnetische bolletjes werden gebruikt om het RNA te extraheren gevolgd door solid-phase reverse-transcriptie voor cDNA synthese. Een twee-staps PCR protocol werd gebruikt voor de amplificatie van DNA of cDNA, waarbij het produkt van de eerste PCR verder wordt geamplificeerd in een tweede PCR met nested primers gecombineerd met een touch-down temperatuur protocol, om de gevoeligheid en specificiteit te verhogen. Een pilotstudie laat zien dat in alle perifere bloed mononucleaire cellen (PBMC) monsters van zeven HIV-1 geinfecteerde individuen uit CDC klasse II, proviraal HIV-1 detecteerbaar was gebruik makend van drie primersets. HIV-1 RNA was detecteerbaar in plasma van 10 van vijftien HIV-1 geinfecteerde individuen uit CDC klasse II. Samen met gegevens uit de literatuur geven onze resultaten een indicatie dat PCR methoden bruikbaar zijn voor detectie van HIV infecties als toegevoegde methode aan de conventionele methoden zoals de enzym-immunoassays en de westernblot. Ze zijn speciaal geschikt als met de conventionele methoden geen duidelijke diagnose gesteld kan worden, zoals bijvoorbeeld bij borelingen van HIV geInfecteerde moeders, bij het volgen van de hoeveelheid aanwezig virus en bij patienten met een idiopatische CD4+ T-lymfocytopenie. Met dezelfde methode zijn HIV-2 en HTLV-I RNA en DNA sequenties geamplificeerd. Echter, deze methoden moeten nog klinisch geevalueerd worden. Deze nieuw ontwikkelde methode is mogelijk bruikbaar voor moleculair epidemiologische studies omdat het produkt van de HIV-1 env np-PCR, het V3 variabele gebied van glycoproteine gp120 gen, direct te sequencen was. Echter, moleculaire epidemiologie moet uitgevoerd worden op het nivo van moleculaire kloons van het virus in meer dan een gebied van het virale genoom. Voor moleculair epidemiologische studies van HIV-1 zijn, bijvoorbeeld, de variabele gebieden V3, V4 en V5 van het gp120 gen geschikte kandidaten. Veelbelovende methoden om materialen voor PCR en serologie bij epidemiologische veldstudies te verkrijgen zijn het gebruik van vingerprik-bloed op filter papier en van speeksel afname. Verdere studies zijn nodig om de waarde van deze methoden in moleculair epidemiologisch onderzoek vast te stellen.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
In dit rapport is de stand van zaken weergegeven met betrekking tot de etiologie, determinanten en mogelijkheden voor preventie van osteoporose door middel van interventie op leefstijlfactoren. Er is zowel aandacht besteed aan mogelijkheden voor primaire, secundaire en tertiaire preventie. Osteoporose wordt gedefinieerd als een toestand waarbij de hoeveelheid botweefsel (botmassa), en meestal ook de samenhang daarvan, zodanig is verminderd dat al bij een geringe aanleiding inzakkingen van wervels of breuken in het skelet optreden. De aandoening komt met name veel voor bij oudere vrouwen. Bij een verouderde bevolking met een sterke toename van het aantal bejaarde vrouwen vormen osteoporose en de daaraan gerelateerde fracturen een groeiende belasting voor de gezondheidszorg. Er zijn verschillende leefstijlfactoren bekend die invloed hebben op de botmassa. De belangrijkste factoren zijn de inname van calcium en vitamine D en lichamelijke activiteit. Calcium wordt opgeslagen in het bot. Voor de opbouw van het bot is een goede calciumbalans en voldoende inname van calcium noodzakelijk. Een actieve metaboliet van vitamine D stimuleert de opname van calcium in de darm en stimuleert de osteoblasten, cellen betrokken bij de aanmaak van bot. Ook lichamelijke activiteit stimuleert de opbouw van het bot. Het is nog niet mogelijk de verloren botmassa bij osteoporose door middel van behandeling weer op te bouwen. Primaire preventie, het voorkomen dat osteoporose ontstaat, is daarom van belang. Primaire preventie is erop gericht dat de inname van calcium en vitamine D en de mate van lichamelijke activiteit gedurende het hele leven voldoende is omdat deze factoren bijdragen aan het bereiken van een zo hoog mogelijke piekbotmassa en het instandhouden van de botmassa. Bij grote delen van de bevolking lijkt de inname van calcium en vitamine D voldoende te zijn, maar vooral bij ouderen kan de inname van calcium en vitamine D te gering zijn. Extra aandacht hiervoor is gewenst. Een tweede belangrijk aandachtspunt voor primaire preventie van osteoporose is stimulering van lichamelijke activiteit in de hele bevolking. Een