Naar inhoud

Onderzoeken Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2001

Zoek binnen deze data in WooGLe

Scenario-ontwikkeling zorgvraag bij een influenza-pandemie | RIVM

Tijdens een influenza-pandemie dreigt een ernstige ontregeling van de maatschappij omdat een groot gedeelte van de bevolking meer of minder ernstig ziek zal zijn. In alle leeftijdsklassen zal de ziektelast aanzienlijk zijn en mede door secundaire bacteriele infecties zullen veel mensen vroegtijdig overlijden. Omdat het ontwikkelen van een specifiek tegen de pandemische virusstam gericht vaccin tijd vraagt, is het vrijwel onvermijdelijk dat in (het begin van) een pandemie geen of nauwelijks vaccin beschikbaar is. Ten tijde van een pandemie zal daarom de vraag naar (bijvoorbeeld) ziekenhuisbedden dusdanig toenemen, deels doordat er daadwerkelijk meer zieke personen zijn en deels door paniek, dat aan de vraag niet voldaan kan worden. Ook zullen er meer bacteriele pneumonieen optreden waardoor de behoefte aan antibiotica stijgt. Om de effecten van een influenza-pandemie op de samenleving te minimaliseren, heeft het ministerie van VWS in samenwerking met deskundigen op ter zake doende terreinen, een draaiboek Influenza-pandemie Nederland opgesteld. Een van de doelstellingen van het draaiboek is 'het voorbereiden op een groot aantal ziekte-gevallen'. In dit kader heeft de Inspectie voor de GezondheidsZorg (IGZ) het RIVM gevraagd een inschatting te maken van de te verwachten zorgvraag ten tijde van een influenza-pandemie.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Economische waardering van milieugerelateerde gezondheidseffecten. Een verkenning | RIVM

Dit rapport richt zich op de toepasbaarheid van methoden voor het economisch waarderen van milieugerelateerde gezondheidseffecten. Daartoe zijn verschillende studies naar economische waardering van gezondheidseffecten van luchtverontreiniging en geluid geevalueerd. Uit deze verkenning blijkt dat het economisch waarderen van milieugerelateerde gezondheidseffecten op onderdelen nog veel onzekerheden bevat. Deze hebben vooral betrekking op de beperkte beschikbaarheid van data (de juiste gezondheidseindpunten, risico-schattingen, schattingen van de daarmee samenhangende bedragen) en methodologische problemen (uitdrukken van mortaliteit in waarde van een statistisch leven of waarde voor een gewonnen levensjaar, het overzetten van waarden uit een andere context zoals gebied of type risico). Omdat voorafgaand aan de geldelijke schattingen ook onzekerheden zitten in het schatten van de te verwachten gezondheidseffecten, ontstaan grote marges in de geschatte 'eindbedragen'. Ondanks de onzekerheden is het nuttig om naast de bekende kosten ook inzicht te hebben in de (vaak onbekende) baten van bepaalde maatregelen. Uit de verschillende studies blijkt namelijk dat de gezondheidsbaten vaak een groot aandeel hebben in de totale baten van een maatregel en ook groter kunnen zijn dan de kosten. Derhalve lijkt het nuttig de gezondheidsbaten in discussies over maatregelen te kunnen betrekken. Wanneer in Nederland dergelijke schattingen gemaakt worden, is het raadzaam de betalingsbereidheid specifiek voor de Nederlandse situatie te bepalen. Een bijkomend voordeel hiervan is dat de discussie over methodieken en het begrip van het waarderen van gezondheid in geld, zullen toenemen, hetgeen de (beslissing over de) toepassing ervan in de toekomst ten goede kan komen.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Evaluatie VOS-beleid in de industrie | RIVM

Deze studie evalueert het beleid t.a.v. Vluchtige Organische Stoffen (VOS-beleid) in de industrie over de afgelopen 15 jaar en geeft een doorkijk naar 2010. Centraal in het tot nu toe gevoerde beleid stonden convenanten tussen overheid en bedrijfstakken in het kader van het programma KoolWaterStoffen 2000. We concluderen dat de VOS-convenanten redelijk succesvol zijn. De doelstelling om de industriele VOS-emissies door implementatie van milieutechnieken met minimaal 55% te reduceren tussen 1981 en 2000 is gehaald. Voor 5 belangrijke bedrijfstakken zijn verschillende factoren (waaronder beleidsinstrumenten) in kaart gebracht, die van invloed waren op de implementatie van die technieken. Een hulpmiddel daarbij was een nieuw expertondersteunend computermodel, dat helder en inzichtelijk de simulatie van deze implementatie mogelijk maakte. Succesfactoren waren de aanwezigheid van beschikbare technieken, die bedrijfs-economisch betaalbaar en makkelijk in het productieproces inpasbaar waren, in combinatie met een redelijjke beleidsdruk vanuit de vergunningverlening (uitvoering en handhaving). In 2010 wordt bij de huidige beleidsintensiteit, in de beschouwde sectoren, hooguit 15% emissiereductie ten opzichte van 2000 verwacht. Bij intensivering van de beleidsdruk kan een reductie van circa 30-35% bereikt worden. Een dergelijke intensivering is nodig indien de industriele sectoren evenredig bij gaan dragen aan het behalen van het in NMP-4 vastgestelde emissieplafond voor de industriesector in 2010.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

A single dose of an ISCOM influenza vaccine induces long-lasting protective immunity against homologous challenge infection but fails to protect Cynomolgus macaques against distant drift variants of influenza A (H3N2) viruses | RIVM

A single dose of an ISCOM influenza vaccine induces long-lasting protective immunity against homologous challenge infection but fails to protect Cynomolgus macaques against distant drift variants of influenza A (H3N2) viruses | RIVM
Jaar: 2001 Onderzoek

Telemedicine en Telecare in de thuiszorg: historische ontwikkelingen en toekomstverwachtingen | RIVM

Dit rapport naar de stand van zaken en toekomstige medisch-technologische ontwikkelingen van telemedicine en telecare in de thuiszorg vormt een onderdeel van de Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2002 van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. De gegevens zijn verkregen door middel van literatuuronderzoek. Het toenemende aantal personen met een chronische ziekte, het aantal hoogbejaarden, het personeelstekort, een veeleisender patient en de toenemende kosten stellen de zorgsector voor nieuwe uitdagingen. Het aandeel van de werkende ten opzichte van de niet-werkende bevolking wordt daarbij steeds kleiner. Telemedicine en telecare omvatten 'zorg op afstand' met behulp van informatie- en communicatietechnologie (ICT). Deze vorm van ondersteuning van zorg kan mogelijk een positieve bijdrage leveren aan de efficientie en doelmatigheid in de zorg, vanzelfsprekend met behoud van de kwaliteit, waardoor ontstane knelpunten kunnen worden opgelost. Er is een aantal kansrijke toepassingen van telemedicine en telecare op een breed terrein. Deze toepassingen zijn: sociale alarmering, zorgcoordinatie, kennisoverdracht, telemonitoring, teleconsultatie, televisites, instructie/ begeleiding/ training op afstand en preventie. Op het gebied van sociale alarmering zijn al successen behaald. Ook het gebruik van Internet voor het verkrijgen van gezondheidsinformatie is inmiddels wijdverbreid. De overige toepassingen staan veelal nog in de kinderschoenen. Het succes van initiatieven wordt beperkt door met name vraagtekens omtrent de kosten-effectiviteit, de manier van organisatie en de weerbarstigheid van bestaande culturen in de zorg. De verantwoording voor het uitvoeren van (kosten-effectiviteit)onderzoek ligt bij alle partijen, al lijkt regie van de overheid bij grotere (ook de thuiszorg overstijgende) projecten zoals het Elektronisch Patienten Dossier gewenst.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Zutphen Ouderen Studie 2000. Epidemiologisch onderzoek naar leefstijl, chronische ziekten, functioneren en kwaliteit van leven bij oudere mannen | RIVM

De Zutphen Ouderen Studie is een langlopend epidemiologisch onderzoek onder mannen geboren in de periode 1900-1920, dat in 1960 is gestart als Nederlandse bijdrage aan de Zeven Landen Studie. Het heeft als doel meer inzicht te krijgen in veranderingen in en risicofactoren voor lichamelijk, sociaal, psychologisch en cognitief functioneren en ervaren gezondheid bij zeer oude mannen in een internationale context. Daarnaast geeft deze studie informatie over de status van risicofactoren en de voedselconsumptie en de relatie tussen deze factoren en het optreden van chronische ziekten. Dit rapport beschrijft de methoden van de laatste onderzoeksronde in 2000, waarin een vragenlijst, een test voor lichamelijk en cognitief functioneren, en een voedingsvragenlijst werd afgenomen. Daarnaast vond een kort lichamelijk onderzoek plaats. Er werden 235 nog in leven zijnde deelnemers benaderd, waarvan er 171 (respons 73%) hebben deelgenomen. Non-respondenten woonden minder vaak zelfstandig en met partner en ze voelden zich iets minder vaak gezond.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Risk assessment of Shiga-toxin producing Escherichia coli O157 in steak tartare in the Netherlands | RIVM

Kwantitatieve microbiologische risicoschatting (QMRA) is een middel om voedselgerelateerde gezondheidsrisico's te evalueren. De QMRA-methodiek is volop in ontwikkeling. Als bijdrage aan deze ontwikkeling is een QMRA van Shigatoxine producerende E. coli (STEC) O157 in rundertartaar in Nederland uitgevoerd, waarbij gebruik is gemaakt van het 'Modular Process Risk Model (MPRM)' concept. STEC O157 heeft een aantal grote explosies veroorzaakt met ernstige gevolgen voor de volksgezondheid, in verschillende geindustrialiseerde landen. Deze explosies waren vaak geassocieerd met de consumptie van rundvleesproducten. Er is een blootstellingsmodel gebouwd dat de hele keten van boerderijdieren tot humane consumptie bestrijkt. Dit model is gekoppeld aan een nieuw ontwikkeld dosis respons model van STEC O157, gebaseerd op gegevens van een Japanse explosie. Dit heeft geresulteerd in schattingen van de mate van besmetting van rundertartaartjes (uitgedrukt in prevalentie en concentratie) en de incidentie van STEC O157- geassocieerde ziekte ten gevolge van de consumptie van rundertartaar. Evenals in vergelijkbare QMRA's, zijn deze schattingen erg onzeker, vanwege een gebrek aan bruikbare gegevens over de hele voedselketen heen. Meningen van experts zijn gebruikt om schattingen te krijgen van modelparameters die niet op andere wijze te verkrijgen waren. Vergeleken met onafhankelijke data, is de modelschatting van de prevalentie van besmette rauwe tartaartjes laag (0.3%), terwijl de geschatte incidentie van gastro enteritis (8 per 100.000 persoonsjaren) juist aan de hoge kant is. Met de QMRA benadering is een scenario-analyse uit te voeren over de hele keten. Hieruit bleek dat om STEC O157 gerelateerde gezondheidsrisico's te verlagen, interventie op de boerderij of tijdens de slacht waarschijnlijk efficienter is dan interventie bij de consument. Daarnaast zijn belangrijke hiaten in kennis geidentificeerd.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Effecten van verplaatsing van agrarische ammoniakemissies: verkenning op provinciaal niveau | RIVM

Atmosferische depositie van stikstof vormt een van de belangrijkste gevaren voor natuurgebieden. Op grote schaal worden kritische depositiewaarden voor natuur aanzienlijk overschreden. Ammoniakemissies vanuit de landbouw dragen voor ongeveer de helft bij aan de stikstofdepositie in Nederland. Voor natuurgebieden is deze bijdrage vaak hoger omdat natuurgebieden veelal dicht bij landbouwgebieden liggen. Dit biedt mogelijkheden voor de rijks- en provinciale overheden om de hoge stikstof belasting te reduceren door het verplaatsen van ammoniakemissies. Ammoniakemissies worden zodanig verplaatst zodat, gegeven een emissieplafond, de overschrijding van de kritische depositie van natuurgebieden minimaal is. Optimale verplaatsing van ammoniakemissies voor 2010 (uitgaande van 93 kton ammoniak vanuit de landbouw) leidt tot een vermindering van de overschrijdingen van de kritische deposities van 30-40%. Het aandeel natuur dat beschermd wordt tegen een overschrijding van de kritische depositie neemt toe van 30 naar 40-50%. Een verkenning voor 2030 laat zien dat de totale overschrijding door optimale verplaatsing afneemt met 40-60%. Deze resultaten zijn sterk afhankelijk van de veronderstellingen die worden gemaakt over de ontwikkeling van de landbouwsector.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

De LeefOmgevingsVerkenner. Technische Documentatie | RIVM

Dit rapport vormt de technische documentatie van de LeefOmgevingsVerkenner, versie 2.0. De LeefOmgevingsVerkenner wordt ontwikkeld in opdracht van de directie van het RIVM. Het beoogt een modelsysteem te zijn om snel, interactief de effecten van (alternatieve) beleidsopties en autonome ontwikkeling op de kwaliteit van de leefomgeving te verkennen. Hiertoe schetst de LeefOmgevingsVerkenner eerst de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland: wie doet wat waar? Waarna de mogelijke positieve of negatieve effecten van deze activiteiten op de leefomgeving bepaald kunnen worden. Er wordt een beschrijving gegeven van de belangrijkste uitgangspunten en overwegingen die in de opzet van het systeem zijn meegenomen, de werking van het macromodel, het micromodel, de huidige set met indicatoren alsook de operationalisatie van het systeem zoals die in het project Kaartbeelden is toegepast.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Knelpuntanalyse van milieudruk in relatie tot de provinciale natuurdoelen | RIVM

In de Natuurbalans 2000 zijn de knelpunten als gevolg van de verwachte milieudruk in 2020 op de beoogde natuurdoelen in beeld gebracht. Dit rapport bevat de achtergrondinformatie van de analyses die voor de Natuurbalans ten aanzien van dit aspect zijn uitgevoerd. Mede omdat de provinciale natuurdoeltypenkaarten veelal nog de status van een (eerste) concept hebben, zijn de uitgevoerde analyses verkennend van aard. De provinciale natuurdoeltypenkaarten geven een eerste invulling aan de kwaliteitsdoelstellingen van de ecologische hoofdstuctuur (EHS). Uit de analyses blijkt, dat er aanzienlijke knelpunten bestaan voor de beoogde natuurdoeltypen zowel ten aanzien van grondwaterstand als depositieniveaus van zuur en stikstof. De uit oogpunt van een duurzame natuur(ontwikkeling) noodzakelijke beleidsinspanningen t.a.v. verzuring (reductie van depositie van zuur en stikstof) en verdroging (grondwaterstandverhoging) zijn dan ook fors, m.n. in de duinen en de hogere zandgronden. Ook als het verzuringsbeleid, dat in UN/ECE verband is voorgesteld, volledig is geimplementeerd, dan is de verzuringsdruk (in relatie tot de stikstof- en zuurdepositie) op terrestrische natuurdoeltypen nog aanzienlijk. De druk op het rivierengebied, het zeekleigebied en het noordelijk deel van de hogere zandgronden neemt wel af door het UN/ECE-beleid. Daarnaast is en blijft de grondwaterstand voor de grondwaterafhankelijke natuur in veel gevallen te laag voor de realisatie van beoogde natuurkwaliteit.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Quality and safety of products containing Ephedra Herba on the Dutch market | RIVM

Wij hebben analytisch onderzoek uitgevoerd op Ephedra herba bevattende voedingssupplementen en smartshop producten op de Nederlandse markt. Dergelijke producten worden gepresenteerd als 'natuurlijke, plantaardige' producten en vallen niet onder de Nederlandse wetgeving voor geneesmiddelen. Het grootste deel van de monsters onderzocht in de periode 1993 - 1999 bevatte onaanvaardbaar hoge gehalten aan efedrine (EP) alkaloiden (de actieve bestanddelen van Ephedra herba) in vergelijking met de veiligheidsnormen in de literatuur. Sommige monsters bevatten ook een stof die de werking van de efedrine-alkaloiden potentieert (o.a. coffeine), wat een vergroot veiligheidsrisico betekende. Zowel monsters 'van plantaardige oorsprong' als van synthetische oorsprong werden aangetroffen, en de gehalten aan EP alkaloiden varieerden, zowel van product tot product als van charges binnen 1 product. Momenteel zijn de mogleijkheden om veiligheid en kwaliteit van dergelijke producten op de Nederlandse markt te verbeteren beperkt; de nationale wetgeving biedt hiertoe geen duidelijke mogelijkheden. Niettemin blijkt uit dit onderzoek de noodzaak tot verbetering, ten behoeve van de volksgezondheid.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Bioaccessibility of contaminants from ingested soil in humans. Method development and research on the bioaccessibility of lead and benzo[a]pyrene | RIVM

Bij risicoschatting van oraal ingenomen stoffen is vaak onbekend hoeveel van deze stof wordt opgenomen door het menselijk lichaam. Dit geldt ook voor contaminanten in bodem. Meestal wordt de orale biobeschikbaarheid van een contaminant uit bodem gelijkgesteld aan de orale biobeschikbaarheid van die contaminant uit de matrix van ingestie bij toxiciteitstudies, welke meestal voedsel of vloeistof is. Er zijn echter aanwijzingen dat de orale biobeschikbaarheid uit bodem significant lager is. Risico's kunnen daardoor substantieel overschat worden. Daarom is een simpel in vitro digestiemodel ontwikkeld, gebaseerd op humane fysiologie, zodat de mobilisatie van contaminanten van grond in het maagdarmkanaal (oftewel bioaccessibility) kan worden gesimuleerd. Optimalisatie van dit in vitro digestiemodel is beschreven in het rapport. De "bioaccessible" fractie is een maat voor de hoeveelheid contaminant die maximaal geabsorbeerd kan worden. Met het in vitro digestiemodel zijn experimenten verricht met lood en benzo[a]pyreen als beleidsrelevante stoffen en vertegenwoordigers van twee verschillende chemische groepen. Als overige variabelen zijn 1) contaminatie-niveau, 2) bodemtype, 3) pH van bodem, en 4) het verouderen van de grond (alleen voor lood), en 5) de speciatie van lood in het uitgangsmateriaal getest. Bovendien is voor lood een begin gemaakt met de vergelijking tussen gronden die kunstmatig of historisch zijn gecontamineerd. De resultaten laten in veel gevallen een niet-lineair verband zien tussen het contaminatie-niveau en de hoeveelheid contaminant die door digestie wordt gemobiliseerd van grond. Omdat conventionele statistische testen niet geschikt waren voor analyse van de verworven data-sets, is een mathematisch model ontwikkeld dat is gebaseerd op theorieen over binding van contaminanten aan bodemdeeltjes. De helft van de data-sets voor lood worden beter beschreven met een niet-linear verband volgens het mathematische model, dan met een lineair verband. De data van benzo[a]pyreen worden zowel voor het lineaire als het niet-lineaire verband beter beschreven met een verzadigingsniveau in digestiesap dan zonder. Omdat te weinig data punten over zijn voor het verzadigingspunt, blijkt het voor het gebied tot aan het verzadigingspunt niet mogelijk onderscheid te maken tussen het lineaire en het niet-lineaire verband. Bovendien lijkt bioaccessibility afhankelijk te zijn van de contaminant en het bodemtype. De overige variabelen lijken weinig of geen effect te hebben op de bioaccessibility. Aanvullende experimenten zijn noodzakelijk om het mathematische model te valideren. Op termijn zou het mathematisch model gebruikt kunnen worden om de bioaccessibility van een specifieke contaminant/bodemtype combinatie te schatten. Het in vitro digestiemodel kan gebruikt worden voor het bepalen van locatiespecifieke bioaccessibility gegevens. Zolang validatie aan de in vivo situatie niet heeft plaatsgevonden moeten de resultaten met voorzichtigheid worden geinterpreteerd.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Immunotoxicity and Developmental Toxicity in the Rat after Prenatal Exposure to Diethylstilbestrol | RIVM

In deze studie hebben we het mogelijke nut onderzocht van het inbouwen van immuunparameters in de "developmental toxicity study", zoals beschreven in het OECD 414 protocol. Diethylstibestrol (DES) werd daarbij als modelstof gebruikt, vanwege de toxische eigenschappen van deze stof voor zowel de embryogenese als voor het immuunsysteeem. De resultaten lieten embryotoxiciteit zien in de vorm van embryonale sterfte en verlaagd foetaal gewicht, terwijl voedselconsumptie en groei van de moederdieren achterbleven. Daarnaast werden bij pups histopathologische effecten gezien in uterus en ovarium, die verklaard kunnen worden uit de oestrogene werking van de modelstof. Echter, immunologische parameters, waaronder histopathologie, hematologie, en SRBC-respons in pups op de leeftijd van vier weken, vertoonden geen afwijkingen. We speculeren dat voor sommige verbindingen in tegenstelling tot de prenatale periode, waarin in deze studie werd blootgesteld, de vroege postnatale periode meer gevoelig zou kunnen zijn voor immunologische schade na blootstelling aan xenobiotica.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Verkenning van methodieken ten behoeve van netwerkanalyses in transitieonderzoek | RIVM

In het kader van het opstellen van het Vierde Nationaal MilieubeleidsPlan (NMP4) is het ministerie van VROM druk zoekende naar nieuwe sturingsvormen van het milieubeleid en de invulling daarvan. Aangenomen wordt dat transities (set van samenhangende, elkaar versterkende trendbreuken) nodig zijn om 'hardnekkige' milieuproblemen aan te pakken. In deze 'vernieuwing van het milieubeleid' staat het handelen van maatschappelijke actoren centraal.Het RIVM wenst als milieuplanbureau te beschikken over een methodiek (model) waarmee geanalyseerd kan worden hoe interacties tussen actoren leiden tot bepaalde transities en hoe overheidsingrijpen doorwerkt op dit krachtenspel. Als eerste stap in dit ontwikkelingstraject zijn, middels literatuuronderzoek, methodieken verkend die het handelen van actoren centraal stellen en die inzicht bieden in de wijze waarop dit handelen (van overheidswege) kan worden beinvloed. Om inzicht te verkrijgen in de mogelijke waarde van deze methodieken voor het bestaande en toekomstige analyse-instrumentarium van het RIVM, is bovendien nader kennisgemaakt met twee van dergelijke 'interactie'-methodieken, te weten de beleidsarrangementenbenadering en een formeel besluitvormingsmodel.Dit rapport doet verslag van de literatuurstudie en de kennismaking met de twee methodieken en geeft aan op welke wijze vervolg zal worden gegeven aan de ontwikkeling van een model om beleidsvragen gericht op transities op een consistente en methodische wijze te beantwoorden.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Gezondheid in de grote steden | RIVM

De gezondheid van de bewoners van de grote steden is gemiddeld minder goed dan in de rest van Nederland. Dit is het gevolg van het achterblijven van de gezondheidstoestand van bewoners van achterstandswijken in die grote steden. Er is een brede inspanning nodig om de gezondheidstoestand van deze groep te verbeteren. De volksgezondheidssector kan dat niet alleen, omdat veel mogelijkheden binnen de invloedssfeer van andere beleidssectoren liggen. Vooral het grotestedenbeleid kan bijdragen aan de verbetering van de volksgezondheid in de grote steden.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

OKZ binnen bereik? De toegankelijkheid van ouder- en kindzorg in geografisch perspectief | RIVM

In welke mate zijn er regionale verschillen in de aansluiting tussen vraag en aanbod in de ouder- en kindzorg? Dat is de centrale vraag van het rapport "OKZ binnen bereik?" Met behulp van geografische kaarten is gekeken naar regionale verschillen in de spreiding van consultatiebureaus, de inzet van menskracht en de toedeling van financiele middelen in de ouder- en kindzorg. Het onderzoek laat onder andere zien dat het aantal consultatiebureaus in Nederland in de periode 1998-2000 met 4% is gedaald, maar ons land kent nog steeds een dicht net van consultatiebureaus. Een belangrijke aanbeveling geldt de verbetering van de informatievoorziening in de ouder- en kindzorg in het algemeen. Bijvoorbeeld regionale verschillen in het feitelijk gebruik van ouder- en kindzorg zijn op dit moment niet na te gaan. Het onderzoek werd uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van VWS.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Technical Report on chemicals, particulate matter and human health, air quality and noise | RIVM

Ondanks verbeteringen van het milieu in Europa op een aantal terreinen, is een aangescherpt milieubeleid in de Europese Unie noodzakelijk om de gezondheidsschade en het natuurverlies te beperken. Een kosten-batenanalyse wijst uit dat zo'n beleid robuust is en dat de macro-economische gevolgen beheersbaar zijn. Belangrijke prioriteiten voor het EU-milieubeleid zijn klimaatverandering, stikstof-eutrofiering, fijn stof, ozon en biodiversiteit. Dit zijn de belangrijkste bevindingen van een internationaal studieconsortium onder leiding van het RIVM. De studie is verricht in samenwerking met EFTEC (UK), NTUA (Griekenland), IIASA (Oostenrijk). Daarnaast hebben TNO en TME bijdragen geleverd. Ook is in het kader van de studie intensief samengewerkt met het Europese Milieuagentschap in Kopenhagen. De studie is verricht op verzoek van de Europese Commissie als bijdrage voor het zesde Milieu-Actieprogramma, dat door de Europese Commissie is gepresenteerd. In de studie stonden vijf vragen centraal: Is het huidige beleid adequaat genoeg? Kan technologie de geconstateerde beleidstekorten oplossen? Zijn ambitieusere milieudoelstellingen te realiseren? Zo ja, zijn deze doelen ook in economische zin verstandig? Welke beleidsreacties en -instrumenten zijn aan te bevelen? Deze vijf vragen zijn geanalyseerd voor twaalf Europese milieuproblemen, zoals klimaatverandering, biodiversiteit en chemische risico's. De analyse bestaat uit een analyse van de kosten van vermeden schade, milieu-uitgaven, risicoschattingen, publieke opinie, sociale gevolgen en duurzaamheid. De studie bevat ook informatie over milieudoelstellingen, scenario's en beleidsopties en - maatregelen, inclusief de kosten en baten hiervan. Dit rapport is het technische achtergrondrapport dat behoort bij het hoofdrapport. Er zijn twaalf technische achtergrondrapporten opgesteld, waarvan negen een specifiek milieuprobleem behandelen (analyse van het probleem, scenarios, kosten-batenanalyse en beleidsopties). Daarnaast zijn er drie algemene achtergrondrapporten opgesteld over de macro-economische gevolgen, de uitbreiding van de EU en de gehanteerde batenmethodiek.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Evaluation of the applicability of the Benchmark approach to existing toxicological data. Framework: Chemical compounds in the working place | RIVM

Vijf stoffen in de werkomgeving waarvoor risico-evaluaties beschikbaar waren, werden geselecteerd voor analyse met de benchmark-benadering. De kritische studies werden voor elk van deze stoffen geanalyseerd. De onderzochte toxicologische parameters betroffen zowel continue als ordinale gegevens. Het bleek dat dosis-respons modellering redelijk kon worden toegepast op de beschikbare gegevens. Kritische-effect-doseringen ('Critical Effect Doses', CEDs) werden afgeleid voor bijna alle toxicologische parameters. De resulterende 'overall' benchmark dosering benaderde voor twee stoffen de NOAEL en was voor twee stoffen hoger dan de LOAEL. Voor 1 stof kon, na analyse met de benchmark benadering, geen conclusie worden getrokken ten aanzien van de dosis-respons relatie, in welk geval bij het gebruik van de studie als meest kritische studie vraagtekens kunnen worden gezet. Geconcludeerd wordt dat the benchmark-benadering toepasbaar lijkt op toxiciteitsstudies uitgevoerd volgens OECD protocollen, op voorwaarde dat effecten ten minste bij twee doseringen optreden. In die situaties waarbij een effect slechts bij 1 dosering optreedt, vertoont de benchmark-benadering geen verbetering ten opzichte van de NOAEL-benadering. Echter in deze gevallen is elke benadering, en dus ook de NOAEL-benadering onbetrouwbaar. Effecten optredend in slechts 1 dosisgroep kunnen het gevolg zijn van een experimentele factor anders dan de toegediende dosering. Het optreden van effecten bij twee doseringen is dan ook een voorwaarde. De analyse van de vijf stoffen met de benchmark-benadering illustreert dat met de benchmark-benadering een completer beeld van de toxiciteit van stoffen kan worden verkregen.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

A revised procedure to concentrate organic micro-pollutants in water | RIVM

Een nieuwe procedure voor het concentreren van chemische verontreinigingen in monsters van oppervlaktewater wordt getest op 27 chemicalien met uiteenlopende fysisch-chemische en biologische eigenschappen. Een vergelijking wordt gemaakt met eerdere methoden die sinds 1994 zijn ontwikkeld. De concentreringsprocedure wordt sinds 1996 toegepast in monitoring van toxiciteit van oppervlaktewater in het kader van project Kartering Ecotoxicologische Effecten van Stoffen. De teststoffen bestaan uit hydrofobe verbindingen met een (polair-)narcotisch werkingsmechanisme, pesticiden, oppervlakte aktieve stoffen en organotin verbindingen. De opbrengst van het narcotische testmengsel, met daarin o.a. vluchtige en sterk adsorberende verbindingen, laat een opvallende verbetering zien, nl. van 18 % naar 60 %. De opbrengst van pesticiden is ca. 70 %, evenals in de vorige procedure. Voor het eerst werden surfactanten en organotinverbindingen in het testprogramma opgenomen. De opbrengst van het anionogene LAS en het non-ionogene octaethyleenglycol monotetradecyl ether, die model staan voor de meest gebruikte wasmiddelen, bedraagt 40 % en 80 % respectievelijk. De opbrengst van organotinverbindingen blijkt nihil, waarmee bevestigd wordt dat de extractieprocedure niet geschikt is voor metalen. Het is essentieel dat het resultaat van de chemische opwerking geschikt is voor het stelsel van toxiciteitsmetingen dat de feitelijke meting van het milieumonster vormt. De opgewerkte watermonsters blijken voldoende compatibel met de bio-assays. Een andere eis die aan de opwerkingsmethodiek gesteld dient te worden, betreft de praktische uitvoerbaarheid. Ten opzichte van de oude methode is sprake van een aanzienlijke verbetering (minder tijdrovend, lager gebruik van dure materialen) waardoor de procedure beter geschikt is voor monitoring van toxisch risico in oppervlaktewater.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

A modular process risk model structure for quantitative microbiological risk assessment and its application in an exposure assessment of Bacillus cereus in a REPFED | RIVM

Dit rapport combineert de methodologische beschrijving van een raamwerk voor kwantitatieve microbiologische risicoschatting (QMRA) met een concreet voorbeeld. Er wordt voorgesteld voor de blootstellingsschatting een "Modular Process Risk Model" (MPRM) te gebruiken. In het MPRM wordt aan elke processtap in het voedselpad (van grondstof tot eindproduct op tafel) in principe 1 specifiek basisproces toegewezen: groei, inactivatie, mengen, opdelen, verwijderen of kruisbesmetting. Een voorbeeld voor het gebruik van de MPRM methodiek betreft een sporenvormende pathogeen, Bacillus cereus, in een koelvers product: een pak gepureerde broccoli. Uit de blootstellinsschatting kan geconcludeerd dat consumenten door consumptie van het product blootgesteld kunnen worden aan B. cereus. Geschat wordt dat, op het moment dat de consument het product uit de koelkast haalt, tot 6.5% van de pakken een concentratie B. cereus van meer dan 10(subschrift) 5 cfu/g kan bevatten. De mate van blootstelling is afhankelijk van het type B. cereus en het gedrag van de consument. Met de huidige kennis (die ondermeer inhoudt dat er geen dosis-respons relatie beschikbaar is), is het niet mogelijk het bijbehorende gezondheidsrisico in te schatten. Het is echter wel mogelijk verschillende maatregelen die de blootstelling aan B. cereus kunnen verlagen te evalueren. Decontaminatie van enkele ingredieten en een verbeterde beheersing van de koelkasttemperatuur bij de consument thuis lijken het meeste effect te hebben. Steekproefsgewijze controle van producten aan het einde van de industriele productie heeft echter niet veel effect. Om QMRA uit te voeren is een verbeterende interactie tussen microbiologie en risicoschatting onontbeerlijk. Het MPRM raamwerk kal hierbij behulpzaam zijn.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Monitoring of Radiation in the environment. Results in the Netherlands in 1999 | RIVM

Dit rapport geeft de resultaten van radioactiviteitsmetingen in het milieu in Nederland verricht door RIZA, RIKZ, Keuringsdienst van Waren en RIVM in 1999. Radioactiviteit werd gemeten in luchtstof, depositie, zoet water, zeewater en drinkwater. Metingen van het omgevingsdosisequivalenttempo zijn gedaan met het Nationaal Meetnet Radioactiviteit. Er zijn geen metingen gedaan in melk en voedsel. In 1999 zijn geen verhogingen van radioactiviteit in het milieu in Nederland gevonden.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Een legionella -epidemie onder bezoekers van een beurs in Bovenkarspel 1. Beschrijving van de epidemie 2. Patient-controle onderzoek naar de bron | RIVM

In maart 1999 werd een ongebruikelijk aantal patienten met een atypische pneumonie opgenomen in een ziekenhuis in Hoorn. Na bevestiging van de diagnose legionellose met een urine-antigeentest en een orienterend patient-controle onderzoek dat wees op de jaarlijkse Westfriese Flora te Bovenkarspel (19 t/m 28 februari, 80.000 bezoekers) als plaats van blootstelling, ging er via de media een nationale waarschuwing uit, werd een casus-register aangelegd en startte een uitgebreide 'outbreak investigation'. In dit rapport wordt een beschrijving van de epidemie gegeven op basis van de gegevens in het casus-register en worden de bevindingen uit het patient-controle onderzoek gerapporteerd. Separate rapporten zijn verschenen over het bemonsteringsonderzoek ('environmental investigation') en over het cohortonderzoek.In het casus-register werden 318 personen geregistreerd, waaronder 133 bewezen en 55 vermoedelijke gevallen van legionellose. De mediane leeftijd was 66 jaar (spreiding 20-91 jaar); de man:vrouw ratio was 1,4. De eerste ziektedag lag tussen 25 februari en 16 maart; de maximale incubatietijd bedroeg 19 dagen, aanzienlijk langer dan in de literatuur wordt vermeld. Behalve een patient bekend met COPD en recidiverende pneumonieen was de laatste bezoekdag van alle casus op of na 23 februari. De attack-rate per 10.000 bezoekers per bezoekdag liep op van 1,1 (21 februari) tot 53,4 (27 februari). Het aantal ziekenhuisopnamen piekt op 12 maart, de dag van het nationale alarm. De hospitalisatie-frequentie bedroeg 86,7%; bij 19,1% van de patienten was beademing noodzakelijk. Negenentwintig personen, die de Westfriese bezochten en waren opgenomen in het casus-register, overleden, van wie 17 bewezen en vier vermoedelijke casus. De case-fatality-rate bedroeg 0,11 voor bewezen en vermoedelijke casus.De bevindingen vormen een sterke aanwijzing dat een (of meer) infectiebron(nen) op of voor 21 februari met Legionella spp zijn gecontamineerd, waarna vermenigvuldiging van de ziekteverwekker in de bron(nen) heeft geleid tot toenemende concentraties van Legionella spp in de hallen waar de Flora werd gehouden.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

