Naar inhoud

Onderzoeken Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2022

Zoek binnen deze data in WooGLe

Lerende evaluatie lokale en regionale preventieakkoorden: Van ambitie naar actie en de plannen voor de toekomst | RIVM

Sinds 2019 zijn gemeenten bezig lokaal preventieakkoorden op te zetten om de gezondheid van inwoners te verbeteren. Door mensen gezond te houden kan de druk op de gezondheidszorg worden verminderd. Het RIVM evalueert hoe zes van de eerste tien lokale en regionale preventieakkoorden hun ambitie hebben vertaald naar concrete activiteiten. Ook is beschreven wat de plannen voor de toekomst zijn. Met deze informatie kunnen gemeenten van elkaar leren. De preventieakkoorden hebben effect op de manier waarop preventie binnen de deelnemende partijen wordt aangepakt. Ze hebben onderwerpen op de agenda gezet, hebben preventie minder vrijblijvend gemaakt, en zijn een schakel tussen landelijk beleid en lokaal maatwerk. Daarnaast hebben ze ervoor gezorgd dat partijen uit verschillende sectoren samen doelen en acties hebben opgesteld en nieuwe verbindingen zijn aangegaan. De preventieakkoorden lopen nog niet lang genoeg om te kunnen zeggen welk effect ze op de gezondheid hebben. In de evaluatie zijn twee thema’s uitgelicht: mentale gezondheid en overgewicht. De interventies die gemeenten hiervoor aanbieden blijken sterk te verschillen per doelgroep, thema en aanpak. Sommige zijn nieuw en vanuit het preventieakkoord ontstaan. Andere bestonden al en zijn in het preventieakkoord ondergebracht. Voor de toekomst wordt gekeken of de preventieakkoorden kunnen worden gecombineerd met of gekoppeld aan de lokale nota volksgezondheid of lokale coalitieakkoorden, of met de sportakkoorden. Een andere ontwikkeling is het Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA). In dit akkoord maken het rijk, gemeenten en verzekeraars landelijke afspraken, onder andere over preventie. De thema’s overlappen sterk met die uit de lokale en regionale preventieakkoorden. Het is daarom belangrijk om te blijven volgen hoe de preventieakkoorden zich hiertoe gaan verhouden. De preventieakkoorden zijn immers een belangrijke schakel tussen landelijk beleid en lokaal maatwerk. De evaluatie is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ( VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) ) en de Vereniging Nederlandse Gemeenten ( VNG Vereniging van Nederlandse Gemeenten (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) ).
Jaar: 2022 Onderzoek

Gelijktijdige blootstelling aan verschillende gewasbeschermingsmiddelen via voedsel | RIVM

Via ons voedsel worden we vrijwel dagelijks blootgesteld aan resten van gewasbeschermingsmddelen. Vaak is er sprake van gelijktijdige blootstelling aan resten van verschillende middelen. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer we verschillende groenten of fruit eten, die elke een ander middel bevatten. Of wanneer er op één genuttigde groente of fruit resten van diverse middelen zitten. Wanneer deze stoffen hetzelfde schadelijke effect hebben kan dit effect versterkt worden en wordt de blootstelling opgeteld. Dit wordt de 'cumulatieve blootstelling' genoemd. Het RIVM heeft onderzocht hoe groot de cumulatieve blootstelling aan een groep specifieke gewasbeschermingsmiddelen in Nederland is, en of deze blootstelling een gezondheidsrisico vormt. Het onderzoek is een vervolg op eerder onderzoek van het RIVM.
Jaar: 2022 Onderzoek

Inventarisatie Zeer Zorgwekkende Stoffen in bestrijdingsmiddelen | RIVM

In Nederland geldt regelgeving om de uitstoot naar lucht en lozingen in water van Zeer Zorgwekkende Stoffen ( ZZS Zeer Zorgwekkende Stoffen (Zeer Zorgwekkende Stoffen ) ) door bedrijven te minimaliseren. Dit zijn stoffen waarover zorgen bestaan, bijvoorbeeld omdat ze kankerverwekkend zijn of zich opstapelen in de voedselketen. Er is een lijst van deze stoffen gemaakt. Voor bestrijdingsmiddelen gelden Europese regels. Deze middelen mogen alleen worden gebruikt als ze veilig zijn voor mens, dier en milieu. Ook het toelatingsbeleid voor bestrijdingsmiddelen bevat regels voor zorgwekkende stoffen. Sommige van deze stoffen zijn verboden in bestrijdingsmiddelen en andere moeten waar mogelijk worden vervangen. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) ) wil dat er zo min mogelijk ZZS in het milieu terechtkomen, dus is benieuwd naar de ZZS in het milieu die van bestrijdingsmiddelen kunnen afkomen. Het ministerie wil daarom weten welke ZZS in bestrijdingsmiddelen zitten, en in hoeveel verschillende middelen. Ook wil het ministerie weten waarin de regels voor zorgwekkende stoffen in bestrijdingsmiddelen verschillen van de regels voor de uitstoot en lozingen van ZZS door bedrijven. Het ministerie wil namelijk zo min mogelijk verschillen in regels voor zorgwekkende stoffen. Het RIVM heeft deze vragen beantwoord. In ongeveer 20 procent van de bestrijdingsmiddelen in Nederland zitten ZZS. In ongeveer 10 procent zitten stoffen die ervan worden verdacht ZZS te zijn, en in ongeveer 5 procent per- en polyfluoralkylstoffen ( PFAS Per- en polyfluoralkylstoffen (Per- en polyfluoralkylstoffen ) ). Het toelatingsbeleid voor bestrijdingsmiddelen accepteert alleen aanvaardbare risico’s voor mens, dier en milieu. Dat geldt ook voor de bestrijdingsmiddelen die deze stoffen bevatten. Het RIVM wijst er wel op dat het huidige Nederlandse ZZS-beleid bedoeld is om ZZS uit het milieu te weren. Het ZZS-beleid heeft voor een deel dezelfde zorgwekkende stoffen in beeld als het toelatingsbeleid voor bestrijdingsmiddelen. Maar er zijn ook verschillen. Zo is de definitie van een zorgwekkende stof in een bestrijdingsmiddel net iets anders dan de definitie van een ZZS. Hierdoor is een zorgwekkende stof in het ZZS-beleid soms geen zorgwekkende stof in een bestrijdingsmiddel, en andersom. Het RIVM geeft mogelijkheden om de verschillen tussen de twee soorten regels te verkleinen. Bijvoorbeeld door de verschillende definities van wat een zorgwekkende stof is op elkaar af te stemmen. Het RIVM beveelt aan ook te onderzoeken in welke hoeveelheden de verschillende bestrijdingsmiddelen met ZZS worden gebruikt.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Gendergelijkheidsplan | RIVM

Het RIVM neemt deel aan Horizon Europe, het onderzoeks- en innovatieprogramma van de Europese Unie. Dit programma stelt eisen aan gendergelijkheid in onderzoek en innovatie. Het verplicht organisaties om vanaf 2022 een gendergelijkheidsplan te hebben om voor een subsidie in aanmerking te komen. Het RIVM heeft zo’n plan opgesteld. Daarin laat het RIVM zien dat het werkt aan een gelijke verhouding tussen het aantal mannen en vrouwen. Het doet meer dan dat door diversiteit breed te omschrijven. Het gaat voor het RIVM om alle aspecten waardoor medewerkers met elkaar kunnen verschillen. Een gendergelijkheidsplan heeft vier verplichte elementen, waaraan het RIVM voldoet. Als eerste moet het moet een openbaar document zijn, waaruit blijkt dat de organisatie zich inspant voor gendergelijkheid. Het RIVM zal het plan online plaatsen. Als tweede moet blijken welke middelen worden ingezet om de doelen op te zetten, te implementeren en te monitoren. Hiervoor is een projectgroep Diversiteit & Inclusie en een groep ambassadeurs gevormd die zich inzet om het onderwerp beter bespreekbaar en kenbaar te maken. De projectgroep werkt aan een strategisch meerjarenplan Diversiteit & Inclusie voor de periode 2022-2025. Als derde moet de dataverzameling en monitoring zijn beschreven. Met die informatie wordt gendergelijkheid gemeten en zo nodig bijgestuurd. Er is hiervoor onder andere een nulmeting gedaan over inclusiviteit onder medewerkers in 2021. De resultaten worden gebruikt om dit te verbeteren. Ten slotte moet het RIVM laten zien hoe het investeert om gendergelijkheid te ontwikkelen en onder de aandacht te brengen. Het biedt hiervoor trainingen en opleidingen aan die te maken hebben met diversiteit en inclusie.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

European survey on the current surveillance practices, management guidelines, treatment pathways, and heterogeneity of testing of Clostridioides difficile, 2018-2019: results from The Combatting Bacterial Resistance in Europe CDI (COMBACTE-CDI) | RIVM

European survey on the current surveillance practices, management guidelines, treatment pathways, and heterogeneity of testing of Clostridioides difficile, 2018-2019: results from The Combatting Bacterial Resistance in Europe CDI (COMBACTE-CDI) | RIVM
Jaar: 2022 Onderzoek

Zitgedrag. Van vragenlijst tot cijfer | RIVM

Voor een goede gezondheid is het belangrijk om regelmatig te bewegen en niet te veel te zitten. Het RIVM heeft een methode ontwikkeld om op een standaard manier te berekenen hoeveel tijd mensen in Nederland gemiddeld per dag zitten (zitgedrag). De tijd wordt weergeven in uren en minuten. Er wordt daarbij een onderscheid gemaakt tussen een doordeweekse dag en een dag in het weekend. Dit rapport is bedoeld voor onderzoekers. Met een standaardberekening kunnen zij de resultaten van verschillende onderzoeken met dezelfde werkwijze beter met elkaar vergelijken. Deze methode wordt in dit rapport uitgelegd. De daadwerkelijke stappen van de berekening zijn uitgewerkt in een statistiekprogramma. Een voorbeeld hiervan is te downloaden via www.sportenbewegenincijfers.nl/methode . Voor de berekening gebruikt het RIVM gegevens van de Leefstijlmonitor (die het RIVM en VeiligheidNL samen met het CBS Centraal Bureau voor de Statistiek (Centraal Bureau voor de Statistiek) uitvoeren). De vragen over zitgedrag zijn onderdeel van de Aanvullende Module Bewegen en Ongevallen van deze monitor. De vragenlijst is gebaseerd op de zogeheten Marshall-vragenlijst. Hierbij krijgen mensen vragen over hoe lang zij zitten. Er wordt onderscheid gemaakt in zes ‘domeinen’. Dat zijn: vervoer, werk, school/studie, thuis bij het gebruik van computer/tablet/smartphone, televisie kijken en overig. Ook wordt gevraagd hoeveel tijd mensen besteden aan slapen en een dutje doen. Deze informatie is nodig om het zitgedrag te kunnen berekenen. De aanleiding voor dit onderzoek zijn de nieuwe ‘Beweegrichtlijnen’ van de Gezondheidsraad in 2017. Hierin staat dat het belangrijk is om veel stilzitten te voorkomen. Het aantal uren dat Nederlanders zitten op een gemiddelde dag in de week is een van de twintig maten voor sport en bewegen (ook wel ‘kernindicatoren’ genoemd).
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

De gevaren van dumpingen en lozingen van drugsproductieafval voor de kwaliteit van drinkwaterbronnen | RIVM

In Nederland worden in illegale laboratoria veel synthetische drugs gemaakt, zoals amfetamine en XTC Ecstacy (3,4-Methylenedioxy Methamphetamine) (Ecstacy (3,4-Methylenedioxy Methamphetamine)) . Het afval wordt onder andere in vaten in de natuur en op straat gedumpt, of op het riool geloosd. Veel van deze stoffen zijn schadelijk voor de gezondheid. Elk jaar ontdekt de politie in Nederland ongeveer 200 dumpingen van dit soort afval. Dat gebeurt ook in de buurt van waterwinningen; de meeste in de zuidelijke provincies en in het oosten van het land. Het RIVM heeft daarom in kaart gebracht in hoeverre dit schadelijk kan zijn voor de kwaliteit van het drinkwater. Hieruit blijkt dat ongeveer 20 procent van de dumpingen plaatsvindt in de buurt van of in gebieden waar water uit de grond wordt gehaald voor de bereiding van drinkwater (grondwaterbeschermingsgebieden). Daarnaast zijn in gezuiverd rioolwater van enkele rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi’s) in het zuiden van Nederland regelmatig sporen of zelfs hoge concentraties van synthetisch drugs gevonden. Deze stoffen zijn ook in enkele oppervlaktewateren gevonden. Deze verontreinigingen kunnen invloed hebben op de kwaliteit van het water dat wordt gewonnen voor de drinkwaterbereiding. Het afval van de drugsproductie is vaak een mengsel van stoffen waarmee de synthetische drugs worden gemaakt. Voorbeelden zijn oplosmiddelen, zuren en basen, en de stoffen om de drugs van te maken. Deze schadelijke stoffen worden niet standaard gemeten in het Nederlandse watersysteem. Het RIVM beveelt aan om dat op meerdere plekken in de waterketen te doen. Dat wil zeggen: in gezuiverd rioolwater, grondwater, oppervlaktewater en op de plekken waar water wordt gewonnen voor de bereiding van drinkwater. Met meer meetgegevens kan beter worden beoordeeld hoe de stoffen zich verspreiden, of mensen eraan blootstaan via drinkwater en welke schadelijke effecten dat kan hebben. Ook wordt aanbevolen om te bepalen tot welke concentraties in drinkwater deze stoffen gezondheidskundig zeker veilig zijn (drinkwaterrichtwaardes). Verder is het belangrijk dat de partijen die als eerste bij een dumping zijn (politie en brandweer) goed communiceren met drinkwaterbedrijven en waterschappen. Het RIVM beveelt aan om een protocol te ontwikkelen zodat duidelijk is wie op zo’n moment welke maatregelen kan nemen. Als de betrokken partijen elkaar beter en sneller kunnen vinden, kan de schade van de dumpingen worden verminderd.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Monitoringsrapportage NSL 2022. Stand van zaken Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit | RIVM

In het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit ( NSL Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) ) werken de overheden sinds 2009 samen om de luchtkwaliteit te verbeteren. De monitor van het NSL is onder andere bedoeld om te kijken of Nederland de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit haalt. En als dat niet zo is, of extra maatregelen nodig zijn om ze toch zo snel mogelijk te halen. Het RIVM rapporteert elk jaar over stikstofdioxiden en fijnstof in de lucht. Uit de rapportage 2022 blijkt dat de luchtkwaliteit in 2021 bijna hetzelfde is als in 2020. Ook in 2021 voldoet Nederland voor wegverkeer aan de Europese grenswaarden voor stikstofdioxide. Voor fijnstof is dat ook het geval langs de wegen in Nederland, met uitzondering van een klein stuk weg van 200 meter bij Velsen. Op enkele woonlocaties in gebieden met intensieve veehouderijen zijn de grenswaarden van fijnstof in 2021 nog steeds overschreden; iets meer dan in 2020. De lage concentraties voor stikstofdioxide en fijnstof in 2020 en 2021 komen onder andere door de maatregelen die zijn genomen tegen de verspreiding van het coronavirus. Er was daardoor binnen en buiten Nederland minder verkeer en economische activiteit, en dus minder uitstoot. Dit effect is waarschijnlijk tijdelijk. In 2021 zijn de concentraties wel iets hoger dan in 2020, waardoor er iets meer overschrijdingen berekend zijn. Dit komt mogelijk doordat er in 2021 meer verkeer en meer economische activiteit waren dan in 2020. Het is niet duidelijk of het effect helemaal verdwijnt als de coronamaatregelen worden opgeheven. De verwachting is wel dat de luchtkwaliteit de komende jaren verder verbetert. Dat komt doordat verkeer, industrie en veehouderijen naar verwachting minder stikstofdioxide en fijnstof zullen uitstoten. Zo worden bijvoorbeeld elk jaar oudere auto’s vervangen door nieuwere die minder stikstofoxiden uitstoten. In 2030 worden de Europese grenswaarden die nu voor stikstofdioxiden en fijnstof gelden naar verwachting niet meer overschreden. Tegen die tijd zijn er, naar verwachting, nog meer maatregelen genomen voor een nog betere luchtkwaliteit en voor het klimaat. Een ander beeld ontstaat als wordt gerekend met de nieuwe, strengere advieswaarden van de WHO World Health Organization (World Health Organization ) uit 2021. Dan zijn veel inwoners in 2021 blootgesteld geweest aan concentraties boven de advieswaarden. Deze waarden zijn nu niet in Nederlandse wetgeving opgenomen.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Leren van innovatie: casus vervangen van chroom bij leer(looien) | RIVM

Het RIVM doet onderzoek naar innovatie van productie¬processen, waardoor er zo min mogelijk gevaarlijke stoffen in de leefomgeving terechtkomen. De laatste jaren is er meer aandacht voor ‘chroomvrij looien’. Als reactie daarop ontwikkelen chemieproducenten alternatieve chemische stoffen. Daarom staat in deze brochure de leersector centraal. We doen verslag over een verkennend onderzoek met hulp van betrokkenen uit de keten. In dit onderzoek zijn producenten, ontwerpers en andere stakeholders bevraagd. Waarom kozen zij ervoor om alternatieven voor gevaarlijke stoffen te verkennen, te toetsen en vervolgens te implementeren? En wat waren tijdens dat proces de belemmeringen en kansen? Het RIVM heeft deze informatie overzichtelijk op een rij gezet. Daarmee krijgen we inzage of en hoe innovatie in de leersector wordt vormgegeven. Ook zijn tips vanuit de sector opgenomen in de brochure. Deze verkenning dient als inspiratiebron voor bedrijven en overheden.
Jaar: 2022 Onderzoek

Staat van Infectieziekten in Nederland, 2021 | RIVM

Elk jaar geeft het RIVM een overzicht van de belangrijkste ontwikkelingen van infectieziekten in Nederland en, als het voor Nederland relevant is, in het buitenland. Deze Staat van Infectieziekten geeft beleidsmakers bij onder andere het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) en GGD Gemeentelijke Gezondheidsdienst (Gemeentelijke Gezondheidsdienst) ’en inzicht in de ontwikkelingen. 2021 is het tweede jaar van de coronapandemie. De Nederlandse regering nam ook dit jaar maatregelen om de verspreiding van het coronavirus tegen te gaan. De coronamaatregelen lijken invloed te hebben gehad op de mate waarin andere infectieziekten dan COVID-19 voorkwamen. De griepepidemie begon bijvoorbeeld veel later in de winter van 2021-2022 dan voor de pandemie. Daarnaast was er een epidemie van het RS-virus Respiratoir Syncitieel-virus (Respiratoir Syncitieel-virus) , die veel eerder dan normaal begon en erg lang duurde. Opvallend is dat er sinds het begin van de coronamaatregelen bijna geen kinkhoest patiënten meer zijn geregistreerd in Nederland. Ook is opmerkelijk dat er in 2021 veel meer mensen in ziekenhuizen en zorginstellingen in Nederland met schurft zijn besmet. De Staat van Infectieziekten geeft ook aan hoeveel ‘gezonde levensjaren’ van de bevolking verloren zijn gegaan door infectieziekten. Dit wordt uitgedrukt in disability-adjusted life years ( DALY Disability Adjusted Life Year (Disability Adjusted Life Year) ’s), een maat waarin de duur en ernst van een ziekte en het aantal mensen dat hem krijgt is samengevat. In 2021 gingen in Nederland de meeste gezonde levensjaren verloren aan COVID-19 (218.900 DALY’s), de griep (10.200 DALY’s) en ernstige pneumokokkenziekte (8.300 DALY’s). In 2020 kwam de griep er niet in voor en was de top-3: COVID-19 (169.400 DALY’s), legionella (6.300 DALY’s) en ernstige pneumokokkenziekte (6.200 DALY’s). Elk jaar wordt een onderwerp uitgediept. Dit themahoofdstuk geeft een overzicht gemaakt van de coronamaatregelen van maart 2020 tot mei 2022 en het aantal mensen met een infectieziekte in deze periode. Deze aantallen zijn vergeleken met de jaren 2015 tot en met 2019. In de coronajaren zijn vier patronen te zien in de mate waarin infectieziekten voorkomen. Veel infectieziekten nemen af nadat maatregelen zijn ingevoerd en nemen weer toe als de maatregelen zijn losgelaten. Deze toename is dan wel op een ander moment dan in de jaren ervoor. Sommige infectieziekten komen dan weer in dezelfde aantallen voor als voor de pandemie, bij andere blijven de aantallen heel laag. Op tien infectieziekten lijken de coronamaatregelen helemaal geen invloed te hebben gehad. Een verklaring van de verschillen in de patronen kan zijn dat de invloed van het type maatregel, zoals afstand houden, handen wassen, en minder reizen, per infectieziekte verschilt. Verder zijn er waarschijnlijk minder mensen naar een dokter zijn gegaan door de grote druk op de zorg.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Critical emission limit values for building materials: technical background, interpretation and reconstruction. A contribution to the knowledge base for environmental standards of building material standards | RIVM

Nederland werkt aan een circulaire economie in 2050. Dat betekent dat er zo min mogelijk afvalstoffen zijn en zo veel mogelijk producten en materialen worden hergebruikt. Het hergebruik van bouwstoffen draagt bij aan de circulaire economie. Maar er kunnen verontreinigende stoffen, zoals metalen, in bouwstoffen zitten die er een lange tijd uit kunnen lekken. Als bouwstoffen op de bodem worden gebruikt, kan dat een negatief effect hebben op de kwaliteit van de bodem en het grondwater. Om dit te voorkomen hebben het RIVM en ECN Energieonderzoek Centrum Nederland (Energieonderzoek Centrum Nederland) in 2007 ‘kritische emissiewaarden’ berekend. Deze waarden geven aan hoeveel van een verontreinigend metaal uit een bouwstof mag lekken. De kritische emissiewaarden zijn de basis voor de maximale emissiewaarden uit het Besluit Bodemkwaliteit. Beleidsmakers hebben de kritische emissiewaarden gebruikt om deze normen te bepalen. Ze hebben daarbij ook andere belangen, zoals haalbaarheid, meegenomen. Bouwstoffen moeten aan deze normen voldoen als ze op en in de bodem worden gebruikt en hergebruikt. Er komen veel nieuwe chemische stoffen en bouwstoffen op de markt. Er is daardoor aandacht voor de emissiewaarden en hoe ze zijn bepaald. Om het ministerie goed over oude en nieuwe emissiewaarden te kunnen adviseren heeft het RIVM de technische achtergrond en modellering waarmee de emissiewaarden zijn afgeleid, gereconstrueerd. De werkwijze blijkt goed te zijn herleiden omdat de reconstrueerde waarden goed overeenkomen met uitkomsten van 2007. De kritische emissiewaarden zijn gebaseerd op een standaard scenario voor het gebruik van bouwstoffen. Als het gebruik in de praktijk anders is dan het scenario, dan kunnen effecten op het milieu worden over- of onderschat. Daarom onderzocht het RIVM de invloed van verschillende scenario’s op kritische emissiewaarden en geeft het enkele suggesties voor verder onderzoek. Bijvoorbeeld om de kritische emissiewaarden per metaal te laten afhangen van de manier waarop het bouwmateriaal wordt gebruikt. Een ander idee is om aparte emissiewaarden te bepalen voor de meest gebruikte bouwstoffen. Verder kan het zinvol zijn het effect van een stof te onderzoeken over een langere periode dan de honderd jaar die nu gebruikelijk is. Sommige stoffen komen dan pas vrij.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Hoe speelden organisaties, netwerken en gemeenschappen in op de coronamaatregelen? Verantwoording en verdieping van een kwalitatief onderzoek in het maatschappelijk middenveld tijdens de COVID-19-pandemie (2020-2022) RIVM Corona Gedragsunit | RIVM