groot gedeelte van de bevolking is inactief. Terugdringing van het percentage inactieven kan er toe bijdragen dat osteoporose minder vaak voorkomt. Voor secundaire preventie van osteoporose (screening) lijkt de tijd nog niet geheel rijp vanwege met name verschillen in mening over de suppletie van oestrogenen bij vrouwen in de menopauze. Osteoporose komt relatief veel voor bij vrouwen na de menopauze. De groep met het grootste risico wordt gevormd door vrouwen met een lage botmassa voor de menopauze. Oestrogeensuppletie kan het verlies van botmassa vertragen. De effecten van toediening van oestrogenen op het ontstaan van borst- en endometriumkanker (met name borstkanker) en het beschermende effect van oestrogenen op het ontstaan van hart- en vaatziekten zijn echter nog niet duidelijk. Daarnaast is nog onduidelijk in hoeverre de botmassa voor de menopauze, gemeten met botdensitometrie, het risico op het ontstaan van fracturen op latere leeftijd kan voorspellen. Verder onderzoek hierna is zeker gewenst en kan in de toekomst mogelijk meer duidelijkheid verschaffen. In de behandeling van osteoporose, tertiaire preventie, staat het voorkomen van verder botverlies en het optreden van fracturen centraal. Hierbij is het gebruik van medicijnen belangrijk, maar ook adviezen over voldoende inname van calcium en vitamine D zijn van belang. Verder is de behandeling gericht op het optimaliseren van het functioneren van de patient bij blijvende beschadiging van het skelet. Mensendieck en Ceasartherapie worden hierbij aanbevolen. Ook kan fysiotherapie worden toegepast. Lichamelijke activiteit verhoogt de soepelheid en bewegingscoordinatie en spierkracht waardoor de kans op vallen en het ontstaan van fracturen wordt verlaagd. Stimulering en verdere ontwikkeling van de rol van leefstijlfactoren in de behandeling van osteoporose en het voorkomen van vallen worden dan ook aanbevolen.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
De doelstelling van de studie was om (goed onderbouwde en gestructureerde) informatie aan te dragen ten behoeve van een nadere invulling van de Leidraad Bodembescherming betreffend het onderdeel Reiniging van bij sanering vrijkomend grondwater. Daarnaast zijn de resultaten van deze studie te gebruiken als ondersteuning voor: 1) het opzetten van een Algemene Regeling voor de reiniging van water dat vrijkomt bij bodemsanering en 2) de invulling van het Handboek Bodemsaneringstechnieken, onderdeel Techniekbeschrijvingen grondwaterreiniging. Om de bovengenoemde doelstellingen te kunnen bereiken is een evaluatie van waterreiniging bij bodemsanering uitgevoerd aan de hand van een bestand met gegevens over beschikkingen die in 1992 voor waterzuivering bij bodemsanering zijn afgegeven. Aanvullend is door Tauw Milieu bv een inventarisatie uitgevoerd naar de toepasbaarheid en kosten van beschikbare reinigingstechnieken en naar de met deze technieken haalbare eindconcentraties.In dit RIVM-rapport is deze informatie gestructureerd en bewerkt ten behoeve van de beoogde doelstellingen.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
De vuilstort Mastwijk kan worden beschouwd als een potentiele bron van contaminanten voor het op een kilometer noordoostelijk van de vuilstort gesitueerde pompstation. Met het doel inzicht te verschaffen in de verplaatsing van uit de vuilstort afkomstige contaminanten is een pilot-studie uitgevoerd. In deze studie is de verplaatsing van contaminanten berekend met het computer model METROPOL. De hydrologische randvoorwaarden werden ontleend aan berekeningen met het LandelijkGrondwaterModel (LGM). Het met METROPOL berekende grondwaterstromingspatroon is realistisch voor het gebied en komt overeen met enkele gemeten stijghoogten. Met behulp van de berekeningen van de verplaatsing van de contaminanten kunnen de volgende trends worden waargenomen: 1. De laterale verplaatsing van de relatief immobiele contaminanten in een tijdsbestek van enige eeuwen bedraagt niet meer dan enige honderden meters. 2. De relatief mobiele en de conservatieve contaminanten zullen binnen een tijdsbestek van een eeuw het pompstation bereiken; de concentratie ter plaatse van het pompstation zal echter niet meer zijn dan 0.01 % van de oorspronkelijke situatie ter plaatse van de vuilstort. METROPOL is een geschikt computer programma om inzicht te verschaffen in de verplaatsing van uit de vuilstort afkomstige contaminanten.