CONSEXPO 3.0, consumer exposure and uptake models | RIVM

Het rapport bevat een modelmatige benadering ter schatting van consumentenblootstelling aan chemische stoffen, gebaseerd op contact-, blootstelling- en opnamemodellen. Voor elke blootstellingroute zijn mathematische modellen aanwezig. Een algemeen raamwerk verbindt de modellen voor contact, blootstelling en opname. Door deze modellen te combineren wordt de blootstelling aan een specifieke stof uit een specifiek product beschreven. In het programma kunnen ook stochastisch parameters gegeven worden, die verdelingen van blootstelling en opname opleveren. Hieruit kan een willekeurig percentiel opgevraagd worden. Het programma is verbonden met een database, waarin voorgedefinieerde blootstelling- en opnamescenario's komen te staan. Het programma rapporteert diverse blootstellingmaten, waaronder de gemiddelde blootstelling gedurende contact, de jaargemiddelde blootstelling, de opname en de opname per kilogram lichaamsgewicht.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Bouwstenen voor het NMP4; Aanvulling op de Nationale Milieuverkenning 5 | RIVM

De 5e Nationale Milieuverkenning, die in september 2000 is verschenen, liet zien dat de komende decennia een aantal milieuproblemen moeilijk oplosbaar zal zijn. Voorbeelden hiervan zijn klimaatverandering, de achteruitgang in biodiversiteit en de stedelijke luchtkwaliteit. Het onlangs gepresenteerde Nationaal Milieubeleidsplan 4 - de beleidsmatige reactie op de Milieuverkenning - bevat de strategische beleidslijnen voor de lange termijn (2030). De ambities zijn hoog: uiteindelijk moet 95% van de natuur in Nederland duurzaam worden beschermd en op termijn mogen er geen milieugerelateerde gezondheidseffecten meer zijn. Momenteel is minder dan 10% van de natuur in Nederland duurzaam beschermd en is het milieugerelateerde gezondheidsverlies ongeveer 2-5% van de totale gezondheidsverliezen in Nederland. Naast de bewezen milieugerelateerde gezondheidsrisico's zijn er diverse nog onbewezen maar niet uit te sluiten risico's voor de volksgezondheid. Voorbeelden zijn de mogelijke gezondheidseffecten van micro-organismen, hormoonontregelende stoffen (oestrogenen), genetisch gemanipuleerde organismen, GSM-apparatuur en hoogspanningslijnen. Om de NMP4-ambities te kunnen realiseren zullen de emissies van met name NOx, VOS, ammoniak en fijn stof in Nederland met 70-90% ten opzichte van 1990 moeten worden gereduceerd. Dergelijke reductiepercentages zijn met de huidige, bekende technologieen nauwelijks voorstelbaar. De 95%-natuurbeschermingsambitie vraagt om een combinatie van generiek en gebiedsgericht beleid, eventueel aangevuld met effectgerichte beheersmaatregelen. Door verplaatsing van landbouwbedrijven uit een zone van 500 meter rond natuurgebieden kan het percentage (voor stikstof) beschermde grote natuurgebieden in 2010 worden verhoogd van circa 30% tot boven de 50%. Om de effecten van klimaatverandering het hoofd te kunnen bieden, zal de emissie van CO2 in West-Europa de komende decennia met 30-50% moeten worden teruggedrongen. Technologisch lijkt er veel mogelijk, tegen relatief geringe kosten. De belangrijkste uitdagingen liggen op het politieke, sociale en institutionele vlak.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Pre-clinical safety assessment of Tissue Engineered Medical Products (TEMPs) -An investigation on assays and guidelines for biocompatibility testing | RIVM

Bij de pre-klinische risico-evaluatie van Tissue Engineered Medical Products (TEMPs) ontbreken gestandaardiseerde testen voor het evalueren van de biocompatibiliteit van het eindproduct. TEMPs bestaan uit een combinatie van levende cellen, biomaterialen en biomoleculen en komen voort uit "Tissue Engineering", een vakgebied dat gebruik maakt van de kennis uit verschillende disciplines om biologische producten te genereren die weefsels en/of organen kunnen repareren, regenereren of vervangen. Dit rapport is van belang voor alle instellingen en bedrijven die met de productie, de beoordeling en de regulering van TEMPs te maken (gaan) hebben. Op dit moment vallen TEMPs (nog) niet onder specifieke Nederlandse of Europese wetgeving. Echter, door de toename van het aantal producten komt er steeds meer behoefte aan eenduidige veiligheidswaarborging. Deze waarborging berust voor een belangrijk deel op een gedegen analyse van de risico's met betrekking tot het medisch gebruik van TEMPs. Een van de belangrijke risico's voor implantaten is het gebrek aan biocompatibiliteit. Bij de samenstelling van dit rapport is gebruik gemaakt van interviews met deskundigen, wetenschappelijke artikelen en congressen, en documenten van (inter-)nationale organisaties. De belangrijke risico's met betrekking tot de individuele componenten (levende cellen, biomaterialen en biomoleculen) komen voort uit de manipulatie van levende cellen, het gebruik van degradeerbare materialen en de dosering van biomoleculen. Door het bestaan van complexe interacties tussen de componenten lijkt het echter niet voldoende om uitsluitend de risico's van de individuele componenten te evalueren. Mogelijke interacties moeten dan ook opgenomen worden in de risico-evaluatie. Daarnaast zijn er (nog) geen gevalideerde pre-klinische testen die toepasbaar zijn op het eindproduct. Dit maakt het moeilijk om het eindproduct te evalueren. De ontwikkeling van gevalideerde testen voor de veiligheidsevaluatie van TEMPs dient dan ook gestimuleerd te worden. Verder verdient het aanbeveling om klinisch relevante gevalideerde technieken in Europese standaarden of richtlijnen vast te leggen ter ondersteuning van veiligheidsevaluatie voor dit soort van complexe medische producten.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Coronaire stents: historische ontwikkelingen en toekomstverwachtingen | RIVM

Beschreven wordt de medisch-technologische ontwikkelingen, toekomstige mogelijkheden en kosten van coronaire stents voor de behandeling van hart- en vaatziekten, die doodsoorzaak nummer een zijn in Nederland. De toepassing van deze medische hulpmiddelen heeft een grote impact op de interventiecardiologie. De recente ontwikkelingen hebben met name betrekking op technologische verbeteringen en verfijningen van coronaire stents en het plaatsingssysteem. Hernieuwde vernauwing van de arterie en de vorming van bloedstolsels vormen de belangrijkste complicaties na stentimplantatie in een coronaire arterie. De medische ontwikkelingen hebben betrekking op diverse aanvullende therapieen c.q. innovatieve technologieen die ontwikkeld worden om de hiervoor genoemde complicaties te behandelen en de diagnostiek te verbeteren. Op korte termijn zullen stents die geneesmiddelen afgeven, de zogenaamde drug eluting stent, de conventionele stents vervangen waardoor een hernieuwde vernauwing van het bloedvat aanzienlijk vermindert. Stentcoatings en orale geneesmiddelen vervullen inmiddels een prominente rol om de vorming van bloedstolsels te reduceren. Het aantal mensen met hart- en vaatziekten in Nederland zal toenemen van 168.100 in 2000 tot 239.900 in 2020. Schattingen van de toekomstige kosten van stentimplantatie geven aan dat de kosten tot 2020 met circa 40% zullen stijgen. Deze schatting dient met de nodige voorzichtigheid te worden betracht, omdat voor de berekening expliciete aannamen zijn gemaakt. Deze literatuurstudie werd uitgevoerd door het RIVM en aangevuld met interviews voor de Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2002 om een bijdrage te leveren aan de informatiebehoefte van de beleidsontwikkeling van het Ministerie van VWS.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Inter- en intraspeciesextrapolatie: inzichten uit geneesmiddelendossiers Een samenvatting | RIVM

In de toxicologie worden onzekerheidsfactoren voor interspecies en intraspecies extrapolatie toegepast. Geneesmiddelendossiers bevatten veelal studies in zowel proefdieren als mensen en kunnen dus een bruikbare bron vormen voor het onderbouwen van genoemde onzekerheidsfactoren. Uit dit rapport blijkt dat de gegevens beschikbaar in geneesmiddelendossiers ontoereikend zijn voor het bepalen van de interspecies variatie. Alleen in geval van de kinetiek zouden extrapolatiefactoren kunnen worden afgeleid. De gegevens in de geneesmiddelendossiers blijken wel geschikt te zijn voor de bepaling van de intraspecies variatie (de variatie tussen individuen) alhoewel ook hier de bruikbare gegevens gelimiteerd zijn. De verkregen verdeling is consistent met de door Slob en Pieters (1997, 1998) op theoretische gronden voorgestelde verdeling. Het verdient daarom aanbeveling deze verdeling te gebruiken in geval van probabilistische risicoschattingen.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

MMR vaccine in 14 months old children, intramuscular versus subcutaneous administration | RIVM

In deze studie is de gebruikelijke en in de bijsluiter geadviseerde subcutane toedieningsroute van het BMR vaccin vergeleken met intramusculaire toediening, zowel wat betreft veiligheid als immunogeniciteit. De studie populatie bestond uit 14 maanden oude kinderen uit Amersfoort of Utrecht die in aanmerking kwamen voor hun eerste BMR vaccinatie. De deelnemers (N=67) werden 'at random' verdeeld over twee onderzoeksgroepen gebaseerd op de toedieningswijze van het vaccin (intramusculair of subcutaan). Pijn direct na vaccinatie was de meest gemelde lokale reactie. Heftige pijn kwam wat vaker voor na subcutane injectie. Het aantal deelnemers is echter te klein om dit statistisch te onderbouwen. Bijwerkingen door de infectieverschijnselen, die door het vaccinvirus veroorzaakt kunnen worden, treden met name op in de tweede week na de BMR vaccinatie. Ook in dit onderzoek was een piek in de algemene gezondheidsklachten te zien in de tweede week na vaccinatie. Deze klachten waren onafhankelijk van de toedieningsroute van het vaccin. Het is echter moeilijk te bepalen welke klachten een direct gevolg van de BMR vaccinatie zijn, omdat deze vaak niet te onderscheiden zijn van symptomen van ziektes die bij 14 maanden oude kinderen veel voorkomen. te een goede immuunrespons op. De hoogte van ELISA titers tegen bof en rubella lijkt onafhankelijk van de toedieningsroute van het vaccin. De antistoffen tegen mazelen lagen na subcutane vaccinatie op een iets hoger niveau dan na intramusculaire vaccinatie, zowel voor antistoffen gemeten met ELISA als met de virusneutralisatie assay. Dit verschil was echter niet statistisch significant. De toedieningsroute was niet van invloed op de percentages kinderen met antistoffen boven het als beschermend beschouwde niveau tegen zowel bof (92%), mazelen (100%) als rubella (100%). Dit onderzoek toont aan dat er geen reden voor revaccinatie is, wanneer het BMR vaccin per ongeluk intramusculair toegediend is. In de toekomst kan mogelijkerwijs in de bijsluiter van het RIVM BMR vaccin opgenomen worden dat het vaccin zowel subcutaan als intramusculair toegediend mag worden.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Adverse events following immunisations under the National Vaccination Programme of The Netherlands Numbers V - Reports in 1998 | RIVM

Sinds 1962 bewaakt het RIVM de veiligheid van het Rijksvaccinatieprogramma. Vanaf 1984 gebeurt dat in nauwe samenwerking met de Gezondheidsraad. Het merendeel van de meldingen komt binnen via de telefonische informatiedienst van het RIVM, waarbij de meeste meldingen afkomstig zijn uit de jeugdgezondheidszorg.Nadere informatie wordt zo nodig verkregen van ouders en behandelende artsen. Na aanvulling en verificatie wordt aan de hand van de (werk)diagnose de causaliteit beoordeeld. Alle in 1998 binnengekomen meldingen zijn in dit rapport opgenomen en gerubriceerd naar aard van de gebeurtenis en naar causaal verband. Onderrapportage, vertekening en specifieke beelden worden besproken. Er zijn 1100 meldingen binnengekomen, op ongeveer twee miljoen vaccinaties. Hiervan waren er 16 (1,5%) niet te beoordelen vanwege ontbrekende informatie. Bij 80% (877) van de meldingen werd een mogelijke causaal verband vastgesteld en bij 197 meldingen (18%) werd een oorzakelijk verband onwaarschijnlijk of afwezig geacht. Vergeleken met 1997 was er opnieuw een stijging in het aantal meldingen. Deze stijging kan deels worden veroorzaakt door verdere afname van onderrapportage, verhoogde aandacht en bezorgdheid. Mogelijk is er ook enige toename in frequentie van werkelijke bijwerkingen, vooral van beelden met koorts en huilen.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Surveillance van HIV-infectie onder injecterende druggebruikers in Nederland: meting Almelo/Enschede/Hengelo 2000 | RIVM

Tussen 19 mei en 4 juli 2000 werden bij 79 IDs (injecterende druggebruikers) uit Almelo, Enschede en Hengelo een speekselmonster en een vragenlijst naar risicogedrag afgenomen. De deelnemers werden geworven via de methadonposten in Almelo en Enschede.Van de 79 IDs waren twee deelnemers HIV-positief (prevalentie 2,5%; 95% betrouwbaarheidsinterval 0,3-8,8). Van de 40 deelnemers die in de laatste zes maanden intraveneus drugs hebben gebruikt ('actuele spuiters') had 30% in de laatste zes maanden een gebruikte spuit of naald van een ander geleend. Dit percentage is veel hoger dan in de andere steden (11-17%). De geleende spuit/naald werd door 83% niet of niet goed schoongemaakt. Achttien procent van de actueel spuitende IDs had recent een gebruikte spuit of naald uitgeleend. Dit gebeurt meer in Twente dan in andere steden, zoals Heerlen/Maastricht, Amsterdam en Groningen, waar een vergelijkbare meting werd uitgevoerd. Spuitattributen (watje, lepel, filter, spoelwater) werden door 40% van de actuele spuiters wel eens geleend.Van alle IDs had 49% in de laatste zes maanden een vaste seksuele partner. Bij 44% van deze IDs was de vaste partner geen druggebruiker en bij 15% een niet-injecterende druggebruiker. Bij seksueel contact met de vaste partner gebruikte slechts 8% van de IDs altijd een condoom. Met losse partners en met klanten (prostitutie) werden condooms vaker gebruikt (altijd condooms gebruikt: 32% en 50% respectievelijk). Toch wordt, gezien de lage HIV-prevalentie, het risico van verspreiding van HIV naar niet-IDs of de rest van de algemene bevolking laag ingeschat.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Technical Report on Stratospheric Ozone Depletion in Europe: an integrated economic and environmental assessment | RIVM

Ondanks verbeteringen van het milieu in Europa op een aantal terreinen, is een aangescherpt milieubeleid in de Europese Unie noodzakelijk om de gezondheidsschade en het natuurverlies te beperken. Een kosten-batenanalyse wijst uit dat zo'n beleid robuust is en dat de macro-economische gevolgen beheersbaar zijn. Belangrijke prioriteiten voor het EU-milieubeleid zijn klimaatverandering, stikstof-eutrofiering, fijn stof, ozon en biodiversiteit. Dit zijn de belangrijkste bevindingen van een internationaal studieconsortium onder leiding van het RIVM. De studie is verricht in samenwerking met EFTEC (UK), NTUA (Griekenland), IIASA (Oostenrijk). Daarnaast hebben TNO en TME bijdragen geleverd. Ook is in het kader van de studie intensief samengewerkt met het Europese Milieuagentschap in Kopenhagen. De studie is verricht op verzoek van de Europese Commissie als bijdrage voor het zesde Milieu-Actieprogramma, dat door de Europese Commissie is gepresenteerd.In de studie stonden vijf vragen centraal: Is het huidige beleid adequaat genoeg? Kan technologie de geconstateerde beleidstekorten oplossen? Zijn ambitieusere milieudoelstellingen te realiseren? Zo ja, zijn deze doelen ook in economische zin verstandig? Welke beleidsreacties en -instrumenten zijn aan te bevelen? Deze vijf vragen zijn geanalyseerd voor twaalf Europese milieuproblemen, zoals klimaatverandering, biodiversiteit en chemische risico's. De analyse bestaat uit een analyse van de kosten van vermeden schade, milieu-uitgaven, risicoschattingen, publieke opinie, sociale gevolgen en duurzaamheid. De studie bevat ook informatie over milieudoelstellingen, scenario's en beleidsopties en - maatregelen, inclusief de kosten en baten hiervan.Dit rapport is het technische achtergrondrapport dat behoort bij het hoofdrapport. Er zijn twaalf technische achtergrondrapporten opgesteld, waarvan negen een specifiek milieuprobleem behandelen (analyse van het probleem, scenarios, kosten-batenanalyse en beleidsopties). Daarnaast zijn er drie algemene achtergrondrapporten opgesteld over de macro-economische gevolgen, de uitbreiding van de EU en de gehanteerde batenmethodiek.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Risicofactoren En GezondheidsEvaluatie Nederlandse Bevolking, een Onderzoek Op GGD'en (Regenboog-project); jaarverslag 1999 | RIVM

Het Regenboog-project is een samenwerkingsverband tussen het RIVM, CBS en GGD Nederland en GGD'en. Het doel van het Regenboogproject is een beeld te krijgen van de gezondheidssituatie van de Nederlandse bevolking op het gebied van chronische en infectieziekten. Een aselecte steekproef wordt getrokken door het CBS. Bij deze personen wordt thuis de gezondheidsenquete afgenomen. Vervolgens wordt gevraagd om deel te nemen aan een aanvullend lichamelijk onderzoek op de GGD. Hierop reageert 60,9% positief. Het onderzoek op de GGD bestaat uit het invullen van een vragenlijst over infectieziekten, meting van bloeddruk, lengte, gewicht en middel-heupomtrek. Tot slot wordt er een gewrichtsfunctietest en 4 buisjes bloed afgenomen. Van de geinterviewde personen komt uiteindelijk 30,0 % op de GGD voor het lichamelijk onderzoek. De prevalentie van hypertensie is voor mannen 19% en vrouwen 16%. De prevalentie van overgewicht neemt toe met de leeftijd. De schatting van overgewicht blijkt sterk te verschillen tussen gerapporteerde en gemeten lengte en gewicht. Met name bij vrouwen is dit verschil duidelijk aanwezig. De onderzochte groep blijkt een bruikbare afspiegeling van de Nederlandse bevolking.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Technical Report on Biodiversity in Europe: an integrated economic and environmental assessment | RIVM

Ondanks verbeteringen van het milieu in Europa op een aantal terreinen, is een aangescherpt milieubeleid in de Europese Unie noodzakelijk om de gezondheidsschade en het natuurverlies te beperken. Een kosten-batenanalyse wijst uit dat zo'n beleid robuust is en dat de macro-economische gevolgen beheersbaar zijn. Belangrijke prioriteiten voor het EU-milieubeleid zijn klimaatverandering, stikstof-eutrofiering, fijn stof, ozon en biodiversiteit. Dit zijn de belangrijkste bevindingen van een internationaal studieconsortium onder leiding van het RIVM. De studie is verricht in samenwerking met EFTEC (UK), NTUA (Griekenland), IIASA (Oostenrijk). Daarnaast hebben TNO en TME bijdragen geleverd. Ook is in het kader van de studie intensief samengewerkt met het Europese Milieuagentschap in Kopenhagen. De studie is verricht op verzoek van de Europese Commissie als bijdrage voor het zesde Milieu-Actieprogramma, dat door de Europese Commissie is gepresenteerd. In de studie stonden vijf vragen centraal: Is het huidige beleid adequaat genoeg? Kan technologie de geconstateerde beleidstekorten oplossen? Zijn ambitieusere milieudoelstellingen te realiseren? Zo ja, zijn deze doelen ook in economische zin verstandig? Welke beleidsreacties en -instrumenten zijn aan te bevelen? Deze vijf vragen zijn geanalyseerd voor twaalf Europese milieuproblemen, zoals klimaatverandering, biodiversiteit en chemische risico's. De analyse bestaat uit een analyse van de kosten van vermeden schade, milieu-uitgaven, risicoschattingen, publieke opinie, sociale gevolgen en duurzaamheid. De studie bevat ook informatie over milieudoelstellingen, scenario's en beleidsopties en - maatregelen, inclusief de kosten en baten hiervan. Dit rapport is het technische achtergrondrapport dat behoort bij het hoofdrapport. Er zijn twaalf technische achtergrondrapporten opgesteld, waarvan negen een specifiek milieuprobleem behandelen (analyse van het probleem, scenarios, kosten-batenanalyse en beleidsopties). Daarnaast zijn er drie algemene achtergrondrapporten opgesteld over de macro-economische gevolgen, de uitbreiding van de EU en de gehanteerde batenmethodiek.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Technical Report on Waste Management in Europe: an integrated economic and environmental assessment | RIVM

Ondanks verbeteringen van het milieu in Europa op een aantal terreinen, is een aangescherpt milieubeleid in de Europese Unie noodzakelijk om de gezondheidsschade en het natuurverlies te beperken. Een kosten-batenanalyse wijst uit dat zo'n beleid robuust is en dat de macro-economische gevolgen beheersbaar zijn. Belangrijke prioriteiten voor het EU-milieubeleid zijn klimaatverandering, stikstof-eutrofiering, fijn stof, ozon en biodiversiteit. Dit zijn de belangrijkste bevindingen van een internationaal studieconsortium onder leiding van het RIVM. De studie is verricht in samenwerking met EFTEC (UK), NTUA (Griekenland), IIASA (Oostenrijk). Daarnaast hebben TNO en TME bijdragen geleverd. Ook is in het kader van de studie intensief samengewerkt met het Europese Milieuagentschap in Kopenhagen. De studie is verricht op verzoek van de Europese Commissie als bijdrage voor het zesde Milieu-Actieprogramma, dat door de Europese Commissie is gepresenteerd. In de studie stonden vijf vragen centraal: Is het huidige beleid adequaat genoeg? Kan technologie de geconstateerde beleidstekorten oplossen? Zijn ambitieusere milieudoelstellingen te realiseren? Zo ja, zijn deze doelen ook in economische zin verstandig? Welke beleidsreacties en -instrumenten zijn aan te bevelen? Deze vijf vragen zijn geanalyseerd voor twaalf Europese milieuproblemen, zoals klimaatverandering, biodiversiteit en chemische risico's. De analyse bestaat uit een analyse van de kosten van vermeden schade, milieu-uitgaven, risicoschattingen, publieke opinie, sociale gevolgen en duurzaamheid. De studie bevat ook informatie over milieudoelstellingen, scenario's en beleidsopties en - maatregelen, inclusief de kosten en baten hiervan. Dit rapport is het technische achtergrondrapport dat behoort bij het hoofdrapport. Er zijn twaalf technische achtergrondrapporten opgesteld, waarvan negen een specifiek milieuprobleem behandelen (analyse van het probleem, scenarios, kosten-batenanalyse en beleidsopties). Daarnaast zijn er drie algemene achtergrondrapporten opgesteld over de macro-economische gevolgen, de uitbreiding van de EU en de gehanteerde batenmethodiek.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Technical Report on Socio-Economic Trends, Macro-Economic Impacts and Cost Interface | RIVM

Ondanks verbeteringen van het milieu in Europa op een aantal terreinen, is een aangescherpt milieubeleid in de Europese Unie noodzakelijk om de gezondheidsschade en het natuurverlies te beperken. Een kosten-batenanalyse wijst uit dat zo'n beleid robuust is en dat de macro-economische gevolgen beheersbaar zijn. Belangrijke prioriteiten voor het EU-milieubeleid zijn klimaatverandering, stikstof-eutrofiering, fijn stof, ozon en biodiversiteit. Dit zijn de belangrijkste bevindingen van een internationaal studieconsortium onder leiding van het RIVM. De studie is verricht in samenwerking met EFTEC (UK), NTUA (Griekenland), IIASA (Oostenrijk). Daarnaast hebben TNO en TME bijdragen geleverd. Ook is in het kader van de studie intensief samengewerkt met het Europese Milieuagentschap in Kopenhagen. De studie is verricht op verzoek van de Europese Commissie als bijdrage voor het zesde Milieu-Actieprogramma, dat door de Europese Commissie is gepresenteerd. In de studie stonden vijf vragen centraal: Is het huidige beleid adequaat genoeg? Kan technologie de geconstateerde beleidstekorten oplossen? Zijn ambitieusere milieudoelstellingen te realiseren? Zo ja, zijn deze doelen ook in economische zin verstandig? Welke beleidsreacties en -instrumenten zijn aan te bevelen? Deze vijf vragen zijn geanalyseerd voor twaalf Europese milieuproblemen, zoals klimaatverandering, biodiversiteit en chemische risico's. De analyse bestaat uit een analyse van de kosten van vermeden schade, milieu-uitgaven, risicoschattingen, publieke opinie, sociale gevolgen en duurzaamheid. De studie bevat ook informatie over milieudoelstellingen, scenario's en beleidsopties en - maatregelen, inclusief de kosten en baten hiervan. Dit rapport is het technische achtergrondrapport dat behoort bij het hoofdrapport. Er zijn twaalf technische achtergrondrapporten opgesteld, waarvan negen een specifiek milieuprobleem behandelen (analyse van het probleem, scenarios, kosten-batenanalyse en beleidsopties). Daarnaast zijn er drie algemene achtergrondrapporten opgesteld over de macro-economische gevolgen, de uitbreiding van de EU en de gehanteerde batenmethodiek.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Technical Report on Enlargement | RIVM

Ondanks verbeteringen van het milieu in Europa op een aantal terreinen, is een aangescherpt milieubeleid in de Europese Unie noodzakelijk om de gezondheidsschade en het natuurverlies te beperken. Een kosten-batenanalyse wijst uit dat zo'n beleid robuust is en dat de macro-economische gevolgen beheersbaar zijn. Belangrijke prioriteiten voor het EU-milieubeleid zijn klimaatverandering, stikstof-eutrofiering, fijn stof, ozon en biodiversiteit. Dit zijn de belangrijkste bevindingen van een internationaal studieconsortium onder leiding van het RIVM. De studie is verricht in samenwerking met EFTEC (UK), NTUA (Griekenland), IIASA (Oostenrijk). Daarnaast hebben TNO en TME bijdragen geleverd. Ook is in het kader van de studie intensief samengewerkt met het Europese Milieuagentschap in Kopenhagen. De studie is verricht op verzoek van de Europese Commissie als bijdrage voor het zesde Milieu-Actieprogramma, dat door de Europese Commissie is gepresenteerd. In de studie stonden vijf vragen centraal: Is het huidige beleid adequaat genoeg? Kan technologie de geconstateerde beleidstekorten oplossen? Zijn ambitieusere milieudoelstellingen te realiseren? Zo ja, zijn deze doelen ook in economische zin verstandig? Welke beleidsreacties en -instrumenten zijn aan te bevelen? Deze vijf vragen zijn geanalyseerd voor twaalf Europese milieuproblemen, zoals klimaatverandering, biodiversiteit en chemische risico's. De analyse bestaat uit een analyse van de kosten van vermeden schade, milieu-uitgaven, risicoschattingen, publieke opinie, sociale gevolgen en duurzaamheid. De studie bevat ook informatie over milieudoelstellingen, scenario's en beleidsopties en - maatregelen, inclusief de kosten en baten hiervan. Dit rapport is het technische achtergrondrapport dat behoort bij het hoofdrapport. Er zijn twaalf technische achtergrondrapporten opgesteld, waarvan negen een specifiek milieuprobleem behandelen (analyse van het probleem, scenarios, kosten-batenanalyse en beleidsopties). Daarnaast zijn er drie algemene achtergrondrapporten opgesteld over de macro-economische gevolgen, de uitbreiding van de EU en de gehanteerde batenmethodiek.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Technical Report on Nuclear Accidents and other Major Accidents in Europe: an integrated economic and environmental assessment | RIVM

Ondanks verbeteringen van het milieu in Europa op een aantal terreinen, is een aangescherpt milieubeleid in de Europese Unie noodzakelijk om de gezondheidsschade en het natuurverlies te beperken. Een kosten-batenanalyse wijst uit dat zo'n beleid robuust is en dat de macro-economische gevolgen beheersbaar zijn. Belangrijke prioriteiten voor het EU-milieubeleid zijn klimaatverandering, stikstof-eutrofiering, fijn stof, ozon en biodiversiteit. Dit zijn de belangrijkste bevindingen van een internationaal studieconsortium onder leiding van het RIVM. De studie is verricht in samenwerking met EFTEC (UK), NTUA (Griekenland), IIASA (Oostenrijk). Daarnaast hebben TNO en TME bijdragen geleverd. Ook is in het kader van de studie intensief samengewerkt met het Europese Milieuagentschap in Kopenhagen. De studie is verricht op verzoek van de Europese Commissie als bijdrage voor het zesde Milieu-Actieprogramma, dat door de Europese Commissie is gepresenteerd. In de studie stonden vijf vragen centraal: Is het huidige beleid adequaat genoeg? Kan technologie de geconstateerde beleidstekorten oplossen? Zijn ambitieusere milieudoelstellingen te realiseren? Zo ja, zijn deze doelen ook in economische zin verstandig? Welke beleidsreacties en -instrumenten zijn aan te bevelen? Deze vijf vragen zijn geanalyseerd voor twaalf Europese milieuproblemen, zoals klimaatverandering, biodiversiteit en chemische risico's. De analyse bestaat uit een analyse van de kosten van vermeden schade, milieu-uitgaven, risicoschattingen, publieke opinie, sociale gevolgen en duurzaamheid. De studie bevat ook informatie over milieudoelstellingen, scenario's en beleidsopties en - maatregelen, inclusief de kosten en baten hiervan. Dit rapport is het technische achtergrondrapport dat behoort bij het hoofdrapport. Er zijn twaalf technische achtergrondrapporten opgesteld, waarvan negen een specifiek milieuprobleem behandelen (analyse van het probleem, scenarios, kosten-batenanalyse en beleidsopties). Daarnaast zijn er drie algemene achtergrondrapporten opgesteld over de macro-economische gevolgen, de uitbreiding van de EU en de gehanteerde batenmethodiek.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Fysieke productieontwikkelingen in de industrie. Het gebruik van STREAM bij verkenningen | RIVM

De levenscyclus van materialen als staal, aluminium en papier belast het milieu. Met name omzetting van grondstoffen naar basismaterialen door o.a. kraak- en smeltprocessen kost veel energie. Op Europese schaal dragen de productie en verwerking van materialen door de basisindustrie voor circa 25% bij aan de totale broeikasgasemissie. Voor Nederland met een relatief energie-intensieve sectorstructuur is dit aandeel nog hoger. Om inzicht te hebben in de toekomstige ontwikkelingen in milieudruk door materiaalstromen is inzicht in de fysieke productieontwikkelingen in de basisindustrie van groot belang, immers energiegebruik en emissies van stoffen zijn gekoppeld aan fysieke productiehoeveelheden van materialen. Om die reden is door het CPB in samenwerking met het RIVM het model STREAM ontwikkeld. Met STREAM kan voor Nederland, West-Europa en wereld worden verkend hoe ontwikkelingen in economie en (milieu)beleid doorwerken in de fysieke omvang, de locatie en de inputefficiency (arbeid, kapitaal en energie) van de materialenproductie. STREAM bevat de materialen staal, aluminium, papier, petrochemische productie (monomeren, polymeren, oplosmiddelen) en kunstmest, en modelleert zowel de productieontwikkelingen van materialen o.b.v. primaire ('maagdelijke') grondstoffen als de productie o.b.v. gerecyclede materialen. STREAM bevat veel modelparameters, die zijn bepaald uit of gekalibreerd zijn op monitoringsgegevens over de periode 1960-1993. Uit een globale onzekerheids- en gevoeligheidsanalyse concluderen we dat de belangrijkste onzekerheden en gevoeligheid van het Nederlandse 'blok' in het model zijn te vinden in de gehanteerd import-export elasticiteiten. Deze geven aan, dat een kostprijsverhoging in Nederland t.o.v. het buitenland van 1% resulteert in een exportdaling van 6-8%. Gezien de onzekerheden in het model beschouwen we de modelresultaten als indicatief en trendmatige ontwikkelingen weergevend. ent STREAM een verdere groei van de vraag naar en de productie van basismaterialen. De mate van groei verschilt per beschouwd materiaal. De vraag naar materialen uit de basischemie, zoals polymeren en oplosmiddelen, en de vraag naar aluminium groeien het sterkst terwijl bijvoorbeeld de West Europese productie van kunstmest stagneert. De productiegroei van basismaterialen in Nederland, grotendeels ten behoeve van de export, houdt gelijke tred met die in de rest van West Europa. Hoewel de energie-efficiency van de productie van basismaterialen toe blijft nemen, mede door een toenemend aandeel secundaire productie, blijft ze achter bij de productiegroei. Het industriele energiegebruik en de daarmee samenhangende CO2 emissies nemen daarom toe. Tot op heden zijn de milieukosten in de Nederlands industrie 1-2% van de totale productiekosten en niet aantoonbaar hoger dan in omringende (concurrerende) landen. De toekomstige kosten, bij het nu vastgestelde milieubeleid, lijken de concurrentiepositie ook niet of beperkt aan te tasten. Dit beleid doet industriele emissies in Nederland (verder) dalen, uitgezonderd CO2, maar emissiedoelen voor 2010 blijven veelal buiten bereik. Rekenvarianten waarin het milieubeleid wordt aangescherpt geven een verdere illustratie van de 'spanning' tussen milieubeleid enerzijds en verlies aan concurrentie-kracht anderzijds.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Risk assessment of Deoxynivalenol in Food. An assessment of exposure and effects in the Netherlands | RIVM

De probabilistische blootstellingsschatting van deoxynivalenol (DON) werd uitgevoerd aan de hand van de monitoringsgegevens van DON in tarwe en tarwebevattende voedingsmiddelen (monsternameperiode sept. 1998 - jan. 2000) en de gegevens over het consumptiepatroon in Nederland. De inname van DON in Nederland in de betreffende periode overschreed de voorlopige TDI van 1.1 ug per kg lichaamsgewicht, met name in kinderen. Brood vormt de belangrijkste bron van DON. Bij eenjarigen vormt ook pap een belangrijke bron van DON inname. De probabilistische effectschatting toonde aan dat, uitgaande van het 95e percentiel van DON-inname bij eenjarigen, gezondheidseffecten mogelijk zijn. Bij dit innameniveau worden de suppressieve effecten op het lichaamsgewicht (groeivertraging) en het relatieve levergewicht geschat op respectievelijk 2.2 en 2.7%. De betrouwbaarheidsintervallen zijn echter groot, hetgeen aangeeft dat de grootte van deze effecten onzeker zijn. Of de geschatte effectniveaus (on)acceptabel zijn is voor discussie vatbaar en maakt onderdeel uit van het risico'management' proces. De probabilistische effectschatting is gebaseerd op extrapolatie van observaties in proefdieronderzoek. Momenteel bestaat er (nog) geen evidentie dat dergelijke effecten zullen optreden in de humane populatie.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Technical Report on Soil Degradation in Europe: an integrated economic and environmental assessment | RIVM