Het RIVM raadt nationale en lokale overheden aan om zogeheten sleutelfiguren te betrekken bij beleid, om voorbereid te zijn op een toekomstige pandemie. Deze personen in organisaties en in wijken zijn de schakel tussen overheden en inwoners. Denk aan professionals en vrijwilligers die actief zijn binnen de sectoren onderwijs, zorg, sport, kunst en cultuur en welzijnswerk. Sleutelfiguren hebben er tijdens de coronapandemie voor gezorgd dat er, ondanks de beperkingen van de maatregelen, aandacht bleef bestaan voor het sociale en mentale welzijn van mensen. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Door de coronamaatregelen kwam de kwaliteit van sociale contacten onder druk te staan. Mensen verloren verbinding met elkaar maar soms ook hun werk en zekerheid. Sleutelfiguren liepen tegen veel dilemma’s aan wanneer de coronamaatregelen botsten met de zogeheten sociale kwaliteit. Toch lukte het hen om het dagelijks leven in de openbare ruimte, in de zorg en op het werk, zo goed als mogelijk te laten doorgaan. Dit was vooral belangrijk voor mensen die het tijdens de pandemie extra moeilijk hadden. Denk aan jongeren, ouderen, daklozen, chronisch zieken, leden van de LHBTI+-gemeenschap en migranten. De betrokkenheid van sleutelfiguren droeg bij aan democratische waarden als sociale rechtvaardigheid en gelijke kansen voor gezondheid. Sleutelfiguren staan dicht bij mensen. Zij geven vaak het goede voorbeeld en handelen snel als mensen hulp nodig hebben. Zij legden de maatregelen duidelijk uit, stelden aangepaste protocollen op voor de werkvloer en pasten de werk- en leefomgeving aan. Dit versterkte het vertrouwen in het coronabeleid. Ze zorgden er vooral voor dat mensen met elkaar in verbinding bleven. Dit deden ze door digitaal overleg te stimuleren, samen aangepaste activiteiten te bedenken, zoals buitensport, en door zingeving en creativiteit te stimuleren. Daarnaast boden zij praktische, sociaalemotionele en soms financiele steun. Gaandeweg ontdekten zij welke aanpassingen op het coronabeleid in hun omgeving werkten. Voor dit onderzoek heeft het RIVM 95 sleutelfiguren geinterviewd, tussen oktober 2020 en augustus 2021. Hun dilemma’s en creatieve oplossingen zijn geanalyseerd. De verhalen staan op de RIVM-website.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Disease burden of food-related pathogens in the Netherlands, 2021 | RIVM

Het RIVM brengt elk jaar in kaart hoeveel jaren mensen een slechte gezondheid hebben of eerder overlijden (ziektelast) door een infectie aan de maag of darm. De 14 verwekkers van deze infecties worden vooral via voedsel overgedragen (ongeveer 50 procent). Mensen kunnen er ook via het milieu, zoals via oppervlaktewater, via dieren of andere mensen mee in aanraking komen. De ziektelast door deze 14 ziekteverwekkers was hoger dan in 2020, maar nog wel lager dan in 2019, het jaar vóórdat de corona-pandemie uitbrak. De coronamaatregelen waren in 2021 anders dan in 2020. Waarschijnlijk zijn mensen hierdoor weer meer via voedsel in contact gekomen met ziekteverwekkers. De lagere ziektelast ten opzichte van 2019 kan ook komen doordat minder mensen medische hulp hebben gezocht of gekregen voor maag-darminfecties. Een laboratoriumtest moet namelijk deze ziekten aantonen voordat ze kunnen worden geregistreerd. Voor de ziektelast wordt een internationale maat gebruikt: DALY Disability Adjusted Life Year (Disability Adjusted Life Year) ’s (Disability Adjusted Life Years). Voor de 14 ziekteverwekkers is het totaal aantal DALY’s in 2021 circa 9.100. Dat is hoger dan in 2020 (7.300), maar lager dan in 2019 (ongeveer 11.000). Via voedsel was de ziektelast in 2021 naar schatting 4.200 DALY’s, wat hoger was dan in 2020 (3.600), maar lager dan in 2019 (4.600). De totale kosten van deze ziektelast in 2021 waren naar schatting 363 miljoen euro. Dat was veel hoger dan in 2020 (282 miljoen) maar lager dan in 2019 (423 miljoen). Gekeken wordt naar de directe medische kosten in onder andere ziekenhuizen, maar ook naar de kosten voor de patiënt en zijn familie, zoals reiskosten. Verder vallen er de kosten van andere sectoren onder, bijvoorbeeld door werkverzuim. De kosten als gevolg van besmet voedsel waren met 172 miljoen euro hoger dan in 2020 (153 miljoen euro), maar lager dan de 181 miljoen euro in 2019. Het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) heeft de opdracht voor dit onderzoek gegeven. De resultaten bieden beleidsmakers handvatten om meer zicht te krijgen op de ziektelast en de manieren waarop mensen met de ziekteverwekkers in contact komen. Ook geeft het een beeld hoe de ziektelast van voedselinfecties en kosten ervan zich door de jaren heen ontwikkelen.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Mesh-implantaten: een inventarisatie van langdurige gezondheidsklachten en mogelijke zorg. Liesbreukmatjes, midurethrale slings en bekkenbodemmatjes | RIVM

Mesh-implantaten zijn medische hulpmiddelen van een geweven (vaak kunststof) materiaal die in het lichaam worden geplaatst. Ze worden gebruikt om zachte weefsels die zijn verzwakt of gescheurd te verstevigen en blijven in het lichaam zitten. Er zijn verschillende mesh-implantaten voor verschillende aandoeningen, zoals urineverlies of een liesbreuk. Voor veel patiënten is de behandeling met een mesh-implantaat een goede oplossing. Maar een deel van hen ervaart na de operatie langdurige gezondheidsklachten. Het RIVM geeft een beeld van de langdurige klachten waar het om gaat en de nazorg die daarvoor bestaat. De gezondheidsklachten die kunnen optreden verschillen sterk. Pijnklachten komen het meeste voor. Zo ervaart 10 tot 12 procent van de patiënten met een liesbreukmatje langer dan 3 maanden na de operatie nog pijn. Overigens heeft een gelijk deel van de patiënten deze klachten ook als ze voor een liesbreuk zijn geopereerd maar geen mesh-implantaat hebben gekregen. Het is op dit moment niet helemaal duidelijk hoeveel mensen in Nederland langdurige klachten houden na de plaatsing van een bekkenbodemmatje of plasbuisbandje (midurethrale sling). Patiënten geven aan dat de klachten een grote invloed kunnen hebben op de kwaliteit van hun leven. Ze kunnen bijvoorbeeld minder goed voor hun gezin zorgen of zelfs niet meer werken. De invloed op de kwaliteit van leven is onderbelicht in de wetenschappelijk literatuur. Daarnaast geven artsen en patiënten aan dat ook op andere gebieden kennis ontbreekt, bijvoorbeeld over algemene (systemische) klachten zoals vermoeidheid en spierpijn. Er zijn veel verschillende mogelijkheden om langdurige klachten te behandelen, zoals fysiotherapie of pijnbestrijding. Samenwerking vanuit meerdere behandelaars (multidisciplinair) wordt daarom aanbevolen, dit is echter nog niet overal standaardzorg. Artsen geven aan dat de organisatie van de zorg rondom mesh-implantaten in Nederland de afgelopen jaren is verbeterd. Toch ervaren patiënten nog steeds problemen. Zij ervaren een gebrek aan regie in de nazorg, en onvoldoende erkenning en herkenning van hun klachten. Voor dit onderzoek hebben de auteurs de internationale wetenschappelijke literatuur en Nederlandse informatiebronnen onderzocht. Daarnaast heeft het RIVM met patiënten en artsen gesproken om inzicht te krijgen in de Nederlandse situatie.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

The impact of Dutch healthcare on the environment. Environmental footprint method, and examples for a health-promoting healthcare environment | RIVM

Klimaatverandering heeft grote gevolgen voor de gezondheid en het milieu. Het is dan ook belangrijk om alle bronnen die aan klimaatverandering bijdragen in beeld te hebben. Een daarvan is de zorgsector. Het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) wil daarom weten wat de effecten van de Nederlandse zorgsector op het milieu zijn. De zorgsector blijkt onder meer voor zo’n 7 procent bij te dragen aan de uitstoot van broeikasgassen. Dit bevestigt eerdere schattingen uit onderzoek van anderen, en is nu beter onderbouwd. Het RIVM ontwikkelde een methode om de effecten op het milieu te berekenen. Hiermee is de wetenschappelijke kennis over meerdere effecten van de Nederlandse zorg op het milieu voor het eerst in kaart gebracht. Daarnaast is naar voorbeelden in de praktijk gezocht die de gezondheid verbeteren.De methode berekent zowel de effecten van medische handelingen, zoals het gebruik van narcosemiddelen bij operaties (die sterke broeikasgassen kunnen zijn), als de effecten van de productie van goederen en diensten die in de zorg worden gebruikt. De voetafdruk is berekend voor meer dan alleen klimaatverandering (de uitstoot van broeikasgassen). De berekening is ook gemaakt voor het gebruik van water en grondstoffen (metalen en mineralen), het landgebruik en de hoeveelheid afval. Zo nodig kunnen aan de methode meer effecten worden toegevoegd. Grofweg veroorzaakt de productie van chemische producten, waaronder geneesmiddelen en producten als zeep en oplosmiddelen, het grootste deel (ongeveer 40 procent) van de uitstoot van broeikasgassen en het grondstoffengebruik door de zorg. Het is nog niet precies duidelijk welke producten en processen die uitstoot en dat gebruik veroorzaken. Daarvoor is meer onderzoek nodig. Met verschillende zorgsectoren, zoals ziekenhuizen, ouderenzorg en de geestelijke gezondheidszorg ( GGZ geestelijke gezondheidszorg (geestelijke gezondheidszorg) ), is gezocht naar de praktijkvoorbeelden. Het gaat om voorbeelden die mensen in zorginstellingen, zoals ouderen en mensen met een beperking, gezond houden, bijvoorbeeld door hen gezond eten te geven en door planten en bomen aan te leggen. Zo’n gezonde ‘zorgomgeving’ kan helpen ziekte te voorkomen, en draagt bij aan goede en duurzame zorg. RIVM doet aanbevelingen om de methode te verbeteren. Zo kan bijvoorbeeld een plan worden gemaakt om de situatie zoals die nu is te bepalen, en de ontwikkeling ervan in de toekomst te kunnen volgen. Ook wordt aangeraden om meer praktijkvoorbeelden te verzamelen, omdat zorgprofessionals daar veel behoefte aan hebben.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Pneumococcal vaccination in older adults. Information for the Health Council of the Netherlands | RIVM

Dit rapport bevat een erratum d.d. 06-06-2023 op de laatste pagina. Pneumokokken kunnen ernstige infecties veroorzaken zoals longontsteking, bloedvergiftiging en hersenvliesontsteking. Ernstige pneumokokkenziekte komt het meeste voor bij mensen van 60 jaar en ouder, en bij mensen met bepaalde chronische ziektes. Er bestaan heel veel typen pneumokokkenbacteriën en het verschilt per land welke typen veel voorkomen. Tegen een deel van de typen bestaan vaccins. Vanaf het najaar van 2020 worden mensen van 60 tot en met 79 jaar in Nederland uitgenodigd om zich tegen pneumokokken te laten vaccineren. Dit pneumokokkenvaccin moet elke vijf jaar worden herhaald. Onlangs zijn twee nieuwe vaccins gemaakt en goedgekeurd voor volwassenen. Ook worden er (binnenkort) nog twee nieuw vaccins verwacht. Het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) heeft de Gezondheidsraad daarom gevraagd te adviseren welke vaccins voor mensen van 60 jaar en ouder kunnen worden gebruikt. Daarvoor heeft het RIVM de wetenschappelijke informatie verzameld over pneumokokkenziekte en pneumokokkenvaccins. Het geeft ook een overzicht hoeveel mensen in Nederland de afgelopen jaren pneumokokkenziekte hebben gekregen en door welke type pneumokokken bacteriën zij zijn besmet. Het hangt van meerdere factoren af hoeveel ernstig zieke mensen de vaccinatie kan voorkomen. Zo beschermen de nieuwe vaccins zeer waarschijnlijk voor meer jaren dan met het vaccin dat nu wordt gebruikt. Ook beschermen de nieuwe vaccins waarschijnlijk beter bij mensen met bepaalde chronische ziektes. Het hangt er ook van af of de typen pneumokokken waar het vaccin tegen beschermt hetzelfde zijn als de typen waar ouderen in Nederland ziek van worden. In het verlengde daarvan is het belangrijk te kijken naar het effect van de vaccinatie van kinderen. Zij worden sinds 2006 tegen pneumokokken gevaccineerd. Voor kinderen zijn ook (nieuwe) vaccins beschikbaar die tegen meer typen beschermen. Mochten deze vaccins gebruikt gaan worden, dan worden minder mensen in de samenleving besmet met de typen pneumokokken waar die vaccins tegen beschermen. Maar ouderen en risicogroepen kunnen dan nog steeds door andere typen besmet raken. Daarom blijft vaccinatie tegen andere typen nog steeds nuttig.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Haalbaarheidstoets gegevensverzameling voor evaluatie van de neonatale hielprikscreening | RIVM

Met de hielprik wordt bij pasgeboren baby’s onderzocht of zij ernstige, zeldzame aangeboren ziektes hebben. Dit wordt gedaan om zieke kinderen meteen te kunnen behandelen zodat ernstige schade aan hun gezondheid wordt voorkomen. De Gezondheidsraad heeft in 2021 de neonatale hielprikscreening geëvalueerd en heeft daar een advies voor VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) over geschreven. De Gezondheidsraad is over het algemeen positief over de hielprikscreening. Wel adviseert de raad om te blijven evalueren of de voordelen van de screening opwegen tegen de nadelen. Voor veel aandoeningen is bijvoorbeeld te weinig informatie beschikbaar over hoe de gezondheid van het kind zich door de jaren heen ontwikkelt. De vraag is nu wat nodig is om deze ‘follow-up gegevens’ over de gezondheid van het kind te kunnen verzamelen. Het ministerie van VWS heeft het RIVM gevraagd hoe dit kan worden gedaan. Deze informatie is belangrijk om de screening te kunnen evalueren. Dezelfde informatie is belangrijk om nieuwe, dure behandelingen te evalueren. Het RIVM heeft daarvoor drie scenario’s uitgewerkt. In het eerste scenario worden geen extra acties genomen ten opzichte van de huidige gang van zaken. Er zijn daardoor geen extra kosten maar ook weinig evaluatiemogelijkheden. Hiermee wordt niet aan het advies van de Gezondheidsraad tegemoetgekomen. In het tweede scenario is de manier om de gegevens te verzamelen en te registreren het meest volledig en gestructureerd opgezet. Maar volgens het RIVM is het niet haalbaar om dit binnen tien jaar uit te voeren. In het derde scenario adviseert het RIVM om acht acties gestructureerd en stapsgewijs op te pakken. Deze acties zijn haalbaar en doelmatig en de inspanning ervoor is in verhouding tot het resultaat. De acties gaan over randvoorwaarden voor de verzameling van de follow up-gegevens en de inhoud ervan. Zo is het belangrijk dat VWS een organisatie aanwijst die acties coördineert en overzicht houdt. Een andere randvoorwaarde is juridische belemmeringen om gegevens te verzamelen en uit te wisselen, weg te nemen. Verder is het nodig om duidelijk de rollen, taken en verantwoordelijkheden te beschrijven voor de registraties. Daarnaast is structurele financiering nodig.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Actualisatie faalfrequenties windturbines | RIVM

Ongelukken met windturbines kunnen gevaarlijk zijn voor mensen in de omgeving. Bijvoorbeeld wanneer een windturbine omvalt of een blad afbreekt. Ook kan er ijs van het blad vallen. Om slachtoffers te voorkomen, wordt een afstand berekend tussen windturbines en de omgeving. Binnen deze afstanden mogen bijvoorbeeld geen woningen staan. De kans op een ongeluk met een windturbine is voor het laatst onderzocht in 2012. Het RIVM heeft de cijfers nu geactualiseerd. Onderzocht is wat er kan gebeuren en hoe vaak dat gebeurt. De reden voor de update is dat windturbines de laatste jaren technisch verder zijn ontwikkeld. Ze zijn bijvoorbeeld groter geworden. Ook zullen vanwege de overgang naar duurzame energie meer windturbines worden geplaatst. Uit het onderzoek blijkt dat de kans op een ongeluk klein is: op de ongeveer 2000 windturbines in Nederland op land wordt ongeveer één ongeluk per jaar verwacht. Over het algemeen zijn de nieuw berekende kansen iets kleiner dan eerder is ingeschat. Voor het onderzoek is informatie van het Caithness Windfarm Information Forum (CWIF) gebruikt, een van de weinige openbare databases die ongelukken bijhoudt. Het RIVM heeft gegevens gebruikt van landen die ongeveer hetzelfde klimaat hebben als Nederland en technisch ongeveer hetzelfde soort windturbines hebben, zoals Zweden en Duitsland. Het CWIF is in 2021 gestopt. Daarom beveelt het RIVM het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) aan om ongelukken structureel bij te gaan houden. Dan kunnen de kansen in de toekomst worden geactualiseerd. Tot die tijd kunnen deze nieuw berekende kansen nog niet worden gebruikt. Het RIVM heeft het onderzoek in opdracht van IenW gedaan. Het gaat hierin niet om effecten op de gezondheid van mensen door het geluid of de schaduw van windturbines. Afstanden voor gezondheidseffecten zijn over het algemeen groter dan voor veiligheid.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Jaarrapportage monitor GLI 2022. Stand van zaken gecombineerde leefstijlinterventie | RIVM

Door middel van een Gecombineerde Leefstijlinterventie (GLI) worden mensen begeleid en geadviseerd over gezonde voeding, gezonde eetgewoontes en gezond bewegen. Sinds 2019 kunnen volwassenen hiermee hun leefstijl en gedrag veranderen. De GLI wordt onder voorwaarden vergoed vanuit de basisverzekering. Het RIVM volgt sinds 2019 de ontwikkelingen van de GLI in opdracht van het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) . Twee keer per jaar brengt het RIVM de stand van zaken naar buiten. Uit de cijfers van najaar 2022 blijkt dat steeds meer mensen aan de GLI meedoen. Sinds 2019 volgen 48 duizend mensen een GLI-programma of hebben dat gedaan. Het RIVM schatte in 2018 dat elk jaar ongeveer 23.000 personen eraan zouden beginnen. In 2019 en 2020 waren dat er ruim de helft minder, onder andere door de coronapandemie. In 2021 is wel het verwachte aantal deelnemers gestart. Voor 2022 zijn alleen de cijfers tot mei bekend. In deze maanden waren er minder nieuwe deelnemers dan het jaar ervoor. De deelnemers hebben een relatief slechte gezondheid voordat zij aan de GLI beginnen. Dat blijkt uit de gegevens uit het GLI-register, waarin informatie over ruim 3000 deelnemers is opgeslagen. Zo heeft meer dan de helft van de deelnemers vóór de behandeling problemen met lopen en bewegen, en pijn of andere ongemakken. Ook gebruiken deelnemers meer medische zorg dan gemiddeld. Van een groep van 660 deelnemers is bekend hoe het gewicht, de buikomtrek en de kwaliteit van leven is veranderd tijdens de eerste negen maanden na de start met de GLI. Gemiddeld verloren zij 3,4 procent van hun gewicht. De gemiddelde score die deelnemers aan hun kwaliteit van leven geven verbeterde van 58,0 naar 65,6 op een schaal van 100. Ongeveer de helft van de deelnemers gaf aan dat ze minder problemen hadden met mobiliteit, dagelijkse activiteiten, pijn, en angst en somberheid.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Transfer of dioxins and dioxin-like PCBs from grass and soil to the meat of wild cattle grazing in floodplains in the Netherlands | RIVM

Wilde runderen grazen in enkele gebieden tussen de rivier en dijk (uiterwaarden) als een vorm van natuurbeheer. Sommige dieren worden geslacht om de grootte en samenstelling van de kuddes goed te houden. Het vlees wordt verkocht als 'wildernisvlees'. In 2020 zijn in het vlees van enkele wilde runderen te hoge hoeveelheden dioxinen gemeten. Dit komt door de dioxinen en dioxine-achtige PCB’s polychloorbifenylen (polychloorbifenylen) in het gras en in de grond in uiterwaarden. Het RIVM en Wageningen Food Safety Research hebben daarom modellen ontwikkeld om te berekenen hoeveel van deze stoffen via gras en grond in het vlees van deze runderen terechtkomen. Hiermee is ook geschat hoe lang het duurt voordat de hoeveelheden op het toegestane niveau komen als de runderen naar een gebied buiten de uiterwaarden worden verplaatst. Daar zijn de concentraties lager. De modellen zijn ontwikkeld voor drie typen wilde runderen in een kudde: runderen die geen melk geven, runderen die melk geven, en kalveren. Voor de berekeningen zijn metingen in gras en bodem in de uiterwaarden in de buurt van Beuningen gebruikt. Er is gerekend met hoge concentraties in gras die vlak na een overstroming zijn gemeten. Daarnaast is met lagere concentraties gerekend, die vaker voorkomen. De concentraties in gras zijn na een overstroming vaak hoger doordat slib dat achterblijft op het gras, dioxinen en dioxine-achtige PCB’s bevat. De gemeten concentraties in de bodem waren in beide situaties ongeveer hetzelfde. Zowel bij de hogere als de lagere concentraties kwamen de berekende hoeveelheden in het vlees van alle drie typen wilde runderen boven de hoeveelheid uit die wettelijk is toegestaan. Wanneer koeien hun kalveren melk gaven, zaten de hoeveelheden in het vlees van deze koeien onder de wettelijke grens. Dat komt omdat dioxinen en dioxine-achtige PCB’s via de melk worden uitgescheiden. Na de verplaatsing naar een schoner gebied daalden de berekende hoeveelheden. Bij volwassen runderen kwamen ze binnen anderhalve tot vier maanden tot onder de toegestane hoeveelheid. Bij kalveren duurde het langer dan zes maanden. Dioxinen en dioxine-achtige PCB’s zijn chemische stoffen die bij (vuil)verbranding zijn ontstaan. Ondanks de sterk gedaalde uitstoot in de laatste 25 jaar, komen ze nog steeds voor in Nederland. Bijvoorbeeld in gras, de bodem en rivierslib. Dioxinen kunnen schadelijk zijn voor het immuunsysteem, de ontwikkeling van de hersenen, en de voortplanting.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