Jaar: 1995
Onderzoek
Documenten: 1
Pricing instruments for transport policy | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Genotyping of Chlamydia trachomatis serovars derived from heterosexual partners and a detailed genomic analysis of serovar F | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Standardized biodegradability test: extrapolation to aerobic environments | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Een sloopregeling voor een beter milieu? | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Comparison of seroprevalence estimates by direct seroprevalence studies and backcalculation [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
The kinetics of batch ultraviolet inactivation of bacteriophage MS2 and microbiological calibration of an ultraviolet pilot plant | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Selection of low and intermediate doses in the carcinogenicity assay | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Identification with generalized orthonormal basis functions - statistical analysis and error bounds. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
T cell-derived antigen binding molecules play a role in the induction of airway hyperresponsiveness | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
The basic reproduction ratio R(0) for a sexually transmitted disease in a pair formation model with two types of pairs | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Acute work-related poisoning by organic solvents in The Netherlands | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Surveillance van invasieve infecties door groep A streptokokken | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Microbiological challenge testing for ensuring safety of food products | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Risk assessment. A basis for the definition of sterility | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
An enzyme-linked immunosorbent assay for the detection of mouse polyomavirus-specific antibodies in laboratory mice | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Naturally occurring virulence-attenuated isolates of Listeria monocytogenes capable of inducing long term protection against infection by virulent strains of homologous and heterologous serotypes | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Modelling seasonal and long-term dynamics of anions in an acid forest soil, Solling, Germany | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Local bacillus Calmette-Guerin therapy for bovine vulval papilloma and carcinoma | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Meningeal irritation: possible manifestation of cerebral Echinococcus infestation | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Features of the Guillain Barre Syndrome in mice following intraperitoneal infection of patient serum | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Fat-storing cells and myofibroblasts are involved in the initial phase of carbon tetrachloride-induced hepatic fibrosis in BN/BiRij rats | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Ecological standards for eutrophication and desiccation: perspectives for a risk assessment | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Prevalence of maternally inherited diabetes and deafness in diabetic populations in The Netherlands [Letter to the editor] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
New challenges in environmental biotechnology: towards sustainable development and international cooperation | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Spatial and temporal variety of outdoor radiation levels in The Netherlands [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Levels and trends in blood pressure, prevalence and treatment of hypertension in 36273 men and women aged 20-59 years in The Netherlands from 1987-1991 | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Veldgemeten partitiecoefficienten van zware metalen in Nederlandse referentiegronden en hun relatie met fysisch-chemische bodemparameters [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Total and HDL-cholestrol in The Netherlands: 1987-1992. Levels and changes over time in relation to age, gender and educational level | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Effect of tributyltin oxide (TBTO) exposure in vivo on cytokine mRNA levels in cultured rat splenocytes [ABSTRACT] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Statistiek als hulpmiddel bij beleidsonderbouwend bodemonderzoek [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Sublethal effects and kinetics of PAHs [Pyrene en benzo(a)pyrene] on Eisenia andrei worms [Abstract]. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Strand-specific removal of cyclobutane pyrimidine dimers from the p53 gene in the epidermis of UVB-irradiated hairless mice | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Lymphodepletion of the thymus cortex in rats after single oral intubation of 2,3,7,8-tetrachlorodibenzo-p-dioxin | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Modelmatig en experimenteel onderzoek naar de relatie biobeschikbaarheid en biodegradatie | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
In vitro susceptibility of equine Salmonella strains to trimethoprim and sulfonamide alone or in combination | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Vergelijking tussen effecten van zware metalen op de reproductie van Enchytraeus crypticus in OECD-kunstgrond en verontreinigde gronden uit de omgeving van Budel | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Gevolgen van het uit produktie nemen van landbouwgronden op het gedrag van cadmium in de bodem [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Bodembescherming bij lokale bronnen; ontwikkeling van beleid, kennis en praktijk [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Het effect van de zuurgraad op toxische effecten van zink en pentachloorfenol op 5 soorten micro-organismen | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Smoking, alcohol consumption and the risk of cancer of the biliary tract; a population-based case-control study in the Netherlands | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Measles vaccines: novel generations and new strategies | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Environmental utilisation space in model worlds | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Beslissingsondersteunend Systeem voor Landbodemsanering; kortweg: BOS-land [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