Ondanks verbeteringen van het milieu in Europa op een aantal terreinen, is een aangescherpt milieubeleid in de Europese Unie noodzakelijk om de gezondheidsschade en het natuurverlies te beperken. Een kosten-batenanalyse wijst uit dat zo'n beleid robuust is en dat de macro-economische gevolgen beheersbaar zijn. Belangrijke prioriteiten voor het EU-milieubeleid zijn klimaatverandering, stikstof-eutrofiering, fijn stof, ozon en biodiversiteit. Dit zijn de belangrijkste bevindingen van een internationaal studieconsortium onder leiding van het RIVM. De studie is verricht in samenwerking met EFTEC (UK), NTUA (Griekenland), IIASA (Oostenrijk). Daarnaast hebben TNO en TME bijdragen geleverd. Ook is in het kader van de studie intensief samengewerkt met het Europese Milieuagentschap in Kopenhagen. De studie is verricht op verzoek van de Europese Commissie als bijdrage voor het zesde Milieu-Actieprogramma, dat door de Europese Commissie is gepresenteerd. In de studie stonden vijf vragen centraal: Is het huidige beleid adequaat genoeg? Kan technologie de geconstateerde beleidstekorten oplossen? Zijn ambitieusere milieudoelstellingen te realiseren? Zo ja, zijn deze doelen ook in economische zin verstandig? Welke beleidsreacties en -instrumenten zijn aan te bevelen? Deze vijf vragen zijn geanalyseerd voor twaalf Europese milieuproblemen, zoals klimaatverandering, biodiversiteit en chemische risico's. De analyse bestaat uit een analyse van de kosten van vermeden schade, milieu-uitgaven, risicoschattingen, publieke opinie, sociale gevolgen en duurzaamheid. De studie bevat ook informatie over milieudoelstellingen, scenario's en beleidsopties en - maatregelen, inclusief de kosten en baten hiervan. Dit rapport is het technische achtergrondrapport dat behoort bij het hoofdrapport. Er zijn twaalf technische achtergrondrapporten opgesteld, waarvan negen een specifiek milieuprobleem behandelen (analyse van het probleem, scenarios, kosten-batenanalyse en beleidsopties). Daarnaast zijn er drie algemene achtergrondrapporten opgesteld over de macro-economische gevolgen, de uitbreiding van de EU en de gehanteerde batenmethodiek.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Technical Report on Water Quantity and Quality in Europe: an integrated economic and environmental assessment | RIVM

Ondanks verbeteringen van het milieu in Europa op een aantal terreinen, is een aangescherpt milieubeleid in de Europese Unie noodzakelijk om de gezondheidsschade en het natuurverlies te beperken. Een kosten-batenanalyse wijst uit dat zo'n beleid robuust is en dat de macro-economische gevolgen beheersbaar zijn. Belangrijke prioriteiten voor het EU-milieubeleid zijn klimaatverandering, stikstof-eutrofiering, fijn stof, ozon en biodiversiteit. Dit zijn de belangrijkste bevindingen van een internationaal studieconsortium onder leiding van het RIVM. De studie is verricht in samenwerking met EFTEC (UK), NTUA (Griekenland), IIASA (Oostenrijk). Daarnaast hebben TNO en TME bijdragen geleverd. Ook is in het kader van de studie intensief samengewerkt met het Europese Milieuagentschap in Kopenhagen. De studie is verricht op verzoek van de Europese Commissie als bijdrage voor het zesde Milieu-Actieprogramma, dat door de Europese Commissie is gepresenteerd. In de studie stonden vijf vragen centraal: Is het huidige beleid adequaat genoeg? Kan technologie de geconstateerde beleidstekorten oplossen? Zijn ambitieusere milieudoelstellingen te realiseren? Zo ja, zijn deze doelen ook in economische zin verstandig? Welke beleidsreacties en -instrumenten zijn aan te bevelen? Deze vijf vragen zijn geanalyseerd voor twaalf Europese milieuproblemen, zoals klimaatverandering, biodiversiteit en chemische risico's. De analyse bestaat uit een analyse van de kosten van vermeden schade, milieu-uitgaven, risicoschattingen, publieke opinie, sociale gevolgen en duurzaamheid. De studie bevat ook informatie over milieudoelstellingen, scenario's en beleidsopties en - maatregelen, inclusief de kosten en baten hiervan. Dit rapport is het technische achtergrondrapport dat behoort bij het hoofdrapport. Er zijn twaalf technische achtergrondrapporten opgesteld, waarvan negen een specifiek milieuprobleem behandelen (analyse van het probleem, scenarios, kosten-batenanalyse en beleidsopties). Daarnaast zijn er drie algemene achtergrondrapporten opgesteld over de macro-economische gevolgen, de uitbreiding van de EU en de gehanteerde batenmethodiek.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Technical Report on Methodology: Cost Benefit Analysis and Policy Responses | RIVM

Ondanks verbeteringen van het milieu in Europa op een aantal terreinen, is een aangescherpt milieubeleid in de Europese Unie noodzakelijk om de gezondheidsschade en het natuurverlies te beperken. Een kosten-batenanalyse wijst uit dat zo'n beleid robuust is en dat de macro-economische gevolgen beheersbaar zijn. Belangrijke prioriteiten voor het EU-milieubeleid zijn klimaatverandering, stikstof-eutrofiering, fijn stof, ozon en biodiversiteit. Dit zijn de belangrijkste bevindingen van een internationaal studieconsortium onder leiding van het RIVM. De studie is verricht in samenwerking met EFTEC (UK), NTUA (Griekenland), IIASA (Oostenrijk). Daarnaast hebben TNO en TME bijdragen geleverd. Ook is in het kader van de studie intensief samengewerkt met het Europese Milieuagentschap in Kopenhagen. De studie is verricht op verzoek van de Europese Commissie als bijdrage voor het zesde Milieu-Actieprogramma, dat door de Europese Commissie is gepresenteerd. In de studie stonden vijf vragen centraal: Is het huidige beleid adequaat genoeg? Kan technologie de geconstateerde beleidstekorten oplossen? Zijn ambitieusere milieudoelstellingen te realiseren? Zo ja, zijn deze doelen ook in economische zin verstandig? Welke beleidsreacties en -instrumenten zijn aan te bevelen? Deze vijf vragen zijn geanalyseerd voor twaalf Europese milieuproblemen, zoals klimaatverandering, biodiversiteit en chemische risico's. De analyse bestaat uit een analyse van de kosten van vermeden schade, milieu-uitgaven, risicoschattingen, publieke opinie, sociale gevolgen en duurzaamheid. De studie bevat ook informatie over milieudoelstellingen, scenario's en beleidsopties en - maatregelen, inclusief de kosten en baten hiervan. Dit rapport is het technische achtergrondrapport dat behoort bij het hoofdrapport. Er zijn twaalf technische achtergrondrapporten opgesteld, waarvan negen een specifiek milieuprobleem behandelen (analyse van het probleem, scenarios, kosten-batenanalyse en beleidsopties). Daarnaast zijn er drie algemene achtergrondrapporten opgesteld over de macro-economische gevolgen, de uitbreiding van de EU en de gehanteerde batenmethodiek.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Technical Report on Acidification, Eutrophication and Tropospheric Ozone in Europe: an integrated economic and environmental assessment | RIVM

Ondanks verbeteringen van het milieu in Europa op een aantal terreinen, is een aangescherpt milieubeleid in de Europese Unie noodzakelijk om de gezondheidsschade en het natuurverlies te beperken. Een kosten-batenanalyse wijst uit dat zo'n beleid robuust is en dat de macro-economische gevolgen beheersbaar zijn. Belangrijke prioriteiten voor het EU-milieubeleid zijn klimaatverandering, stikstof-eutrofiering, fijn stof, ozon en biodiversiteit. Dit zijn de belangrijkste bevindingen van een internationaal studieconsortium onder leiding van het RIVM. De studie is verricht in samenwerking met EFTEC (UK), NTUA (Griekenland), IIASA (Oostenrijk). Daarnaast hebben TNO en TME bijdragen geleverd. Ook is in het kader van de studie intensief samengewerkt met het Europese Milieuagentschap in Kopenhagen. De studie is verricht op verzoek van de Europese Commissie als bijdrage voor het zesde Milieu-Actieprogramma, dat door de Europese Commissie is gepresenteerd. In de studie stonden vijf vragen centraal: Is het huidige beleid adequaat genoeg? Kan technologie de geconstateerde beleidstekorten oplossen? Zijn ambitieusere milieudoelstellingen te realiseren? Zo ja, zijn deze doelen ook in economische zin verstandig? Welke beleidsreacties en -instrumenten zijn aan te bevelen? Deze vijf vragen zijn geanalyseerd voor twaalf Europese milieuproblemen, zoals klimaatverandering, biodiversiteit en chemische risico's. De analyse bestaat uit een analyse van de kosten van vermeden schade, milieu-uitgaven, risicoschattingen, publieke opinie, sociale gevolgen en duurzaamheid. De studie bevat ook informatie over milieudoelstellingen, scenario's en beleidsopties en - maatregelen, inclusief de kosten en baten hiervan. Dit rapport is het technische achtergrondrapport dat behoort bij het hoofdrapport. Er zijn twaalf technische achtergrondrapporten opgesteld, waarvan negen een specifiek milieuprobleem behandelen (analyse van het probleem, scenarios, kosten-batenanalyse en beleidsopties). Daarnaast zijn er drie algemene achtergrondrapporten opgesteld over de macro-economische gevolgen, de uitbreiding van de EU en de gehanteerde batenmethodiek.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Surveillance van HIV-infectie onder injecterende druggebruikers in Nederland: meting Den Haag 2000 | RIVM

Tussen 21 maart en 3 juli 2000 werd bij 217 IDs uit Den Haag een bloedmonster en een vragenlijst naar risicogedrag afgenomen. De IDs werden geworven via methadonposten (35%) en laagdrempelige instellingen voor druggebruikers (65%). Van de 211 IDs waren vier deelnemers HIV-positief (prevalentie 1,9%; 95% betrouwbaarheidsinterval [BI] 0,5 - 4,8%). Vijfendertig procent van de deelnemers had antistoffen tegen HBc (vroeger doorgemaakte of huidige HBV-infectie), bij 3% van de deelnemers werd HBsAg aangetoond in het bloed (dragerschap). Bij 47% werden antistoffen aangetoond tegen HCV. De prevalentie van anti-HBc en anti-HCV is lager dan in andere Nederlandse steden. Van de 81 actuele spuiters had 20% in de laatste 6 maanden een gebruikte spuit of naald van een ander geleend, relatief veel in vergelijking met metingen in andere steden. Eveneens 20% had een spuit of naald uitgeleend. Eenenzestig procent van de IDs had in de laatste zes maanden een vaste seksuele partner gehad. Bij 48% van deze IDs was de vaste partner geen druggebruiker, bij 17% een niet-injecterende druggebruiker. Met de vaste seksuele partner werd in 84% van de contacten niet altijd een condoom gebruikt. Met losse partners en met klanten werden condooms vaker gebruikt. Door de lage HIV-prevalentie wordt het risico op verspreiding van HIV naar niet-IDs of de rest van de algemene bevolking laag ingeschat.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Nieuwe snelle treinverbindingen tussen de Randstad en Noord Nederland: effecten op emissies en geluidhinder | RIVM

Op verzoek van de projectorganisatie Zuiderzeelijn heeft het RIVM berekeningen uitgevoerd naar de effecten op emissies van de ingebruikname van een snelle verbinding tussen Schiphol en het noorden van het land. Tevens heeft het RIVM de reeds uitgevoerde geluidhinderberekeningen beoordeeld. Voor de snelle verbinding heeft de projectorganisatie Zuiderzeelijn 6 alternatieven gedefinieerd die van elkaar verschillen voor wat betreft spoorinfrastuctuur, treintechniek en dienstregeling (frequentie, aantal haltes). Voor de berekening van effecten op emissies is uitgegaan van de vervoerwaardestudie die het Nederlands Economisch Instituut (NEI) heeft uitgevoerd ten behoeve van de kosten-batenanalyse van een snelle verbinding naar het Noorden. Deze vervoerwaardestudie geeft de reizigersvolumes voor de snelle treinen evenals de herkomst van deze reizigers (substitutie of generatie). De emissies per zitplaatskilometer van de verschillende onderscheiden treintypen evenals de bezettingsgraden zijn door het RIVM berekend. Uit deze berekening blijkt dat de magneetzweeftrein circa 3 maal zoveel energie gebruikt per zitplaatskilometer als een conventionele sneltrein op hetzelfde traject. Geconcludeerd kan worden dat, uitgaande van de meest waarschijnlijke waarden voor het energiegebruik per zitplaatskilometer en bezettingsgraad, alle projectalternatieven tot een toename van de CO2, NOx en SO2-emissies leiden maar dat de toenames vergeleken met de totale emissies door de sector verkeer en vervoer gering (< 0,5%) zijn. De projectalternatieven met een magneetzweeftrein leiden tot de grootste toename van emissies. De indirecte effecten op emissies van de aanleg van infrastructuur blijkt maximaal van dezelfde orde-grootte te zijn als de directe effecten van het gebruik van deze infrastructuur. Voor wat betreft geluidhinder blijkt uit eerdere berekeningen door de projectorganisatie Zuiderzeelijn dat alle onderzochte alternatieven een verslechtering betekenen van de akoestische omgeving in (Noord-)Nederland. Voor een betrouwbaardere inschatting van de effecten van aanleg en ingebruikname van een snelle verbinding naar het Noorden verdient het daarom aanbeveling onafhankelijke metingen uit te voeren naar zowel het energiegebruik als de geluidemissie door magneetzweeftreinen. Daarnaast verdient het aanbeveling om bij toekomstige KBA's ook de milieueffecten van de aanleg van infrastructuur mee te nemen omdat deze indirecte effecten significant blijken te kunnen zijn. Een ander belangrijk aspect bij de politieke besluitvorming over nieuwe infrastructuurprojecten is de landschappelijke inpassing, ofwel horizonvervuiling, doorsnijding, versnippering en aantasting van de natuur. Hierover is nog weinig bekend. Binnen de beschikbare tijd heeft het RIVM geen onderzoek naar deze externe effecten kunnen uitvoeren. Gezien de grote invloed die nieuwe infrastructuurprojecten op dergelijk aspecten (kunnen) hebben, verdient het aanbeveling naar deze invloeden nader onderzoek te doen. Het betreft zowel de fysieke invloeden als de monetaire waardering ervan.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Evaluatie van de Verzuringsdoelstellingen: de emissievarianten | RIVM

Dit rapport levert bouwstenen voor de 'evaluatie van de verzuringsdoelstellingen' welke in het NMP3 is aangekondigd. Er is een aantal emissievarianten doorgerekend om inzicht te krijgen in de samenhang tussen emissies, milieukwaliteit en gezondheidsrisico's. Het verschil tussen de huidige situatie en de emissievarianten in 2010 is aanzienlijk, desondanks blijven er grote knelpunten bestaan. De 2010 depositiedoelstellingen uit het NMP3 worden de komende 10 jaar niet gehaald. Het percentage hectaren ecosysteem dat onbeschermd is voor de depositie van potentieel zuur en stikstof blijft de komende 10 jaar in alle varianten boven de 75%. Pas bij uitvoering van de emissiedoelen uit het NMP3, met soortgelijke inspanningen in het buitenland, komt realisatie van de depositiedoelstellingen voor 2010 in beeld. De langetermijn luchtkwaliteitsdoelstelling voor ozon ter bescherming van de gezondheid en vegetatie wordt in geen van de varianten gehaald. Wel worden de voorgestelde tussendoelstellingen voor 2010 mogelijk gehaald. Rekening houdend met vergrijzing, zal er tussen de huidige situatie en 2010 een toename zijn van het aantal extra ziekenhuisopnamen door ozon. Het verzuringsbeleid dringt de jaargemiddelde concentratie fijn stof in 2010 niet voldoende terug om de indicatieve doelstellingen voor dat jaar te realiseren. Ook voor NO2 worden in 2010 op enkele plaatsen overschrijdingen berekend.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Milieubalans 2001. Het Nederlandse milieu verklaard | RIVM

Het Milieu- en Natuurplanbureau publiceert jaarlijks een Milieubalans. Dit boekt beschrijft de toestand van het milieu en de samenhang tussen de toestand van het milieu en het gevoerde beleid. De volgende hoofdstukken staan in deze milieubalans: Klimaatverandering en ozonlaag; Grensoverschrijdende luchtverontreiniging; Land en water; De leefomgeving; Risico's en veiligheid; Duurzame ontwikkeling. Als bijlage worden onder andere de emissies per thema per doelgroep gegeven. Deze Milieubalans gaat speciaal in op risicoproblematiek en duurzaamheid. Kort samengevat is de boodschap van deze balans dat gezamenlijk Europees en nationaal beleid heeft geleid tot een algemene verbetering van de milieukwaliteit. Technische maatregelen hebben op een groot aantal terreinen tot een ontkoppeling van economische groei en emissies geleid. De kwaliteit van bodem- en oppervlaktewater verbetert echter maar langzaam, en normen worden nog steeds overschreden. De natuur gaat daardoor verder achteruit en gezondheidsrisico's voor de mens blijven, zij het beperkt, bestaan. Een aantal doelen is in het NMP4 doorgeschoven naar 2030. De sturingsmogelijkheden voor nationale overheden nemen af door internationalisering van het milieubeleid en door globalisering en liberalisering van de economie. Tegelijkertijd wordt een aantal bevoegdheden gedecentraliseerd en overgedragen aan lagere overheden.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Emissies en kosten tot 2030 bij het vastgesteld milieubeleid. Achtergronddocument bij de Nationale Milieuverkenning 5 | RIVM

In september 2000 is de Nationale Milieuverkenning 5 (MV5) van het RIVM verschenen. De MV5 heeft als doel het schetsen van mogelijke toekomstbeelden van het milieu in Nederland in internationale context en van de gevolgen van de toekomstige milieukwaliteit voor mens en natuur; het aangeven van denkrichtingen voor verdere stappen naar een duurzame ontwikkeling. De MV5 dient mede als voorbereiding op het vierde Nationale Milieubeleidsplan (NMP4). Onderdeel van de MV5 is het presenteren van de te verwachten ontwikkelingen in energiegebruik, emissies en kosten voor de periode tot 2020/2030, uitgaande van het huidige vastgestelde regeringsbeleid. In de MV5 worden deze ontwikkelingen op hoofdlijnen weergegeven. Het onderhavige rapport geeft nadere informatie over de in de MV5 gepresenteerde gegevens. De meest hardnekkige milieuproblemen die bij uitvoering van het vastgestelde milieubeleid in 2010/2020 resteren, zijn klimaatverandering en geluidhinder. Deze problemen hangen sterk samen met energiegebruik en met verkeer en vervoer.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

The Agricultural Economy Model in IMAGE 2.2 | RIVM

Tijdens de tweede Advisory Board Meeting over IMAGE 2.0 (Integrated Model to Assess the Global Environment) die plaatsvond in juni 1994, werd besloten het Landbouw Economy Model (AEM) te verbeteren door gebruik te maken van een 'eenvoudige evenwichts-relatie tussen vraag en aanbod'. Dit resulteerde in een nieuwe versie in IMAGE 2.1 waarin het AEM als onderdeel van het Terrestische Milieu Systeem (TES) de vraag berekent naar voedsel en voergewassen en naar hout. De output van het AEM is een van de inputs voor het Land Bedekkings Model (LCM), hetgeen berekent hoe het landgebruik en de landbedekking zal veranderen, inclusief ten gevolge van de vraag naar bio-brandstoffen en brandhout zoals deze worden berekend door het Energie/Industrie Systeem (EIS). In onderhavig rapport ligt de focus op de module van het AEM die de vraag berekent naar vegetatieve en dierlijke voedselprodukten. Er wordt beschreven waarom en hoe dit gedeelte van het AEM is verbeterd in IMAGE 2.2 door eerst in te gaan op de IMAGE 2.1-versie en de daarbij optredende problemen en vervolgens te beschrijven hoe deze problemen min of meer zijn opgelost in IMAGE 2.2. Ten slotte wordt beschreven welke stappen momenteel worden ondernomen ten einde te komen tot een geintegreerd land-economie-model. Dit model zal deel uitmaken van een volgende versie van IMAGE.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Onderbouwing emissieprognose van de niet-CO2-broeikasgassen in de MV5. Welk nieuw beleid, inzichten en aannames zitten erin en hoe groot zijn de onzekerheden? | RIVM

Dit achtergronddocument geeft inzicht in de belangrijkste processen, volume-ontwikkelingen, beleid, technologie en aannames die ten grondslag liggen aan de prognose van de niet-CO2-broeikasgassen in de Nationale Milieuverkenning 5. De belangrijkste ontwikkelingen en trends bij de emissies van methaan, lachgas en de F-gassen (HFKs, PFKs, SF6) worden besproken. Met behulp van expertschattingen over onzekerheden in emissiefactoren wordt een indicatie gegeven van de onzekerheid waarmee de berekening van volume (bv. aantal koeien) naar emissie omgeven is. Het gebruik van twee verschillende omgevingsscenario's Global Competion (GC) en European Coordination (EC) is een indicatie voor de onzekerheid in volume ten gevolge van verschillende sociaal-economische ontwikkelingen. De onzekerheid lijkt hoofdzakelijk te worden bepaald door onzekerheden in emissiefactoren en minder door onzekerheden over toekomstige sociaal-economische ontwikkelingen.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Basis voor effectgerichte beoordeling? | RIVM

In het VROM project SOMS (Strategie OMgaan met Stoffen) is de aandacht o.a. gericht op het anders omgaan met de onbekendheid met gevaren van stoffen en het deelachtig maken van het bedrijfsleven inzake het nemen van verantwoordelijkheid voor risico's van stoffen. In dat kader is de vraag gerezen of toepassing van biologische effectmetingen aan emissies en het milieu, als aanvulling op het bestaande systeem van "stof-voor-stof" beoordelingen, hierin een rol kan spelen. Op basis van een verkenning in dit rapport naar de stand der wetenschap en bestaande beleidsruimte kan deze vraag positief worden beantwoord. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen beoordeling van A)vervuilingsbronnen, waarbij de verantwoordelijkheid voor adequate uitvoering en rapportage primair bij het bedrijfsleven ligt en voor de overheid een toezichthoudende taak is weggelegd, en B) van het ontvangende milieucompartiment, waarbij uitvoering en rapportage bij de desbetreffende beherende overheidsinstantie ligt. Biologische effectbeoordeling biedt voldoende voordelen om een plaats naast de chemische stofgerichte benadering te rechtvaardigen. De techniek is beschikbaar; er moeten alleen keuzes worden gemaakt uit de scala van mogelijkheden voor effectgerichte beoordeling, alsook de wijze waarop de resultaten worden geinterpreteerd en vertaald naar het beleid. Beleidsmatig is nationaal en internationaal sprake van toenemende ruimte voor implementatie, zeker met betrekking tot effluenten en het compartiment water. Nederland loopt op dit punt niet voorop. In het kader van het waterbeleid wordt een inhaalslag verwacht, waarop het vernieuwde stoffenbeleid goed kan aansluiten.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Evaluation of model concepts on human exposure; Proposals for updating the most relevant exposure routes of CSOIL | RIVM

Het humane blootstellingsmodel CSOIL wordt gebruikt voor het berekenen van de interventiewaarde voor bodemsanering. Het belangrijkste doel van de evaluatie van modelconcepten is om een systematiek te verkrijgen die overeenkomt met de meest recente inzichten betreffende het bepalen van de humane blootstelling aan bodemverontreinigingen. Het onderzoek is beperkt tot de concepten van de meest relevante routes van CSOIL, namelijk de ingestie van grond, de inhalatie van vluchtige verbindingen in binnenlucht en de consumptie van gewassen. Concepten van andere modellen zijn geselecteerd die bruikbaar kunnen zijn voor het verbeteren van het CSOIL. Voor de grondingestie route wordt voorgesteld om het concept van de opzettelijke ingestie door kinderen te implementeren. Verder wordt voorgesteld om de blootstellingsduur afzonderlijk van de dagelijkse inname te introduceren en om een onderscheid te maken tussen de orale en inhalatieve absorptie. Voor de inhalatie van vluchtige stoffen zal de convectieve flux worden toegevoegd aan de vervluchtigingsmodule van CSOIL, omdat hiermee flux van bodemlucht naar de binnenlucht beter wordt beschreven. Verder zal de evaporatieflux en grenslaagflux worden verwijderd. Aanbevolen wordt om het gebruik van de respirabele fractie te overwegen. Voor de opname van metalen in wortels en bovengrondse plantendelen wordt naast het implementeren van de bodem pH geen verdere aanpassingen voorgesteld. Voor de opname van organische stoffen in wortels en bovengrondse plantendelen wordt voorgesteld om het modelconcept van Trapp en Matthies te gebruiken in plaats van de relatie van Briggs. Voor organische stoffen wordt verder voorgesteld om het opspatten van bodemdeeltjes op bovengrondse plantendelen mee te nemen.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Ontwikkeling van een analysemethode voor fenol en cresolen in water middels SPE en on-column derivatisering | RIVM

De ontwikkeling van een analysemethode voor de bepaling van fenol, o-cresol, m-cresol en p-cresol in water, met name in eluaten tbv uitloogonderzoek was noodzakelijk vanwege het ontbreken van een genormaliseerd analysevoorschrift voor deze componenten in water. Het experimentele onderzoek is gestart met het testen van de analysemethodiek voor chloorfenolen in water volgens het CEN-document van de werkgever CEN/TC/230/WG1/TG 11. Op basis van de tegenvallende prestaties op het punt van de terugvinding van de vrije fenolen en de grote spreiding hierin is besloten een nieuwe methodiek te ontwikkelen. Een analysemethode is ontwikkeld volgens een nieuw concept waarbij de vrije fenolen eerst op SPE-kolommetjes uit de waterlaag geextraheerd worden; gevolgd door een on-column derivatisering van de vrije fenolen met acetylchloride in hexaan (5% v/v) met gebruik van natronloog-poeder en tetrabutylammoniumwaterstofsulfaat als fase-transfer-katalysator en desorptie van de gevormde fenylacetaten van het SPE kolommetje met hexaan. Analyse van de fenylacetaten vindt plaats met behulp van GC-FID of GC-MS. Voordeel van deze methode is dat een snelle, op een aantal stappen mogelijk te automatiseren methode is ontwikkeld, waarbij door de combinatie van extraktie en derivatisering op het SPE-kolommetje geen oplosmiddel-switch noodzakelijk is. Bij de validatie zijn de hiernavolgende prestatiekenmerken gevonden: er bestaat geen concentratie afhankelijkheid van de fenolen over een concentratierange van 25 ug/l tot 25 mg/l. De lange termijn reproduceerbaarheid van de methode ligt voor fenol, de cresolen en dimethylfenolen rond de 80% met een standaard deviatie van 2 tot 6%. De aantoonbaarheidsgrens ligt op resp. 1.2, 0.3 en 08 ug/l voor o-, m- en p-cresol en op 1.8 ug/l voor fenol bij analyse met GC-FID. Analyse van dimethylfenolen is eveneens mogelijk met deze methode. De fenolen blijken tot 3 dagen houdbaar bij 20 oC zonder conservering; koeling tot 4 oC verlengt de houdbaarheid tot 7 dagen. Bij toepassing van GC-MS analyse kan de aantoonbaarheidsgrens van de fenolen verlaagd worden tot 0.1 ug/l voor fenol en o- en m-fenol, voor p-cresol is dit 0.3 ug/l.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Monitoring van dioxinen in koemelk in Zeeuws-Vlaanderen | RIVM

In 1996/1997 is door de Belgische overheid aangetoond dat de dioxine-gehalten in koemelk, uit de omgeving van een metaalsmelterij te Zelzate, de Belgische norm van 5 pg (i) TEQ/g melkvet overschreden. Tevens werd in die periode aangetoond dat de dioxine-emissie van de betreffende metaalsmelterij verhoogd was. Berekeningen met het ketenmodel sloten een overschrijding van de Nederlandse warenwetnorm van 6 pg (i) TEQ/g melkvet aan de Nederlandse zijde van de grens niet uit. Daarom is besloten koemelk van twee geselecteerde melkveebedrijven in de omgeving van Sas van Gent, 5 km ten noord-oosten van de metaalsmelterij, te monitoren op basis van maandgemiddelde monsters. In de periode oktober 1998-juni 2000 zijn dioxinegehalten gemeten in koemelk van deze twee melkveebedrijven. De dioxinegehalten in de monsters liggen allen beneden de warenwetnorm van 6 pg (i)-TEQ/g vet. De dioxinegehalten waren aan het begin van de meetperiode het hoogst; 3.0 +/- 0.2 en 5.1 +/- 0.3 pg (i)-TEQ/g melkvet voor respectievelijk melkveebedrijf SvG-1 en SvG-2. In dezelfde periode, oktober-december 1998, werden, in het kader van een ander deelprojekt (639102-9802), ook gehalten gemeten van maandgemiddelde consumptiemelkmonsters. De monsters zijn samengesteld per regio (Noord, Oost, Zuid en West) van Nederland. De gemeten waarden lagen in deze periode op een achtergrondniveau van 0.5-0.8 pg (i)-TEQ/g vet. Aan het eind van de periode, in juni 2000, zijn de waarden gedaald tot een niveau van rond de 1 pg (i) TEQ/g vet. Deze waarden hebben dezelfde orde van grootte als het achtergrondniveau van 03.-0.4 pg (i) TEQ/g vet in consumptiemelk bemonsterd in het tweede kwartaal van 2000. Geconcludeerd kan worden dat door de genomen maatregelen bij de metaalsmelterij, opgelegd door de Belgische overheid, de dioxineconcentraties in koemelk uit de omgeving waarschijnlijk structureel tot een waarde royaal onder de norm hebben geleid. Per augustus 2000 is dan ook, door de Inspectie Gezondheidsbescherming, Waren en Veterinaire Zaken besloten het monitoren van koemelk in de omgeving van Sas van Gent stop te zetten.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Registratie van voedselinfecties en -vergiftigingen onderzocht door GGD's en Keuringsdiensten van waren, 2000 | RIVM

In deze rapportage worden de gegevens gepresenteerd van voedselinfecties en voedselvergiftigingen in Nederland in 2000. De resultaten zijn gebaseerd op meldingen door consumenten aan de Keuringsdienst van Waren, op standaard rapportages van onderzochte explosies van voedselinfecties en -vergiftigingen door GGD's, en op aangegeven gevallen bij de Inspectie Gezondheidszorg. Bij de vijf regionale keuringsdiensten werden over 2000, 309 explosies en 197 enkele gevallen gemeld, een vergelijkbaar aantal met 1999, maar lager dan het aantal meldingen in de periode 1995-1997. In totaal waren 1698 ziektegevallen betrokken bij de meldingen in 2000. De GGD's rapporteerden 7 onderzochte explosies van voedselinfectie en -vergiftiging, met 193 ziektegevallen. Bij de Inspectie Gezondheidszorg werden 903 patienten op individuele basis aangegeven. Nog eens 132 zieken werden gemeld gerelateerd aan de diverse aangegeven explosies. In totaal waren zo 1035 ziektegevallen bekend bij IGZ, een duidelijke stijging ten opzichte van voorgaande jaren. Dit wordt verklaard door een relatief groot aantal omvangrijke explosies in 2000, met name restaurant-geassocieerde explosies en explosies in instellingen. Het totale aantal gemelde explosies was echter vergelijkbaar met de jaren ervoor (circa 70-90 explosies gemeld bij IGZ sinds 1995). Een mogelijke oorzaak van de infecties werd gevonden bij 14% van de meldingen aan de Keuringsdienst van Waren, bij 29% van de explosies onderzocht door GGD's en bij 14% van de individueel aangegeven ziektegevallen bij de Inspectie Gezondheidszorg. Virussen, waarvoor geen routinematig onderzoek plaatsvindt, zijn waarschijnlijk een belangrijker oorzaak van voedselinfecties in Nederland dan momenteel wordt aangenomen.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Bacteriological detection of Salmonella in the presence of competitive micro-organisms | RIVM

Het Communautair Referentie Laboratorium voor Salmonella heeft het vijfde bacteriologisch ringonderzoek georganiseerd met als deelnemers de Nationale Referentie Laboratoria for Salmonella (NRLs-Salmonella) van de EU lidstaten. Het ringonderzoek had twee doelen: 1) Evaluatie van de resultaten van de detectie van verschillende besmettingsniveaus van Salmonella Enteritidis (100 en 500 kve) en Salmonella Typhimurium (10 en 100 kve) in de aanwezigheid van competitieve flora tussen en binnen de NRLs-Salmonella.; en 2) Evaluatie van MSRV als selectief ophopingsmedium in vergelijking met het standaard medium RV. De methode die gebruikt werd was een aangepaste ISO 6579 (voorgestelde referentie) en eventueel de eigen media van de deelnemende laboratoria voor detectie van Salmonella in feces. Significant meer positieve resultaten werden verkregen met de STM100 capsules in vergelijking met de STM10, SE100 en SE500 capsules. Het niveau van detectie van de SE100 capsules was tevens significant lager dan de detectie van STM10 en SE500 capsules. Significant meer positieve isolaties werden verkregen met MSRV in vergelijking met RV. Ook tussen laboratoria werden significante verschillen gevonden. Het gebruik van MSRV leidde tot significant meer positieve resultaten bij de natuurlijk besmette monsters die S. Enteritidis bevatten in vergelijking met het gebruik van RV.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

NRL Salmonella ringonderzoek VI/VII (2000) voor bacteriologische detectie Salmonella en pilot ringonderzoeken I/II (2000) voor bacteriologische detectie Campylobacter | RIVM

In 2000 werden er twee bacteriologische ringonderzoeken voor de detectie van Salmonella in aanwezigheid van stoorflora georganiseerd door het Nationaal Referentie Laboratorium (NRL) voor Salmonella, waaraan werd deelgenomen door 23 laboratoria die betrokken zijn bij het plan van aanpak Salmonella en Campylobacter in de pluimveehouderij. Het belangrijkste doel van deze ringonderzoeken was te testen of de deelnemende laboratoria in staat waren om Salmonella te detecteren in aanwezigheid van stoorflora. Daarvoor werden referentiematerialen met Salmonella Typhimurium gebruikt die dienden te worden onderzocht met en zonder toevoeging van kippenfeces. De gebruikte methode was voorgeschreven door de Productschappen Vee, Vlees en Eieren (PVE). In deze methode moet het semi-solid medium MSRV gebruikt worden als selectief ophopingsmedium. Naar aanleiding van de resultaten die de deelnemende laboratoria in eerdere ringonderzoeken behaalden moesten 50 of 15 capsules onderzocht worden. Alleen in ringonderzoek VI (roz VI) moesten door een laboratorium 50 capsules worden onderzocht en dit laboratorium isoleerde Salmonella uit alle Salmonella positieve monsters. In roz VI isoleerden 22 (van de 23) en in roz VII 18 (van de 21) deelnemende laboratoria Salmonella uit alle 10 Salmonella positieve capsules. Daarnaast werden er voor de eerste keer pilot ringonderzoeken voor de bacteriologische detectie van Campylobacter georganiseerd met als doel laboratoria ervaring te laten opdoen met de detectie van Campylobacter.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Onderzoek naar de uitloging van fenol en cresolen middels de kolom- en cascadeproef | RIVM