EURL-Salmonella Proficiency Test Food 2021. Detection of Salmonella in liquid whole egg | RIVM

In 2021 organiseerde het Europese Unie Referentie Laboratorium voor Salmonella (EURL-Salmonella) een ringonderzoek voor de Salmonellabacterie in vloeibaar ei. Alle deelnemende Nationale Referentie Laboratoria voor Salmonella (NRL’s-Salmonella) hebben een goede score behaald voor het EURL-Salmonella ringonderzoek Voedsel 2021. Sinds 1992 zijn de NRL’s voor Salmonella van de Europese lidstaten verplicht om elk jaar hun kwaliteit te laten toetsen met zogeheten ringonderzoeken. Met een van de ringonderzoeken wordt gecontroleerd of de NRL’s de Salmonella-bacterie in voedsel kunnen aantonen; dit keer in vloeibaar ei. De laboratoria hebben een verplichte, internationale erkende analysemethode gebruikt om Salmonella in monsters vloeibaar ei aan te tonen. Elk laboratorium kreeg een pakket toegestuurd met monsters die besmet waren met twee verschillende concentraties Salmonella Enteritidis of zonder Salmonella. De monsters zijn op het laboratorium van het EURL-Salmonella kunstmatig besmet met Salmonella. In totaal deden 33 NRL’s-Salmonella mee aan dit ringonderzoek: 28 NRL’s van 27 lidstaten van de Europese Unie en 5 NRL’s van andere Europese landen. Het EURL-Salmonella is gevestigd bij het Nederlandse Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Transfer models for dioxins and dioxin-like PCBs in wild cattle (case study: Dutch floodplains) – model documentation | RIVM

Wilde runderen grazen in enkele gebieden tussen de rivier en dijk (uiterwaarden) als een vorm van natuurbeheer. Sommige dieren worden geslacht om de grootte en samenstelling van de kuddes goed te houden. Het vlees wordt verkocht als 'wildernisvlees'. In 2020 zijn in het vlees van enkele wilde runderen te hoge hoeveelheden dioxinen gemeten. Dit komt door de dioxinen en dioxine-achtige PCB’s polychloorbifenylen (polychloorbifenylen) in het gras en de grond in de uiterwaarden. Het RIVM en Wageningen Food Safety Research hebben daarom modellen ontwikkeld om te berekenen hoeveel van deze stoffen via gras en grond in het vlees van deze runderen terechtkomen. Dit rapport beschrijft hoe de modellen gemaakt zijn en geeft de informatie die onderzoekers nodig hebben om de modellen te kunnen gebruiken. Een ander rapport beschrijft hoe de modellen zijn gebruikt om hoeveelheden in vlees afkomstig van runderen uit de uiterwaarden te voorspellen. Er is gekeken naar drie type wilde runderen die in een kudde leven: runderen die geen melk geven, runderen die melk geven, en kalveren. Voor elk type rund is een apart model ontwikkeld. De basis voor deze modellen is een model dat eerder voor dioxinen in de melkkoe is ontwikkeld. Dit model is aangepast aan de kenmerken van het type dier, zoals het gewicht. De modelberekeningen kwamen goed overeen met enkele metingen in vlees van runderen. Ook kunnen de modellen voorspellen hoe snel de hoeveelheden dalen als de runderen naar gebieden met schoner gras en schonere grond worden gebracht. Met deze informatie kan worden ingeschat wanneer de hoeveelheden onder de maximaal toegestane hoeveelheid zitten. Deze schattingen moeten nog wel met metingen worden gecontroleerd. Dioxinen en dioxine-achtige PCB’s zijn chemische stoffen die bij (vuil)verbranding zijn ontstaan. Ondanks de sterk gedaalde uitstoot in de laatste 25 jaar, komen ze nog steeds voor in Nederland. Bijvoorbeeld in gras, de bodem en rivierslib. Dioxinen kunnen schadelijk zijn voor het immuunsysteem, de ontwikkeling van de hersenen, en de voortplanting.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Tuberculose in Nederland 2021. Surveillancerapport | RIVM

In 2021 waren er in Nederland 9 procent meer mensen met tuberculose ( tbc Tuberculose (Tuberculose) ) dan in het jaar ervoor: 680 tbc-patiënten ten opzichte van 622 in 2020. Het aantal van 2021 is wel 10 procent lager dan in 2019 (754 patiënten). Daarmee past het aantal patiënten, ondanks de lichte stijging in 2021, bij de ontwikkeling van de afgelopen twintig jaar dat in Nederland steeds minder mensen tuberculose hebben. Tijdens de uitbraak van het coronavirus in 2020 daalde het aantal patiënten sterker dan in de jaren ervoor. Waarschijnlijk kon de tbc-bacterie zich minder makkelijk verspreiden door de coronamaatregelen, zoals afstand houden of minder contact hebben met andere mensen. Ook de flinke daling van het aantal immigranten en asielzoekers en uitgestelde zorg hebben hier in 2020 invloed op gehad. In 2021 was het effect van de crisis iets minder groot. Dat jaar kwamen er evenveel nieuwe immigranten en asielzoekers in Nederland als in de jaren vóór 2020. Het aantal tbc-patiënten onder hen was in 2021 hoger (53) dan in 2020 (36). Bij aankomst in Nederland worden nieuwkomers uit landen waar tuberculose veel voorkomt, getest op deze ziekte. Het grootste deel van alle patiënten (82 procent) werd ontdekt nadat ze zelf met klachten naar een dokter gingen. Het is niet bekend of er in 2021, net als in 2020, tijdelijk minder diagnoses zijn gesteld. Bijvoorbeeld doordat mensen vanwege corona minder naar de dokter gingen. De infectieziekte tuberculose wordt veroorzaakt door een bacterie en kan besmettelijk zijn. Van de tbc-patiënten hadden in 2021 384 tuberculose in de longen en 296 tuberculose buiten de longen. Een vijfde van de patiënten had de besmettelijkste vorm (open tuberculose). Door zo vroeg mogelijk te onderzoeken wie in de omgeving van een patiënt besmet is geraakt (bron- en contactonderzoek), kan worden voorkomen dat meer mensen tuberculose krijgen. Tuberculose komt vaker voor bij personen die niet in Nederland zijn geboren; in 2021 was dat bij ruim driekwart van de zieken. De meesten kwamen uit Eritrea (65), gevolgd door Marokko (51) en India (50). In Afrika en Azië komt tuberculose veel voor. Het RIVM rapporteert elk jaar de cijfers over tuberculose om te zien welke effecten maatregelen hebben om tuberculose in Nederland terug te dringen. Deze maatregelen staan beschreven in het Nationaal plan tuberculosebestrijding 2021-2025.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Vervolgonderzoek Het RIVM heeft in 2021 een vragenlijstonderzoek uitgevoerd naar de manier waarop mensen risico’s waarnemen van hun leefomgeving, hun leefstijl en van infectieziekten. Daarvoor is ook een steekproef getrokken van 3500 adressen in de buurt | RIVM

Vervolgonderzoek Het RIVM heeft in 2021 een vragenlijstonderzoek uitgevoerd naar de manier waarop mensen risico’s waarnemen van hun leefomgeving, hun leefstijl en van infectieziekten. Daarvoor is ook een steekproef getrokken van 3500 adressen in de buurt | RIVM
Jaar: 2022 Onderzoek

Vaccinatiegraad COVID-19 vaccinatie Nederland, 2021 | RIVM

Op 6 januari 2021 begon in Nederland de vaccinatiecampagne tegen COVID-19, de ziekte die het coronavirus veroorzaakt. Het belangrijkste doel was om de kans op ernstige ziekte en sterfte door COVID-19 te verkleinen. In Nederland zijn in 2021 vier COVID-19-vaccins gebruikt, gemaakt door vier producenten: Pfizer, Moderna, AstraZeneca en Janssen. Voor Pfizer, Moderna en AstraZeneca zijn 2 doses vaccin aanbevolen, of 1 dosis na een infectie met het virus. Voor Janssen was 1 dosis genoeg. Voor mensen met een ernstige afweerstoornis waren om medische redenen 3 vaccindoses nodig. Deze vaccinaties worden de basisserie genoemd. In 2021 zijn er naar schatting ruim 24 miljoen eerste en tweede vaccinaties gezet. Aan het einde van 2021 heeft naar schatting 87,4 procent van de 12-plussers ten minste één vaccinatie tegen corona gekregen. Voor de 18-plussers was dat 89,1 procent. Voor de basisserie heeft naar schatting 84,4 procent van de 12-plussers zich laten vaccineren en 86,0 procent van de 18-plussers. In verhouding hebben meer mensen uit de oudere leeftijdsgroepen zich laten vaccineren dan jongeren. Verder hebben in het oosten en zuidoosten van Nederland meer mensen zich laten vaccineren dan in het westen. In enkele gemeenten, zoals in de Biblebelt en grote steden, is de vaccinatiegraad lager dan gemiddeld. De boostercampagne begon vanaf 18 november 2021, als eerste voor de oudste leeftijdsgroepen. Hiervoor zijn de vaccins Pfizer en Moderna gebruikt. In totaal zijn er in 2021 ruim 4 miljoen boostervaccinaties gezet. Twee maanden na de start had 56,6 procent van de 18-plussers een booster ontvangen. De vaccins zijn gegeven door de GGD Gemeentelijke Gezondheidsdienst (Gemeentelijke Gezondheidsdienst) ’en (84,8 procent), huisartsen (9,4 procent) en overige uitvoerders, zoals zorginstellingen (5,8 procent). Het RIVM krijgt informatie over het aantal vaccinaties dat in Nederland is verdeeld, het aantal vaccinaties dat door de GGD’en is gezet (CoronIT) en de vaccinaties die door huisartsen en overige uitvoerders zijn geregistreerd in CIMS. In CIMS staan de vaccinaties waarvan mensen toestemming gaven om de gegevens te delen met het RIVM. Door de tijd heen zijn verschillende databronnen en methoden gebruikt om in kaart te brengen hoeveel mensen in Nederland zijn gevaccineerd (vaccinatiegraad). Dat hing af van de beschikbaarheid van de data over de verdeelde en geregistreerde vaccinaties. Het RIVM rapporteerde elke week over de vaccinatiegraad in Nederland. Ook gaf het gegevens door aan European Centre for Disease Prevention and Control ( ECDC European Centre for Disease Prevention and Control (European Centre for Disease Prevention and Control ) ) zodat in de Europese Unie de vaccinatiegraad kon worden gevolgd. Daarnaast publiceerde VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) data op het Coronadashboard van de Rijksoverheid.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Omgaan met voorschriften en manier van werken. Onderzoek Verleden Chroom-6 NS, WP 8 | RIVM

In oude verflagen van sommige treinen zit de schadelijke stof chroom-6. Door werkzaamheden als schuren of lassen kunnen (oud-)medewerkers van NS Nederlandse Spoorwegen (Nederlandse Spoorwegen) zijn blootgesteld aan chroom-6. Medewerkers konden vooral chroom-6 binnen krijgen via stof. Het RIVM onderzoekt in verschillende studies of de blootstelling in de periode 1970 tot en met 2020 schadelijk kan zijn geweest voor de gezondheid. Een onderdeel daarvan is hoe NS is omgegaan met voorschriften voor arbeidsveiligheid en de manier waarop werknemers met chroom-6 werkten. Het grootste deel van de onderzoeksperiode waren de meeste werknemers bij NS zich niet ervan bewust dat zij met verf werkten waarin chroom-6 zit. Of dat zij daarmee via werkzaamheden als lassen, zagen of schuren in contact konden komen. Ook het bedrijf de NS was zich niet bewust van mogelijke gezondheidsschade van chroom-6, hoewel het bedrijf dit vanaf begin jaren zeventig had kunnen weten. De kennis hierover was een groot deel van de onderzochte periode niet aanwezig bij NS of werd niet breed gedeeld. Vanaf de jaren tachtig nam het bewustzijn toe dat werken met chemische stoffen schadelijk kan zijn voor de gezondheid. Dit bewustzijn verminderde, toen NS in 1995 een zelfstandig bedrijf werd. Rond 2000 kwam weer meer aandacht voor werken met gevaarlijke stoffen vanwege nieuwe, strengere wetgeving voor werken met chemische en kankerverwekkende stoffen. Pas vanaf 2015 werd bij meer werknemers bekend dat zij konden zijn blootgesteld aan chroom-6 en wat de kans is op schadelijke gezondheidseffecten. Dat kwam mede door de gezondheidsproblemen van oud-medewerkers van Defensie. Er waren altijd genoeg persoonlijke beschermingsmiddelen aanwezig, maar het gebruik ervan was lange tijd te vrijblijvend. Deze vrijblijvendheid was in strijd met de geldende wetgeving. Het werd lang als een eigen verantwoordelijkheid van de werknemer gezien, en de werkgever zag er niet structureel op toe of ze werden gebruikt. Dat verschilde per locatie en per verantwoordelijke. Dit is in de loop van de jaren verbeterd. Tot eind jaren negentig was het niet gebruikelijk om werkzaamheden met chroom-6 in aparte ruimten te doen of daarvoor technische maatregelen te nemen, zoals de lucht afzuigen. Schilders droegen meestal persoonlijke beschermingsmiddelen. Maar vaak deden collega’s die in de buurt ander werk deden, dat onbeschermd. Het Arbobesluit stelt veel verplichtingen voor werken met gevaarlijke stoffen. En nog meer als dat kankerverwekkende stoffen zijn. De maatregelen die vanwege deze verplichtingen lange tijd zijn genomen, waren niet toegesneden op werken met chroom-6. Werknemers waren niet of nauwelijks voorgelicht hoe ze het werk veilig konden doen. De leiding was niet altijd op de hoogte van de Arbowetgeving voor dit werk.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Onderzoek naar chroom-6 bij NS/NedTrain in de periode 1970 t/m 2020. Manier van werken, omgang met voorschriften, blootstelling en gezondheidsrisico’s. Samenvatting van de deelonderzoeken | RIVM

In oude verflagen van sommige treinen zit de schadelijke stof chroom-6. Tijdens onderhoud en reparatie van treinen, kunnen (oud-)medewerkers van NS Nederlandse Spoorwegen (Nederlandse Spoorwegen) /NedTrain in contact zijn gekomen met chroom-6. Hierdoor kunnen zij een grotere kans hebben om bepaalde aandoeningen te krijgen. Het gaat om onder meer een aantal soorten kanker, allergische aandoeningen, chronische longziekten en perforatie van het neustussenschot. Het is niet te zeggen hoeveel groter deze kans is, omdat niet bekend is hoe hoog de blootstelling aan chroom-6 is geweest. Daarbij komt dat de kans op deze aandoeningen niet alleen afhangt van blootstelling aan chroom-6, maar ook van andere oorzaken. NS/NedTrain heeft lange tijd niet voldaan aan de regelgeving die gold om medewerkers tegen chroom-6 te beschermen. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM naar blootstelling aan chroom-6 tijdens werkzaamheden bij NS/NedTrain. Die is voor de periode van 1970 tot en met 2020 onderzocht. De hoogte van de blootstelling aan chroom-6 is niet bekend, omdat NS/NedTrain over het grootste deel van de onderzochte periode geen meetgegevens heeft. Wel is het duidelijk dat de mate waarin mensen aan chroom-6 blootstonden, sterk verschilde tussen en binnen functies, tussen verschillende locaties van NS/NedTrain en door de jaren heen. Daarom is onderzocht hoe waarschijnlijk het is dat (oud-)medewerkers in deze verschillende situaties aan chroom-6 hebben blootgestaan. Het onderzoek laat zien dat (oud-)medewerkers vooral in contact kwamen met chroom-6 doordat ze stof inademden dat vrijkwam als ze aan oude verflagen werkten, zoals tijdens het schuren en lassen. Deze blootstelling was hoger dan bij het aanbrengen van nieuwe verflagen met chroom-6. Verder blijkt dat NS/NedTrain in theorie het voornemen had om de zorgplicht voor werknemers goed in te vullen, maar dat in de praktijk niet goed uitvoerde. Slechts weinig leidinggevenden en anderen die verantwoordelijk waren voor veilig en gezond werken, waren bekend met de risico’s van chroom-6. Daardoor waren (oud-)medewerkers dat ook niet. Voor zover risico’s bekend waren, zijn ze vooral gekoppeld aan werkzaamheden waarbij nieuwe verflagen met chroom-6 werden aangebracht. Veel minder was bekend over de risico’s van activiteiten met chroom-6-houdende verflagen die al op de treinen zaten. Er zijn weinig maatregelen getroffen om blootstelling te verminderen, zoals via afzuiginstallaties. Ook is er niet consequent op toegezien dat medewerkers persoonlijke ademhalingsbescherming droegen, zoals stofmaskers. Zij zijn niet genoeg voorgelicht over de gevaren van chroom-6 en zijn niet regelmatig medisch onderzocht op de (gevolgen van) blootstelling aan chroom-6. In de loop van de onderzochte periode kwam hiervoor meer aandacht, mede doordat NS/NedTrain kwaliteitssystemen inzette voor veilig en gezond werken. Deze conclusies worden in drie aparte deelrapporten verder uitgelegd en onderbouwd. Dit rapport is een samenvatting van alle deelrapporten en geeft de eindconclusies.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Risicobeoordeling van blootstelling aan chroom-6 bij locaties van Nederlandse Spoorwegen/NedTrain | RIVM

In oude verflagen van sommige treinen zit de schadelijke stof chroom-6. Door werkzaamheden als schuren of lassen kunnen (oud-)medewerkers van de NS Nederlandse Spoorwegen (Nederlandse Spoorwegen) /NedTrain met deze stof in contact zijn gekomen. Van chroom-6 is bekend dat de stof bepaalde ziekten kan veroorzaken. In algemene zin is aangetoond dat blootstelling aan chroom-6 longkanker, neus-/neusbijholtekanker, strottenhoofdkanker en maagkanker kan veroorzaken. Daarnaast kan het allergische astma, allergische rhinitis (ontsteking van het neusslijmvlies), allergisch contacteczeem, chronische longziekten en neusperforatie veroorzaken. Ook effecten op de ontwikkeling van het ongeboren kind en effecten op de vruchtbaarheid kunnen relevant zijn voor mensen na blootstelling aan chroom-6. Het RIVM heeft onderzocht of de blootstelling in het verleden bij NS/NedTrain de ziekten kan hebben veroorzaakt, of nog in de toekomst kunnen veroorzaken. De kans op ziekte is groter naarmate iemand meer, vaker of langer is blootgesteld. Het RIVM heeft daarom de blootstelling aan chroom-6 voor verschillende functies bepaald per type bedrijf en locatie in tijdvakken van vijf jaar tussen 1970 tot en met 2020. Daarna is gekeken of deze blootstelling ziekte kan hebben veroorzaakt voor functies waarbij mensen zijn blootgesteld via de luchtwegen, de huid of via de mond. Het is aannemelijk dat de blootstelling aan chroom-6 bij NS/NedTrain bepaalde typen kanker en allergische reacties kan hebben veroorzaakt. Elke vorm van blootstelling aan chroom-6 kan eraan bijdragen dat deze ziekten ontstaan. Dit geldt ook voor neusperforaties als mensen via hun handen chroom-6 in hun neus kregen. Voor chronische longziekten, effecten op de ontwikkeling van het ongeboren kind en effecten op de vruchtbaarheid kan geen uitspraak worden gedaan. Bij deze effecten bepaalt de duur, frequentie en hoogte van de blootstelling de kans dat een ziekte of aandoening kan ontstaan, maar hierover is niet genoeg informatie bekend.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Buyer groups. Potentiële duurzaamheidswinst door een nieuwe manier van maatschappelijk verantwoord inkopen | RIVM

De rijksoverheid, provincies en gemeenten kopen veel producten en diensten in. Dat kan op een manier die zo min mogelijk effect heeft op klimaatverandering en de circulaire economie stimuleert. Dit wordt ook maatschappelijk verantwoord inkopen ( MVI maatschappelijk verantwoord inkopen (maatschappelijk verantwoord inkopen) ) genoemd. In 2020 heeft het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) ) zogeheten buyer groups georganiseerd om MVI te stimuleren. IenW heeft dat gedaan omdat met MVI nog veel meer duurzaamheidswinst is te behalen. In buyer groups bundelen publieke inkopers hun krachten om een gezamenlijke marktvisie en inkoopstrategie te vertalen naar concrete aanbestedingen die het klimaat minder belasten en meer grondstoffen besparen. In totaal zijn 13 buyer groups in 2020 begonnen voor verschillen productgroepen, zoals bouwmaterialen, bewegwijzering en nieuwbouw. Het RIVM heeft in opdracht van IenW de resultaten verzameld die deze buyer groups tot nu toe voor deze doelen hebben gehaald. Zes buyer groups hebben kunnen inschatten hoeveel minder broeikasgassen worden uitgestoten door deze manier van aanbesteden: dat is samen net zoveel als de directe uitstoot van 19.000 Nederlandse huishoudens. Dit kan bijvoorbeeld worden bereikt door inbouwkeukens zo te ontwikkelen dat ze langer meegaan en herbruikbaar zijn. Om de mogelijke duurzaamheidwinst van MVI te kunnen berekenen, is informatie over een aanbesteding nodig die niet altijd beschikbaar is. Zo moeten de samenstelling van materialen en de aantallen producten duidelijk zijn. Bij zeven buyer groups was deze informatie er nog niet. Verder blijkt dat het ingewikkelder is om de winst voor een circulaire economie te berekenen dan voor het klimaat. Dit komt vooral doordat er verschillende manieren zijn om de winst voor circulaire economie uit te drukken. Ook is de benodigde aanbestedingsinformatie minder voorhanden dan bij voor het klimaat. Het RIVM ziet de buyer groups als belangrijke initiatieven omdat publieke inkopers, marktpartijen en andere belanghebbenden de duurzaamheidswinst met MVI kunnen vergroten door samen te werken. Een belangrijk onderdeel hiervan is het berekenen van de duurzaamheidwinst. Dat geeft namelijk inzicht in hoeverre een MVI-strategie de gestelde duurzaamheidsdoelen invult.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Stralingsniveaumetingen aan de terreingrens van de EPZ kerncentrale Borssele in 2021 | RIVM