De effecten van omgevingsgactoren op de opname van 134Cs door regenwormen [Abstract]. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Ecotoxicity of heavy metal mixtures to earthworms | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
De nieuwe opzet van het Handboek bodemsaneringstechnieken | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Invloed van de zuurgraad op toxische effecten van zink en pentachloorfenol op 5 soorten micro-organismen | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Uncertainty analysis in multiplicative models | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
On the validity of laboratory toxicity tests with Eisenia andrei for earthworms in the field [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Veldrelevantie van laboratorium toxiciteitsgegevens van bestrijdingsmiddelen [Abstract]. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Infection of children with avian-human reassortant influenza virus from pigs in Europe | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Workshop: immunotoxicology and in vitro possibilities | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Stof- en materiaalstromen door de Nederlandse economie. Methodiekontwikkeling van de relaties tussen milieu en economie | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Een landsdekkend beeld van de Nederlandse grondwaterkwaliteit op 5 tot 17 meter diepte in 1991 [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Biologische reiniging van sediment verontreinigd met chlooraromaten; een eerste aanzet tot een tweestaps on-site reinigingsproces [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Growth advantage of human leiomyoma cells compared to normal smooth-muscle cells due to enhanced sensitivity toward insulin-like growth factor I | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Alternatives to animal testing in the quality control of immunobiologicals: current status and future prospects | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
A hospital outbreak of penicillin-resistant pneumococci in The Netherlands | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Een pakket waterbodemtoetsen in internationaal perspectief [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Concentration variation in rain and canopy throughfall collected sequentially during individual rain events | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Biobeschikbaarheid van zware metalen in landbouwgronden [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Geringe prevalentie van meticilline-resistente Staphylococcus aureus in Nederlandse verpleeghuizen, 1991/'92 | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Verhoogde radiumconcentraties in havenspeciepolders in het Rijnmondgebied: vaststellen en beoordelen van mogelijke risico's [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Some characteristics of three ageing rat models for osteopenia with emphasis on effects of PTH | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Bodemkwaliteitskartering van landbouwgebieden in Nederland [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Cytotoxic T lymphocyte responses against measles virus | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Good epidemiology practices in Nederland: ambtenarij of noodzaak? | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Replacement of the toxin neutralization test in mice by in vitro serological assay systems for potency testing of tetanus toxoid vaccines for veterinary use: Results of a european collaborative study | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Genetische toxicologie van ioniserende straling en chemische agentia | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
A comparison of algorithms for global characterization of confidence regions for nonlinear models | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Average nitrate contamination of european groundwater | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Air quality surveillance in The Netherlands. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
RIVM ontwikkelt een Inventaris Registratie- en Alarmeringssysteem (IRAS) | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Duurzame ontwikkeling met vallen en opstaan | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Meningococcal class 1 OMP T cell epitopes: characterization and application in a synthetic B and T epitope containing conjugate vaccine. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Construction of multivalent vaccine strains of Neisseria meningitidis based on the class 1 outer membrane protein. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Measles in vaccinated highschool children as evidenced by specific cytotoxic T cell (CTL), IgA and IgM antibody responses [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Health impact assessment around Schiphol Amsterdam airport [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Virulence factors determine attachment and ingestion of nonopsonized and opsonized Bordetella pertussis by human monocytes | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Alterations of interdigitating dendritic cells in the rat thymus during cyclosporin A treatment and recovery [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Isolation and characterization of a pentachlorophenol-degrading bacterium. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Nouveaux vaccin meningococciques | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