In het kader van het Taakstellend Plan ter ondersteuning van de normcommissie 390 11 Uitloogkarakterisering van bouw- en afvalstoffen (TSP), is onderzoek uitgevoerd ten behoeve van de uitloogproeven voor fenol en cresolen (methylfenolen).Uitloogproeven voor fenolen, gebaseerd op de ontwerpnormen 7344 en 7350 (kolom- en cascadeproeven voor PAK's, PCB's en EOX), zijn in tweevoud uitgevoerd op een viertal verschillende grondmonsters. Dit betrof in alle gevallen grondmonsters, omdat in de praktijk geen andere bouw- en afvalstoffen met fenolen-verontreiniging beschikbaar waren. Voor de onderzochte materialen is gekozen voor een hoog gehalte van de te onderzoeken contaminanten, omdat hierdoor gewaarborgd is, dat in de eluaten van de uitloogproeven voldoende hoge concentraties gemeten kunnen worden. Het doel van de werkzaamheden was gelegen in het vaststellen van de praktische uitvoerbaarheid van de proef, het niveau van de emissies en de herhaalbaarheid van de proef. In technisch opzicht blijken de ontwerpvoornormen praktisch uitvoerbaar. Het vooronderzoek naar het verliezen van fenolen aan onderdelen of gebruikte materialen van de proefopstellingen tijdens de uitvoering van de uitloogproeven, gaf aan dat er geen verliezen optreden, zodat de bovenstaande normen zonder verdere aanpassingen gevolgd zijn. Het verlies van de fenolen, dat tijdens het materialenonderzoek op basis van de massabalans is geconstateerd, geeft wel aanleiding tot een aanpassing van de methodiek, met name in de opvang en conservering (koeling) van de verschillende frakties. De emissies van de fenolen, die bepaald zijn met de kolomproef, liggen voor de verschillende component-materiaal combinaties ten opzichte van de uitgangsconcentraties in de materialen in een gebied tussen 30 en 60%. Voor de cascadeproef liggen deze waarden gelijk of hoger tot 80-90%. De gevonden waarden zijn veel hoger dan die in voorafgaand RIVM onderzoek betreffende de stofgroepen PCB's en EOX zijn vastgesteld. Tevens blijken de fenolen steeds snel, in de eerste fraktie(s) uit te logen in gronden waarin deze op basis van de (grond)eigenschappen redelijk beschikbaar zijn. Dit kan grotendeels verklaard worden uit de hogere wateroplosbaarheid van de fenolen. De relatieve standaarddeviaties (RSD) van de in tweevoud uitgevoerd kolom- en cascadeproeven waren over het algemeen goed (2-20%). Er zijn onvoldoende materialen onderzocht om een algemene uitspraak te kunnen doen over de uitloging van fenolen, mede omdat bij drie van de vier uitloogproeven een zeer forse uitloging optrad en bij een materiaal in het geheel niet. In ieder geval lijkt het niet bepaald te worden door de kolomproef.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Technical Report on Climate Change in Europe: an integrated economic and environmental assessment | RIVM

Ondanks verbeteringen van het milieu in Europa op een aantal terreinen, is een aangescherpt milieubeleid in de Europese Unie noodzakelijk om de gezondheidsschade en het natuurverlies te beperken. Een kosten-batenanalyse wijst uit dat zo'n beleid robuust is en dat de macro-economische gevolgen beheersbaar zijn. Belangrijke prioriteiten voor het EU-milieubeleid zijn klimaatverandering, stikstof-eutrofiering, fijn stof, ozon en biodiversiteit. Dit zijn de belangrijkste bevindingen van een internationaal studieconsortium onder leiding van het RIVM. De studie is verricht in samenwerking met EFTEC (UK), NTUA (Griekenland), IIASA (Oostenrijk). Daarnaast hebben TNO en TME bijdragen geleverd. Ook is in het kader van de studie intensief samengewerkt met het Europese Milieuagentschap in Kopenhagen. De studie is verricht op verzoek van de Europese Commissie als bijdrage voor het zesde Milieu-Actieprogramma, dat door de Europese Commissie is gepresenteerd.In de studie stonden vijf vragen centraal: Is het huidige beleid adequaat genoeg? Zijn ambitieusere milieudoelstellingen te realiseren? Zo ja, zijn deze doelen ook in economische zin verstandig? Welke beleidsreacties en -instrumenten zijn aan te bevelen?Deze vijf vragen zijn geanaliseerd voor twaalf Europese milieuproblemen, zoals klimaatverandering, biodiversiteit en chemische risico's. De analyse bestaat uit een analyse van de kosten van vermeden schade, milieu-uitgaven, risicoschattingen, publieke opinie, sociale milieudoelstellingen, scenario's en beleidopties en - maatregelen, inclusief de kosten en baten hiervan. Dit rapport is het technische achtergrondrapport dat behoort bij het hoofdrapport. Er zijn twaalf technische achtergrondrapporten opgesteld, waarvan negen specifiek milieuproblemen behandelen (analyse van het probleem, scenario's, kosten-batenanalyse en beleidopties). Daarnaast zijn er drie algemene achtergrondrapporten opgesteld over de macro-economische gevolgen, de uitbreiding van de EU en de gehanteerde batenmethodiek.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Surveillance of acute respiratory infections in general practices - The Netherlands, winters 1998/1999 and 1999/2000 | RIVM

Om inzicht te bieden in de virologische etiologie van influenza-achtige ziektebeelden en andere acute respiratoire infecties werden in de winters 1998/1999 en 1999/2000 neus/keelwatten afgenomen bij een random selectie van patienten met dergelijke infecties door 30-35 huisartsen van het peilstationnetwerk van het Nederlands Instituut voor Onderzoek van de Gezondheidszorg. Deze monsters werden op het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu geanalyseerd op respiratoire virussen, Chlamydia pneumoniae en Mycoplasma pneumoniae met behulp van viruskweek en polymerase chain reaction (PCR). Tenminste een respiratoir pathogeen werd gedetecteerd in 56% van de 437 monsters in 1998/1999 en in 55% van de 319 monsters in 1999/2000. In beide winters werden influenzavirussen en rhinovirussen het vaakst aangetoond, namelijk in respectievelijk 26% en 15% van de monsters (beide winters gecombineerd). Influenzavirus werd drie keer zo vaak geisoleerd uit monsters van patienten met een influenza-achtig ziektebeeld (IAZ) (in 32% daarvan) dan uit monsters van patienten met een andere acute luchtweginfectie. In 29% van de monsters van patienten met een influenza-achtig ziektebeeld werd een respiratoir pathogeen anders dan influenzavirus aangetoond en in 44% werd geen micro-organisme aangetoond. Resultaten zijn vergeleken met die van de zes voorgaande winters. Inzicht in de virologische etiologie van acute respiratoire infecties verkregen door middel van deze surveillance, de enige onder huisartspatienten in Nederland, kan helpen bij effectieve preventie en controle van dergelijke infecties. Daarom zou deze surveillance voortgezet moeten worden.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Cell lines and Salmonella | RIVM

Infectie met Salmonella kan gepaard gaan met de invasie van darmepitheelcellen. De aan de invasie voorafgaande aanhechting leidt reeds tot de transmigratie van witte bloedcellen (neutrofielen) vanuit de bloedbaan naar het epitheelweefsel. De migratie wordt gestimuleerd door de productie van chemokines, waaronder interleukine-8 (Il-8) door epitheelcellen. Wij hebben een in vitro model systeem ontwikkeld (humaan epitheelweefsel gekweekt in microtiterplaten) waarin gastheer - pathogeen interacties kunnen worden bestudeerd. Epitheelcellen zijn gedurende een uur blootgesteld aan verschillende pathogene micro-organismen, waarna de Il-8 response is gemeten. Als controle zijn meegenomen een Escherichia coli stam zonder LPS en een probiotische Lactobacillus. De resultaten laten zien dat de IL-8 productie per pathogeen varieert, waarbij Salmonella enteritidis de hoogste respons geeft. In vervolgexperimenten zijn drie concentraties S. enteritidis gebruikt, waarna de respons gedurende 24 uur is gemeten. De gebruikte cellijn bleek na 24 uur nog intact, de Il-8 productie correleerde met de doses, en nam toe in de tijd. Hieruit kan geconcludeerd worden dat het door ons ontwikkelde model gebruikt kan worden voor het bestuderen van factoren die van invloed zijn op dosis-respons relaties. De respons betreft dan prikkeling van het immuunsysteem ten gevolge van adhesie en invasie van darmepitheelcellen door salmonellae. Tenslotte wordt een benaderingwijze voorgesteld om resultaten van in vitro dosis-respons experimenten te vertalen naar de mens.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Neurotoxic shellfish poisoning: A review | RIVM

Dit literatuuroverzicht bevat informatie betreffende het "neurotoxic shellfish poisoning" (NSP) syndroom en de veroorzakende toxines, nl.de brevetoxines, welke geproduceerd worden door de dinoflagellaat Gymnodinium breve. Chemische structuren en detectie-methodes van de brevetoxines, de bronnen voor brevetoxines, mariene organismen welke geassocieerd worden met brevetoxines, de toxiciteit van brevetoxines voor dier en mens, mogelijke preventieve maatregelen voor NSP, NSP gevallen en controle van en regelingen voor NSP toxines worden besproken. Tenslotte worden enkele aanbevelingen gedaan voor een betere controle van het NSP probleem in de toekomst.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Ecotoxicological Serious Risk Concentrations for soil, sediment and (ground)water: updated proposals for first series of compounds | RIVM

De Interventiewaarde voor bodem, sediment en grondwater is gebaseerd op een integratie van onafhankelijk afgeleide humaan toxicologische Ernstig Risico Concentraties of SRChuman en ecotoxicologische Ernstig Risico Concentraties of SRCeco. Dit rapport presenteert voorstellen voor herziene SRCeco voor de eerste serie stoffen. Voor stoffen, waarvoor MTRs/VRs zijn afgeleid tussen 1990 en nu, zijn dezelfde gegevens gebruikt om de SRCeco af te leiden. Samen met de afleiding van de SRCeco is ook een nieuwe MTR waarde afgeleid, in overeenstemming met de meest recente richtlijnen, zoals samengevat in dit rapport. De informatie in dit rapport wordt gebruikt in de technische evaluatie van de Interventiewaarden voorbodem, sediment en grondwater, RIVM rapport 711701 023.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Gene therapeutics and DNA vaccines; quality and regulatory aspects | RIVM

Overdracht van genen naar cellen, gevolgd door de expressie van deze genen kan de symptomen van een ziekte opheffen (gentherapie), of infectieuze ziektes voorkomen (DNA vaccinatie). Gentherapie en DNA vaccinatie zijn gebaseerd op relatief nieuwe technologieen. De verwachting is dat de eerste gentherapeutica binnen 2-4 jaar op de markt zullen komen als geregistreerde geneesmiddelen. De vectoren die worden gebruikt voor de overdracht van een gen naar target cellen zijn genetisch gemodificeerde virussen of plasmiden. Virale vectoren en plasmiden worden geproduceerd op biotechnologische wijze en worden daarom beschouwd als geneesmiddelen van biologische oorsprong ('biologicals'). Omdat de productie van biologicals inherent variabel en moeilijk te controleren is, vereisen deze producten extra veiligheidsmaatrgelen en regulering. Het Laboratorium voor Geneesmiddelen en Medische Hulpmiddelen van het RIVM, betrokken bij zowel de beoordeling ten behoeve van registratie als het vrijgifte onderzoek van biologicals, heeft een inventariserende studie uitgevoerd naar de analytische methodes die gebruikt worden voor de karakterisatie van vectoren en de reguleringsaspecten die deze producten aangaan. De resultaten van deze studie laten zien dat veel kwaliteits- en veiligheidsaspecten die van toepassing zijn voor virale en plasmide vectoren, hetzelfde zijn als voor andere biologicals. Nieuwe analytische methodes zijn de methodes voor het bepalen van de identiteit van de vector, de transductie-efficientie, het deeltjes aantal en de infectieuze virus titer en testen voor genetische en chemische stabiliteit en structuur van plasmide vectoren. Deze analytische methodes zijn nog niet gestandaardiseerd. Echter, er zijn nu internationale initiatieven genomen om te komen tot standaardisatie. Richtlijnen voor de productie en karakterisatie van gen-overdracht geneesmiddelen die worden uitgegeven door registratie autoriteiten zoals EMEA en FDA, zijn opgesteld in algemene termen en worden regelmatig herzien om ze up-to-date te houden.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

A pilot study on the pharmacokinetics of potato glycoalkaloids in healthy volunteers | RIVM

Om de risicoschatting van de aardappelglycoalkaloiden (GAs) alfa-solanine and alfa-chaconine te verbeteren zal er bij het RIVM een studie naar de farmacokinetiek van oraal toegediende GAs bij de mens uitgevoerd gaan worden. De beperkte informatie over de toxiciteit in relatie tot de GA-dosering maakt het noodzakelijk om eerst een voorstudie uit te voeren met als doel het vinden van een optimaal bloedafnameschema en een optimale GA-dosering voor een succesvolle hoofdstudie naar de farmacokinetiek van GAs. In de voorstudie kregen proefpersonen een GA-dosering in de vorm van een drankje toegediend (toegediende GA-doseringen: 0,20, 0,30, 0,50 or 0,70 mg/kg lichaamsgewicht) of ze kregen een portie aardappelpuree te eten, die een bekende hoeveelheid alfa-solanine en alfa-chaconine bevatte (toegediende GA-doseringen: 0,80, 0,95, 1,10 and 1,25 mg/kg lichaamsgewicht). Na elke toediening werden de farmacokinetiek en de mogelijke toxische effecten geevalueerd. Met behulp van de resultaten van de voorstudie kon een geschikt bloedafnameschema voor beide toedieningsvormen worden gevonden. Als GA-dosering in aardappelpuree, bleek een GA-dosering > 0,95 and < 1,00 mg/kg lichaamsgewicht het meest geschikt. Voor het drankje wordt verwacht dat een GA-dosering van 0,90 mg/kg lichaamsgewicht geschikt is voor de hoofdstudie. Door het uitvoeren van de hoofdstudie met deze doseringen zal er meer inzicht (in ieder geval voor alfa-chaconine) in de kinetiek van aardappel-GAs bij de mens worden verkregen.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

EARSS: European Antimicrobial Resistance Surveillance System; data from the Netherlands (1999).Incidence and resistance rates for Streptococcus pneumoniae and Staphylococcus aureus | RIVM

Gevoeligheid voor antimicrobiele middelen in Streptococcus pneumoniae en Staphylococcus aureus werd bepaald in 1999 in Nederland binnen het raamwerk van het European antomicrobial Resistance Surveillance System (EARSS). Het EARSS project had in Nederland een dekkingsgraad van 40% van de Nederlandse populatie (extramuraal) en 40% van het totale aantal patientdagen (intramuraal). Resistentiie tegen penicilline in S. pneumoniae was minimaal; slechts 9 van 767 (1,2%) isolatn waren niet gevoelig. Resistentie tegen oxacilline in S. aureus was ook laag; slechts 4 ((0,3%) isolaten waren MRSA. de incidentie van invasieve S. pneumoniae was 117 gevallen/1.000.000 persoonsjaren, de incidentie van invasieve penicilline niet gevoelige S. pneumoniae was 1 geval/1.000.000 persoonsjaren. De incidentie van invasieve S. aureus infecties was 0,25 gevallen/1000 patientdagen; de incidentie van invasieve MRSA infecties was 0,0006 gevallen/1000 patientdagen. hetis duidelijkj dat resistentie tegen antibiotica bij deze twee pathogenen in vergelijkijng tot andere Europese landen nog steeds erg laag is.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Registratie van SOA en HIV consulten bij GGD's en SOA-poliklinieken: Jaarverslag 2000 | RIVM

Bij de Gemeentelijke Gezondheidsdiensten (GGD's) wordt door sociaal-verpleegkundigen ten behoeve van de non-curatieve soa-bestrijding een registratie bijgehouden van de bezoekers ten behoeve van een SOA-hulpvraag of HIV-testverzoek. De gegevens van deze registratie worden landelijk verzameld en bewerkt. De registratie omvat alleen gegevens van geregistreerde bezoekers van een SOA of HIV spreekuur waarbij een sociaal-verpleegkundige aanwezig was. In 2000 registreerden 42 GGD's in totaal 13.413 consulten (stijging van 16% t.o.v. 1999). Bijna driekwart van de bezoekers was afkomstig uit Nederland. Van de mannelijke bezoekers had 64% heteroseksueel en 18% homo- of biseksueel contact gehad. Van de vrouwen werkte 16% als prostituee in de zes maanden voorafgaand aan het consult. Het aantal gediagnosticeerde SOA steeg in 2000 met 15% tot 3370; 7% voor vrouwen en 23% voor mannen. Net als in 1999 werd bij 31% van de bezoekers waarbij SOA onderzoek is gedaan, een SOA geconstateerd. Opvallend is dat de groep waarbij een SOA was vastgesteld minder vaak uit Nederland afkomstig was en vaker homoseksuele contacten had dan de groep bezoekers in de registratie waarbij geen SOA is vastgesteld. De meest voorkomende SOA bij zowel mannen als vrouwen was chlamydia; bij mannen gevolgd door gonorroe, genitale wratten en niet specifieke urethritis en bij vrouwen gevolgd door candidiasis, bacteriele vaginose en genitale wratten. Chlamydia steeg met 41%; bij mannen met 61% en bij vrouwen met 26%. Gonorroe steeg met 71%; bij mannen met 77% en bij vrouwen met 43%.In 2000 was bij 6491 consulten sprake van een HIV-testverzoek (precounseling) waarbij 0,8% positief bleek te zijn. In de groep HIV-positieven waren de homo- en biseksuele mannen, net als in 1999, het meest vertegenwoordigd.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Berekening van effecten van milieu op natuur ten behoeve van de 5e Nationale Milieuverkenning | RIVM

Dit rapport is een verantwoording achteraf van de werkwijzen, berekeningen, keuzen en aannamen bij de paragraaf over "Milieukwaliteit en natuur" in de vijfde Nationale Milieuverkenning (MV5). Deze MV5-paragraaf behandelt de invloed van de milieukwaliteit op de ecologische kwaliteit van de levende natuur in Nederland.Om deze invloed aan te geven is de indicator 'milieustress' geintroduceerd. Milieustress wordt gebruikt om uit te drukken hoe soorten reageren op veranderingen in de milieukwaliteit. Het wordt berekend uit de afname in voorkomen van soorten t.o.v. een referentiesituatie (1950) als gevolg van veranderingen in milieukwaliteit. Ook zijn de aandelen van de verschillende milieufactoren in de totale milieustress aangegeven.Voor een aantal soortgroepen en milieuthema's is de omvang van de milieustress vastgesteld op basis van kwantitatieve modelberekeningen. Voor andere soortgroepen en milieuthema's waar geen modellen voor beschikbaar waren zijn semikwantitatieve inschattingen door deskundigen gemaakt. Deze twee schattingswijzen worden aanvullend en naast elkaar gebruikt.De in de MV5 gepresenteerde methode voor het bepalen van de milieustress geeft de huidige stand van kennis weer. Met de gevolgde werkwijze en indicator is het mogelijk gebleken aan te geven wat de invloed is van de milieukwaliteit op de natuur voor de huidige situatie en 2030 (volgens scenario's). De invloeden van enkele milieuthema's blijven echter onduidelijk en de onzekerheden zijn soms groot.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Geneesmiddelen nu en in de toekomst | RIVM

Hoe ziet het geneesmiddelenaanbod er op dit moment uit, welke ontwikkelingen zijn hierin te verwachten in de toekomst en wat zijn de mogelijke gevolgen voor gezondheid en zorg? Deze vragen zijn beantwoord voor 17 ziekten en aandoeningen, die belangrijk zijn voor de volksgezondheid. Het gaat om: borstkanker, longkanker, dikke darm- en endeldarmkanker, diabetes mellitus, dementie, schizofrenie, depressie, angststoornissen, verslaving, coronaire hartziekten, hartfalen, beroerte, longontsteking, astma en COPD, reumatoide artritis, artrose en osteoporose. Bij de toekomstverwachtingen is een onderscheid gemaakt in korte termijn (0-5 jaar), middellange termijn (5-10 jaar) en lange termijn (10-20 jaar). Daardoor varieren de verwachtingen van 'zeer waarschijnlijk' tot 'zeer onzeker'. Daarnaast belicht het rapport algemene aspecten van geneesmiddelen: het proces van ontwikkeling tot vergoeding, nieuwe zoekstrategieen, nieuwe vaccins voor infectieziekten, gentherapie, farmacogenomics, orphan drugs, ongewenste en onbedoelde effecten van geneesmiddelen, fytotherapeutica en maatschappelijke acceptatie van nieuwe geneesmiddelen. Tenslotte zijn twee scenario's voor de toekomstige inrichting van de farmaceutische zorg geschetst.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Supplement to the methodology for risk evaluation: Emission Scenario Document for Product Type 2: Private and public health area disinfectants and other biocidal products (sanitary and medical sector) | RIVM

Dit rapport is een aangepaste versie van RIVM rapport 601450 002. Herziening vond plaats in het kader van het project "Verzameling, herziening en ontwikkeling van biocide emissie scenario's voor het milieu" (werkgroep EUBEES). Het rapport bevat een beschrijving van de behandelde toepassingsgebieden en de bijbehorende emissie scenario's. De emissie scenario's voor de priv5 sector en voor sanitaire toepassing in ziekenhuizen zijn thans zowel uitgewerkt voor een jaarlijks toegepaste hoeveelheid als voor een gemiddeld dagelijks gebruik. De scenario's zijn in principe bruikbaar voor alle EU lidstaten en door de presentatie en gebruik van symbolen eenvoudig in te bouwen in (E)USES.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Achtergronden bij de berekening van vermesting van bodem en grondwater voor de 5e Milieuverkenning met het model STONE | RIVM

Ten behoeve van de vijfde milieuverkenning is de voorgenomen Integrale Aanpak van de Mestproblematiek van de Nederlandse regering doorgerekend met het model STONE naar landsdekkende milieueffecten op bodem, bovenste grondwater en belasting van het regionale oppervlaktewater voor de periode 1986 tot 2030. De resultaten van deze berekeningen moeten als indicatief worden aangemerkt omdat het mestbeleid nog niet definitief is vastgelegd en omdat met een voorlopige versie van het model STONE is gerekend. Met name de volgende elementen van STONE hadden een voorlopig karakter: de ruimtelijke schematisering van Nederland, de gewasafvoer en toetsing aan waarnemingen. De milieu-effecten van het mestbeleid zijn in beeld gebracht via de volgende indicatoren: 1- De Stikstof balans van de Nederlandse bodem en uitsneden hiervan naar gewasgroep en bodemtype. Hierbij wordt met name gekeken naar de uitspoeling naar het grondwater en de afspoeling naar oppervlaktewater. 2- De Fosforbalans van de Nederlandse bodem en uitsneden hiervan naar gewasgroep en bodemtype. Hierbij wordt met name gekeken naar de accumulatie in de bodem en de afspoeling naar oppervlaktewater. 3- De nitraatconcentratie in het bovenste grondwater en ontwikkeling van het areaal waarin deze concentratie voldoet aan de kwaliteitsdoelstelling voor nitraat. 4- De fosfaatverzadiging van de bodem ontwikkeling van areaal zandgronden dat fosfaatverzadigd is volgens het Protocol Fosfaatverzadigde Gronden.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Evaluation of Mixing Height representations in the EUROS model | RIVM

Het EUROS model is een model voor luchtkwaliteit dat wordt gebruikt bij het RIVM-LLO voor korte (dag) en lange termijn (jaar) simulaties van chemische verspreiding van gassen of fijnstof op Europese schaal. Dit rapport beschrijft een deel van lopend ontwikkelings- en validatiewerk aan het model om de generieke toepasbaarheid van het model te verbeteren. Dit is een van de doelen van het RIVM project 'compartimentele modellen/integratie regionale modellen. Er wordt gefocust op de beschrijving van de verspreidings processen, met als doel deze processen te evalueren en te verbeteren. Als zodanig vormt het een eerste stap in de overgang naar een complete drie-dimensionale beschrijving van de EUROS transport module. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van een samenwerkingsovereenkomst met de Vlaamse Instelling voor Technologische Ontwikkeling (VITO) en RIVM. De beschrijving van de menglaag en horizontale advectie in het EUROS model is verbeterd. De nieuwe EUROS versie is uitvoerig getest en de menglaaghoogtes zijn vergeleken met lidar metingen. Modelresultaten voor ozonconcentraties en geintegreerde blootstellings nivo's (AOT) zijn geevalueerd in termen van de verschillende menglaagbeschrijvingen. De herziene beschrijving van de menglaag geeft een veel betere weerspiegeling van het land-zee contrast, met lagere menglaaghoogtes boven zee dan boven land gedurende de dag. Een belangrijk resultaat is dat het menglaagconcept, dat in het EUROS model wordt gebruikt, een validatie van de gemodeleerde waarden bemoeilijkt. Dit is omdat de gemodelleerde ozon AOT40 nivo's geen significante verbetering laten zien in vergelijking met metingen, in tegenstelling tot de aangebrachtte wetenschappelijke verbeteringen. Het belangrijkste aspect in deze context is de waarde van de reservoirlaaghoogte in het model. De reservoirlaaghoogte is gelieerd aan het menglaag concept. Daarom wordt verwacht dat een realistischere beschrijving van de verticale uitwisselingsprocessen, door een explicite beschrijving van 3D advectie en diffusie, de resultaten van het EUROS significant zal verbeteren, zowel kwantitatief als kwalitatief.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Overzicht van veiligheidsafstanden voor de opslag van vuurwerk in Nederland en enkele andere landen | RIVM

Voor de Verenigde Staten, Frankrijk, Duitsland en Engeland wordt voor vuurwerk een overzicht gegeven van de indeling in vuurwerkklassen en de afstandseisen voor opslag, om na te kunnen gaan in hoeverre Nederlandse wetgeving op het gebied van vuurwerk spoort met wetgeving in deze landen. De aanpak in de verschillende landen vertoont op hoofdlijnen grote gelijkenissen. De meer gedetailleerde invulling van de vuurwerkwetgeving vertoont grotere verschillen per land. Het blijkt dat voor kleine opslagen in Nederland relatief kleine veiligheidsafstanden worden aangehouden. Voor de grote opslagen zijn de in Nederland voorgeschreven veiligheidsafstanden groter dan in Duitsland en vergelijkbaar met die in de V.S. en Engeland.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Guidance document on deriving environmental risk limits | RIVM

Het rapport is een update van voorgaande gidsdocumenten voor het afleiden van milieurisicogrenzen in Nederland. De herziene methode voor het afleiden van deze grenzen voor water, grondwater, bodem, sediment en lucht en hun onderlinge harmonisatie wordt gepresenteerd. Het betreft de milieurisicogrenzen 'Serious Risk Concentration' voor het ecosysteem (SRC-ECO), het Maximum Toelaatbaar Risico (MTR) en het Verwaarloosbaar Risico (VR).
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Tissue Engineered Medical Products (TEMPs): A prelude to risk management | RIVM

In de medische praktijk worden momenteel producten toegepast die gekweekte cellen bevatten. Deze producten kunnen 'Tissue Engineered Medical Products' (TEMPs) genoemd worden. Een literatuuronderzoek over de afgelopen 10 jaar is uitgevoerd om informatie te vergaren over de risico's die geassocieerd zijn met deze producten en om suggesties te leveren voor de ontwikkeling van strategie6n voor regelgeving. De informatie is gestructureerd door de EN-ISO 14971 norm voor risicomanagement toe te passen voor TEMPs. Regelgeving en standaarden voor andere medische producten, zoals geneesmiddelen, bloed/-producten en medische hulpmiddelen werden besproken in het licht van hun toepasbaarheid voor TEMPs. Producten die dierlijke cellen bevatten zijn buiten beschouwing gelaten. Gezien de grote hoeveelheid onderzoek die momenteel wordt uitgevoerd is het te verwachten dat in de komende jaren het aantal beschikbare producten zal toenemen. Vanwege de jonge historie van TEMPs zijn hun risico's nog niet goed bekend. Ervaringen met andere medische producten suggereren dat de belangrijkste risico's liggen op de terreinen van overdracht van ziekte, biocompatibiliteit en werkzaamheid. Alle betrokken partijen in de levenscyclus van TEMPs zullen besluiten nemen ten aanzien van de acceptatie van risico's. Deze afwegingen zijn bij voorkeur gebaseerd op vooraf vastgestelde standaarden. Voor TEMPs zijn deze momenteel niet beschikbaar, maar ze zullen naar verwachting in de komende jaren verschijnen. De meeste maatregelen voor risicomanagement die opgenomen zijn in de huidige regelgeving en normen voor bijvoorbeeld geneesmiddelen, bloed/-producten en medische hulpmiddelen worden in generieke vorm toepasbaar geacht voor TEMPs. Beheersmaatregelen dienen opgenomen te worden in regelgeving waarvan de structuur is afgestemd op en complementair is aan de bestaande Europese regelgeving voor medische producten.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Guidance document for setting an Acute Reference Dose in Dutch national pesticide evaluations | RIVM

Dit rapport beschrijft het concept van de Acute Reference Dose (ARfD) geeft richtlijnen voor het afleiden van de ARfD. Dit betreft evaluaties die binnen Nederland worden opgesteld (in opdracht van het College Toelating Bestrijdingsmiddelen (CTB)) alsmede evaluaties die worden opgesteld in EU-verband (EU-monografi6n)), zowel in het kader van de bestrijdingsmiddelenwet als EU Richtlijn 91/414/EC. Specifieke aandacht wordt besteed aan: strikte definitie van de ARfD, voor welke stoffen dient een ARfD te worden vastgesteld, welke toxicologische eindpunten zijn relevant voor de ARfD, en welke extrapolatie- of veiligheidsfactoren worden gebruikt voor het afleiden van de ARfD. Bovendien wordt aandacht besteed aan specifieke probleemsituaties en onderwerpen die van specifiek belang zijn voor acute blootstelling aan pesticiden.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Monitor resultaten geluid 2000 | RIVM

In het kader van structurele intensivering van meetactiviteiten ten behoeve van het monitoren van milieukwaliteit is door het RIVM in 1999 een meetprogramma voor geluid opgesteld. In het kader van dit programma zijn door het RIVM in 2000 op een aantal specifieke locaties permanente geluidmetingen verricht gericht op het ondersteunen en valideren van het modelinstrumentarium dat door het RIVM wordt gebruikt in haar beleidsadvisering op het gebied van geluidhinder. Het meetprogramma geluid is opgenomen in het project "Ontwikkeling monitorsysteem geluid en verstoring". Hierin is voorzien in het inrichten van een aantal specifieke monitorlocaties waar de geluidsbelasting van grootschalige bronnen, zoals het verkeer op rijkswegen en spoorwegverkeer, permanent wordt gemeten. Daartoe zijn in 1999 geluidmetingen zijn verricht langs de rijksweg A2 ter hoogte van Breukelen. Deze metingen zijn in februari 2000 hervat en het vrijwel het gehele jaar gecontinueerd. De metingen zijn gecombineerd met tel- en snelheidsgegevens van het verkeer ter plaatse en gebruikt om de bronsterkte van verschillende voertuigcategorien in de betreffende periode te bepalen. Daarnaast is 2000 als haalbaarheidsstudie verricht op twee andere locaties. Een ervan is een meetlocatie ingericht langs het spoor tussen Utrecht en Amsterdam eveneens ter hoogte van Breukelen. De metingen op deze locatie hebben vooralsnog een verkennend karakter met als doel de waarde van deze locatie voor het over langere termijn monitoren van de geluidemissie door spoorwegen te toetsen. De andere locatie bevond zich in een stiltegebied bij Zegveld. Op de meetlocatie langs de A2 bij Breukelen de bedroeg jaargemiddelde waarde voor het geluidvermogen in 2000 voor personen- en vrachtauto's respectievelijk 106,7 dB(A) en 110,3 dB(A). In de wintermaanden zijn ca. 3 dB(A) hogere geluidniveaus gemeten dan in de zomermaanden. De haalbaarheidsstudie langs het spoor laat zien dat de locatie geschikt is voor het monitoren van de akoestische ontwikkeling van spoorwegmaterieel. Er kan goed en vrij van storende invloeden worden gemeten en de locatie is representatief voor de gemiddelde toestand over dit spoor. De metingen zullen daarom in 2001 worden vervolgd, waarbij o.a. zal worden onderzocht of een verder onderscheid naar treincategorie mogelijk is. In 2000 werd een gemiddelde emissie van ca. 64 dB(A) genormeerd op 1 wagonpassage (bak) per uur, zowel voor dag-, avond- en nachtperiode. De verkennende metingen in het stiltegebied Zegveld ondervonden veel last van stoorgeluid in samenhang met lokale agrarische activiteiten. De metingen bleken niet goed te kunnen worden gerelateerd aan modelparameters en bleken evenmin geschikt voor model validatie.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Niet zonder zorg; een onderzoek naar de doelmatigheid en kwaliteit van de ambulancezorg | RIVM

In de laatste decennia heeft de ambulance zich ontwikkeld van een vervoervoorziening tot een zorgvoorziening; een 'rijdend ziekenhuis' volgens de Minister van VWS. Deze ontwikkeling heeft geleid tot hogere kwaliteitseisen. De ambulancezorg wordt momenteel geleverd door een mix van particuliere en overheidsdiensten. Er zijn 80 diensten, grote en kleine, met elk hun eigen budget. De kleinste bevindt zich op Schiermonnikoog met 68 ritten per jaar; de grootste bedient Utrecht en omstreken met 28.000 ritten. De ambulancediensten krijgen hun ritopdrachten van 28 meldkamers. Meldkamers en ambulancediensten moeten vanaf 1997 opgaan in 25 regionale ambulancevoorzieningen (RAV-en). In het licht van de genoemde ontwikkelingen rees in 1999 de vraag of het macrobudget wel voldoende was voor adequate ambulancezorg. In opdracht van VWS hebben het RIVM, de Inspectie voor de gezondheidszorg (IGZ) en het College Tarieven Gezondheidszorg (CTG) daarop de kwaliteit en doelmatigheid van alle ambulancediensten en meldkamers onderzocht. De kwaliteit van de meldkamers is redelijk; die van de ambulancediensten is redelijk tot goed, zo blijkt na inspectieonderzoek onder alle instellingen in de ambulancezorg. Toch kan het op een aantal punten beter. Met die verbeteringen is een bedrag van ca. 22 miljoen gemoeid. Voorwaarde voor kwaliteitsverbetering is bovenal de RAV-vorming, maar deze stagneert nu juist. Slecht in 5 van de beoogde 25 RAV-regio's is de RAV een feit. Verdere RAV-vorming vergt een helder bestuurlijk kader en de wil tot samenwerking van alle betrokken partijen. Uit het onderzoek blijkt dat in bijna 6 procent van de spoedgevallen een ambulance niet binnen de norm van 15 minuten ter plekke kan zijn. Tijdsoverschrijdingen duiden op problemen met de spreiding van standplaatsen of met de beschikbaarheid van ingezette ambulances. Je kunt echter niet bepalen hoeveel extra ambulances moeten worden ingezet voordat de spreiding van standplaatsen op orde is. Op dit moment kunnen in theorie zo'n 1,3 miljoen Nederlanders niet binnen de 15 minuten bereikt worden. De onderzoekers concluderen dat voor opheffing van het netto exploitatiekort in de sector f. 23 miljoen nodig is en voor investeringen in kwaliteit nog eens f. 22 miljoen. Daar tegenover staan doelmatigheidswinsten die behaald kunnen worden door een betere planning van mensen, ambulances en planbare ritten. In een zogenaamde benchmark-analyse is bepaald dat de potentieel te behalen doelmatigheidswinst varieert tussen de 20 en 46 miljoen gulden. Bij 20 miljoen wordt het maximaal haalbare doelmatigheidsniveau op 90% gesteld, bij 46 miljoen op 100%.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Vaccine-induced antibody responses in relation to season | RIVM