Het gammastralingsniveau aan de terreingrens van de kerncentrale Borssele was in 2021 lager dan het toegestane maximum van 10 microsievert per jaar. De hoogste dosis is 0,8 microsievert per jaar. Dit blijkt uit controlemetingen van het RIVM. Het RIVM rapporteert elk jaar in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) of de kerncentrale aan de vergunningseis voldoet. De kerncentrale moet ervoor zorgen dat de blootstelling van personen buiten de terreingrens zo laag mogelijk, maar op zijn hoogst 10 microsievert per jaar is. Dat is in de herziening van de kernenergiewetvergunning van 2018 vastgelegd. Om de maximale effectieve dosis te berekenen wordt op de terreingrens het gammastralingsniveau gemeten. Dit gebeurt met het MONET-meetnet, dat het RIVM beheert. Daarna wordt van de meting de hoeveelheid gammastraling die van nature voorkomt (natuurlijke achtergrondwaarde) afgetrokken. De berekende dosis wordt gecorrigeerd met de zogeheten Actuele Blootstelling Correctiefactor (ABC-factor). Een ABC-factor hangt samen met de bestemming van het gebied waar de effectieve stralingsdosis kan worden opgelopen. Rond het terrein van kerncentrale Borssele is de bestemming uitsluitend industrie, en daarvoor geldt een ABC-factor van 0,2. Door het gebruik van deze ABC-factor wordt de berekende maximale effectieve dosis berekend. In 2021 is met acht monitoren op verschillende plekken op de terreingrens continu het gammastralingsniveau gemeten. In dit rapport zijn de daggemiddelden van de metingen van de MONET-monitoren rond de kerncentrale in 2021 weergegeven. Ook wordt uitgelegd hoe voor elk meetpunt de natuurlijke achtergrondwaarde is bepaald.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

The National Immunisation Programme in the Netherlands. Surveillance and developments in 2021-2022 | RIVM

Dit rapport bevat een erratum d.d. 29 november 2022 op pagina 421-422. Het RIVM houdt elk jaar bij hoeveel mensen een ziekte krijgen waartegen vanuit het Rijksvaccinatieprogramma ( RVP Rijksvaccinatie programma (Rijksvaccinatie programma) ) wordt gevaccineerd. In 2021 kregen minder mensen zo’n ziekte dan in 2020. Dit komt waarschijnlijk door de coronamaatregelen, zoals afstand houden en handen wassen. Er waren vooral minder mensen met invasieve pneumokokkenziekte (ongeveer 1.250 personen), kinkhoest (74) en bof (1). Ook is het aantal meningokokkenziekte type W ziektegevallen (4) verder gedaald nadat deze vaccinatie in 2020 voor tieners is toegevoegd aan het RVP. Er waren in 2021 geen mensen met difterie, tetanus, mazelen, rodehond of polio. Het aantal meldingen van chronische hepatitis B (743) was ongeveer hetzelfde als in 2020. Tussen 2014 en 2019 waren dat er veel meer, toen per jaar zo’n 1.000 tot 1.100 mensen te horen kregen dat ze deze ziekte hebben. De daling komt waarschijnlijk doordat mensen tijdens de coronapandemie minder vaak naar een dokter gingen. Alleen Haemophilus influenza type B ( Hib haemophilus influenzae type b (haemophilus influenzae type b) ) komt vaker voor dan vóór de coronapandemie. In 2020 en 2021 waren er 68 meldingen per jaar, vergeleken met 39 in 2019. Het RIVM onderzoekt de oorzaak. Het vaccin lijkt even effectief te zijn als in eerdere jaren. In 2021 zijn 1.703.102 kinderen gevaccineerd via het RVP. Zij kregen in totaal 2.219.341 vaccinaties. Ook hebben 115.886 zwangere vrouwen een vaccinatie gekregen die hun baby vanaf de geboorte beschermt tegen onder andere kinkhoest. Dit is de 22 wekenprik. De vaccinatiegraad in Nederland is iets lager dan vorig jaar. Dit komt voor een deel door de coronapandemie, waardoor sommige vaccinaties later zijn gegeven dan normaal. De Gezondheidsraad adviseerde in juni 2021 om jonge baby’s tegen het rotavirus te vaccineren. In september 2021 adviseerde de Gezondheidsraad om meer risicogroepen uit te nodigen voor de griepvaccinatie, waaronder zwangere vrouwen. Het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) heeft in 2022 beide adviezen overgenomen. Vaccineren tegen de ziekte COVID-19 werkt goed om ernstige ziekte en sterfte te voorkomen, maar de bescherming neemt langzaam af. De booster- en herhaalvaccinaties zorgen ervoor dat de bescherming weer toeneemt.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Overview of national occupational exposure limits for substances without a European occupational exposure limit | RIVM

Dit rapport bevat een addendum d.d. 21-06-2023 op pagina 50 Werkgevers moeten ervoor zorgen dat werknemers die met gevaarlijke stoffen werken, veilig en gezond kunnen werken. Dat betekent dat zij zo min mogelijk met gevaarlijke stoffen in contact mogen komen. Daarom moet duidelijk zijn aan welke hoeveelheid van een stof in de lucht werknemers maximaal mogen blootstaan. In Nederland moet de werkgever deze zogeheten grenswaarde voor veel stoffen bepalen. Voor sommige stoffen, bijvoorbeeld kankerverwekkende, doet de overheid dat. Deze nationale grenswaarden gelden dan alleen voor Nederland. Voor de veiligheid van de werknemer en eenduidigheid in de regels zijn Europese grenswaarden belangrijk. Die zorgen ervoor dat werkgevers in alle landen van de Europese Unie aan dezelfde norm voor die stof moeten voldoen. Voor veel stoffen bestaan wel nationale grenswaarden maar nog geen Europese. De manier waarop de nationale grenswaarden zijn bepaald, kan per land verschillen. Daardoor kunnen er voor één stof verschillende waarden bestaan. De vraag is nu voor welke stoffen als eerste Europese grenswaarden moeten worden bepaald. Het is handig om voor deze ‘prioritering’ en voor de hoogte van de Europese grenswaarde, nationale grenswaarden te gebruiken. Het onderzoek dat daarvoor is gedaan levert namelijk informatie op die op Europees niveau kan worden gebruikt. Het RIVM heeft daarom een overzicht gemaakt van nationale grenswaarden van stoffen die nog geen Europese grenswaarde hebben. Op deze lijst staan ongeveer 1400 stoffen. De data zijn verzameld uit tien lidstaten die grenswaarden bepalen op basis van gezondheidseffecten van een stof (gezondheidskundige grenswaarden). Deze landen zijn: Oostenrijk, Denemarken, Finland, Frankrijk, Duitsland, Ierland, Polen, Spanje, Zweden en Nederland. Het overzicht is in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ( SZW Sociale zaken en werkgelegenheid (Sociale zaken en werkgelegenheid) ) gemaakt. Het RIVM gaat op basis van deze lijst in een vervolgonderzoek adviseren voor welke stoffen als eerste Europese grenswaarden moeten worden bepaald.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Depositie onderzoek IJmond voorjaar 2022. Monstername en analyse van PAK en metalen in neergedaald stof in de IJmondregio | RIVM

Het RIVM heeft voor de tweede keer uitgebreid onderzocht hoeveel polycyclische aromatische koolwaterstoffen ( PAK Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen ) ) en metalen in stof in de omgeving van Tata Steel op de grond neerdalen. Dit stof veroorzaakt overlast in de buurt van het Tata Steel terrein en roept bij bewoners vragen op of het gezond is. De resultaten bevestigen de bevindingen van onderzoek van het RIVM uit 2020 dat in de IJmond grotere hoeveelheden PAK en metalen in neergedaald stof worden aangetroffen dan elders in Nederland. Wel is per dorp het beeld iets anders dan in 2020. In Wijk aan Zee, waar in het vorige onderzoek veel PAK en metalen werden gevonden, waren de hoeveelheden nu lager. Dat kwam onder andere doordat er in het voorjaar van 2022 meer zuidwestenwind was dan normaal. Hierdoor was de hoeveelheid in Beverwijk nu juist hoger. In de andere dorpen wisselde het beeld: op sommige plekken zijn minder PAK en metalen gevonden, op andere juist weer meer. Alleen de hoeveelheid ijzer is in het hele IJmond-gebied lager dan in 2020. Dit zou erop kunnen wijzen dat Tata Steel minder ijzer in grof stof heeft uitgestoten. Het RIVM heeft het onderzoek uitgevoerd in het voorjaar van 2022 in verschillende dorpen rond het terrein van Tata Steel. Daarnaast hebben we monsters genomen op achtergrondlocaties. In deze gebieden zijn er niet zoveel grote bronnen die stof uitstoten, zoals zware industrie, grote verkeerswegen en scheepvaart. De metingen zijn vergeleken met metingen die in het najaar van 2020 op dezelfde plekken zijn uitgevoerd. Het is nog niet duidelijk of de maatregelen die Tata Steel heeft aangekondigd om minder stof uit te stoten, effect hebben in de omgeving. Om te kunnen zien of de hoeveelheid neergedaald stof met PAK en metalen in de IJmond verandert, is het nodig om langere tijd metingen te doen. Het RIVM adviseert daarom de metingen de komende jaren te blijven doen.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Inter-laboratory comparison of particulate matter filter weighing 2022 | RIVM

Verschillende luchtmeetnetten in Nederland en Europa meten de hoeveelheid fijnstof ( PM10 fijnstof (fijnstof) en PM2,5 fijnstof (fijnstof) ) in de buitenlucht. Dit wordt gedaan met filters in een apparaat dat continu buitenlucht aanzuigt. Elk filter wordt na 24 uur vervangen. De laboratoria van de meetnetten wegen het filter voor en na de plaatsing. Hiermee wordt de concentratie fijnstof bepaald. Elke twee tot vier jaar vergelijkt het RIVM het weegproces bij een aantal van deze laboratoria. Zo wordt gecontroleerd of de fijnstofconcentraties in de verschillende laboratoria overeenkomen. De resultaten van de wegingen waren in 2022 ongeveer gelijkwaardig. Er waren kleine verschillen te zien die ruim binnen de grenzen vallen die voor fijnstofmetingen zijn bepaald. Dit betekent dat alle fijnstofmetingen onderling goed met elkaar overeenkomen en tussen de deelnemende meetnetten kunnen worden uitgewisseld. De laboratoria moeten de metingen volgens een Europees vastgestelde procedure doen (EN 12341). De weegkamers horen bijvoorbeeld een bepaalde temperatuur en luchtvochtigheid te hebben. Op één na voldeden alle deelnemende laboratoria aan deze procedure. In 2022 deden acht laboratoria uit Europa mee aan de vergelijking. In totaal zijn 84 filters gemeten. Het RIVM doet de metingen samen met Nederlandse meetnetten en enkele lidstaten van de Europese Unie. Het RIVM is het nationaal referentielaboratorium voor luchtkwaliteitsmetingen in de buitenlucht en heeft daarom deze taak.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Establishing a Quantitative Framework for Regulatory Interpretation of Genetic Toxicity Dose-Response Data: MOE (Margin of Exposure) Case Study of 48 Compounds with both in vivo Mutagenicity and Carcinogenicity Dose-Response Data | RIVM

Establishing a Quantitative Framework for Regulatory Interpretation of Genetic Toxicity Dose-Response Data: MOE (Margin of Exposure) Case Study of 48 Compounds with both in vivo Mutagenicity and Carcinogenicity Dose-Response Data | RIVM
Jaar: 2022 Onderzoek

Elektrisch fietsen in Nederland | RIVM

Het gebruik van de elektrische fiets nam de afgelopen jaren in Nederland toe. Elektrisch fietsen kan voor de gezondheid zowel positief als negatief uitpakken. Gezien de stijging in het gebruik van de elektrische fiets en de diverse gezondheidseffecten, is het belangrijk inzicht te krijgen in wie de elektrische fiets gebruikt, waarvoor en waarom. Deze informatie kan helpen een inschatting te maken van de maatschappelijke impact van de elektrische fiets. Daarom heeft het RIVM op verzoek van het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) onderzoek gedaan naar het gebruik van de elektrische fiets. Er is gekeken naar wie de elektrische fiets gebruikt, voor welk(e) doel, afstand en waarom. Uit het onderzoek blijkt dat in Nederland bijna een derde van de fietsers van 12 jaar en ouder een elektrische fiets (al dan niet in combinatie met een niet-elektrische fiets) gebruikt. Groepen in de bevolking die de elektrisch fiets het meest gebruiken zijn mensen van 65 jaar en ouder, mensen met een laag opleidingsniveau, mensen die in niet-stedelijke gebieden wonen en mensen met gezondheidsproblemen. Zowel de elektrische fiets als de niet-elektrische fiets worden het vaakst gebruikt om winkels, vrienden, of andere bestemmingen te bezoeken. Daarna volgen ‘het maken van fietstochten’, ‘woon-werkverkeer’, ‘om te sporten’ en ‘om van en naar school te fietsen’. De elektrische fiets wordt vaker gebruikt voor langere afstanden dan de niet-elektrische fiets. De ruime meerderheid van de deelnemers (70%) kiest voor de e-bike ‘om makkelijker te fietsen’. Dit is de belangrijkste reden voor verschillende groepen in de bevolking, behalve voor jongeren van 12 tot en met 17 jaar. Voor bijna 6 op de 10 van hen is ‘sneller fietsen’ de belangrijkste reden om op de elektrische fiets te stappen. De resultaten zijn gebaseerd op de Aanvullende Module ‘Bewegen en Ongevallen’ van de Leefstijlmonitor uitgevoerd door het RIVM en VeiligheidNL, in samenwerking met het CBS Centraal Bureau voor de Statistiek (Centraal Bureau voor de Statistiek) (2021). Aan de enquête deden 6.901 fietsers van 12 jaar en ouder mee. In 2023 wordt de meting herhaald.
Jaar: 2022 Onderzoek

Geluidmonitor 2021. Meting en validatie van geluidproductie van rijkswegen en hoofdspoorwegen | RIVM

De weg- en spoorbeheerders, Rijkswaterstaat en ProRail, berekenen sinds 2013 elk jaar hoeveel geluid het verkeer op de weg en het spoor maakt. Het RIVM toetst met metingen deze berekeningen. Dit is verplicht voor de Wet milieubeheer. De Geluidmonitor 2021 vergelijkt de gemeten en berekende geluidniveaus op rijks- en spoorwegen van het jaar 2020. De gemeten geluidniveaus langs rijkswegen waren in 2020 gemiddeld bijna 3 decibel hoger dan de berekende waarden. Dit verschil is ongeveer hetzelfde als in 2019, maar iets groter dan in eerdere jaren. De berekende en gemeten geluidniveaus langs het spoor waren gemiddeld even hoog en stabiel ten opzichte van de vorige jaren. Net als vorig jaar blijkt uit de Geluidmonitor dat auto’s niet minder geluid zijn gaan maken sinds het gebruik van stillere banden vanaf 2016. Ook kan het relatief grote verschil tussen de gemeten en berekende geluidniveaus komen doordat bij de meetlocaties ouder asfalt ligt dan op de meeste andere plaatsen in Nederland. Ouder asfalt geeft meer geluid. Bij een deel van de meetlocaties is het asfalt na de meetperiode in 2020 vernieuwd. Naar verwachting zullen op deze locaties de verschillen tussen de gemeten en brekende geluidniveaus in 2021 kleiner zijn. De coronamaatregelen en de verlaagde maximumsnelheid overdag op alle rijkswegen hebben effect gehad op de gemeten en berekende geluidniveaus in 2020. Zowel de gemeten als berekende geluidniveaus waren in 2020 lager dan in 2019 en zijn evenveel afgenomen. Bij de berekeningen is rekening gehouden met minder verkeer door de coronamaatregelen en de lagere maximumsnelheid op de rijkswegen. Langs het spoor lagen de geluidniveaus in 2020 gemiddeld bijna 1 decibel hoger dan de berekende waarden. Dit verschil was in 2020 iets groter dan in eerdere jaren, maar valt binnen de marge die daarvoor geldt. Ook varieert per traject, zowel bij rijks- als spoorwegen, het verschil tussen de berekende en gemeten geluidniveaus. De Geluidmonitor 2021 geeft ook de resultaten van de metingen van 2021. De weg- en spoorbeheerder levert uiterlijk 1 oktober de berekeningen over 2021 aan de minister van Infrastructuur en Waterstaat ( IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) ). De minister publiceert deze informatie daarna. De berekeningen over 2021 worden in de volgende geluidmonitor vergeleken met de gemeten geluidniveaus in 2021. De Geluidmonitor 2022 verschijnt in 2023.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Surveillance van enterale infecties en zoönosen. Jaarrapportage 2021 | RIVM

Zogeheten enterale infecties kunnen door verschillende bacteriën, parasieten en virussen worden veroorzaakt. Deze infecties veroorzaken meestal maag-darm klachten, zoals overgeven, buikpijn en/of (bloederige) diarree. Soms kunnen het ernstigere klachten zijn zoals hepatitis, bloedvergiftiging of hersenvliesontsteking. Het RIVM brengt sinds 2020 elk jaar in kaart hoe vaak deze infecties en de ziekteverwekkers in Nederland voorkomen. Dat geeft inzicht hoe ze zich verspreiden. Een deel van de ziekteverwekkers wordt via direct contact met dieren of hun ontlasting op mensen overgedragen. Maar dit gebeurt ook vaak via besmet voedsel of via het milieu (bodem, lucht of oppervlaktewater). Ze kunnen ook van mens op mens worden overgedragen. De ziekteverwekkers Salmonella, Campylobacter en norovirus worden vooral via voedsel overgedragen. In 2021 kwamen deze infecties vaker voor dan in 2020, maar nog niet even vaak als voor de coronapandemie. De stijging in de aantallen komt waarschijnlijk doordat er in 2021 minder coronamaatregelen waren dan in 2020. Zo reisden mensen in 2021 weer vaker naar het buitenland. Evenveel mensen werden ziek van de bacterie Listeria monocytogenes (listeriose). Deze bacterie kan vooral in (gerookte) vis, kaas en langer houdbare vleeswaren zitten. Dat geldt ook voor leptospirose, dat vooral via contact met water en modder wordt opgelopen. Opvallend was dat het aantal infecties met het rotavirus in 2021 weer bijna even hoog was als voor de coronapandemie, vooral bij jonge kinderen. De piek die meestal rond februari te zien, is bleef uit, maar het volgende ‘seizoen’ begon opvallend vroeg, in oktober 2021. Kinderen zijn waarschijnlijk vatbaarder voor een rotavirusinfectie omdat ze sinds het begin van de pandemie minder vaak zijn besmet. In 2021 waren er een aantal opvallende uitbraken van infecties via voedsel. in meerdere landen zijn mensen ziek geworden van Salmonella door Galia meloenen uit Honduras te eten. Daarnaast zijn mensen ziek geworden van Salmonella door eieren te eten van een leghennenbedrijf uit Nederland. Ook was er een uitbraak met Listeria, die waarschijnlijk kwam door het eten van zalm.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Beleving van kleine luchtvaart in Nederland. Rapportage over het thema kleine luchtvaart in het Onderzoek Beleving Woonomgeving 2021 | RIVM

Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( I&W Ministerie van Infrastructuur & Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur & Waterstaat) ) wil weten hoe inwoners van 16 jaar en ouder in Nederland hun woonomgeving beleven. Bij elke editie van het Onderzoek Beleving Woonomgeving wordt een extra thema onderzocht. Dit keer was dat kleine luchtvaart. Het gaat hierbij om sport- en zakenvliegtuigjes, reclamevliegtuigjes, diverse typen helikopters en drones. Onderzocht is of mensen hinder ervaren van het geluid dat de kleine luchtvaart veroorzaakt. Het onderzoek laat zien dat mensen, in vergelijking met wegverkeer, weinig hinder hebben van kleine luchtvaart. Inwoners van Nederland van 16 jaar en ouder horen dit dagelijks veel minder vaak dan wegverkeer. Afhankelijk van het type kleine luchtvaart is dat bij 1,5 tot 8,6 procent van de ondervraagden het geval versus 51,5 procent bij wegverkeer. Helikopters zorgen voor de meeste ernstige hinder en ernstige slaapverstoring, vooral hulpverleningshelikopters (bij 2,9 procent). Twee procent van de Nederlanders van 16 jaar en ouder heeft hierdoor last van ernstige slaapverstoring. De meeste vragen in dit onderzoek zijn gesteld aan mensen die geluid van kleine luchtvaart hebben gehoord (in het onderzoek waarnemers genoemd). Zij zijn nauwelijks bezorgd om hun veiligheid door dit type vliegverkeer, behalve over drones. Daar maken ze zich wel zorgen over. Het valt op dat vooral verstoring van de rust door het geluid van militaire en hulpverleningshelikopters onacceptabel wordt gevonden, ook al worden ze voor een nuttig doel ingezet. Van de activiteiten van kleine luchtvaart veroorzaken vooral laag overvliegen (7 – 22,5 procent afhankelijk van het type kleine luchtvaart) en rondjes vliegen (6,6 – 23,7 procent) geluidhinder. Vergeleken met andere typen kleine luchtvaart, ervaren veel waarnemers het geluid van activiteiten van drones als hinderlijk. Een belangrijke reden hiervoor is dat waarnemers dit als inbreuk op de privacy beleven. Desalniettemin kan bijna twee derde van de waarnemers ook genieten van overvliegende kleine luchtvaart. RIVM adviseert om de impact van helikopters en drones op de ervaren kwaliteit van de leefomgeving te blijven monitoren. Onder andere omdat het aantal drones zal toenemen.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Staat van Zoönosen 2021 | RIVM

