Naar inhoud

Onderzoeken Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 1999

Zoek binnen deze data in WooGLe

Assessment of air quality for Polycyclic Aromatic Hydrocarbons in the Netherlands | RIVM

Het voorkomen van polycylische aromatische koolwaterstoffen (PAK) en in het bijzonder van benzo[a]pyreen, in lucht de Nederland is onderzocht. Op basis van bestaande meetgegevens, een beperkte meetinspanning en de resultaten van modelberekeningen is het mogelijk gebleken om een realistisch beeld te krijgen van de luchtkwaliteit in Nederland voor deze stoffen. Het achtergrondniveau wordt geschat op 0,05-0,15 ng m-3 als jaargemiddelde. Verhoogde PAK en B[a]P concentraties worden verwacht in de nabijheid van een aantal industriele bronnen en in de stedelijke omgeving. B[a]P concentraties in de buurt van de Hoogovens bedragen 0,2 tot 0,5 ng m-3, afhankelijk van de plaats ten opzichte van het bronnencomplex. Het stedelijke achtergrondniveau is 0,2 tot 0,4 ng m-3; in straten kunnen jaargemiddelden tot 0,7 ng m-3 voorkomen. Modelberekeningen laten zien dat in straten over een lengte van 20 km overschrijding van de norm van 1 ng B[a]P m-3 optreedt. Dit wordt niet door meetresultaten bevestigd. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen wat de oorzaak van deze discrepantie is.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Assessment of air quality for arsenic, cadmium, mercury and nickel in the Netherlands | RIVM

Het voorkomen van arseen, cadmium, kiwk en nikkel in lucht in Nederland is onderzocht. Op basis van bestaande meetgegevens, een beperkte meetinspanning en de resultaten van modelberekeningen is het mogelijk gebleken om een realistisch beeld te krijgen van de luchtkwaliteit in Nederland voor deze stoffen. Achtergrondconcentraties van arseen, cadmium en nikkel, zoals afgeleid uit metingen, bedragen resp. 0.6-1.1 ng m-3, 0.2-0.4 ng m-3 en 2.0-2.5 ng m-3. Kwikconcentraties, afgeleid uit modelberekeningen, zijn 2-3 ng m-3. Verhoogde cadmiumconcentraties zijn waargenomen nabij de Hoogovens en in het Rijnmondgebied. In het Rijnmondgebied zijn ook de nikkelniveaus verhoogd; meetresultaten in dit gebied zijn goed in overeenstemming met de uitkomsten van modelberekeningen. Alle waargenomen niveaus blijven onder de luchtkwaliteitdoelstellingen met uitzondering van cadmium en nikkel waarvoor de het niveau van het Verwaarloosbaar Risico lokaal wordt overschreden.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

A proposal for revised Intervention Values for petroleum hydrocarbons ('minerale olie') on base of fractions of petroleum hydrocarbons | RIVM

De interventiewaarde voor minerale olie is geevalueerd. Literatuuronderzoek is verricht naar exotoxicologische en humaan-toxicologische data gericht op oliefracties, hier 'PH-fracties' genoemd (Total Petroleum Hydrocarbons). Vastgesteld is dat het beschouwen van TPH-fracties zowel van belang is het vaststellen van humane - als voor ecologische risico's; risico's bij blootstelling aan TPH kunnen genuanceerder geschat worden. Geconcludeerd is dat de huidige methode het (niet-carcinogene) humane risico van lichte olie fracties (>_C12), als benzines, onvoldoende belicht. Aanbevolen wordt om de huidige analyse methoden voor het vaststellen van minerale olie (som C10-C40 verbindingen) te vervangen door een analysemethode welke TPH-fracties onderscheidt, om vervolgens de voorgestelde indicatieve niveaus (humane EBVC's) voor 10 TPH-fracties over te nemen. Vooral alifatische fracties (tot en met EC12) en aromatische fracties (tot en met EC16) zijn relevant voor het (niet-carcinogene) humane risico. Er zijn onvoldoende betrouwbare data om ecotoxicologische risico-grenzen te berekenen. Aanbevolen is om TPH fracties te onderscheiden welke relevant zijn voor het beschrijven van terrestrische ecologische effecten van oliefracties, om vervolgens de benodigde ecotoxicologische data te genereren om HC50 waarden voor minerale-oliefracties vast te kunnen stellen.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Een pilot-studie naar de bruikbaarheid van fysiologische markers voor psychologische stress en gezondheidseffecten. De variatie van en de invloeden op cortisol, serotonine en neopterine in urine bij vrijwilligers | RIVM

Dit rapport geefte een beknopt overzicht van de literatuur over de relatie tussen blootstelling aan geluid (lawaai) en de gezondheidseffecten, gericht op stress en slaapverstoring. De studie was gebaseerd of de hypothese dat expositie aan lawaai invloed kan hebben op psychologische stress en dat dergelijke effecten geidentificeerd kunnen worden dmv fysiologische indicatoren. Het doel van deze voorstudie was het introduceren en het testen van de bruikbaarheid van deze blootstelling en zo mogelijk gezondheidsindicatoren als toevoeging voor het veel vaker gehanteerde vragenlijstonderzoek voor hinder en slaapverstoring. Dit is onderzocht in een veldstudie, waarbij een groep van 10 vrijwilligers gedurende een periode van 14 dagen urine heeft verzameld en vragenlijsten hebben ingevuld. Op basis van dit overzicht is een keuze gemaakt voor het meten van 3 aan psychologische stress gerelateerde hormonen in urine. De concentraties van cortisol, serotonine en neopterine werd bepaald. Aan de hand van deze gegevens werden gemiddelde concentraties en de variatie berekend. Cortisol vertoont de grootste variatie in deze studie. Tevens bleek dat het aantal dagen van een studie weinig effect heeft op de variatie van serotonine. Een Uit dit onderzoek is geconcludeerd dat cortisol, neopterine en serotonine in urine kunnen worden bepaald. Echter, de vrijwilligers gaven wel aan dat het verzamelen van urine als belasted werd ervaren. Er kan hier geen uitspraak worden gedaan over de grootte van een panel en de duur van een studie om effecten van een stressor op de gemeten hormonen aan te tonen. Rookgedrag, alcohol consumptie, geslacht en het gebruik van pijnstillers zijn confounders. Slaapkwaliteit werd statistisch significant geassocieerd met cortisol concentraties in urine. Het moet echter nog vast worden gesteld in welke mate een stressor (bijv. lawaaio) invloed heeft op deze hormonen (blootstelling-effect relatie) en wat de betekenis is van een zodanig effect op de gezondheid.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Local tolerance and general toxicity of tetravalent pneumococcal conjugate vaccine | RIVM

Om de veiligheid van een tetravalent pneumococcen conjugaat-vaccin te testen werd het eindproduct dat bedoeld was voor gebruik in een klinische trial, toegediend aan 24 vrouwelijke ratten van 6 weken oud middels twee intramusculaire injecties. Parameters voor algemene toxiciteit waren: groei, voedselopname, algemene klinische parameters en hematologie. Lokale tolerantie werd beoordeeld aan de hand van histopathologisch onderzoek van de injectieplaatsen en de regionale lymfknopen. Deze lymfknopen werden eveneens gewogen. Er werden geen effecten van het pneumococcen conjugaat-vaccin gevonden op de groei, voedselopname, klinische en hematologische parameters. Het gewicht van de regionale lymfknopen was weliswaar gering maar niet statistisch significant toegenomen; voorts was de toename niet zo dramatisch als na toediening van het referentie controle vaccin (DKTP).De lokale reacties in rattten na toediening van adjuvans of het complete vaccin waren mild in vergelijking tot het effect van toediening van het referentie controle vaccin (DKTP). De reacties in ratten na toediening van het hier gebruikte peumococcen conjugaat- vaccin worden acceptabel beschouwd - op voorwaarde dat toediening leidt tot een beschermende immuniteit- omdat:1- De alom geaccepteerde locale reacties na DKTP injectie sterker zijn. 2- In deze studie naar lokale tolerantie en systemische toxiciteit de toegediende dosis van DKTP 1/4 van de in de mens gebruikte dosis is en de toegediende dosis van het pneumococcen vaccin 1/2 van de in de mens gebruikte dosis is, hetgeen in beide gevallen - voor de dieren gebruikt in deze studie-grote overdoseringen zijn op basis van lichaamsgewicht.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Emissie van Cryptosporidium en Giardia door landbouwhuisdieren | RIVM

Het hier gepresenteerde deelonderzoek richt zich op de relatieve bijdrage van verschillende populaties landbouwhuisdieren via mest en afvalwater aan de totale emissie van Cryptosporidium en Giardia in Nederland. Vleeskalveren vormen per jaar in Nederland via hun mest een grote emissiebron van beide protozoa, namelijk naar schatting 1,5 m 10 tot de zestinede macht oocysten van Cryptosporidium en 2,8 m 10 tot de vijftiende macht cysten van Giardia. In mest van melkkoeien zijn ook Giardia-cysten aangetoond, maar deze emissiebron is onvoldoende gekwantificeerd. Cryptosporidium werd in mest van melkkoeien niet aangetoond. Cryptosporidium en Giardia zijn niet in mest van vleeskuikens aangetoond, derhalve levert deze mest waarschijnlijk geen bijdrage van betekenis. Legkippen vormen een belangrijke emissiebron voor Cryptosporidium. Echter, dit zou Cryptosporidium baileyi, welke niet zoonotisch is, kunnen zijn, maar de species is in deze studie niet getypeerd. Giardia werd in mest van legkippen niet aangetoond. Slachthuisafvalwater van runderen, varkens en pluimvee levert geen bijdrage van betekenis aan de lozing van Cryptosporidium en Giardia op het oppervlaktewater. Op basis van het onderzoek aan kalvergier werd een hoge emissie van Cryptosporidium en Giardia door vleeskalveren berekend. Hoewel emissie van Cryptosporidium en Giardia vooral via de mest van vleeskalveren aanzienlijk is, kan nog niets worden gezegd over de werkelijke bijdrage aan de lozing van deze protozoa op het oppervlaktewater.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Pertussis; description and evaluation based on surveillance data of 1997 and 1998 | RIVM

Doel: Beschrijving van kinkhoestincidentie in 1997 en 1998 na de epidemie in 1996. Methoden: Surveillance gegevens op basis van aangiften, serodiagnostiek, Bordetella isolaten en nationale registraties van ziekenhuisopnamen en sterfte werden geanalyseerd voor 1997 en 1998 en vergeleken met 1989-1996. Resultaten: De incidentie van kinkhoest daalde in 1997 en 1998 in vergelijking met 1996 maar was nog verhoogd ten opzichte van de gemiddelde incidentie in 1989-1995. De incidentie geschat op basis van aangiften was in 1989-1995 2,3, in 1996 27,3, in 1997 17,2 en in 1998 16,0 per 100.000. De incidentie op basis van een- en tweepuntsserologie was in de periode van 1989-1995 8,2 vs. 2,1, in 1996 50,7 vs. 12,2 , in 1997 26.4 vs. 5.9 and in 1998 20.7 vs. 3.0 per 100.000. Het aantal ziekenhuisopnamen in 1997 (2.8 per 100.000) was hoger dan in 1998 (1.8 per 100.000) maar lager dan in 1996 (3.3 per 100.000). Zowel in 1996 als 1997 zijn 2 ongevaccineerde zuigelingen overleden ten gevolge van kinkhoest. In 1998 is 1 zuigeling overleden. De piek-incidentie in 1997 en 1998 kwam voor onder 4- tot 5- jarigen en was vergelijkbaar met 1996. Conclusie: De incidentie daalde in 1997 en 1998 in vergelijking met 1996 maar was hoger dan de gemiddelde incidentie in 1989-1995. Hoewel er sprake was van een toegenomen aangiftediscipline en vooral van een toegenomen aangifte op basis van positieve eenpuntsserologie als gevolg van o.a. een verandering van de case-definitie in april 1997, kon dit de verhoogde incidentie niet geheel verklaren. Surveillance op basis van ziekenhuisopnamen is minder gevoelig voor artefacten maar reflecteert alleen ernstige kinkhoest. Continuering van kinkhoest op basis van verschillende surveillancebronnen is nodig om de incidentie en het effect van veranderingen van vaccinatiestrategie6n te bestuderen.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Milieudrukindicator Verspreiding | RIVM

Het rapport beschrijft de ontwikkeling van een Milieudrukindicator Verspreiding, die gebruikt kan worden in beleids- en beleidsondersteunende documenten om inzicht te geven in de ontwikkeling van de milieubelasting van het milieu door emissies van stoffen met een mogelijk ongewenst effect op het milieu. Om praktische redenen is dit alleen voor de prioritaire stoffen gedaan; bestrijdingsmiddelen en radioactieve stoffen zijn in het onderzoek niet beschouwd. Deze rapportage bevat primair de beschrijving van de ontwikkeling van de Milieudrukindicator; de conclusies en de analyse van de bijdragen per stof worden hier niet beschreven. Dit zal gedaan worden in de interdepartementale notitie "Prioritaire Stoffen". Dit rapport bevat daarom de essenti6le gegevens die de rekenkundige basis vormen van deze notitie.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Determination of field-based sorption isotherms for Cd, Cu, Pb and Zn in Dutch soils | RIVM

In het laboratorium verkregen sorptie-isothermen voor zware metalen in de bodem, onderschatten meestal de waargenomen totale metaalgehalten in het veld. Daarom zijn isothermen gebaseerd op in-situ data nodig. Het doel van dit onderzoek is sorptie-isothermen voor Cd, Cu, Pb en Zn te verkrijgen als invoer voor het zware metalen accumulatiemodel SOACAS. Twee typen sorptie-isothermen zijn afgeleid van velddatasets in dit onderzoek: het Freundlich type met een vaste fase fractie, afgeleid met Stapsgewijze Lineaire Regressie (LR) en een model met twee vaste fase metaalfracties, een reactieve fractie en een inerte fractie, afgeleid met Niet Lineaire Kleinste Kwadraten Regressie (NLSSR). Uit de resultaten van de LR en de NLLSR fits blijkt dat de verklaarde variantie voor de Zn modellen meestal het hoogste is, gevolgd door de Cd modellen. De verklaarde variantie van de Cu en Pb modellen is lager. De performance van de LR en de NLLSR modellen is vergelijkbaar. De NLLSR fits van de 2-fase isothermen bevatten bijna nooit een statistisch significante inerte metaalfractie. Dit betekent dat een 2-fase model, in de meeste gevallen, niet van deze dataset afgeleid kan worden. De LR modellen afgeleid van velddata (dit onderzoek) voorspellen de waargenomen totale metaalgehalten in het veld beter dan de isothermen afgeleid van laboratoriumdata. De uitbreiding van de velddataset en kwaliteitsverbetering van de dataset wordt aanbevolen voor toekomstig onderzoek.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Surveillance of acute respiratory infections in general practices - The Netherlands, winter 1997/98 | RIVM

Om inzicht te verschaffen in de virologische etiologie van influenza-achtige zieketebeelden (IAZ) en andere acute respiratoire infecties hebben 30 huisartsen van het peilstationnetwerk van het Nederlands Instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg neus- en keelwatten afgenomen bij een random selectie van patienten die hen consulteerden vanwege dergelijke infecties gedurende winter 1997/98. Deze monsters werden op het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu geanalyseerd op respiratoire virussen, Chlamydia pneumoniae en Mycoplasma pneumoniae met behulp van viruskweek en polymerase chain reaction (PCR). In 52% van de 363 monsters werd tenminste een luchtwegpathogeen gedetecteerd. Influenzavirussen, voornamelijk type A(H3N2), en rhinovirussen werden het vaakst aangetoond, namelijk in respectievelijk 23% en 21% van de monsters. Rhinovirussen circuleerden met name van september tot en met december 1997 en influenzavirussen domineerden van januari tot en met april 1998. Vijfenveertig procent van de luchtwegpathogenen (74% van de rhinovirussen en 86% van de enterovirussen en respiratoir syncytieel virussen) werd alleen door PCR-analyse gedetecteerd. Influenzavirus werd zes keer zo vaak ge6soleerd uit monsters van IAZ-patienten (in 30% daarvan) dan uit monsters van patienten met een andere acute luchtweginfectie. Bij 23% van de IAZ-patienten werd echter een ander luchtwegpathogeen dan influenzavirus aangetoond en bij 46% werd geen micro-organisme gevonden. De resultaten worden vergeleken met die van de vijf voorafgaande winters. Het inzicht in virologische etiologie van acute respiratoire infecties inclusief IAZ op basis van deze surveillance, de enige onder huisartspatienten, bijdragen aan effectieve preventie en controle van dergelijke infecties. Er worden suggesties gedaan ter verbetering van de surveillance.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Surveillance van HIV-infectie onder injecterende druggebruikers in Nederland: meting Groningen 1997/1998 | RIVM

Tussen 24 november 1997 en 30 januari 1998 werd bij 196 IDs uit Groningen een speekselmonster en een vragenlijst naar risicogedrag afgenomen. De deelnemers werden geworven via de methadonverstrekking (91%), twee laagdrempelige dagcentra voor druggebruikers (5%), een dagbestedingsproject voor druggebruikers (2%) en via straatwerving (2%). Van de 196 IDs was een deelnemer HIV-positief (prevalentie 0,5%; 95% betrouwbaarheidsinterval 0,0 - 1.5%). Van de 126 actuele spuiters had 11% in de laatste zes maanden een gebruikte spuit of naald van een ander geleend, relatief weinig vergeleken met de metingen in andere steden. Twaalf procent had een spuit of naald uitgeleend. Spuitattributen (gebruikt watje, lepel, filter of spoelwater) werd door 38% gedeeld. 43% van de IDs had in de laatste zes maanden een vaste seksuele partner gehad. Bij 48% hiervan was dat geen druggebruiker, bij 14% een niet-injecterende druggebruikers. Met de vaste seksuele partner werd in 89% van de contacten niet altijd een condoom gebruikt. Met losse partners en met klanten werden vaker condooms gebruikt (niet altijd condooms gebruikt: 58%, resp. 24%). De prevalentie van HIV onder IDs in Groningen is 0.5%. Het lenen en uitlenen van gebruikte spuiten/naalden is minder dan in de metingen in de andere steden. Het condoomgebruik in vaste seksuele contacten is laag en vergelijkbaar met dat in de metingen in de andere steden.Door de lage HIV-prevalentie wordt het risico op verspreiding van HIV naar niet-IDs of de rest van de algemene bevolking laag ingeschat.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Developmental and testicular toxicity of butyl benzyl phthalate in the rat and the impact of study design | RIVM

De embryofoetale toxiciteit van butylbenzylftalaat is onderzocht in de rat in een studieopzet met tien doseringsgroepen. Het effect van blootstellingsduur is bestudeerd, en effecten in drachtige en niet-drachtige dieren zijn vergeleken. Bovendien is de klassieke data-analyse met no-observed- effect-levels (NOAEL) vergeleken met een alternatieve benchmark benadering waarin critische-effect-doseringen (CED) worden afgeleid. Daarnaast is een verkennende studie uitgevoerd met jonge mannetjesratten om de testistoxiciteit van de stof te bepalen. Dit rapport beschrijft de resultaten alsmede een initi6le analyse van de data. Een uitgebreide data-analyse is voorzien voor een volgende rapportage. Vergelijking van de laagste NOAEL met de laagste CED laat zien dat in beide analyses levereffecten de maternale toxiciteit bepalen, waarbij de NOAEL voor levergewicht 450 mg/kg lichaamsgewicht/dag (mkd) bedraagt en de CED20 voor serum ALAT 456 mkd. Voor embryotoxiciteit blijken in beide analyses testis-effecten het gevoeligst, met NOAEL voor testisgewicht < 270 mkd en de CED01 voor foetale caudale testismigratie 164 mkd. Aangezien embryotoxiciteit optrad bij doseringen waarbij geen maternale toxiciteit gezien werd, komt BBP uit deze studie naar voren als een specifiek embryotoxische stof. Gevoeligste toxiciteit bij mannetjes werd gezien als testis-atrofie met een NOAEL van 750 mkd en als testisgewicht reductie bij CED10 van 576 mkd. gereproduceerd. Daarnaast werden in deze studie critische effecten gezien op maternale serum ALAT spiegels en op testisgewicht en -migratie, beide uitsluitend na lange blootstelling. Eindpunten die reversibel zijn of die gevoelig zijn in de latere fase van de blootstelling zijn veelal gevoeliger voor langere blootstelling. Lever enzym veranderingen en hematologische parameters blijken gevoeliger in drachtige dan in niet-drachtige dieren. De dataset van deze studie zal gebruikt worden voor verdere ontwikkeling en discussie van de alternatieve benchmark benadering voor humane risicoanalyse.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Development of sensitive mass spectrometric techniques in protein and peptide identification | RIVM

Dit rapport beschrijft de ontwikkeling van micro en nano-scale vloeistofchromatografie en on-line preconcentrering capillaire electrophorese gecombineerd met tandem massaspectrometrie bij gevoelige structuuranalyse analyse van eiwitten en peptiden. Massaspectrometrie is een sterk opkomende techniek voor het verkrijgen van sekwentie-informatie van deze biologisch relevante producten. De verkregen sekwentie-informatie van afgeleide peptiden (proteosomale peptiden en proteolyse producten) worden gebruikt voor het identificeren van het bijbehorende broneiwit met behulp van eiwit en DNA databanken. De gevoeligheid van de huidige MS technologieen ligt rond een picomol (10-12) hoeveelheid eiwit. Recente verfijningen, in het bijzonder de ontwikkeling van nano-schaal technologien brengen toepassingen op het femto (10-15) tot attomole (10-18) niveau binnen het bereik van de techniek. Hier rapporteren wij over de resultaten van het R&D programma in het jaar 1998 op het gebied van de karakterisering van eiwitten en peptiden met behulp van massaspectrometrie.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Demografische ramingen van de kosten van zorg, update 1999 | RIVM

De nieuwe demografische ramingen van de zorgkosten in Nederland maken gebruik van de meest recente (1998) bevolkingsprognose van het CBS en de resultaten van de Kosten van Ziekten 1994 studie van de Erasmus Universiteit Rotterdam. In de nieuwe projecties stijgen de totale zorgkosten in de periode 1994-2015 met 22,6% tot 72,9 miljard gulden in 2015 (in 1994 prijzen). Dit is 96 miljoen gulden hoger dan in de ramingen in VTV-97. Belangrijkste reden voor dit verschil is de verwachte grotere totale bevolkingsomvang in 2015. Andere verschillen tussen de oude en de nieuwe ramingen zijn: (1) de kosten voor ouderenzorg stijgen minder en (2) de kosten van verloskunde en kraamzorg dalen minder. Op korte termijn, tot het jaar 2004, is de verwachting op basis van de demografische ramingen dat de totale zorgkosten in 2004 met ruim 6 procent gestegen zullen zijn ten opzicht van het niveau van 1998. In deze periode worden de kosten van ouderenzorg verwacht sneller te groeien (rond 11%) en de kosten van verloskunde worden verwacht af te nemen (rond 8% daling). Op middellange termijn (1998-2015) zullen de meeste sectoren een afnemende groei laten zien.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Prognose Milieu-effecten Duurzaam Bouwen | RIVM

In opdracht van het Ministerie van VROM is onderzoek gedaan naar de prognose van milieu-effecten van kabinetsbeleid ten aanzien van Duurzaam Bouwen voor de periode 1995 - 2020. Geaccordeerd beleid tot eind 1997, het verschijnen van het Tweede Plan van Aanpak Duurzaam Bouwen, is meegenomen in de prognose. Voor de berekeningen zijn twee modellen ontwikkeld door TNO/Bouw, een voor woningbouw en een voor Utiliteitsbouw (de sectoren zorg, onderwijs, kantoren en detailhandel). Met de modellen kunnen maatregelen uit de Nationale Pakketten Duurzaam Bouwen ten aanzien van het gebruik van energie, water en materialen doorgerekend worden op hun effecten. Voor de berekeningen zijn uitgangspunten geformuleerd voor de doorwerking van de verschillende maatregelen. Deze penetratie-scenario's zijn opgesteld in overleg met een forum van deskundigen. De berekeningen betreffen louter de veranderingen door (fysiek) technische ingrepen in of aan het gebouw. Zowel in de woningnieuwbouw als in de bestaande voorraad wordt een absolute afname van het energiegebruik verwacht, voornamelijk als gevolg van een afname van energiegebruik voor ruimteverwarming. Als gevolg van het dalen energiegebruik zal de CO2-emissie dalen met ongeveer 15% in 2020 t.o.v. 1995. Het totale (primaire) energiegebruik in de U-bouw neemt met iets meer dan 5% af in 2020 t.o.v. 1995. Het energiegebruik per m2 bruto vloeroppervlak daalt in alle vier sectoren, relatief het meest in het onderwijs. Absoluut is de daling het grootst in de kantorensector. De waterbesparing in de U-bouw is maar een fractie van die in de woningbouw. Zowel in de nieuwbouw als in de bestaande voorraad van de woningen kunnen grote waterbesparingen gehaald worden. Voor materialen is de verwachting dat er milieuwinst geboekt kan worden op termijn. Het (her)gebruik van afval is met name belangrijk voor grind, gips en PVC. Het verminderen van schadelijke emissies is vooral van belang voor het gebruik van VOS en zware metalen. Het duurzaam gebruik van grondstoffen en het beperken van het gebruik van niet-vernieuwbare grondstoffen betreft (duurzaam geproduceerd) hout en kunststofdakbedekkingen.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Deoxynivalenol. Derivation of concentration limits in wheat and wheat containing food products | RIVM

Het mycotoxine deoxynivalenol (DON), dat geproduceerd wordt door schimmels van het geslacht Fusarium, kan in verschillende graansoorten aanwezig zijn. Om concentratielimieten te berekenen voor DON in tarwe en tarwe-bevattende producten is een voorlopige TDI afgeleid van 1,1 4g per kg lichaamsgewicht per dag. Kinderen van 1-4 jaar hebben de hoogste tarwe consumptie per kg lichaamsgewicht en vormen de bevolkingsgroep met het hoogste risico. Voor de afleiding van een veilige concentratielimiet voor DON zijn wij uitgegaan van een kind met een hoge tarwe consumptie. Op basis van de hoeveelheid tarwe in voedingsmiddelen en de concentratielimiet voor DON in (geschoonde) tarwe zijn concentratielimieten voor verschillende voedingsmiddelen afgeleid. De navolgende concentratielimieten worden voorgesteld: 120 4g DON/kg voor (geschoonde) tarwe, 60 4g DON/kg voor brood, en 120 4g DON/kg voor voedingsmiddelen met een tarwegehalte groter dan 33%. Aanbevolen wordt om in voedingsmiddelen met een tarwegehalte kleiner dan 33% uitsluitend de DON-concentratie van de te gebruiken tarwe te bewaken.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Chemische analyse van huishoudelijk restafval. Resultaten 1994 en 1995 | RIVM

Huishoudelijk restafval uit 1994 en 1995 werd geanalyseerd op een groot aantal (chemische) parameters, waaronder (zware) metalen. Het rapport geeft de resultaten weer van de concentraties zowel per hoofdcomponent (GFT, papier, kunststoffen etc.) als in het totaal huishoudelijk restafval; ook wordt de verdeling van de gemeten stoffen over de hoofdcomponenten weergegeven.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Wachtlijstontwikkeling in de zorg voor verstandelijk gehandicapten | RIVM

Het Ministerie van VWS heeft ter ondersteuning van haar beleidsvoorbereiding door het RIVM een simulatiemodel laten ontwikkelen dat de ontwikkeling van de wachtlijst voor woonvoorzieningen voor verstandelijk gehandicapten beschrijft, over de periode 1996-2020. Een referentiescenario en een viertal alternatieve scenario's zijn doorgerekend op hun consequenties voor de wachtlijstontwikkeling. Het aantal verstandelijk gehandicapten in Nederland groeit in de periode 1996-2010 van 104.400 tot 109.700. Van 2010 tot 2020 vlakt de groei af. Het aandeel 65-plussers onder de verstandelijk gehandicapten groeit van ruim 4% in 1996 tot ruim 9% in 2020. Onder het referentiescenario groeit de wachtlijst van ruim 6.800 in 1996 tot 8.200 in 2000, en neemt dan weer geleidelijk af tot 6.000 in 2010. Twee van de alternatieve scenario's laten ten opzichte van het referentiescenario een lagere wachtlijstontwikkeling zien. Deze verlaging is 50% (in 2010) onder de veronderstelling dat verstandelijk gehandicapte kinderen langer of volledig thuis blijven wonen, en 23% (in 2010) bij een veronderstelde opschoning van de wachtlijstregistratie voor ten onrechte vermelde personen. Het derde alternatieve scenario laat juist een sterke groei zien, ten opzichte van het referentiescenario. Hier is in 2010 de omvang van de wachtlijst 82% groter, onder de veronderstelling dat minder mensen de wachtlijst uitstromen. Het vierde alternatieve scenario veronderstelt een extra verbetering van de overleving van verstandelijk gehandicapten. Hier is het verschil met het referentiescenario gering: een ruim 2% grotere wachtlijst in 2010. Uit de scenarioberekeningen blijkt dat de wachtlijstontwikkelingen het meest gevoelig zijn voor variaties in de in- en uitstroom van de wachtlijst. Tegelijk zijn juist op dit punt de gegevens onvolledig, en ontoereikend voor het maken van betrouwbare schattingen voor de toekomst. De resultaten van deze studie moeten daarom meer gezien worden als middel om de discussie over wachtlijsten te structureren dan dat ze reeds nu kunnen dienen als solide basis voor beleidsbeslissingen.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Metaalniveau's in volwassenen in Nederland, 1997 | RIVM