The SCID-mouse as a tool to bridge the gap between human and animal responses | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Rapport: Milieurendement van het NMP-2 | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Emission database for global atmospheric research (EDGAR) | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Spatial variation in environmental quality and health status around Schiphol airport, The Netherlands [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Reversed phase HPLC-FTIR by on-line extraction and solvent elimination. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Virus infections of rodents and lagomorphs | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
How the mass transfer rate limits the biodegradation rate of apolar compounds [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Lipo-oligosaccharide immunotyping of Neisseria meningitidis by a whole-cell ELISA with monoclonal antibodies | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
The number of exposed dressed seeds in the field; an outline for field research. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Epidemiologie van Haemophilus influenzae meningitis | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Meningococcal outer membrane protein but not LPS-specific antibodies in polyclonal mouse antisera are bactericidal for group B meningococci: influence of adjuvants. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Implications for atmospheric composition and climate of IS92 emissions scenarios | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Clean-up of PAH-polluted dredging sludges in bioreactors. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Ontwikkeling van nieuwe anti-meningitisvaccins voor toepassing in het Rijksvaccinatieprogramma | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Trends in blood pressure and the prevalence and treatment of hypertension in young adults in the Netherlands, 1974-1986 | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Bordetella pertussis fimbriae. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Methane emissions and control in The Netherlands | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
The Seven Countries Study. A scientific adventure in cardiovascular disease epidemiology | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Isolation of wild poliovirus from sewage during the 1992/93 type 3 outbreak in the Netherlands [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Snelle kalibratiemethode voor meerkanaalspipetten | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Gezondheidsklachten in verband met recreatie in oppervlaktewater in de zomer van 1993 | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Development, characterization and biological properties of meningococcal immunotype 1,3,7(8),9-specific monoclonal antibodies. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Small area variations in air quality and health (the Saviah study): design and methods [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
CEC standards for biocompatibility testing of medical devices | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Animal models for assessment | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Studies in Zutphen | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Salmonella enteritidis-problematiek in Nederland | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Risico's van ongevallen met kerncentrales in Europa; Eurisk tekent de Europese risicokaart van kernongevallen. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
The Nutristat: a substrate concentration-controlled continuous culture as a tool to grow bacteria on toxic compounds. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Environmental hazard assessment of the use of pesticides for seed treatment: the Dutch concept. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Modeling the global society-biosphere-climate system: computed scenarios | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Atmospheric deposition in complex forest landscapes | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Rendement van het milieubeleid | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Comparison of light pipe, matrix isolation and cryotrapping GC-FTIR | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Dietary surveys in the seven countries study | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Hyperinsulinemia, risk factors, and coronary heart disease - The Zutphen Elderly Study | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Immunization of mice with pneumolysin toxoid confers a significant degree of protection against at least nine serotypes of streptococcus pneumoniae | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Een explosie van een voedselinfectie na het eten van bavaroise die bereid was met rauwe eieren | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Measurement of antibodies to meningococcal class 1 and 2 outer-membrane proteins in complement deficient and complement sufficient subjects. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Envrionmental utilisation space and the environmental outlook | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Serotypes and subtypes of Neisseria meningitidis strains: results of an international comparative study. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
(Potentieel) proefdierpathogene micro-organismen. Parvovirussen bij muis en rat | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Accijnsverhoging slecht voor milieubeleid? | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Specificity of bactericidal antibody responses in volunteers immunized with meningococcal B15P1.7,16 outer membrane proteins complexed to C polysaccharide and in patients infected with B15P1.7,16. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Surveillance van invasieve infecties door Haemophilus influenzae type b | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Endogenic nortestosterone in cattle??? [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
The future of the seven countries study | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