De Staat van Zoönosen wordt dit jaar op een website gepubliceerd en niet meer als rapport. Zoönosen zijn infectieziekten die van dier op mens kunnen worden overgedragen, en andersom. Het RIVM maakt elk jaar een overzicht van de belangrijkste zoönosen in Nederland. Het doet dat in opdracht van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit ( NVWA Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit) ). Het gaat vooral om zoönosen die artsen bij de GGD Gemeentelijke Gezondheidsdienst (Gemeentelijke Gezondheidsdienst) of dierenartsen bij de NVWA moeten melden. Het overzicht beschrijft hoe vaak deze zoönosen in Nederland voorkomen. Beleidsmakers en professionals, zoals van overheden of GGD’en, kunnen deze informatie gebruiken om maatregelen te nemen als dat nodig is. De meest opvallende uitbraak van 2021 was de vogelgriep (variant H5N1), de grootste uitbraak in Nederland sinds 2003. Vóór 2021 waren er vooral in de wintermaanden uitbraken van de vogelgriep tijdens de komst van trekvogels uit het noorden naar Nederland. Vanaf oktober 2021 bleef het virus het hele jaar rondgaan onder wilde vogels en pluimvee in Nederland. De vogelgriep kwam vooral in waterrijke gebieden voor. Het virus lijkt ongevaarlijk voor mensen. Wel zijn in Nederland enkele wilde zoogdieren besmet geraakt, zoals vossen. Corona blijft een belangrijk onderwerp in 2021. Ook dat jaar zijn maatregelen genomen om de verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, zoals een tijdelijke horecasluiting, minder buitenlandse reizen en meer aandacht voor handhygiëne. Het lijkt erop dat sommige andere zoönosen minder zijn verspreid door deze maatregelen. Zo waren er veel minder meldingen van mensen die besmet waren met de bacteriën Salmonella en Campylobacter dan in de jaren voor de corona-epidemie. De Staat van Zoönosen behandelt elk jaar een thema. Dit jaar is dat paraatheid voor uitbraken van infectieziekten. Beschreven staat welke initiatieven de regering en de wetenschap hebben genomen om de kans op een uitbraak van een zoönose in de toekomst te verkleinen. Bijvoorbeeld door draaiboeken voor een uitbraak te verbeteren. Ook wordt beschreven hoe uitbraken van zoönosen in de toekomst sneller kunnen worden opgemerkt, bijvoorbeeld door ziekteverwekkers via rioolwater op te sporen.
Jaar: 2022 Onderzoek

Meningococcal disease serogroup B. Updated information for the Dutch Health Council | RIVM

Dit rapport bevat een erratum d.d. 13-05-2022 op pagina 47 Dit rapport bevat een tweede erratum d.d. 19-07-2022 op pagina 48 Meningokokkenziekte is een levensbedreigende ziekte die door verschillende soorten meningokokkenbacteriën (serogroepen) wordt veroorzaakt. Deze soorten worden aangegeven met letters. In Nederland worden kinderen gevaccineerd tegen meningokokken A, C, W en Y. Er bestaat ook een vaccin tegen meningokokken B. In 2018 heeft de Gezondheidsraad geadviseerd om vaccinatie tegen meningokokken B niet in te voeren in het Rijksvaccinatieprogramma. De Gezondheidsraad vond de werking en de veiligheid van het vaccin nog te onzeker. Ook waren de kosten om te voorkomen dat één kind ziek wordt van meningokokken B hoog. Ondertussen is er meer bekend geworden over hoe goed het vaccin werkt en over de veiligheid ervan. De Gezondheidsraad gaat daarom opnieuw een advies uitbrengen. Als ondersteuning van dit advies heeft het RIVM achtergrondinformatie verzameld over vaccinatie tegen meningokokken B-ziekte en hoe vaak het in Nederland voorkomt. Ervaringen uit het buitenland bevestigen dat de meningokokken B-vaccins ernstige meningokokkenziekte kunnen voorkomen. Er zijn verschillende meningokokken B-bacteriën en het vaccin beschermt niet tegen alle B-varianten. Het verschilt tussen landen en per jaar hoeveel kinderen ziek worden van welke variant. Het huidige vaccin werkt bij 70 procent of meer van de gevaccineerde kinderen goed. Bij deze kinderen beschermt het vaccin tegen ongeveer 75 procent van de verschillende meningokokkenbacteriën waar zij nu in Nederland ziek van kunnen worden. De meningokokken B-vaccinatie kan bij baby’s regelmatig hoge koorts veroorzaken, vooral als ze deze tegelijk met andere vaccinaties krijgen. Als baby’s op de dag van de meningokokken B-vaccinatie paracetamol krijgen, komt dit 50 procent minder vaak voor. De ervaringen laten ook zien dat 3 vaccinaties per kind genoeg zijn, in plaats van de 4 waar eerder van was uitgegaan. De afgelopen jaren zijn minder mensen ziek geworden door meningokokken B; ook al voor de uitbraak van het coronavirus. De oorzaak daarvan is niet duidelijk. Vanwege deze daling zijn de kosten per kind om te voorkomen dat het ziek wordt van de meningokokken B-bacterie, waarschijnlijk niet veel lager dan in 2018.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Contra-expertise op bepalingen van radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht van NRG. Periode 2020-2021 | RIVM

Het nucleair bedrijf NRG Nuclear Research and consultancy Group (Nuclear Research and consultancy Group) in Petten meet hoeveel radioactiviteit het in het eigen afvalwater en de ventilatielucht naar de omgeving loost. Het RIVM controleert deze metingen acht keer per jaar. Met deze 'contraexpertise' controleert het RIVM of de analyses die NRG zelf uitvoert, betrouwbaar zijn. NRG neemt de te analyseren monsters verspreid over het jaar. Net als in eerdere jaren komen de gamma-analyses van afvalwater uit de contra-expertise in 2020 en 2021 goed overeen. De totaal-alfa resultaten stemmen redelijk tot goed overeen. De overeenstemming in de totaal-bèta resultaten is matig en kan veel worden verbeterd. Dit resultaat wordt verklaard door de verschillen in de meetmethoden van NRG en het RIVM. De overeenstemming in de 3Hresultaten in afvalwater is redelijk tot goed. De resultaten in ventilatielucht komen goed overeen. Het RIVM heeft in een aantal monsters een lage activiteitsconcentratie aan 131I, 133Xe, 191Os en 203Hg gevonden. Deze waarden vallen ruim onder de detectiegrens van NRG. Het RIVM heeft twee keer een zeer lage totaal-alfa activiteit in ventilatielucht aangetroffen, waar NRG niets vond. De meetwaarden voor zowel totaal-alfa als totaal-bèta in ventilatielucht liggen in de range van wat er in buitenlucht zit en hebben waarschijnlijk een natuurlijke oorsprong. Het RIVM voert de contra-expertises elk jaar uit in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Contra-expertise op bepalingen van radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht van Urenco Nederland B.V. Periode 2020-2021 | RIVM

De fabriek van Urenco URanium ENrichment COmpany (URanium ENrichment COmpany) Nederland, die uranium verrijkt, meet hoeveel radioactiviteit het naar de omgeving loost via het eigen afvalwater en de ventilatielucht. Het RIVM controleert deze metingen acht keer per jaar. Met deze 'contra-expertise' controleert RIVM of de analyses die Urenco zelf uitvoert, betrouwbaar zijn. Urenco neemt de te analyseren monsters verspreid over het jaar 2020 en 2021. De totaal-alfa, totaal-bèta resultaten en de gamma-analyses van afvalwater uit de contra-expertise in 2020 en 2021 komen goed overeen. Uit de metingen blijkt dat de activiteitsconcentraties in afvalwater in de 16 monsters laag zijn: 0,1 – 12 kBq kilobecquerel (kilobecquerel) ∙m-3 voor totaal-alfa en 0,3 – 8 kBq∙m-3 voor totaal-bèta. De radioactiviteit in ventilatielucht ligt zeer dicht bij het niveau van de hoeveelheid radon die van nature in de buitenlucht aanwezig is. De resultaten van de meetwaarden van Urenco in ventilatielucht kwamen redelijk overeen met de RIVM-analyses. In buitenlucht wordt de natuurlijke totaal alfa en bèta-activiteit veroorzaakt door radon-dochters, net als de verhouding tussen de totaal alfa- en totaal bèta-activiteit. De verhouding zou heel anders zijn wanneer uranium vrijkomt. Daarom is het aannemelijk dat er in 2020 en 2021 geen uranium in ventilatielucht is vrijgekomen. RIVM voert de contra-expertises jaarlijks uit in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

De gevolgen van de coronapandemie voor de gezondheid en het welzijn: deel 2. Een literatuurstudie | RIVM

De corona-epidemie heeft effecten op de gezondheid, zowel lichamelijk, als geestelijk en sociaal. Dat kan direct komen door een besmetting met het coronavirus, maar ook indirect door de coronamaatregelen of de dreiging van de crisis. Om de impact van de coronacrisis in beeld te krijgen is het daarom belangrijk om verder te kijken dan alleen de gezondheidseffecten van de infectieziekte. Een brede aanpak is nodig om voor- en nadelen van maatregelen grondig af te wegen en zo de negatieve effecten zo veel mogelijk te voorkomen of te beperken. Dit en meer blijkt uit de tweede inventarisatie van nationale en internationale onderzoeksresultaten over de gezondheidseffecten van de coronacrisis in 2020 en 2021. Dit keer is gekeken naar de effecten bij de hele bevolking, na de eerste inventarisatie over de jeugd. Het onderzoek bevestigt de eerdere conclusie dat de negatieve impact groter is bij kwetsbare groepen in de Nederlandse samenleving, zoals mensen met een laag inkomen. Het is mogelijk dat hierdoor de gezondheidskloof tussen bevolkingsgroepen groter is geworden. Ook zijn bepaalde leeftijdsgroepen harder geraakt. Zo hebben jongeren (tot 17 jaar) en jongvolwassenen (18 tot 25 jaar) vaker last van depressieve gevoelens en angst dan voor de epidemie. Jongvolwassenen en ouderen hebben meer last van eenzaamheid. De studieresultaten van leerlingen op de middelbare school en het hoger onderwijs waren slechter. De uitgestelde zorg en late diagnoses bij bepaalde ziekten (vooral kanker) hebben veel effect gehad op de gezondheid. Dit was vooral zo bij mensen die al ziek waren of tijdens de pandemie ziek zijn geworden. De gezonde levensjaren die hierdoor verloren zijn gegaan zijn niet in te halen. Verder blijkt de helft van de mensen drie maanden na een coronabesmetting nog steeds lichamelijke klachten te hebben, zoals vermoeidheid. Ook zijn veel mensen die in de zorg werken lichamelijk en geestelijk overbelast geraakt. Dit onderzoek is onderdeel van de Integrale Gezondheidsmonitor COVID-19, waarmee de lichamelijke, geestelijke en sociale effecten van de coronacrisis tussen 2021 en 2025 in kaart worden gebracht. Het netwerk GOR-COVID-19 voert de monitor uit. Dit netwerk bestaat uit het Nivel, het RIVM, ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum (Nationaal Psychotrauma Centrum ) Nationaal Psychotrauma Centrum, GGD GHOR Nederland Gemeentelijke / Gemeenschappelijke GezondheidsDienst – Geneeskundige HulpverleningsOrganisatie in de Regio (Gemeentelijke / Gemeenschappelijke GezondheidsDienst – Geneeskundige HulpverleningsOrganisatie in de Regio) en de 25 regionale GGD Gemeentelijke Gezondheidsdienst (Gemeentelijke Gezondheidsdienst) ’en. Dit onderzoek werd uitgevoerd voor de Integrale Gezondheidsmonitor COVID-19. Het netwerk Gezondheidsonderzoek bij Rampen (GOR) – dat bestaat uit het Nivel, RIVM, ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum, de lokale GGD’en en GGD GHOR Nederland – voert deze monitor uit. Dit project wordt gesubsidieerd door ZonMw ZorgOnderzoek Nederland Medische Wetenschappen (ZorgOnderzoek Nederland Medische Wetenschappen ) namens het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) .
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Gammastralingsniveaumetingen aan de terreingrens van COVRA N.V. te Borsele in 2021 met het MONET-meetnet | RIVM

Het gammastralingsniveau aan de terreingrens van de Centrale Organisatie voor Radioactief Afval ( COVRA Centrale Organisatie Voor Radioactief Afval (Centrale Organisatie Voor Radioactief Afval) N.V.) in Borsele was in 2021 lager dan het maximum van 40 microsievert per jaar dat is toegestaan. De hoogste dosis is 3,0 microsievert. Dit blijkt uit controlemetingen van het RIVM. Het RIVM rapporteert elk jaar in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) en toetst of COVRA N.V. aan de vergunningseis voldoet. COVRA N.V. moet ervoor zorgen dat mensen buiten de terreingrens aan een zo laag mogelijke dosis, en niet hoger dan 40 microsievert per jaar worden blootgesteld. Dat is in de kernenergiewetvergunning bepaald. Om de maximale effectieve dosis te berekenen wordt het gammastralingsniveau op twaalf locaties langs de terreingrens gemeten. Dit gebeurt met het MONET-meetnet, dat het RIVM beheert. Daarna wordt van de metingen de hoeveelheid die van nature voorkomt afgetrokken (natuurlijke achtergrondwaarde). De meetwaarde wordt gecorrigeerd met de zogeheten Actuele Blootstellings Correctiefactor (ABC-factor). Een ABC-factor hangt samen met de bestemming van het gebied waar de effectieve gammastralingsdosis kan worden opgelopen. Na het gebruik van de ABC-factor is de berekende maximale effectieve gammadosis 3,0 microsievert per jaar. Dit is minder dan de maximale hoeveelheid die elk jaar wordt toegestaan. In dit rapport zijn de daggemiddelden van de metingen van de twaalf MONET-monitoren aan de terreingrens van COVRA N.V. in 2021 weergegeven. Ook wordt uitgelegd hoe voor elk meetpunt de natuurlijke achtergrondwaarde is bepaald.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Monitor stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden 2022. Uitgangssituatie voor de Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering | RIVM

Stikstof zit van nature in de lucht. Door de landbouw, het verkeer en de industrie komen de stikstofverbindingen ammoniak en stikstofoxiden in de lucht terecht, die op de bodem en planten neerslaan (stikstofdepositie). Te veel stikstofdepositie is schadelijk voor kwetsbare natuur omdat bepaalde vegetatie kan verdwijnen. Dit zorgt voor minder variatie in de soorten planten en dieren die er leven. De Nederlandse overheid wil de kwaliteit van natuur verbeteren door onder meer de neerslag van stikstof verder te verlagen. Zij richt zich vooral op de Natura 2000-gebieden, waarin kwetsbare natuur wordt beschermd. Hiervoor is in 2021 de Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering ingevoerd, met doelen voor 2025, 2030 en 2035. Het RIVM onderzoekt elk jaar of de stikstofdoelen haalbaar zijn en, later, of ze zijn gehaald. Om dat te kunnen bepalen, is nu eerst de situatie voordat de wet inging beschreven. Hiervoor is met metingen en modellen in beeld gebracht hoe de hoeveelheid stikstofneerslag zich tot die tijd heeft ontwikkeld en wat de toekomstverwachtingen zijn. De verwachte stikstofneerslag is berekend op basis van beleid waarvoor op 1 mei 2020 concrete plannen zijn uitgewerkt. Hierin staan nog niet de stikstofmaatregelen die daarna zijn ingevoerd. Ook staat erin op welk deel van de natuur in Nederlandse Natura 2000-gebieden een hoeveelheid stikstof neerslaat die onder de norm valt (kritische depositiewaarde). Een van de doelen van de wet is om ervoor te zorgen dat dit oppervlak groter wordt. Van 2005 tot 2013 is ongeveer 20 procent minder stikstof in de kwetsbare natuur terechtgekomen. Daarna is deze hoeveelheid ongeveer hetzelfde gebleven. Naar verwachting zal de neerslag tot 2030 weer dalen. Dat komt vooral doordat verkeer en landbouw in binnen- en buitenland waarschijnlijk minder stikstof gaan uitstoten als gevolg van verschillende maatregelen en regelgeving. Hierdoor wordt het oppervlak natuur waar de hoeveelheid stikstofneerslag onder de norm valt groter. Dat is nu ruim 30 procent van het oppervlak, in 2025 ongeveer 39 procent, en in 2030 43 procent (met een bandbreedte van 40 tot 51 procent) op basis van het beleid tot 1 mei 2020. Het wettelijke doel voor 2025 (40 procent) is haalbaar, maar onzeker. De kans is erg klein dat het doel voor 2030 (50 procent) zonder extra maatregelen wordt gehaald. De strengere doelen waarnaar het huidige kabinet in 2030 (74 procent) streeft, zijn niet haalbaar zonder extra maatregelen.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Contra-expertise op bepalingen van radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht van de kernenergiecentrale Borssele. | RIVM

De kerncentrale Borssele (KCB) meet hoeveel radioactiviteit de centrale loost via het nucleair afvalwatersysteem en het nucleair ventilatiesysteem. Het RIVM controleert deze metingen acht keer per jaar. Met deze 'contra-expertise' controleert het RIVM of de analyses die de kerncentrale zelf uitvoert, betrouwbaar zijn. De KCB neemt de te analyseren monsters verspreid over het jaar. De gamma-analyses van afvalwater uit de contra-expertise in 2020 en 2021 kwamen op hoofdlijnen overeen met de resultaten van de kerncentrale. Enkele uitzonderingen gaan over het nuclide 60Co. Hoogstwaarschijnlijk is 60Co niet homogeen verdeeld in de verschillende monsters. Dit wil zeggen dat uit een monster van een liter afvalwater niet vier monsters van 0,25 liter met evenveel 60Co kunnen worden genomen. De overeenkomst in de 3H-data in afvalwater was voor 11 monsters goed, en voor 5 monsters matig. De overeenstemming kan worden verbeterd. De KCB en het RIVM hebben in 2020 en 2021 geen strontium-isotopen en alfa-activiteit in het afvalwater aangetroffen. In ventilatielucht hebben het RIVM en de KCB in de monsters uit 2020 geen activiteit aangetroffen. In de weekmonsters van de periode 5 en 6 uit 2021 is een zeer kleine hoeveelheid 131I aangetroffen. Dit levert vooreen denkbeeldig persoon die twee weken 8 uur per dag aan het hek van het terrein staat een bijdrage van 0,01 microsievert aan de totale jaardosis van ongeveer 2500 microsievert. De hoeveelheden 3H en 14C in ventilatielucht, bemonsterd met een zeolietpatroon, kwamen in 2020 goed en in 2021 matig tot redelijk overeen. Het RIVM voert de contra-expertises jaarlijks uit in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Contra-expertise op bepalingen van radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht van COVRA N.V. | RIVM

De Centrale Organisatie voor Radioactief Afval ( COVRA Centrale Organisatie Voor Radioactief Afval (Centrale Organisatie Voor Radioactief Afval) ) meet hoeveel radioactiviteit er door hun organisatie in afvalwater en ventilatielucht wordt geloosd. Het RIVM controleert elk jaar deze metingen; in 2020 en 2021 was dat in alle vijf afvalwatermonsters, in acht AVG algemene verordening gegevensbescherming (algemene verordening gegevensbescherming) ventilatielucht- en acht HABOG-ventilatieluchtmonsters. Met deze 'contra-expertise' controleert het RIVM of de analyses die COVRA zelf uitvoert, betrouwbaar zijn. COVRA neemt de door het RIVM te analyseren monsters verspreid over het jaar. Net als in voorgaande jaren kwamen de gamma-analyses van afvalwater uit de contra-expertise in 2020 en 2021 op hoofdlijnen overeen met de resultaten van COVRA. De gammaspectrometrische resultaten, de resultaten van de totaal-alfa bepaling, tritiumbepaling en de 14C-bepaling in afvalwater kwamen redelijk tot goed overeen. Ook de totaal bèta-meetwaarden van het RIVM en de rest bèta-meetwaarden van COVRA in 2020 en 2021 kwamen redelijk overeen, ondanks de verschillende meetprincipes. Verder kwamen de resultaten van het RIVM en COVRA van de ventilatieluchtmonsters van het Afvalverwerkingsgebouw (AVG) en het Hoogradioactief Afval Behandelings- en Opslag Gebouw (HABOG) goed overeen voor tritium en 14C. Er is in geen enkel monster een gamma-activiteit, of een totaal-alfa of totaal-bèta activiteit in ventilatielucht gevonden. Het RIVM voert de contra-expertises uit in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Veranderingen in de inrichting van de leefomgeving maken aandacht voor infectieziekten urgent | RIVM

De Nederlandse overheid werkt aan een gezonde leefomgeving voor de bevolking. Dat is belangrijk voor de gezondheid van mensen en om de gevolgen van klimaatverandering op te vangen. Lokale overheden zorgen daarom voor een groene omgeving om te stimuleren dat mensen meer bewegen en meer tijd in de natuur doorbrengen. Ook wordt er water aangelegd in steden om verkoeling te bieden of regenwater op te vangen. Deze aanpassingen brengen ook risico’s met zich mee. Veranderingen in de leefomgeving kunnen namelijk de kans vergroten dat mensen infectieziekten krijgen. Zo kunnen mensen in de natuur door een besmette teek worden gebeten. Of ze worden ziek, als ze gaan spelen of zwemmen in water dat daarvoor niet bedoeld is. De waterkwaliteit wordt op deze plekken niet gecontroleerd en kan ongemerkt slecht zijn. Het RIVM wil daarom bij de inrichting van de leefomgeving aandacht vragen voor infectieziekten. Het is belangrijk om op tijd te weten of veranderingen in de leefomgeving de kans op infectieziekten vergroten. Dan kunnen namelijk snel maatregelen worden genomen. Het RIVM heeft hiervoor op een rij gezet met welke infectieziekten in de leefomgeving rekening moet worden gehouden. Het rapport bevat informatie voor beleidsmakers en voor mensen die in de praktijk met een gezonde leefomgeving bezig zijn, zoals gemeenten. Het RIVM wil bijvoorbeeld stimuleren dat beleidsmakers instrumenten laten ontwikkelen waarmee praktijkmensen de kans op een infectieziekte kunnen inschatten na veranderingen in de leefomgeving. Een andere aanbeveling is om platforms op te richten waarin betrokkenen elkaar kunnen informeren. Bacteriën, virussen, parasieten, schimmels en wormen kunnen infectieziekten veroorzaken. Mensen kunnen in de leefomgeving direct met ziekteverwekkers in contact komen via water, lucht, bodem of oppervlakken. Dat kan ook door direct of indirect contact met dieren die ziekteverwekkers bij zich dragen die op mensen kunnen worden overdragen. In gebieden waar veel mensen dicht op elkaar wonen, worden infectieziekten makkelijk van mens op mens overgedragen.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

PFAS in Nederlands drinkwater vergeleken met de nieuwe Europese Drinkwaterrichtlijn en relatie met gezondheidskundige grenswaarde van EFSA | RIVM