De huidige rapportage beschrijft in 1997 gemeten niveau's van lood in bloed en kwik, cadmium en arseen in urine van 300 volwassen Nederlanders. De doelstelling van dit onderzoek is het in kaart brengen van de inwendige belasting van niet-beroepsmatig blootgestelde volwassenen met metalen. Sinds eind jaren zeventig is in Nederland een sterk dalende trend in lood-bloed gehalten waarneembaar. De lichaamsbelasting met cadmium lijkt niet te zijn gedaald. Van de onderzoekspopulatie heeft 25% een lood-bloed waarde waarbij biochemische veranderingen kunnen optreden (>50 ug/L). Ongeveer twee procent heeft een waarde die een geringe bloeddrukstijging tot gevolg kan hebben (>100 ug/L). De gezondheidskundige betekenis van beide effecten is onduidelijk. Cadmium, kwik en anorganisch arseenconcentraties lijken geen nadelige (gezondheids)effecten tot gevolg te hebben. Concentraties zijn vergelijkbaar met andere (Europese) landen. Geslacht en leeftijd zijn bepalende factoren voor metalen concentraties. Roken heeft een verhoogde lichaamsbelasting met lood en cadmium tot gevolg. Verder draagt alcoholconsumptie bij aan verhoogde lood-bloed waarden, het aantal amalgaam vullingen aan verhoogde kwik-urine waarden en visconsumptie aan verhoogde anorganisch arseen-urine concentraties. De vastgestelde referentiewaarden kunnen worden gebruikt als achtergrondniveau's bij calamiteiten, teneinde een uitspraak te kunnen doen over belasting van risicogroepen. Daarnaast kunnen met behulp van de vastgestelde referentiewaarden, ook in de toekomst trends in de lichaamsbelasting worden onderzocht.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Pesticides in groundwater: occurrence and ecological impacts | RIVM

Ecotoxicologische risicobeoordeling is een uitgangspunt in de normstelling en wordt in deze verkennende studie toegepast op gewasbeschermingsmiddelen in grondwater. Daartoe zijn naast elkaar verschillende benaderingen gehanteerd voor het afleiden van ecotoxicologisch kritische concentraties voor het grondwater. Vervolgens zijn deze vergeleken met de huidige EU-normen voor bestrijdingsmiddelen in grondwater en met kritisch geevalueerde gemeten concentraties. Daarnaast zijn voor aldicarb, atrazine en MITC de resultaten van geografische modelering ecotoxicologisch geevalueerd. De studie heeft vooral betrekking op Nederland maar zijdelings is het probleem geplaatst in Europese context. Veel van de gerapporteerde bestrijdingsmiddelen concentraties in grondwater zijn onderling gecorreleerd. Daarom verdient het aanbeveling om beoordeling van de mate van grondwaterverontreiniging door bestrijdingsmiddelen te baseren op het aantal verschillende locaties waar deze middelen zijn aangetroffen. In ondiep Nederlands grondwater blijken aldicarb, 1,3-dichloorpropeen, 1,2-dichloorpropaan, dinoseb, dinoterb, ethoprofos en MITC ecotoxicologisch de meest gevaarlijke. Van de in monitoring programma's aangetroffen middelen zijn voor aldicarb en aldicarbsulfoxide, dinoseb, dinoterb, ethoprofos, heptachloor, MITC, parathion-ethyl en pirimicarb ecotoxicologisch kritische concentraties afgeleid die lager liggen dan de huidige norm van 0,1 ug/l. Indien ecotoxicologisch risico grenzen voor grondwater gewenst zijn dan is het raadzaam deze af te leiden van standaard aquatische toxiciteitsgegevens en in de extrapolatie rekening te houden met de ecologische eigenschappen van het grondwatersysteem. Het ontwikkelen van toxiciteitstesten met specifieke grondwater organismen als basis voor de risicobeoordeling van stoffen voor grondwater ecosystemen lijkt geen haalbare benadering.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Greenhouse Gas Emission Accounting 2. Update including Second National Communications | RIVM

In deze studie is een gedetailleerde analyse gemaakt van de oorzaken voor verschillen tussen nationale emissieschattingen, inclusief die van de tweede National Communications, en mondiale inventarisaties zoals EDGAR 2.0 en atmosferische concentratiemetingen. Dit vervolgrapport geeft achtergrondinformatie voor IPCC Expert Meetings in 1999 over Good Practice Guidelines and Inventory Quality en heeft tot doel het review- en synthese-proces van National Communications door het Klimaatsecretariaat en de Subsidiary Body on Scientific and Technological Advice (SBSTA) te ondersteunen en behandelt drie van de zes gassen: kooldioxide, methaan en lachgas. De kwaliteit van inventarisaties is belangrijk geworden sinds de aanvaarding van wettelijk bindende emissiereductiedoelen voor een groep van zes gassen in het Kyoto Protocol bij het Klimaatverdrag. Dit rapport beschrijft een aantal manieren om de kwaliteit en de onzekerheid van nationale broeikasgas-inventarisaties te schatten. Het concludeert dat het meten van concentraties in de atmosfeer niet de enige manier is, aangezien de metingen zelf omringd zijn door onzekerheden. Vergelijkingen met semi-onafhankelijke inventarisaties op nationale, regionale en mondiale schaal kunnen meer inzicht geven in de kwaliteit van de inventarisaties. De analyse heeft aangetoond dat nationale inventarisaties van industrielanden, zoals gerapporteerd in National Communications, niet transparant zijn. Of een land voldoet aan de verplichtingen in het Kyoto Protocol kan niet worden gecontroleerd op basis van slechts deze informatie. Een meer gedetailleerd standaard-format wordt aanbevolen voor rapportage van nationale inventarisaties. Een controle van de verplichtingen in het kader van het Kyoto Protocol kan dan worden uitgevoerd op basis van gelijksoortige informatie van alle industrielanden. Complete en nauwkeurige informatie over emissies van ontwikkelingslanden is nog steeds afwezig. De analyse in dit rapport is voornamelijk gebaseerd op informatie van het Klimaatsecretariaat, EDGAR en landenstudies. Voor ontwikkelingslanden is meer informatie beschikbaar uit diverse andere studies.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Vergelijking van voorspelde metaalgehalten in landbodems met (eco)toxicologische risiconiveaus | RIVM

In een voorgaande rapportage is een beeld geschetst van de kwaliteitsontwikkeling van de landbodem met betrekking tot de vier metalen cadmium, koper, lood en zink bij verspreiding van baggerspecie. In de huidige rapportage wordt door toetsing van de in het vorige onderzoek voorspelde metaalgehalten aan een aantal bestaande (eco)toxicologische risiconiveaus of signaalwaarden een eerste indicatie gegeven van mogelijke risico's ten gevolge van het verspreiden van met metalen verontreinigde baggerspecie. Er is een overschrijding geconstateerd van (eco)toxicologische risiconiveaus voor metalen bij vergelijk van verschillende risiconiveaus met modelvoorspellingen voor metaalconcentraties in de landbodem. Nader onderzoek is geboden naar de ecotoxicologische betekenis van de overschrijdingen. De mate van norm- overschrijding, en het aantal stoffen waarvoor dit tegelijkertijd geldt, is uiteindelijk bepalend voor de mate waarin er ecotoxicologische risico's bestaan. Om de ecotoxicologische risico's te kwantificeren, wordt aanbevolen om aansluiting te zoeken bij de huidige ontwikkelingen in het (bodem)ecotoxicologische onderzoek.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Gezondheidskundige Evaluatie Schiphol, overzicht van resultaten tot oktober 1999 | RIVM

Dit rapport geeft een uitgebreide samenvatting van de stand van zaken en huidige resultaten van de Gezondheidskundige Evaluatie Schiphol (GES). GES bestaat uit een aantal studies met verschillende opzet. In dit rapport zijn in plaats van per onderzoek, de resultaten beschreven per gezondheidsparameter: hinder, hart- en vaatziekten, slaapverstoring, luchtwegaandoeningen, ervaren gezondheid, cognitieve prestatie, geboortegewicht, risicoperceptie en woontevredenheid. Een onderzoek naar slaapverstoring bij volwassenen in relatie tot blootstelling aan nachtelijk vliegtuiggeluid is nog in uitvoering. Aansluitend op de bevindingen van GES zal een monitoringsysteem worden ontwikkeld waarmee mogelijke veranderingen in de milieukwaliteit en gezondheidstoestand bij uitbreiding van de luchthaven gevolgd kunnen worden.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Semi-permeable surface analytical reversed-phase column for the improved trace analysis of acidic pesticides in water with coupled-column reversed-phase liquid chromatography with UV detection. Determination of bromoxynil and bentazone in surface water | RIVM

Semi-permeable surface analytical reversed-phase column for the improved trace analysis of acidic pesticides in water with coupled-column reversed-phase liquid chromatography with UV detection. Determination of bromoxynil and bentazone in surface water | RIVM
Jaar: 1999 Onderzoek

Beoordeling van de ecotoxicologische risico's van de verspreiding van baggerspecie op land. Pilot-toetsing van de invloed van bodemeigenschappen op biobeschikbaarheid van metalen en PAKs in veldbodems | RIVM

Er is een pilot-onderzoek uitgevoerd naar de biologische beschikbaarheid van zware metalen (Cd, Cu, Pb, Zn) en PAKs bij het verspreiden van verontreinigde baggerspecie op land. De idee is dat de biologische beschikbaarheid van deze stoffen tussen bodemtypen sterk kan verschillen, waardoor de daadwerkelijke ecologische effecten van de verspreiding van (licht) verontreinigde baggerspecie afhankelijk zijn van zowel concentraties van toxische stoffen als van bodemeigenschappen. De resultaten van het onderzoek zijn bedoeld als bouwstenen voor een rekenmodule waarmee de lokatie-specifieke toxische druk van baggerspecies berekend kan worden. Doel van het huidige onderzoek was inzicht verkrijgen in de verschillen in biologische beschikbaarheid van metalen en PAKs tussen verschillende bodemtypen. De resultaten van het uitgevoerde pilot-onderzoek suggereren dat het, bij een vervolg-validatie onderzoek over het aspect biobeschikbaarheid, noodzakelijk is om: hoger belaste baggerspecies te gebruiken (klasse 4), omdat dit betere interpretatie-mogelijkheden biedt voor opname studies (extrapolatie naar lager belaste species is dan echter noodzakelijk); opname studies uit te voeren met (wormen) soorten die in alle bodemtypen voorkomen en welke eveneens als bioassay ingezet kunnen worden; (om brede toepasbaarheid van de resultaten te verzekeren) de bemonsterde lokaties zodanig te kiezen dat de bodemeigenschappen de volledige breedte van de natuurlijke ranges van pH en organische stof concentraties omvatten. De daarbij af te leiden rekenregels voor biobeschikbaarheidscorrectie vormen de bouwstenen voor een rekenmodule. De lokale toxische druk wordt met dit instrument berekend als resultante van de lokaal beschikbare concentraties van de toxische stoffen in de baggerspecie en hun te verwachten mengseleffecten, terwijl er ook rekening gehouden wordt met de natuurlijke afbraak van organische contaminanten.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

History, current activities and future direction of the IMAGE project the briefing book for the 3rd meeting of the Ad-hoc IMAGE Advisory Board | RIVM

Dit rapport bevat het achtergrond materiaal voor de derde bijeenkomst van de ad-hoc IMAGE 2 adviesraad. Deze adviesraad beoordeelt recente versies en toepassingen van het IMAGE-2 model en geeft aanbevelingen voor mogelijke toekomstige ontwikkelingen van IMAGE 2 en gerelateerde projecten. Het doel van dit rapport is om een overzicht te geven van de bereikte prestaties van het IMAGE-2 team en om de huidige en voorgenomen activiteiten en projecten te presenteren. Het rapport geeft allereerst de doelstellingen en een korte geschiedenis van het project. Daarna wordt de huidige institutionele inbedding en de relatie met de andere projecten van het RIVM aangaande klimaatverandering bediscussieert. De tweede bijeenkomst van de adviesraad leidden tot vele aanbevelingen en suggesties. Deze zijn kort samengevat in het rapport. Het advies van de raad heeft sterk bijgedragen tot het ontwikkelen en uitvoeren van het NOP-project 'The IMAGE-2 Model: Policy and Scientific Analysis' en is essentieel geweest bij het tot stand komen van IMAGE 2.1 and toepassingen daarvan. Ook huidige en geplande activiteiten worden gepresenteerd. Samenvattingen van alle IMAGE-2 presentaties gedurende deze bijeenkomst zijn opgenomen. Het rapport bevat verschillende appendices met additionele informatie over het programma en de deelnemerslijst, de voor 2000 geplande personele capaciteit, en een korte beschrijving van aan IMAGE 2 gelieerde projecten. Deze projecten dragen bij aan de verdere ontwikkeling of behelzen een nieuwe toepassing van het model. De diversiteit aan gewenste beleidstoepassingen, de beschikbare capaciteit en de reeds aangegane verplichtingen leidt tot een voorlopige IMAGE onderzoeksstrategie. Een overzicht hiervan wordt gepresenteerd, zodat die door de adviesraad kan worden bediscussieerd. Het rapport eindigt met specifieke vragen en algemene kwesties die tijdens de derde bijeenkomst van de adviesraad behandeld moeten worden.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Anatomical and physiological differences between various species used in studies on the pharmacokinetics and toxicology of xenobiotics. A review of literature | RIVM

Dit is het eerste rapport binnen het (deel)project getiteld 'Specieskeuze en interspecies verschillen in relatie tot kinetiek en dynamie van stoffen'. In dit rapport zijn relevante fysiologische en anatomische eigenschappen ge6nventariseerd van diersoorten die het meest gebruikt worden tijdens onderzoek naar de farmacokinetiek en toxicologische effecten van oraal toegediende xenobiotica. De volgende diersoorten zijn bestudeerd: mens, muis, rat, konijn, hond, varken, minipig en aap. Voor elke diersoort zijn de anatomische en fysiologische eigenschappen van de verschillende compartimenten van het maag-darm kanaal: mond, maag, dunne darm, gal alsmede van het metabolisme in de lever en dunne darm beschreven. Dit rapport is bedoeld overzicht te geven over interspecies-verschillen voor onderzoekers betrokken bij het opstellen van risico evaluaties van stoffen en voor onderzoekers die diermodellen gebruiken tijdens de studie naar de farmacokinetiek en toxicokinetiek van xenobiotica. Het doel van dit project is om inzicht te krijgen in de consequenties van anatomische en fysiologische verschillen tussen species voor de kinetiek van verschillende soorten verbindingen. Deze informatie moet leiden tot een verbeterde species selectie en vervolgens tot een verbeterde dier-mens extrapolatie.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Hygienic Cleaning Products used in the kitchen; Exposure and risks | RIVM

De laatste tijd zijn een aantal hygienisch reinigende producten op de markt gebracht, waarvan gesuggereerd wordt dat ze groei en verspreiding van micro-organismen tegengaan. Geinteresseerd in de werking is binnen het project Risicoschatting voor de consument onderzoek gedaan naar de samenstelling en het gebruik van deze producten. In dit onderzoek is bestudeerd hoe mensen blootgesteld zijn aan stoffen in deze producten. De vraagstelling van het onderliggende rapport is hoe consumenten blootgesteld worden aan hygienisch reinigende producten en de stoffen daarin en of, op grond van een voorlopig overzicht van de toxicologische profielen van de stoffen, enig risico is te verwachten. Om de blootstelling te kunnen karakteriseren is literatuuronderzoek verricht, zijn enkele pilot-experimenten gedaan om blootstellingsfactoren te meten en zijn met behulp van wiskundige modellen uit CONSEXPO 2 blootstellingen berekend. Het rapport toont aan dat op grond van de blootstellingsschattingen weinig risico te verwachten is bij het gebruik van de onderzochte middelen. Er kan ten hoogste een lichte dermale irritatie optreden bij het gebruik van een van de producten.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Developmental immunotoxicity of Diazepam in prenatally exposed weanling Wistar rats | RIVM

Een prenatale reproductietoxiciteitsstudie werd uitgevoerd bij ratten, die daartoe gedurende dag 14 tot dag 20 van de dracht behandeld werden met het geneesmiddel diazepam. In de literatuur is gerapporteerd dat diazepam immuunsuppressie bewerkstelligt bij nakomelingen van ratten die in het derde trimester van de dracht behandeld werden. Deze verbinding wordt in de kliniek toegepast bij zwangere vrouwen. Het doel van het onderzoek was om te onderzoeken of opname van een aantal parameters voor immunotoxiciteit in de reproductiestudie deze immunotoxiciteit zou aantonen. Deze immuunparameters bestonden uit routine hematologie, gewicht en microscopie van lymfoide organen, beenmerg cellulariteit, totale serum immunoglobuline concentraties, relatief voorkomen van lymfocyten populaties in de milt, "natural killer cell" activiteit van lymfocyten in de milt, mitogene stimulatie van lymfocyten uit de milt, en de primaire en secondaire antilichaamrespons tegen schapen rode bloedcellen. Bovendien werd de weerstand tegen Trichinella spiralis parasieten onderzocht. Er werden enige effecten op het immuunsysteem waargenomen. Deze effecten werden niet gezien bij niet-fuctionele testen van het immuunsysteem, terwijl met functionele testen enige effecten werden waargenomen (een (statistisch niet-significante) reductie in natural killer cell activiteit en een toegenomen IgE respons na Trichinella spiralis infectie). De resultaten geven aan dat diazepam niet een ernstige immunosuppressie induceren in de nakomelingen die via hun moeders tijdens de dracht zijn blootgesteld. Achteraf zou voor de studie naar de wenselijkheid van opnname van immunotoxicologiusche parameters derhalve beter voor een meer actieve verbinding gekozen zijn. Niettemin rechtvaardigen de resultaten verder onderzoek om de bruikbaarheid van een uitbreiding van het OECD 414 protocol met immuunparameters te testen.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

BIOCIDES (1) Preliminary environmental risk assessment of 93 biocides | RIVM

Deze studie uit 1999 beoordeelt de milieurisico's van 93 industriele en andere niet-landbouwbestrijdingsmiddelen. Het accent is hierbij gelegd op de risico's voor het zoetwatermilieu. Daarnaast worden diverse gegevens over gebruik, doseringen, emissies, de fysische chemie, milieugedrag en ecotoxiciteit van de stoffen op een rijtje gezet. Ze vallen niet onder een van de vijf Nederlandse beleidspeerpunten voor biociden, voornamelijk door een gebrek aan gegevens. Dit gebrek wordt gedeeltelijk bevestigd in deze studie: zo zijn experimentele gegevens over het effect op zuiveringsprocessen in rioolwaterzuiveringsinstallaties slechts voor vier stoffen bekend. De studie laat tevens zien dat risico's voor het zoetwatermilieu niet kunnen worden uitgesloten voor 11 biociden (bijv. 2,2-dibroom-3-nitrilopropionamide, een antislijmstof in de papier- en kartonindustrie) en dat het gebruik van 11 biociden waarschijnlijk geen risico's voor het zoetwatermilieu inhoudt (bijv. zink oxide, een antifouling). Voor een groep van 17 biociden kan een zoetwaterrisicobeoordeling niet worden uitgevoerd - ook al vindt emissie naar het water plaats - omdat er geen modellen zijn, geen ecotoxicologische gegevens, of gegevens over het jaarlijkse gebruik in de industrie of daarbuiten. Deze groep kan voor waterorganismen zeer toxische stoffen bevatten, zoals uit experimenten is gebleken (bijv. dinatrium cyanodithioimido carbonaat). Omdat de milieurisicobeoordelingen in deze studie (deels) op realistische worst-case condities zijn gebaseerd, zal een vervolgstudie zich richten op een meer actuele risicobeoordeling onder zich meer algemeen voordoende omstandigheden. Hierbij zullen de beoordelingen van de 11 potentieel schadelijke stoffen worden gespecificeerd op grond van een meer precieze blootstellingsschatting en op grond van additionele ecotoxiciteitsgegevens, indien beschikbaar. Tevens zal de industrie om preciezere gebruiksgegevens van deze biociden worden gevraagd.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Lifestyle and cancer of the reproductive organs | RIVM

De incidenties van borstkanker, testiskanker en prostaatkanker nemen in de westerse wereld toe. Er is sprake van zorg dat blootstelling van de mens aan stoffen in het leefmilieu met endocriene activiteit betrokken zouden kunnen zijn bij deze trends, maar ondersteunend bewijs voor een dergelijke relatie ontbreekt tot dusverere. Anderzijds heeft de twintigste eeuw diepgaande veranderingen in leefstijl te zien gegeven, die ongetwijfeld invloed hebben gehad op de incidenties van ziekten en aandoeningen. Het rapport vat huidige kennis samen omtrent de relatie tussen hormoon-afhankelijke kankers bij de mens en leefstijldeterminanten. Belangrijke leefstijldeterminanten betrokken bij deze kankers worden gevonden op de gebieden van consumptief en sexueel gedrag. Specifieke determinanten daarbinnen zijn calorische inname, lichamelijke activiteit, alcoholconsumptie, kindertal, hormoonmedicatie, sexuele activiteit en hygiene.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Amnesic shellfish poisoning: A review | RIVM

Deze literatuurstudie bevat informatie betreffende het 'amnesic shellfish poisoning' (ASP) syndroom en de veroorzakende ASP toxines, van welke "domoic acid" de belangrijkste component is. Chemische structuren en detectie-methodes van ASP toxines, de bronnen voor ASP toxines, mariene organismen welke geassocieerd worden met ASP toxines, de toxiciteit van ASP toxines voor dier en mens, mogelijke preventieve maatregelen voor ASP, ASP gevallen en controle van en regelingen voor ASP toxines worden besproken. Tenslotte worden enkele aanbevelingen gedaan voor een betere controle van het ASP probleem in de toekomst.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Geostatistical interpolation of abiotic site conditions in the Netherlands: A method for reference mapping | RIVM

Met behulp van geostatistische analyse en interpolatiemethodes wordt een landsdekkend beeld van de vocht, zuurgraad, nutrienten en saliniteit status van Nederland verkregen. Als gegevens worden, uit vegetatieopnamen afgeleide, Ellenberg F, R, N en S indicatiewaarden gebruikt. Voor de ruimtelijke analyse en interpolatie zijn gegevens uit twee tijd perioden geselecteerd een recente periode, tussen 1990 en 1997, en een historische periode tussen 1930 en 1970. Deze zijn vervolgens gestratificeerd in acht bodemtypen. De interpolatie is gebaseerd op de ruimtelijke afhankelijkheid in elk stratum. Strata worden derhalve apart geanalyseerd en geinterpoleerd. De resultaten zijn samengevoegd in landsdekkende kaarten, met een kaartbeeld per tijd periode en standplaats factor. De gepresenteerde kaartbeelden hebben een ruimtelijke resolutie van 250x250 m2 voor de recente tijdstap en 1000x1000 m2 voor de historische periode. De kaarten geven een goed algemeen beeld van de Nederlandse situatie. Ze zijn, overwegend, in overeenstemming met gegevens uit andere bronnen. Het beste blijken de kaarten voor vocht, zuurgraad en nutrienten, die ook de meest belangrijk zijn in het kader van de verdrogings-, verzurings- en vermestingsproblematiek. De zoutkaarten zijn minder betrouwbaar. Er zijn ook afwijkingen van de verwachte resultaten. Fouten blijken voornamelijk veroorzaakt te worden tijdens de bemonstering, stratificatie, ruimtelijke analyse en modellering, en de interpolatie. Voor het gebruik van deze kaartbeelden in (vergelijkend) onderzoek of voor beleidvoering, moet er nog een gedetailleerde analyse en, waar nodig, correctie plaats vinden.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Een ionchromatografische methode voor de bepaling van chroom(III) en chroom(IV) in drink-, grond-, regen-, en oppervlaktewater in het lage picomolbereik | RIVM

De prestaties en de uitvoering van de valentie specifieke analyse van chroom in watermonsters wordt in dit rapport beschreven. Een geautomatiseerde ionchromatografische methode voor de gelijktijdige bepaling van lage gehalten chroom(III) en chroom(IV) in diverse typen water is ontwikkeld en geoptimaliseerd. De scheiding werd verricht met een gemengde anion- en kationwisselaarskolom van Dionex, type CS5A. Hoge gevoeligheid werd bereikt met een voorconcentrering van 6 ml monster via twee CG5A guardkolommen en met een na-kolom reactie, gebaseerd op de katalystische oxidatie van luminol, met chemilumenescentie als detectie. De aantoonbaarheidsgrenzen voor chroom(VI) in Milli-Q water werd vastgesteld en bedraagt 20 ng/l. Voor chroom(III) is dit 90 ng/l. De resolutie tussen chroom(III) en chroom(VI) is uitstekend en bedraagt 10. De methode is getest voor de toepassing van drink-, regen-, grond- en oppervlakte water. De totale duur van de analyse van de beide componenten bedraagt minder dan 30 minuten. De operationele parameters van de methode zijn in een direct bruikbaar formaat in dit rapport opgenomen.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Anionchromatografische analyse met een on-line eluens generator | RIVM

Dit rapport bevat de resultaten van het onderzoek naar het ontwikkelen van een geautomatiseerde ionchromatografische methode voor de bepalingen van micro- en macro gehalten van anionen in water. Het onderzoek heeft geresulteerd in een methode voor de gelijktijdige bepalingen van fluoride, chloride, nitriet, bromide, nitraat, sulfaat en sulfiet in diverse waterige milieu's. Resoluties tussen de anionen zijn hoger dan 1,6. De aantoonbaarheidsgrenzen voor de anionen zijn beter dan 5 umol/l. De precisies voor chloride, nitraat en sulfaat op een nivo van 0,1 mmol/l zijn beter dan 5 %. De robuuste, gebruiksvriendelijke en gevoelige methode voor de bepaling van diverse anionen in water is eenvoudig genoeg om routinematig verricht te worden. Sturing en dataverwerking met Peaknet versie 5.1 levert een millenniumbestendig analysesysteem op.'On-line' eluens generatie en chemische suppressie met behulp van electrodialyse levert een ultra lage achtergondgeleidbaarheid op en reduceert het eluens-, regenerant- en helium verbruik tot nihil.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Geneesmiddelen in het milieu. Twee verkennende studies samengevat | RIVM

De vraag in deze studie was of (afbraakproducten van) geneesmiddelen in Nederlands drinkwater kunnen voorkomen. Verdere vragen waren in welke mate ze zouden kunnen voorkomen en welke milieueffecten te verwachten zijn. De gepresenteerde informatie is gebaseerd op twee recent verschenen literatuurstudies. Er zijn indicentele metingen waarin farmaca worden aangetoond in oppervlaktewater (in West-Europese landen), waaronder enkele metingen in drinkwater. Tot op heden wordt in Nederland geen routinematige analyse naar deze verbindingen uitgevoerd. Op basis van een beperkte hoeveelheid ecotoxociteitsdata voor geneesmiddelen wordt geconcludeerd dat milieueffecten niet uitgesloten kunnen worden. Gezien het diffuse verspreidingspatroon en de verwachte lage milieuconcentraties worden eerder chronische effecten verwacht. Potentikle humane risico's zijn: ontwikkeling van allergikn, genotoxiciteit en de overdracht van resistentiegenen. Het compartiment grondwater lijkt genegeerd te zijn in voorgaand onderzoek en verdient meer aandacht. Teneinde de ernst van het probleem te verhelderen, zouden gerichte concentratiemetingen in water en grondwater moeten worden uitgevoerd. Het uitvoeren van milieurisicobeoordelingen bij registratie wordt zinvol geacht en ontwikkeling en validatie van blootstellingsmodellen voor veterinaire en humane geneesmiddelen is wenselijk.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Luchtwegaandoeningen bij kinderen in de omgeving van de luchthaven Schiphol | RIVM