Het effect van seizoen op de vorming van antistoffen na vaccinatie tegen hepatitis B, mazelen en rubella werd onderzocht. Gezien de immunosuppressieve effecten van ultraviolette straling, met name de B-fractie (UVB), was de hypothese dat vaccinaties in de zomer gevolgd worden door relatief lage titers. IgG bepalingen en datums van vaccinatie waren beschikbaar uit diverse bronnen: 1. uit een observationeel onderzoek naar de opbouw van immuniteit na vaccinatie tegen hepatitis B in een groep paramedische studenten in Utrecht, 2. uit een experimentele studie naar het effect van kunstmatige UVB belichting op de opbouw van immuniteit na vaccinatie tegen hepatitis B, 3. uit een transversaal sero-surveillance onderzoek waarbij in een random sample van de Nederlandse bevolking de antistoftiters tegen diverse vaccinaties bepaald werden. In de hepatitis B-onderzoeken werd de antistofvorming zoals gevolgd in de loop van een standaard vaccinatie protocol (Engerix -B, SB; 0, 1, 6 maand) naar seizoen van eerste vaccin injectie geanalyseerd. In het sero-surveillance onderzoek werden de anti-mazelen en anti-rubella antistoftiters in kinderen in het leeftijdstraject 2-7 jaar naar seizoen van eerste vaccin injectie en leeftijd geanalyseerd. Deze kinderen hadden op het moment van bloedafname 1 keer hun bof-, mazelen-, rubella vaccinatie (BMR) op de leeftijd van 14 maanden ontvangen. De gegevens uit het onderzoek onder paramedische studenten lieten een licht vertraagde antistofvorming zien gedurende vaccinaties die in een zonnig seizoen waren begonnen. Echter, een seizoensverschil consistent in de loop van meerdere kalenderjaren werd niet gezien en aan het eind van het vaccinatie protocol waren er geen seizoensverschillen in mate van protectie. In de andere onderzoeken werden geen seizoensverschillen in antistoftiters gevonden. Deze gegevens ondersteunen de hypothese van verminderde immunoprotectie door een hoog niveau van UVB blootstelling in de zomer slechts ten dele. In een fijnmaziger onderzoek, waarin rekening wordt gehouden met verschillen in persoonlijke blootstelling en gevoeligheid voor UVB, zouden eventuele subtiele effecten wellicht duidelijker aan het licht kunnen treden. Een advies voor de algemene bevolking om vaccinaties in een zonnig seizoen te vermijden, is op grond van deze bevindingen prematuur.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

TAPWAT: Definition structure and applications for modelling drinking water treatment | RIVM

Het model TAPWAT (Tool for the Analysis of the Production of drinking WATer), is ontwikkeld om de drinkwaterkwaliteit te beschrijven voor integrale studies in het kader van het planbureau Milieu en Natuur van het RIVM. Het model bestaat uit modules die de individuele zuiveringsstappen van het drinkwaterzuiveringsproces vertegenwoordigen. De zuiveringsstappen in TAPWAT worden voornamelijk gebruikt in systemen voor de behandeling van oppervlaktewater tot drinkwater. De huidige TAPWAT versie zoals in dit rapport beschreven bestaat uit modules gebaseerd op verwijderingspercentages en modules gebaseerd op proces of semi-empirische modelering. Het model moet in staat zijn om het gehele pad te beschrijven van bron tot en met infectierisico voor de bevolking (tenminste voor pathogenen). Aanbevolen wordt een plan van aanpak te maken waarin de bestaande en de nog missende modules, stoffen en micro-organismen geprioriteerd worden in de tijd evenals de noodzakelijke validatie van het model. De verbetering van de huidige versie van TAPWAT en de voorgestelde slag om het model geschikt te maken voor risicoanalyse ten behoeve van de volksgezondheid zal volgens het plan van aanpak uitgevoerd dienen te worden.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Kosten en gevolgen bij de toepassing van de Kyoto Mechanismen | RIVM

Onbeperkte toepassing van de Kyoto Mechanismen kan de kosten van uitvoering van het Kyoto Protocol substantieel verlagen. Vrije emissiehandel tussen Annex-I landen vermindert de kosten met meer dan een derde terwijl mondiale emissiehandel de kosten substantieel verder doet dalen tot een fractie van het bedrag wanneer landen hun Kyoto-doelen op eigen kracht moeten halen. In absolute termen kunnen de totale kosten door mondiale handel tot $300 miljard worden verminderd. De prijs van emissie-eenheden ligt tussen $7 en $25 per ton CO2 bij Annex-I handel en onder de $5 per ton CO2 bij mondiale handel. Beperkingen op de toepassing van de Kyoto Mechanismen, zoals plafonds op aan- en verkopen van emissie-eenheden, impliceren echter hogere kosten om aan het Kyoto Protocol te voldoen. Een handelsplafond op verkopen is mogelijk meer van invloed omdat de gevolgen eerder merkbaar zijn. Vooral de vragers zullen hierbij de nadelen ervaren omdat zij zowel een hogere prijs op de emissiemarkt moeten betalen als meer en duurdere binnenlandse maatregelen moeten treffen. Het EU-voorstel voor een plafond op zowel aan- als verkopen werkt in het voordeel van de USA en het nadeel van de EU, een resultaat dat tegengesteld is aan de onderhandelingsposities die beide partijen hierover innemen. Ook marktmacht en marktsegmentatie betekenen een beperking op vrije emissiehandel en dus hogere kosten. De Kyoto Mechanismen hebben een sterke maar wisselende invloed op het CO2-weglekeffect. Zonder handel bedraagt dit effect 10-20%, maar Annex-I handel verlaagt dit tot 3-7% omdat de lagere prijs van emissie-eenheden de doorwerking op de energieprijs verkleint. Het CDM daarentegen vergroot het weglek-effect tot 30-40%.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Surveillance van HIV-infectie onder injecterende druggebruikers in Nederland: meting Heerlen/Maastricht 1998/1999 | RIVM

Tussen 30 oktober 1998 en 27 mei 1999 werd bij 222 IDs uit Heerlen en Maastricht een bloedmonster en een vragenlijst naar risicogedrag afgenomen. De IDs werden geworven via methadon-posten (63%), laagdrempelige instellingen voor druggebruikers (19%), straatwerving (10%) en arrestantenverblijven (7%). Van de 214 IDs waren 30 deelnemers HIV-positief (prevalentie 14,0%; 95% betrouwbaarheidsinterval [BI] 9,7 - 19,4%). De HIV-prevalentie was hoger in Heerlen (21,6%) dan in Maastricht (5,1%). In Heerlen was een stijgende trend te zien ten opzichte van eerdere metingen (1994: 10%). Van de 134 actueel spuitende IDs had 14% in de laatste zes maanden een gebruikte spuit of naald van een ander geleend. Van hen was 11% HIV-positief. Dertien procent had een spuit of naald uitgeleend. Vijfenveertig procent van de IDs had langer dan zes maanden voor het onderzoek spuiten/naalden van een ander geleend, waarvan 24% HIV-positief was. Veertig procent van de IDs had in de laatste zes maanden een vaste seksuele partner gehad. Bij 36% hiervan was deze partner geen druggebruiker, bij 21% een niet-injecterende druggebruiker. Met de vaste seksuele partner werd in 89% van de contacten niet altijd een condoom gebruikt. Met losse partners en klanten worden condooms vaker gebruikt (niet altijd condoom gebruikt: losse partners 49%, klanten 25%). Door de aanwezigheid van spuitgerelateerd en seksueel risicogedrag in combinatie met een hoge HIV-prevalentie is het risico op HIV-transmissie aanwezig.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Probabilistic assessment factors for human health risk assessment - A practical guide | RIVM

Dit rapport is een practische gids voor de toepassing van probabilistische verdelingen van default assessment factoren in risicobeoordelingen voor de mens. RIVM en TNO ontwikkelden het gebruik van probabilistische assessment factoren als eerste stap naar nationale en internaitonale harmonisatie. Er was overeenstemming over de aard van de verdelingen van verschillende humane assessment factoren. De voorgestelde verdelingen zullen worden toegepast in RIVM- en TNO-risicobeoordelingen van nieuwe en bestaande stoffen en bestrijdingsmiddelen. Een voorbeeld van een dergelijke analyse is toegevoegd.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Environment and health within the OECD-region: lost health, lost money | RIVM

Dit rapport schat het effect van blootstelling aan milieufactoren op de gezondheid in de OESO-regio, in termen van verloren gezondheid en geld. Geschat werd dat 2-5% van de totale ziektelast gerelateerd is aan milieuverontreiniging. Voor de rijkste OESO landen werd dit gezondheidsverlies economisch gewaardeerd op 45-140 miljard US$ (of 53-160 US$ per capita; centrale schatting). Eerst is voor 16 ziekten met hoge ziektelast geschat welke fractie daarvan toe te schrijven is aan mileufactoren: OESO 2-5%, niet-OESO 8-12%, wereld 7.5-11%. Vervolgens is deze milieugerelateerde ziektelast geldelijk gewaardeerd. Het toepassen van deze percentages op de totale gezondheidsuitgaven resulteerde in een schatting van milieugerelateerde gezondheids-kosten van 45-110 miljard $ (40-100 $/capita). Omdat gezondheids-uitgaven echter vrijwel alleen morbiditeit betreffen, zijn de kosten van milieu-gerelateerde morbiditeit en mortaliteit ook apart geschat: morbiditeit met behulp van ziekte-specifieke directe ziektekosten, mortaliteit door verloren levensjaren te waarderen als BNP per capita en door 'willingness-to-pay' waarden voor sterfte gedeeld door de bijbehorende verloren levensverwachting. Tesamen resulteerde dit in de volgende schattingen van milieu-gerelateerde gezondheidskosten voor de rijkste OESO-landen: een lage schatting van 30-95 miljard $ (35-105 $/capita), een middenschatting van 45-140 miljard $ (53-160 $/capita), en een hoge schatting van 215-680 miljard $ (240-775 $/capita).
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Kwaliteit van leven in de VTV. Een haalbaarheidsstudie voor acht ziekten | RIVM

De Volksgezondheid Toekomst Verkenning (VTV) beschrijft de gezondheidstoestand van de Nederlandse bevolking. In de tot nu toe verschenen VTV's zijn hiervoor per ziekte onder meer de indicatoren sterfte, prevalentie, incidentie en beloop beschreven. Dit rapport is een verslag van de haalbaarheidsstudie die is uitgevoerd om na te gaan of er in Nederland ook voldoende informatie beschikbaar is over de gezondheid-gerelateerde kwaliteit van leven per ziekte en of het mogelijk is een vergelijking tussen ziekten te maken. Voor de haalbaarheidsstudie zijn acht ziekten geselecteerd, waarvoor door middel van een literatuuronderzoek gegevens gezocht zijn over de generieke kwaliteit van leven, zo mogelijk naar pati6nt-, ziekte- en zorgkenmerken. Voor borstkanker, gezichts-stoornissen, artrose en verkeersongevallen was zeer weinig informatie beschikbaar. Voor de andere helft van de geselecteerde ziekten (angststoornissen, beroerte, COPD/astma en suikerziekte) was het redelijk goed mogelijk om de kwaliteit van leven te beschrijven. Hierbij waren gegevens over pati6ntkenmerken (leeftijd, opleiding, etc) aanwezig, maar informatie over kwaliteit van leven naar ziektekenmerken (o.a. ernst) en zorgkenmerken was beperkt. De conclusie is dat de huidig beschikbare gegevens over kwaliteit van leven gebruikt kunnen worden om de beschrijving van de ziekten in de VTV aan te vullen. De haalbaarheidsstudie zal daarom een vervolg krijgen voor de overige ziekten en de gegevens hiervan zullen opgenomen worden in het Nationaal Kompas Volksgezondheid.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Uncertainty and RIVM's Environmental Outlooks: Documenting a learning process | RIVM

Politiek, beleid en maatschappij vragen steeds meer om inzicht in de robuustheid van toekomstverkenningen. Dit rapport beschrijft wat het RIVM in samenwerking met ICIS (Universiteit van Maastricht) de afgelopen jaren aan onderzoek naar onzekerheden heeft verricht en hoe de resultaten daarvan bij deze integrale beleidsanalyses zijn gebruikt. Het onderzoek bestond deels uit selectieve tekst-analyse van voorgaande Milieuverkenngen om na te gaan hoe met onzekerheden is omgegaan. Daarnaast zijn er bijeenkomsten en workshops gehouden met een deel van het RIVM-management, en met medewerkers die bij de toekomstverkenningen betrokken zijn. Het beeld over het omgaan met onzekerheden bij deze verkenningen is verder gecompleteerd met intensieve groeps-interviews met een aantal onderzoekers die een actieve rol speelden bij de meest recente Milieuverkenning.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Doorbraaktechnologieen en het milieu. Achtergrondinformatie bij de Vijfde Milieuverkenning | RIVM

Ontwikkelingen in doorbraaktechnologieen als informatie- en communicatietechnologie, biotechnologie, nanotechnologie en materiaaltechnologie hebben een belangrijke invloed op het aanzien van de wereld in 2050. In combinatie met elkaar bieden zij nog nauwelijks voorzienbare mogelijkheden. De doorbraaktechnologieen zijn daarmee ook van groot belang voor de kwaliteit van het milieu. Welke invloed dat zal zijn is echter veel minder eenvoedig te voorspellen. Veel van de technologieen bieden mogelijkheden voor verbeteringen van het milieu. Te denken valt bijvoorbeeld aan een lager energiegebruik, minder emissies en minder ruimtebeslag. Het effect op het milieu hangt mede af van het verloop van volume-ontwikkelingen als gevolg van een toenemende welvaart. Ook zijn er risico's verbonden aan nieuwe technologieen, effecten die nu nog nauwelijks of niet in te schatten zijn. Deze risico's spelen al een belangrijke rol in de discussie omtrent biotechnologie, maar zijn ook aanwezig bij andere technologieen. Daarnaast zijn ethische aspecten van (toepassingen van) doorbraatechnologieen in het geding. In het overbruggen van de kloof tussen onderzoek en toepassing kan de overheid een rol spelen door the stellen van regels, door onderwijs beleid en als klant van nieuwe toepassingen.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Toxaphene exposure in the Netherlands | RIVM

Het onderhavige rapport beschrijft de blootstelling van de Nederlandse bevolking aan toxafeen, gebaseerd op gegevens uit een literatuurstudie en een voorspelling van het modeleringsprogramma EUSES. Toxafeen is feitelijk een uiterst complex mengsel van gechlorineerde bornanes, bornenes and bornadienes. De literatuurstudie geeft aan dat toxafeen over de hele wereld verspreid is. De emissie vertoond een piek rond 1975, maar een vergelijking tussen de huidige niveaus en de niveaus in 1970-1980 laten geen afname van de concentratie toxafeen in lucht zien. Een overzicht van potentiele blootstellingsroutes laat zien dat de consumptie van vis voor het merendeel van de blootstelling lijkt te zorgen. De gemiddelde dagelijkse inname via de voeding wordt geschat op 1-2 ng/kg lichaamsgewicht, op basis van gegevens in de literatuur. Voor mensen die regelmatig vis eten ligt de schatting zeven maal hoger. De bevinding dat de consumptie van vis de voornaamste blootstelling vormt is gecontroleerd met EUSES, een programma dat emissie, verspreiding en blootstelling aan organische verbindingen modelleert. Voor deze exercitie werden twee soorten toxafenen onderscheiden: lipofiele, vluchtige toxafenen en wateroplosbase, niet zo vluchtige toxafenen. De uitkomsten van EUSES ondersteunen de literatuur: verreweg de meeste toxafeen komt via visconsumptie in het lichaam. Dit geldt voor beide typen toxafenen. De voorspelling van EUSES voor concentraties toxafeen in voedsel, water en lucht komen goed overeen met in de literatuur opgegeven waarden.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Informatiestructuur Landelijk Beeld Verstoring | RIVM

Dit rapport gaat in op de huidige stand van zaken met betrekking tot de bij het RIVM beschikbare bron- en volumegegevens voor het opstellen en monitoren van een landelijk beeld van milieuverstoring door geluid van weg- en railverkeer, luchtvaart en industrie. Het rapport beschrijft de kwaliteit van de huidige invoergegevens, geeft een aantal mogelijkheden tot verbetering en schetst een informatiestructuur waarmee de voor de monitorfunctie benodigde informatie op structurele wijze zou kunnen worden verkregen en beheerd.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Een indicatorsysteem voor natuurlijke zuivering in oppervlaktewater | RIVM

Een belangrijk aspect m.b.t. milieukwaliteit is het functioneren van ecosystemen. Het gaat hierbij over het verloop van de biogeochemische cycli, zoals de koolstof- en stikstofcyclus, en de biologische zuivering van ecosystemen. Deze functies, regulatiefuncties of life support functies (LSF), worden grotendeels uitgevoerd door organismen: planten, dieren en bacterien. Vanuit deze invalshoek is biodiversiteit, het voorkomen van organismen in een voldoende hoge diversiteit en aantallen dat de LSF blijvend kunnen worden uitgevoerd op een voldoende niveau, een aandachtspunt van de milieupolitiek. Om deze politiek te onderbouwen is opdracht gegeven een indicatorsysteem voor te stellen voor een aantal LSF. In dit rapport geven we de resultaten van een onderzoek naar de mogelijkheid om een indicatorsysteem op te zetten voor het zelfreinigend vermogen van oppervlaktewater, gebaseerd op een beschrijving van de processen zoals de koolstofcyclus, en de afbraak van organische microverontreinigingen zoals polycyclische aromatische koolwaterstoffen, en gechloreerde verbindingen, de stikstofcyclus met nitrificatie en denitrificatie, de zwavel en fosfaat cycli, de immobilisatie van zware metalen en het fysische transport van verontreinigingen door maaien, baggeren en sedimentatie. Een uitgebreid literatuuronderzoek dat is uitgevoerd om de verschillende processen in beeld te brengen wordt separaat uitgebracht in RIVM rapport 607605002.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Technical evaluation of the Intervention Values for Soil/sediment and Groundwater. Human and ecotoxicological risk assessment and derivation of risk limits for soil, aquatic sediment and groundwater | RIVM

Interventiewaarden zijn generieke risicogrenzen voor de bodem- en grondwaterkwaliteit, welke in het kader van de Wet Bodembescherming worden gebruikt om historische bodemverontreiniging (incl. sediment en grondwater) te classificeren als 'ernstig'. In 1994 zijn Interventiewaarden gepubliceerd voor ca. 70 stoffen. Deze waarden, gebaseerd op potentiele risico's voor de mens en voor ecosystemen, zijn technisch-wetenschappelijk geevalueerd op basis van recente (toxiciteit)data en nieuwe inzichten in risicoanalyse. De afgeleide risicogrenzen (engelse afkorting SRC Serious Risk Concentration) voor bodem en grondwater zijn herzien; ter aanvulling zijn risicogrenzen voor waterbodem afgeleid. In de hierop volgende beleidsmatige fase zal worden bepaald hoe de resultaten zullen worden geimplementeerd. De uitgangspunten voor afleiding van de SRCs, welke gedeeltelijk beleidsmatig zijn bepaald, zijn toegelicht. De algemene procedure voor afleiding van deze risicogrenzen is gedeeltelijk aangepast, met name voor grondwater. Bovendien zijn aparte risicogrenzen voor waterbodems afgeleid. De humane risicogrenzen (SRChuman) zijn bepaald met de blootstellingsmodellen CSOIL (landbodems) en SEDISOIL (waterbodems), in combinatie met het Mximaal Toelaatbare Risico voor blootstelling (MTRhumaan). De model input parameters (o.m. fysische-chemische data), het MTRhumaan en de modelconcepten zijn hiervoor geevalueerd. De ecotoxicologische risicogrenzen (SRCeco) zijn gebaseerd op de HC50, de concentratie waarbij, gebaseerd op laboratorium experimenten, 50% van de soorten en processen mogelijke negatieve effecten ondervinden. Hiervoor zijn de HC50s, de procedure en toxiciteitsdata herzien. De laagste van de humane en de ecotoxicologische risicogrens wordt gekozen als de geintegreerde SRC. Ecotoxicologische risico's bepalen vaker de geintegreerde SRCs dan humane risico's. De geintegreerde risicogrenzen voor grondwater worden bepaald door ecotoxicologische en humane risico's (m.n. de 'maximale concentratie in drinkwater'). De herziene SRCs voor bodem en waterbodem zijn zowel lager als hoger dan de huidige Interventiewaarden voor bodem. De SRCs voor grondwater zijn vaker hoger dan lager dan de huidige Interventiwaarden voor grondwater. Geconcludeerd kan worden dat dit rapport consistent afgeleide humane en ecotoxicologische risicogrenzen weergeeft, welke een basis vormt voor het herzien van Interventiewaarden in de bleidsmatige fase.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Evaluation and revision of the CSOIL parameter set. Proposed parameter set for human exposure modelling and deriving Intervention Values for the first series of compounds | RIVM

Interventiewaarden zijn generieke risicogrenzen voor de kwaliteit van bodem, sediment en grondwater, welke in het kader van de Wet Bodembescherming worden gebruikt om historische bodemverontreiniging (incl. sediment en grondwater) te classificeren als "ernstig". In 1994 zijn Interventiewaarden gepubliceerd voor ca. 70 stoffen. Deze waarden zijn gebaseerd op potentiele risico's voor de mens en voor ecosystemen. De humane risicogrenzen (SRChuman) voor bodem en grondwater worden bepaald met het blootstellingsmodel CSOIL in combinatie met het Maximaal Toelaatbare Risico voor blootstelling (MTRhumaan). De inputparameters van CSOIL zijn geevalueerd en herzien. Deze omvatten de fysisch-chemische data voor alle eerste tranche stoffen en de bodem-, locatie- en blootstellingsparameters van het model. De evaluatie resulteerde in een dataset met een verbeterde onderbouwing en herleidbaarheid. Een belangrijke verandering is de herziening van de bodem-water partitiecoefficienten. Het rapport geeft ook inzicht in de impact van de herziening op de humane risicogrenzen. Tevens is een beter inzicht verkregen in de onzekerheden van de verschillende input parameters.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Accessibility measures: review and applications. Evaluation of accessibility impacts of land-use transportation scenarios, and related social and economic impact | RIVM

In een uitgebreide literatuurstudie worden drie case studies beschreven met als doel het beoordelen van de geschiktheid van bereikbaarheidsmaten voor het evaluateren van de bereikbaarheidseffecten van ruimtelijk-infrastructurele scenario's, en de daar aan gerelateerde sociale en economische effecten. Verschillende op actiteiten en nut gebaseerde bereikbaarheidsmaten zijn berekend om de bereikbaarheid van werkgelegenheid per auto en openbaar vervoer te analyseren. De maten zijn toegepast voor (1) het (basis)jaar 1995, (2) een 'Trend scenario' voor de periode 1995-2020, waarin het ruimtelijke (AcVinex) beleid en historische ruimtelijke trends zijn doorgetrokken, (3) een 'Tolerant scenario' voor de periode 1995-2020 waarin de woningvoorkeuren van consumenten de ruimtelijke ontwikkeling sturen. De hoofdconclusie van het rapport is dat de huidige (voornamelijk op infrastructuur gerichte) beoordeling van de bereikbaarheidseffecten van (ruimtelijk-)infrastructurele plannen, projecten en/of scenario's kan worden verbeterd, gebruik makende van bestaande ruimtelijke en verkeersgegevens en/of -modellen. De op activiteiten gerichte benadering is zeer geschikt om de bereikbaarheidseffecten te beoordelen, waarbij de verschillende componenten van bereikbaarheid (de transport-, ruimte, tijds- en individuele componenten) op bevredigende wijze kunnen worden meegenomen, en is bovendien geschikt om sociale effecten ('equity') te beoordelen. De op nut gerichte benadering van bereikbaarheid kan als basis worden gebruikt voor de economische waardering van bereikbaarheid.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

S-PLUS voor het RIVM Krachtig statistisch software gereedschap | RIVM

Statistische analyses worden op het RIVM veelvuldig uitgevoerd en gerapporteerd. Een grote hoeveelheid goede software is er op de markt om deze analyses betrouwbaar uit te voeren. Voor een goede communicatie tussen statistici en inhoudelijke onderzoekers, die statistiek binnen hun onderzoek toepassen, is het van belang dat het RIVM slechts enkele standaard pakketten heeft. Bovendien levert dit financiele voordelen op. Zo is binnen sector 5 sinds 1992 S-PLUS het standaard statistisch pakket en binnen sector 2 al sinds jaren SAS met S-PLUS als snelle ontwikkelsoftware. Vanaf 1 januari van dit jaar bezit het RIVM een geheel nieuwe licentie van S-PLUS, waarbij het pakket op alle platforms vrij beschikbaar is voor de sectoren 2, 3/4 en 5 inclusief het gebruik van alle modules en thuisgebruik. Deze nieuwe situatie is de aanleiding geweest tot het schrijven van dit rapport. De eerste drie hoofdstukken bevatten algemene informatie over S-PLUS en zijn geschreven voor potentiele gebruikers en voor het management. Hierbij wordt gedacht aan labhoofden, RIShoofden en projectleiders van laboverstijgende projecten zoals de Milieubalans en de Milieuverkenningen. In deze hoofdstukken komt de brede inzetbaarheid van S-PLUS aan de orde als statistisch pakket, grafisch pakket en 4e generatietaal. Het overzicht van enkele S-PLUS toepassingen binnen RIVM projecten spreekt voor zich. De overige hoofdstukken zijn speciaal voor gebruikers geschreven en bevatten een schat aan inhoudelijke informatie. Het betreft o.a. de installatievoorschriften van S-PLUS voor thuisgebruik en gebruik op het RIVM. Het rapport wordt afgesloten met 6 uitvoerige bijlagen waarin twee inleidende cursussen over de S-PLUS commando taal en over de S-PLUS grafische user interface zijn opgenomen, alsmede een bijlage voor SPSS gebruikers die met S-PLUS gaan beginnen. Dit rapport beoogt een standaard gebruik van S-PLUS te bevorderen voor goede, reproduceerbare statistische analyses en voor optimale communicatie tussen onderzoekers.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Verkeer en vervoer in de Nationale Milieuverkenning 5 | RIVM

In de MV5 worden de te verwachten ontwikkelingen in energiegebruik, emissies en kosten van milieumaatregelen voor de periode van 2020/2030 gepresenteerd, uitgaande van het huidige vastgestelde regeringsbeleid. Het onderhavige rapport is het achtergronddocument voor de sector verkeer en vervoer. De meest hardnekkige milieuproblemen veroorzaakt door verkeer die bij uitvoering van het vastgestelde milieubeleid in 2010/2020 resteren zijn CO2 emissies en geluidhinder. Beide problemen zijn sterk afhankelijk van de volumegroei. Dankzij het reeds ingezette beleid dalen de emissies van verzurende stoffen sinds het midden van de jaren tachtig. Na 2020 treedt - zonder aanvullend beleid - een stabilisatie of toename van de verzurende emissies op. Bij de emissies van NOx en SO2 door verkeer neemt het belang van de zeescheepvaart en de binnenvaart toe. De emissie van stoffen van belang voor lokale luchtverontreiniging dalen in eht algemeen aanzienlijk. De belangrijkste uitzondering is fijn stof (PM10): de PM 10 emissie stabiliseert na 2010. Fijn stof is een van de belangrijkste stoffen die gezondheidsschade tot gevolg hebben.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Ciguatera fish poisoning: a review | RIVM

Het overzicht van ciguatera visvergiftiging bevat informatie over de ciguatera vergiftigingen en de veroorzakers (CTXs) en gambiertoxine-4b (GTX-4 B), van welke CTX-1 de belangrijkste component is aan het eind van de voedsel keten (roofvissen). Gegevens over chemische structuren, detectie methoden van ciguatoxinen (CTX), bronnen van CTX, marine organismen die worden geassocieerd met CTX, de toxiciteit van CTX in mens en dier, mogelijke preventieve maatregelen tegen ciguatera vergiftiging, rapportage van CTX-vergiftigingsgevallen, regulering en monitoring van CTX zijn beschreven. Tenslotte worden nog een aantal aanbevelingen gegeven voor een betere controle van het potentiele CTX-probleem in de toekomst.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Re-evaluation of human-toxicological maximum permissible risk levels | RIVM

Bodem-Interventiewaarden zijn generieke standaarden m.b.t. bodemkwaliteit, gebaseerd op de potentiele risico's voor mens en ecosystemen. Zij worden gebruikt om vast te stellen of er in geval van bodemverontreiniging sprake is van "ernstige bodem-verontreiniging" in de zin van de Wet Bodembescherming. Met betrekking tot het potentiele risico voor mensen werden in de periode 1991-1993 voor een vijftigtal stoffen en stofklassen humaan-toxicologische risicogrenzen (d.w.z. toelaatbare dagelijkse inname, toelaatbare concentratie in lucht, kankerrisico bij orale/inhalatoire blootstelling) afgeleid. Deze MTR (maximum toelaatbaar risico) waarden zijn nu up-to-date gebracht. In totaal betreft het 12 metalen (waaronder cadmium, lood en kwik), 10 aromatische verbindingen (inclusief de polycyclische aromaten), 13 gechloreerde koolwaterstoffen (waaronder de dioxinen en de polychloorbifenylen), 6 bestrijdingsmiddelen (o.a. DDT en de drins) en 7 andere stoffen, waaronder de cyaniden en mine-rale olie. Voor elke stof of stofklasse is een toxiciteitsprofiel opgesteld, bestaande uit een samenvatting van de beschikbare toxiciteitsgegevens, informatie met betrekking tot de achtergrondblootstelling, en een overzicht van bestaande limietwaarden zoals afgeleid door andere organisaties/instanties. Elk profiel concludeert tot een MTR voor de betreffende stof of stofklasse.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Optimalisation of the process for manually operated jacket steam sterilisers | RIVM

Het doel van dit onderzoek was om een optimaal proces te ontwerpen voor een handmatig bediende stoomsterilisator, voorzien van een stoommantel. Dit type sterilisator wordt veel in ontwikkelingslanden toegepast. Het onderzoek richtte zich vooral op de stoompenetratie in een textielpakket en de droging. De prestaties van de testcycli werden geevalueerd door het meten van de temperatuur en druk in de sterilisator en het textielpakket en beoordeeld tegen de eisen uit de Europese normen voor grote stroomsterilisatoren en de validatie van stoomsterilisatoren.. Het standaardproces zoals dat door de fabrikant wordt aanbevolen voldeed niet aan de eisen en kon niet als sterilisatie worden beschouwd. Het optimale proces voor sterilisatie van een 'worst case' lading (textiel in sterilisatiecontainers voorzien van deksel en bodem perforaties) bleek te zijn: 20 minuten doorstomen bij atmosferische druk, driemaal een langzame drukopbouw tot 300 kPa gevolgd door een drukval tot 100 kPa en tenslotte een langzame drukopbouw tot de sterilisatiedruk. Het is overigens niet bewezen, dat dit proces geschikt is voor de sterilisatie van holle medische hulpmiddelen, zoals injectienaalden. Het optimale droogresultaat werd behaald door het gebruik van een extern, zelf ontworpen condensatievat.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Nederlandse consumptie en energiegebruik in 2030, een verkennende basis van twee lange termijn scenario's | RIVM

In de agenda van het vierde Nationale Milieu Beleidsplan (NMP4) (VROM, 1999) staat duurzaamheid en kwaliteit van leven centraal. Kwaliteit van leven wordt beinvloed door consumptie, maar ook door de daaruit volgende milieudruk. De milieudruk die wordt veroorzaakt door de consumptie van personen die in Nederland wonen, loopt voor een groot deel via hun ruimte- en energiebeslag. Deze studie beschrijft het consumptiepatroon voor 2030 met het daarbij behorende energiebeslag op basis van beschikbare sociaal-demografische en economische (CPB) scenario's, gesignaleerde consumententrends en andere aanvullende gegevens, waarbij rekening is gehouden met technologische ontwikkelingen (efficientieverbeteringen). Tussen 1995 en 2030 stijgen de particuliere bestedingen per persoon tussen de 120% (European Coordination scenario, EC) en 180% (Global Competition scenario, GC). Het energiebeslag voor particuliere consumptie bedroeg in 1995 130 GJ per persoon. In 2030 is dit gestegen tot 134 GJ (+30%) per persoon indien uitgegaan wordt van het EC-scenario en 163 GJ per persoon indien uitgegaan wordt van het GC-scenario (+58%). Indien ook de groei van de bevolking wordt meegenomen , zal het totale Nederlandse energiebeslag in 2030 met 54% (EC) en 74% zijn gestegen ten opzichte van 1995. Voor 1995 komt het totale energiebeslag voor alle Nederlandse inwoners op 1927 PJ. Dit energiebeslag stijgt in 2030 naar ruim 3000 PJ (EC) en een kleine 3400 PJ (GC). In 1995 bedroeg de energie-intentsiteit van de particuliere consumptie 5,5 MJ/Dfl. In 2030 zal de energie-intensiteit met ruim 40% (-1,5% per jaar) zijn gedaald en ongeveer 3,2 MJ/Dfl bedragen. Het energiebeslag van de particuliere consumptie per persoon neemt minder sterk toe dan de consumptieve bestedingen per persoon. Er is dus sprake van ontkoppeling tussen het energiebeslag en consumptie in de periode van 1995 tot 2030. Deze ontkoppeling wordt bewerkstelligd door veranderingen in het consumptiepatroon (-15%), efficientieverbeteringen van (consumenten)apparaten (-12%) en efficientieverbeteringen in de toeleverende sectoren als industrie, handel en transport (-21%).
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Greenhouse Gas Emissions in the Netherlands 1990-1999. National Inventory Report | RIVM