Op uiterlijk 12 januari 2026 moet het drinkwater in alle lidstaten voldoen aan de normen voor PFAS Per- en polyfluoralkylstoffen (Per- en polyfluoralkylstoffen ) -stoffen in de nieuwe Europese Drinkwaterrichtlijn (DWR). Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat het Nederlandse drinkwater hier nu al aan voldoet. Voor dit landelijke onderzoek waren meetgegevens beschikbaar tussen 2015 en februari 2021. Tegelijkertijd adviseert het RIVM om de concentraties PFAS-stoffen in drinkwater in een aantal delen van Nederland de komende jaren te verlagen. Dat komt omdat er nieuwe wetenschappelijke kennis over risico’s van PFAS-stoffen voor de mens beschikbaar kwam nadat de Europese Drinkwaterrichtlijn was vastgesteld. Deze kennis is verwerkt in de ‘gezondheidskundige grenswaarde’ die de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid ( EFSA Europese Voedselveiligheidsautoriteit (Europese Voedselveiligheidsautoriteit) ) in 2020 heeft uitgebracht. Deze grenswaarde is een heel stuk lager dan de normen voor PFAS-stoffen in de Drinkwaterrichtlijn. Mensen krijgen PFAS-stoffen binnen op verschillende manieren (voedsel, drinkwater, consumentenproducten, lucht). Mensen in Nederland krijgen nu via voedsel én drinkwater samen al meer PFAS-stoffen binnen dan deze gezondheidskundige grenswaarde. Het is dan ook belangrijk dat mensen in totaal minder PFAS binnenkrijgen. De hoeveelheid PFAS-stoffen die mensen in Nederland binnenkrijgen via alléén drinkwater is gemiddeld lager dan de gezondheidskundige grenswaarde. Het uitgangspunt van de Wereldgezondheidsorganisatie ( WHO World Health Organization (World Health Organization ) ) is echter dat het aandeel via drinkwater maximaal 20 procent van de gezondheidskundige grenswaarde is. Bij ruim de helft van de metingen in drinkwater dat van rivierwater is gemaakt, is de concentratie nu hoger. Dat geldt ook voor één op de tien metingen in drinkwater dat van grondwater is gemaakt. De hoogste concentraties PFAS-stoffen in drinkwater liggen nu in West-Nederland, waar drinkwater vooral van rivierwater wordt gemaakt. Concentraties in het milieu dalen langzaam omdat PFAS overal voorkomen, niet of nauwelijks afbreken en moeilijk zijn te verwijderen in de zuivering.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

The 27th EURL-Salmonella workshop 23 and 24 May 2022, Online | RIVM

In mei 2022 organiseerde het Europese Referentie Laboratorium (EURL) voor Salmonella voor het 27e jaar de workshop voor de Europese Nationale Referentie Laboratoria (NRL’s). Het doel van de workshop is om informatie uit te wisselen tussen het EURL en de NRL’s. Door de uitbraak van het coronavirus is de workshop voor de derde keer online gehouden. In elke workshop is er veel aandacht voor de ringonderzoeken die het EURL organiseert om de kwaliteit van de NRL’s te controleren. Dit keer zijn onder andere de resultaten van twee ringonderzoeken gepresenteerd die in het najaar van 2021 zijn gehouden. In het eerste ringonderzoek van 2021 zijn overschoentjes met kippenmest onderzocht. In het tweede ringonderzoek zijn verschillende Salmonella-stammen getypeerd met gewone technieken en met DNA- Desoxy nucleinezuur (Desoxy nucleinezuur) technieken. Voor de DNA-technieken is vooral Whole Genome Sequencing ( WGS whole genome sequencing (whole genome sequencing) ) gebruikt. Hiermee kunnen micro-organismen heel precies worden getypeerd. De NRL’s scoorden goed in beide ringonderzoeken. Ook is een samenvatting gegeven van de organisatie van 25 jaar ringonderzoeken. Een andere presentatie gaf informatie over het aantal besmettingen van mensen, dieren en levensmiddelen met een Salmonella-bacterie in de Europese Unie. Ook was er een presentatie over het Europese systeem dat wordt gebouwd om de WGS-data van deze bacterie op te slaan. Deze data kunnen goed gebruikt worden voor onderzoek naar de bron van een Salmonella besmetting. Ook gaf een presentatie informatie over het vaccineren van kippen om besmetting met Salmonella bij deze dieren tegen te gaan. Ten slotte toonden de NRL’s-Salmonella van België, Noorwegen en Zweden hoe zij hun wettelijke taken invullen. Het EURL voor Salmonella is onderdeel van het RIVM en organiseert deze workshop elk jaar. Een belangrijke taak van het EURL-Salmonella is de kwaliteit van de nationale referentielaboratoria voor deze bacterie in Europa controleren.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Minder uitstoot broeikasgassen in de hele keten: verkenning voor beleid | RIVM

Het Klimaatakkoord is erop gericht om de uitstoot van broeikasgassen in Nederland te verminderen. Zo draagt Nederland bij aan internationale afspraken over het klimaat. Broeikasgassen komen bij veel processen vrij, zoals bij de winning van grondstoffen, het maken van producten en bij de verwerking van afval. Veel producten die in Nederland worden gebruikt, zijn in het buitenland gemaakt. Maar de uitstoot in het buitenland is geen onderdeel van het Klimaatakkoord. De Nederlandse overheid wil weten of zij ook beleid moet maken om de buitenlandse uitstoot te verlagen. En hoe dat kan. Ze wil daarmee inzicht krijgen welk effect maatregelen voor een lagere uitstoot hebben op de hele ‘keten’, van de winning van grondstoffen tot de verwerking van afval. Ook wil de overheid weten met welke methoden de uitstoot nu wordt berekend en geregistreerd. Het RIVM en het Centraal Bureau voor de Statistiek ( CBS Centraal Bureau voor de Statistiek (Centraal Bureau voor de Statistiek) ) hebben dit vraagstuk verkend. Het CBS heeft onderzocht welke gegevens zij hebben om de totale uitstoot in de keten te berekenen en welke nog ontbreken. Het RIVM heeft geïnventariseerd hoe vertegenwoordigers van beleidsmakers, milieuorganisaties en het bedrijfsleven hierover denken. De meesten vinden dat er beleid nodig is voor de uitstoot buiten Nederland. Bovendien zien zij kansen om de uitstoot in de hele keten te verminderen door het beleid voor circulaire economie erbij te betrekken. Wanneer we bijvoorbeeld staal binnen Nederland recyclen, gaat de uitstoot hier omhoog maar daarbuiten omlaag, omdat er geen nieuwe grondstoffen en transport nodig zijn. Het RIVM heeft mogelijke maatregelen om de buitenlandse uitstoot te verlagen op een rij gezet, zoals subsidies en wet- en regelgeving. Meer onderzoek daarnaar is nodig. Volgens de geïnterviewde partijen is het voor dit vraagstuk belangrijk dat betrokken partijen samenwerken. Zij vinden ook dat de overheid hierin de leiding moet nemen. Het vraagstuk is te complex en veelzijdig om het aan het bedrijfsleven over te laten. Daarnaast vinden ze het belangrijk dat Nederland met andere landen samenwerkt. Dan kunnen beleid over uitstoot en methoden op elkaar worden afgestemd. Tot slot is het essentieel dat alle ministeries die werken aan klimaatverandering en circulaire economie samenwerken.
Jaar: 2022 Onderzoek

Radioactieve rest- en afvalstromen in Nederland. Een inventarisatie | RIVM

Radioactieve rest- en afvalstoffen kunnen bij verschillende handelingen ontstaan. Voorbeelden zijn de productie van kernenergie en medische behandelingen van patiënten, maar ook de productie van staal uit ijzererts of de winning van olie en gas. Het RIVM heeft geïnventariseerd waar in Nederland radioactieve rest- en afvalstoffen ontstaan, en om welke soorten en hoeveelheden het gaat. Het RIVM heeft hiervoor de producenten van radioactieve rest- en afvalstoffen ingedeeld in dertien sectoren. Per sector zijn de belangrijkste rest- en afvalstromen beschreven die tussen 2018 en 2020 zijn afgevoerd. Ook is in beeld gebracht hoe de producenten omgaan met deze stoffen, en waarheen zij ze uiteindelijk afvoeren. Tot slot is informatie verzameld over mogelijkheden om de productie van dit afval in de toekomst te verminderen. Aanleiding voor deze inventarisatie is een Europese afspraak, waardoor lidstaten een ‘Nationaal Programma radioactief afvalbeheer’ moeten opstellen. Bij radioactieve afvalstoffen maakt het RIVM een onderscheid in de hoeveelheid radioactief materiaal en in hoe radioactief het is. De afvalstoffen die de meeste straling afgeven ontstaan bij de productie van zogeheten medische isotopen en in de nucleaire sector. In beide gevallen gaat het om door de mens opgewekte radioactiviteit, en het afval moet daarom worden afgevoerd naar de Centrale Organisatie Voor Radioactief Afval ( COVRA Centrale Organisatie Voor Radioactief Afval (Centrale Organisatie Voor Radioactief Afval) ). Die twee afvalstromen vormen samen ongeveer 98 procent van de radioactiviteit die jaarlijks naar de COVRA wordt afgevoerd. Wat de hoeveelheid radioactief afval betreft, ontstaan de grootste stromen bij de productie van wit pigment (onder meer voor verf, papier en tandpasta) en staal. Deze stromen vormen samen ongeveer 90 procent van de hoeveelheid radioactieve afvalstoffen die per jaar wordt afgevoerd. Bij dit materiaal gaat het om natuurlijke radioactiviteit, en mag het op een stortplaats worden gestort. Bij enkele soorten radioactief afval van natuurlijke oorsprong lijkt het technisch mogelijk om er minder van over te houden, bijvoorbeeld door het te recyclen. Of dit in de praktijk mogelijk is, hangt vooral af van de kosten, sociaal-maatschappelijke factoren, beleid en regelgeving. Het RIVM beveelt onder meer aan om het beleid voor de verwerking van radioactieve afvalstoffen verder te ontwikkelen. Het onderzoek is gedaan in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland. Rapportage 2022 | RIVM

Het RIVM maakt elk jaar kaarten van de luchtverontreiniging in Nederland. Dit gebeurt voor diverse stoffen, waaronder stikstofdioxide, ammoniak en fijnstof. Ook wordt in kaart gebracht hoeveel stikstof er op de bodem neerslaat (depositie). Het RIVM gebruikt zowel modelberekeningen als metingen om de kaarten te maken. Zo komen de concentraties en deposities het best overeen met de werkelijke situatie in het afgelopen jaar. Naast de jaarlijkse berekeningen maakt het RIVM verwachtingen voor de concentraties en deposities voor de jaren 2025 en 2030. De verwachtingen worden vergeleken met het ‘basisjaar’ 2018. De kaarten worden gebruikt om de ontwikkeling van de luchtkwaliteit en de stikstofdepositie in Nederland te volgen. Overheden gebruiken de verwachtingen om beleid te maken voor een betere luchtkwaliteit en minder stikstofdepositie. Luchtverontreiniging is schadelijk voor de volksgezondheid. Te veel stikstofdepositie op natuurgebieden is schadelijk voor het aantal plant- en diersoorten. Over het algemeen dalen de concentraties van luchtvervuilende stoffen al tientallen jaren. Deze daling is in 2020 en 2021 sterker geworden door de gevolgen van maatregelen die zijn genomen tegen de verspreiding van het coronavirus. Stikstofdioxide- en fijnstofconcentraties De gemiddelde concentraties stikstofdioxide in de lucht waren in 2021 iets lager dan in 2020, en gemiddeld ongeveer 20 procent lager dan in 2019. Dat komt vooral doordat er in 2020 en 2021 minder wegverkeer was, en doordat elk jaar oudere auto’s worden vervangen door nieuwere die minder stikstofoxiden uitstoten. Naar verwachting zullen de concentraties stikstofdioxiden in 2030 ongeveer 40 procent lager zijn dan in 2018. De gemiddelde concentraties fijnstof waren in 2021 ongeveer even hoog als in 2020, maar veel lager dan in 2019; de concentratie van de deeltjesgrootte PM10 fijnstof (fijnstof) daalde ten opzichte van 2019 met ongeveer 10 procent en die van PM2,5 fijnstof (fijnstof) ongeveer 15 procent. Ook de lagere concentraties fijnstof in 2020 en 2021 worden verklaard door minder wegverkeer en schonere auto’s. De verwachting is dat de concentraties in 2030 ongeveer 17 respectievelijk 30 procent lager zullen zijn dan in 2018. Stikstofdepositie De gemiddelde stikstofdepositie op het Nederlandse landoppervlak was in 2021 circa 3 procent hoger dan in 2020. De verwachting is dat de stikstofdepositie in 2030 ongeveer 15 procent lager zal zijn dan in 2018. Lokaal kan de daling anders zijn dan dit landelijke gemiddelde. De lokale verschillen worden in het najaar gepubliceerd via de AERIUS-monitor. Gegevens voor de berekening van de verwachtingen Net als vorig jaar zijn voor de berekening van de verwachte concentraties en depositie zijn gegevens gebruikt over beleidsmaatregelen die op 1 mei 2020 beschikbaar waren. Maatregelen voor klimaat, luchtkwaliteit en stikstof die sindsdien zijn uitgewerkt, zijn dus nog niet meegenomen. Door een actualisatie van de ondersteunende kaarten, zoals die van het landgebruik, zijn de verwachtingen voor 2030 lokaal wel veranderd.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Inventarisatie nationale CBRNe-expertise en -signalering | RIVM

De overheid heeft de taak zich in te zetten voor een veilige leefomgeving. Dat betekent dat zij de kans op ongelukken of rampen zo klein mogelijk moet maken. Denk aan een overstroming, een griepuitbraak of een ongeluk met chemische stoffen in een fabriek of laboratorium. Bij deze gebeurtenissen kunnen chemische, biologische, radiologische en nucleaire stoffen vrijkomen of er kunnen explosieven bij betrokken zijn (CBRNe). Grote incidenten waarbij deze stoffen betrokken zijn, kunnen het gevolg zijn van een ongeluk of met opzet zijn aangericht, zoals bij een aanslag. Door de snelle technologische veranderingen in de wereld en de opkomst van nieuwe ziekmakende stoffen ontstaan nieuwe veiligheidsrisico’s. Voor de overheid is het daarom belangrijk ontwikkelingen hierin in beeld te hebben, omdat deze grote ongelukken of rampen met (nieuwe) chemische, biologische, radiologische en nucleaire stoffen (CBRN) kunnen veroorzaken. Dit vraagt om kennis over de eigenschappen en risico’s van deze stoffen. Ook is deze kennis nodig om een aanslag met CBRNe-stoffen zo vroeg mogelijk te herkennen en zo te voorkomen. Het RIVM heeft daarom in kaart gebracht welke kennis en expertise over CBRNe het zelf in huis heeft. Ook is onderzocht welke netwerken van organisaties in Nederland risico’s van nieuwe CBRN-stoffen signaleren. Het RIVM blijkt veel kennis over chemische, biologische, radiologische en nucleaire stoffen te hebben, en minder over explosieven. Het RIVM heeft contacten met organisaties die deze kennis wel in huis hebben. Ook blijkt dat veel netwerken nieuwe risico’s van CBRN-stoffen in kaart brengen en dat ze hierin weinig overlappen. Om goed voorbereid te zijn, is het belangrijk dat deze signaleringsnetwerken hun informatie beter delen. Het RIVM heeft de verzamelde informatie in Nederland samengebracht in één overzicht. Deze Nationale CBRNe expertise en signaleringgids 2021 is te vinden op de website www.rivm.nl/documenten/nationale-cbrne-expertise-signaleringsgids-2021 .
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Haalbaarheid van onderzoek naar blootstelling aan bestrijdingsmiddelen en de gezondheid van omwonenden | RIVM

Mensen die in de buurt van landbouwpercelen wonen, kunnen worden blootgesteld aan chemische bestrijdingsmiddelen. Het is nog niet duidelijk hoe schadelijk dit is voor de gezondheid. Het RIVM heeft samen met andere instituten in 2018 en 2020 mogelijke gezondheidseffecten verkend. Daaruit kwamen aanwijzingen dat enkele gezondheidseffecten samenhangen met ‘wonen in de buurt van bepaald gewas’. Maar deze resultaten konden met de beschikbare informatie niet worden verklaard. In 2020 heeft de Gezondheidsraad daarom geadviseerd om meer gezondheidsonderzoek te doen naar de relatie tussen bestrijdingsmiddelen en de gezondheid van omwonenden. Er is vooral meer inzicht nodig in effecten op de lange termijn. De Gezondheidsraad stelde als voorwaarde dat de blootstelling aan bestrijdingsmiddelen beter moest worden bepaald. Het RIVM raadde daarnaast aan om meer informatie over leefstijl van omwonenden in het onderzoek te betrekken. Het RIVM heeft daarna van vijf onderzoeksmogelijkheden uitgezocht welke haalbaar en zinvol zijn. Per ziekte of aandoening is aangegeven welke vorm van onderzoek, of een combinatie, het meest geschikt is om een verband met een blootstelling aan te tonen. Ook is aangegeven hoe lang het onderzoek duurt en hoeveel het kost. Op basis van dit overzicht kiezende ministeries van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) en LNV Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) welk onderzoek zal worden uitgevoerd. Bij de onderzoeksmogelijkheden ligt de nadruk op ziektes aan het zenuwstelsel, zoals leerachterstanden bij kinderen en de ziekte van Parkinson. Ook gaat het om aandoeningen aan de luchtwegen ( COPD Chronic Obstructive Pulmonary Disease (chronische bronchitis of longemfyseem) (Chronic Obstructive Pulmonary Disease (chronische bronchitis of longemfyseem) ) ) en bepaalde vormen van kanker, zoals leukemie bij kinderen. Tot slot worden acute effecten onderzocht, zoals (oog-) irritatie . De onderzoeksmogelijkheden zijn: 1. Cognitieve vaardigheden testen bij kinderen in groep 8, in combinatie met metingen van de blootstelling, 2. Nieuw onderzoek doen naar langetermijneffecten op de ziekte van Parkinson, 3. Onderzoek op basis van gegevens uit de Nederlandse Kankerregistratie, 4. Analyse van gegevens uit de Gezondheidsmonitor van de GGD Gemeentelijke Gezondheidsdienst (Gemeentelijke Gezondheidsdienst) -en en de Gezondheidsenquête van het CBS Centraal Bureau voor de Statistiek (Centraal Bureau voor de Statistiek) , 5. Analyse van gegevens van huisartsen over acute effecten.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Gewasbeschermingsmiddelen met mogelijke neurodegeneratieve effecten: een analyse van werkzame stoffen op basis van de chemische structuur | RIVM

Gewasbeschermingsmiddelen beschermen planten tegen organismen waar ze ziek van kunnen worden zoals schimmels en insecten. Om er voor te zorgen dat deze middelen veilig zijn voor mens, dier en milieu worden ze uitgebreid getest. Er zijn aanwijzingen dat mensen die in het verleden lang met sommige gewasbeschermingsmiddelen hebben gewerkt, zoals telers, een grotere kans hebben om ziekten te krijgen die het zenuwstelsel aantasten (neurodegeneratieve ziekten). Voorbeelden daarvan zijn de ziekte van Parkinson en Alzheimer. Uit eerder onderzoek van het RIVM bleek dat er voor vijf stoffen sterke aanwijzingen zijn dat ze neurodegeneratieve ziekten kunnen veroorzaken. Deze stoffen mogen niet meer in de Europese Unie worden gebruikt. Ook bleek dat de vereiste informatie voor de risicobeoordeling van gewasbeschermingsmiddelen moet worden verbeterd om mogelijke gevolgen als de ziekte van Parkinson te kunnen onderzoeken. Er wordt nu onderzocht hoe de risicobeoordeling verder kan worden verbeterd. Vooruitlopend hierop heeft het RIVM gekeken of er op dit moment stoffen worden gebruikt die lijken op deze vijf verboden stoffen. Stoffen met een vergelijkbare chemische structuur kunnen soortgelijke effecten veroorzaken. Als dat zo is, dan zouden maatregelen wenselijk zijn om de eventuele risico’s voor telers te verkleinen. Hier blijkt weinig informatie over te zijn. Maar in de beschikbare informatie heeft het RIVM één stof gevonden (metiram) waarvan op basis van de structuur wordt verwacht dat deze neurodegeneratief kan zijn. Deze stof wordt in Nederland heel weinig gebruikt en naar verwachting niet opnieuw goedgekeurd tijdens de nu lopende Europese herbeoordeling. In afwachting van deze herbeoordeling is er volgens het RIVM nu geen reden om extra maatregelen te nemen.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Registratie voedselgerelateerde uitbraken in Nederland, 2021 | RIVM

Mensen kunnen ziek worden van voedsel. Als twee of meer mensen tegelijk ziek worden na het eten van hetzelfde voedsel, wordt dat een uitbraak door een voedselgerelateerde ziekteverwekker genoemd. In 2021 zijn 838 uitbraken met 3.517 zieken gemeld. Dit zijn er duidelijk meer dan in 2020 (559 uitbraken met 1.907 zieken), en ook meer dan in 2018 en 2019 (735-756 uitbraken met 2.805-3.058 zieken). Het norovirus, Salmonella en Campylobacter veroorzaakten in 2021 nog steeds de meeste gemelde uitbraken en ziekte. Wel was dat voor norovirus voor het tweede jaar achter elkaar veel minder vaak dan in de jaren ervoor. De cijfers komen van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit ( NVWA Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit) ) en de GGD Gemeentelijke Gezondheidsdienst (Gemeentelijke Gezondheidsdienst) ’en. Zij registreren en onderzoeken voedselgerelateerde infecties en vergiftigingen. Daartoe proberen ze vanuit hun eigen werkveld te achterhalen waar mensen besmet zijn geraakt en door welke ziekteverwekker. De NVWA onderzoekt de plaats waar het voedsel is bereid of verkocht of waar het voedsel vandaan komt. Zij laat bij Wageningen Food Safety Research ( WFSR Wageningen Food Safety Research (Wageningen Food Safety Research ) ) onderzoeken of daar ziekteverwekkers in zitten. De GGD richt zich op de personen die mogelijk via voedsel een infectie hebben opgelopen en probeert via hen te achterhalen waardoor ze zijn besmet. Het doel van deze werkwijze is meer zieken te voorkomen door het product uit de handel te halen, of maatregelen te nemen om herhaling te voorkomen. Het RIVM voegt de meldingen van de twee instanties samen en analyseert ze als één geheel. Deze aanpak geeft inzichten in oorzaken van voedselgerelateerde uitbraken in Nederland, de mate waarin ze voorkomen en mogelijke veranderingen hierin door de jaren heen. De genoemde getallen zijn een onderschatting van het werkelijke aantal voedselgerelateerde uitbraken en zieken. Dit komt onder andere doordat niet elke zieke naar de huisarts gaat of de NVWA informeert. Ook is niet altijd duidelijk of besmet voedsel de oorzaak van een ziekte is geweest.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Het effect van de Nederlandse zorg op het milieu. Methode voor milieuvoetafdruk en voorbeelden voor een goede zorgomgeving | RIVM