Doel van deze studie is om vast te stellen: 1. In hoeverre er tussen woonkernen binnen de regio Schiphol onder schoolkinderen verschillen bestaan in longfunctie en verschillen in prevalenties van CARA (prevalentievraag)? 2. of mensen in woonkernen dichtbij Schiphol een hogere blootstelling aan binnen- en buitenluchtverontreiniging hebben ten gevolge van vlieg- resp. wegverkeer dan in verder afgelegen woonkernen ? 3. of er sprake is van effecten op de luchtwegen (longfunctie, luchtwegklachten) door blootstelling aan verhoogde (binnen)luchtverontreiniging door vlieg- resp. wegverkeer ? Het onderzoek is uitgevoerd bij ca. 2500 basisschool kinderen, woonachtig in de omgeving van Schiphol in de leeftijd van 7 t/m 12 jaar. Het volledige gezondheidsonderzoek hield in: een vragenlijst over luchtwegsymptomen en allergie; een longfunctietest, bloedtest en huidpriktest. Voor het meten of schatten van de blootstelling aan luchtverontreiniging is gebruik gemaakt van metingen, modellen en geografische informatie systemen. Uit het onderzoek blijkt dat er tussen de woonkernen verschillen bestaan in prevalentie van luchtwegsymptomen, verlaagde longfunctie en de hoeveelheid antilichamen (IgE) in het bloed. De prevalenties zijn echter niet groter in woonkernen die dicht bij Schiphol liggen, in vergelijking met woonkernen die verder weg liggen. De gemiddelde prevalentie van alle woonkernen samen is wel verhoogd voor de meeste luchtwegsymptomen wanneeer ze vergeleken wordt met een populatie die niet in de Schiphol regio woont, en niet langs een drukke snelweg. In en nabij scholen liggend dicht bij snelwegen werden hogere concentraties luchtverontreiniging aangetroffen dan in en nabij scholen op grotere afstand van snelwegen. De niveaus van de componenten NO2, roet en benzeen namen af met toenemende afstand tot de luchthaven; voor PM2.5 en hogere alkanen was dit niet het geval. Er was geen verband tussen de verschillende blootstellingsmaten (gemeten en gemodelleerde luchtverontreiniging in en nabij de scholen, het woonadres van het kind, of de afstand van de school of het woonadres tot Schiphol) en de prevalentie van luchtwegsymptomen, een verlaagde longfunctie of een verhoogde concentratie antilichamen tegen allergenen in het bloed. De conclusie is dat met dit onderzoek geen relatie aangetoond is tussen luchtverontreiniging nabij Schiphol en de onderzochte gezondheidsvariabelen bij de deelnemende kinderen.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Review RIVM instrumentarium Milieubalans 1999 | RIVM

Mede naar aanleiding van aanbevelingen van de Commissie van Toezicht is begin 2000 een internationale review voorzien van het RIVM milieuonderzoek. Om voor de Milieubalans 99 reeds nu meer inzicht te krijgen in de wetenschappelijke kwaliteit van het instrumentarium en de onzekerheden, en de aanvaardbaarheid van de omvang daarvan, werden in juli 1999 de thematische onderdelen Verzuring, Vermesting, Verstoring/Geluid, Klimaat/CO2 emissies aan een externe review onderworpen. De hoofdconclusies van de reviews worden als volgt samengevat: In het algemeen wordt de wetenschappelijke kwaliteit van het RIVM-instrumentarium als voldoende beoordeeld voor de analyse van trends en toetsing van beleidsdoelen. De gepresenteerde onzekerheidsmarges zijn op veel onderdelen sterk gebaseerd op expert judgement; de toetsbaarheid hiervan zou moeten worden vergroot door explicitering en documentering in de openbare literatuur. Het instrumentarium wordt op de volgende punten voor verfijning en verbetering vatbaar geacht. 1)meer inzicht in de onzekerheden in aard en omvang van door derden geleverde informatie. 2) de institutionele setting voor de vaststelling van emissiecijfers. 3) meer expliciete vermelding van aannames en afwegingen. 4) voor depositie van ammoniak en de mestbelasting van enkele specifieke bodemtypen dienen te generieke uitspraken te worden vermeden; nadere informatie vanuit fijnmaziger monitoring is dan noodzakelijk. Deze rapportage geeft eerst een samenvatting van de hoofdpunten van de reviews over de kwaliteit van het gebruikte instrumentarium en gaat vervolgens in op de RIVM-acties naar aanleiding van aanbevelingen in hoofdlijnen. In de bijlagen zijn de feitelijke reviews per thema opgenomen en de detailreactie van het RIVM.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Potentieel Aangetaste Fractie (PAF) als maatlat voor toxische druk op ecosystemen | RIVM

PAF is de fractie van de soorten waarvoor bij de heersende concentraties van toxische stoffen in het milieu een No Observed Effect Concentratie (NOEC) wordt overschreden. PAF wordt geinterpreteerd als een maat voor de toxische druk die stoffen uitoefenen op ecosystemen. PAF wordt berekend uit gemeten concentraties van stoffen in het milieu, met gebruikmaking van de gevoeligheidsverdelingen van soorten voor die stoffen. Er worden PAF's berekend voor enkelvoedige stoffen, en combiPAF's voor mensels van stoffen. In oppervlaktewater wordt combiPAF ook experimenteel bepaald. De PAF methodiek wordt toegepast voor het vergelijken van stoffen en locaties, aan de hand van de toxische druk die als gevolg van de stoffen heerst. Veruit de belangrijkste toepassingsmogelijkheid van PAF is berekening van toxische druk van mengsels van stoffen. PAF biedt hier een toxicologische betekenisvolle manier van aggregeren van stoffen. Toepassing van de combiPAF berekening op gemeten concentraties van zware metalen en bestrijdingsmiddelen in oppervlaktewater en bodem in Nederland toont dat in de praktijk soms voor meer dan de helft van de soorten een NOEC wordt overschreden. Aanbevolen wordt om het nog doorlopende PAF-onderzoek te concentreren op (1) kwantificeren van de relatie tussen toxische druk en in het veld waargenomen effecten, en (ii) ophelderen van het verband tussen de berekende combiPAF en de PAF meting in water. Xo kan verdere invulling plaats hebben van de graadmeter voor Milieudruk t.b.v. het Natuurplanbureau, en van een Milieu Effect Indicator toxische stoffen t.b.v. Milieubalans en Milieu-programma.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Enterovirus surveillance in the Netherlands 1996-1998: Indications for the absence of wild poliovirus circulation | RIVM

Vaccinatie, surveillance and certificering vormen de hoekstenen van het WHO polio eradicatie programma dat wereldwijde eradicatie van de ziekte poliomyelitis en de verwekkers ervan, de wilde poliovirussen, in het jaar 2000 beoogt. Certificering van regio's als poliovrije zones kan enkel worden verkregen wanneer intensieve surveillance activiteiten, in combinatie met correct laboratoriumonderzoek de afwezigheid van wild poliovirus circulatie in alle landen van zo'n regio gedurende tenminste drie jaar hebben aangetoond. De gouden standaard voor de surveillance van poliomyelitis is surveillance van alle gevallen van acute slappe verlamming (AFP). Melding van tenminste een geval van niet door wild poliovirus veroorzaakte AFP per 100.000 kinderen onder 15 jaar is nodig als minimumeis voor adequate surveillance, mits gekoppeld aan juiste virologische analyse van twee correct afgenomen en vervoerde faecesmonsters in een door de WHO geaccrediteerd laboratorium. Voor Nederland zou optimale AFP surveillance laboratoriumanalyse van 60-70 faeces monsters per jaar vereisen. Non-polio enterovirussen hebben een aantal eigenschappen met poliovirussen gemeen : identieke plaats van vermenigvuldiging in de mens, vergelijkbare klinische verschijnselen en patroon van virusuitscheiding en van virusoverdracht. Enterovirussen kunnen derhalve opgespoord worden met behulp van identieke laboratoriumtechnieken in identieke monsters van een gelijke groep patienten. Wil een enterovirus surveillance system kunnen voldoen als systeem om de afwezigheid van wildtype poliovirus circulatie, dan zijn de volgende elementen onontbeerlijk: 1) representatieve gegevens over het totale aantal faeces monsters verkregen van personen onder de 15 jaar en gekweekt op cellen die geschikt zijn om poliovirus te vermeerderen. 2) representatieve gegevens over het totale aantal enterovirus-positieve isolaten, waarvoor (d.m.v. groeikarakteristieken, typering, intratypische differentiatie dan wel genetische karakterisering) uitgesloten werd, dat zij wild poliovirus bevatten en 3) een kwaliteitsbewakingssysteem dat optimaal virologische diagnostiek garandeert. Enterovirus surveillance in Nederland over de jaren 1996-1998 heeft de afwezigheid van wild poliovirus aangetoond in meer dan 15.000 faeces monsters, verkregen uit kinderen beneden de leeftijd van 15 jaar. In 980 van deze monsters werd enterovirus aangetoond, 8 isolaten bleken OPV-afgeleide poliovirussen, geisoleerd uit asymptomatische patienten. In al deze gevallen bleken de patienten recent met OPV gevaccineerd te zijn in het buitenland. Negentig procent van de in het enterovirus surveillance systeem deelnemende laboratoria behaalde een voldoende score van 80% of hoger in de jaarlijkse onder de auspicien van de SKMM georganiseerde proficiency test voor isolatie en typering van enterovirussen uit faecesmonsters. In meer dan 99% of de genoemde 15.000 faeces monsters, kon de aanwezigheid van wild poliovirus in het laboratorium worden uitgesloten. Optimalisatie van het systeem door inclusie van alle virologische laboratoria in Nederland omvat de jaarlijkse analyse van meer van 7500 faeces monsters per jaar, d.w.z ongeveer honderd maal meer monsters dan noodzakelijk voor optimale AFP surveillance. Hoewel objectieve criteria als voor optimale enterovirus surveillance nog niet geformuleerd zijn, geven de data over het in Nederland opgezette systeem, zoals beschreven in dit rapport, sterke aanwijzingen voor de afwezigheid van wild poliovirus circulatie in Nederland. De data zullen door de WHO gebruikt worden om mathematische modellen te toetsen, waarmee de kracht van de verschillende surveillance systemen voor de surveillance van poliomyelitis worden vergeleken.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Ontwikkeling van een diffusieproef voor PAK | RIVM

In het kader van het taakstellend plan ter ondersteuning van de normcommissie 39011 "Uitloogkarakterisering van bouw- en afvalstoffen" (TSP), is onderzoek uitgevoerd ten behoeve van de ontwikkeling van een diffusieproef op PAK. Diffusieproeven voor PAK zijn in tweevoud uitgevoerd op een viertal verschillende cementstabilisaten bereid op basis van grond, een mengsel van grond en grondreinigingsresidu, zeefzand en sorteerzeefzand. Voor de onderzochte materialen is gekozen voor een hoog gehalte van de te onderzoeken contaminanten. Voor dit hoge gehalte is gekozen omdat verwacht wordt dat de diffusieproef op PAK met name van belang zal kunnen zijn bij de beoordeling van geimmobiliseerde reststoffen, die als regel een hoog gehalte aan contaminanten bevatten. Tevens wordt hierdoor gewaarborgd dat in de eluaten van de uitloogproeven voldoende hoge concentraties gemeten kunnen worden. In het experimenteel onderzoek zijn geen bitumineuze materialen betrokken. Het doel van de werkzaamheden was gelegen in het vaststellen van de praktische uitvoerbaarheid van de proef, het niveau van de emissies, de herhaalbaarheid van de proef, en het mechanisme van de uitloging. Daarnaast is in separate experimenten onderzoek gedaan naar verliezen van PAK tijdens de uitloogproef. Op basis van de uitkomsten van de experimenten zijn onderstaande conclusies getrokken. Uitvoering van de proeven. De resultaten van de diffusieproeven laten voor alle meetbare componenten op een of meerdere deeltrajecten diffusiegecontroleerd gedrag zien. Er zijn echter ook aanwijzigingen dat er sprake is van combinaties van mechanismen (afspoeling, oplossen, diffusie, uitputting). Bij bitumineuze materialen (waarop geen experimenteel onderzoek is verricht) spelen wellicht ook geheel andere mechanismen een rol. Ontwerp NVN voor diffusieproef PAK. Op basis van de resultaten van de uitgevoerde experimenten, de resultaten van experimenten uitgevoerd door andere instituten en de uitkomsten van een workshop onder Nederlandse deskundigen, wordt aanbevolen om een ontwerp NVN op te stellen voor de diffusieproef voor PAK op basis van de in dit rapport beschreven methode. Deze ontwerp NVN geldt niet voor bitumineuze materialen, waarbij de uitloging mogelijk volgens sterk afwijkende mechanismen verloopt. Het doel van de op te stellen NVN is primair gelegen in het bieden van een systematiek om via een geuniformeerde aanpak ervaring op te doen en de kennis uit te breiden met betrekking tot de uitloging van PAK uit vormgegeven materialen.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Op weg naar een typologie van landbouwkundig ruimtegebruik in Nederland | RIVM

Dit rapport beschrijft de eerste stap in de ontwikkeling van een model om de attractiviteit van land te bepalen voor landbouwproduktie. Dit model is een onderdeel van het Decision Support System (DSS) Groene Ruimte. De attractiviteit wordt bepaald op basis van de bodemgeschiktheid, economische en milieukundige aspecten en interacties met andere functies in de groene ruimte. Als basis voor de bepaling van de attractiviteit is een typologie ontwikkeld met typen voor huidige en toekomstige, alternatieve vormen van landbouw. Er worden voorbeelden van beschrijvingen van landbouwdoeltypen gegeven voor melkveehouderij en een gemengd systeem van varkenshouderij en akkerbouw. Een eerste voorbeeld van de functies van het model is uitgewerkt voor melkveehouderij in een zandgebied. Op basis van deze studie zijn een aantal aanbevelingen opgesteld voor toekomstig onderzoek en model- en scenario ontwikkeling uitgaande van de modellen CLEAN, DRAM en de Ruimtescanner.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Het effect van gebiedsgerichte maatregelen. Naar een ex-ante evaluatie van het gebiedenbeleid | RIVM

In dit rapport wordt een aanzet gegeven om te komen tot een uniforme methodiek voor het uitvoeren van ex-ante evaluaties ten behoeve van het gebiedsgerichte milieubeleid. Met een ex-ante evaluatie wordt de effectiviteit van maatregelen vooraf ingeschat. Maatregelen kunnen afzonderlijk worden geevalueerd maar ook als onderdeel van een maatregelpakket. Een ex-ante evaluatie kan hiermee gebruikt worden om de keuze tussen mogelijke maatregelen en maatregelpakketten te ondersteunen. Hiervoor is het noodzakelijk om de concrete, toetsbare doelstelling van maatregelen in termen van milieu- of natuurkwaliteit te kennen. De gevolgde methodiek omvat een evaluatieprocedure en een overzicht van te gebruiken modellen en onderzoeksgegevens. De evaluatieprocedure bestaat uit een viertal stappen: selectie van maatregelen die doorgerekend worden; een orde van grootte inschatting van de te verwachten effecten; effectberekeningen van de afzonderlijk maatregelen; een integrale analyse van een maatregelpakket. Het overzicht van te gebruiken modellen heeft zich in deze studie beperkt tot de modellen die beschikbaar zijn bij het RIVM. De voorgestelde methodiek is toegepast op het ROM gebied NUBL (Nadere Uitwerking Brabant-Limburg). De methodiek levert relatief snel een antwoord op de vraag wat het effect is van gebiedsgerichte maatregelen.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Waterleidingbesluit 2000. Voorstel voor implementatie van de EG-Drinkwaterrichtlijn; onderdeel kwaliteitseisen | RIVM

Eind 1998 is een nieuwe EG-Drinkwaterrichtlijn in werkinggetreden (Richtlijn 98/83). Deze richtlijn dient binnen twee jaar na het inwerking treden van de nationale wetgeving zijn geimplementeerd Het uitgangspunt voor de kwaliteitseisen, meetfrequenties en meetmethoden voor het 'WLB 2000' is de EG-Drinkwaterrichtlijn. Het pakket aan stoffen is als basispakket overgenomen. Op basis van onderstaande criteria zijn parameters toegevoegd of is de kwaliteitseis aangescherpt ten opzichte van de EG-Drinkwaterrichtlijn. De richtlijn biedt de mogelijkheid hiertoe en verplicht hier zelfs toe in bepaalde gevallen. De meest in het oog springende verandering met het huidige WLB is de verlaging van de kwaliteitseis voor lood (van 50 naar 10 ug/l), arseen en nikkel (van 50 naar respectievelijk 10 en 20 ug/l). Het beleid van de overheid en de bedrijfstak anticipeert al enkele jaren op de veranderende eisen voor lood in de vorm van het opzetten en uitvoeren van saneringsprogramma's. De nieuwe kwaliteitseisen voor arseen en nikkel worden op een enkele uitzondering na op alle productielocaties nu al gehaald en hebben nauwelijks gevolgen voor de zuiveringsinspanning. Er zijn kwaliteitseisen gesteld voor desinfectiebijproducten als bromaat en trihalomethanen. Er wordt een voorstel gedaan om uitgaande van een aanvaardbaar infectierisico eisen te stellen aan pathogene micro-organismen (virussen en protozoa) daarnaast worden de bestaande indicator-organismen deels vernieuwd (bijvoorbeeld E.coli) en/of gehandhaafd. De IMH vervult een belangrijke rol bij het vaststellen en goedkeuren van de voorgenomen meetprogramma's. De EG-Drinkwaterrichtlijn geeft randvoorwaarden voor meetfrequenties en meetmethoden aan; de IMH heeft de bevoegdheid het uiteindelijke programma vast te stellen dan wel af te keuren.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Natuurbalans 1999 | RIVM

In de Natuurbalans 99 maakt het Natuurplanbureau de balans op van actuele ontwikkelingen in natuur en landschap tegen de achtergrond van het gevoerde beleid. Het Natuurbeleidsplan uit 1990 heeft veel in gang gezet. Voor de realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), een samenhangend netwerk van natuurgebieden, zijn er op 36.000 ha beheersovereenkomsten met agrariers afgesloten. Verder zijn er 44.000 ha grond gekocht en overgedragen aan terreinbeherende organisaties als Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten. Deze realisatie gaat langzamer dan gepland. Op basis van het huidige tempo zal de EHS niet in 2018 gereed zijn, zoals het beleid beoogt, maar in 2030. De komende jaren zal meer inzet en geld nodig zijn om de verder stijgende grondprijs op te vangen en binnen de EHS gelegen landbouwbedrijven te bewegen tot herplaatsing of bedrijfsbeeindiging. De natuurkwaliteit in Nederland gaat nog steeds achteruit. De trend blijft dat algemene soorten algemener worden en zeldzame soorten zeldzamer. De kwaliteit van natuur wordt beperkt door de geringe samenhang tussen natuurgebieden en de negatieve be6nvloeding door andere functies, waaronder infrastructuur en landbouw. Ook is er, bijvoorbeeld in het Deltagebied, weinig ruimte voor natuurlijke processen zoals het periodiek overstromen en droogvallen van gebieden. Hier en daar worden wel resultaten van het ingezette beleid zichtbaar. Voorbeelden zijn de succesvolle uitvoering van het Soortbeschermingsplan Lepelaar en het meer natuurlijk beheer van bossen. De afname van met name kwetsbare open landschappen van internationale waarde is zorgwekkend. Toekomstige verstedelijking bedreigt deze gebieden. Onlangs heeft de overheid de nota Belvedere opgesteld, waarin aandacht wordt besteed aan cultuurhistorisch waardevolle landschappen. In het huidige landschapsbeleid, waar cultuurhistorie een onderdeel van is, ontbreekt echter een gecombineerde inzet van planologische bescherming en gerichte investeringen voor het inpassen van nieuwe verstedelijking.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Milieubalans 99. Het Nederlandse milieu verklaard | RIVM

In de Milieubalans 99 wordt de balans opgemaakt van actuele ontwikkelingen in de milieudruk (emissies en afval) en milieukwaliteit (water, bodem, lucht) tegen de achtergrond van het gevoerde milieubeleid en maatschappelijke ontwikkelingen. De Milieubalans wordt jaarlijks uitgebracht op grond van de Wet milieubeheer en is het resultaat van een samenwerking met een groot aantal wetenschappelijke instituten en planbureaus. De Milieubalans is primair een beleidsondersteunend rapport, waarin de laatste stand van de wetenschap is verwerkt. De eindverantwoordelijkheid voor de inhoud van de Milieubalans 99 ligt bij het RIVM. De belangrijkste conclusies uit deze vijfde Milieubalans zijn: De emissie van veel milieubelastende stoffen is ook de afgelopen jaren gedaald, ondanks een meer dan gemiddelde groei van de economie (ontkoppeling). De emissie van CO2 is de belangrijke uitzondering. Deze neemt al jaren toe, hoewel de groei de laatste jaren wel afneemt door energiebesparing en doordat de dienstensector (een minder milieuvervuilende sector) een steeds belangrijker plaats gaat innemen in de economie. De consumptie in Nederland bereikte in 1998 een recordhoogte en wordt steeds energie-intensiever. Vooral bestedingen aan elektrische apparaten, auto en buitenlandse reizen zijn sterk toegenomen. Het energiezuiniger worden van apparaten en auto's heeft deze groei niet kunnen compenseren. Voor verstoring (geluid) en verwijdering zullen de 2000-doelen naar verwachting worden gehaald. Bij verzuring en vermesting dalen de (stikstof-) emissies niet snel genoeg om de 2000-doelen te halen. Ook de verdrogingsdoelstelling voor 2000 is niet realiseerbaar; die voor 2010 is haalbaar mits de beschikbare gelden uit de huidige subsidieregeling beschikbaar blijven. De kwaliteit van water, bodem en lucht is in veel opzichten verbeterd, maar verschillende beleidsdoelen worden nog niet gehaald. Van herstel van ecosystemen is nog nauwelijks sprake: veel natuurgebieden zijn verdwenen en de soortenrijkdom neemt af. De verbeterde milieukwaliteit heeft de afgelopen decennia veel gezondheidswinst opgeleverd. Vooral door de hoge concentraties fijn stof en ozon en door de nog altijd omvangrijke geluidhinder treden echter nog steeds effecten op de volksgezondheid op. De hardnekkige milieuproblemen hangen vooral samen met de groei van het energiegebruik, de mobiliteit en de landbouw, en blijven inspanningen vergen. Daarnaast zijn er nieuwe of sluimerende milieuproblemen die vragen om waakzaamheid. Recente incidenten zoals dioxine in veevoer en besmetting met legionella laten zien dat ook oude en ogenschijnlijk opgeloste problemen toch weer risico's voor de volksgezondheid kunnen opleveren.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Cancer risk assessment of azo dyes and aromatic amines from garment and footwear | RIVM

Dit rapport beschrijft een schatting voor het risico op kanker dat verbonden is aan het dragen van kleding en schoeisel waarin kankerverwekkende azo kleurstoffen aangetroffen zijn. In de risicoschatting wordt de (geschatte) hoeveelheid aromatische aminen die tijdens het dragen van kleding en schoeisel in het lichaam opgenomen kan worden vergeleken met het chronische, acceptabel geachte, blootstellingsniveau van deze aminen. In de risicoschatting wordt met de volgende aspecten rekening gehouden: 1) de kans dat azo kleurstoffen en aminen in kleding en schoeisel voorkomen, 2) het aantal malen dat kleding en schoeisel gedragen wordt, 3) de mate waarin kleding en schoeisel met de huid in contact komen, 4) de hoeveelheid aminen en azo kleurstoffen die in kleding en schoeisel voorkomen, 5) de mate waarin azo kleurstoffen en aminen met zweet uit kledingtextiel en schoeisel uitlogen, 6) de opname door de huid van azo kleurstoffen en aminen en 7) de acceptabele limieten zoals die gesteld zijn voor de chronische bloostelling aan kankerverwekkende aromatische aminen. Deze laatste limieten zijn gesteld op de blootstellingsniveaus die leiden tot 1 extra geval van kanker per miljoen levenslang blootgestelden ("Negligible Risk Level", NRL) resp. 1 extra geval van kanker per tienduizend levenslang blootgestelden ("Maximum Permissible Risk Level", MPRL). Het risico op kanker is voor 6 stuks kledingtextiel, 2 stuks textiel schoeisel en 2 stuks leren schoeisel berekend. In deze producten zijn benzidine, o-tolidine, o-dianisidine en 2,4-toluenediamine aangetroffen. In alle gevallen bleek het dragen van de onderzochte producten te leiden tot een blootstelling aan aminen die ligt boven de NRL. In 3 onderzochte stuks kledingtextiel bleek deze blootstelling zelfs boven de MPRL te liggen.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Cryptosporidium in drinking water: Evaluation of the ILSI quantitative risk assessment framework | RIVM

In dit rapport wordt kwantitatieve risicoschatting voor Cryptosporidium parvum in drinkwater beschreven, voor inwoners van een stad met kraanwater dat is bereid door middel van conventionele behandeling van oppervlaktewater. De nadruk ligt op het geven van een kwantitatieve beschrijving van variatie en onzekerheid in de factoren die bijdragen tot het gezondheidsrisico: de concentratie in ruw (onbehandeld) water, het rendement van detectiemethodes, het effect van opeenvolgende zuiveringsstappen, menselijke consumptie en infectiviteit van het pathogene organisme. Gezondheidseffecten worden uitgedrukt in DALYs, een integrale gezondheidsmaat op populatieniveau die geschikt is voor risicovergelijking of risico-afweging. Doel van deze studie was het testen van het ILSI-RSI raamwerk voor microbiologische risicoschatting, een leidraad ontworpen door een werkgroep onder auspicien van het ILSI Risk Science Institute. In een uitgebreide discussie wordt aandacht besteed aan de bruikbaarheid van dit raamwerk voor de onderhavige exercitie, en wordt het raamwerk vergeleken met gelijksoortige publicaties.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Toxicity of Ambient Particulate Matter IV: Acute toxicity study in pulmonary hypertensive rats after exposure to model compounds for the secondary aerosol fraction of PM10 - ammonium bisulfate, ferrosulfate and nitrate | RIVM

Ammoniumnitraat is de belangrijkste component van het secundair gevormde fijnstof in Nederland. Een tweede belangrijke fractie wordt, afhankelijk van de neutraliserende componenten, gevormd door bisulfaat of sulfaat. De acute inhalatoire effecten van deze aerosolen zijn onderzocht in gezonde ratten en ratten met pulmonaire hypertensie. In dit type onderzoek is het gebruik van diermodellen die een bepaalde humane cardiopulmonaire aandoening representeren essentieel, omdat epidemiologisch onderzoek juist deze groep mensen heeft aangeduid als een groep die gevoelig is voor expositie aan fijnstof. Voor de studies die in dit rapport worden beschreven is een model voor pulmonaire hypertensie (gepaard gaande met een inflammatie en een hypertrofie van het rechter ventrikel) toegepast. Dit ziektebeeld wordt chemisch geinduceerd met monocrotaline (MCT). Uitgaande van de wetenschap dat de effecten van fijnstof zeer acuut kunnen zijn, zijn in deze studies dieren 4 uur per dag gedurende drie dagen blootgesteld aan ultrafijn en fijn ammonium aerosolen. De studie met ammoniumbisulfaat is twee maal uitgevoerd, waarbij de massaconcentraties in de tweede studie hoger waren dan in de eerste. Ein dag na de laatste blootstelling werden de effecten vastgesteld middels longspoelvloeistof (BALF) analyse en histopathologie. De behandeling met MCT resulteerde in de verwachte pathologische symptomen: mediale hypertrofie van spieren van pulmonare slagaders en neomuscularisatie van kleine bloedvaten. Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor het optreden van cytotoxiciteit (gemeten met de indicatoren lactaat dehydrogenase (LDH), eiwit- en albumine gehaltes in BALF) als gevolg van de blootstelling aan (ultra)fijn ammonium aerosol. Macrofagen lijken in alle met MCT behandelde groepen geactiveerd, bepaald middels de aktiviteit van N-acetylglucosaminidase (NAG), maar een effect van de test atmosfeer is niet opgetreden. Het celdifferentiatiebeeld laat geen consistent beeld zien ten aanzien van de MCT behandeling. Een effect van ammonium aerosolen kan mede door de latent aanwezige Haemophilus sp infectie, niet worden vastgesteld. Middels pathologisch onderzoek kon geen effect van de blootstelling aan aerosolen worden vastgesteld.eerde aerosol concentraties, die vergelijkbaar waren met concentraties in eerdere studies in astmatische muizen geen pulmonaire effecten in gezonde en pulmonair hypertensieve ratten optreden.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Stroomlijning NatuurPlanBureau modellen. Inventarisatie van en keuze voor modellen voor Natuur, Landschap en Bos | RIVM

Dit rapport beschrijft het voorstel voor de inrichting van het kerninstrumentarium van het Natuurplanbureau voor fysieke aspecten van Natuur (waaronder terrestrisch, aquatisch en marien), Landschap en Bos. Scenario modellen, abiotische modellen en modellen voor het sociale domein zijn buiten beschouwing gelaten, hoewel de toeleverende abiotische modellen wel behandeld zijn voor zover deze informatie leveren aan de beschouwde groep van (ecologische) modellen. De samenstelling van een kerninstrumentarium is de eerste stap die uiteindelijk zal moeten resulteren in de bouw van een gestroomlijnde, consistente en samenhangende set van modellen en/of modelketens, waarmee het planbureau adequaat invulling kan geven aan haar functies. De gemaakte keuze is gebaseerd op de gegevens van een uitgebreide inventarisatie van bestaande en in ontwikkeling zijnde modellen. Deze modelbeschrijvingen zijn geconfronteerd met de modeleisen zoals die voor het vervullen van de natuurplanbureaufuncties noodzakelijk worden geacht.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

International marine and aviation bunker fuel: trends, ranking of countries and comparison with national CO2 emission | RIVM