Dit rapport over de Nederlandse inventarisatie van broeikasgasemissies is geschreven om te voldoen aan de nationale rapportageverplichtingen in 2001 van het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties (UN-FCCC) en van het Bewakingsmechanisme Broeikasgassen van de Europese Unie. Dit rapport bevat trendanalyses voor de emissies van broeikasgas in de periode 1990-1999; een eerste analyse van zgn. sleutelbronnen en de onzekerheid in hun emissies volgens de zgn. 'Tier 1' methodiek van het IPCC-rapport over Good Practice Guidance; documentatie van gebruikte berekeningsmethoden, databronnen en toegepaste emissiefactoren; en een overzicht van het kwaliteitssysteem en de verificatie van de emissiecijfers voor de Nederlandse Emissie-Registratie. De totale netto CO2-eq.-emissies waren in 1999 6% hoger dan in 1990 (1995 voor de F-gassen). Dit wordt een half procent minder na temperatuurcorrectie. In die periode zijn de emissies van CO2 en N2O zijn met resp. 8% en 15% gestegen, terwijl de CH4-emissies met 20% daalden tot een niveau dat 0.5% onder dat van de N2O-emissies in 1999 ligt. Dit maakt N2O in 1999 tot het tweede broeikasgas van Nederland (afgezien van de onzekerheden). Van de zgn. F-gassen, waarvoor 1995 het referentiejaar is, stegen de HFK- en PFK-emissies met resp. 20% and 40% in 1999 ten opzichte van 1995, terwijl de emissies van SF6 (geheel herberekend) met 20% daalden.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Verschillen in het voorkomen van astma en COPD tussen laag- en hoogopgeleiden in Nederland: te verklaren uit verschillen in leefstijl? | RIVM

In opdracht van het Nederlands Astma Fonds werd onderzocht of verschillen in de prevalentie van astma en COPD tussen laag- en hoogopgeleiden kunnen worden verklaard door verschillen in leefstijl. Gegevens verzameld in de MORGEN-studie (uitgevoerd door het RIVM in 1993-1997) bij 19,555 Nederlandse volwassenen (20-59 jaar) werden geanalyseerd. Bij laagopgeleiden (lager onderwijs/lbo/(m)ulo/ mavo) kwamen astmasymptomen 1,4 maal en COPD-symptomen en luchtwegobstructie +- 1,9 maal zo vaak voor als bij hoogopgeleiden (hbo/wo). Na correctie voor actief en passief roken was de ratio van de prevalentie van astmasymptomen in laag- t.o.v. hoogopgeleiden 1,2. Voor kenmerken van COPD was de ratio gereduceerd tot +- 1,5. Na correctie voor roken, voedingsfactoren, en quetelet index (maat voor overgewicht) kwamen astmasymptomen, COPD-symptomen en obstructie nog respectievelijk 1,1, 1,2 en 1,3 maal zo vaak voor in laag- t.o.v. hoogopgeleiden. Sociaal-economische verschillen in het voorkomen van astma en COPD lijken dus voor een belangrijk deel verklaard te kunnen worden door verschillen in leefstijl.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Comparison of methods for enumeration of total coliforms and Escherichia coli in water samples in the Netherlands | RIVM

De nieuwe Europese Drinkwater Richtlijn (december 1998) definieert een referentiemethode voor de schatting van de concentratie bacterien van de coligroep en Escherichia coli in drinkwater. Laboratoria mogen andere methoden gebruiken, maar moeten aantonen dat de verkregen resultaten minstens zo betrouwbaar zijn als die verkregen met de referentiemethoden. Drie Nederlandse laboratoria hebben deelgenomen aan een Europees onderzoek waarin een protocol voor het vergelijken van methoden voor het bepalen van aantallen bacterien van de coligroep en Escherichia coli in monsters water werd getest. Naast de membraanfiltratie methode op Lactose TTC agar met Tergitol 7 (LTTC) beschreven in ISO 9308-1, en Colilert(R), gebruikten de Nederlandse laboratoria membraanfiltratie methoden op Laurylsulfaat Agar (LSA), Chromocult(R) Coliform Agar (CCA) en de E. coli Direct Plating methode. Op LTTC37 werden significant hogere aantallen bacterien van de coligroep gevonden dan op LSA37; LTTC was echter alleen geschikt voor het analyseren van zeer schone (drink)water monsters vanwege gebrek aan selectiviteit. De DP methode (of Rapid Test in ISO 9308-1) is de beste methode voor bepaling van E. coli. Met Colilert(R) werd 12,5 % vals negatieve resultaten voor E. coli gevonden.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Validatie Phoenix 8000 TOC-analyzer | RIVM

Totaal organisch koolstof (TOC) en opgelost organisch koolstof (DOC) zijn belangrijke parameters om grondwater en oppervlaktewater te karakteriseren. Ze zijn ook medebepalend voor de kwaliteit van afvalwater en drinkwater. Grondwater is 1 van de belangrijkste bronnen voor de bereiding van drinkwater. Onder meer in het landelijk meetnet grondwater wordt bij het Laboratorium voor Anorganisch-analytische Chemie (LAC) DOC routinematig bepaald. In 1998 is een onderzoek gestart om een nieuwe TOC-analyzer (Phoenix 8000 van Tekmar-Dohrmann) in operationele staat te brengen, en de bepalingen te valideren. Bij de Phoenix 8000 wordt het monster 5n fosforzuur met een injector in een zogeheten 'IC-sparger' gebracht. Door de oplossing wordt stikstof geleid, waardoor koolstofdioxide, afkomstig van vluchtige organische (POC) of anorganische koolstofverbindingen (IC), wordt verwijderd. Na 'ontluchten' wordt de oplossing in een UV-reactor geleid waarna een peroxodisulfaatoplossing bij de oplossing wordt toegevoegd. Het organisch koolstof in de oplossing wordt daarbij gedestrueerd, en er wordt koolstofdioxide gevormd waarvan de hoeveelheid, na vochtverwijdering, wordt gemeten met een infrarooddetector. In dit rapport worden de resultaten weergegeven van het onderzoek naar optimale omstandigheden van de bepaling van TOC in range 3 (20 - 200 mg/l C). Op grond van deze resultaten is een analysevoorschrift, SOP LAC/M402, samengesteld. De precisie (reproduceerbaarheid) voor standaardoplossingen met een concentratie c in mg/l in het gehele meetbereik kan worden weergegeven door: 0,0145*c + 0.29. De aantoonbaarheidsgrens bedraagt 0,29 mg/l C. De resultaten van bepaling van DOC met de Phoenix 8000 komen goed overeen met de tot nu toe gebruikelijke bepaling van DOC met SOP LAC/M049.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Monitoring prioritaire afvalstoffen, gegevens 1999 | RIVM

In het rapport zijn de resultaten voor 1999 weergegeven van het monitoringprogramma voor prioritaire afvalstoffen dat in opdracht van de Directie SAS/Afvalstoffen van het Directoraat-Generaal Milieubeheer door het RIVM wordt uitgevoerd. In het rapport zijn de rapportages van 27 prioritaire afvalstoffen gebundeld. Per afvalstof worden de belangrijkste gegevens betreffende de hoeveelheden (onder meer naar herkomst en verwerkingsmethode) en samenstelling volgens een standaard opzet gepresenteerd en toegelicht. In de toelichting bij de gegevens zijn de gebruikte bronnen en werkwijzen (eerder vastgelegd in meetprotocollen) beschreven.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Technische Documentatie en Handleiding voor MEI 2.0 | RIVM

Dit rapport beschrijft de werking van het MEI-model (versie 2) in technisch opzicht. Als eerste worden een aantal algemene uitgangspunten en randvoorwaarden genoemd die hebben meegespeeld bij de keuze voor software en de manier van applicatie-ontwikkeling. De functie van dit document is vooral vastlegging van de gevolgde werkwijze bij de applicatie-ontwikkeling. Het vormt voor een beheerder c.q. ontwikkelaar de eerste kennismaking met de technische opzet van het MEI-model. Naast een aantal inhoudelijke verbeteringen in het model-concept was er behoefte aan een database waarin de modelberekeningen kunnen worden opgeslagen. De algemene opzet de MEI-applicatie volgt de 3-lagen architectuur , waarin de gebruikerslaag, de applicatielogica en de data-communicatie naar de database te onderscheiden zijn. Een aantal functies wordt beschreven met behulp van UML (Unified Modelling Language). Hiervan zijn 3 diagrammen gebruikt: use-cases voor de gebruikerswensen; class-diagrams voor de functionele elementen die tesamen de gewenste functies uitvoeren; en sequence diagrams waarin concrete acties en de samenwerking tussen classes op een tijdsas gevolgd kunnen worden.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Validation of Microbiological methods; Enumeration of Clostridium perfringens according to ISO 7937 (second edition, 1997) | RIVM

Als onderdeel van een Europees project werd de methode voor de telling van Clostridium perfringens in voedingsmiddelen en diervoeders, zoals beschreven in ISO 7937 (1997) gevalideerd. Een ringonderzoek werd georganiseerd om de precisie, zijnde de herhaalbaarheid (r) en de reproduceerbaarheid (R), van deze methode te bepalen. Zeventien laboratoria in 13 Europese landen analyseerden kaas, vlees, gedroogd diervoeder en een referentiemateriaal volgens een standaard protocol. Alle monsters waren kunstmatig besmet om het gewenste besmettingsniveau (blanco, laag, midden en hoog) en homogeniteit te verkrijgen. De studie bevatte twee technieken voor de bevestiging van vermoedelijk Clostridium perfringens, zodat mogelijke verschillen in prestatie gedetecteerd konden worden: 1) lactose-sulfiet medium (ISO 7937) en 2) lactose-gelatine medium en beweeglijkheid-nitraat medium (facultatief in EN 13401). De prestatiekenmerken werden berekend volgens zowel ISO 5725 (1994) als volgens prEN ISO 16140 (2000). De herhaarbaarheid (r) en reproduceerbaarheid (R) werden voor elk monster type, concentratieniveau en bevestigingsmethode afzonderlijk berekend. De precisie varieerde per monstertype. De analyse van de RMs leverde de beste prestatiekenmerken op
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Registratie van SOA en HIV consulten bij GGD's en SOA-poliklinieken: Jaarverslag 1999 | RIVM

Bij de Gemeentelijke Gezondheidsdiensten (GGD's) wordt door sociaal-verpleegkundigen ten behoeve van de non-curatieve soa-bestrijding een registratie bijgehouden van de bezoekers ten behoeve van een SOA-hulpvraag of HIV-testverzoek. De gegevens van deze registratie worden landelijk verzameld en bewerkt. De registratie omvat alleen gegevens van geregistreerde bezoekers van een SOA of HIV spreekuur waarbij een sociaal-verpleegkundige aanwezig was. In 1999 registreerden 39 GGD's in totaal 11.586 consulten (stijging van 15% t.o.v. 1998). Ruim driekwart van de bezoekers was afkomstig uit Nederland. Van de mannelijke bezoekers had driekwart heteroseksueel en 20% homo- of biseksueel contact gehad. Van de vrouwen werkte 21% als prostituee in de zes maanden voorafgaand aan het consult. Het aantal gediagnosticeerde SOA steeg in 1999 met 3% tot 2934; 0% voor vrouwen en 6% voor mannen. Bij 31% van de bezoekers waarbij SOA onderzoek is gedaan, werd een SOA geconstateerd (1998: 36%). Opvallend is dat de groep waarbij een SOA was vastgesteld minder vaak uit Nederland afkomstig was, vaker homoseksuele contacten had en minder vaak prostituant was dan de groep bezoekers in de registratie waarbij geen SOA is vastgesteld. De meest voorkomende SOA bij zowel mannen als vrouwen was chlamydia; bij mannen gevolgd door genitale wratten en gonorroe en bij vrouwen gevolgd door bacteriele vaginose, candidiasis en genitale wratten. In 1999 was bij 5027 consulten sprake van een HIV-testverzoek (precounseling) waarbij 0,9% positief bleek te zijn. In de groep HIV-positieven waren de homo- en biseksuele mannen, net als in 1998, het meest vertegenwoordigd.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

DIMITRI 1.0: Beschrijving en toepassing van een dynamisch input-output model | RIVM

Deze rapportage beschrijft de structuur en mogelijkheden van het dynamisch input-output model DIMITRI (Dynamic Input-output Model to study the Impacts of Technology Related Innovations). Het model is ontwikkeld in het kader van het project Milieu en Economie om vragen rond relaties tussen economische parameters, technologie en milieu te kunnen beantwoorden. DIMITRI is een meso-economisch model (op het niveau van productiesectoren) en richt zich zowel op productie en daaraan gerelateerde milieudruk in Nederland als op productie ten behoeve van de inwoners van Nederland (die ook gedeeltelijk in het buitenland plaats vindt). De geinstalleerde technologie in een productiesector wordt, zoals gebruikelijk in input-output tabellen, beschreven aan de hand van alle inputs van die sector, zoals energie, materialen, kapitaal en arbeid. Het rapport bevat zowel een globale beschrijving van het model als een uitgebreide formele beschrijving. Daarnaast wordt een overzicht gegeven van de gegevens die nodig zijn voor het model zowel voor het basisjaar als voor scenario's. Het model is gevalideerd door voor een historische periode de berekende productie te vergelijken met gerealiseerde gegevens. Daarnaast is voor het jaar 1995 het berekende energiegebruik als gevolg van de consumptie van Nederlanders vergeleken met de uitkomsten van een ander model. De geconstateerde verschillen blijken voor een groot deel te verklaren. Het model rekent op basis van scenario's betreffende ontwikkelingen in vraag en technologie per sector. De vraag betreft de consumptie van de inwoners van Nederland en de exporten van Nederland. Technologische veranderingen worden in het model gebracht door per productiesector de verzameling inputs te wijzigen. Aan de hand van drie scenario's worden de mogelijkheden en toepassing van DIMITRI geillustreerd. Tenslotte wordt bij de evaluatie ingegaan op het mogelijke belang van DIMITRI in relatie tot andere modellen (en omgekeerd) en een aantal verbeterpunten.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Jaaroverzicht Luchtkwaliteit 1998 en 1999 | RIVM

Op basis van metingen en modelberekeningen wordt een samenvattend beeld gegeven van de luchtkwaliteit en de belasting van bodem en oppervlaktewater door atmosferische depostie in Nederland in 1998 en 1999. Het speciale onderwerp in dit rapport is Achtergronden bij de luchtkwaliteitsmonitoring. Het rapport bestaat verder uit de hoofdstukken: mondiale-, fotochemische-, verzurende-, deeltjesvormige- en lokale luchtverontreiniging. In dit jaaroverzicht worden ook nieuwe normen geintroduceerd die voortvloeien uit Europese richtlijnen.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Risico-analyse brandstofpontons | RIVM

Voor het bepalen van de risico's van brandstofpontons in een jachthaven is een generieke risico-analyse uitgevoerd. Er is een referentiesysteem gedefinieerd, bestaande uit een betonnen brandstofponton met een relatief grote inhoud en doorzet. Aangenomen is dat de ponton gelegen is in een jachthaven waar alleen pleziervaart aanwezig is, en dat de tankauto tijdens het lossen beschermd is tegen externe beschadiging door langskomend verkeer. De kwantitatieve risico-analyse is uitgevoerd conform de standaard rekenmethode van het Paarse Boek. De referentie brandstofponton leidt tot individueel risicocontouren van 10-5 per jaar en 10-6 per jaar, die praktisch samenvallen. De afstand van deze contouren tot de brandstofponton en de tankauto bedraagt ongeveer 20 meter. Het risico wordt voornamelijk bepaald door de plasbrand binnen de brandstofponton en de breuk van de losslang bij verlading van tankauto naar brandstofponton.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Ecologische risicobeoordeling van verontreinigde (water)bodem - voorstellen ter verbetering van de urgentiesystematiek | RIVM

De systematiek voor de bepaling van de saneringsurgentie in de Wet bodembescherming (Wbb; kortweg urgentiesystematiek) is nu ongeveer 5 jaar operationeel. Een van de onderdelen in de urgentiesystematiek betreft de afleiding van actuele ecologische risico's van (water)bodemverontreiniging. In dit rapport zijn voorstellen geformuleerd voor eenvoudige methodieken om locatiespecifieke ecologische risico's af te leiden op basis van de technisch-wetenschappelijk ontwikkelingen anno 2000. De voorgestelde methodieken kunnen in principe worden gebruikt ter vervanging van de rekenregels in de urgentiesystematiek of als een aanvullend instrumentarium. Het eerste voorstel is uitsluitend gebaseerd op een inschatting van de ecologische risico's op basis van de aanwezigheid van verontreinigende stoffen en literatuurgegevens voor toxiciteit. Bij het tweede voorstel wordt de beoordeling volgens de uitgangspunten van een Triade-benadering uitgevoerd, waarbij de milieuchemische benadering van voorstel 1 wordt aangevuld met biologische gegevens, zoals meetbare toxiciteit in monsters van de verontreinigde locaties m.b.v. bioassays, en ecologische veldwaarnemingen. De combinatie van drie typen gegevens in de Triade-benadering (milieuchemische gegevens, resultaten van bioassays en ecologische waarnemingen) vermindert de conceptuele onzekerheden van individuele beoordelingsparameters waardoor de beoordeling betrouwbaarder wordt.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Beschrijving Model Effectiviteit Instrumenten. Versie 2.0.(MEI 2.0) | RIVM

De beschrijving van de versie van het model MEI (Model Effectiviteit Instrumenten versie 2.0) is gericht op de toepassing voor de penetratie van technieken bij groepen van bedrijven (bv. in bedrijfstakken). Dit model is een poging om de opgedane kennis en ervaring op het gebied van milieubeleidsanalyse te operationaliseren. Bewust is de economische afweging van kosten en baten hierin niet uitgewerkt; resultaten van andere modellen daarvoor kunnen wel worden ingebracht. De aandacht is vooral gericht op maatregelen en bijbehorende overwegingen, die gericht zijn op algemene (maatschappelijke) milieubaten. MEI is een 'expert ondersteunend systeem', vooral bedoeld om het inzicht in deze complexe materie te vergroten en de problematiek op een meer gestructureerde, methodische wijze te benaderen. Het spel van drijvende krachten achter het al dan niet toepassen van bepaalde technieken door bedrijven is zo complex, dat elke poging tot een gestructureerde benadering hiervan tevens een inperking inhoudt. Dit geldt in nog sterkere mate voor een kwantitatief werkend model als deze eerste versie van MEI, ook al gebeurt de input vooral in kwalitatieve termen. Het model moet daarom gezien worden als een hulpmiddel, zowel voor de praktijk als bij verder onderzoek. Met enkele cases is een beperkte validatie uitgevoerd. Het model is echter bewust zodanig opgezet, dat het betrekkelijk eenvoudig is om eigen inzichten over de kwantitatieve uitwerking in de rekenstructuur onder te brengen.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Ecotoxicologische risico's van de verspreiding van baggerspecie uit regionale wateren op land: Vervolgonderzoek naar de ecologische betekenis van normoverschrijding | RIVM

De risico's die verbonden zijn aan het verspreiden van baggerspecie op landbodems worden momenteel ingeschat op basis van het totaalgehalte van contaminanten in de vaste fase. Er zijn echter aanwijzingen dat het totaalgehalte geen goede maat is voor het daadwerkelijk optreden van ongewenste effecten op het bodem-ecosysteem. Derhalve is een fijnmaziger systeem nodig dat wel rekening houdt met de processen die effecten modificeren, oftewel: een systeem dat die biologische beschikbaarheid verdisconteert. In dit rapport worden de resultaten beschreven van een studie die beoogd was om de belangrijke onzekerheden in de relatie tussen normoverschrijding en daadwerkelijke effecten in het veld te kwantificeren. Technisch gezien is het aantonen van effecten in het veld moeilijk uitvoerbaar, het is wel mogelijk om de relatie tussen gehaltes aan contaminanten en effecten in het laboratorium te kwantificeren (oorzaak-gevolg analyse). Dit laatste is in de deze studie uitgevoerd. De resultaten van de studie tonen aan dat het gedrag van zware metalen en PAKs in mengsels van baggerspecie en landbodems niet wezenlijk verschilt van het gedrag in landbodems. In het algemeen zijn de beschikbare gehaltes dermate laag dat de accumulatie van PAKs en metalen beperkt is, waardoor er nauwelijks of geen toxische effecten waarneembaar zijn. Aanbevolen wordt dan ook om de beoordeling van de daadwerkelijke ecotoxicologische risico's van het verspreiden van baggerspecie op landbodems te baseren op biobeschikbare gehaltes in plaats van op totaalgehaltes. De resultaten die in dit rapport worden gepresenteerd vormen een eerste stap in de ontwikkeling van een Beslissings-Ondersteunend Systeem (BOS) voor de beoordeling van de ecologische risico's van het op land verspreiden van baggerspecie, gebaseerd op totaalgehaltes en bodemeigenschappen. Het huidige onderzoek kan gezien worden als een eerste validatie van het BOS op enkele cruciale onderdelen.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

NRL Salmonella ringonderzoek IV en V (1999); Bacteriologische detectie van Salmonella in aanwezigheid van competitieve flora | RIVM

In 1999 zijn door het Nationaal Referentie Laboratorium (NRL) Salmonella 2 bacteriologische ringonderzoeken georganiseerd. Hieraan deden 26 laboratoria mee in het kader van het plan van aanpak Salmonella en Campylobacter in de pluimveehouderij. Het belangrijkste doel van deze ringonderzoeken was te testen of de deelnemende laboratoria in staat zijn om Salmonella te detecteren in aanwezigheid van stoorflora. Referentiematerialen met Salmonella Typhimurium moesten getest worden op Salmonella met en zonder toevoeging van kippenfeces. In het eerste ringonderzoek mochten de laboratoria de laboratorium-eigen methode voor onderzoek van pluimveemestmonsters gebruiken. In het tweede ringonderzoek was de PVE branchemethode verplicht, hierin wordt alleen MSRV als selectief ophopingsmedium gebruikt. Afhankelijk van de resultaten in eerdere ringonderzoeken moesten laboratoria 15 of 50 capsules onderzoeken.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Comparison between the LCx Probe system and the COBAS AMPLICOR system for detection of Chlamydia trachomatis and Neisseria gonorrhoeae infections in patients attending a clinic for treatment of sexually transmitted diseases in Amsterdam, The Netherlands | RIVM

Comparison between the LCx Probe system and the COBAS AMPLICOR system for detection of Chlamydia trachomatis and Neisseria gonorrhoeae infections in patients attending a clinic for treatment of sexually transmitted diseases in Amsterdam, The Netherlands | RIVM
Jaar: 2001 Onderzoek

European Environmental Priorities: an Integrated Economic and Environmental Assessment | RIVM

Ondanks verbeteringen van het milieu in Europa op een aantal terreinen, is een aangescherpt milieubeleid in de Europese Unie noodzakelijk om de gezondheidsschade en het natuurverlies te beperken. Een kosten-batenanalyse wijst uit dat zo'n beleid robuust is en dat de macro-economische gevolgen beheersbaar zijn. Belangrijke prioriteiten voor het EU-milieubeleid zijn klimaatverandering, stikstof-eutrofiering, fijn stof, ozon en biodiversiteit. Dit zijn de belangrijkste bevindingen van een internationaal studieconsortium onder leiding van het RIVM. De studie is verricht in samenwerking met EFTEC (UK), NTUA (Griekenland), IIASA (Oostenrijk). Daarnaast hebben TNO en TME bijdragen geleverd. Ook is in het kader van de studie intensief samengewerkt met het Europese Milieuagentschap in Kopenhagen. De studie is verricht op verzoek van de Europese Commissie als bijdrage voor het zesde Milieu-Actieprogramma, dat door de Europese Commissie is gepresenteerd. In de studie stonden vijf vragen centraal: Is het huidige beleid adequaat genoeg? Kan technologie de geconstateerde beleidstekorten oplossen? Zijn ambitieusere milieudoelstellingen te realiseren? Zo ja, zijn deze doelen ook in economische zin verstandig? Welke beleidsreacties en -instrumenten zijn aan te bevelen? Deze vijf vragen zijn geanalyseerd voor twaalf Europese milieuproblemen, zoals klimaatverandering, biodiversiteit en chemische risico's. De analyse bestaat uit een analyse van de kosten van vermeden schade, milieu-uitgaven, risicoschattingen, publieke opinie, sociale gevolgen en duurzaamheid. De studie bevat ook informatie over milieudoelstellingen, scenario's en beleidsopties en - maatregelen, inclusief de kosten en baten hiervan.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Vuurwerkramp Enschede: lichamelijke en geestelijke gezondheid en ervaringen met de ramp; rapportage van het gezondheidsonderzoek | RIVM

De vuurwerkramp in Enschede 13 mei 2000 heeft grote invloed gehad op de gezondheid van de ongeveer 4000 betrokkenen bij deze ramp. Een belangrijk deel van deze mensen heeft 2 tot 3 weken na de ramp problemen op het gebied van de gezondheid. Door lichamelijke gezondheidsproblemen zijn veel bewoners beperkt in hun dagelijkse bezigheden. Veel mensen hebben slaapproblemen. Het percentage mensen in de ziektewet is 2 tot 3 weken na de ramp verdubbeld. Ook emotionele problemen beperken veel bewoners in hun functioneren. Meer dan 50% heeft te maken met onder andere angstgevoelens, neerslachtigheid, somberheid en gebrek aan vertrouwen. Na de ramp rapporteren vooral bewoners en passanten en in iets mindere mate de hulpverleners uit het rampgebied en uit Enschede een slechte ervaren gezondheid, ook als rekening wordt gehouden met ondermeer hun gezondheidstoestand voor de ramp, leeftijd, geslacht, opleiding en etniciteit. Hulpverleners van buiten Enschede rapporteren zowel voor als na de ramp, gemiddeld genomen in mindere mate lichamelijke en emotionele problemen dan de overige groepen. Mensen die hun huis zijn kwijtgeraakt, dierbaren hebben verloren of letsel hebben opgelopen, hebben de meeste last van problemen. Vrijwel alle lichamelijke en psychische klachten komen bij deze groepen 2 tot 3 keer vaker voor. Dit zijn de belangrijkste conclusies van het vragenlijstonderzoek naar de lichamelijke en geestelijke gezondheid van ongeveer 4000 betrokkenen bij de vuurwerkramp in Enschede. Het vragenlijstonderzoek is 1 van de onderdelen van het Gezondheidsonderzoek Vuurwerkramp Enschede. Als onderdeel van de gezondheidsmonitoring zal o.a. dit vragenlijstonderzoek in de toekomst herhaald worden.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Vuurwerkramp Enschede: Metingen van concentraties, verspreiding en depositie van schadelijke stoffen: rapportage van het milieuonderzoek | RIVM

Op 13 mei 2000 werd Enschede getroffen door een reeks explosies bij het vuurwerk-bedrijf S.E. Fireworks, gelegen midden in een woonwijk, waardoor een groot aantal woningen en andere gebouwen werd verwoest. Als gevolg van de explosies ontstond een grote brand, waarbij meer dan tweehonderd woonhuizen en enkele tientallen bedrijfspanden vlam vatten. Naast tweeentwintig doden waren er bijna duizend gewonden die medische ondersteuning nodig hadden. Tijdens de brand en op de dagen daarna heeft de Milieu Ongevallen Dienst (MOD) van het RIVM metingen verricht van schadelijke stoffen in de lucht en in de omgeving. Ook zijn in het gebied benedenwinds van de ramplocatie monsters van veegstof en gras genomen om de verspreiding en depositie van deze stoffen te bepalen. Uit de metingen blijkt dat dichtbij de brand, in de rook, sterk verhoogde concentraties stof en zware metalen (i.h.b. lood, koper en zink) voorkwamen. Ook koolmonoxide bleek in hoge concentraties aanwezig te zijn. Ook na de brand werden deze stoffen in het rampgebied gevonden, zij het in lagere concentraties. Tevens werden daar licht verhoogde concentraties dioxinen en vluchtige organische verbindingen gemeten. Buiten het rampgebied waren de concentraties van deze stoffen niet of nauwelijks verhoogd. Door TNO is vastgesteld dat er op de door MOD bemonsterde filters geen asbestvezels voorkwamen. Op 14 mei is door SGS en TNO geconstateerd, dat zich buiten de binnenring geen relevante verspreiding van asbest had voorgedaan. In de binnenring was bij visuele inspectie wel op verschillende plaatsen asbest aangetroffen. Metingen in de lucht hebben uitgewezen dat op de dagen na de brand de concentratie aan asbestvezels in de lucht meestal onder het verwaarloosbaar risiconiveau lag. Met behulp van de meetgegevens en modelberekeningen is de potentiele blootstelling geschat van de betrokken hulpverleners en omwonenden. Na vergelijking met gezondheidskundige grenswaarden en normen werd duidelijk dat langdurige gezondheidseffecten door inademing van deze stoffen onaannemelijk waren. Kortdurende effecten, als irritatie van de luchtwegen, kunnen echter wel zijn opgetreden. Tot op 5 km benedenwinds van de voormalige vuurwerkopslagplaats zijn verhoogde concentraties zware metalen gevonden in veegstof en gras. Dit heeft echter niet tot een noemenswaardige belasting van de bodem geleid.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Vuurwerkramp Enschede: Stoffen in bloed en urine; rapportage van het gezondheidsonderzoek | RIVM

Het rapport beschrijft de resultaten van de bepaling van stoffen in bloed- en urinemonsters van de ongeveer 4000 getroffenen van de vuurwerkramp in Enschede die hebben deelgenomen aan het Gezondheidsonderzoek Vuurwerkramp Enschede. Het doel van het onderzoek was het vaststellen van de situatie direct na de ramp, zodat in de toekomst nagegaan kan worden of eventuele gezondheidsproblemen van bewoners, hulpverleners of passanten met de ramp te maken hebben. Daartoe zijn twee weken na de ramp gegevens verzameld over de lichaamsbelasting aan schadelijke stoffen en de lichamelijke en geestelijke gezondheid van een groot aantal bewoners, hulpverleners en passanten. De vraagstellingen luiden: - Wijken de niveaus van stoffen in bloed en urine van bewoners, hulpverleners en passanten af van die van vergelijkbare bevolkingsgroepen (referentiewaarden)? - Is een hoge score voor potentiele blootstelling (op basis van de vragenlijst) geassocieerd met de niveaus van stoffen in bloed en urine van bewoners en hulpverleners? De beschikbare bloed- en/of urinemonsters van de deelnemers aan het onderzoek zijn geanalyseerd met de ICP-MS methode op de volgende elementen: barium (Ba), cadmium (Cd), chroom (Cr), koper (Cu), nikkel (Ni), lood (Pb), antimoon (Sb), strontium (Sr), titanium (Ti) en zink (Zn). Deze stoffen zijn gekozen omdat zij indicatief worden geacht voor het vaststellen van een eventuele verhoogde lichaamsbelasting door de vuurwerkramp. Om vast te stellen of er sprake is van een verhoogde lichaamsbelasting zijn de waargenomen niveaus in bloed en urine van de onderzoekspopulatie vergeleken met concentraties gemeten bij vergelijkbare bevolkingsgroepen (referentiewaarden). De relatie tussen de niveaus in bloed en urine en de potentiele blootstelling aan genoemde elementen in stofvormige luchtverontreiniging is onderzocht met behulp van meervoudige regressie-analyse, waarbij is gecorrigeerd voor mogelijke verstorende invloeden van leeftijd, geslacht, opleidingsniveau, etniciteit, roken, alcoholgebruik en hobby's. De belangrijkste conclusie is dat er geen consistente verhogingen van de gemeten stoffen in bloed en urine zijn in vergelijking met de niveaus die normaal bij de algemene bevolking worden gevonden. Er is evenmin een consistente relatie gevonden tussen de potentiele blootstelling aan stoffen en de gemeten concentraties in bloed en urine. De conclusie van het onderzoek is dat er voor de onderzochte stoffen bij bewoners, passanten en hulpverleners geen verhoogde lichaamsbelasting door de vuurwerkramp is aangetoond. Milieukwaliteitsmetingen van RIVM en TNO uitgevoerd direct na de explosie en brand gaven ook geen aanwijzing dat er een sterk verhoogde blootstelling aan bepaalde stoffen heeft plaatsgevonden. Op puur klinisch-toxicologische gronden was er daarom geen reden voor verder onderzoek. Desalniettemin is op basis van ervaringen met de Bijlmermeer vliegramp en de aanbevelingen van de Enquete commissie besloten tot een pro-actieve benadering in de uitvoering van gezondheidsmonitoring. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS).
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Who is afraid of red, green and blue? Toets van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening op ecologische effecten | RIVM

Met het in de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening voorgestelde beleid, worden de waardevolle landschappen in Nederland de komende 20 jaar vooralsnog onvoldoende beschermd tegen de oprukkende verstedelijking. Bij continuering van de huidige trends en zonder aanvullend beleid gaat in 2020 door verstedelijking ruim 20% van de waardevolle landschappen verloren. Met name landschappen in de Noordvleugel van de Randstad en de provincie Utrecht staan onder druk. Het kabinet stelt in de Vijfde Nota wel doelen voor het behoud van landschap en introduceert onder meer het instrument 'groene contouren'. Er worden vooralsnog echter weinig waardevolle landschappen in de groene contouren opgenomen. Om de bebouwing zoveel mogelijk te concentreren in en nabij het bestaande bebouwde gebied, introduceert de Vijfde Nota de 'rode contouren'. De effecten van rode contouren op de bescherming van het landschap zijn nog moeilijk in te schatten. De vrijheden die gemeenten hebben bij de vaststelling van rode contouren zijn daarvoor te groot. Voor het behoud van natuur en landschap trekt de Vijfde Nota daarmee een zware wissel op de helderheid van het door het Rijk nog aan te geven toetsingskader en op de door provincies en gemeenten te maken afwegingen.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Milieubelasting van Nederlanders binnen en buiten onze grenzen. Achtergronddocument bij de MV5 | RIVM

Nederland is allerminst een gesloten economie. Ten opzichte van de eigen productie is er relatief veel import en export. Daarmee is een belangrijk deel van de milieudruk, die binnen Nederland ontstaat, in feite voor consumptie in het buitenland. Daartegenover staat, dat ook de inwoners van Nederland voor een deel afwentelen op het buitenland. In dit rapport wordt deze vorm van afwenteling uitgewerkt voor energiegebruik, ruimtegebruik, verzuring en hinder. Tevens wordt de gehanteerde berekeningsmethodiek toegelicht. Het energiegebruik in Nederland is ongeveer 50% hoger dan nodig is voor de consumptie van inwoners van Nederland. Vooral de basismetaal, chemie en raffinaderijen zijn energie-intensief en exporteren het overgrote deel van de productie al dan niet direct. Maar ook aan producten van de landbouw, de overige industrie, de dienstensectoren en het transport exporteren we meer energie dan we importeren. Dit beeld wijzigt niet wezenlijk in de doorgerekende toekomstscenario's, zij het dat het belang van de transportsector toeneemt. Het ruimtebeslag van Nederlanders gemeten als landgebruik is ongeveer drie maal het oppervlak van Nederland. Vooral voor de houtoogst wordt er veel bos in het buitenland in beslag genomen. De afwenteling van buitenlanders op Nederland op het aspect verzurende emissies is groter dan van Nederlanders op het buitenland. Dit hangt deels samen met de geschetste verhoudingen voor energiegebruik, deels met de intensieve Nederlandse landbouw. Naar verwachting wordt deze balans bijgesteld enerzijds door reductie van NH3-emissies in de Nederlandse landbouw, maar ook door een verwachte intensivering van het landgebruik in het buitenland (vooral buiten West-Europa). Voor het aspect hinder geldt, dat dit grotendeels is gekoppeld aan diensten en de eigen consumptie. We doen het vooral onszelf aan. Alleen bij de transportsector speelt de afwentelingsproblematiek een rol van betekenis.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Het ruimtebeslag van Nederlanders, 1995-2030. Achtergronddocument bij de MV5 | RIVM