Klimaatverandering heeft grote gevolgen voor de gezondheid en het milieu. Het is dan ook belangrijk om alle bronnen die aan klimaatverandering bijdragen in beeld te hebben. Een daarvan is de zorgsector. Het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) wil daarom weten wat de effecten van de Nederlandse zorgsector op het milieu zijn. Van alle sectoren in Nederland draagt de zorgsector voor zo’n 7 procent bij aan de totale uitstoot van broeikasgassen. Dit is zowel uitstoot in Nederland als in het buitenland. Dit bevestigt eerdere schattingen uit onderzoek van anderen, en is nu beter onderbouwd. Het RIVM ontwikkelde een methode om de effecten op het milieu te berekenen. Hiermee is de wetenschappelijke kennis over meerdere effecten van de Nederlandse zorg op het milieu voor het eerst in kaart gebracht. Daarnaast is naar voorbeelden in de praktijk gezocht die de gezondheid verbeteren. De methode berekent zowel de effecten van medische handelingen, zoals het gebruik van narcosemiddelen bij operaties (die sterke broeikasgassen kunnen zijn), als de effecten van de productie van goederen en diensten die in de zorg worden gebruikt. De voetafdruk is berekend voor meer dan alleen klimaatverandering (de uitstoot van broeikasgassen). De berekening is ook gemaakt voor het gebruik van water en grondstoffen (metalen en mineralen), het landgebruik en de hoeveelheid afval. Zo nodig kunnen aan de methode meer effecten worden toegevoegd. Grofweg veroorzaakt de productie van chemische producten, waaronder geneesmiddelen en producten als zeep en oplosmiddelen, het grootste deel (ongeveer 40 procent) van de uitstoot van broeikasgassen en het grondstoffengebruik door de zorg. Het is nog niet precies duidelijk welke producten en processen die uitstoot en dat gebruik veroorzaken. Daarvoor is meer onderzoek nodig. Met verschillende zorgsectoren, zoals ziekenhuizen, ouderenzorg en de geestelijke gezondheidszorg ( GGZ geestelijke gezondheidszorg (geestelijke gezondheidszorg) ), is gezocht naar de praktijkvoorbeelden. Het gaat om voorbeelden die mensen in zorginstellingen, zoals ouderen en mensen met een beperking, gezond houden, bijvoorbeeld door hen gezond eten te geven en door planten en bomen aan te leggen. Zo’n gezonde ‘zorgomgeving’ kan helpen ziekte te voorkomen, en draagt bij aan goede en duurzame zorg. RIVM doet aanbevelingen om de methode om de effecten op het milieu te berekenen te verbeteren. Zo kan bijvoorbeeld een plan worden gemaakt om de situatie zoals die nu is te bepalen, en de ontwikkeling ervan in de toekomst te kunnen volgen. Ook wordt aangeraden om meer praktijkvoorbeelden te verzamelen, omdat zorgprofessionals daar veel behoefte aan hebben.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Analyse van incidenten met gevaarlijke stoffen bij Brzo-bedrijven 2022 | RIVM

Het RIVM analyseert elk jaar de aard, omvang en oorzaak van incidenten bij bedrijven die in Nederland met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen werken. Dit keer zijn twaalf incidenten geanalyseerd. Bij negen incidenten kwamen gevaarlijke stoffen vrij, waarna twee keer een explosie is ontstaan. Bij twee incidenten ontstonden direct explosies bij werkzaamheden. Een nooddrukvoorziening voorkwam bij het laatste incident dat er gevaarlijke stoffen vrijkwamen. Hierdoor ontsnapte er alleen stoom. Één persoon heeft aan een explosie blijvend letsel - verminderd zicht aan een oog - overgehouden. Overige slachtoffers hadden tijdelijk ademhalingsproblemen en irritaties. Bedrijven zijn ervoor verantwoordelijk dat installaties op orde zijn en dat werknemers de productieprocessen en werkzaamheden veilig kunnen uitvoeren. Net als in voorgaande analyses ging het bij de onderzochte incidenten op verschillende onderdelen mis. Zo werden bij acht incidenten werkzaamheden uitgevoerd, terwijl het nog niet veilig was om te beginnen. De installatie was dan bijvoorbeeld niet genoeg geleegd, of kon weer gevuld raken doordat afsluiters lekten. Deze afwijkingen zijn vaak niet opgemerkt, waarna gevaarlijke stoffen konden ontsnappen of een explosie veroorzaken. Soms kunnen noodmaatregelen helpen om het incident te voorkomen. Bij de helft van de incidenten waren er geen noodmaatregelen getroffen of werkten ze niet. Als noodmaatregel kan bijvoorbeeld de installatie worden uitgeschakeld om te voorkomen dat een gevaarlijke stof uitstroomt. Bij alle incidenten schoten ‘plannen en procedures’ voor de werkzaamheden tekort. Ze waren er soms niet doordat de risico’s van tevoren niet waren verwacht. Soms had het bedrijf er niet op toegezien dat instructies voor werkzaamheden worden nageleefd. Of ze waren niet duidelijk genoeg opgesteld om in de praktijk te worden gebruikt. Deze rapportage maakt deel uit van de opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ( SZW Sociale zaken en werkgelegenheid (Sociale zaken en werkgelegenheid) ) om incidenten te analyseren die de Nederlandse Arbeidsinspectie heeft onderzocht. Het RIVM gaat na wat de overeenkomsten en verschillen tussen deze incidenten zijn. De resultaten kunnen worden gebruikt voor inspectie- en handhavingsstrategieën. Bedrijven kunnen de inzichten gebruiken om hun veiligheidsbeleid te verbeteren.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Surveillance zoönosen in melkvee 2021 | RIVM

Dieren kunnen ziekteverwekkers bij zich dragen waar mensen ook ziek van kunnen worden. De ziekten die hierdoor worden veroorzaakt, noemen we zoönosen. In 2021 onderzochten het RIVM, de NVWA Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit) en WFSR Wageningen Food Safety Research (Wageningen Food Safety Research ) (Wageningen Food Safety Research) hoe vaak een aantal van deze ziekteverwekkers voorkwamen bij melkvee op 185 Nederlandse melkveebedrijven. Ook hebben 107 melkveehouders, gezinsleden en medewerkers aan dit onderzoek meegedaan om te kijken of zij deze ziekteverwekkers ook bij zich dragen. Bij de onderzochte koeien en kalveren komen een aantal ziekteverwekkers vaak voor. Ze zitten in de darmen van de dieren en dus ook in de mest. Melk kan tijdens het melken in aanraking komen met mest en op die manier besmet raken. Mensen kunnen de kans op een besmetting verkleinen door geen rauwe melk of rauwe melkproducten, zoals kaas, te consumeren. Het vlees kan tijdens de slacht besmet raken. Het is daarom belangrijk om rundvlees goed gaar te eten. Het RIVM heeft gekeken of dezelfde ziekteverwekkers in de ontlasting of in de neus van deze mensen voorkwamen. De meeste van deze ziekteverwekkers veroorzaken bij mensen diarree, maar soms kunnen infecties ernstiger verlopen. Daarnaast is er naar ESBL Extended spectrum beta-lactamases (Extended spectrum beta-lactamases) -producerende bacteriën en MRSA Methicilline-resistente Staphylococcus aureus (Methicilline-resistente Staphylococcus aureus ) gekeken, omdat belangrijke groepen antibiotica daar niet tegen werken. Van de onderzochte ziekteverwekkers kwam Campylobacter het meest voor bij het melkvee: op 91 procent van de bedrijven. Bij de veehouders en gezinsleden werd Campylobacter bij 1 persoon gevonden. Het hoge percentage bij de dieren is dus niet direct terug te zien bij de veehouders. Daarnaast kwamen de Listeria en STEC Shigatoxineproducerende E. coli-stammen (Shigatoxineproducerende E. coli-stammen) -bacteriën regelmatig voor bij melkvee; namelijk op 34 procent (Listeria) en 21 procent (STEC) van de bedrijven. Twee deelnemers van de veehouders en gezinsleden droegen Listeria bij zich en één deelnemer STEC. ESBL-producerende bacteriën zijn op 8 procent van de bedrijven gevonden en bij 3 deelnemers. Het percentage bij de deelnemers is ongeveer hetzelfde als bij de Nederlandse bevolking. MRSA is op de huid van 4 procent van de koeien gevonden en bij één deelnemer. De bacterie Clostridioides is zowel bij koeien als bij kalveren onderzocht en kwam bij de kalveren jonger dan 4 weken vaker (18 procent) voor dan bij oudere dieren (4 procent). Dit was ook het geval bij de parasiet Cryptosporidium, die bij veel van de jonge kalveren voorkwam (72 procent). Zowel Clostridioides als Cryptosporidium zijn niet bij de deelnemers gevonden. Tenslotte werd op 4 bedrijven Salmonella gevonden. Salmonella werd niet bij de deelnemers aangetroffen.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Stroomuitval bij risicovolle bedrijven: oorzaken, gevolgen en de invloed van de energietransitie | RIVM

Bedrijven die grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen maken, gebruiken of opslaan, noemen we risicovolle bedrijven. Als bij deze bedrijven de stroom uitvalt, kunnen ongevallen ontstaan waarbij gevaarlijke stoffen vrijkomen. Hierdoor kunnen onveilige situaties ontstaan voor werknemers of de omgeving. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat er elk jaar in Nederland enkele tientallen grote of kleine ongevallen zijn die met stroomuitval te maken hebben. Het precieze aantal is niet bekend, ook niet of dit aantal toe- of afneemt. Verder blijkt dat risicovolle bedrijven niet altijd goed op stroomuitval zijn voorbereid. Daarvoor is extra aandacht nodig, omdat steeds meer processen op elektriciteit werken door de overgang naar duurzame energie. Doordat bedrijven meer elektriciteit nodig hebben, kan zowel de kans op stroomuitval als de impact ervan groter worden. Het is daarom belangrijk dat deze bedrijven stroomuitval zo veel mogelijk voorkomen en erop voorbereid zijn als de stroom toch uitvalt. Bedrijven moeten daarom de risico’s van stroomuitval kennen en maatregelen nemen. Dat kan bijvoorbeeld door inspectie en onderhoud, en door personeel op te leiden. Of door ervoor te zorgen dat er goed functionerende noodstroom is om op terug te vallen. Een ongeval kan ontstaan doordat de stroom buiten het bedrijf uitvalt. Maar vaker komt het door omstandigheden bij de energievoorziening van het bedrijf zelf, meestal door storingen in de elektrische installaties. In beide gevallen zijn ongevallen na stroomuitval vaak een gevolg van onvoldoende inspectie en onderhoud van de elektrische installatie en het interne elektriciteitsnetwerk. Verder kunnen fouten bij het ontwerp en de aanleg van de elektrische installatie de oorzaak zijn. Het RIVM heeft onderzocht wat de oorzaken en gevolgen zijn van stroomuitval bij risicovolle bedrijven. Ook is onderzocht of dit verandert door de overgang naar duurzame energie. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ( SZW Sociale zaken en werkgelegenheid (Sociale zaken en werkgelegenheid) ).
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Ervaringen en lessen bij de ontwikkeling van herkenbare en aanspreekbare wijkverpleging | RIVM

De vraag naar wijkverpleging groeit en zal dat blijven doen. Niet alleen door de vergrijzing, maar ook omdat ouderen worden gestimuleerd om zo lang mogelijk thuis te blijven wonen. Door de marktwerking in de zorg is de wijkverpleging sterk versnipperd geraakt en zijn er in een regio vaak veel aanbieders. Van hen is niet altijd duidelijk welke zorg ze leveren en of ze plek hebben voor een nieuwe patiënt. Hierdoor kost het huisartsen, ziekenhuizen, toekomstige patiënten en naasten veel tijd om de juiste zorg te vinden. Zeven landelijke partijen hebben daarom afgesproken om de organisaties die wijkverpleging aanbieden, meer te laten samenwerken. Dan is de wijkverpleging efficiënter te organiseren. Door samen te werken wordt in een wijk duidelijker bij welke organisaties wijkverpleging te vinden is en welke zorg ze leveren (herkenbaarheid). Ook nemen aanbieders van wijkverpleging de verantwoordelijkheid om de juiste zorg te organiseren. Zij delen die verantwoordelijkheid met de huisarts, het ziekenhuis en het sociale domein bij gemeenten (aanspreekbaarheid). Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat wijkverpleegkundigen het plan om meer samen te werken steunen. Zij zeggen dat meer dan de helft van de aanbieders van wijkverpleging al samen werkt, bijvoorbeeld bij de onplanbare nachtzorg en de zorg voor coronapatiënten. Aanbieders van wijkverpleging hebben ook al initiatieven genomen om de wijkverpleging herkenbaarder en aanspreekbaarder te maken. Bijvoorbeeld door één contactpunt te organiseren voor nieuwe aanvragen voor wijkverpleging. Betrokkenen bij samenwerkingsverbanden merken dat samenwerken makkelijker is als zorgprofessionals elkaar kennen. Het helpt ook als wijkverpleegkundigen zelf over initiatieven kunnen meedenken. Ook is het belangrijk dat aanbieders op bestuurlijk niveau samenwerking mogelijk maken. Bijvoorbeeld door te zorgen dat wijkverpleegkundigen genoeg tijd hebben om met andere professionals samen te werken. Verder helpt het als de betrokken zorgverzekeraar samenwerking ondersteunt. Wel is er verbetering nodig. Zo moeten gegevens over de patiënt beter kunnen worden uitgewisseld. Bijvoorbeeld als verschillende zorgorganisaties tegelijk voor een patiënt werken. Organisaties werken nu vaak met eigen systemen die niet op elkaar aansluiten. Verder vinden wijkverpleegkundigen het belangrijk dat de manier van werken van organisaties op elkaar aansluit en past bij de wensen van de patiënt.
Jaar: 2022 Onderzoek

Bronnen van blootstelling van werknemers aan elektromagnetische velden: nieuwe ontwikkelingen | RIVM

Werknemers kunnen tijdens hun werk aan elektromagnetische velden worden blootgesteld. Soms kunnen de velden sterker zijn dan de velden waaraan de Nederlandse bevolking wordt blootgesteld. Dit kan schadelijk zijn voor de gezondheid of indirect onveilige situaties veroorzaken, bijvoorbeeld door te vallen na een schrikreactie. Om werknemers hiertegen te beschermen heeft de overheid ongeveer tien jaar geleden wettelijke regels met grenswaarden opgesteld. Ook is er een overzicht gemaakt van werkplekken waarvoor bedrijven de risico’s van een blootstelling moeten beoordelen. De afgelopen jaren is de technologie sterk ontwikkeld waardoor apparaten of processen op het werk kunnen zijn veranderd. Hierdoor is het mogelijk dat de aard, hoogte, complexiteit of variatie van de blootstelling van werknemers aan elektromagnetische velden is veranderd. Het RIVM vindt het belangrijk om deze nieuwe ontwikkelingen in bronnen van elektromagnetische velden te blijven volgen. Dan blijven werknemers goed beschermd. Het RIVM heeft de ontwikkelingen daarom geïnventariseerd. Het overzicht is gemaakt op basis van wetenschappelijke literatuur en gesprekken met deskundigen. Op basis hiervan kunnen beleidsmakers bepalen of het nodig is om de voorlichting over bronnen van elektromagnetische velden aan te passen. Er zijn nieuwe of veranderde bronnen van elektromagnetisch velden op het werk gevonden bij het gebruik van draadloze communicatie (5G, RFID), energieopwekking en -transport (omvormers, gelijkstroom), lassen, vervoer (elektrisch rijden, radar) en medische of wetenschappelijke technieken (medische beeldvorming zoals MRI magnetic resonance imaging (magnetic resonance imaging) , cosmetische behandelingen, materiaalonderzoek). Bij sommige van deze bronnen kunnen mogelijk grenswaarden worden overschreden. Dit geldt bijvoorbeeld voor magnetisch pulslassen in de metaalindustrie, draadloos opladen van grote voertuigen en cosmetische behandelingen met elektromagnetische velden. Verder blijft bijzondere aandacht nodig voor werknemers met medische hulpmiddelen, zoals een pacemaker. Zij hebben ook bij een blootstelling onder de grenswaarde al kans op gezondheids- of veiligheidseffecten.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Meerwaarde van mobiele luchtreinigers in verminderen van transmissie van SARS-CoV-2 – een literatuurstudie | RIVM

Het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) vraagt zich af of verplaatsbare luchtreinigers helpen om de overdracht van het coronavirus SARS severe acute respiratory syndrome (severe acute respiratory syndrome) - CoV coronavirus (coronavirus) -2 te verkleinen. Het RIVM heeft naar antwoorden gezocht in wetenschappelijke publicaties. Gekeken is of deze apparaten meerwaarde hebben als ze in geventileerde publieke ruimtes zoals scholen en winkels worden gebruikt. Met meerwaarde wordt bedoeld dat de luchtreinigers er voor zorgen dat minder mensen ziek worden dan als er alleen geventileerd wordt. Ook mogen luchtreinigers geen negatieve gevolgen voor de gezondheid hebben. Er blijkt te weinig wetenschappelijk onderzoek te zijn gedaan om te kunnen stellen dat luchtreinigers in publieke ruimtes ervoor zorgen dat minder mensen COVID-19 krijgen. Er zijn geen artikelen gevonden waarin dit vraagstuk voor corona of andere virussen is uitgezocht. Enkele studies tonen dat mobiele luchtreinigers bacteriën en schimmels uit de lucht verwijderen, maar het is niet duidelijk of daardoor minder mensen ziek worden. Zo bleek in 2016 het ziekteverzuim in schoollokalen met en zonder luchtreiniger hetzelfde te zijn, terwijl de luchtreiniger het aantal bacteriën in de lucht had verminderd. Verder blijkt dat mobiele luchtreinigers alleen veilig en goed werken als ze regelmatig worden onderhouden. Als dat niet gebeurt, neemt de werking af en kunnen micro-organismen op filters groeien die in de ruimte kunnen worden verspreid. Ook kan sommige apparatuur schadelijke stoffen in de ruimte brengen, zoals ozon. Meer onderzoek is nodig om te bepalen wat voor effect deze stoffen op de lange termijn op de gezondheid hebben. Vanwege bovenstaande redenen is er onvoldoende wetenschappelijke onderbouwing om te adviseren mobiele luchtreinigers in alle publieke ruimtes te plaatsen. Meer onderzoek is nodig. Ondertussen kan worden overwogen om ze uit voorzorg tijdelijk als aanvullende maatregel in bepaalde ruimtes te plaatsen in een periode waarin veel mensen corona hebben. Het gaat dan om ruimtes waar kwetsbare mensen langere tijd verblijven, zoals in verpleeghuizen. Of in ruimtes waar de kans dat het virus via de lucht wordt overgedragen groter is, zoals in drukke cafés. De keuze voor een veilig apparaat en goed onderhoud is dan wel belangrijk. Internationaal zijn experts het erover eens dat mensen op korte afstand (binnen 1,5 meter) de meeste kans hebben om met het coronavirus besmet te raken via (kleine) druppels in de lucht. Het virus kan ook over langere afstand en tijd door de lucht worden verspreid, vooral in slecht geventileerde ruimtes waar veel mensen langere tijd verblijven. Ook heeft de soort activiteiten invloed op de verspreiding, bijvoorbeeld of iemand die besmettelijk is veel schreeuwt of zingt.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Letter to the editor regarding the review article by Yamada et al. (2021) titled "Critical evaluation of the human relevance of the mode of action for rodent liver tumor formation by activators of the constitutive androstane receptor (CAR)" | RIVM

Letter to the editor regarding the review article by Yamada et al. (2021) titled "Critical evaluation of the human relevance of the mode of action for rodent liver tumor formation by activators of the constitutive androstane receptor (CAR)" | RIVM
Jaar: 2022 Onderzoek

User needs for satellite data regarding emissions | RIVM

Satellieten worden onder andere gebruikt om te meten hoeveel broeikasgassen en vervuilende stoffen er worden uitgestoten in de lucht. Verschillende organisaties, zoals het RIVM, overheden en onderzoekers, gebruiken deze data. Satellieten worden steeds beter en kunnen steeds preciezer meten. Vanwege deze ontwikkelingen is het voor Nederland belangrijk om goed voorbereid te zijn op het gebruik van data van satellieten in de toekomst. Daarom heeft het Netherlands Space Office (NSO) het RIVM gevraagd in kaart te brengen welke behoeften gebruikers of toekomstige gebruikers van de data over de uitstoot van broeikasgassen of luchtvervuilende stoffen hebben. De NSO kan deze uitkomsten gebruiken om strategische beslissingen te nemen over satellieten van de toekomst. Voor het onderzoek zijn 24 (mogelijke) gebruikers van satellietdata geïnterviewd. De opvallendste uitkomst hieruit is dat zij vooral tegen praktische problemen aanlopen. Ze kunnen bijvoorbeeld de data niet goed vinden of ze weten niet hoe ze data kunnen gebruiken. Of ze hebben geen geld om met de data aan de slag te gaan. Er is geld en kennis nodig om de data gebruiksvriendelijk en makkelijker toegankelijk te maken en ze betekenis te geven. Een belangrijke stap naar een oplossing hiervoor is dat organisaties meer gaan samenwerken om bijvoorbeeld kennis uit te wisselen. De geïnterviewden stellen dit zelf als oplossing voor. Een mogelijkheid hiervoor is een meer open community te organiseren in Nederland, maar het liefst ook internationaal. Naast de praktische behoeften zijn er technische wensen en eisen, en wetenschappelijke behoeften en interesses. Zo hebben (mogelijke) gebruikers de behoefte aan preciezere metingen van kleine oppervlakten zodat van steeds kleinere bronnen kan worden achterhaald welke stoffen die uitstoten. Naar verwachting kan de combinatie van satellietmetingen met andere databronnen, zoals uitgebreidere metingen op de grond, veel nieuwe inzichten geven. De satellietinstrumenten kunnen bestaande databronnen niet vervangen, maar er wel een belangrijke aanvulling op zijn.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Annual report Surveillance of COVID-19, influenza and other respiratory infections in the Netherlands: winter 2021/2022 | RIVM