In dit rapport worden het brandstofgebruik en de CO2-emissies van internationaal transport samengevat en geanalyseerd. Deze analyse is gebaseerd op de best-beschikbare gegevens uit internationale energiestatistieken, die verzameld zijn door het International Energy Agency (IEA). Met deze gegevens van de IEA worden voor internationale zeescheepvaart en luchtvaart apart de aandelen in 1990 en de trends in de periode 1970-1995 van nationaal en mondiaal energiegebruik van bunkers en hun CO2-emissies geanalyseerd. Ook worden de mondiale totale internationale transportemissies vergeleken met de 'nationale' emissies en de totale transportemissies. In de afgelopen 25 jaar was de gemiddelde jaarlijke mondiale toename van CO2-emissies van scheepvaartbunkers ca. 0.8% en van luchtvaartemissies ca. 3.3% per jaar. De jaarlijkse variaties per land van verbruik door scheepvaartbunkers zijn groter dan bij verbruik van luchtvaartbrandstof, soms meer dan 50%. Het verschil tussen energieverbruik voor binnenlands gebruik en internationaal gebruik is echter bij luchtvaart moeilijker vast te stellen dan voor scheepvaart. De belangrijkste brandstof voor internationale scheepvaart is zware stookolie. Het aandeel van dieselolie is langzaam gestegen van 11% in 1970 tot 20% in 1990. De belangrijkste vliegtuigbrandstof is jetfuel (kerosine). Het kleine aandeel vliegtuigbenzine (avgas) daalt langzaam van ca. 4% in 1970 tot 1,3% in 1990. Dieselolie en avgas hebben een klein aandeel en hun emissiefactor voor CO2 verschilt maar en paar procent van die van zware stookolie en kerosine. Daarom heeft de verschuiving in de brandstofmix maar een gering effect op de CO2-emissies van deze bronnen. De mondiale CO2-emissie van internationale scheepvaart en luchtvaart droegen in 1990 respectievelijk ca. 1,8% en 2,4% bij, uitgedrukt als percentage van de totale 'nationale' anthropogene emissies (excl. ontbossing). Bij de luchtvaartemissies zit een onbekend deel van binnenlands vliegverkeer; beide bronnen dragen nu dus ongeveer 2% bij aan de totale door de mens veroorzaakte CO2-emissies; vergeleken met die van de totale transportsector, is het aandeel van internationale transport ca. 20%.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Registratie van voedselinfecties en -vergiftigingen onderzocht door GGD's en Regionale Inspecties Gezondheidsbescherming/Keuringsdiensten van waren, 1998 | RIVM

In deze rapportage worden de gegevens gepresenteerd van voedselinfecties en voedselvergiftigingen in Nederland in 1998. De resultaten zijn gebaseerd op meldingen door consumenten aan de Inspectie Gezondheidsbescherming/Keuringsdienst van Waren, op standaard rapportages van onderzochte explosies van voedselinfecties en -vergiftigingen door GGD's, en op aangegeven gevallen bij de Inspectie Gezondheidszorg. Vanwege een grootschalige reorganisatie en fusie, waren slechts 6 van de 13 regionale Inspecties Gezondheidsbescherming in staat gegevens te leveren over 1998: 172 explosies en 153 endemische gevallen werden gemeld. In totaal waren daar 811 ziektegevallen bij betrokken. De GGD's rapporteerden 20 onderzochte explosies van voedselinfectie en -vergiftiging, met 244 ziektegevallen, een daling ten opzichte van 1997. Bij de Inspectie Gezondheidszorg werden 536 patienten aangegeven, een lichte daling ten opzichte van het jaar daarvoor. Een mogelijke oorzaak van de infecties werd gevonden bij 10% van de meldingen aan de Inspectie Gezondheidsbescherming en bij 60% van de explosies onderzocht door GGD's.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

PREZIES: PREventie van ZIEkenhuisinfecties door Surveillance. Component infecties op de Intensive Care, 1997-1998 | RIVM

De resultaten van het eerste jaar van gestandaardiseerde surveillance voor infecties op de Intensive Care (IC) in het PREZIES-project worden beschreven. De surveillance werd geimplementeerd in 22 ziekenhuizen, waarvan er 10 gegevens instuurden die verwerkt zijn in deze rapportage. Voorlopige referentiecijfers voor infectierates worden gepresenteerd voor de volgende infecties ontstaan op de IC: pneumonie, (lijn)sepsis, urineweginfectie, lagere luchtweginfectie, postoperatieve wondinfectie en overige infecties. De verdeling van geisoleerde micro-organismen per soort infectie wordt beschreven. Geconcludeerd wordt dat uitvoeren van gestandaardiseerde surveillance van ziekenhuisinfecties op de IC in netwerkverband mogelijk is. De gegevens geven inzicht in het optreden van ziekenhuisinfecties en risicofactoren bij patienten op de Intensive Care. Hierbij moet aangetekend worden dat de voorlopige referentiegegevens nog op slechts kleine aantallen zijn gebaseerd en validatie van de surveillance zeer beperkt is gebleven.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Milieuhygienische kwaliteit en beoordeling van vormgegeven afvalstoffen in relatie tot storten | RIVM

In de visie van het ministerie van VROM op stortplaatscategorieen is een nieuwe stortplaatscategorie geintroduceerd, nl. de stortplaats voor geconditioneerd afval. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu is door het ministerie van VROM gevraagd om een beoordelingsmethode te ontwikkelen en aparte grenswaarden te formuleren voor de beoordeling van immobilisaten, die gestort worden op een dergelijke stortplaats voor geconditioneerd afval. Het onderhavige rapport beschrijft enerzijds de milieuhygienische kwaliteit van een aantal geimmobiliseerde afvalstoffen en anderzijds voorstellen ten aanzien van grenswaarden voor de beoordeling van geimmobiliseerde afvalstoffen. Op grond van het uitgevoerde onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken: 1) Bij het hanteren van de voorgestelde emissienormen en de daarbij behorende eisen voor te storten immobilisaten kan de bodem (vaste en vloeibare fase) worden beschermd op het niveau van de streefwaarde bodemkwaliteit. 2) Geen van de onderzochte immobilisaten voldoet aan de normen, die het Bouwstoffenbesluit stelt voor categorie-1 bouwstoffen. Slechts enkele immobilisaten voldoen als niet-vormgegeven en/of vormgegeven bouwstof aan de normen voor een categorie-2 toepassing. 3) Een beoordeling van immobilisaten met de diffusieproef, waarbij het immobilisaat intakt blijft, en de voorgestelde maximaal toelaatbare emissies zal voor een aantal afvalstoffen resulteren in een lichter stortregime (van C2 naar Cgecond.afval).
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Duplicate 24-hour diet study 1994 organochlorine and organophosphorous pesticides | RIVM

In 1994 namen 123 respondenten deel aan een duplicaat 24-uurs voedingsonderzoek. De verzamelde duplicaat voeding monsters werden geanalyseerd op macro parameters, nutrieten, mineralen, sporenelementen en contaminanten. Bij aanvang van het onderzoek werd een inschatting gemaakt of de aanwezigheid van pesticiden in deze monsters een mogelijk risico voor de consument opleverde. Hiertoe werd een methodiek ontwikkeld om potentieel verdachte pesticiden te selecteren gebaseerd op gegevens omtrent voedsel consumptie, Acceptabele Dagelijkse Inname (ADI) en Maximum Residu Limiet (MRL). Een aantal organochloor en organofosfor pesticiden werd geselecteerd voor nader onderzoek. Voor beide groepen pesticiden werd een 20-tal monsters, uit de monsterserie van 123 geselecteerd voor analyse. Een analysemethode gebaseerd op vloeistof extractie, clean-up met Gel Permeatie Chromatografie en kwantitatieve bepaling met gas chromatografie met selectieve detectie werd ontwikkeld om de genoemde verbindingen te analyseren. Bij het analyseren van de 20 monsters op organochloor pesticiden werd driemaal een residu aangetroffen. De berekende gehalten vinclozolin waren resp. 11 en 22 ug/kg en voor dicofol 17ug/kg. De berekende dagelijkse innames bedroegen slechts een fractie van de vastgestelde ADI's, namelijk 5% en 10% voor vinclozolin, en 28% voor dicofol. Voor een aantal organofosfor pesticiden was het niet mogelijk om aan te kunnen tonen of een dagelijkse inname de vastgestelde ADI overschreed, omdat de aantoonbaarheidsgrenzen van de analysemethode voor deze verbindingen te hoog waren. Voor de andere geselecteerde organofosfor pesticiden werden geen rediduen in de 20 geanalyseerde duplicaat voeding monsters aangetroffen.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Second collaborative study on analysis of bacteriophages in bathing waters | RIVM

Het tweede internationale ringonderzoek met bacteriofagen in zwemwater werd in maart 1998 georganiseerd. Vijftien Europese laboratoria (inclusief het organiserende laboratorium) namen deel aan de studie. De studie bestond uit twee delen: (1) Analyse van natuurlijk besmette standaard monsters for de bepaling van somatische colifagen (SOMCPH), F-specifieke fagen (bevattende het totaal aantal F-specifieke fagen: FTOTPH en F-specifieke DNA-fagen: FDNAPH) en fagen van Bacteroides fragilis (BFRPH); (2) Toepassing van een concentreringstechniek (gebaseerd op flocculatie) op een mengsel van faag-referentiematerialen (oX174 voor SOMCPH, MS2 voor FTOTPH en B40-8 voor BFRPH). Tijdens de discussie met de deelnemende laboratoria over de resultaten van de studie werd besloten om een aantal resultaten niet te gebruiken bij verdere statistische analyse vanwege opgetreden technische problemen bij de laboratoriumanalyse. Analyse van de overgebleven resultaten resulteerde voor de studie met de natuurlijk besmette monsters in de volgende waarden voor de herhaalbaarheid (r): 1.63 - 2.34 en reproduceerbaarheid (R): 3.10 - 5.72, voor de verschillende groepen van bacteriofagen. Er was meer variatie tussen de resultaten dan bij de analyse van referentiematerialen (met reincultures van standaard fagen). Dit werd waarschijnlijk veroorzaakt door een combinatie van extra Poisson variatie tussen de faag-tellingen van de natuurlijk besmette standaard monsters en de moeilijkheid van het interpreteren van platen afkomstig van natuurlijk besmette monsters. De resultaten van de concentrerings techniek toonden lage recovery van faag oX174 (2.2% - 16.4%) en variabele recovery van fagen MS2 (12.7% - 99.4%) en B40-8 (42.5% - 142.9%).
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Selectie van ziekten en aandoeningen voor de Volksgezondheid Toekomst Verkenningen | RIVM

Een centrale doelstelling van de Volksgezondheid Toekomst Verkenning (VTV) is het beschrijven van de gezondheidstoestand van de bevolking in Nederland aan de hand van de indicator 'aanwezigheid van ziekten en aandoeningen'. De vraag is of de selectie van ziekten en aandoeningen die bij de beschrijving daarvan in VTV-1997 is gehanteerd, voor een volgende VTV aangepast zou moeten worden. Daartoe zijn diverse binnenlandse en buitenlandse documenten op het gebied van de volksgezondheid bestudeerd, zijn suggesties van beleidsmakers en medewerkers aan VTV-1997 geinventariseerd en is een nieuwe analyse van sterftecijfers gedaan. Hieruit wordt geconcludeerd dat de selectie van ziekten en aandoeningen voor VTV-1997 het uitgangspunt moet blijven voor een volgende VTV. Daarnaast zijn er nog belangrijke onderwerpen die nu buiten de selectie vallen, maar kandidaat zijn om toegevoegd te worden. Dit zijn (1) verontrustende infectiezieken en zoonosen, (2) aandoeningen met een hoge sterfte en hoge ernst (o.a. enkele nieuwvormingen, chronische nierziekten) en (3) aandoeningen met grote invloed op de kwaliteit van leven van patient en/of omgeving (o.a. chronisch vermoeidheidsyndroom, persoonlijkheids-stoornissen, decubitus, chronische onbegrepen pijn). Verder wordt voorgesteld (meer) aandacht te besteden aan arbeidsgerelateerde aandoeningen, allergieen en infectieziekten als oorzaak van chronische ziekten. Welke aandoeningen uiteindelijk toegevoegd gaan worden aan de huidige selectie in VTV kan in overleg met beleidsmakers en deskundigen worden vastgesteld.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Praktijkproef nutrientenbalans. Nutrientenbelasting van het oppervlaktewater via drainagewater van akkerbouwpercelen van zavelgrond | RIVM

Op proefboerderij Rusthoeve te Colijnsplaat zijn van juni 1994 tot juli 1996 metingen uitgevoerd aan de emissie van meststoffen via de drainage van akkerbouw op zavelgrond. De vanggebieden van vier drainbuizen (1,32 ha) en van een kavelsloot (9,57 ha) zijn intensief en vrijwel continu bemeten, zowel wat betreft de hydrologie als de afvoer van chloride en nutriknten (N, P). Op basis van de meetreeks en langjarige registraties van teeltgegevens zijn water- en stofbalansen opgesteld. Uit de waterbalansen blijkt dat nauwelijks kwel optreedt. De afvoer van overtollig water vindt plaats via drainbuizen (75%) en rechtstreeks naar de kavelsloot (5%) en een kreek (20%). Oppervlakkige afstroming is niet waargenomen tijdens de proef. Preferent transport van water en stoffen kan plaatsvinden in de onverzadigde zone door de aanwezigheid van macro-porikn. Ongeveer 25% van het door de drainbuizen afgevoerde water heeft een verblijftijd in de bodem van minder dan een jaar, 45% minder dan 2 jaar, 65% minder dan 3 jaar, 80% minder dan 4 jaar en 20% meer dan 4 jaar. De concentratie van N-totaal varieert van minder dan 1 tot 29 mg.l-1 met een gemiddelde van 4 mg.l-1. De stikstof-concentraties in het slootwater varikren van 1 tot 27 mg.l-1 met een gemiddelde van ruim 6 mg.l-1 .De variatie in de tijd hangt vooral samen met de variatie in nitraat. De hoogste concentraties van stikstof in drain- en slootwater zijn gemeten in perioden van hoge afvoer van drainagewater. De totaal-fosfaatconcentratie in het drainwater varieert van 0.05 tot 1.22 mg.l-1 met een gemiddelde van 0.21 mg.l-1 . De concentraties in de sloot varikren van 0.03 tot 1.64 mg.l-1 met een gemiddelde van 0.31 mg.l-1.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Onderzoek naar lozingscriteria voor vergunningverlening kernenergiewet in de procesindustrie | RIVM

Volgens EU-Richtlijn Basisnormen (96/29/Euratom) dienen de lidstaten van de Europese Unie de werkzaamheden waarbij de blootstelling van leden van de bevolking vanwege de aanwezigheid van natuurlijke stralingsbronnen significant toeneemt in een mate die vanuit het oogpunt van stralingsbescherming niet mag worden veronachtzaamd te identificeren. Procesindustrieen die tot de bedoelde werkzaamheden behoren, passen grote hoeveelheden ruwe materialen toe, zoals ertsen, mergel en klei, die natuurlijke radionucliden bevatten. Deze radionucliden komen terecht in de lozingen in lucht en water en kunnen een radiologisch risico voor de bevolking veroorzaken die in de nabijheid van een industrie woont. In Nederland wordt momenteel een systeem van vergunningverlening voor dergelijke lozingen ontwikkeld. Een werkzaamheid komt in het systeem terecht als de maximale individuele dosis of de collectieve dosis als gevolg van de lozingen in lucht of lozingen in water een zekere waarde overschrijdt: het zogenaamde basis dosiscriterium. Er wordt overwogen om een maximale individuele dosis van 10 microSv/a en een collectieve dosis van 1 manSv/a als dosiscriteria te kiezen. Binnen het in ontwikkeling zijnde systeem wordt de procesindustrie ingedeeld in een beperkte set van referentiesituaties. Voor elk van deze situaties zijn de dosiscriteria omgezet naar operationele lozingscriteria per radionuclide door de lozing te berekenen die tot een maximale individuele dosis van 10 microSv/a en een collectieve dosis van 1 manSv/a leidt. Naast een beschrijving van het systeem wordt in het voorliggende rapport de praktische bruikbaarheid geillustreerd voor enkele procesindustriekn in Nederland. Er wordt aangetoond dat de uiteindelijke keuze van criteria door de vergunningverlener een afweging is tussen enerzijds de eenvoud van het systeem met het oog op de praktische toepasbaarheid en anderzijds het minimaliseren van de kans op een onterecht opleggen of niet opleggen van een vergunningplicht.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Gedifferentieerde Risicobeoordeling Technisch-wetenschappelijke mogelijkheden | RIVM

Het rapport geeft een overzicht van de technisch-wetenschappelijke mogelijkheden om maatwerk te verrichten bij de toelating van landbouwbestrijdingsmiddelen. De diverse aspecten waarop de milieubeoordeling van deze middelen wordt beoordeeld worden aan een analyse onderworpen in hoeverre het mogelijk is door rekening te houden met de specifieke eigenschappen van de stof, de regionale of locale omstandigheden, de toepassingswijzen en toepassingstechnieken, de grondsoorten, enz. Voorstellen worden gedaan voor welke onderdelen op korte en welke op langere termijn realiseerbaar worden geacht. Van de onderwerpen voor de korte termijn wordt aangegeven in hoeverre opname in het standaard beoordelingssysteem USES mogelijk is. Voorgesteld wordt verder deze onderdelen in 1999 te realiseren.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Landelijk Meetnet Regenwatersamenstelling. Meetresultaten 1996 | RIVM

Dit rapport presenteert de resultaten van de in 1996 uitgevoerde metingen van de chemische samenstelling van neerslag in Nederland. De metingen zijn uitgevoerd op 4-wekelijkse monsters verkregen uit het Landelijk Meetnet Regenwatersamenstelling. Op 15 stations werden monsters verzameld voor analyse op hoofdcomponenten en op anorganische microcomponenten (zware metalen). In de monsters van de hoofdcomponenten werden de concentraties van vrij zuur (hydronium/waterstofcarbonaat), natrium, kalium, calcium, magnesium, fluoride, chloride, nitraat, sulfaat en fosfaat bepaald. Voorts werden van deze monsters de geleidbaarheid en de pH bepaald. De monsters voor zware metalen werden geanalyseerd op cadmium, koper, lood, ijzer en zink. Bovendien werden de monsters van twee stations geanalyseerd op arseen, chroom, nikkel en vanadium. Daarnaast werden op twee stations aparte monsters verzameld voor analyse op het bestrijdingsmiddel lindaan (g-HCH) en kwik en op een station werden monsters verzameld voor analyse op een aanvullende set bestrijdingsmiddelen. Deze set bestaat uit 2,4-D, 2,4,5-T, atrazin, bentazon, cyanazin, desethylatrazin, desisopropylatrazin, dichloorprop, MCPA, mecoprop, metolachloor en simazin.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Landelijk Meetnet Regenwatersamenstelling. Meetresultaten 1997 | RIVM

Dit rapport presenteert de resultaten van de in 1997 uitgevoerde metingen van de chemische samenstelling van neerslag in Nederland. De metingen zijn uitgevoerd op 4-wekelijkse monsters verkregen uit het Landelijk Meetnet Regenwatersamenstelling. Op 15 stations werden monsters verzameld voor analyse op hoofdcomponenten en op anorganische microcomponenten (zware metalen). In de monsters van de hoofdcomponenten werden de concentraties van vrij zuur (hydronium/waterstofcarbonaat), natrium, kalium, calcium, magnesium, fluoride, chloride, nitraat, sulfaat en fosfaat bepaald. Voorts werden van deze monsters de geleidbaarheid en de pH bepaald. De monsters voor zware metalen werden geanalyseerd op cadmium, koper, lood, ijzer en zink. Bovendien werden de monsters van twee stations geanalyseerd op arseen, chroom, nikkel en vanadium. Daarnaast werden op twee stations aparte monsters verzameld voor analyse op het bestrijdingsmiddel lindaan (g-HCH) en kwik.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Landelijk Meetnet Regenwatersamenstelling. Meetresultaten 1998 | RIVM

Dit rapport presenteert de resultaten van de in 1998 uitgevoerde metingen van de chemische samenstelling van neerslag in Nederland. De metingen zijn uitgevoerd op 4-wekelijkse monsters verkregen uit het Landelijk Meetnet Regenwatersamenstelling. Op 15 stations werden monsters verzameld voor analyse op hoofdcomponenten en op anorganische microcomponenten (zware metalen). In de monsters van de hoofdcomponenten werden de concentraties van vrij zuur (hydronium/waterstofcarbonaat), natrium, kalium, calcium, magnesium, fluoride, chloride, nitraat, sulfaat en fosfaat bepaald. Voorts werden van deze monsters de geleidbaarheid en de pH bepaald. De monsters voor zware metalen werden geanalyseerd op cadmium, koper, lood, ijzer en zink. Daarnaast werden op een station aparte monsters verzameld voor analyse op het bestrijdingsmiddel lindaan (g-HCH) en kwik.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Maximum permissible concentrations and negligible concentrations for phthalates (dibutylphthalate and di(2-ethylhexyl)phthlate), with emphasis on endocrine disruptive properties | RIVM

In dit rapport zijn maximaal toelaatbare risiconiveaus (MTRs) en verwaarloosbare risiconiveaus (VRs) afgeleid voor dibutylftalaat en di-ethylhexyl-ftalaat. Ftalaten worden vaak verdacht van endocriene verstoring. Gegevens over endocriene en reproductieve verstoring door ftalaten zijn verzameld van in vitro en in vivo testen. Met name de twee-generatie reproductie studies blijken gevoelig om endocrien verstorende effecten te signaleren. Geen enkele van de testen met uterien gewicht als eindpunt (vaak in combinatie met vaginale cornificatie gemeten) liet positieve resultaten zien. Op basis van de beschikbare data is geconcludeerd dat de MTRs die afgeleid zijn op basis van klassiek gebruikte eindpunten (overleving, groei en reproductie) voor de geteste verbindingen voldoende bescherming bieden tegen endocrien verstorende effecten.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Monitoring van ecologische effecten van milieuveranderingen, parameterkeuze en stratificatiebasis | RIVM

Het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS), het Informatie- en Kennis Centrum Natuur (IKC-N) en het RIVM coordineren gezamelijk het netwerk Ecologische Monitoring (NEM) om daarmee de voor het rijk relevante informatie over de toestand van de natuur te verzamelen. Een van de meetdoelstellingen van het NEM is: het signaleren en evalueren van landelijke veranderingen in abiotiek (mn verzuring, vermesting en verdroging) en de gevolgen daarvan voor flora en fauna. Voor deze meetdoelstelling zal op nationale schaal in beeld gebracht dienen te worden welke veranderingen optreden in flora en fauna in samenhang met de veranderingen in de abiotische condities (milieukwaliteit). Dit is van belang ter evaluatie van het natuur- en milieubeleid, omdat de vraag 'in hoeverre worden door het milieubeleid de condities voor het voorkomen van flora en fauna gewaarborgd?' beantwoorden kan. Om te komen tot een zo efficient mogelijk meetnet, waarmee de bovenstaande meetdoelstelling beantwoord kan worden is een stratificatie van Nederland nodig. Een stratificatie levert een indeling op met gebieden die zoveel mogelijk homogeen zijn ten aanzien van de verwachte abiotische veranderingen. Daarnaast is het efficient om alleen naar die flora en fauna elementen (variabelen) te kijken die het meest gevoelig zijn voor milieuveranderingen. In dit rapport is onderzocht wat, naar de huidige kennis van zaken, de variabelen zijn die het meest zullen zeggen over de gevolgen van milieukwaliteitsveranderingen voor de natuur. Uit de analyse komen flora, dagvlinders, libellen en korstmossen als meest geschikte soortengroep naar voren. De stratificatie is gebaseerd op de te verwachten milieuveranderingen en gevoeligheden van gebieden voor deze veranderingen. Het principe waarmee de stratificatie tot stand komt is dat er in alle gebieden een even grote precisie wordt nagestreefd: een homogeen gebied waar weinig gebeurt, kan met minder meetlocaties volstaan dan een heterogener gebied waar veel veranderingen optreden. Uiteindelijk worden 14 strata onderscheiden waarbinnen verdroogde en niet verdroogde gebieden kunnen worden aangewezen. De optimale verdeling van de meetlocaties over deze strata kan op dit moment niet berekend worden, maar er wordt een verdichting van het meetnet aangeraden in de strata die gevoelig zijn of waarbij de zure depostie of de stikstofdepostie naar verwachting sterk zal dalen. Optioneel kan het meetnet in de strata binnen het ongevoelige gebied, waarbij of de zure depostitie of de stikstofdepositie verandert, worden verdicht. In de relatief heterogene strata zou ook een verdichting op zijn plaats zijn.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

The contribution of protein binding in the liver to the body burden of dibenzo-p-docins and dibenzo-p-furans: Analysis by means of PBPK modeling | RIVM

In een voorgaande studie is een "Physiologisch gebaseerd PharmacoKinetisch" (PBPK) model gebruikt om de hoeveelheid van dibenzo-p-dioxinen en dibenzo-p-furanen in moedermelk te beschrijven. Hierbij zijn gehalten van dioxinen en furanen in moedermelk als maat genomen voor de totale hoeveelheid van deze stoffen in het lichaam (lichaamsbelasting of body burden). In het PBPK model wordt ervan uitgegaan dat de verdeling van dioxinen en furanen in het lichaam bepaald wordt door het lipide gehalte van het bloed en de verschillende organen. Echter, voor de lever is bekend dat de opname van dioxinen en furanen vanuit het bloed niet alleen bepaald wordt door de hoeveelheid lipide in dit orgaan maar ook door de binding aan eiwitten. Wanneer deze eiwitbinding wezenlijk bijdraagt aan de lichaamsbelasting van dioxinen en furanen dan zal genoemd PBPK model de lichaamsbelasting substantieel onderschatte. Voor octachloro-dibenzo-p-dioxine (OCDD) is onderzocht hoe groot de bijdrage van levereiwitbinding is aan de lichaamsbelasting van deze stof. OCDD is gekozen vanwege zijn eigenschap om specifiek in de lever van de mens te accumuleren. Voor het berekenen van de lichaamsbelasting is een PBPK model gebruikt dat de binding van OCDD aan levereiwit bevat. Na levenslange blootstelling berekent het PBPK model dat de binding van OCDD aan levereiwit voor minder dan 6% bijdraagt aan de lichaamsbelasting. Aangezien van de dioxinen en furanen OCDD de duidelijkste stapeling in de lever te zien geeft mag verwacht worden dat dit percentage voor andere dioxinen en furanen nog kleiner is. Geconcludeerd wordt dat, bij de mens, de binding van dioxinen en furanen aan levereiwit weinig bijdraagt aan de lichaamsbelasting van deze stoffen.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Toxicological validation of a procedure for extracting organic micropollutants form water samples | RIVM

Een procedure, ontwikkeld met het doel om microverontreinigingen uit watermonsters te concentreren, zodanig dat het uitvoeren van aquatische toxiciteitstesten mogelijk is, werd aan een toxicologisch validatieonderzoek onderworpen. Een bekende cocktail aan toxische stoffen werd geconcentreerd tot een niveau waarop in kortdurende testen een toxisch effect gemeten kon worden. De toxiciteit werd gemeten met microbiotesten: een kreeftachtige (de Thamnotox F test), een raderdiertje (de Rotox F test), een bacterie (de Microtoxtest) en een watervlo (de Daphnia IQ test). Deze kleinschalige aquatische toxiciteitstesten werden eerder geselecteerd vanwege hun korte blootstellingsduur en kleine testvolume. Het onderzoek is uitgevoerd met een synthetisch watermengsel waaraan een mengsel van organische chemicalikn met een niet-specifieke werking is toegevoegd. De chemicalikn in een relatief groot volume water werden met behulp van vaste fase extractie m.b.v. XAD, elutie met aceton en Kuderna Danish destillatie naar een klein volume water overgebracht. De toxiciteit van dit watermonster werd gemeten met de vier microbiotesten om het verlies aan toxiciteit door de opwerkings behandeling te bepalen. Daarnaast werd een watermonster zonder toegevoegde chemicalikn op identieke wijze behandeld en getest om te bepalen of de behandeling ongewenste toxiciteit veroorzaakte. Uit de resultaten bleek dat de behandelingsmethode een aanzienlijke hoeveelheid toxiciteit veroorzaakte. De toxiciteit van de blanco water monsters was zelfs net zo hoog als de toxiciteit van de watermonsters waaraan chemicalikn waren toegevoegd. De opwerkingsmethode werd verbeterd waardoor het residuegehalte van aceton verlaagd werd. De toxiciteit van de monsters die met de verbeterde procedure werden opgewerkt, worden dan ook grotendeels verklaard uit het gedoseerde testmengsel. Uit bovenstaande resultaten blijkt de waarde van de toxicologische validatie: met uitsluitend chemische analyses zou de door de procedure geintroduceerde toxiciteit niet zijn aangetoond.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Health Impact Assessment Schiphol airport. Overview of results until 1999 | RIVM

Dit rapport geeft een uitgebreide engelstalige samenvatting van de stand van zaken en huidige resultaten van de Gezondheidskundige Evaluatie Schiphol (GES). GES bestaat uit een aantal studies met verschillende opzet. In dit rapport zijn in plaats van per onderzoek, de resultaten beschreven per gezondheidsparameter: hinder, hartvaatziekten, slaapverstoring, luchtwegaandoeningen, ervaren gezondheid, cognitieve prestatie, geboortegewicht, risicoperceptie en woontevredenheid. Een aantal onderzoeken is nog in uitvoering. Dit betreft een onderzoek naar luchtwegaandoeningen bij schoolkinderen en een onderzoek naar slaapverstoring bij volwassenen. Een besluit over een eventueel aanvullend onderzoek naar effecten op prestatie wordt genomen zodra de resultaten van het slaapverstoringsonderzoek beschikbaar zijn. Aansluitend op de bevindingen van GES zal een voorstel voor een monitoringssysteem worden ontwikkeld waarmee mogelijke veranderingen in de milieukwaliteit en gezondheidstoestand bij uitbreiding van de luchthaven gevolgd kunnen worden.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