In dit achtergronddocument wordt beschreven hoe aan de mogelijke ontwikkelingen van het ruimtebeslag van Nederlanders invulling is gegeven in het licht van de milieutoekomstverkenningen onder de scenario's European Co-ordination (EC) en Global Competition (GC). Voor het basisjaar 1995 is de rekenmethode gevolgd zoals die ook is toegepast bij de Milieubalans 98 en 99. Voor de belangrijkste producten zijn consumptiescenario's gebruikt of geconstrueerd. Daarnaast zijn er technische ontwikkelingen in de productieketens, zowel in binnen- als buitenland verondersteld, met name voor de landbouwproductiviteit. De belangrijkste conclusies op basis van de resultaten van de in dit rapport beschreven analyse van het mondiale ruimtebeslag door Nederlanders zijn als volgt: 1) In beide scenario's is tussen 1995 en 2030 een lichte toename in het ruimtebeslag te verwachten van circa 10,7 naar 12,3 miljoen ha in het EC scenario en van 10,7 naar 13,2 miljoen ha in het GC scenario. Deze stijging ligt geheel in het buitenland. 2) De stijging wordt vooral veroorzaakt door toenemende vraag naar hout, waarbij geen productiviteitsstijgingen zijn verondersteld in de natuurlijke systemen, die daarvoor de bron zijn. 3) In het EC-scenario is er sprake van enigszins milieuvriendelijker consumptiegedrag op het aspect ruimtebeslag, dit in tegenstelling tot het GC-scenario. 4) De winst door productiviteitsontwikkeling in de landbouw is redelijk in balans met de extra vraag naar landbouwproducten.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit; Resultaten 1996 | RIVM

Het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB) heeft als primaire doelstelling het nagaan van trendmatige veranderingen in de kwaliteit van de bodem ten gevolge van diffuse belasting van de bodem. Het object van onderzoek is de toplaag van de bodem (0-10 cm); daarnaast wordt ook een diepere bodemlaag en het bovenste grondwater onderzocht. Het LMB wordt in samenwerking met LEI-DLO en Alterra uitgevoerd. Jaarlijks worden een 2-tal combinaties van bodemgebruik en grondsoort bemonsterd, bestaande uit ca. 20 lokaties per combinatie. In 1993, 1994 en 1995 is landbouwgrond en bosgrond op zandgrond bemonsterd, in 1995 is tevens landbouwgrond op veengrond bemonsterd. De categorieen die in 1996 zijn onderzocht, zijn akkerbouwbedrijven op zeeklei en melkveehouderijbedrijven op rivierklei. Naast algemene kwaliteitsparameters zijn parameters onderzocht die gerelateerd zijn aan de milieuthema's vermesting en verspreiding. Voor beide categorie6n geldt dat de categoriegemiddelde metaalgehalten in de bodem beneden de streefwaarde liggen, behalve de zinkgehalten op de melkveehouderijlokaties. In het grondwater geldt dat in beide categorieen de categoriegemiddelde metaalgehalten beneden de streefwaarden liggen. Voor een groot aantal individuele PAK liggen in beide categorieen de lokatiegemiddelde gehalten boven de streefwaarde. Voor de categorie akkerbouw liggen de categoriegemiddelde gehalten aan HCB, dieldrin en de som-DDT in de bodem boven de streefwaarde. Voor de categorie melkveehouderij geldt dit alleen voor y-HCH. Op de akkerbouwlokaties liggen de categoriegemiddelde concentraties aan orthofosfaat, chloride en sulfaat in het bovenste grondwater boven de normen, op de melkveehouderijlokaties geldt dit alleen voor orthofosfaat. Het overschot aan N, P en K is op de bemonsterde akkerbouwbedrijven hoger dan op het gemiddelde akkerbouwbedrijf. Op de bemonsterde melkveehouderijbedrijven is het stikstofoverschot vergelijkbaar met dat op het gemiddelde melkveehouderijbedrijf, het P-overschot iets hoger en het K-overschot veel hoger. Uit het zware metalen-overschot verminderd met de berekende uitspoeling op basis van de categoriegemiddelde concentraties aan zware metalen in het grondwater blijkt dat in beide categorie6n sprake is van accumulatie van cadmium, koper, zink en lood in de bodem. In het rapport is beschreven in hoeverre er correlaties bestaan tussen de huidige belasting (zware metalen) en gehalten in bodem en grondwater. In de categorie akkerbouw worden geen correlaties gevonden tussen metaalbelasting en bodemgehalten c.q. grondwaterconcentraties. In de categorie melkveehouderij wordt alleen voor zink een duidelijke positieve correlatie gevonden tussen belasting en concentraties in grondwater.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Leren van het buitenland. Gezondheid en zorg internationaal vergeleken: een samenvatting van drie studies | RIVM

In 2000 verschenen een aantal rapporten waarin de Nederlandse zorg en gezondheid internationaal vergeleken zijn. Een analyse van deze rapporten laat zien, dat internationale vergelijking een nieuw perspectief geeft en als een bron van inspiratie kan dienen voor de nationale beleidsbepaling ten aanzien van gezondheidszorg en volksgezondheid. Sommige vergelijkende rapporten presenteren vooral samengestelde indices en andere geven liever basale vergelijkende gegevens. De eerste soort vergelijkingen levert algemene uitspraken op en kan veel aandacht in de media krijgen. De tweede manier is veel informatiever voor het maken van beleidskeuzes. De vergelijkingen lieten zien dat Nederland op veel aspecten van gezondheid en zorg rond het Europees gemiddelde scoort. Dit in tegenstelling tot vroeger toen Nederland nogal hoog scoorde tussen de landen, die nu de Europese Unie vormen. Vaak is dit veroorzaakt door het feit dat de Zuid Europese landen een inhaalmanoevre hebben uitgevoerd. Voorbeelden van minder gunstige Nederlandse trends zijn de ontwikkeling van de levensverwachting en de perinatale sterfte. De ontwikkeling in levensverwachting blijft in Nederland relatief achter, vooral bij vrouwen, en dat wordt grotendeels veroorzaakt door roken. De oorzaken van de stagnerende daling in de sterfte rond de geboorte heeft te maken met de sterker stijgende leeftijd van moeders bij geboorte van hun (eerste) kind, waarschijnlijk ook met de toename van het aandeel allochtone moeders (ook gerelateerd aan sociaal economische status) en met de stijging van het aantal meerlinggeboortes. Daarnaast blijft roken tijdens de zwangerschap in Nederland een belangrijke bijdrage leveren aan het risico op perinatale sterfte. De conclusies en aanbevelingen over de Nederlandse zorg bevestigen over het algemeen de beleidsintenties van het ministerie van VWS. Meer marktwerking in de zorgsector, meer opleidingsplaatsen voor artsen, nadruk op richtlijnen en standaarden en een uniforme registratie van wachtlijsten. Uit de analyses kwam een relatief hoge tevredenheid met het zorgsysteem naar voren en hoewel het Nederlandse zorgsysteem een beetje duur wordt gevonden ontvangt men voor het geld een nogal breed pakket aan zorg. De bruikbaarheid van internationale vergelijkingen is volledig afhankelijk van betrouwbare internationaal vergelijkende gegevens. Daarom wordt aanbevolen om de gecoordineerde verzameling en uitwisseling van expertise en gegevens tussen landen en met internationale organisaties, zoals van WHO, OECD en EU, te stimuleren
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Een gezonde start? Sterfte rond de geboorte in Nederland: trends en oorzaken vanuit internationaal perspectief | RIVM

In Europa zijn de perinatale en zuigelingensterfte de laatste veertig jaar sterk gedaald. Recent was die daling in Nederland echter minder sterk dan in andere Europese landen. Dit rapport analyseert een aantal risicofactoren, die dit zouden kunnen verklaren. Oudere (35+) moeders en moeders van allochtone herkomst hebben een verhoogd risico op sterfte van hun kind rond de geboorte, evenals vrouwen die roken tijdens de zwangerschap en vrouwen die een meerling krijgen. In de afgelopen decennia zijn zowel het aandeel oudere (35+) als allochtone moeders in Nederland gestegen van 5 tot ongeveer 20%. Het aantal meerlingen is daarnaast ongeveer verdubbeld en Nederlandse vrouwen roken nog steeds relatief veel, ook tijdens de zwangerschap. Op deze gebieden lijkt de situatie in Nederland op dit moment ongunstiger dan in andere Europese landen en dit verklaart waarschijnlijk ook de relatief ongunstige trend voor de Nederlandse sterfte rond de geboorte. De perinatale sterfte is echter steeds blijven dalen, ook in Nederland en ondanks de toegenomen risico's. Andere, positieve, factoren zullen daarom ook hun bijdrage hebben gehad. Te denken valt aan gunstiger leefomstandigheden en leefstijlfactoren (bijvoorbeeld voeding) en aan positieve effecten van preventie en van de gezondheidszorg rond de zwangerschap en tijdens en na de geboorte. Hoewel het Nederlandse systeem van zorg rond zwangerschap en geboorte enigszins afwijkt van de systemen in de meeste Europese landen wijzen vergelijkende studies erop dat het Nederlandse systeem even goed is als dat in andere Europese landen. Wel is er in alle landen sprake van waarschijnlijk of mogelijk vermijdbare perinatale sterfte. Verbeteringen in zorg, preventie en leefstijl lijken ook in Nederland mogelijk. Meer aandacht voor een multiculturele benadering van zorg en preventie rond zwangerschap en geboorte, meer aandacht voor stoppen met roken tijdens de zwangerschap, een meer effectieve screening voor de geboorte en het verbeteren van de nationale dataverzameling op dit gebied vormen duidelijke aanknopingspunten voor het Nederlands gezondheidsbeleid.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Insights for the third Global Environment Outlook from related global scenario anlayses. Working paper for GEO-3 | RIVM

Dit rapport maakt deel uit van de voorbereiding van de derde Global Environment Outlook van UNEP. Het illustreert schaal en soort van de milieu-effecten die GEO in beeld zou moeten brengen. De efecten worden gekwantificeerd door materiaal dat is ontleend aan recente studies over men of meer vergelijkbare scenarios. Omdat het de bedoeling is dat GEO-3 de milieu-onderbouwing levert voor de Rio+10 milieutop in 2002 wordt in dit werkdocument de suggestie gedaan om de analyse voor GEO-3 te richten op de mogleijkheden voor synergie tussen milieubeleid en ontwikkelingsbeleid. Verder worden drie samenvattende indicatoren voorgesteld. De kwantificering in dit werkdocument heeft betrekking op onderwerpen als demografische transitie en afhankelijkheidratio in de bevolking; watertekorten; veranderingen in gewasopbrengst; de kans op landdegradatie; en de achteruitgang van biodiversiteit. Speciale aandacht is besteed aan regionale verschillen en aan informatie die van belang is voor het schatten van veranderingen in kwetsbaarheid.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Nederland gezond beoordeeld? Analyse van internationaal vergelijkende rapporten over zorg en gezondheid | RIVM

In 2000 verschenen een aantal rapporten die de Nederlandse zorg en gezondheid vanuit internationaal perspectief beschreven. Dit waren: het 'World Health Report 2000: Health Systems: Improving Performance', een landen-rapport van de OECD and twee Nederlandse rapporten van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en het ministerie van SZW. Het ministerie van VWS heeft het RIVM gevraagd om deze rapporten te analyseren. De gebruikte methoden en gegevens zijn vergeleken alsmede de reikwijdtes en gebruikte concepten en de resultaten werden vergeleken met het oog op hun bruikbaarheid voor het Nederlands beleid. De WHO heeft een nieuw en visionair model gepresenteerd om de prestaties van de gezondheidssystemen van alle 191 lidstaten te beschrijven. Het breed gedefinieerde concept 'health system' omvat alle activiteiten die aan een betere gezondheid bijdragen. Vijf indicatoren zijn gebruikt: Gezondheid (niveau en verdeling), 'Responsiveness'(client-gerichtheid) (niveau en verdeling) en 'fairness (eerlijkheid) of financial contribution'. De gebruikte methoden zijn onderwerp van veel internationale discussies en de onderneming wordt gekenmerkt door een substantieel gebrek aan echte data, die door schattingen en extrapolaties vervangen zijn. Op de basis hiervan eindigde Nederland op een 17e plaats in een wereldranglijst. Er kunnen echter geen duidelijke boodschappen voor het beleid aan dit resultaat ontleend worden. Toch wordt aanbevolen om actief te participeren in de verdere ontwikkeling van deze concepten en om de nationale dataleverantie te verbeteren. Parallel hieraan zijn er vergelijkbare ontwikkelingen bij de OECD, die op iets meer transparante wijze plaatsvinden. Enkele van de conclusies uit de hier boven aangeven rapporten, namelijk dat de Nederlandse levensverwachting en zuigelingensterfte zich relatief slecht ontwikkelen heeft het ministerie van VWS ertoe gebracht om het RIVM te vragen om hierover twee meer gedetailleerde analyses op te stellen.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Lang leve Nederland! Een analyse van trends in de Nederlandse levensverwachting in een Europese context | RIVM

In de loop van het jaar 2000 verschenen verschillende rapporten waarin volksgezondheid en zorg internationaal werden vergeleken. Een belangrijke boodschap die uit deze rapporten kan worden afgeleid is dat de stijging van de levensverwachting in Nederland stagneert in vergelijking met omringende landen. Dit geldt vooral voor vrouwen, die de laatste 15 jaar van vrijwel een koppositie in de EU tot in de middenmoot zijn afgezakt. Leeftijdspecifieke sterftegegevens maken een meer gedetailleerde analyse mogelijk. Terwijl er in het algemeen een trend is van een dalende sterfte is dit al enige jaren niet meer het geval bij de oudste groep Nederlandse mannen (80+). Bij vrouwen zien we in alle leeftijdsklassen een duidelijke afvlakking van de dalende sterftetrends optreden. In 1995 blijkt in Nederland de sterfte hoger te liggen dan het EU-gemiddelde voor mannen vanaf 65 jaar en voor vrouwen met name in het traject tussen 45 en 70 jaar. Kijken we leeftijdspecifiek naar de belangrijkste doodsoorzaken in 1996, dan blijkt Nederland het vergelijkbaar of beter te doen ten opzichte van het EU-gemiddelde voor coronaire hartziekten, beroerte en 'accidentele val'. Echter, voor zes andere doodsoorzaken komt Nederland boven het EU- gemiddelde uit: borstkanker, prostaatkanker, longkanker (oudere mannen, jongere vrouwen), longontsteking, dikke darm- en endeldarmkanker (jongere vrouwen) en astma/COPD (oudere mannen, alle vrouwen). Voor borstkanker, prostaatkanker en dikke darm- en endeldarmkanker zijn de determinanten complex, maar voor longkanker en astma/COPD is roken de dominante risicofactor. Al enige tijd is duidelijk dat de prevalentie van roken in Nederland (nog steeds) hoog is binnen de EU. De conclusies in dit rapport lijken aan te geven dat de stagnatie van de levensverwachting van de Nederlandse vrouwen tenminste voor een flink deel hieraan is toe te schrijven. Hiermee treedt Nederland in het voetspoor van Denemarken. Daar werd al eind jaren tachtig een dergelijke trend van een stagnerende levensverwachting waargenomen. Een analyse wees op roken als oorzakelijke factor, maar daarnaast op een complex geheel van factoren die samenhangen met een toenemende participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt en de adoptie van een meer 'mannelijke' leefstijl in het algemeen. Deze ontwikkelingen hebben ertoe geleid dat het traditionele verschil in levensverwachting van mannen en vrouwen steeds kleiner wordt. Wat kan het beleid doen? Deze analyse onderstreept opnieuw het belang van effectieve maatregelen ter preventie van roken. Maar ook is verder inzicht nodig in de determinanten, preventie en behandeling van de genoemde vormen van kanker die, in vergelijking met de EU, in Nederland veel sterfte veroorzaken. Ten slotte: preventiebeleid moet van lange adem zijn. De sterftepatronen van nu vinden hun kiem immers in leefwijzen en andere oorzaken van soms vele jaren terug.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Overwegingen bij nader onderzoek naar hart- en vaatziekten in de regio Schiphol | RIVM

De resultaten zijn beschreven van een haalbaarheidsonderzoek naar de relatie tussen de blootstelling aan vliegtuiggeluid en het optreden van hart- en vaataandoeningen in de regio Schiphol. De wetenschappelijke literatuur en de resultaten van onderzoeken uitgevoerd in het kader van de Gezondheidskundige Evaluatie Schiphol werden hiertoe gereviewed. Op basis van deze review is het (extra) aantal personen met een cardiovasculaire aandoening in regio Schiphol geschat. Verschillende mogelijkheden voor nieuw onderzoek worden in het rapport genoemd, uitgesplitst naar epidemiologisch onderzoeksopzet. De meerwaarde van een nieuwe studie is beschreven en tevens wordt geschetst welke informatie, tegen welke kosten, een nieuwe studie kan opleveren. Panel-, cohort- en patient-controle onderzoek worden als het meest geschikt gezien om het optreden van cardiovasculaire aandoeningen in de regio Schiophol te onderzoeken en om de blootstelling-respons relatie tussen geluid afkomstig van vliegverkeer en cardiovasculaire aandoeningen te beschrijven. Dwarsdoorsnede onderzoek waarin objectieve gezondheidseindpunten zoals bloeddruk worden verzameld, wordt eveneens als zinvol aangemerkt.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Toepassing van nabij-infraroodspectroscopie bij de analyse van farmaceutische producten | RIVM

De mogelijkheden en de beperkingen van nabij-infrarood spectroscopie voor de analyse van farmaceutische producten zijn onderzocht. Vier mogelijke toepassingen zijn bestudeerd. Eerst werd de bruikbaarheid voor identiteitscontrole onderzocht. Van 327 farmaceutisch producten, die worden gebruikt voor de bereiding van vaccinmedia werden NIR spectra opgenomen. Een deel van de spectra werd gebruikt om een calibratie set samen te stellen. De overige spectra werden gebruikt voor validatie. De correlatieco6ffici6nt bleek een nuttige parameter om de identiteit met hoge betrouwbaarheid te bevestigen. De tweede toepassing was kwaliteitscontrole. De NIR spectra van 72 glycerol monsters afkomstig van de zogenaamde Ha6tiaanse affaire zijn vergeleken met 45 referentiestandaarden van glycerol 85% en 98%. Standaarden en monsters konden duidelijk worden onderscheiden na principale componenten analyse (PCA) van de spectra. De mogelijkheid om productiebronnen van farmaceutische producten vast te stellen werd bestudeerd aan de hand van 18 monsters Metandienon tableten en 7 monsters Tamoxifen tabletten van verschillende oorsprong. PCA van de opgenomen NIR spectra bleek een bruikbare methode om de tabletten in overeenstemming met de fysische en chemische eigenschappen te classificeren. Als laatste werden de kwantitatieve mogelijkheden van NIR onderzocht door analyse van Tamoxifen tabletten. Uit metingen van intacte en verpoederde tabletten kan worden geconcludeerd dat NIR bruikbaar is voor de kwantificering van de hoeveelheid actieve stof. Kleine verschillen in de dosering zijn echter moeilijk aan te tonen. De resultaten laten zien dat NIR een snelle en niet-destructief alternatief kan zijn voor conventionele en meer bewerkelijke methoden, die momenteel in gebruik zijn voor kwalitatieve en kwantitatieve doeleinden.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

De LeefOmgevingsVerkenner: Kaartbeelden van 2030. Een verkenning van de inzet bij beleidsondersteuning | RIVM

In samenwerking met de Rijksplanologische Dienst is de bruikbaarheid van de LeefOmgevingsVerkenner geevalueerd. De LeefOmgevingsVerkenner wordt bij het RIVM ontwikkeld om een snelle, interactieve, integrale afweging van verschillende beleidsopties te kunnen maken. De LeefOmgevingsVerkenner simuleert de ontwikkeling van het landgebruik in Nederland tot 2030 en het effect hiervan op een set van indicatoren, gegeven demografische en economische ontwikkelingen en de plannen voor de ontwikkeling van Ecologische Hoofdstructuur. In deze studie stond de vraag centraal of het instrument interactief gebruikt zou kunnen worden ter ondersteuning van beleid met betrekking tot de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland. Aan de hand van een toepassing zijn de effecten van 3 ruimtelijke beleidsvarianten geanalyseerd. De ervaringen in deze toepassing laten zien dat het instrument de mogelijkheden biedt om snel een consistent beeld van de ontwikkeling van Nederland te schetsen aan de hand van landgebruikkaarten, indicatoren en geaggregeerde indices. De analyses kunnen snel, binnen enkele dagen, worden uitgevoerd. Op basis van de ervaringen uit deze studie is een lijst met aanbevelingen voor de verdere ontwikkeling en validatie van de LeefOmgevingsVerkenner opgesteld.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Huidige mogelijkheden en inzichten voor implementatie van metaalbiobeschikbaarheid in de risicobeoordeling van landbodems | RIVM

Metalen komen van nature voor in het milieu en sommige zijn essentieel voor organismen. Met deze aspecten zou eigenlijk rekening moeten worden gehouden bij de normstelling van metalen. Daarnaast is het aspect biobeschikbaarheid nog onvoldoende verwerkt in de huidige methodiek voor risicobeoordeling. In de afgelopen jaren is meer inzicht verkregen in de processen die bepalend zijn voor de beschikbaarheid van metalen voor biota. In dit rapport wordt een overzicht gegeven van de huidige mogelijkheden om bij de risicobeoordeling/normstelling van zware metalen in de bodem expliciet rekening te houden met verschillen in hun biobeschikbaarheid. Geconcludeerd wordt dat het op dit moment nog ontbreekt aan voldoende gegevens en inzichten (met name met betrekking tot de relatie tussen metaalspecies en opname en effecten voor een breed scala aan bodem- en waterbodemorganismen) om een gemodificeerd systeem van generieke normstelling te ontwikkelen, dat 'beter' dan de huidige methodiek in staat is om daadwerkelijk optredende effecten van metalen in bodem-ecosystemen te kwantificeren. Wel zijn er mogelijkheden om bij het inschatten van locatie-specifieke risico's rekening te houden met verschillen in biobeschikbaarheid. Een algemeen concept wordt gepresenteerd dat als basis voor een nieuw systeem van risicobeoordeling/normstelling zou kunnen dienen. Het systeem zou gebaseerd kunnen zijn op twee sets van toxiciteitsdata: een dataset voor organismen die via het poriewater worden blootgesteld en een set voor organismen die metalen via de vaste fase opnemen. Voor de dagelijkse praktijk zou deze tweedeling desalniettemin inhouden dat zowel risicobeoordeling als normstelling primair gebaseerd zouden kunnen blijven op totaalgehaltes in de vaste fase. Essentieel is dat het nieuwe systeem van risicobeoordeling 'beter' is dan het huidige, gebaseerd op totaalgehaltes. In het rapport is een prioritering opgenomen van benodigd aanvullend onderzoek.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Ruimtelijke statistiek voor de optimalisatie van het Landelijk Meetnet Regenwater: van metingen naar natte depositie door kriging | RIVM

Dit rapport is het achtergronddocument bij RIVM rapport 723101033 'Een nieuwe meetstrategie voor de metingen van de chemische samenstelling van neerslag in het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit', waarin nieuwe meetstrategieen worden voorgesteld voor de metingen van de chemische samenstelling van neerslag in het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit. Een van de opties betreft het gebruik van Universal Kriging, een geostatistische techniek voor lineaire interpolatie van metingen. Het huidige rapport beschrijft de mathematische en methodologische onderbouwing van de benadering, aan de hand van de resultaten van een pilotstudie voor natte sulfaat, nitraat en ammonuim deposities in Nederland. Bij dit onderzoek vormen de meetresultaten uit het LML en neerslaggegevens uit het KNMI meetnet het basismateriaal. Het onderzoek heeft geleid tot twee afzonderlijke ruimtelijke modellen: 1 voor sulfaat en 1 voor nitraat, waarbij is gebleken dat bij een terugbrengen van 15 tot 8 meetpunten deze ruimtelijke modellen in de toekomst niet meer zijn af te leiden door de te geringe dichtheid van het geoptimaliseerde meetnet. Tevens blijkt dat het huidige meetnet van 15 meetpunten een te geringe dichtheid heeft om het ruimtelijk gedrag van ammonium te kunnen beschrijven met een ruimtelijk lineair interpolatie model dat alleen op meetgegevens is gebaseerd. Het onderzoek heeft verder geresulteerd in een eenvoudige methode om kaarten met elkaar te vergelijken. Deze methode is in een S-PLUS programma geimplementeerd zodat op basis van de twee afgeleide modellen direct de invloed op de natte deposities voor sulfaat en nitraat van een nieuwe meetnetconfiguratie van het LML kan worden doorgerekend.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Informatieanalyse Model Effectiviteit Instrumenten. (MEI versie 2) | RIVM

Om een operationele versie van het MEI model (versie 2) te kunnen maken is een informatie-analyse uitgevoerd. Het MEI model is bedoeld om de implementatie van milieuvriendelijke techniek in de industrie sector te kunnen analyseren en voorspellen. Belangrijke output is het techniekgebruik en de procesemissies. Het uitgangspunt voor deze analyse was het prototype van MEI (versie 1) en een lijst met conceptuele en technische verbeterpunten. Met de lijst verbeterpunten en gebruikers informatie is het model in algemene zin beschreven. Hieruit zijn de belangrijkste gebruiksfuncties gedestilleerd. Hierna konden de data behoeften van het model beschreven worden, hetgeen is vastgelegd in een data model. Met het data model en de rekenregels is een stroomdiagram van de berekeningen afgeleid. Deze informatie analyse is de basis voor een technisch ontwerp voor het nieuwe MEI model, en het opzetten van een geschikte database structuur. Een korte beschrijving van beschikbare software voor uitvoering is ook opgenomen in dit rapport, inclusief argumenten voor een software keuze en een algemene architectuur.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Pilotproject Bodembiologische Indicator voor Life Support Functies van de bodem | RIVM

In het milieu- en natuurbeleid is er een groeiende behoefte aan instrumenten die de kwaliteit van ecosytemen kunnen voorspellen in relatie tot milieudrukfactoren. Duurzame ontwikkeling en duurzaam gebruik van biodiversiteit zijn in dit verband de sleutelwoorden. In Nederland is het biodiversiteitsbeleid gebaseerd op de klassieke benadering van soortbescherming en natuurreservaten. Er is echter een toenemende zorg bij de overheid of deze maatregelen ook voldoende zijn om een duurzaam gebruik van bijv. agrarische ecosystemen te waarborgen. Het hier beschreven onderzoek vindt z'n oorsprong in het biodiversiteitsverdrag van Rio de Janeiro (UNCED 1992). Er wordt verslag gedaan van een pilotproject dat is uitgevoerd om het Bodembiologische Indicatorsysteem in de praktijk te te testen. Dit werd gedaan in het kader van het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit op 20 veehouderijbedrijven op zeeklei en 17 vollegrondstuinbouwbedrijven. De Bodembiologische indicator is ontworpen om een geintegreerd beeld te geven van de eologische bodemkwaliteit. Door de opzet van de indicator wordt een koppeling gelegd tussen structuur en functies van het ecosysteem zoals afbraak van organisch materiaal en mineralisatie van stikstof . Gebruikte indicatorgroepen waren: nematoden, pot- en regenwormen, potentiele nitrificatie, diversiteit van microbiole afbraakroutes en aantal, biomassa en activiteit van microorganismen. Analyse van bodemmijten en een complete voedselwebmodellering kon slechts op twee locaties worden uitgevoerd. In het rapport worden aggregatiemethoden gepresenteerd (AMOEBE en index) waarmee een ecologische kwaliteitsbeoordeling kan worden uitgevoerd. Aansluitend worden de bevindingen van de pilot geevalueerd. Het leidt tot de aanbeveling om het meetprogramma uit te breiden naar meerdere grondsoorten en bodemgebruikstypen, en een goede referentieset op te bouwen. Hierdoor ontstaat een database waarmee ook een prognostisch instrument te maken is in de vorm van habitat-responsrelaties, naar voorbeeld van het MOVE-model.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Manual of FOCUS PEARL version 1.1.1 | RIVM

In het kader van de Europese en Nederlandse toelating van bestrijdingsmiddelen wordt het PEARL model gebruikt om de uitspoeling van bestrijdingsmiddelen naar het ondiepe grondwater te berekenen. Het model is tevens geschikt voor evaluatie van gevoerd beleid (Meerjaren Plan Gewasbescherming; Gewasbescherming 2000+).PEARL staat voor 'Pesticide Emission Assessment at Regional and Local scales'. Het model is een gezamenlijk product van Alterra en het RIVM. Het model vervangt de modellen PESTLA en PESTRAS. Model en data kunnen worden bereikt via een Grafische gebruikersinterface onder Windows 95/98/NT. Alle gegevens worden opgeslagen in een relationele database. Het systeem is al gevuld met gegevens over de Europese en Nederlandse standaardscenario's. Dit rapport beschrijft de processen en parameters in PEARL 1.1. Het rapport bevat tevens een beschrijving van in- en uitvoerbestanden en geeft handreikingen bij de modelparameterisatie. Tenslotte wordt het Nederlands standaardscenario kort beschreven.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Description of selected global models for scenario studies on environmentally sustainable development | RIVM

Zestien werelddekkende modellen worden in dit rapport beschreven. Het rapport belicht de bruikbaarheid voor scenariostudies naar milieu-aspecten van duurzame ontwikkeling. Onder meer is gelet op verschillende vormen van integratie tussen de gemodelleerde processen. Ook is gelet op de mate waarin rekening wordt gehouden met verschillen tussen de wereldregio's. Geen enkel model blijkt ideaal. Maar een doordachte combinatie van bestaande modellen met verhalende informatie kan de basis verschaffen voor de ontwikkeling en evaluatie van mondiale scenario's.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Intrauterine nutritional programming of adult disease | RIVM

De 'intrauterine programming' hypothese stelt dat de kans op het krijgen van ziekten op latere leeftijd mede bepaald wordt door de omstandigheden tijdens de embryonale en foetale ontwikkeling. Met name de voeding tijdens de zwangerschap wordt in verband gebracht met de kans op het krijgen van kanker, hart- en vaatziekten, diabetes, en infectieziekten door de nakomeling op latere leeftijd. In dit rapport wordt de wetenschappelijke evidentie voor het bestaan van 'intrauterine programming' beschreven. De laatste twee decennia is in zowel epidemiologische als dierexperimentele studies evidentie gevonden voor het bestaan van prenatale programmering. Voeding tijdens de zwangerschap is niet alleen van invloed op het geboortegewicht, maar ook op de morfologische ontwikkeling van organen als hypofyse, lever, nieren, pancreas, en mammae. Dit heeft belangrijke consequenties voor de inregeling van fysiologische systemen zoals het koolhydraat- en vetmetabolisme, de homeostase van hormonen die verband houden met de hypofyse-hypothalamus-bijnier-as, en de homeostase van de geslachtshormonen. Als gevolg daarvan worden permanente veranderingen in spiegels van onder meer circulerende geslachtshormonen, in bloeddruk en in glucosetolerantie gevonden die geassocieerd zijn met de kans op het krijgen van bijvoorbeeld borstkanker, hart- en vaatziekten, en diabetes. Met het oog op het frequente voorkomen van deze ziekten in de bevolking kan het effect van het dieet in de zwangerschap daarop mogelijk ook aanzienlijk zijn. In algemene termen is het patroon van voedselconsumptie in Nederland redelijk in overeenstemming met de normen. Echter, balansen tussen verschillende nutrienten kunnen varieren, en daarmee risico's opleveren voor de ongeborene. De rol van de balans tussen n-3 en n-6 vetzuren bij prenatale programmering is hiervan thans wellicht het best uitgewerkte voorbeeld. Er zijn inmiddels internationaal meerdere prospectieve humane studies gaande waarin associaties tussen prenatale voeding en volwassen ziekten nader onderzocht worden. De afstand in de tijd tussen de prenatale ontwikkeling en de periode van het optreden van ziekten op volwassen leeftijd maakt dat de resultaten van deze studies pas ver in de toekomst bekend zullen zijn. Het verdient aanbeveling om onderzoek te doen teneinde de betrokken mechanismen nader in kaart te brengen. Het uiteindelijke doel daarbij is vast te stellen of gerichte dieetvoorlichting voor zwangeren een bijdrage kan leveren aan de preventie van de grote volksziekten.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

FAIR 1.0 (Framework to Assess International Regimes for differentiation of commitments): An interactive model to explore options for differentiation of future commitments in international climate policy making. User documentation | RIVM

FAIR (Framework to Assess International Regimes for differentiation of commitments) is een interactief computer model voor het (kwantitatief) verkennen van verschillende beleidsopties voor internationale lastenverdeling voor het internationale klimaatbeleid, gekoppeld aan doelstellingen voor bescherming van het klimaat. De huidige versie van FAIR bevat drie verschillende benaderingen voor internationale lastenverdeling-regimes: 1) Increasing participation (toenemende participatie): in deze benadering neemt het aantal landen en hun inspanningsniveau geleidelijk toe op basis van regels en criteria voor zowel deelname als bijdrage (bijvoorbeeld op basis van hoofdelijk inkomen, hoofdelijke emissies of bijdrage aan temperatuurstijging (Braziliaans voorstel); 2)Convergentie: in deze benadering nemen alle partijen direct deel aan een emissierechtenregime, waarbij de toegestane emissieruimte in de tijd convergeert van het bestaande naar een gelijk hoofdelijk niveau; 3)Triptych (triptiek): De methode is gebaseerd op gedifferentieerde doelstellingen voor verschillene sectoren: energie-efficientie en de-carbonisatiedoelstellingen voor de electriciteits- en internationaal georienteerde zware industriele sectoren en internationale convergentie in per capita emissieruimte voor de binnenlandse sectoren. De eerste twee modes zijn top-down methodologen, en de triptych methode is een bottom-up methode. FAIR bevat ook een optie om eigen emissie scenario's te ontwikkelen, alsmede de klimaatseffecten hiervan te evalueren (scenario constructie).
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Model Effectiviteit Instrumenten-Energiebesparing Industrie (MEI-Energie) | RIVM