A simple dynamic method for on-line and off-line determination of K(L)a during cultivation of animal cells | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Vulnerability to diffuse pollution of european soils and groundwater | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Isomer differentiation of poly aromatic hydrocarbons by means of cryotrapping GC-FTIR | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Catabolite repression of the TOL pathway in Pseudomonas putida mt-2 under different limitations in chemostat culture [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Minimization of spectral interferences in inductively coupled plasma mass spectrometry by simplex optimization and nitrogen addition to the aerosol carrier gas for multi-element environmental analysis | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Modelling the flow of nitrogen and phosphorus in eurpe: from loads to coastal seas. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Microbial transformation of PCBs in sediments: reassessment of the self-purifying capacity of sediments. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Scenarios for global and Dutch use of hydrofluorocarbons (HFCS) and their consequences for global warming | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Delayed developmental immuno- and neurotoxicity of benzodiazepines | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
The onset of instabilities in the numerical simulation of density-driven flow in porous media. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Ecotoxicity of heavy metals applied jointly to terrestrial invertebrates [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Evaluation of artificial neural networks and partial least squares regression for computerized interpretation of FT-IR spectra | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Major histocompatibility complex class i-associated vaccine protection from simian immunodeficiency virus-infected peripheral blood cells | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Kwaliteit van zorg. Van een zorginhoudelijke benadering naar een bedrijfskundige aanpak; 3e dr | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Priorities in environmental health risks related to air pollution throughout Europe | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Toxocara infection in children and the relation with allergic manifestations | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Quality assurance in analytical chemical laboratories; Towards harmonization and integration of current standards | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
The lipooligosaccharide immunotype as a virulence determinant of sulphonamide resistant B15:P1.7,16 meningococci. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
A multicenter survey of resistance in the Netherlands using the E-test | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Effects of sequential intravesical administration of mitomycin C and Bacillus Calmette-Guerin on the immune response in the guinea pig bladder | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Exogene reinfectie met Mycobacterium tuberculosis door nosocomiale transmissie bij een patient met AIDS | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Dietary flavonoids and cancer risk in the Zutphen Elderly Study | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
(Potentieel) proefdierpathogene micro-organismen. Mycoplasma SP | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Genetic divergence of poliovirus strains in Pakistan between years 1989-1992 [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Survey of data on the incidence and levels of ochratoxin A in food and animal feed worldwilde | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Emissions of nitrous oxide (N2O) | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Genetic characterization of wild poliovirus type 3 epidemic in The Netherlands (1992-93) [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Sustainability development: a guiding principle in search of operationalization. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
HIV detection in a national sample of homosexual men [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Clinical and serological characteristics of an epidemic of Trichinellosis in Slupsk (Poland). | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
The validity of laboratory toxicity tests with Eisenia andrei for earthworms in the field [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Role of interleukin-4 and interleukin-5 in the gut immune response to Trichinella spiralis in mice. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Assessing sensitivities and uncertainties in models: A critical evaluation | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Vroege en snelle serologische diagnostiek van virusinfecties [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Kwaliteit. Kwaliteitssystemen in medische laboratoria: hoe staat het ermee? | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Sensitivity analysis of a model for pesticide leaching and accumulation. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Veiligheid van de opslag van radioactief afval. Stand van zaken. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Kenmerken van niet-insuline-afhankelijke diabetes mellitus in oudere mannen: interacties met familieanamnese (De Zutphen Ouderen Studie) [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Agricultural pesticides and groundwater. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Uncertainty analysis for the computation of greenhouse gas concentrations in image | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
The Nutristat: a continuous culture with control of the substrate concentration [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
RIVM's stratospheric ozone lidar for NDSC station lauder: system description and first results. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Influence of surface-active compounds on the bioavailability of PAH. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