The Brazilian Proposal and other Options for International Burden Sharing: an evaluation of methodological and policy aspects using the FAIR model | RIVM

Tijdens de onderhandelingen over het Kyoto Protocol, werd door Brazilie het zogenaamde Braziliaanse voorstel ingediend. Dit bevat een methodiek om de relatieve bijdrage van Annex I landen (de geindustrialiseerde landen) aan emissiereducties te koppelen aan hun bijdrage aan de gerealiseerde mondiaal gemiddelde temperatuurstijging. Het Braziliaanse voorstel is niet in het Kyoto Protocol opgenomen, maar door de Conference of Parties in Kyoto (CoP-3) verwezen naar SBSTA (Subsidiary Body on Scientific and Technical Advise) voor een nadere bestudering van wetenschappelijke en methodologische aspecten van het voorstel. In de tussentijd vond een herziening van het Brazilianen plaats. In dit rapport worden zowel de originele als de herziene methodologie geevalueerd. De oorspronkelijke methodologie is wetenschappelijk incorrect bevonden. Het herziene model vormt een aanzienlijke, maar bevat nog steeds een aantal tekortkomingen. Deze kunnen alle worden opgelost door een verbeterde parametrisatie, en door de toevoeging van een aantal extra processen of benaderingen te kiezen die al in andere modellen zijn getest en toegepast. Voor het evalueren van het Braziliaanse voorstel en het vergelijken van het voorstel met andere opties voor internationale is een nieuw model ontwikkeld: FAIR (Framework to Assess International Regimes for burden sharing). Lastenverdelingscriteria die rekening houden met historische emissies en/of gebaseerd zijn op een per capita benadering zijn gunstig voor de ontwikkelingslanden. Daarentegen is het meenemen van de antropogene emissies van alle broeikasgassen en de emissies ten gevolge van landgebruiksveranderingen gunstig voor de geindustrialiseerde landen. Een indicator later in de oorzaak-effect keten van het klimaatsprobleem, zoals de bijdrage aan mondiale temperatuurstijging in plaats van emissies, is gunstig voor de ontwikkelingslanden. Toepassing van het Braziliaanse voorstel op wereldschaal zou betekenen dat alle landen onmiddellijk hun emissies zouden moeten reduceren, ongeacht hun niveau van economische ontwikkeling. Om rekening te houden met de verschillen in ontwikkelingsniveau, kan een deelname drempel worden ingevoerd. Daarbij lijkt met name het gebruik van een deelnamedrempel gebaseerd op mondiaal gemiddelde emissie per hoofd interessant, omdat het resulteert in een mondiale convergentie van hoofdelijke emissieruimte. Het beloont reductie-inspanningen van de geindustrialiseerde landen, terwijl het een ontwikkelingslanden stimuleert de groei in hun emissies te beperken. Tenslotte is ook een sector-georienteerde aanpak van internationale lastenverdeling. De resultaten van een eerste voorlopige toepassing van deze benadering op een mondiale schaal, worden hier tevens gepresenteerd.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Estimating the PTB-profile | RIVM

Het doel van het rapport is een overzicht te geven van 'simpele' methoden, die data kunnen genereren voor Persistentie (P), Toxiciteit (T) en Bioaccumulerend vermogen (B) van stoffen. De keuze is gemaakt voor de schattingsmethoden omdat ze relatief sneller, goedkoper en betrouwbaarder zijn dan 'expert judgement' of de inzet van 'default' waarden, om voor stoffen die ontbrekende PTB-gegevens te genereren. Voordat de PTB-eigenschappen worden bepaald, dient een verdelingsprofiel bepaald te worden van de stof over de belangrijkste milieucompartimenten, water, lucht en bodem. De benodigde informatie om PTB-eigenschappen te schatten, verschilt van een SMILES-notatie tot gedetailleerde quantum-mechanische gegevens. In het rapport worden stroomschema's aangegeven, die behulpzaam zijn bij het bepalen van de PTB-eigenschappen. De PTB-eigenschappen en PTB-criteria kunnen worden gebruikt bij het vaststellen van een 'simpele' gevaarsaanduiding van de stof voor mens en milieu. Het vergelijk van de PTB-eigenschappen met aan een bepaald beleidsdoel gerelateerde 'cut-off' waarden voor PTB-stoffen, resulteert in de indeling van de stof in een PTB-klasse. Het vaststellen van de 'cut-off' waarden is een beleidsmatige keuze, die niet in het rapport wordt behandeld.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Oppervlaktewater als bron voor drinkwater: regionale oppervlaktewateren | RIVM

In dit rapport worden de resultaten weergegeven van het onderzoek verricht naar de mogelijkheden van de (toekomstige) inzet van regionale oppervlaktewateren voor de drinkwatervoorziening. Tevens is onderzoek verricht naar huidige en mogelijk toekomstige gezondheidsrisico's verbonden aan het huidige gebruik van regionaal oppervlaktewater voor de drinkwaterbereiding. Voor het onderzoek zijn negen regionale watersystemen geselecteerd en onderzocht op een aantal relevante aspecten: kwaliteit, kwantiteit, risico's en effecten. Met behulp van kaarten zijn deze aspecten voor elk onderzocht watersysteem zichtbaar gemaakt. Door inventarisatie van de aspecten is getracht de geschiktheid van de wateren aan te geven als mogelijke bron voor de drinkwaterproductie. Met behulp van de ketenbenadering van emissie van stoffen en micro-organismen in het milieu tot en met de concentratie in drinkwater zijn voor een aantal bestrijdingsmiddelen, zware metalen en micro-organismen de huidige en mogelijk toekomstige gezondheidsrisico's bepaald. Om inzicht te kunnen verwerven in het effect van de drinkwaterbereiding op de (toekomstige) drinkwaterkwaliteit zijn twee bestaande zuiveringen en de 'eenvoudige zuivering' doorgerekend. Gezondheidsrisico's zijn bepaald door de concentraties in drinkwater te vergelijken met drinkwaternormen en gezondheidskundige risicogrenzen. Geconcludeerd kan worden dat bestrijdingsmiddelen en zware metalen nauwelijks een bedreiging vormen voor de drinkwaterkwaliteit. Voor de micro-organismen is 'eenvoudige zuivering' onvoldoende om te kunnen garanderen dat het drinkwater voldoet aan de gezondheidskundige risicogrenzen. Bodempassage en ozonisatie zijn effectieve verwijderingsprocessen om micro-biologisch 'veilig' drinkwater te kunnen garanderen. Het aspect kwantiteit speelt een belangrijke rol bij waterwinning, waardoor slechts enkele van de onderzochte wateren werkelijk geschikt worden bevonden als bron voor de productie van drinkwater. Bij enkele van deze watersystemen is het mogelijk om drinkwaterwinning in combinatie met natuur te ontwikkelen. Het gebruik van huishoudwater en industriewater kan uitkomst bieden bij kwantitatief kleinschalige projecten.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Geurhinder als gevolg van de stortplaats aan de Derde Merwedehaven te Dordrecht: evaluatie van de maatregelen en het klachtenpatroon | RIVM

Sinds 1 juni 1993 is op de locatie Derde Merwedehaven te Dordrecht een afvalberging in bedrijf. Ter realisering van de afvalberging is het Provinciaal Afvalverwijderingsbedrijf Zuid-Holland N.V. (PROAV) opgericht, terwijl de inrichting en exploitatie van de afvalberging opgedragen werd aan de v.o.f. afvalverwerkingsinrichting Merwedehaven (AVM). De stortplaats is gelegen op enkele honderden meters afstand ten zuiden en zuidoosten van woonbebouwing welke zich bevindt in Sliedrecht aan de overzijde van de Beneden-Merwede. Ook in de straten aangrenzend aan de stortplaats komt woningbouw voor. Mede om deze reden zijn voorschriften opgenomen in de vergunning met betrekking tot incidentele en permanente geurhinder. Tevens is in de vergunning een meetverplichting met betrekking tot de geuremissies opgenomen. In de loop der jaren is er op de stortplaats een aanzienlijk grotere hoeveelheid verbrandbare afvalstoffen gestort, dan waarmee bij de aanleg van de stortplaats rekening was gehouden. De hoeveelheid grond en baggerspecie bleef sterk bij de verwachting achter. Sinds de in gebruikname hebben zich klachten over geurhinder voorgedaan. Vanaf 1994 tot nov. 1998 vertoonden deze klachten een aflopende reeks. Vanaf 17 nov. 1998, heeft zich een sterke stijging van het aantal klachten voorgedaan. De oorzaak hiervan wordt door Provincie en PROAV gezocht in het uitvallen van het stortgasonttrekkingssysteem en het versneld produceren van stortgas in het onder exploitatie zijnde compartiment 4 van de stortplaats. In verband met deze hernieuwde geurhinder zijn diverse onderzoeksopdrachten uitgezet. Zo is door de Gemeente Dordrecht een opdracht verleend aan de GG&GD Zuid-Holland Zuid te Dordrecht om een onderzoek in te stellen dat meer inzicht moet geven in aard en omvang van eventuele gezondheidsklachten. Daarnaast is door de Prov. Zuid-Holland aan Tauw B.V. te Deventer opdracht verleend voor ondermeer het uitvoeren van verspreidingsberekeningen en het maken van een risicobeoordeling. Daarnaast zijn aan het RIVM de volgende vragen voorgelegd: 1. Het beoordelen op technische merites, waaronder de capaciteit, de dimensionering en de uitvoering van het stortgasonttrekkingssysteem voor de afvalberging naar het ontwerp van Haskoning. 2. Het beoordelen en leveren van commentaar op de activiteiten tot het bergen van afvalstoffen op de Afvalverwerkingsinrichting Derde Merwedehaven alsmede het in beschouwing betrekken van de aanvullende maatregelen tot het vermijden van overlast in het algemeen en het vermijden van geurhinder in het bijzonder. 3. Het opstellen van een analyse van het klachtenpatroon in de periode nov. 1998 t/m mrt 1999. Ten aanzien van dit onderdeel werd uitdrukkelijk opgemerkt dat een relatie dient te worden gelegd tussen storten en stankklachten. Ten aanzien van het reeds functionerende deel van stortgasonttrekkingssysteem op de Derde Merwedehaven luidt het oordeel, dat de filosofie goed is en beter dan wat op veel Nederlandse stortgasprojecten gebruikelijk is: men maximaliseert de gasonttrekking naar wat met het bronnensysteem technisch mogelijk is, benut wat de benuttingscapaciteit toelaat en fakkelt het restant af. De bronafstand op het nieuw aangelegde onttrekkingssysteem op compartiment 4 is mogelijk te hoog. Het feitelijk rendement van het onttrekkingssysteem kan echter pas in de eindsituatie worden vastgesteld. Ten aanzien van de geuremissie beperkende maatregelen geldt naar onze mening, dat een aanzienlijk deel van de mogelijke maatregelen op de stortplaats zijn doorgevoerd. Op een aantal punten zijn nog verbeteringen mogelijk. Deze verbeteringen betreffen met name: het identificeren en tegengaan van geuremissie uit voorkeurskanalen - het toepassen van een betere kwaliteit afdekmateriaal voor tijdelijke afdekking - het toepassen van een meer permeabele en homogene afdeklaag bij de permanente afdekking - het beplanten van de tijdelijke en permanente afdekking. Voor toepassing als afdek- en afdichtingsmateriaal zou op grond van de gestelde eisen compost in aanmerking kunnen komen. Aan de hand van het klachtenpatroon kan naar onze mening de conclusie worden getrokken dat de sterke stijging van het aantal klachten in de onderzoeksperiode in vergelijking met de periode daaraan voorafgaand voor een belangrijk deel verband houdt met het optreden van twee min of meer bijzondere gebeurtenissen. Het betreft hierbij het uitvallen van het stortgasonttrekkingssysteem begin nov. 1998 en de werkzaamheden ten behoeve van de uitbreiding van het stortgasonttrekkingssysteem op compartiment 4 die van eind jan. tot begin april hebben geduurd. Toch zijn er naast deze bijzondere aanleidingen ook structurele oorzaken aan te wijzen die een bijdrage leveren aan het ontstaan van geurhinder vanaf de stortplaats in de Derde Merwedehaven: 1. De stortplaats in de Derde Merwedehaven is ongunstig gelegen ten opzichte van een aantal woonwijken in Sliedrecht. Deze woonwijken bevinden zich op enkele honderden meters afstand en benedenwinds van de stortplaats, uitgaande van de in Nederland meest voorkomende windrichtingen. 2. Op de stortplaats is een aanzienlijk grotere hoeveelheid biologisch afbreekbaar afval gestort dan in het maximaal scenario van de MER was voorzien. Hierdoor wordt ook meer stortgas geproduceerd dan waarmee rekening was gehouden. 3. Het stortgas dat zich in de stortplaats ontwikkeld bevat een relatief hoog gehalte aan H2S en daarmee een groot aantal geureenheden. Bovengenoemde factoren zorgen er voor, dat er bij het optreden van bijzondere omstandigheden relatief snel sprake zal zijn van een verhoogde geuremissie, terwijl deze geuremissie ook snel aanleiding zal geven tot geurhinder. Bij normaal bedrijf van de stortplaats, dat wil zeggen in de afwezigheid van bijzondere omstandigheden en calamiteiten en het strikt naleven van de vergunningsvoorwaarden, blijkt het op grond van het klachtenpatroon in de jaren voorafgaand aan de onderzochte periode mogelijk om de overlast beperkt te houden. Tot nov. werden er over het gehele jaar 1998 23 klachten gemeld, elk met een duidelijk aanwijsbare incidentele oorzaak. Ook in de jaren ervoor was het aantal klachten beperkt, hoewel er, zoals ook het evaluatieverslag van de MER wordt gesteld, geen sprake was van een hindervrije situatie. Het optreden van bijzondere omstandigheden, zoals het wegvallen van het onttrekkingssysteem in nov. 1998 en de werkzaamheden tbv de uitbreiding van de stortgasonttrekking vanaf jan. 1999, blijkt tot een forse stijging van het aantal klachten te leiden. Een belangrijke factor lijkt echter op dit moment de mate waarin de AVM in staat is om bijzondere omstandigheden en calamiteiten te voorkomen, dan wel de gevolgen er van tegen te gaan. Naar mededeling van de AVM wordt een hiertoe strekkend beheersplan op dit moment opgesteld. Dit plan is echter nog niet gereed en derhalve niet in deze beoordeling meegenomen. Bij eventuele werkzaamheden in het afvalpakket, zoals bij de aanleg van het stortgasonttrekkingssysteem, lijkt geurhinder zeer moeilijk te voorkomen.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Kwaliteitsdocument inzake de bepaling van Cadmium in kunststoffen met behulp van Rontgenflurescentie | RIVM

Bij de handhaving van het besluit Cadmium in Kunststoffen is gebleken, dat de analyse met behulp van Rvntgenfluorescentie (XRF) een snel en goedkoop alternatief zou kunnen zijn voor de op dit moment wettelijk voorgeschreven methoden. In opdracht van de Inspecteur Milieuhygikne is daarom door het RIVM in het navolgende document vastgelegd, welke kwaliteitseisen er gesteld dienen te worden aan methoden die worden ingezet voor de handhaving van het Cadmiumbesluit. Daarnaast is getoetst in hoeverre de bepalingsmethode met XRF, zoals toegepast door het Douane Laboratorium aan de gestelde kwaliteitseisen voldoet. Bij deze beoordeling wordt uitgegaan van de gegevens in het validatierapport dat door het Douane Laboratorium is opgesteld ten behoeve van de auditors van de Raad voor Accreditatie. De beoordeling beperkt zich op grond hiervan tot de meetmethode zoals toegepast door het Douane Laboratorium, dan wel een daaraan aantoonbaar gelijk te stellen methode. Uit de beoordeling blijkt dat de XRF-methode van het Douane Laboratorium voldoet aan de eis dat overschrijding van de kritische waarde, met een zekerheid van ten minste 99 % kan worden vastgesteld indien de gemeten concentratie groter is dan 135 mg Cd/kg en indien poreuze, niet-compacte en inhomogene monsters worden verworpen. Gezien de aard van de XRF-bepaling dienen echter nauwgezette procedures te worden gevolgd bij de monsterselectie, de acceptatie van meetwaarden en de kwaliteitsbewaking. In het rapport worden hiertoe voorstellen gedaan.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Zorg Achter Tralies. Een onderzoek naar kwaliteitsaspecten van de gezondheidszorg in penitentiaire inrichtingen | RIVM

In 1997 heeft de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) een onderzoek verricht naar de kwaliteit van de gezondheidszorg in penitentiaire inrichtingen. Doel van het onderzoek was het geven van een algemene, brede beschrijving van kwaliteitsaspecten van de gezondheidszorg in de penitentiaire inrichtingen en het doen van aanbevelingen ter verbetering van de gezondheidszorg in deze inrichtingen. Het onderzoek, gericht op structuur- en procesaspecten van de zorg, is verricht bij alle 39 penitentiaire inrichtingen in Nederland. Met behulp van schriftelijke vragenlijsten zijn gegevens verzameld bij zowel zorgverleners (inrichtingsartsen, psychiaters, psychologen, verpleegkundigen, fysiotherapeuten en tandartsen en een steekproef van penitentiaire inrichtingswerkers), de directie als een steekproef van gedetineerden (N=821). De totale respons op het schriftelijke onderzoek bedroeg 77%. Daarnaast zijn bij 30 medische diensten interviews gehouden met een inrichtingsarts, een psycholoog en een verpleegkundige, waarin dieper in werd gegaan op de onderwerpen 'verslaving', 'hiv/aids' en 'suocide'. De resultaten laten zien dat op diverse punten verbetering mogelijk is. Aanbevelingen betreffen het ontwikkelen van een beleidskader voor de organisatie van de zorg en het ontwikkelen van een kwaliteitsbeleid. Deze worden op aspecten uitgewerkt.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Landelijk Meetnet Regenwatersamenstelling. Meetresultaten 1995 | RIVM

Dit rapport presenteert de resultaten van de in 1995 uitgevoerde metingen van de chemische samenstelling van neerslag in Nederland. De metingen zijn uitgevoerd op 4-wekelijkse monsters verkregen uit het Landelijk Meetnet Regenwatersamenstelling. Op 14 stations werden monsters verzameld voor analyse op hoofdcomponenten en op anorganische microcomponenten (zware metalen). In de monsters van de hoofdcomponenten werden de concentraties van vrij zuur (hydronium/waterstofcarbonaat), natrium, kalium, calcium, magnesium, fluoride, chloride, nitraat, sulfaat en fosfaat bepaald. Voorts werden van deze monsters de geleidbaarheid en de pH bepaald. De monsters voor zware metalen werden geanalyseerd op cadmium, koper, lood, ijzer en zink. Bovendien werden de monsters van twee stations geanalyseerd op arseen, chroom, nikkel en vanadium. Daarnaast werden op twee stations aparte monsters verzameld voor analyse op het bestrijdingsmiddel lindaan (g-HCH) en kwik en op een station werden monsters verzameld voor analyse op een aanvullende set bestrijdingsmiddelen. Deze set bestaat uit 2,4-D, 2,4,5-T, atrazin, bentazon, cyanazin, desethylatrazin, desisopropylatrazin, dichloorprop, MCPA, mecoprop, metolachloor en simazin.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Voeding en voortplanting | RIVM

Deze notitie bespreekt een aantal aspecten van de specifieke voedingssituatie van zwangeren, zogenden en zuigelingen, en bediscussieert het belang van specifieke aandacht voor deze groep in de zin van gericht wetenschappelijk onderzoek ten behoeve van het voedingsbeleid. Zwangeren en zogenden vertonen een relatief hoge behoefte aan nutriknten. Tegelijkertijd is er sprake van een relatief hoge gevoeligheid bij ongeborenen en zuigelingen voor het ontstaan van afwijkingen en aandoeningen. Beide factoren tezamen maken deze groep relatief kwetsbaar voor deficiknties, overdoseringen en disbalansen van voedingscomponenten. Aandoeningen die bij de geboorte aanwezig zijn, varikrend van een te laag geboortegewicht tot structurele aangeboren afwijkingen, hebben een belangrijke invloed op de kwaliteit van het gehele leven. De kans op het ontstaan van aandoeningen op latere leeftijd wordt mede bepaald door de gezondheidsstatus op zuigelingenleeftijd. Dat betekent dat bevordering van de gezondheid rond de zwangerschap en de zoogperiode een grote bijdrage kan leveren aan de volksgezondheid in het algemeen. Met enkele actuele voorbeelden wordt het belang geillustreerd van specifieke aandacht voor de voeding van zwangeren en zogenden. Wat betreft vitamine A, foliumzuur, zink, methionine, en cervonzuur is specifieke aandacht voor de zwangerschap al noodzakelijk gebleken.rimenteel onderzoek met betrekking tot de voeding van zwangeren en zogenden een belangrijke bijdrage zal kunnen leveren aan de volksgezondheid, niet alleen op jonge leeftijd maar gedurende het gehele leven. Er wordt gepleit voor het definikren van specifiek onderzoek op dit gebied, ter ondersteuning van het voedingsbeleid met betrekking tot toelating, voorlichting en preventie.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Immunosuppressive effects of fumonisin B1 in the Trichinella spiralis model | RIVM

Fumonisine B1 is een mycotoxine geproduceerd door Fusarium moniliforme en wordt vooral gevonden in mais. Fumonisine B1 veroorzaakt oesophaguskanker in de mens, longoedeem in het varken en leuko-encephalomalacie in het paard. Effecten van dit mycotoxine op het immuunsysteem werden waargenomen in de kip en de muis. Het toxische effect van fumonisine B1 werd bestudeerd in een 28-daagse toxiciteitsstudie in de RIVM:WU rat. In dat experiment werd het gewicht van de nieren in de hoogste doseringsgroepen significant verlaagd. Dosisgerelateerde pathologische effecten (celnecrose) werden gevonden in nieren van alle doseringsgroepen. Het effect van gamma-GT was significant verhoogd in dieren uit de hoogste doseringsgroepen. Geen direct immunotoxisch effect werd waargenomen, hoewel er een trend werd gezien in toegenomen B-cel aantallen in dieren uit de hoogste doseringsgroepen.In deze studie werd het effect van lage doseringen fumonisine B1 op het immuunsysteem bestudeerd met behulp van een functionele assay, het Trichinella spiralis infectiemodel. Mannetjesratten van drie weken oud werden oraal via maagsonde behandeld met 0, 0,05, 0,19 of 0,75 mg fumonisine B1 per kg lichaamsgewicht dagelijks gedurende 10 weken. Vervolgens werden alle dieren oraal genfecteerd met Trichinella spiralis larven. Zeventig dagen na het begin van het experiment werden dieren opgeofferd, antilichamen werden in het bloed gemeten, terwijl Trichinella spiralis larven in het karkas en tongweefsel werden gemeten. Het gewicht van de dieren in alle behandelde groepen was wat afgenomen, echter de afname was niet statistisch significant. IgE- en IgG-antilichaamtiters waren statistisch significant afgenomen in de midden en hogere doseringsgroepen, terwijl de IgG-antistoftiter ook significant was afgenomen in de laagste doseringsgroep. Het aantal Trichinella spiralis larven in tongweefsel was statistisch significant toegenomen in alle doseringsgroepen. De ontstekingsreactie om larven in tongweefsel waren kwalitatief en kwantitatief niet beinvloed door fumonisine B1 blootstelling en in het gehele karkas werden toegenomen aantallen Trichinella spiralis larven gezien, doch deze toename was niet significant. Het immuunsysteem van ratten wordt nadelig beinvloed in zijn functie naar chronische expositie aan lage doseringen van fumonisine B1.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

LGMCAD, a Solute Transport Module of the Groundwater Model for the Netherlands. User's Manual | RIVM

Dit rapport geeft een beschrijving van de invoerbestanden voor het programma LGMCAD. Dit is een moduul voor het transport van opgeloste stoffen, behorend bij het Landelijk Grondwater Model (LGM). Daarnaast zijn enkele hulpprogramma's beschreven. SHOWCLOUD is een programma om de locatie van een deeltjeswolk op het scherm zichtbaar te maken. Tevens is een hulpprogramma CLDGRID beschreven, dat de deeltjes georiknteerde uitvoer omwerkt tot concentraties opgeloste stof in een 2-dimensionaal grid. De grid-bestanden die hiervan het resultaat zijn, kunnen zichtbaar worden gemaakt met een commercieel of 'public domain' programma voor het maken van contourlijnen. In enkele appendices worden de formaten beschreven van alle bestanden die aan de orde komen bij een stof transport simulatie met het programma LGMCAD.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Vergiftigingen bij kinderen van 0 tot en met 5 jaar en de effectiviteit van kinderveilige verpakkingen (tussenrapportage) | RIVM

Uit een onderzoek van de Stichting Consument en Veiligheid (SCV) blijkt dat jaarlijks circa 1.850 kinderen van 0 tot en met 4 jaar worden opgenomen in het ziekenhuis na een accidentele vergiftiging. Jaarlijks wordt het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum (NVIC) circa 10.000 maal gevraagd om informatie te verstrekken over de blootstelling van kinderen van 0 tot en met 5 jaar aan lichaamsvreemde stoffen. Voor een belangrijk deel blijkt het te gaan om geneesmiddelen, huishoudmiddelen en cosmetica. Ondanks besluiten over kinderveilige verpakkingen van huishoud- chemicalikn geneesmiddelen blijken regelmatig intoxicaties op te treden met producten met een kinderveilige verpakking. Het SCV en NVIC zijn daarom, op initiatief van het ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport, een onderzoek gestart met het doel na te gaan hoe de frequentie van accidentele vergiftigingen bij kinderen verminderd kan worden en welke specifieke maatregelen aan preventie kunnen bijdragen. In deze tussenrapportage wordt de eerste fase van het onderzoek beschreven. Hierin is een literatuurstudie verricht naar risicofactoren voor accidentele vergiftigingen bij kinderen, zijn een beperkt aantal interviews gehouden met ouders/verzorgers van geintoxiceerde kinderen en is een analyse uitgevoerd op het vergiftigingen-informatiebestand van het NVIC. Op grond van de verkregen gegevens is een inschatting gemaakt welke verbindingen en/of productgroepen aanleiding geven tot medisch gezien (potentieel) bedreigende blootstellingen, alsmede voor welke producten een nadere analyse naar de omstandigheden van blootstelling gewenst is. In de tweede fase van dit onderzoek worden een groot aantal telefonische enquetes onder ouders van aan specifieke producten blootgestelde kinderen gehouden. Het onderzoek richt zich met name op een aantal specifieke geneesmiddelen, huishoudmiddelen, cosmetica en bestrijdingsmiddelen.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Severity of pertussis: paediatric surveillance and notification study in the Netherlands in 1997 | RIVM

Doel: Inzicht verkrijgen in de ernst van kinkhoest in relatie tot de vaccinatiestatus en leeftijd. Methoden: In 1997 werd met behulp van pediatrische surveillance gegevens verzameld van ziekenhuisopnamen. Ook werden in 1997 additionele gegevens verzameld van aangiften bij de Inspectie van de Gezondheidszorg. Resultaten: Van de 180 ziekenhuisopnamen was 42% jonger dan 3 maanden en ongevaccineerd; 14% was 3-5 maanden oud waarvan 69% onvolledig gevaccineerd; 42% was 6 maanden en ouder waarvan 70% gevaccineerd. Bij 53% werd de diagnose bevestigd door positieve kweek of PCR; bij 44% door positieve serologie. Twee kinderen van 3 weken oud overleden. Alleen bij jonge ongevaccineerden kwamen convulsies (3%), encephalopathie (1%) en atelectase (1%) voor. Ten opzichte van gevaccineerden hadden ze vaker cyanose (77% vs. 40%) en apneu (22% vs. 5%) en waren langer opgenomen (12 vs. 5 dagen). Van de 507 aangiften was 6% jonger dan 1 jaar; 36% 1-4 jaar; 28% 5-9 jaar; 10% 10-14 jaar; 21% 15 jaar en ouder. Zeven procent was ongevaccineerd, 2% onvolledig gevaccineerd, 80% gevaccineerd en van 11% was dit onbekend. Bij 83% werd de diagnose bevestigd door positieve serologie. Paroxysmaal hoesten (93%), braken (78%), kinken (67%) en ademnood (61%) werden het vaakst gerapporteerd. Bij ongevaccineerde kinderen kwam ten opzichte van gevaccineerden cyanose (43% vs. 21%) en ziekenhuisopname (38% vs. 3%) vaker voor. De ernst van kinkhoest neemt af met de leeftijd. Conclusie: Ernstige kinkhoest met ziekenhuisopname komt vooral voor bij ongevaccineerden kinderen jonger dan 3 maanden. Ziekenhuisopname en klassieke kinkhoest komt ook voor bij recent gevaccineerde kinderen maar kinkhoest met ernstige complicaties is onwaarschijnlijk.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Maximum Permissible Concentrations for polychlorinated biphenyls | RIVM