Het rapport beschrijft het rekenkundig onderzoeksmodel 'Model Effectiviteit Instrumenten Energiebesparing Industrie (MEI-Energie)'. Dit model brengt de energiebesparing door industriele sectoren, aan de hand van het maatregelbestand ICARUS, in het verleden en in de toekomst in kaart en vormt een resultaat van het ontwikkelingstraject binnen het RIVM waarbij kennisontwikkeling over energiegebruik en -besparing centraal staat. Het model tracht zoveel mogelijk recht te doen aan de besluitvormingsprocessen van industriele bedrijven binnen een sector om al dan niet te investeren in een energiebesparende techniek. Hierop zijn verschillende factoren van invloed zoals kenmerken van de techniek, de industriele sector, de maatschappelijke omgeving en het beleid. Dit rapport beschrijft de structuur van het MEI-Energie, waarbij met name aandacht wordt besteed aan de positie van beleidsinstrumenten in het model. Ook worden de resultaten van een review van het model, uitgevoerd door het Centrum voor Schone Technologie en Milieubeleid, gepresenteerd. Tot slot wordt aangegeven op welke punten het modelconcept hierop is aangepast.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Progress report on PM toxicity using concentrated ambient particulate matter (CAPs) | RIVM

Dit voorgangsrapport is samengesteld in het kader van project M/650010, 'Risico's in relatie tot luchtverontreiniging', met als doel de recente ontwikkelingen en voortgang binnen dit project te schetsen. Een belangrijk deel van het RIVM toxicologisch research programma omtrent 'the relationship between particulate matter (PM) and health effects' is gewijd aan het gebruik van een Ambient Fine Particle Concentrator (AFPC) in een mobiel laboratorium. Het doel van dit laboratorium is het faciliteren van inhalatie toxiciteitsstudies met (geconcentreerd) buitenluchtstof (PM) in proefdieren. In de toekomst zullen ook studies in vrijwilligers worden uitgevoerd op locaties die verschillen in luchtkwaliteit en bronnen van PM emissies. De AFPC maakt het mogelijk om verhoogde concentraties (15-60 keer de buitenluchtniveaus) te genereren waarbij 50% van de deeltjes op massabasis kleiner of gelijk is dan 2.5 um (CAPs). Er kunnen hierdoor blootstellingsconcentraties tot 3000 ug/m3 worden bereikt. Het onderzoek heeft zich gericht op de acute gezondheidseffecten van PM in knaagdieren met een cardiopulmonarre aandoening (astma, pulmonaire hypertensie), waarvan wordt aangenomen dat deze humane risicogroepen representeren. De studies die in 1999 en 2000 zijn uitgevoerd laten zien dat CAPs gezondheidseffecten kan veroorzaken, hoewel deze als mild en reversibel zijn aan te merken. Eenduidige conclusies over de causale relatie tussen PM en gezondheidseffecten zijn echter nog niet te trekken.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Onderzoek naar de gezondheidsrisico's van de emissies van de brand bij ATF in Drachten | RIVM

Op vrijdag 12 mei 2000, omstreeks 08.00 uur, brak er brand uit bij het afval-verwerkingsbedrijf ATF De Pijp in Drachten. De belangrijkste vraag aan RIVM en RIKILT was of de emissies zouden kunnen leiden tot risico's voor de consument door het gebruik van verontreinigde melk en/of andere dierlijke producten uit het door depositie verontreinigde gebied. Daartoe zijn gras- en melkmonsters onderzocht op toxische stoffen. Tevens zijn de maximale concentraties van deze stoffen vastgesteld in de rook, zo dicht mogelijk bij de brand. De analyses lieten zien dat in het gras tot op een afstand van circa 1000 meter de normen voor veevoeder hier en daar werden overschreden. Echter als gevolg van de maatregelen - weideverbod tot 5000 m, maaien en afvoeren gras tot op een afstand van 1500 m - hebben de landbouwhuisdieren niet, of hooguit zeer kort, blootgestaan aan de gedeponeerde verontreinigingen. Dat wordt weerspiegeld in de melkmonsters, die geen van alle afwijkende gehaltes bevatten. De concentraties van een aantal componenten in de rook was duidelijk verhoogd ten opzichte van achtergrondwaarden en gezondheidkundige advieswaarden voor lange termijn blootstelling. Door de relatief grote afstand tot de eerste woonbebouwing, in combinatie met de beperkte duur van de brand (enkele uren), wordt de kans op blijvende effecten op de gezondheid ten gevolge van de inademing van de rook gering geacht. Over directe gezondheidseffecten die kunnen zijn opgetreden door inademing van rookgassen in de directe omgeving van de brand, kunnen geen uitspraken worden gedaan daar geen kwantitatieve meetgegevens beschikbaar zijn
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Skin infections in renal transplant recipients and the relation with solar UVR | RIVM

Dit rapport beschrijft een studie waarin werd nagegaan of blootstelling aan zonlicht van invloed is op het optreden van huidinfecties in een cohort niertransplantatie patienten. Dit deden wij, daar uit diverse met name experimentele studies bekend is dat blootstelling aan ultraviolette straling (UV) een immuunsuppressie en een verlaagde weerstand tegen diverse infecties kan veroorzaken. Wij verwachtten dat in deze groep patienten door de reeds aanwezige immuunsuppressie dergelijke effecten eerder aan het licht zullen treden. De 'life-time' cumulatieve blootstelling aan zonlicht werd retrospectief geschat op basis van zelf-gerapporteerde gegevens; seizoen van diagnose werd gezien als ruwe maat voor de blootstelling vlak voor of op het moment van het optreden van de infectie. In een multivariaat Poisson regressie model voor herhaalde waarnemingen werd gevonden dat Herpes Simplex-, Herpes Zoster- en schimmel/gist infecties het meest in het zonnige seizoen gevonden werden, terwijl er geen duidelijke samenhang bleek te zijn met de 'life-time' cumulatieve maat voor zonlicht blootstelling. De gevonden seizoenseffecten zouden samen kunnen hangen met het jaarritme in de UV belasting.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Implementation of QSAR's in ecotoxicological risk assessments | RIVM

Een overzicht is gegeven van modelleringstechnieken voor Kwalitatieve Stuctuur Activiteit Relaties (QSAR) evenals van descriptoren die kunnen worden gebruikt bij QSAR berekeningen en van verschillende statistische methoden, die geschikt worden geacht voor de afleiding van QSAR's. De huidige stand van zaken ten aanzien van het gebruik van QSAR's binnen de verschillende reguliere beoordelingskaders van het Centrum voor Stoffen en risicobeoordeling van het Nationaal Instituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM/CSR) wordt toegelicht. De algemeen geaccepteerde QSAR berekeningen en software programma's voor de beoordeling van ecotoxicologische risico's via de blootstellingsroute zijn beschreven. De nadruk ligt echter op de beoordeling van ecotoxicologische effecten. Algemeen geaccepteerde QSAR's en andere in de openbare literatuur vastgelegde QSAR's voor de beoordeling van ecotoxicologische effecten worden in aparte tabellen gepresenteerd voor respectievelijk stoffen die werken via niet-polaire narcose, polaire narcose, reactieve stoffen en stoffen met een specifiek werkingsmechanisme. Ook wordt een overzicht gegeven van recentelijk ontwikkelde QSAR computer programma's. Enkele aanbevelingen worden gedaan op welke wijze QSAR's binnen de beoordelingskaders van RIVM/CSR kunnen worden toegepast. Ervaringen met routinematig toepassen van QSAR's bij de beoordelingen van ecotoxicologische effecten worden over een jaar geevalueerd en gerapporteerd.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Biocides (II) Refined aquatic environmental risk assessment of 28 priority biocides | RIVM

Dit rapport bevat een nadere beoordeling van het risico van de restgroep van 93 niet-landbouwbestrijdingsmiddelen voor het watermilieu, die als zodanig niet in het speerpuntenprogramma van de overheid waren opgenomen. De actieve stoffen en hun toepassingen zijn gecombineerd tot 50 zogenaamde stofspecifieke toepassingen. Van deze combinaties bleken er 26 (zeer) gevaarlijk voor waterorganismen te zijn. Hiervoor zijn met name verantwoordelijk: antislijmstoffen, koelwaterpreservatieven, sanitaire desinfectantia. Een probleem vormt het ontbreken van scenario's voor biociden in de voedsel- en veevoersector. Het beleid voor de restgroep biociden zou zich kunnen richten op: beschikbaarheid van scenario's, bruikbaarheid van scenario's en vergelijking van modelberekeningen met monitoringsgegevens in proces- en afvalwater.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Endocrine disruption and human health: Workshop report on the state of the art | RIVM

In het kader van het project 'endocriene verstoring humaan' worden onder meer actuele ontwikkelingen gerapporteerd over de relatie tussen endocriene verstoring en humane effecten. Dit rapport geeft een overzicht van de presentaties die over dit onderwerp gegeven werden tijdens een workshop, gehouden in mei 2000 in Kopenhagen, die werd georganiserd door prof. Niels Skakkebaek. De workshop bracht een niet onaanzienlijke groep expert wetenschappers op dit terrein bijeen. Zowel actuele overzichtsverhalen als nieuwe resultaten van lopende researchprojecten werden gepresenteerd. De workshop concludeerde dat endocriene verstoring een onderwerp van zorg blijft, hoewel causale relaties tussen blootstelling aan endocriene stoffen via het milieu en gezondheidseffecten bij de mens tot op heden niet zijn aangetoond. Er zijn met name meer humane blootstellingsgegevens nodig als basis voor een actuele risicoschatting voor de mens met betrekking tot endocriene verstoring.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

SOA en AIDS in Nederland | RIVM

Dit rapport geeft een overzicht van de huidige stand van zaken met betrekking tot de voor de volksgezondheid belangrijkste seksueel overdraagbare aandoeningen (SOA): gonorroe, syfilis, infectie met Chlamydia trachomatis, genitale infecties met humaan papillomavirus (HPV), hepatitis B, herpes genitalis, HIV-infectie en AIDS. Er wordt ingegaan op het ziektebeeld, de microbiologie van de ziektever-wekker en de pathogenese van de aandoening. Aandacht is besteed aan de transmissie en de besmettelijkheid van de aandoeningen omdat dit een belangrijke factor is in het kader van de volksgezondheid. Ook wordt ingegaan op de therapeutische mogelijkheden die er zijn per aandoening. Met betrekking tot het voorkomen van SOA in Nederland wordt een overzicht gegeven van de in Nederland beschikbare gegevens en aandacht besteed aan de gerelateerde morbiditeit, mortaliteit en is een vergelijking gemaakt met de buitenlandse situatie. De organisatie en financiering van de bestrijding van SOA in Nederland en ontwikkelingen op dit terrein krijgen eveneens aandacht. De belangrijkste ontwikkelingen zijn in een beschouwend hoofdstuk beschreven. De trends in gonorroe en syfilis zijn de laatste jaren gestabiliseerd. Recent zijn echter verontrustende toenames gerapporteerd in verschillende steden in Europa, waaronder ook Amsterdam. Door verandering in de wetgeving is de aangifteplicht voor deze SOA vervallen, waardoor het onduidelijk is of deze trend ook landelijk zichtbaar is. Met betrekking tot chlamydia zijn er geen landelijke continue gegevens beschikbaar. Recent zijn wel diverse prevalentiestudies verricht in huisartsenpraktijken in Amsterdam. Op grond van onder meer deze gegevens is de kosteneffectiviteit van screening onderzocht. In 2001 zal de Gezondheidsraad adviseren over het landelijke beleid ten aanzien van chlamydia screening. De gegevens over HPV en herpes in Nederland zijn alleen gebaseerd op de SOA-registratie en de jaarverslagen van de SOA-poliklinieken. Voorlopige resultaten uit seroprevalentieonderzoek in een steekproef uit de Nederlandse bevolking laat zien dat gemiddeld een op de twaalf Nederlanders een HSV-2-infectie heeft doorgemaakt. Voor hepatitis B bestaat al een aantal jaren een stabiele situatie. In 2001 wordt een advies inzake de universele vaccinatie van hepatitis B door de Gezondheidsraad verwacht. Door het beschikbaar komen van de combinatietherapieen voor HIV-infecties is de klinische diagnose AIDS vervaagd en is de waarde van de AIDS-registratie beperkt. Het lijkt daarom gewenst een monitoring te ontwikkelen gebaseerd op HIV-infecties. Voor zowel SOA als HIV bestaat de uitdaging om op korte termijn een nieuw surveillance-systeem te implementeren. Een standpunt van het ministerie van VWS hierover wordt in het voorjaar van 2001 verwacht.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Adverse Events Following Immunisations under the National Vaccination Programme of The Netherlands. Number II - Reports in 1995 | RIVM

Adverse events following immunisation (AEFI) in the National Vaccination Programme of the Netherlands (RVP) have been monitored through an enhanced passive surveillance system by RIVM since 1962. From 1984 onward evaluation is done in close collaboration with the National Health Council. Reports from Health Care workers are recieved mainly by telephone through the operating vaccine information and advisory service. Further data are obtained, if necessary, from parents, general practitioners, paediatricians etc. After supplementation and verification of data a (working)diagnosis is made and causality assessed. In this report on 1995 an overview of all recieved AEFI is made and causality assessed. In this report on 1995 an overview of all recieved AEFI is presented with classification according to case definitions and causality. Reporting bias, background rates of specific events and possible pathophysiology of symptoms are discussed. On a total of approximately 2 million vaccinations 800 AEFI were submitted. Of these 1% (8) was unclassifiable because of missing information. In 81% (641) of the classifiable events a possible causal relation with vaccination was established and in 18% (151) the events were judged to be coincidental. Compared with 1994 there was again a rise in the number of notifications Thorough evaluation revealed no increase of true side effects in the Netherlands but a further decrease in underreporting.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Supplement to the methodology for risk evaluation: Proposal for the formats of names, parameters, variables, units and symbols to be used in emission scenario documents | RIVM

De EU werkgroep voor het verzamelen, beoordelen en ontwikkelen van emissie scenario's voor biociden (EUBEES) doet in dit rapport een voorstel om tot een uniforme manier van naamgeving en het gebruik van symbolen te komen, die aansluit bij de lijsten met symbolen van EUSES en USES (Appendix II van EUSES en USES). Door toepassing van dezelfde manier van naamgeving en symbolen wordt de leesbaarheid en vergelijkbaarheid van emissie scenario documenten verbeterd en zal implementatie in EUSES en USES vergemakkelijkt worden. Derhalve is het wenselijk dat in nieuwe emissie scenario documenten reeds bestaande symbolen voor dezelfde parameters en variabelen gebruikt worden, terwijl voor nieuwe parameters wordt aangesloten bij de werkwijze van EUSES en USES, zoals aangegeven in dit rapport.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Bedrijfsterreinen weg van de snelweg? Een historische analyse van de ruimtelijke veranderingen van bedrijfsterreinen in de periode 1981 - 1993, op het ruimtelijk schaalniveau van 500 meter gridcellen | RIVM

In dit onderzoek zijn de ontwikkelingen in het ruimtegebruik van bedrijfsterreinen in de periode 1981 - 1993 zowel visueel als cijfermatig in beeld gebracht en gerelateerd aan een aantal vooraf geselecteerde (ruimtelijke) drijvende factoren. Tevens is een doorkijk naar de toekomst genomen aan de hand van de Nieuwe Kaart van Nederland 2005. Het onderzoek is uitgevoerd aan de hand van gedetailleerd digitaal kaartmateriaal van het CBS en met de ruimtelijke analyse mogelijkheden van een Geografisch Informatie Systeem (GIS). Uit het onderzoek blijkt ondermeer dat in het verleden met name rond knooppunten van infrastructuur relatief de grootste groei heeft plaatsgevonden maar dat de recente ontwikkelingen duiden op een verplaatsing van de groei-accenten naar de gehele als stadsrand gedefineerde zone. Tenslotte zijn de resultaten van het onderzoek gebruikt om het mede door het RIVM ontwikkelde simulatie Model Ruimtescanner verder te testen en te verbeteren. Hiervoor zijn een aantal aanbevelingen gegeven.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Test results of Salmonella sero- and phage typing by the National Reference Laboratories in the Member States of the European Union | RIVM

Het vijfde Salmonella typerings ringonderzoek is georganiseerd door het Communautair Referentie Laboratorium voor Salmonella (CRL-Salmonella, Bilthoven) in samenwerking met de Public Health Laboratory Services (PHLS, Londen). Alle 17 Nationale Referentie Laboratoria voor Salmonella (NRLs-Salmonella) en 15 EnterNet laboratories (ENLs) namen deel aan het ringonderzoek. Drie van de NRLs-Salmonella zijn tevens ENL. De resultaten van deze drie laboratoria zullen geevalueerd worden met de NRLs-Salmonella en ook met de ENLs. Totaal werden 20 stammen van de species Salmonella enterica geselecteerd voor serotypering en antibioticum resistentie patroon bepaling. Tien stammen Salmonella Typhimurium (STM) en tien stammen Salmonella Enteritidis (SE) werden geselecteerd voor faag typering. Over het algemeen werden geen problemen gevonden met het bepalen van de O antigenen. Echter, met het bepalen van de H antigenen hadden sommige laboratoria problemen. De resultaten verkregen met antibioticum resistentie bepaling lieten zien dat standaardisatie op dit gebied nodig is. De meerderheid van de NRLs-Salmonella en ENLs hadden geen problemen met faag typering van STM en SE stammen.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Hazard identification and characterisation, and dose response assessment of spore forming pathogens in cooked chilled food containing vegetables | RIVM

Een gevarenidentificatie en gevarenkarakterisering, inclusief een summiere dosis respons schatting, voor sporenvormende pathogene bacteri6n (SPB) in gekookte voeding, welke als hoofdbestanddeel groente bevat en gekoeld moet worden bewaard, is uitgevoerd conform de structuur en principes behorend bij een kwantitatieve microbiologische risicoschating zoals beschreven door de Codex Alimentarius Commissie.Indien aanvullende beperkingen en omstandigheden, zoals het vermogen om te kunnen groeien gedurende opslag bij een normale koelkasttemperatuur (4 graden C) of bij een iets te hoge koelkasttemperatuur (10 graden C), aantallen explosies per jaar, aantal ziektegevallen per jaar, mate van fataal zijn van de ziekte, en een relatie met explosies door voedsel dat groente bevat, mee worden genomen dan zijn C. botulinum van groep II en B. cereus gevaren met een hoog risico in bovengenoemde producten. C. botulinum van groep I vormt dan een gemiddeld risico bij bewaring bij een te hoge koelkasttemperatuur. B. subtilis en verwante species en C. perfringens geven een laag risico in dit type producten. Er is een duidelijke relatie tussen blootstelling aan deze organismen en gezondheidseffecten. Een kwantitatieve relatie tussen blootstelling aan een bepaalde concentratie van de SPB of haar toxine en bepaalde effecten die de gezondheid schaden kon niet worden vastgesteld. Dit is voornamelijk toe te schrijven aan incomplete en niet gestandaardiseerde beschrijving van de klinische verschijnselen en het onvermogen om de dosis van organismen en/of toxinen waaraan de patient is blootgesteld te kunnen vaststellen. Op grond van gegevens bij het therapeutisch gebruik van C. botulinum toxine als spierverslapper bij de mens, is een poging gedaan een "veilige" dosis te bereken, die in voedsel zou mogen voorkomen. Deze "veilige" dosis van C. botulinum toxine bedraagt 0,004-0,008 ng/kg lichaamsgewicht. Bij een concentratie van ca 0,06 ng C. botulinum toxine /kg lichaamsgewicht kunnen reeds gezondheidseffecten optreden.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

De invloed van geluidsisolatie en ventilatiegedrag in woningen rond Schiphol op de kwaliteit van het binnenmilieu | RIVM

In dit onderzoek is door middel van metingen in 92 woningen rondom de luchthaven Schiphol getracht inzicht te krijgen in de invloed van geluidsisolatie van woningen en eventueel veranderd ventilatiegedrag wegens geluid van buiten, op de concentraties luchtverontreiniging in woningen en het gehalte microbiele componenten in huisstof. In de lucht van de woonkamer werd de concentratie fijn stof (PM2.5), de concentratie roet, de concentratie Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK), de concentratie Vluchtige Organische Koolwaterstoffen (VOK) en de concentraties NO2 bepaald. Verder werd in huisstof afkomstig van de woonkamervloer van deze woningen het gehalte endotoxinen (afkomstig van gram-negatieve bacterien), het gehalte EPS(pen/asp) (afkomstig van schimmels), het gehalte beta(1,3)glucaan (ook afkomstig van schimmels) en het gehalte huisstofmijtallergeen (Der p 1) bepaald. Voor alle gemeten componenten werden geen statistisch significant aantoonbare verschillen gevonden tussen woningen met en woningen zonder aangebrachte geluidsisolatie. In het onderzoek was ook gevraagd of mensen minder gebruik maakten van ventilatiemogelijkheden wegens geluid van buiten. Voor geen van de gemeten componenten was een statistisch significant verschil aan te tonen tussen mensen die hun ventilatiegedrag aanpasten aan geluid van buiten en mensen die dat niet deden. Op basis van dit onderzoek kan geconcludeerd worden dat geluidsisolatie of verminderde ventilatie (zoals ervaren door de bewoners) wegens geluid van buiten niet zal leiden tot hogere concentraties van de hier onderzochte stoffen in de binnenlucht en in het huisstof.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Verdeling van de blootstelling aan fijn stof in de Nederlandse bevolking | RIVM

In opdracht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg is de blootstelling van de Nederlandse bevolking aan fijn stof geschat met behulp van het EXPOLIS model. In dit kans- of probabilistische model is blootstelling een combinatie van de concentratie luchtverontreiniging in verschillende ruimten ('micro-omgevingen') waar een persoon zich gedurende een dag begeeft, en de doorgebrachte tijd in deze micro-omgevingen. PM10 is als indicator voor fijn stof gekozen. De invoergegevens voor het model zijn bij voorkeur gebaseerd op beschikbare Nederlandse gegevens, en gemodelleerd als deze niet beschikbaar waren. Blootstellingsverdelingen zijn berekend voor de situatie met en zonder (passief) roken, zowel voor de gehele Nederlandse bevolking als voor subpopulaties. Tevens zijn gevoeligheidsanalyses uitgevoerd om vast te stellen welke factoren van invloed waren op de blootstellingsverdeling. De resultaten laten zien dat het EXPOLIS model bruikbaar was om de blootstelling van de Nederlandse bevolking aan PM10 te berekenen. Bij afwezigheid van sigarettenrook in het binnenmilieu waren er geen bijzondere risicogroepen te onderscheiden. Wanneer de bijdrage van (passief) roken werd meegenomen, lag de gemiddelde blootstelling aanzienlijk hoger dan wanneer niet gerookt zou worden. Ook de spreiding was in dat geval groter, evenals de verschillen tussen subpopulaties (ouderen hadden een 20% lagere blootstelling). Stadsbewoners hadden een 8-13% hogere blootstelling dan plattelandsbewoners. Omdat de modelresultaten blootstellingsverdelingen zijn, kunnen ze niet vergeleken worden met luchtkwaliteitsnormen. Toekomstige activiteiten zouden zich moeten richten op een protocol voor de facilitering van invoergegevens ten behoeve van het EXPOLIS model en verdere modelvalidatie. Ook is een discussie nodig om de meerwaarde van modelberekeningen ten opzichte van buitenluchtmetingen vast te stellen als indicator voor blootstelling.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Report on the fifth workshop organised by CRL-Salmonella | RIVM

Op 18 en 19 september 2000 is door het Communautair Referentie Laboratorium voor Salmonella (CRL-Salmonella) een workshop georganiseerd in Bilthoven, Nederland. Alle Nationale Referentie Laboratoria voor Salmonella (NRLs-Salmonella) van de EU lidstaten en Noorwegen waren vertegenwoordigd. In totaal waren er 38 deelnemers. Het programma van de workshop bestond uit verschillende delen. Het eerste deel bestond uit de bespreking van de nieuwe draft van de zoonose richtlijn. Daarna vond een evaluatie plaats van het bacteriologische ringonderzoek en de bacteriologische detectie in de verschillende lidstaten. Verder werd gesproken over de opzet en resultaten van typeringsringonderzoeken en immunologische methoden. De achtergrond en betekenis van (metingen van) antibioticum resistentie werd als speciaal onderwerp door een gastspreker toegelicht.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Stimuleren van verkoop van zuinige auto's | RIVM

Om de aankoop van zuinige auto's te stimuleren kondigde het kabinet in de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid aan de belasting op personenauto's en motorrijwielen (BPM) te gaan differentieren naar de CO2-uitstoot van personenauto's. In reactie op deze nota drongen de organisaties RAI en BOVAG in een brief aan de minister van VROM aan op aanvullend onderzoek naar de effectiviteit van deze maatregel en naar de effectiviteit van alternatieve maatregelen. Bij de behandeling van de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid in de Tweede Kamer heeft de minister van VROM op verzoek van de kamer ingestemd met zo'n aanvullend onderzoek. Deze studie beschrijft de resultaten van dit aanvullend onderzoek. Er zijn in deze studie drie alternatieve prijsmaatregelen bestudeerd: 1) Differentiatie van de BPM. De maatregel bestaat uit een generieke verlaging van de BPM met een voor alle auto's gelijk bedrag, en een gelijktijdige invoering van een CO2-toeslag op nieuw verkochte auto's. Er zijn drie heffingsvarianten doorgerekend: van een relatief lage heffing (BPM1) tot een relatief hoge (BPM3). 2) Omzetting van de grondslag van de motorrijtuigenbelasting (MRB) van gewicht naar brandstofverbruik. 3) Energiepremies. De maatregel bestaat uit het verstrekken van een energiepremie aan kopers van een relatief 'groene' auto. Er zijn twee premievarianten doorgerekend: een relatief lage (Premie1) en een relatief hoge (Premie2). De hoofdconclusie is dat de voorgestelde energiepremies en de BPM-varianten leiden tot CO2-emissiereducties bij personenauto's in de orde van 0,1 tot 1,5% ten opzichte van de emissie-niveaus van personenauto's in 2010 en 2020 zonder deze maatregelen. De voorgestelde MRB-maatregel leidt nauwelijks tot CO2-emissiereductie-effecten.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Natuurgraadmeters voor de behoudoptiek | RIVM

In het rapport zijn vier complementaire graadmeters uitgewerkt waarmee het nationale beleid gericht op natuurbehoud kan worden ondersteund in producten van het Natuur- en Milieuplanbureau: De Natuurwaarde geeft een beeld van hoe de natuur er als geheel voorstaat in natuurlijk, agrarisch en stedelijk gebied, het "ecologisch kapitaal". De Soortgroep Trend Index en de Rode Lijst Indicator geven aanvullende informatie op het niveau van soorten. Zij geven een beeld van respectievelijk de trend van soortgroepen sinds 1950 en van de mate waarin soorten in Nederland dreigen uit te sterven. De EHS-doelrealisatie graadmeter geeft een beeld van de realisatie van de doelen voor de Ecologische Hoofdstructuur. Deze graadmeters zijn relevant voor zowel de signalerings-, evaluatie- als verkenningsfunctie van het Natuur- en Milieuplanbureau. De graadmeters zijn bepaald op grond van de natuur- en milieubeleidwensen. Daarnaast is met operationele eisen rekening gehouden. Voor de rijks- en regionale watersystemen zullen bovengenoemde graadmeters nader vorm worden gegeven met het RIZA en het RIKZ, in aansluiting op de Europese Kaderrichtlijn Water.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Energy and emission scenarios for China in the 21st century. Exploration of baseline development and mitigation options | RIVM

In dit onderzoeksproject zijn met behulp van het simulatiemodel IMAGE/TIMER enkele lange termijn energie- en emissiescenario's voor China ontwikkeld (1995-2100). Het doel van de studie was het verkennen van mogelijke baseline ontwikkelingen en van beschikbare opties voor het reduceren van emissies. Om allereerst een goed beeld te krijgen van de huidige situatie in China en het IMAGE/TIMER model aan te passen aan specifieke informatie over China is eerst een overzicht gemaakt van relevante informatie over energieproductie en -verbruik tussen 1980 en 2000. Speciale aandacht is besteed aan de periode 1995-2000, omdat in deze periode volgens beschikbare gegevens de Chinese emissies zijn gedaald. Ook is gekeken naar energievoorraden in China. De ontwikkelde scenario's zijn gebaseerd op de IPCC SRES scenario's, zoals uitgewerkt voor de wereld in het IMAGE 2.2 model. Deze scenario's zijn echter nader ingevuld op basis van data en expert judgement over mogelijke ontwikkelingen van Chinese experts. De twee belangrijkste baseline scenario's van de studie verschillen met name in de openheid van de Chinese economie en in het niveau van economische groei, hoewel beide een snelle groei van CO2-emissies laten zien (2.0% en 2.6% per jaar in de periode 2000-2050). Een alternatief baseline scenario laat zien dat een orientatie op duurzaamheid (met accent op milieu) het mogelijk maakt niet alleen regionale luchtverontreiniging te verminderen maar tevens de CO2-emissies terug te brengen. In de analyse van de reductiemogelijkheden is een elftal opties geevalueerd in termen van impact op investeringen, kosten voor de gebruikers van energie, brandstof-importkosten en vanzelfsprekend op het niveau van de emissies. Deze analyse liet zien dat er een groot potentieel is om de CO2-emissies in China te verminderen door middel van vrij beperkte maatregelen (maatregelen die vooral zijn gebaseerd op het huidige beleid in West Europa). Hieronder vallen onder meer het verbeteren van de energie-efficientie en maatregelen in de elektriciteitssector. Door alle opties te combineren lijkt het mogelijk om emissies in 2050 in vergelijking met de baseline scenario's met 50% te reduceren. Een deel van de maatregelen heeft positieve neveneffecten in de vorm van emissiereductie van andere stoffen of vermindering van importkosten van brandstoffen. Andere maatregelen leiden juist tot een sterke toename van importkosten.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Verkeer en vervoer in de Milieubalans 2000 | RIVM

Op prinsjesdag 2000 presenteerde het RIVM als milieuplanbureau haar zesde Milieubalans, de MB2000 (RIVM, 2000a).In de Milieubalans 2000 is gekozen voor een algemeen overzicht van de belangrijkste ontwikkelingen voor vier belangrijke milieuproblemen, te weten 1) energiegebruik en klimaatverandering, 2) grensoverschrijdende luchtverontreiniging, 3) milieu in het landelijk gebied en 4) de mens en zijn stedelijke leefomgeving. De bijdrage van de doelgroep verkeer en vervoer aan de MB2000 is dit jaar beperkt gebleven tot het leveren van emissiegetallen. Daarom wordt in dit achtergrondrapport volstaan met het geven van alle relevante emissiegetallen en het beschrijven van de belangrijkste verschillen met emissiegetallen zoals gerapporteerd in de MB1999. Daarnaast wordt de T+4-prognose voor de emissies door de doelgroep verkeer en vervoer in dit achtergrondrapport onderbouwd. De belangrijkste bevindingen voor wat betreft de milieubelasting door verkeer en vervoer zijn: 1) de CO2-emissie door verkeer en vervoer is, net als in de afgelopen 20 jaar, tussen 1998 en 1999 wederom toegenomen en zal in de periode 1999-2004, weliswaar met een lager tempo, blijven toenemen, 2) de emissies van andere broeikasgassen (NO2 en CH4) door verkeer en vervoer nemen daarentegen tussen 1999 en 2004 naar verwachting af, echter niet genoeg om de totale broeikasgasemissies door verkeer en vervoer tussen 1999 en 2004 af te laten nemen, 3) voor de overige in de Milieubalans beschouwde emissies naar lucht, zoals CO2, NOx en VOS, geldt dat deze in 1999 wederom lager zijn dan in het voorafgaande jaar en dat ze zullen dat ze zullen blijven afnemen tussen 1999 en 2004.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Monovalent RIVM meningococcal B OMP vesicle F91 vaccines in toddlers | RIVM

Dit rapport geeft een beschrijving van de resultaten van een gerandomiseerde fase II studie naar de veiligheid en immunogeniciteit van een monovalent P1.7h,4 OMV vaccin (MonoMen) in peuters. Veiligheid en immunogeniciteit zijn vergeleken voor twee vaccintypen die verschillen in adjuvant (aluminiumfosfaat of aluminiumhydroxide). MonoMen is toegediend in een 3- of 4-doses schema met vaccinaties op 0, 2 en 8 dan wel op 0, 1, 2 en 8 maanden. In het totaal zijn 134 kinderen ge6ncludeerd in de studie. Tijdens de observatie periode traden geen ernstige bijwerkingen op, maar werden slechts milde lokale en systemische bijwerkingen gerapporteerd. Geen van de kinderen vertoonde bactericide activiteit tegen de PorA negatieve mutante stam H1.5, wat wijst op PorA specificiteit van de antistofrespons. Over het algemeen is de SBA respons het hoogste in de AlPO4 groepen, zodat adsorptie aan AlPO4 wordt geprefereerd boven AL(OH)3. Na de primaire series zijn de titers iets hoger in kinderen die twee in plaats van drie vaccinaties ontvingen, wat mogelijk het gevolg is van langere intervallen tussen de primaire vaccinaties in het 2+1-schema. Na de boostervaccinatie werden significant hogere GMT's gemeten in kinderen die volgens het 3+1-schema zijn gevaccineerd. Hoewel het 3+1-schema beter lijkt wat betreft de hoogte van de GMT's, worden tussen de twee schema's slechts weinig verschillen gevonden in percentages imuunresponders. Zowel deze studie als de studie naar het booster effect van MonoMen in kinderen geprimed met hexavalent MenB vaccin tonen aan dat MonoMen een veilig en immunogeen vaccin is.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1

Tissue Engineered Medical Products (TEMPs): Historische ontwikkelingen en toekomstverwachtingen | RIVM

Naast medische hulpmiddelen, geneesmiddelen en humane weefsels en organen is een nieuwe groep producten voor medische toepassingen te definieren. Deze producten kunnen beschreven worden als "Tissue Engineered Medical Products" (TEMPs) en bestaan uit humane of dierlijke cellen op een dragermateriaal. Het doel is om dysfunctionerende cellen (weefsels of organen) te vervangen door in het laboratorium gefabriceerd nieuw weefsel dat na verloop van tijd volledig integreert met het menselijk lichaam. Door middel van een literatuuroverzicht en interviews worden de technische ontwikkelingen van de laatste 10 jaar belicht en worden toekomstige mogelijkheden geschetst. Behalve algemeen toepasbare technieken voor het manipuleren van cellen worden ook enkele specifieke toepassingen besproken. Op dit moment zijn enkele producten op de markt. Het effect dat deze TEMPs kunnen hebben op de volksgezondheid en de gezondheidszorg is besproken voor zover de beperkte gegevens dit toelieten. Een aantal drempels (ethische aspecten, risico's voor de volksgezondheid) bij de ontwikkeling van dit type nieuwe producten is benoemd. Het is te verwachten dat de uitgebreide onderzoeksinspanningen in het laboratorium zullen leiden tot een aanzienlijk aantal producten die in klinische studies geevalueerd kunnen worden. Hierdoor wordt in de komende 20 jaar een toenemende beschikbaarheid van TEMPs voor patienten voorzien. Deze studie vormt een onderdeel van de Volksgezondheids Toekomst Verkenning 2002 van het RIVM.
Jaar: 2001 Onderzoek Documenten: 1