The elderly in 2005: health and care. Updated scenarios on health and aging 1990-2005. Scenario report commissioned by the Steering Committee on Future Health Scenarios | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Impaired host resistance to Trichinella spiralis as a consequence of prenatal treatment of rats with diazepam | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Comparison of benzodiazepines in rats. Cross-suppression of lorazepam or trazolam withdrawal by different benzodiazepines [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Effect of tributyltin oxide (TBTO) exposure in vivo on the expression of cytokine mRNAs in cultured rat splenic lymphocytes [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Surveillance sanitaire en elevage: application des recommendations "FELASA" (Federation of European Laboratory Animal Science Associations. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Repeated T.spiralis infection in a group of people living in an endemic focus of trichinellosis. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
The bioavailability of diclofenac from enteric coated products in healthy volunteers with normal and artificially decreased gastric acidity | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Implementation of a total quality system in medical laboratories; why and how? | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Lack of correlation between hypotension and plasma NOx levels in the septic LPS-insentitive rat [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Omgaan met risico's bij straling en stoffen: op weg naar harmonisatie? | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Milieugevolgen van de verkiezingsprogramma's van CDA, PVDA, VVD, D66 en GroenLinks | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Cyclosporin A, thymus and autoimmunity: dendritic cell ultrastructure [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Ozonlaag en huidkanker. Gevolgen van minder ozon voor optreden huidkanker. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Stimulatory and toxic effects of acid, pentachlorophenol or zinc on the mineralization of acetate in acid or calcareous soils and subsoils | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Niveaus en veranderingen in alcoholconsumptie in Nederland in de periode 1987-1991 [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
De prevalentie van obesitas in het Peilstationproject Hart- en Vaatziekten in de periode 1987-1991 [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Toxicological pathology: training/registration and future perspectives [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Onderzoek naar de effecten bij kinderen na ingestie van etsende stoffen | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
A role for T helper-1 cells in the induction of airway hyperresponsiveness. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Bayesian uncertainty analysis in water quality modelling | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Toxicological pathology, a general introduction | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Critical loads and dynamic assessment of ecosystem recovery | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
De relatieve validiteit van de groente- en fruitinneming geschat met de Nederlandse EPIC-voedselfrequentievragenlijst [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Metabolic characteristics of familial and non-familial diabetes mellitus (the Zutphen Elderly Study) [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Een mazelenepidemie in een goed gevaccineerd middelbare-schoolpopulatie | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
De toekomstige gezondheidstoestand van de Nederlandse bevolking. Hoofdlijnen uit de Volksgezondheid Toekomst Verkenning | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Concluding remarks in relation to the zoonosis directive 117/92 EEC | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Environmental pollution and drug consumption [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Volksgezondheid Toekomst Verkenning: een nawoord van de eindredacteuren | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Laboratorium voor Stralingsonderzoek STERLAB erkend. RIVM-lab krijgt kwaliteitscertificaat voor onderzoek en ontwikkeling | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Development of a rabbit model to investigate the effects of acute nitrogen dioxide intoxication | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Determinanten van de gezondheidstoestand in Nederland. Hoofdlijnen uit de Volksgezondheid Toekomst Verkenning | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Uniform oordelen over risico's van stoffen | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Bepaling van IgM antistof tegen poliovirus [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Ecotoxicology of soil protozoa | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Uncertainty analysis and risk assessment combined: application to a bioaccumulation model. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
UV-B impairs T-cell mediated immune responses in a Listeria host resistance model [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
UV-B exposure impairs resistance and immunity to T.spiralis [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Use of quantitative risk analysis in quaility assurance systems for safe food production | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Non-respons bias in longitudinaal gezondheidsonderzoek: de Zutphen Ouderen Studie [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Global eradication of poliomyelitis by the year 2000 [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Recent improvements in polio diagnostic techniques and virus surveillance [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Analyse van sterftecijfers naar doodsoorzaak. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Application of HACCP to drinking water supply | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Nuclear emergency planning and response in the Netherlands: experiences obtained from large scale exercises [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Evaluation in rabbits of several types of adjuvant. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