In dit rapport worden voor verschillende polychloorbifenylen een maximaal toelaatbaar risiconiveau (MTR) en verwaarloosbaar risiconiveau (VR) afgeleid. Hiervoor zijn probalistische voedselweb modellen gebruikt. Toxiciteitsdata voor water organismen, zoogdieren en vogels zijn omgerekend in de bijbehorende toxische concentraties in het organisch koolstof van sediment of bodem. Omdat de verschillende typen studies op deze wijze worden uitgedrukt op dezelfde concentratie-as, kunnen ze met elkaar worden vergeleken en geintegreerd in een MTR. Omdat PCBs altijd in een mengsel voorkomen, en de vlakke PCBs worden verondersteld volgens eenzelfde toxicologisch werkingsmechanisme te werken en daarom concentratie-additief te zijn, is een mengsel-MTR afgeleid.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Beleidsafhankelijke determinanten van enkele belangrijke gezondheidsproblemen en bijbehorende beleidsactoren | RIVM

Om inzicht te geven in welke beleidsdisciplines betrokken zijn bij gezondheidsrelevant beleid is - uitgaande van een vijftal belangrijke gezondheidsproblemen (kanker, CARA, hart- en vaatziekten, ongevallen en psychische aandoeningen) - geanalyseerd welke beleidssectoren een rol kunnen spelen bij de beinvloeding van de determinanten van deze gezondheidsproblemen. Het identificeren van de diverse betrokken beleidssectoren moet ondersteuning geven bij het vormgeven van het facetbeleid op het ministerie van VWS. Uit de analyses blijkt dat een zeer groot aantal beleidssectoren (60) de mogelijkheid heeft de determinanten van de eerder genoemde gezondheidsproblemen te beinvloeden. Daarnaast blijkt dat bijna alle ministeries (9) een potentiele betrokkenheid hebben.In het tweede deel van de studie is getracht tot prioritering voor facetbeleid te komen. Daarbij is voor een van de beschreven aandoeningen CARA, gekeken voor welke determinanten de potentieel te behalen gezondheidswinst door interventies het grootst is. Twee determinanten komen naar voren die prioriteit zouden kunnen krijgen bij facetbeleid, te weten roken en allergenen in het binnenmilieu. Geconcludeerd wordt dat voor facetbeleid zeer veel beleidssectoren en departementen van belang zijn. Bij een juiste prioritering is het mogelijk een aanzienlijke gezondheidswinst te boeken en kunnen behoorlijke kosten voor de gezondheidszorg worden bespaard. Naast te behalen gezondheidswinst kan bij de prioritering gelet worden op (nog) onbenutte mogelijkheden voor interdepartementale samenwerking en concordantie van belangen.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

De immuniteit van de Nederlandse populatie tegen bof; evaluatie van het Rijksvaccinatieprogramma | RIVM

Antistoffen tegen bof werden gemeten in de algemene Nederlandse populatie en in gemeenten met een lage vaccinatiegraad, waar religieuze groeperingen die vaccinatie weigeren sociaal en geografisch geclusterd zijn. De overall seroprevalentie in de algemene populatie was hoog (95,2%, 95% betrouwbaarheidsinterval (BI) 94,5-95,7%); de seroprevalentie (91,0%, 95%-BI 89,9-92,2%) en de geometrisch gemiddelde titer (GMT) (129 RU/ml, 95%-BI 122-136 RU/ml) van de leeftijdsgroepen met een vaccin-geinduceerde immuniteit waren significant lager dan die van de leeftijdsgroepen met een natuurlijk verworven immuniteit (97,5%, 95%-BI 96,8-98,1% en 180 RU/ml, 95%-BI 171-189 RU/ml respectievelijk). De seroprevalentie en de GMT van de 5 tot 9-jarige orthodox gereformeerde participanten (97,5%, 95%-BI 88,8-100,0% en 147 RU/ml, 95%-BI 83-263 RU/ml) doen vermoeden dat het bofvirus nog steeds circuleert in gemeenten met een lage vaccinatiegraad; gezien de lagere seroprevalentie van de 20 tot 24-jarigen (94,5%, 95%-BI 92,2-96,9%) vergeleken met die van de 25 tot 79-jarigen (97,5%, 95%-BI 96,8-98,1%), lijkt de viruscirculatie in de algemene populatie meteen na de introductie van massavaccinatie te zijn afgenomen.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit: Nematodenfauna. Deel 6: Bemonstering 1996 en 1997 (melkveehouderijbedrijven op rivierklei, zeeklei en tuinbouw) | RIVM

Dit rapport is het zesde en laatste bodembiologisch rapport van de eerste meetnetronde binnen het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (periode 1993 - 1997). Het geeft een beschrijving van de nematodenfauna gevonden binnen de drie categoriekn MVH (melkveehouderijbedrijven) op rivierklei, MVH op zeeklei en tuinbouwbedrijven op zand en klei. Hiervoor zijn in 1996 20 locaties MVH op rivierklei bemonsterd en in 1997 19 locaties MVH op zeeklei en 17 tuinbouwbedrijven op zand en klei. De MVH op rivierklei laten een gemiddeld fosfaatgehalte van 28 mgP2O5/100 gram grond zien, wat het laagste gehalte is van de bemonsterde categoriekn in het LMB. De tuinbouwbedrijven daarentegen scoren met gemiddeld 77 mgP2O5/100 gram grond als hoogste van alle categoriekn. Met een gemiddelde van 41 mgP2O5/100 gram grond liggen de MVH op zeeklei op hetzelfde niveau als de MVH-extensief op zand en MVH op veen. De nematodendichtheden van de MVH op rivierklei en zeeklei zijn met respectievelijk 4400 en 4600 nematoden per 100 gram grond lager dan die van de eerder bemonsterde MVH. De tuinbouwbedrijven komen echter met een gemiddelde van 2100 nematoden per 100 gram grond daar nog onder te liggen. Met name de Rhabditidae (4enrichment opportunists4) zijn indicatoren voor een verrijkte (bemeste) bodem. Bij het onderzoek naar de melkveehouderijbedrijven op zandgrond werd een significante relatie gevonden van het relatieve aandeel aan bacterie-eters met het fosfaatgehalte. Vooral de Rhabditidae namen toe met de intensiteit van de bedrijfsvoering. De MVH op rivierklei en zeeklei hebben echter een gemiddeld percentueel aandeel aan Rhabditidae van respectievelijk 5.5% en 9.7%. Dit is nog lager dan die van de MVH op zand en veen. De tuinbouw komt met gemiddeld 32.0% dicht bij het niveau van de intensieve MVH. Dezelfde overeenkomst met extensief grondgebruik is bij de MVH op rivierklei en zeeklei zichtbaar door een laag aandeel aan bacterie-eters en een hoog aandeel aan planteneters. De tuinbouwbedrijven laten daarentegen een hoog aandeel aan bacterie-eters en een laag aandeel aan planteneters zien. Deze door bacterie-gedomineerde afbraakroutes wijzen op intensief grondgebruik. Ook de diverse berekende indices met name de Maturity Index (MI) zijn vergelijkbaar met een extensief grondgebruik van de MVH op rivierklei en zeeklei en een intensief grondgebruik van de tuinbouw.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Calculation and Mapping of Critical Thresholds in Europe: Status Report 1999 | RIVM

Het 5de rapport in een tweejaarlijkse reeks, geproduceerd door het Coordination Center for Effects (CCE). Het beschrijft de voortgang in het berekenen en in kaart brengen van kritische grenswaarden in Europa. Het CCE, onderdeel van het Mapping Programme onder de UN/ECE Working Group on Effects (WGE), verzamelt kritische belastingen (critical loads) data uit 24 individuele landen en stelt hieruit Europese data bestanden en kaarten samen. Deze bestanden, tezamen met wetenschappelijk advies over de methodologie ter verkrijging en het gebruik van de kritische grenswaarden, worden aangeleverd aan de Integrated Assessment Modeling groepen onder de UN/ECE Working group on Strategies (WGS). Via deze route heeft het effect gerelateerde werk een directe impact op de voorbereidingen van nieuwe protocollen voor de Convention (1979) on Long-range Transboundary Air Pollution. In het bijzonder, de critical loads gegevens gepresenteerd in dit rapport, die formeel zijn geaccordeerd door de WGE in augustus 1998, dienen als inbreng in de huidige onderhandelingen over een "multi-pollutant, multi-effect" protocol.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

The Pertussis Serological Potency Test collaborative study to evaluate the replacement of the Mouse Protection Test | RIVM

De Pertussis Serological Potency Test (PSPT) is gebaseerd op het in vitro meten van de humorale afweerrespons tegen Bordetella pertussis bacterikn en ontwikkeld als een alternatief voor de muisbeschermingstest (MBT) voor het kinkhoest "whole cell" vaccin (WCV). Middels een internationale ringstudie van beperkte omvang (5 laboratoria) is de relevantie en betrouwbaarheid van de PSPT bestudeerd. De studie is opgedeeld in drie verschillende fases met elk hun eigen doelstelling. De pre-fase is toegevoegd als trainingssessie voor de participanten, die geen ervaring hadden met de antilichaam detectie assay, de 18323-whole cell ELISA (18323-WCE). Zestien serumpools zijn op 5 verschillende dagen getest, hetgeen resulteerde in significante verschillen in de extinctie-waarden en antilichaamconcentraties tussen de laboratoria. Tijdens de fase I studie werd de herhaalbaarheid (plaat en dagverschil) en de reproduceerbaarheid (verschil tussen laboratoria) bestudeerd. De gewenste precisie van minder dan 20% niet altijd werd gehaald en significante verschillen in antilichaamconcentraties werden gedurende de hele fase I-studie gevonden. Echter, de rangschikkingen van de serumpools op basis van de antilichaamconcentraties van de laboratoria komen goed met elkaar overeen, waardoor een betrouwbare potency bepaling van WCV's in de PSPT gewaarborgd lijkt. In fase II werd de PSPT met MBT vergeleken. Door vier van de vijf participanten werden 4 WCV's van verschillende herkomst tweemaal in beide modellen getest. De gemiddelde antilichaamconcentratie per vaccindosis in de PSPT, maar ook de overleving van de muizen in de MBT verschilde significant binnen en tussen de laboratoria. Desalniettemin, zijn er voor de vaccins in beide werkzaamheidstesten geen significante verschillen in de potencies gevonden. Met behulp van de c2-test is aangetoond dat de PSPT en de MBT goed correleren zowel binnen als tussen de laboratoria. Echter, de PSPT is beter reproduceerbaar en verlaagt de kans op hertesten van het vaccin omdat de betrouwbaarheidsintervallen kleiner zijn dan bij de MBT. Met deze studie hebben we aangetoond dat de PSPT een valide test is voor het bepalen van de werkzaamheid van kinkhoest WCV's, afkomstig van verschillende producenten.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit. Resultaten 1995 | RIVM

Het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB) heeft als primaire doelstelling het nagaan van trendmatige veranderingen in de kwaliteit van de bodem ten gevolge van diffuse belasting van de bodem. Het object van onderzoek is de toplaag van de bodem (0-10 cm) daarnaast wordt ook een diepere bodemlaag en het bovenste grondwater onderzocht. Het LMB wordt in samenwerking met LEI-DLO en AB-DLO uitgevoerd. Jaarlijks worden een 2-tal combinaties van bodemgebruik en grondsoort bemonsterd, bestaande uit ca. 20 lokaties per combinatie. In 1993 en 1994 is landbouwgrond en bosgrond op zandgrond bemonsterd. De categorieen die in 1995 zijn onderzocht, zijn akkerbouwbedrijven op zandgrond en melkveehouderijbedrijven op veengrond. Naast algemene kwaliteitsparameters zijn parameters onderzocht die gerelateerd zijn aan de milieuthema's vermesting en verspreiding. Vermestingsparameters zijn fosfaat (bodem en grondwater), nitraat, kalium en ammonium (grondwater). Voor verspreiding zijn zware metalen onderzocht (bodem en grondwater). Voorts zijn bodemgehalten aan PAK en een aantal organochloorbestrijdingsmiddelen bepaald. Voor beide categorieen geldt dat de categoriegemiddelde metaalgehalten in de bodem beneden de streefwaarde liggen. In het grondwater is een overschrijding van de streefwaarde waargenomen voor chroom. Voor een groot aantal individuele PAK liggen in beide categorieen de lokatiegemiddelde gehalten boven de streefwaarde. Voor de categorie akkerbouw liggen de categoriegemiddelde gehalten aan HCB, y-HCH, dieldrin en de som-DDT in de bodem boven de streefwaarde. Voor de categorie melkveehouderij geldt dit alleen voor dieldrin en de som-DDT. Op de akkerbouwlokaties liggen de categoriegemiddelde concentraties aan nitraat en totaalfosfaat in het bovenste grondwater boven de normen, op de melkveehouderijlokaties geldt dit voor totaal- en orthofosfaat, ammonium, chloride, sulfaat en kalium in het grondwater. Het overschot aan N, P en K is op de bemonsterde akkerbouwbedrijven hoger dan op het gemiddelde akkerbouwbedrijf. Op de bemonsterde melkveehouderijbedrijven is het stikstofoverschot vergelijkbaar met dat op het gemiddelde melkveehouderijbedrijf, de P- en K-overschotten zijn veel lager. Uit het zware metalen-overschot verminderd met de berekende uitspoeling op basis van de categoriegemiddelde concentraties aan zware metalen in het grondwater blijkt dat in beide categorieen sprake is van accumulatie van cadmium, koper, zink en lood in de bodem. In het rapport is beschreven in hoeverre er correlaties bestaan tussen de huidige belasting (zware metalen) en gehalten in bodem en grondwater. In de categorie akkerbouw worden geen correlaties gevonden tussen metaaldepositie en bodemgehalten c.q. grondwaterconcentraties. In de categorie melkveehouderij worden voor de metalen lood, koper en zink correlaties gevonden tussen depositie en gehalten in bodem. Wanneer geen rekening gehouden wordt met uitspoeling, dan ligt de herhaaltijd voor de categorie akkerbouw op zand tussen 6 en 69 jaar en voor de categorie melkveehouderij op veen tussen 9 en 300 jaar. Als uitspoeling wordt meegenomen worden deze perioden langer.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Exploratory Report on Fluorescent Whitening Agents (FWAs) | RIVM

Dit document rapporteert gegevens over optische witmakers ('Fluorescent Whitening Agents' (FWAs)) betreffende bronnen, emissies, blootstellings-niveaus en risico's voor mens en ecosystemen. Acht stilbeen derivaten (aangeduid als FWA1 tot FWA8) worden geevalueerd. Op basis van zeer beperkte gegevens is geconcludeerd dat de orale en dermale risico's van FWAs voor de algemene bevolking waarschijnlijk erg klein zijn. Het gebruik van FWAs in papier (vnl. FWA8) zou een risico kunnen vormen voor ecosystemen. Aanbevolen wordt om meer gegevens te verkrijgen over de emissies van FWAs is deze industriele categorie in Nederland (betreft FWA2, FWA3, FWA4, FWA5 en FWA8). Bij het gebruik van FWAs in detergenten lijkt FWA5 geen risico te vormen voor ecosystemen, maar FWA1 mogelijk wel. In de nabije toekomst zullen actuele meetgegevens van deze FWAs beschikbaar komen uit Europese landen met een vergelijkbaar gebruik van FWAs in detergenten. Aanbevolen wordt deze gegevens af te wachten alvorens definitieve conclusies worden getrokken. De geevalueerde FWAs dienen derhalve vooralsnog op de aandachtstoffenlijst te blijven staan, behalve FWA6 en FWA7, vanwege een zeer gering marktaandeel (FWA6) of terugtrekking van de markt (FWA7).
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Milieugevolgen van het aanvullend stikstofbeleid | RIVM

Het aanvullend stikstofbeleid betreft een versnelde invoering van de generieke N-verliesnormen t.o.v. vanaf 2000, lagere N-verliesnormen voor grasland en bouwland op gronden die gevoelig zijn voor nitraatuitspoeling (droge gronden) in 2008/2010 en een maximale veebezetting van 2,5 grootvee-eenheden per hectare in 2008/2010. Daarnaast is flankerend beleid aangekondigd o.a. bedrijfsverplaatsing, demonstratieprojecten, verbetering van de bedrijfsontsluiting en van de waterbeheersing.In dit rapport is aangegeven wat de gevolgen van dit beleid zijn op de kwaliteit van grond- en oppervlaktewater. Conclusies zijn dat bij realisatie van de voorgestelde N-verliesnormen (generieke en lagere) een duidelijke verbetering van de kwaliteit van het bovenste grondwater, zowel wat betreft het areaal boven de nitraatnorm, als wat betreft de hoogte van de nitraatconcentraties. Ten opzichte van de huidige situatie (ca 55% van het totale landbouwareaal voldoet aan de norm) zal naar verwachting ca 75-85% van het areaal aan de norm voldoen. De belasting van het oppervlaktewater zal op grond van de huidige inzichten vooral door het realiseren van de generieke verliesnormen worden teruggedrongen. De effecten van het aanvullend N-beleid (lagere verliesnormen voor droge zandgronden) op de N-concentraties van de grote wateren zullen beperkt zijn. Regionaal kunnen mogelijk wel positieve effecten op de waterkwaliteit verwacht worden). Onzeker is echter of de beoogde verliesnormen zullen worden gerealiseerd.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Strategies in using analytical restricted access media columns for the removal of humic acid interferences in the trace analysis of acidic herbidices in water samples by coupled column liquid chromatography with UV detection | RIVM

Strategies in using analytical restricted access media columns for the removal of humic acid interferences in the trace analysis of acidic herbidices in water samples by coupled column liquid chromatography with UV detection | RIVM
Jaar: 1999 Onderzoek

Resultaten van de metingen aan de sprengen en het grondwater van de Veluwe | RIVM

Sprengen zijn de in vroeger tijden gegraven waterlopen die het grondwater van de Veluwe draineren. Bij een onderzoek in 1996 zijn monsters genomen uit de sprengen langs de oost- en de zuidrand, uit boringen met filters op verschillende diepten en uit handboringen naast de sprengen om de relatie te bestuderen tussen de samenstelling van de neerslag, van het grondwater en van de sprengen. Aan de monsters zijn de concentraties van de hoofdcomponenten geanalyseerd. Het NITG heeft de concentraties van een groot aantal microcomponenten bepaald. Hydrologisch onderzoek is uitgevoerd voor de bepaling van de verblijftijden in de bodem van het grondwater en van het door de sprengen afgevoerde water, in de vorm van geofysisch onderzoek van de bodem, metingen van de afvoer en bepaling van de concentraties aan de isotopen 2H, 3H en 18O in het water. Het onderzoek van de sprengen en het grondwater sluit aan bij eenzelfde type onderzoek in 1986. Het onderhavige rapport bevat de meet-gegevens.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Water- en nutrientenhuishouding van het stroomgebied van de Hupselse beek | RIVM

Het stroomgebied van de Hupselse beek is gelegen in het zandgebied van Oostelijk Gelderland. De hydrologische grenzen van het gebied zijn goed bekend. Water-, stikstof- en fosfaatbalansen voor het gebied zijn berekend van april 1985 tot april 1994. De gemiddelde neerslag in die periode bedroeg 845 mm j-1, de afvoer van water door de beek 330 mm j-1 en de actuele verdamping 515 mm.j-1. Afvoercomponenten zijn afvoer over de oppervlakte (3% van het totaal), grondwaterafvoer via drainbuizen (55-75%) en afvoer van grondwater naar sloten en beken (20-40%). Ca. 40% van het water heeft een verblijftijd van maximaal 1 jaar in de bodem en ruim 90% komt binnen 5 jaar tot afvoer. De gemiddelde concentratie aan nitraat in de beekafvoer is 32 mg.l-1 en die aan totaal-fosfaat is 0.21 mg.l-1. Ongeveer 20% van de bodembelasting met stikstof komt tot afvoer, dit is gelijk aan 112 kg ha-1 j-1 N. In de onderzoeksperiode is geen trend aanwezig in de stikstofvracht van de beek. De jaarlijkse gemiddelde fosfaatvracht van de beek is 1 kg ha-1 j-1 P, dat is 1% van de bodembelasting. De fosfaatvracht in de onderzoeksperiode is dalend in de tijd
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

A PBPK-model for B(a)P in the rat relating dose and liver DNA-adduct level | RIVM

In Olling et al. (1995) wordt gerapporteerd over een experiment met betrekking tot de toxicokinetiek van Benzo-a-Pyreen (B(a)P) in ratten na herhaalde dagelijkse orale dosering. Uit dit experiment bleek dat de kinetische parameters AUC, Cmax en tmax varieerden als functie van de dag van toediening. Op dag 5 en 12 van het experiment bijvoorbeeld waren AUC en Cmax lager dan op dag 1, terwijl op dag 15, na het weekend gedurende welke geen B(a)P werd toegediend, parameters weer bijna terug op het niveau van dag 1 waren. De waarnemingen aangaande Cmax kunnen verklaard worden door Ah-receptor afhankelijke autoinductie van het metabolisme van B(a)P. In Zeilmaker et al. (1997) wordt een PBPK model gentroduceerd over Ah-receptor afhankelijke inductie van P450-enzymen en het daaruit voortvloeiende B(a)P metabolisme. In dit rapport wordt een gedeelte van de observaties uit Olling et al. verklaard met een PBPK model voor B(a)P in de rat volgens de concepten in Zeilmaker et al. (1997). Met het gecalibreerde model zijn simulaties uitgevoerd die de vraag beantwoorden over de relatie tussen dosisniveau en de interne concentratie van moederstof en metabolieten, en over de relatie tussen dosisniveau en P450-enzym inductiestatus, EROD activiteit en DNA-adduct niveau.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Environmental risk assessment for veterinary medicinal products. Part 1. Other than GMO-containing and immunological products. First update | RIVM

De EU heeft richtlijnen gepubliceerd (1981; 1992) dat bij een aanvraag voor registratie van een dierbehandelingsmiddel informatie moet worden geleverd waarmee een risicobeoordeling voor het milieu kan worden uitgevoerd. In dit rapport wordt een risicobeoordelingsmethodologie gepresenteerd. In zijn geheel is de methodologie opgebouwd rond de risico-quotient benadering van UBS (1994). Berekende concentraties in het milieu worden vergeleken met effectgegevens uit toxiciteitsstudies. Richtlijn 81/852/EEG schrijft voor dat de beoordeling in twee stappen moet plaatsvinden. In de eerste fase (Fase I) wordt bekeken of het middel, de ingredienten of de omzettingsproducten in feite tot een blootstelling van het milieu zullen leiden.. De eerste fase is daarom beperkt tot productidentificatie en tot een blootstellingsbeoordeling. Diverse grenswaarden die tot uitzondering van een verdere beoordeling leiden worden gegeven, zoals normen voor berekende concentraties. Indien deze uitzonderingen niet van toepassing zijn, gaat men over tot een fase II beoordeling. Fase II is wederom verdeeld in twee delen. In deel A start men met een uitgebreide evaluatie van de mogelijke lotgevallen en effecten van het product. Indien niet kan worden vastgesteld dat er sprake is van een blootstelling op een niveau dat geen reden tot bezorgdheid geeft (op basis van effectgegevens), dan komt men in deel B. De Deel B evaluatie is niet uniform en afhankelijk van het oordeel van deskundigen. Deel B wordt niet behandeld in dit document
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

De invloed van de sectorstructuur van de Nederlandse economie op de milieubelasting van het goederenvervoer | RIVM

Tussen economische sectoren bestaat een groot verschil in de totale CO2- en NOx-emissie per gulden toegevoegde waarde en in de verkeersgerelateerde emissie. In verband hiermee is niet alleen het totale niveau van economische groei van belang voor de milieubelasting, maar ook de sectorale verdeling ervan. Uitgaande van een economische groei van 3% per jaar is voor 2020 onderzocht wat het uitmaakt voor de verkeersemissie van het goederenvervoer als "gunstige" sectoren relatief sterk (5% per jaar) groeien en "ongunstige" sectoren relatief weinig (1%) of omgekeerd. Rondom het emissieniveau van het goederenvervoer bij 3% economische groei (voor alle sectoren) is de bandbreedte bij een "gunstige" of "ongunstige" verdeling plus of min 18% voor CO2-emissie en 20% voor NOx-emissie.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

PBPK simulated DNA adduct formation: Relevance for the risk assessment of benzo(a)pyrene | RIVM

In een voorgaand rapport is een fysiologisch-kinetisch model (UPBPKL model) voor de orale blootstelling aan B(a)P beschreven (Zeilmaker et al., 1998). Dit model simuleert, na orale blootstelling, de verdeling van B(a)P in het lichaam en het metabolisme van B(a)P, inclusief de vorming van (een beperkt aantal) DNA adducten in de lever. Dit rapport beschrijft een verkennende studie naar de mogelijkheid om, in plaats van de toegediende hoeveelheid B(a)P, de door het model gesimuleerde vorming van DNA adducten als uitgangspunt te gebruiken voor de berekening van het voor de mens acceptabel geachte blootstellingsniveau voor B(a)P, de z.g.n. UVirtual Safe DoseL(VSD).De resultaten van deze studie suggereren dat de VSD die berekend wordt op basis van de vorming van B(a)P DNA adducten n orde grootte lager is dan de VSD die berekend wordt op basis van de toegediende hoeveelheid B(a)P
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Stroming en samenstelling van de sprengen en het grondwater van de Veluwe in 1996; een vergelijking met de toestand van 1986 | RIVM

Monsters water uit sprengen en grondwater van de Veluwe zijn onderzocht op concentraties van hoofdcomponenten en van microcomponenten (bepalingen door NITG). Onderzoek is gedaan ter bepaling van verblijftijden in de bodem van grondwater en van het water in sprengen. De intrekgebieden van de sprengen en het neerslagoverschot zijn bepaald. Bij de onderzochte monsters van het grondwater en de sprengen bestaat een verband tussen concentraties van de hoofdcomponenten en varierende concentraties in de atmosferische depositie als rekening wordt gehouden met verblijftijden in de bodem en indampfactoren. Concentraties aan nitraat in grondwater en sprengen zijn een gevolg van de atmosferische depositie van stikstof, waarbij ca. 78% door denitrificatie in de bodem verdwijnt. De concentraties zijn toegenomen van 0.3 tot bijna 5 mg.l-1 en ze kunnen nog verder toenemen tot 10 mg.l-1 (als N). De zuurgraad is afgenomen van pH=6.5 tot pH=5.5 in 1996 en die kan nog verder dalen tot pH=4.5 in de komende eeuw. Verhoogde concentraties in het grondwater en de zuidelijke sprengen van Be, B, Al, Mn, Fe, Co, Ni, Zn, As, Rb, Y, Cd, Cs en Ba zijn vermoedelijk het gevolg van een extra belasting aan maaiveld. De concentraties in het water van de lantaniden (zeldzame aarden) zijn ongeveer een factor 10 hoger bij de huidige lage pH in vergelijking tot vroeger
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Report on the third workshop organized by the Community Reference Laboratory (CRL) - Salmonella | RIVM

In september 1998 is door het Communautair Referentie Laboratorium (CRL) voor Salmonella een workshop georganiseerd in Utrecht, Nederland. Alle Nationale Referentie Laboratoria (NRLs) voor Salmonella waren vertegenwoordigd. In totaal waren er 35 deelnemers. Het programma van de workshop bestond uit vier delen. Het eerste deel was bacteriologisch gericht en bestond uit een evaluatie van bacteriologische ringonderzoeken. Het tweede deel van de workshop was een bespreking van detectiemethoden voor Salmonella en de validatie van deze methoden. Het derde deel was immunologisch gericht waarin de immunologische methoden besproken werden. In het laatste deel van de workshop werden diverse typeringsmethoden besproken.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Meetactiviteiten in 1999 in het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit | RIVM

Het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML) valt onder de verantwoordelijkheid van het Laboratorium voor Luchtonderzoek (LLO) van het RIVM. De belangrijkste doelstellingen van het LML zijn het monitoren van de luchtkwaliteit, het waarschuwen van autoriteiten en het publiek in het geval van luchtverontreinigings episodes, validatie van modelresultaten, ondersteuning van modelberekeningen en het kwantificeren van atmosferische deposities. Als onderdeel van de informatie over het LML wordt periodiek een rapport gepubliceerd waarin overzichten worden gegeven van de meetstations per gemeten component met kaartjes waarop de ligging van die stations is aangegeven. Tevens wordt in het kort de configuratie van het LML beschreven (meetstations en meetopstellingen) alsmede de ontwikkeling van de monitoring activiteiten vanaf het begin van het meetnet in 1973 en de participatie in internationele meetprogrammaAs. Het meetprogramma wordt jaarlijks door het LLO in overleg met de opdrachtgever, de Directie Lucht & Energie van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, vastgesteld. Het meetprogramma voor 1999 betreft de gasvormige componenten koolmonoxide, ozon, stikstofoxiden, zwaveldioxide, ammoniak, Vluchtige Organische Componenten, Zeer Vluchtige Organische Componenten, kooldioxide, methaan en fluoriden. Verder omvat het meetprogramma stofvormige luchtverontreiniging zoals fijnstof (PM10), zwarte rook, verzurende stoffen (ammonium, chloride, sulfaat en nitraat) en metalen (arseen, cadmium, lood en zink) alsmede de chemische samenstelling van neerslag (verzurende stoffen, metalen, kwik en persistente organische componenten).
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Verkeer en vervoer in de Milieubalans 1998 | RIVM

Op prinsjesdag 1998 presenteerde het RIVM als milieuplanbureau haar vierde Milieubalans (RIVM, 1998). De milieubalans 1998 (MB98) beschouwt de veranderingen in de kwaliteit van het milieu in de periode 1985-1997. Deze veranderingen zijn onder andere het resultaat van de uitvoering van het milieubeleid. Bovendien is in de MB98 voor het eerst een kortetermijnprognose tot 2002 opgenomen. Dit document dient als verantwoording voor de informatie over de doelgroep verkeer en vervoer die in de Milieubalans 1998 en in de op internet verschenen FAchtergronden bij de Milieubalans 1998A zijn gepresenteerd. De belangrijkste bevindingen zijn: 1) het gebruik van de meeste vervoermiddelen is in 1997 toegenomen. Het personenautogebruik zal in 2000 circa 5% hoger zijn dan de SVV-II-doelstelling; 2) de CO2-emissie door het wegverkeer zal, bij inzet van het huidige beleid, tenminste tot 2002 blijven toenemen, mede doordat pas op langere termijn verbeteringen in de brandstofefficiency van het personenautopark worden verwacht; 3) de overige emissies door de doelgroep verkeer en vervoer (fijn stof, CO, VOS, NOx en SO2) zijn in 1997 verder afgenomen met name door de succesvolle penetratie van de geregelde driewegkatalysator in het personen- en bestelautopark. Tot 2002 wordt met uitzondering van SO2 een verdere daling van de emissies verwacht; 4) de CO2-emissies als gevolg van het gebruik van Nederlandse bunkers door de internationale binnenvaart, luchtvaart en zeevaart was in 1997 circa 7% hoger dan in 1996. De CO2-emissies uit deze bunkers bedragen evenveel als ruim 2 maal de CO2-emissies door personenauto's op Nederlands grondgebied
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Karakterisering van de zuurgevoeligheid van Salmonella typhimurium faagtype DT104 | RIVM

Het aantal gevallen van salmonellosis in Nederland veroorzaakt door Salmonella typhimurium faagtype DT104 is toegenomen van 10 in 1985 tot 163 in 1997 (10% van alle gevallen van salmonellosis). De stam lijkt zijn oorsprong te hebben in het Verenigd Koninkrijk. Daar wordt inmiddels 20% van alle gevallen van salmonellosis veroorzaakt door deze stam. S. typhimurium DT104 is multiresistent en komt voor in veel productiedieren. Het veroorzaakt ernstige ziekteverschijnselen bij koeien en varkens. Humane infecties met dit faagtype lijken ernstigere gevolgen te hebben dan infecties met non-DT104 stammen. De resultaten van een case-control studie in Engeland lieten zien dat een ongewoon hoog percentage van geinfecteerden moest worden opgenomen in een ziekenhuis. Met S. typhimurium DT104 besmet voedsel komt via de mond en maag terecht in de dunne darm. Hier vindt invasie plaats van epitheelcellen. Faagtype DT104 is echter niet invasiever dan andere S. typhimurium. De ernstigere gevolgen van een infectie met deze stam zijn mogelijk het resultaat van een verhoogde resistentie tegen het zure milieu in de maag, waardoor de dosis die uiteindelijk in de dunne darm terecht komt, hoger is, en/of zijn het resultaat van een verhoogde virulentie, als gevolg van een verblijf in de maag. De resultaten in dit rapport laten zien dat isolaten van S. typhimurium DT104 ongevoeliger zijn voor milieus met een lage pH dan andere salmonella's.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Onderzoek beschikbaarheid en kwaliteit van gegevens voor monitoring van het bodemsaneringsbeleid | RIVM

In het IPO-VNG-VROM/DGM/Bodem-project Monitoring bodemsaneringsbeleid (Mbb) zijn indicatoren ontwikkeld voor monitoring t.b.v. politiek-bestuurlijke verantwoording van de bevoegde gezagen bodemsanering en het ministerie van VROM en voor de Milieubalans van het RIVM. Met deze indicatoren kan de uitvoering van de beoogde beleidsdoelstellingen van NMP3 en het Kabinetstandpunt worden gevalueerd en een beeld worden gevormd over de omvang van de bodemverontreiniging, de voortgang en kosten van de bodemsanering en de inzet van beleidsinstrumenten. De monitoring richt zich zowel op Wbb-budget saneringen als saneringen in eigen beheer (waaronder convenanten). De doelstelling van dit deelproject van Mbb, uitgevoerd door RIVM i.s.m. Tauw, was om de haalbaarheid van de ontwikkelde indicatoren te onderzoeken op basis van beschikbaarheid en kwaliteit van de gegevens die aanwezig zijn bij de bevoegde gezagen bodemsanering (12 provincies en 4 grote steden) en het ministerie van VROM/DGM/Bodem. Er is bij deze instanties een schriftelijke enquete uitgevoerd, gevolgd door interviews. Hierbij is ook aandacht besteed aan het uniforme gebruik van begrippen en aan de karakteristieken van de huidige informatie-systemen. Het rapport geeft de resultaten en conclusies weer voor de landelijke haalbaarheid van de indicatoren en hiervoor benodigde gegevens. De beschikbaarheid van de periodieke gegevens die jaarlijks zullen worden verzameld vanaf de start van de monitoring is met name goed voor de voortgang van bodemsanering op basis van aantallen (verdachte, onderzochte, ernstige, urgente, gesaneerde) locaties/gevallen. Het verzamelen van gegevens m.b.t. oppervlakte verontreinigde locaties/gevallen, de omvang van verontreinigd grondwater en m.b.t. de (gemiddelde) saneringsuitgaven voor saneringen in eigen beheer vergen meer inspanning. Gegevens over maatschappelijke stagnatie worden momenteel niet geregistreerd en zijn ook niet beschikbaar. Gegevens over nieuwe gevallen zijn moeilijk te achterhalen. Eenmalige (historische) gegevens zijn in het algemeen slecht beschikbaar uit de aanwezige databases en zullen vaak dossier-onderzoek vergen. De kosten van dit dossieronderzoek worden op ca. 4 miljoen gulden geschat
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

PREZIES: PREventie van ZIEkenhuisinfecties door Surveillance. Deelcomponent postoperatieve wondinfecties II, 1997-1998 | RIVM

De resultaten van de eerste twee surveillance-jaren voor postoperatieve wondinfecties in het PREZIES-project worden beschreven. Infectiepercentages worden gegeven voor 52 afzonderlijke ingrepen. Het effect van surveillance na ontslag wordt beschreven en voor 10 ingrepen worden de infectiepercentages gepresenteerd onderverdeeld naar wel/geen surveillance na ontslag. Multivariate analyse van het relatief belang van risicofactoren voor wondinfectie en surveillance na ontslag wordt beschreven voor reconstructies van de aorta, femoro-poplitale/-tibiale bypasses, appendectomien, mamma-amputaties, keizersnedes, totale heup operaties, vervangingen van totale heupen, knieprotheses, operaties aan femurfractuur en vervangingen van de femurkop. Verder wordt het optreden van wondinfectie beschreven in relatie tot gesoleerde micro-organismen
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Gezondheidseffecten van mobiele telefonie | RIVM

Met de toename van het aantal gebruikers van mobiele telefoons en het aantal basisstations groeit de zorg over mogelijke effecten op de gezondheid. De basisbeperkingen voor blootstelling aan radiofrequente straling zijn van toepassing op de frequenties die gebruikt worden voor mobiele telefonie. Deze beperkingen moeten niet overschreden worden om een temperatuursverhoging van meer dan 1 graad Celcius te voorkomen. Metingen en berekeningen in fantomen tonen aan dat de basisbeperkingen niet worden overschreden gedurende het gebruik van de mobiele telefoon. In de omgeving van basisstations zijn voldoende maatregelen getroffen om overschrijding van de basisbeperkingen te voorkomen. De mogelijke gezondheidseffecten zijn op te delen in thermische, a-thermische en indirecte effecten. Thermische effecten zijn gevonden bij GSM- en NMT-gebruikers, maar er is geen vergelijking gemaakt met gebruikers van "gewone" telefoons. Studies naar a-thermische effecten wijzen in een enkel geval in de richting van een causale relatie tussen blootstelling en effecten, maar vertonen verscheidene onzekerheden en tekortkomingen. Indirecte effecten kunnen ontstaan door interferentie met elektronische apparatuur. Pacemakerdragers wordt geadviseerd de aanbevelingen voor veilig gebruik van de telefoon op te volgen. In de laatste jaren richten studies zich ook op aspecifieke klachten, zoals slaapstoornissen, hoofdpijn en vermoeidheid. Geconcludeerd kan worden dat er tot nu toe geen gevaar voor de gezondheid is aangetoond bij blootstelling aan straling van mobiele telefoons en hun basisstations, mits de basisbeperkingen niet worden overschreden.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Informatieanalyse instrumentendatabase | RIVM

Wat is het huidige milieubeleid? Welke instrumenten zet de overheid in om milieuproblemen aan te pakken? Op welke doelgroepen grijpen die instrumenten aan? Wat is de effectiviteit van die instrumenten? Welke factoren zijn van invloed op de effectiviteit van instrumenten? Belangrijke vragen, die in alle MilieuPlanBureauproducten steeds weer een centrale rol spelen. Om het beantwoorden van deze vragen te faciliteren, wordt het huidige MPB-instrumentarium (RIM+, doelgroepmodellen, GOALBASE, MK-modellen, etc) uitgebreid met een informatiesysteem waarin het huidige en voorgenomen milieubeleid is beschreven. Dit rapport beschrijft alle aspecten van een informatiesysteem voor het beschrijven van het milieubeleid: de instrumentendatabase
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Wintersmog en verkeersmaatregelen, effecten op luchtkwaliteit en gezondheid | RIVM

De concentraties tijdens wintersmogepisoden van deeltjesvormige luchtverontreiniging en van de gassen SO2 en NO2 zijn tegenwoordig lager dan wat gemeten werd in de episoden van eind jaren tachtig. Verkeer draagt in belangrijke mate bij aan de deeltjes- en gasvormige luchtverontreiniging. Er zijn aanwijzingen dat ziekenhuisopnamen, mortaliteit en andere minder ernstige acute gezondheidseffecten in de bevolking geassocieerd zijn met blootstelling aan deeltjes- en gasvormige luchtverontreiniging. Voor PM10 (dat als indicatorcomponent voor het verkeer wordt gebruikt) wordt een lineair verband aangenomen tussen concentraties en gezondheidseffecten, tevens wordt ervan uit gegaan dat er geen drempelwaarde is waaronder geen effecten optreden. Uitgaande van deze vooronderstellingen wordt geconcludeerd dat de extra dagelijkse gezondheidseffecten van een extreme dag met een concentratie van 230 microg/m3 PM10 varieren van een toename van de sterfte met ongeveer 20% ten opzichte van het gemiddelde tot een bijna drievoudige toename van medicijngebruik onder astmatische kinderen. Met de huidige kennis wordt ingeschat dat het verlagen van de jaargemiddelde concentraties luchtverontreiniging door een structurele aanpak van de (verkeers)emissies, een groter positief effect op de gezondheid heeft dan het op ad hoc basis stilleggen van het lokale verkeer tijdens zo'n extreme dag.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Toepassing Atlantis in het kader van de Nationale Milieuverkenning 1997-2020 | RIVM

Atlantis is een beslissingsondersteunend model voor het ontwikkelen, evalueren en vergelijken van oplossingen voor de (toekomstige) infrastructuur van de drink- en industriewatervoorziening in Nederland, op basis van milieudruk en kosten. Dit rapport beschrijft de wijze waarop het model Atlantis is toegepast voor de Nationale Milieuverkenning 1997-2020 en de belangrijkste resultaten die deze toepassing heeft opgeleverd. De informatie die gebruikt is als invoer voor het model is volledig weergegeven in de bijlagen. Ten behoeve van de Nationale Milieuverkenning 1997-2020 zijn de consequenties bepaald voor de drinkwaterinfrastructuur van de drie toekomstscenarioAs van het Centraal Planbureau, die het uitgangspunt vormden bij de Milieuverkenning. Beschouwd zijn de volgende aspecten van de drinkwaterinfrastructuur: de hoeveelheden winning van oppervlakte- en grondwater, de kosten van de drinkwaterproductie en de effecten van de drinkwaterproductie op het milieu. De volgende conclusies konden worden getrokken op basis van de uitgevoerde berekeneningen: 1) De winning van (vrijwel) alle typen water t.b.v. de productie van leidingwater neemt bij te verwachten ontwikkelingen in de periode 1995 tot en met 2020 toe bij alle drie doorgerekende CPB-scenarioAs. De verhouding tussen de gebruikte hoeveelheden grondwater en opper-vlaktewater zal verschuiven van 2:1 in 1995 tot ca. 1.5:1 in 2020. 2) De totale winning van grondwater t.b.v. productie van leidingwater blijft, als gevolg van gekozen (beleids-)uitgangspunten en infrastructurele beperkingen, in de periode 1995-2020 onder de totale hoeveelheid grondwater die volgens de onttrekkingsvergunningen van 1988 gewonnen mag worden. 3) De totale kosten die over de gehele periode van 1995 t/m 2020 nodig zijn binnen de drinkwatersector voor de realisering van de huidige plannen ter bestrijding van verdroging variren van 165 miljoen gulden (in geval van het DE-scenario) tot bijna 450 miljoen gulden (GC-scenario).
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Smartshops - Overzicht van producten, geclaimde werking en hun medisch-toxicologische relevantie | RIVM

Het gebruik van zogenaamde smartproducts en eco-drugs neemt de laatste jaren steeds meer toe. Het aanbod van producten die in de smartshops worden verkocht is zeer divers. Veel van de aangeboden middelen hebben psychoactieve effecten. Bovendien is het een uiterst dynamische markt, waar regelmatig nieuwe producten ontwikkeld en verkocht worden. Door deze groeiende markt wordt ook van overheidswege aandacht besteed aan de gezondheids- en maatschappelijke risico's van het gebruik en de verkoop van deze middelen. In het huidige beleid ten aanzien van deze middelen ligt de nadruk op gezondheidsbescherming met behulp van voorlichting, monitoring en onderzoek. In dit kader toetst in 1999 de Inspectie Gezondheidsbescherming, Waren en Veterinaire Zaken de activiteiten van smartshops en andere verkooppunten, alsmede de verhandelde waar, aan de warenwettelijke kaders. Zonodig wordt nieuwe jurisprudentie opgebouwd. Dit rapport, geschreven op verzoek van en in samenwerking met de Inspectie Gezondheidsbescherming, Waren en Veterinaire Zaken dient de Inspectie tot een praktisch hulpmiddel bij het evalueren van de vele verschillende producten die op de markt aanwezig zijn. Op grond van het belangrijkste beoogde effect dat deze middelen na gebruik zouden verschaffen, zijn de producten ingedeeld in een van de vier te onderscheiden functionele groepen, te weten de "energizers", "relaxing herbs", "afrodisiaca" en "hallucinogene producten". Per product(-groep) worden besproken: de verschillende productvoorkomens en wijze van gebruik, het in de smartshop gepropageerde doel van gebruik, de plantaardige herkomst van het product, en de samenstellende verbindingen met voor zover bekend hun farmacologische werkingsmechanismen en toxiciteit. Daarbij is gebruik gemaakt van de humaan medisch-toxicologische kennis zoals die op dit moment voorhanden is. Verdere monitoring naar de effecten van het gebruik zal inzichtelijk moeten maken naar welke productgroepen vanuit medisch oogpunt in de toekomst de meeste aandacht zal moeten uitgaan.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Life support functies van de bodem: operationalisering t.b.v. het biodiversiteitsbeleid | RIVM

Ter uitvoering van actiepunt NMW1a uit het Strategisch Plan van Aanpak biodiversiteit (SPA; LNV, VROM, V&W, OCW, EZ, BZ, 1995) en als onderdeel van actie N59 uit het NMP-2, is eerder een studie uitgevoerd naar de mogelijkheden om een indicatorsysteem op te stellen voor biodiversiteit van de bodem in relatie tot Life support functies (LSF). In een pilotproject is het indicatorsysteem vervolgens getest binnen de infrastructuur van het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB). Het indicatorsysteem, en de daaruit af te leiden bodembiologische indicator, bestaat uit een aantal deelindicatoren. De vragen van het onderzoek waren.- kan de gekozen indicatorset worden toegepast in een meetnet; hebben de deelindicatoren van de set voldoende onderscheidend vermogen; kunnen de resultaten worden ingepast in de huidige diagnostische en prognostische gereedschappen van het RIVM (Natuurplanner en EKI).De resultaten en conclusies uit de pilot zijn in dit beleidsgerichte rapport kort beschreven. Een meer gedetailleerde uitwerking van de onderzoeksresultaten verschijnt in het achtergrond-rapport. De pilot heeft aangetoond dat de geselecteerde deelindicatoren gevoelig en onderscheidend zijn voor verschillende combinaties van bodemtype en landgebruik. Als een mogelijke vorm voor het weergeven van de resultaten behaald met de bodembiologische indicator, is een AMOEBE gemaakt voor graslanden op zeeklei. Hierbij is gebruik gemaakt van een gekozen (voorlopige) referentie. De gegevens zijn verder geaggregeerd tot een Bodemkwaliteitsindex (BKX). Op deze wijze zou aan een ecologische bodembeoordeling vorm gegeven kunnen worden. Door systematisch onderzoek aan LSF-deelindicatoren in het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (40 locaties per jaar) kan in 5 jaar een database opgebouwd worden waarmee responsrelaties voor bodemeigenschappen, systeemeigen- en systeemvreemde stoffen zijn af te leiden. Hiermee kan een LSF-module (prognostisch instrument) worden opgenomen in een decision support systeem als de Natuurplanner
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Protocol for the derivation of Harmonised Maximum Permissible Concentrations (MPCs) | RIVM

Een procedure voor het afleiden van geharmoniseerde Maximaal Toelaatbare Residuen (MTRs) wordt beschreven. Deze procedure is opgesteld omdat het in Nederland op dit moment mogelijk is dat in het kader van Integrale Normstelling (INS) een andere MTR waarde is afgeleid dan in het kader voor de toelating van bestrijdingsmiddelen en biociden voor eenzelfde stof. Een zoekprofiel voor literatuur is opgesteld. Voor de evaluatie van de studies die gebruikt worden voor afleiding van de MTRs worden betrouwbaarheidscriteria gebruikt. De genoemde evaluatie methoden zullen voor zowel de vertrouwelijke rapporten als de openbare literatuur worden toegepast. Uit de beschikbare gegevens worden ecotoxicologische eindpunten geselecteerd voor het afleiden van MTR waarden. Er worden twee methoden gebruikt voor afleiding van de MTR waarden: de statistische extrapolatie methode ("refined effect assessment") van Aldenberg en Slob (1993) en extrapolatie methode die gebruik maakt van extrapolatiefaktoren ("preliminary effect assessment") volgens de "Technical Guidance Documents" (ECB, 1996). De keuze welke methode wordt toegepast (statistisch of extrapolatiefaktoren), wordt bepaald door de hoeveelheid en de aard van de beschikbare ecotoxicologische gegevens. MTR waarden voor bodem en sediment kunnen ook afgeleid worden op indirecte wijze. Hierbij wordt dan gebruik gemaakt van de evenwichtspartitie methode (Ep methode). De Ep methode wordt ook gebruikt voor intercompartimentale afstemming. Dit is nodig omdat transport van de stof tussen de verschillende milieucompartimenten optreedt. Voor stoffen met een log Kow > 5.0, slechte uitscheiding of sterk accumulerende eigenschappen wordt er gekeken of er een potentieel risico voor doorvergiftiging is, en in voorkomende gevallen wordt daarmee rekening gehouden
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Een Normstellingsmethode voor (stikstof)depositie op natuurlijke vegetaties in Nederland. Een uitwerking van de Natuurplanner voor natuurdoeltypen | RIVM

Verzuring, vermesting en verdroging behoren tot de belangrijke bedreigingen van de natuurlijke en half-natuurlijke ecosystemen in Nederland. Om de gezamenlijke effecten van deze bedreigingen op de landelijke natuur te evalueren is, in een samenwerkingsverband tussen het RIVM en het SC-DLO, het multistressmodel SMART/MOVE ontwikkeld. In het kader van het Stikstof Onderzoek Programma (STOP) is het modelinstrumentarium uitgebreid met een module voor normstelling voor verzurende en eutrofierende depositie. Met de methode kunnen kritische stikstofdepositieniveaus voor gestelde beleidsdoeleinden berekend en in kaart gebracht worden. Er wordt rekening gehouden met ruimtelijke variatie in bodem, vegetatie en hydrologie. De methode is tevens bruikbaar om kritische niveaus voor zure depositie, of afzonderlijke componenten daarvan, te berekenen. Naast de validatie van verschillende tussenresultaten, zijn enkele eerste uitkomsten getoetst aan gangbare critical loads zoals empirisch vastgesteld en/of berekend met het Simple Mass Balance model. Voordeel van de nieuwe methode is de eenduidige berekeningswijze en de hogere detaillering ten aanzien van het aantal te beschouwen ecosystemen. De tussenresultaten van normstellingsmodule kunnen daarnaast ook gebruikt worden voor verschillende validatiedoeleinden en modelverbeteringen (d.m.v. kalibratie van de kansfuncties uit MOVE en verbeteringen aan de aansluiting tussen SMART en MOVE). Met behulp van de berekende kritische milieugrenzen (in termen van bodem-pH, grondwaterstand en stikstofbeschikbaarheid) kunnen ook streefbeelden voor de realisatie van geplande natuurdoeltypen worden afgeleid
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Meten, Rekenen en Onzekerheden. De werkwijze van het RIVM-Milieuonderzoek | RIVM

Naar aanleiding van uitlatingen van een RIVM-medewerker in de pers, is discussie ontstaan over de onafhankelijkheid en wetenschappelijke integriteit van het RIVM. In het bijzonder werden kritische kanttekeningen geplaatst bij de realiteitswaarde van de jaarlijkse Milieubalans en de door het RIVM uitgevoerde Schiphol-studie. In deze rapportage wordt daarom informatie gegeven over de werkwijze van het RIVM en de onzekerheden waarmee de gepresenteerde resultaten omgeven zijn in het bijzonder met betrekking tot de Milieubalans en de Schipholrapportage. Meer in het algemeen zijn met betrekking tot de ontstane discussie de volgende door RIVM tot op heden gehanteerde uitgangspunten van belang: Als milieuplanbureau wordt door het RIVM in beginsel gerapporteerd als daar vanuit het beleid om wordt gevraagd, maar dan wel volgens de bestaande - per definitie onvolledige - stand van de wetenschap, en onder vermelding van de beperkingen van het onderzoek. De onvolledigheid van de wetenschappelijke kennis is in deze zienswijze minder belangrijk dan de politieke wenselijkheid om, ondanks dat, toch beleid te ontwikkelen. Een bekend voorbeeld van het beleidsmatig omgaan met wetenschappelijke onzekerheden is de broeikasproblematiek.In de Milieubalans wordt gerapporteerd over verschillende onderwerpen waarvan de wetenschappelijke inzichten nog in ontwikkeling zijn. Zo zijn voor verzuring en verstoring een evaluatie van de nieuwste inzichten en daaraan gekoppelde beleidsdoelstellingen voorzien. Onzekerheden in de beschrijving van de actuele milieukwaliteit moeten beoordeeld worden tegen de achtergrond van de in het algemeen nog steeds forse mate waarin die gemeten niveaus de doelstellingen overschrijden. In de Milieubalans zijn omwille van leesbaarheid, de onzekerheden in de resultaten alleen weergegeven waar die voor de beleidsconclusies relevant zijn.- De door RIVM gebruikte modellen, die relevant zijn voor de conclusies, zijn veelal ontwikkeld in samenwerking met andere instituten en zo veel mogelijk getoetst in experimentele programmaAs (veldexperimenten, proefvelden, etc.) of, waar dat niet mogelijk is aan de omvangrijke meetreeksen van meetnetten.Sommige onzekerheden in het milieu- (en in het bijzonder het klimaat-)onderzoek zullen - ook bij een aanzienlijke uitbreiding van de meetinspanningen - nooit verdwijnen. Om zo betrouwbaar mogelijke uitspraken te doen worden door het RIVM op grote schaal monitoringsprogramma's (bijna 20 miljoen gulden per jaar) uitgevoerd, gericht op de milieuconcentraties die direct relevant zijn voor de belasting van mens en milieu, en waarvoor milieudoelstellingen zijn geformuleerd
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Addendum - Meten, Rekenen en Onzekerheden. De werkwijze van het RIVM-Milieuonderzoek | RIVM

Naar aanleiding van uitlatingen van een RIVM-medewerker in de pers, is discussie ontstaan over de onafhankelijkheid en wetenschappelijke integriteit van het RIVM. In het bijzonder werden kritische kanttekeningen geplaatst bij de realiteitswaarde van de jaarlijkse Milieubalans en de door het RIVM uitgevoerde Schiphol-studie. In deze rapportage wordt daarom informatie gegeven over de werkwijze van het RIVM en de onzekerheden waarmee de gepresenteerde resultaten omgeven zijn in het bijzonder met betrekking tot de Milieubalans en de Schipholrapportage. Meer in het algemeen zijn met betrekking tot de ontstane discussie de volgende door RIVM tot op heden gehanteerde uitgangspunten van belang: Als milieuplanbureau wordt door het RIVM in beginsel gerapporteerd als daar vanuit het beleid om wordt gevraagd, maar dan wel volgens de bestaande - per definitie onvolledige - stand van de wetenschap, en onder vermelding van de beperkingen van het onderzoek. De onvolledigheid van de wetenschappelijke kennis is in deze zienswijze minder belangrijk dan de politieke wenselijkheid om, ondanks dat, toch beleid te ontwikkelen. Een bekend voorbeeld van het beleidsmatig omgaan met wetenschappelijke onzekerheden is de broeikasproblematiek.In de Milieubalans wordt gerapporteerd over verschillende onderwerpen waarvan de wetenschappelijke inzichten nog in ontwikkeling zijn. Zo zijn voor verzuring en verstoring een evaluatie van de nieuwste inzichten en daaraan gekoppelde beleidsdoelstellingen voorzien. Onzekerheden in de beschrijving van de actuele milieukwaliteit moeten beoordeeld worden tegen de achtergrond van de in het algemeen nog steeds forse mate waarin die gemeten niveaus de doelstellingen overschrijden. In de Milieubalans zijn omwille van leesbaarheid, de onzekerheden in de resultaten alleen weergegeven waar die voor de beleidsconclusies relevant zijn.- De door RIVM gebruikte modellen, die relevant zijn voor de conclusies, zijn veelal ontwikkeld in samenwerking met andere instituten en zo veel mogelijk getoetst in experimentele programmaAs (veldexperimenten, proefvelden, etc.) of, waar dat niet mogelijk is aan de omvangrijke meetreeksen van meetnetten.Sommige onzekerheden in het milieu- (en in het bijzonder het klimaat-)onderzoek zullen - ook bij een aanzienlijke uitbreiding van de meetinspanningen - nooit verdwijnen. Om zo betrouwbaar mogelijke uitspraken te doen worden door het RIVM op grote schaal monitoringsprogramma's (bijna 20 miljoen gulden per jaar) uitgevoerd, gericht op de milieuconcentraties die direct relevant zijn voor de belasting van mens en milieu, en waarvoor milieudoelstellingen zijn geformuleerd
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Annoyance, sleep disturbance, health aspects, perceived risk and residential satisfaction around Schiphol airport: Summary of results of a questionnaire | RIVM

In het kader van de Gezondheidskundige Evaluatie Schiphol is door het RIVM en TNO-PG een onderzoek uitgevoerd naar ervaren hinder, slaapverstoring, gezondheids- en belevingsaspecten rond de luchthaven Schiphol. De gegevens voor dit onderzoek zijn verzameld met een schriftelijke vragenlijst. Van de 30.000 benaderde personen heeft 39 procent de vragenlijst teruggestuurd. Uit dit onderzoek bleek dat de hinder door vliegtuiggeluid rond de luchthaven Schiphol hoger was dan verwacht, ook wanneer rekening werd gehouden met mogelijk selectieve (non-) respons. Geluid door vliegtuigen leidde tot meer hinder en slaapverstoring, een vaker als slecht ervaren gezondheid en een toename in het gebruik van medicijnen. Ook ervaarde men meer risico's van het vliegverkeer en was men minder tevreden over de woonomgeving naarmate de geluidbelasting door vliegtuigen hoger is. Mensen die dichter bij de luchthaven wonen rapporteerden vaker hinder door geur en door stof/roet of rook van vliegtuigen en meer luchtwegklachten. Ook gebruikten meer mensen medicijnen tegen astma en/of allergie. Het aantal mensen dat aangaf erg gehinderd te zijn of in de slaap gestoord te worden door vliegtuiggeluid was in absolute aantallen het grootst buiten de wettelijke zones voor (nachtelijk) vliegverkeer. Ook werd op grotere afstand van de luchthaven nog hinder van geur en stof/roet of rook van vliegtuigen waargenomen.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Risk limits for boron, silver, titanium, tellurium, uranium and organosilicon compounds in the framework of EU Directive 76/464/EEC | RIVM