European Union reference laboratories: a quality challenge [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Calcium, kalium, magnesium en bloeddruk in 20.921 Nederlandse mannen en vrouwen [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Protected peptide disulfides by oxidative detachment from a support | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Subcellular localization of antigens recognized by monoclonal antibodies against Trichinella spiralis larvae group 1(TSL) antigens | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Diagnostics of 222-Rn concentrations in dwellings: characterisation of sources | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Totaal- en HDL-cholesterol in relatie tot 5-jaars incidentie van en sterfte aan coronaire hartziekten bij oudere mannen: de Zutphen Ouderen Studie [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Increasing incidence of type I diabetes in The Netherlands. The second nationwide study among children under 20 years of age | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Evaluation of the Dutch radioactivity monitoring network for nuclear emergencies over the period 1990-1993 | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Trichinellosis in wild life in the Netherlands | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Diabetes monitoring system in the Netherlands [Abstract]. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
A simple two-dimensional climate model with ocean and atmosphere coupling | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Comparison of nonhuman primate antibodies against Haemophilus influenzae type b polysaccharide with human antibodies in oligoclonality and in vivo protective potency | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
European community reference laboratories: their powers and mandates | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
AT base pairs are the main target for mutations at the hprt locus of rat skin fibroblasts exposed in vitro to the monofunctional alkylating agent N-ethyl-N-nitrosourea | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
EEC water quality objectives for chemicals dangerous to aquatic environments (List 1). | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Meer scheiden en meer verbranden. Zes miljard gulden aan investeringen in afvalverwerking | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Maakt QTc-verlenging deel uit van het insuline-resistentie-syndroom? De Zutphense Ouderen Studie [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Workshop on characteristics and standardization of Trichinella antigens | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Simulation of two- and three-dimensional dense solute plume behavior with the METROPOL-3 code | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Time-resolved monitoring of outdoor radiation levels in the Netherlands | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Triage bij chemische ongevallen | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Monomer mapping: a PC-based software tool facilitating the determination of monomer compositions from mass spectrometric molecular weight data | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
The polio epidemic in the Netherlands 1992/1993 | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Will resources for elder care be scarce? | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Comparison of the antiatherogenic effects of isradipine and ramipril in cholesterol-fed rabbits: II. Effect on regression of atherosclerosis and restoration of endothelial function | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Internationale Massnahmen zur Bekaempfung der Toxoplasmose | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Radiation cancer risk: implications from a two-stage model of carcinogenesis. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Formation and turnover rates of catabolic enzymes in xenobiotic-degrading bacteria growing in chemostat culture [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Model definition and model validation | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Een presentatiesysteem ten behoeve van de gezondheidskundige evaluatie van Schiphol | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Het verkeersvraagstuk. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Toekomstige ontwikkelingen in gezondheid, ziekte en sterfte. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
De relatie tussen hyperinsulinemie, glucose-intolerantie en cognitief functioneren: de Zutphen Ouderen Studie (1990) [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Voedingspatronen en cardiovasculaire risicofactoren bij oudere mannen: de Zutphen Ouderen Studie [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Impairment of immune function in harbor seals (Phoca vitulina) feeding on fish from polluted waters | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Acute gastro-enteritis in NIVEL-peilstationpraktijken: onderzoek naar voorkomen en micro-organismen [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Uncertainty analysis on critical loads for forest soils in Finland | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
The influence of food on the absolute oral bioavailability of medroxyprogesteronacetate in the dog [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Azithromycine; eenmalige orale behandeling van Chlamydia trachomatis urethritis and cervicitis | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
De voeding van oudere Zutphense mannen in 1990 | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
HIV-infectie in een Nederlandse groep homoseksuele mannen [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Evaluation in rabbits of several types of adjuvants [Abstract] | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
UNCSAM: a software tool for sensitivity and uncertainty analysis of mathematical models | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Beschermt een gewijzigd vaccinatieschema beter tegen mazelen? | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek
Interpretation of respiratory tract responses in experimental animals. | RIVM
Jaar: 1995
Onderzoek