In het kader van EU richtlijn 76/464 dienen de lidstaten van de Europese Unie milieukwaliteitsnormen af te leiden voor de stoffen die in deze richtlijn genoemd worden. Voor een aantal van deze stoffen waren tot nu toe geen Nederlandse milieukwaliteitsnormen beschikbaar. Daarom heeft het ministerie van VROM het RIVM verzocht om voor deze stoffen risicogrenzen (het Maximaal Toelaatbaar Risiconiveau en het Verwaarloosbaar Risiconiveau, afgekort MTR en VR) af te leiden, die vervolgens door het ministerie gebruikt kunnen worden om te voldoen aan haar verplichtingen zoals in de EU richtlijn gesteld. Zodoende worden in dit rapport de resultaten weergegeven voor de volgende stoffen: boor, zilver, titanium, tellurium, uranium en organische siliciumverbindingen
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

De bereikbaarheid bestaat niet - Definiering en operationalisering van bereikbaarheid | RIVM

In verschillende RIVM-projecten speelt bereikbaarheid een rol. Om tot een betere onderbouwing van de hierin gebruikte bereikbaarheidsmaten te komen, is in dit rapport een literatuurstudie verricht naar de theoretische achtergronden van bereikbaarheid. Deze studie heeft geleid tot een eenduidige definiering van bereikbaarheid. Daarnaast heeft een inventarisatie van de verschillende wijzen van operationalisering van bereikbaarheid plaats gevonden. Aan de hand van een literatuurstudie is bereikbaarheid in vijf RIVM-projecten gevalueerd. Tenslotte is naar aanleiding van "De Ruimtescanner", een van de RIVM-projecten, een bereikbaarheidsmaat uitgewerkt die rekening houdt met de concurrentie van de beroepsbevolking op de bereikbaarheid van arbeidsplaatsen. De voorgestelde bereikbaarheidsmaat is toegepast in een case-studie voor heel Nederland.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

De bereikbaarheid bestaat niet - Definiering en operationalisering van bereikbaarheid | RIVM

In verschillende RIVM-projecten speelt bereikbaarheid een rol. Om tot een betere onderbouwing van de hierin gebruikte bereikbaarheidsmaten te komen, is in dit rapport een literatuurstudie verricht naar de theoretische achtergronden van bereikbaarheid. Deze studie heeft geleid tot een eenduidige definiering van bereikbaarheid. Daarnaast heeft een inventarisatie van de verschillende wijzen van operationalisering van bereikbaarheid plaats gevonden. Aan de hand van een literatuurstudie is bereikbaarheid in vijf RIVM-projecten gevalueerd. Tenslotte is naar aanleiding van "De Ruimtescanner", een van de RIVM-projecten, een bereikbaarheidsmaat uitgewerkt die rekening houdt met de concurrentie van de beroepsbevolking op de bereikbaarheid van arbeidsplaatsen. De voorgestelde bereikbaarheidsmaat is toegepast in een case-studie voor heel Nederland.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Waterwinning en waterverbruik bij doelgroepen. Tevens achtergronddocumentatie van de nationale Milieuverkenning 1997-2020 | RIVM

Voor de onderbouwing van het beleid, alsmede voor een bijdrage aan Milieuverkenning 4 is een analyse uitgevoerd van het historisch waterverbruik en de daarbij behorende winning van grond- en oppervlaktewater. Om inzicht in de toekomstige ontwikkelingen te krijgen zijn tevens prognoses opgesteld. Verschillende categorien verbruikers zijn beschouwd, zoals huishoudens, industrie en het sterk groeiende klein zakelijk verbruik. Onderscheid is daarbij ook gemaakt naar eigen voorzieningen en openbare watervoorziening. In het bijzonder voor het waterverbruik van consumenten is nader ingegaan op specifieke deelverbruiken. Op basis van scenario's van demografische, technologische en economische ontwikkelingen en de specifieke waterverbruiken bij verschillende doelgroepen zijn de prognoses opgesteld. Door vooral de toepassing van waterbesparende voorzieningen zal het specifiek huishoudelijk waterverbruik blijven afnemen in de komende decennia. Ondanks een vooralsnog verwachte groei van de bevolking zal het huishoudelijk verbruik een, sinds ongeveer 1990 ingezette, dalende trend te zien blijven geven. Sinds medio jaren zeventig is door strenge eisen gesteld aan de lozing van effluent op oppervlaktewater en hogere zuiveringslasten, een dalende trend ingezet van het waterverbruik bij de industrie. De verwachting is dat, mede in verband met de reeds gerealiseerde grote besparingen op koelwatergebruik, besparingen op het waterverbruik bij de industrie in de komende decennia minder groot zullen zijn dan in de afgelopen jaren. De heterogene samenstelling van de klein zakelijke waterverbruikers is er de oorzaak van dat van deze categorie weinig detail informatie beschikbaar kwam. Mede hierom kon per doelgroep geen prognose worden opgesteld en werd een diagnose slechts voor recreatie uitgevoerd..Door het sinds medio jaren zeventig stringentere beleid ten aanzien van grondwaterwinning voor laagwaardige doeleinden is ook in de landbouw de sterke groei in de toepassing ervan bij beregening afgenomen. Ook een verwachte verdere inkrimping van de veestapel zal het waterverbruik doen verminderen. In de beschouwde CPB-scenario's is, afhankelijk van de mate waarin dergelijke ontwikkelingen zich zullen voordoen, enerzijds nog een stijgend verbruik en anderzijds een dalend verbruik te onderkennen
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

NRL Salmonella ringonderzoek II: bacteriologische detectie van Salmonella in aanwezigheid van competitieve flora | RIVM

In april 1998 werd een bacteriologisch ringonderzoek voor de detectie van Salmonella in aanwezigheid van stoorflora georganiseerd door het Nationaal Referentie Laboratorium (NRL) voor Salmonella (RIVM, Bilthoven). Aan het ringonderzoek werd deelgenomen door 23 laboratoria in het kader van het Plan van Aanpak ter bestrijding van Salmonella (en Campylobacter) in de pluimveevleessector van de Productschappen Vee, Vlees en Eieren (PVE). Het belangrijkste doel van dit ringonderzoek was te testen of de deelnemende laboratoria in staat zijn om Salmonella te detecteren in aanwezigheid van stoorflora. Referentiematerialen met Salmonella Typhimurium moesten met en zonder toevoeging van kippenfaeces onderzocht worden op de aanwezigheid van Salmonella. De deelnemende laboratoria voerden het ringonderzoek uit volgens de methode voorgeschreven door het PVE en in bepaalde gevallen met andere gangbare methodes voor de detectie van Salmonella in pluimveemonsters. Vijftien van de 23 laboratoria isoleerden Salmonella uit de 28 capsules getest in combinatie met kippenfaeces. De gebruikte semi-solid media, MSRV en DIASALM, scoorden significant beter in vergelijking met RV als selectief ophopingsmedium
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Naar een ecotopensysteem zoute wateren Nederland | RIVM

In het kader van de BEON-speerpunt Habitatverstoring werd al snel geconstateerd, dat het type vragen dat in dit verband gesteld kan worden alleen efficient kan worden aangepakt, wanneer men de beschikking heeft over een heldere, liefst geografische indeling van de zoute wateren van Nederland. Zo'n indeling, die al wel bestond voor terrestrische systemen en diverse typen zoete wateren, was niet beschikbaar voor zoute wateren. Het ontwikkelen van een systeem dat hiervoor gebruikt zou kunnen worden, werd daarom het hoofddoel van een van de onder deze speerpunt vallende projecten: Kartering habitats/ecotopen in de Nederlandse zoute wateren (laatste nummer: IBN 96 H 25). In deelstudies van dit project werd onderzocht welke (a)biotische factoren het voorkomen van bodemdieren en vissen in diverse zoute wateren bepaalden, en op welke wijze, en wat de samenstelling van die fauna's was. Een korte literatuurstudie naar definities en begrippen leidde tot het besluit, dat de nagestreefde indeling plaats zou moeten vinden op basis van ecotopen. In een apart deelproject werden criteria geformuleerd waarmee ecotopen zouden kunnen worden onderscheiden. Daarbij is onder meer informatie uit de andere deelstudies gebruikt, maar met name is gekeken naar processen die ecotopen vormen en instandhouden, naast factoren die relevant zijn voor de flora en fauna. Vervolgens is een hierarchisch systeem ontworpen van kenmerken van ecotopen, leidend tot een lijst van ecotopen. Er is daarbij gepoogd aan te sluiten bij reeds bestaande indelingen voor terrestrische en zoetwater-systemen. Er worden geen kenmerkklassen gegeven, omdat deze per onderscheiden ecotoop in verschillende watersystemen, en zelfs per doelstelling van een bepaalde studie, kunnen verschillen. De speciaal ontwikkelde GIS-applicatie HABIMAP is toegepast om op basis van dit stelsel van ecotopen een kartering van de Waddenzee uit te voeren. In twee niet onder BEON vallende projecten van Rijkswaterstaat zijn vergelijkbare karteringen uitgevoerd voor de Westerschelde en de Noordzee. De resultaten van deze drie karteringen zijn als bijlage bij dit rapport gevoegd. Hiermee is een goede basis gelegd voor een volledig uitgewerkt ecotopenstelsel voor de Nederlandse zoute wateren
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Following the Source to Effect Chain using PAH as a lead | RIVM

De vraag wordt gesteld hoe emissies, verspreiding in milieucompartimenten, blootstelling en effecten van chemische stoffen aan elkaar gekoppeld kunnen worden om te komen tot een integrale risicoschatting. Centraal staat de vraag of de bestaande modellen en gegevensbronnen te koppelen zijn en of ze dan de hele bron-effektketen dekken. Om methoden concreet te beschrijven is gekozen voor een voorbeeldstof, de polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAKs). In het rapport wordt per onderdeel een overzicht van methoden en modellen gegeven dat vervolgens aan een PAK-voorbeeld toegelicht wordt. Het blijkt dat slechts voor benzo[a]pyreen en fluorantheen voldoende informatie beschikbaar was. Twee indicatoren, 10 van VROM en 6 van Borneff, zijn beschikbaar als indicator voor totaal PAK. Inzicht in feitelijke blootstelling vereist inzicht in ruimtelijke en temporele variaties van blootstelling en de variatie van blootstelling in de algemene bevolking, zodat adequate gegevens een vereiste zijn. De gegevens over PAKs voor bodem en water lieten te wensen over. Daarintegen werden voor voedsel en consumentenproducten relatief adequate gegevens gevonden. Voor lucht werd een concentratie-tijdreeks samengesteld uit monitoring gegevens en meetstudies in de stad. Als B[a]P blootstellingen tegen toxicologische gegevens aan gehouden worden wordt gesuggereerd dat grenswaarden voor lucht en voor dermale blootstelling aan producten en bodems met een hoog PAK gehalte overschreden kunnen worden. Alhoewel voedsel voor meer dan de helft van de inname zorgt, ligt de blootstelling rond een voorlopige orale grenswaarde. De studie levert inzichten in de ketenbenadering op die algemener zijn dan de voorbeeldstoffen. Ten eerste blijkt dat individuele blootstellingen aan producten of bodems met hoge (PAK)gehalten kan leiden tot relatief hoge belastingen. Ten tweede wordt geconcludeerd dat ruimtelijke en temporele patronen in emissie bekend moeten zijn voordat lokatie specifieke blootstellingen en effecten geschat kunnen worden. Als laatste levert de studie inzicht in variabiliteit van blootstelling op, waar mogelijk als een functie van leeftijd. Dit maakt het mogelijk groepen met een hoge blootstelling te onderscheiden
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Greenhouse Gas Emissions in the Netherlands: summary Report 1990-1997 (IPCC Tables 7A) | RIVM

Dit rapport over de Nederlandse inventarisatie van broeikasgasemissies is geschreven om te voldoen aan de rapportageverplichtingen in 1998 in het kader van het Bewakingsmechanisme Broeikasgassen van de Europese Unie en aan de verplichtingen in het kader van het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties. In de periode 1990-1997 zijn de emissies van CO2 en N2O met resp. 14% en 10% gestegen, terwijl de CH4-emissies met 14% daalden. Van de zgn. 'nieuwe' gassen HFK's, PFK's en SF6, waarvoor 1995 het referentiejaar is, daalden de HFK-emissies aanmerkelijk met 35% in 1997 ten opzichte van 1995, terwijl de emissies van PFK's en SF6 (potentieel) op hetzelfde niveau bleven. De totale CO2-eq. emissies voor de zes gassen waren in 1997 8% hoger dan in het basisjaar 1990 (1995 voor de 'nieuwe' broeikasgassen); temperatuur-gecorrigeerd is deze stijging 6%. (Update van RIVM rapport 728001008)
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Bepaling van cadmium in kunststof ten behoeve van het Cadmiumbesluit. Natte ontsluiting en AAS- of ICP-analyse | RIVM

In de "Regeling vaststellingsmethode cadmiumgehalte van produkten", beschreven in het Cadmiumbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen [1] wordt Instrumentele Neutronen Activeringsanalyse (INAA) genoemd als primaire analysetechniek oor de analyse van cadmium. Deze methode vereist weinig monstervoorbewerking maar heeft als nadeel dat deze analyse slechts op enkele plaatsen in Nederland is uit te voeren. Atomaire Absorptie Spectrometrie (AAS) wordt in het Cadmiumbesluit genoemd als alternatieve analysetechniek. Deze methode vereist als monstervoorbewerkingsstap een ontsluiting om de kunststofmonsters in oplossing te krijgen. In het huidige Cadmiumbesluit wordt als voorbewerkingsstap een droge verassing beschreven gevolgd door een microwave-ontsluiting. Bij deze ontsluiting kan voor de matrix polyvinylchloride (pvc) verlies aan cadmium optreden. Derhalve is als monstervoorbereidingsstap voor de techniek AAS een ontsluiting ontwikkeld met behulp van een open microwave-destructie met zwavelzuur en waterstofperoxide, waarbij een dergelijk verlies aan cadmium niet optreedt. Deze analyse is ontwikkeld op basis van prEN 1122: "Bepaling van cadmium in kunststoffen met de natte-ontsluitingsmethode" (april 1995) [3] en is beproefd voor de matrices polypropyleen (pp), polystyreen (ps), acrylonitril butadieen styreen (abs), pvc, polyetheen (pe) en polyamide (pa). Gezien de benodigde apparatuur is deze methode voor vele laboratoria goed uitvoerbaar. Ten behoeve van de regelgeving is een generieke analysemethode opgesteld, die een breed spectrum van analytische uitvoeringsvormen toelaat, onder de voorwaarde dat aan expliciete prestatie-eisen wordt voldaan
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Mobile Emission Factor Determination through Ambient Air Monitoring - MEDAM project | RIVM

De luchtkwaliteit in steden wordt voor een belangrijk deel bepaald door de emissies van verkeer. Om de invloed van voorgenomen emissiereducerende maatregelen te kunnen evalueren en de luchtkwaliteit in steden te kunnen voorspellen zijn de emissiefactoren van verkeer een eerste vereiste. Voor de evaluatie van het gezondheidsrisico geassocieerd met fijn stof, waarvoor verkeer als een belangrijke potentiele bron wordt gezien, worden fijn stof emissiefactoren toegepast. In het overzicht van emissie factoren van verkeer werden grote discrepanties geconstateerd tussen de voorgestelde waarden en die gebruikt werden in modelberekeningen (CAR en OPS) voortkomend uit RIM+ . De onzekerheid omtrent de emissiefactoren werd versterkt door de observaties in het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit die een mogelijk overschatting van de toendertijd vorgestelde emissiefactoren aangaven. Om deze onzekerheid terug te dringen werd een beperkte meetcampagne opgezet voor de bevestiging van een van de twee momenteel voorgestelde factoren. Op 9 dagen in de winter van 1996 werd PM10 en PM2.5 gemeten parallel aan CO en NOx in verschillende straten in Amsterdam. Aan de hand van de meetresultaten werden de emissiefactoren van personen- en bestelautos (LDV) en van vrachtverkeer (HDV) bepaald relatief ten opzichte van de emissiefactoren van CO en NOx. De geschatte waarden voor PM10 waren 0.2 plus of min 0.7 g/km en 16.3 plus of min 6.9 g/km voor respectivelijk LDV en HDV. Voor PM2.5 waren de waarden: 0.13 plus of min 0.07 en 3.2 plus of min 1.1 g/km. De meteorologische condities en de mogelijke toepassing van zout voor het ijsvrij houden van de wegen of de aanwezigheid van andere bronnen hebben de metingen dusdanig verstoord dat geen bevestiging voor de voorgestelde PM10 emissiefactoren kon worden gegeven. Voor PM2.5 echter werd geconcludeerd dat de in een recent uitgevoerde literatuurstudie voorgestelde factoren werden bevestigd door de resultaten van deze studie. Het beperkt aantal metingen van deze meetcampagne en de beperkingen in de opzet laten niet toe dat met de resultaten de emissiefactoren kunnen worden vastgesteld maar bieden een mogelijkheid om de waarden binnen bepaalde onzekerheidsgrenzen te bevestigen dan wel te falsificeren. Om meer representatieve gegevens te verkrijgen dient de studie over een langere periode te worden uitgevoerd waarvoor eveneens de mogelijkheid voor een beter afgestemde combinatie van instrumenten en luchtverontreinigende componenten, inclusief organische componenten, kan worden onderzocht
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Supplement to the methodology for risk evaluation of biocides (I) Emission scenarios to be incorporated into the Uniform System for the Evaluation of Substances (UBS) | RIVM

De aanzet tot de completering van een reeks emissiescenario's voor biociden ten behoeve van het Uniform Beoordelingssysteem Stoffen (UBS) wordt gegeven. De meest urgente benodigde toepassingen van desinfectantia worden in dit rapport behandeld, namelijk desinfectantia voor sanitair gebruik en toegepast in de medische sector. Alle nog niet behandelde producttypen biociden uit de lijst van Biocidenrichtlijn 98/8/EC zullen in vervolgonderzoeken worden uitgewerkt.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

(Q)SARs for human toxicological endpoints: a literature search | RIVM

Het doel van dit rapport is het beschrijven van humaan toxicologische SARs (structuur-activiteitsrelaties) die beschikbaar zijn in de literatuur alsmede de SARs die gebruikt worden door de US EPA (Environmental Protection Agency). De implementatie van het gebruik van SARs voor de effect assessment bij CSR is onderzocht. Structuur-activiteitsrelaties (SARs) correleren de moleculaire structuur met biologisch-chemische of fysisch-chemische activiteit. In kwantitatieve structuur-activiteitsrelaties (QSARs) zijn deze correlaties gekwantificeerd. De (Q)SARs worden grofweg verdeeld in "rule-based" SARs en statistische SARs. "Rule-based" SAR gebruikt vergelijkbare stoffen (verzameld in chemische klassen) die hetzelfde werkingsmechanisme hebben. Tevens worden beschrijvers (descriptoren) afgeleid voor dit werkingsmechanisme om het effect van andere vergelijkbare stoffen te voorspellen. De statistische SAR baseert zijn voorspelling op statistisch verkregen beschrijvers van meer heterogene groepen stoffen. De ontwikkeling van de SARs gedurende de jaren hebben beide typen SAR nader tot elkaar gebracht. De gevonden (Q)SARs hebben verder validatie nodig voordat ze gebruikt kunnen worden voor de effect assessment. De onderliggende QSAR methodologie kan geimplementeerd worden. Het voorspellen van het effect van een stof vergelijkbaar met een al eerder gevalueerde stof of een chemische klasse wordt gebruikt op een ad-hoc basis bij CSR. (Q)SAR methodologie, chemische klassen, SAR kenmerken zoals electronische effecten, zouden geimplementeerd moeten worden op een meer systematische manier om de expertise over SARs en om de helderheid van de effect assessment te vergroten.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Bepaling van het locatiespecifieke ecologische risico van bodemverontreiniging: een opzet voor een beoordelingssystematiek | RIVM

Een systematiek voor de beoordeling van ecologische risico's van bodemverontreiniging kan worden gebruikt voor de bepaling van de urgentie van sanering, voor het vaststellen van saneringsdoelstellingen, voor het afstemmen van maatregelen binnen actief bodembeheer en voor een optimale inrichting van een locatie. Dit rapport beschrijft een systematiek voor locatiespecifieke ecologische risicobeoordeling waarbij het actuele of geplande bodemgebruik verdisconteerd wordt en rekening wordt gehouden met bodem- en verontreinigingskarakteristieken en de ecologie op de locatie. De systematiek bestaat uit een decision support system (DSS) en omvat een drietal stappen: 1. definitie van het actuele en geplande bodemgebruik, 2. vaststellen van ecologische aspecten die met het bodemgebruik samenhangen, en 3. inrichting en uitvoering van een meetinstrumentarium volgens een Triade die gebaseerd is op de geintegreerde beschouwing van verschillende locatiespecifieke informatiebronnen (milieuchemie, locatiespecifieke ecotoxicologie en veldwaarnemingen). Drie lagen van nauwkeurigheid kunnen worden onderscheiden: kwalitatief, semi-kwantitatief en volledig kwantitatief. Het DSS kent nog verschillende aspecten waarvan de toepasbaarheid en zeggingskracht in de praktijk moet blijken en moet dan ook vooral worden gezien als een raamwerk waarmee aan de hand van toepassing op een aantal locatiestudies praktijkervaring kan worden opgedaan. Deze toetsing in de praktijk zal ongetwijfeld tot wijzigingen en bijstellingen leiden. Hoofddoel is om uiteindelijk tot een in de praktijk bewezen operationaliseerbaar en zo breed mogelijk toepasbaar beoordelingssysteem te komen
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Interim report of a study on gastroenteritis in sentinel practices in the Netherlands (NIVEL) 1996-1999. Results of the first two years | RIVM

In 1996 is een onderzoek gestart naar gastro-enteritis in de huisartsenpraktijk in samenwerking met het Nederlands Instituut voor onderzoek van de Gezondheidszorg (NIVEL). Dit onderzoek heeft tot doel de incidentie van gastro-enteritis in de huisartsenpraktijk te schatten, de effecten van preventieve maateregelen in de veterinaire sector m.b.t. het terugdringen van Salmonella- en Campylobacter-infecties te bepalen, de relatieve bijdrage van een breed panel van micro-organismen in het veroorzaken van gastro-enteritis te bepalen en risicofactoren op te sporen. Het onderzoek bestaat uit een enumeratie-studie en een patient-controleonderzoek. De incidentie van mei 1996 tot mei 1998 werd geschat op 77 huisartsconsulten voor gastro-enteritis per 10.000 persoonjaren. Dit lijkt een lichte daling ten opzichte van de incidentie gevonden in vergelijkbaar onderzoek in 1992-1993 van 90 per 10.000 persoonjaren. De belangrijkste micro-organismen bij gastro-enteritis-patienten waren Campylobacter spp, Salmonella spp, rotavirus, Small Round Structured Viruses (SRSV), Giardia lamblia en Dientamoeba fragilis. Deze laatste twee werden echter ook veel bij controles aangetroffen. De belangrijkste risicofactoren voor gastro-enteritis waren reizen naar Azie (OR=25,8 95%-b.i. 3,0-220,9) en andere ontwikkelingslanden (OR=8,7 95%-b.i. 1,1-70,4) en het hebben van een chronische maagdarmaandoening (OR=6,5 95%-b.i. 3,6-11,4). Voor bacteriele, virale en parasitaire gastro-enteritis werden verschillen in risicofactoren gevonden. De gegevensverzameling van het onderzoek zal in 1999 worden afgerond.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Enhanced respiratory responses in children exposed to air pollution. An epidemiological study | RIVM

De associatie tussen verkeersgerelateerde luchtverontreiniging en luchtwegklachten werd bestudeerd in een longitudinale observationele studie met herhaalde metingen bij 82 kinderen van de basisschool in Utrecht (stad) of Bilthoven (dorp). De scholen waren geselecteerd op basis van jaarwaarden voor zwarte rook (ZR), hetgeen indicatief is voor verkeersgerelateerde luchtverontreiniging: Utrecht 53 mug/m3 en Bilthoven 18 mug/m3. Niveaus van luchtverontreiniging NO, NO2, CO en ZR, als indicatoren voor verkeersgerelateerde luchtverontreiniging, waren in Utrecht belangrijk hoger dan in Bilthoven (gemiddelde dagelijkse ratio's waren respectievelijk 8, 1,5, 1,8 en 2,7). Kinderen die wonen in Utrecht (matige blootstelling) vertoonden gemiddeld hogere niveaus (p<0,05) van IL-8 (32%), ureum (39%), urinezuur (26%), albumine (15%) en de NO-metabolieten nitraat en nitriet (21%) in de neuslavage in vergelijking met kinderen die in Bilthoven wonen (lage blootstelling). Associaties werden aangetoond tussen enerzijds PEF, NO in uitgeademde lucht en ontstekingsmediatoren in de neuslavagevloeistof en anderzijds PM10, ZR, NO2 en NO in buitenlucht. Bij een gelijke verhoging van luchtverontreiniging vertoonden kinderen in Utrecht een grotere response in PEF en uitgeademde NO en in de neus een grotere toename van urinezuur, ureum, nitraat en nitriet in vergelijking met kinderen in Bilthoven. Kinderen die veelvuldig blootgesteld werden aan matige niveaus van verkeersgerelateerde luchtverontreiniging vertoonden verhoogde gemiddelde niveaus van ontstekingsmediatoren in de neus en reageerden sterker op dezelfde toename van luchtverontreiniging vergeleken met kinderen wonend in een dorpse omgeving en blootgesteld aan lage achtergrondswaarden van luchtverontreiniging.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

Herziening interventiewaarde lood; evaluatie van de afleiding van de interventiewaarde grond/sediment en grondwater | RIVM

Dit rapport behandelt de aspecten die van belang zijn voor de prioritaire evaluatie van de interventiewaarde bodemsanering voor lood als onderdeel van het lopende project Evaluatie Interventiewaarden. De partitie-coefficient en de bodemtypecorrectie voor lood kunnen gebaseerd worden op een vergelijking die voor veldbodem is afgeleid. Wanneer alleen gebruik gemaakt mag worden van humus- en lutumgehalten, wordt aanbevolen de huidige vergelijking van Van den Berg/Roels te handhaven. De bioconcentratiefactor van lood in bladgewas wordt gehandhaafd; voor knolgewas is deze verdubbeld. De ecotoxicologische ernstige bodemverontreinigings-concentratie (ECOTOX EBVC) is herberekend met actuele toxiciteitsgegevens voor bodem volgens de bestaande bodemtypecorrectie en volgens de voorgestelde bodemtypecorrectie met pH (resp. 490 en 450 mg/kg d.s.). Wanneer de 'toegevoegd risico' benadering wordt toegepast is de ECOTOX-EBVC berekend op resp. 575 en 535 mg/kg d.s.. De berekende risicogrens voor waterbodem is veel hoger (64.000 mg/kg). Het maximaal toelaatbaar risico voor de mens (MTR-humaan) blijft gehandhaafd op 3.6 microg/kg lichaamsgewicht/dag, welke ook door de WHO wordt aangehouden. De blootstelling van de mens door bodemverontreiniging wordt vooral bepaald door ingestie van grond en opname via verontreinigd gewas en biobeschikbaarheid van lood uit de grond in het lichaam. Voorafgaand aan de afronding van het onderzoek naar de biobeschikbaarheid van lood in het lichaam is een relatieve biobeschikbaarheidsfactor voor grond afgeleid van 0.6. In het kader van de Evaluatie als geheel wordt voorgesteld de grondingestie door kinderen terug te brengen tot 100 mg/dag (was 150 mg/dag). Indien beleidsmatig gewenst, kan de generieke achtergrondblootstelling van de mens voor lood gesteld worden op 25% van het MTR-humaan. Afhankelijk van de gemaakte keuzes ligt de herziene humaan-toxicologische ernstige bodemverontreinigingsconcentratie (HUMTOX EBVC) tussen 450 en 670 mg/kg. Integratie met de ECOTOX EBVC levert een voorstel voor een interventiewaarde grond tussen 450 en 575 mg/kg. Op basis van de bijgestelde partitiecoefficient wordt voorgesteld de interventiewaarde grondwater iets te verlagen tot 32-41 microg/l.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1

A randomised controlled study with whole-cell or acellular pertussis vaccines in combination with regular DT-IPV vaccine and a new poliomyelitis (IPV vero) component in children 4 years of age in the Netherlands | RIVM

In deze veldproef is de immunogeniteit en de reactogeniteit van 3 verschillende ACVAs en WCV van het RIVM onderzocht, gecombineerd met DTP toegediend als booster bij 4-jarige kinderen. Bij deze kinderen is tevens de immuunrespons op IPVvero (geproduceerd op Vero cellen) vergeleken met het reguliere IPV-MK (geproduceerd op MK cellen). De kinderen in deze studie zijn eerder gevaccineerd met 4 doses DKTP van het RIVM op de leeftijd van 3, 4, 5 en 11 maanden. De ACVAs bevatten PT en FHA (ACV-PM), met PRN als derde component (ACV-SB) en FIM als vierde component (AVC-WL). Het was een open, gerandomiseerde, gecontroleerde studie met geblindeerde serologische bepalingen. Samenvattend geeft deze studie aan dat een toevoeging van een pertussis vaccinatie op 4-jarige leeftijd zinvol kan zijn bij een epidemische verheffing, waarbij de voorkeur uitgaat naar een combinatievaccin met een ACV- of een WCV-component vanwege de enkelvoudige toediening. Het IPVvero blijkt een zeer immunogeen vaccin te zijn en op zijn minst gelijkwaardig aan het huidige IPV-MK.
Jaar: 1999 Onderzoek Documenten: 1