Het RIVM brengt elk jaar in kaart hoeveel mensen in Nederland griep en andere luchtweginfecties hebben gehad. Sinds 2020 doen we dat ook voor het aantal mensen in Nederland dat het coronavirus hadden. Coronavirus Tijdens de zomer van 2021, van juli tot en met september, hadden heel weinig mensen een positieve coronatest. In het najaar en de winter nam het aantal weer toe, door de opkomst van de delta- en omikronvariant. Tussen mei 2021 en mei 2022 zijn 6.448.170 mensen positief getest op corona. Van hen zijn 44.990 mensen opgenomen in het ziekenhuis, en 5756 op de intensive care. Van 3482 mensen is bekend dat ze zijn overleden aan COVID-19. Griepepidemie De griepepidemie in het griepseizoen 2021/2022 begon later dan eerdere seizoenen en duurde 13 weken. Ongeveer 127.378 mensen gingen naar de huisarts met griepachtige klachten. Dit waren er minder dan normaal: veel mensen met deze klachten lieten zich testen op het coronavirus en gingen niet naar de huisarts. Naar schatting hebben tussen oktober 2021 en mei 2022 ongeveer 795.000 mensen griep gehad. Mensen zijn vooral ziek geworden van het type A(H3N2) griepvirus. RS-virus Sinds het voorjaar van 2021 melden ziekenhuizen hoge aantallen infecties met het RS-virus, vooral in de zomer van dat jaar. Deze infecties komen vooral bij kinderen onder de vier jaar voor. De meesten hebben milde klachten, maar de infectie kan soms zo ernstig verlopen dat ze in het ziekenhuis moeten worden opgenomen. Na de zomer van 2021 daalde het aantal infecties, maar bleef het nog wel zo hoog dat het de omvang van een epidemie heeft. Deze epidemie duurt al meer dan een jaar. In totaal meldden de ziekenhuizen 4504 infecties met het RS-virus tussen mei 2021 en mei 2022. Meldingsplichtige luchtweginfecties Sommige luchtweginfecties moeten bij de GGD worden gemeld. De GGD kan dan zo nodig actie nemen om te voorkomen dat ze zich verder verspreiden. Het aantal meldingen van legionella (658) is in 2021 sterk gestegen. Het aantal meldingen van tuberculose was in 2021 hoger (680) dan in 2020, maar nog wel lager dan de jaren daarvoor. Het aantal meldingen van psittacose (papegaaienziekte, 55) was in 2021 aanzienlijk lager dan vorige jaren. Het aantal meldingen van Q-koorts (6) was vergelijkbaar met 2020, maar lager dan de jaren daarvoor. Deze ziekten, met uitzondering van tuberculose, uiten zich meestal in de vorm van longontstekingen. Omdat de oorzaak daarvan vaak niet wordt onderzocht, zullen meer mensen deze ziekten hebben gehad dan is gemeld.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Risk assessment of (herbal preparations containing) Salvia divinorum | RIVM

In Nederland worden in (online) smartshops gedroogde bladeren en extracten van het kruid Salvia divinorum verkocht. Salvia divinorum wordt gebruikt als geestverruimend en stimulerend middel. Het RIVM heeft gekeken of dit product schadelijk is voor de gezondheid. Hieruit blijkt dat mensen onder andere last kunnen krijgen van hallucinaties, onrust, verwardheid, verhoogde hartslag, verhoogde bloeddruk en psychoses. Deze gezondheidseffecten kunnen al ontstaan bij het aanbevolen gebruik. Het RIVM adviseert consumenten daarom geen (kruidenpreparaten met) Salvia divinorum te gebruiken. Verder adviseert het instituut het ministerie van VWS om te overwegen de verkoop van (kruidenpreparaten met) Salvia divinorum te beperken of te verbieden. Salvia divinorum is te koop als (gedroogde) blaadjes of als kruidenextract. De meeste mensen roken of vapen dit. Je kunt ook op de blaadjes kauwen of er thee van zetten. De effecten worden veroorzaakt door de het actieve bestandsdeel salvinorine A. Het is niet bekend hoeveel mensen dit product gebruiken.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Beleidskader Pre- en Neonatale Screeningen | RIVM

De Nederlandse overheid biedt tijdens de zwangerschap en kort na de geboorte vijf screeningen aan. Het doel van deze screeningen is gezondheidswinst op groepsniveau realiseren, dan wel aanstaande ouders informeren over de gezondheid van hun kind en opties bieden om te handelen. Tijdens de zwangerschap zijn er drie screeningen voor het ongeboren kind: op het syndroom van down, edwards en patau, op infectieziekten en erytrocytenimmunisatie, en op lichamelijke afwijkingen. De screeningen vlak na de geboorte betreffen het gehoor en de hielprik. Om ervoor te zorgen dat de screeningen goed worden uitgevoerd, is het Beleidskader Pre- en Neonatale Screeningen opgesteld. Dit document geeft een overzicht van de wettelijke en beleidsmatige kaders voor deze screeningen. Het ministerie van VWS heeft deze wettelijke kaders vastgesteld. Het beleidskader wordt regelmatig getoetst en is nu aangepast aan de actualiteit. Het Centrum voor Bevolkingsonderzoek (CvB) van het RIVM heeft sinds 2006 de landelijke regie over de vijf screeningen. Dit beleidskader is een instrument om de regie te voeren. De uitvoering van het beleidskader ligt bij de uitvoeringsorganisaties. Het beleidskader beschrijft ook hoe partijen samenwerken die betrokken zijn bij de voorbereiding van, de besluitvorming over en de uitvoering van de vijf screeningen. Voor een goede kwaliteit van de screening is het namelijk belangrijk dat alle logistieke en inhoudelijke processen goed op elkaar aansluiten. Vooral de ‘overgang’ van een uitslag van een screening naar een diagnose en behandeling moet goed zijn geregeld. Partijen binnen de screening en de zorg zijn hiervoor samen verantwoordelijk. Daarnaast staan de kaders beschreven die relevant zijn om de draaiboeken van de screeningen uit te werken. Deze draaiboeken zijn vooral gericht op de wijze waarop de screeningen regionaal worden uitgevoerd. Dit rapport is een herziene versie van rapport 2015-0183 uit 2016 .
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Beleidskader Bevolkingsonderzoeken naar Kanker | RIVM

Het Beleidskader Bevolkingsonderzoeken naar Kanker (BBK) geeft een overzicht van de wettelijke en beleidsmatige kaders voor de drie bevolkingsonderzoeken naar kanker in Nederland: borst-, baarmoederhals- en darmkanker. Daarnaast beschrijft het de samenwerking en onderlinge verhoudingen van partijen die betrokken zijn bij de voorbereiding, besluitvorming en uitvoering van deze bevolkingsonderzoeken. Het RIVM heeft het Beleidskader opgesteld, waarna het ministerie van VWS het heeft vastgesteld. Het RIVM toetst het document regelmatig en past het zo nodig aan aan de actualiteit. Het RIVM ziet er als landelijke regisseur op toe dat de bevolkingsonderzoeken voor de deelnemers een hoge kwaliteit hebben, en goed bereikbaar en betaalbaar zijn. Op die manier ontstaat een optimaal ‘aanbod’ voor de deelnemers aan de bevolkingsonderzoeken. Het beleidskader is een instrument om de regie te voeren. Het vormt ook de basis voor de zogeheten uitvoeringskaders. Daarin is per bevolkingsonderzoek de precieze wijze waarop en door wie de bevolkingsonderzoeken worden uitgevoerd, uitgewerkt. De bevolkingsonderzoeken bestaan uit een reeks van opeenvolgende handelingen, die door verschillende partijen worden uitgevoerd en gecoördineerd. Het gaat om de uitnodiging voor het onderzoek, het onderzoek zelf, de beoordeling van de uitslag, de communicatie, en de eventuele doorverwijzing. Deze handelingen moeten goed op elkaar aansluiten en efficiënt gestructureerd zijn. Dat is de basis voor een goede kwaliteit van het bevolkingsonderzoek. Dit rapport is een herziene versie van rapport 2016-0168 uit 2016 .
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Recycling of materials. Needs and considerations in the assessment of safety and sustainability | RIVM

De overheid streeft naar een circulaire economie in 2050. Daarbij praten we niet meer over afval, maar over materiaalstromen. Om deze materialen hierin te kunnen blijven gebruiken, is het nodig dat ze veilig worden gerecycled. En dan zo dat ze het milieu minder belasten dan wanneer materialen uit nieuwe grondstoffen worden gemaakt. Het RIVM ontwikkelde in 2018 een methode die beoordeelt in hoeverre initiatieven om materiaalstromen te recyclen leiden tot veilige en duurzame verwerkingsmethoden en producten. Het RIVM wil deze methode verder ontwikkelen en beter laten aansluiten bij de wensen van gebruikers. Om dat te kunnen doen heeft het betrokkenen, zoals vergunningverleners en materiaalverwerkers, gevraagd wat zij nodig hebben om de veiligheid van een materiaalstroom en de verandering van de milieubelasting te kunnen beoordelen. Ook zijn twee situaties uit de praktijk uitgewerkt in samenwerking met materiaalverwerkers en is met hen besproken hoe het raamwerk kan worden verbeterd. En er is een onderdeel toegevoegd om straling in gerecyclede materialen te beoordelen. Vergunningverleners en materiaalverwerkers willen vooral met een beoordelingsmethode werken die de wettelijke criteria voor veiligheid bevat, aangevuld met een risicobeoordeling voor recycling van materiaalstromen. Als er nieuwe materialen en producten van worden gemaakt, kunnen namelijk vragen over blootstelling aan chemische stoffen, pathogenen en straling ontstaan waar de regels van nu niet voor zijn gemaakt. Als tweede hebben de betrokkenen behoefte aan een database met informatie over de samenstelling van materiaalstromen en over criteria om de veiligheid te toetsen. Ten slotte willen vergunningverleners kennis delen om van elkaars ervaringen te leren. Daarom beveelt het RIVM aan een nationaal platform te organiseren. Naast de hierboven genoemde algemene suggesties ziet het RIVM ook mogelijkheden voor verbetering van de RIVM beoordelingsmethode. Ten eerste blijkt het belangrijk om te bepalen welk deel van de materiaalketen precies in de beoordeling wordt meegenomen en welke producten daarvan worden gemaakt. De tweede verbetering is de uitkomsten over veiligheid en duurzaamheid af te wegen om tot één eindoordeel te komen.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Verkenning van de productveiligheid van geneesmiddelen in de praktijk | RIVM

Ondanks voorzorgsmaatregelen komt het voor dat mensen per ongeluk een verkeerd medicijn innemen of een medicijn op een verkeerde manier innemen. Het RIVM heeft onderzocht wat de invloed van het ontwerp van medicijnen is op deze fouten. Met het ontwerp bedoelen we de naam, vorm en kleur van het medicijn, de verpakking, en het etiket. Ook de informatie in de bijsluiter hoort daarbij. Het ontwerp van medicijnen kan erg op elkaar lijken wat het moeilijker maakt ze van elkaar te onderscheiden. Ook kan de informatie in de bijsluiter over het gebruik en de toedieningsvorm onduidelijk zijn. Volgens experts op het gebied van medicijnen heeft het ontwerp van medicijnen invloed op het ontstaan van fouten. Problemen zijn te voorkomen als de ontwikkelaars van medicijnen de gebruiker (zowel patiënten als personeel in de zorg) erbij betrekken. Dit gebeurt nu te weinig. Maar een medicatiefout ligt bijna nooit alleen aan een productontwerp; het is vaak een combinatie van factoren. Zo is de context waarin een middel wordt ingenomen van invloed. Voorbeelden zijn spoedsituaties, werkdruk bij zorgpersoneel, wisselingen van personeel, of te weinig personeel. Verder kunnen de gebruikers niet de benodigde vaardigheden hebben, zoals mensen met dementie. Ook is de kans op medicatiefouten groter bij medicijnen die met een hulpmiddel moeten worden ingenomen of toegediend. Denk aan een inhalator, spuit of infuuspomp. Het kan onduidelijk zijn hoe deze hulpmiddelen moeten worden gebruikt. Verder kunnen dezelfde hulpmiddelen van verschillende merken een andere gebruiksaanwijzing hebben. Een standaard manier om bijvoorbeeld de dosering van infuuspompen in te stellen, kan verkeerd gebruik voorkomen. Het is belangrijk om bij meldingen van fouten of bijwerkingen van medicijnen, het ontwerp van medicijnen als oorzaak aan te kunnen geven. Daarnaast is het belangrijk om medicatiefouten regelmatig te volgen. Hiermee wordt kennis opgebouwd over de relatie tussen ontwerp en problemen in de praktijk. Het RIVM heeft voor de verkenning gekeken naar wat bekend is in de wetenschappelijke literatuur en gesproken met experts in de zorg, zoals apothekers en verpleegkundigen. Daarnaast zijn meldingen in databases van de Inspectie voor de Gezondheidszorg en Jeugd ( IGJ Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd) ) en bijwerkingencentrum Lareb Landelijke Registratie Evaluatie Bijwerkingen (Landelijke Registratie Evaluatie Bijwerkingen ) gebruikt.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Strategisch Programma RIVM Jaarrapportage 2021 | RIVM

Het Strategisch Programma (SPR) is het RIVM-programma voor strategisch onderzoek, wetenschappelijke vernieuwing en kennisontwikkeling. Hiermee kijken we vooruit naar onderwerpen die extra aandacht verdienen, omdat ze in de toekomst van invloed kunnen zijn op onze volksgezondheid en leefomgeving. Met deze jaarrapportage brengt het RIVM verslag uit van de resultaten van SPR in 2021. De rapportage is bedoeld om de eigenaar (het ministerie van VWS), de Commissie van Toezicht van het RIVM en geïnteresseerden binnen en buiten het RIVM te informeren over de inhoud en de voortgang van de projecten in het programma. In 2021, het derde jaar van het programma 2019-2022, liepen er een groot aantal projecten tegelijk. Er zijn 39 nieuwe projecten gestart. De thema’s Perceptie en Gedrag en Methoden voor Verzameling en Analyse van Data, die tot nu toe de andere SPR-thema’s ondersteunden, startten in 2021 met verschillende ‘eigen’ projecten. Tegelijk zijn in 2021 de tweejarige projecten uit de eerste fase van het programma afgerond. Zij zijn verlengd als gevolg van de coronapandemie. Eind 2021 bereikten 20 projecten de eindfase. Twee thema’s die twee jaar duurden zijn eind 2021 hun laatste fase in gegaan: Integraal Voedselbeleid en Safety & Security. De slotsymposia hierover vinden plaats in 2022. Binnen alle thema’s worden in 2022 de resultaten onder de aandacht gebracht, bijvoorbeeld door wetenschappelijke artikelen te publiceren. Nieuwe projecten die in 2021 in het programma zijn gestart, zijn vaak projecten waar promovendi de komende jaren aan werken. De wetenschappelijke publicaties naar aanleiding daarvan worden verwacht in de jaren tot en met 2026.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Risicogrenzen voor PFAS in oppervlaktewater. Doorvertaling van de gezondheidskundige grenswaarde van EFSA naar concentraties in water | RIVM

Het RIVM heeft nieuwe risicogrenzen bepaald voor perfluoralkyl-stoffen (PFAS) in oppervlaktewater. Dit is nodig omdat de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA) in 2020 een gezondheidskundige grenswaarde voor PFAS heeft bepaald. De gezondheidskundige grenswaarde werkt door in de beoordeling van de waterkwaliteit. Deze beoordeling houdt namelijk rekening met de hoeveelheid PFAS die mensen kunnen binnenkrijgen via het eten van vis. De nieuwe risicogrenzen geven aan hoeveel PFAS in het water mogen zitten zodat mensen daar hun leven lang veilig vis uit kunnen eten. Voor de drie PFAS waarvoor in Nederland al normen voor oppervlaktewater bestaan, zijn de nieuwe risicogrenzen: 0,3 nanogram per liter voor PFOA, 7 picogram per liter voor PFOS en 10 nanogram per liter voor HFPO-DA (GenX). Deze nieuwe risicogrenzen zijn veel lager dan de bestaande waterkwaliteitsnormen voor deze PFAS. Dat komt omdat de stoffen volgens EFSA giftiger zijn dan eerder bekend was. Hierdoor is er bij lagere concentraties een kans op schadelijke gevolgen. Er zijn nog veel meer PFAS dan PFOA, PFOS en GenX. Het RIVM heeft daarom een rekenmethode ontwikkeld waarmee de risico’s van meerdere PFAS tegelijk kunnen worden berekend. PFAS komen namelijk bijna nooit als losse stof voor, maar meestal in mengsels met verschillende PFAS. De verwachting is dat alle PFAS op een vergelijkbare manier werken en bijdragen aan de totale giftigheid van het mengsel. Daarom moeten zoveel mogelijk PFAS worden meegenomen bij de toetsing van lozingen en oppervlaktewatermonsters. De nieuwe risicogrenzen zijn advieswaarden. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat kan mede op basis van dit onderzoek besluiten of de waterkwaliteitsnormen voor PFAS worden aangepast.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Aggregate exposure to isothiazolinones used as preservatives in consumer products. | RIVM

Isothiazolinonen zijn conserveermiddelen. Ze worden vaak gebruikt in bijvoorbeeld persoonlijke verzorgingsproducten, zoals zonnebrand en shampoo. Maar ook in schoonmaakmiddelen, verf en ‘waterig’ speelgoed, zoals klei en slijm. Ze zorgen ervoor dat een product niet bederft en zo langer houdbaar blijft. Als mensen in contact komen met isothiazolinonen, kan dat allergische reacties van de huid veroorzaken. Consumenten wordt nu aangeraden om voorzichtig te zijn met deze stoffen (zie http://www.waarzitwatin.nl ). Om in te schatten hoe groot de kans op allergische reacties is, moet eerst worden bepaald in welke mate mensen met deze stoffen in aanraking komen. Het RIVM heeft dat onderzocht door de blootstelling aan isothiazolinonen te berekenen. Het RIVM deed dat door in te schatten in welke mate verschillende productgroepen bijdragen aan de totale blootstelling. Mensen kunnen namelijk per dag via verschillende producten aan isothiazolinonen blootstaan. De totale blootstelling is voor volwassenen en kinderen uitgezocht voor drie veelgebruikte stoffen: methylisothiazolinon, chloormethylisothiazolinon en benzylisothiazolinon. Dit onderzoek geeft aanwijzingen dat de totale blootstelling soms hoger is dan de veilige hoeveelheid. Meer onderzoek is nodig om te weten of dat echt zo is. Van veel producten is bijvoorbeeld niet bekend hoeveel isothiazolinonen erin zitten. Ook is niet altijd bekend hoe vaak en hoeveel mensen zulke producten gebruiken. Verder moet worden onderzocht of andere soorten isothiazolinonen, zoals dichlorooctylisothiazolinon of octylisothiazolinon, bijdragen aan de totale blootstelling aan isothiazolinonen. De NVWA heeft van honderden verschillende producten gemeten hoeveel isothiazolinonen erin zitten. Het RIVM heeft deze gemeten hoeveelheden gebruikt om de blootstelling te berekenen met de computermodellen PACEM en ConsExpo. ConsExpo kan een eerste inschatting van de blootstelling geven als iemand één product gebruikt. Met PACEM kan de blootstelling aan meerdere producten worden berekend. PACEM geeft bovendien een realistischer schatting van de blootstelling, omdat het met concrete gegevens werkt hoe vaak mensen een product gebruiken.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Signalling and responding to zoonotic threats using a One Health approach: a decade of the Zoonoses Structure in the Netherlands, 2011 to 2021 | RIVM

10 jaar signalering van opkomende zoönosen binnen de zoönosenstructuur Zoönosen zijn infectieziekten die van dier op mens kunnen worden overgedragen. Met name de Q-koorts uitbraak bij melkgeiten van 2007-2010 had grote gevolgen voor de volksgezondheid en leidde tot de oprichting van een risicoanalysesysteem voor zoönosen: de Zoönosenstructuur. Met diverse kennisorganisaties werkten we de afgelopen 10 jaar intensief samen en beoordeelden we 390 signalen van (mogelijk) opkomende zoönotische ziekteverwekkers in dieren en in mensen. Dit vond plaats in het Signaleringsoverleg Zoönosen volgens een One Health benadering met medische, entomologische, wildlife en veterinaire experts. Het Signaleringsoverleg maakt deel uit van de Zoönosenstructuur.
Jaar: 2022 Onderzoek

Het gebruik van workout-supplementen door sporters in Nederland | RIVM

Het gebruik van workout-supplementen lijkt gangbaar geworden. Er bestaan speciale supplementen voor sporters. Vóór het sporten worden ze ingenomen om de prestaties te verbeteren. Na het sporten gebeurt dat om het lichaam beter te laten herstellen van de inspanning. In Nederland gebruikt ruim een kwart van de sporters voor of na het sporten één of meerdere sportsupplementen. Ze worden het vaakst gebruikt bij fitness en krachtsport, maar ook bij wielrennen en hardlopen. Meer mannen dan vrouwen gebruiken workout-supplementen. Mannen gebruiken meer verschillende producten en ook vaker per week. Sporters van 25 t/m 34 jaar gebruiken ze het meest. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM onder ruim 7000 amateursporters. Het gaat om mensen die minimaal één keer in de week sporten. Sporters nemen vooral supplementen in met eiwit (proteïne), cafeïne, calcium, magnesium, vitamines en creatine. Ongeveer één op de zes mensen weet niet welke ingrediënten in hun sportsupplement zitten. Dit geldt vooral voor vrouwen en jongeren (15 t/m 24 jaar). Ongeveer tien procent van de producten die de ondervraagde sporters gebruiken, bevatte stoffen die schadelijk zouden kunnen zijn. Dat geldt vooral voor producten met veel verschillende ingrediënten. Er kunnen bijvoorbeeld stoffen in te hoge doseringen in zitten. Ook kan er doping (zoals DMAA) in zitten of verboden ingrediënten, zoals yohimbine. Meer dan de helft van de gebruikers zegt dat de sportsupplementen werken. Bijna de helft ervaart wel eens bijwerkingen, zoals hoofdpijn, slapeloosheid, hartkloppingen en maagklachten. Voor een deel van de gebruikers waren bijwerkingen een reden om ermee te stoppen. Veel sporters die sportsupplementen gebruiken, drinken regelmatig koffie, energiedrank en/of alcohol. Soms doen ze dat tegelijk, wat schadelijk kan zijn voor de gezondheid. Ze kunnen daardoor bijvoorbeeld te veel cafeïne binnenkrijgen. De meeste mensen vragen zich niet af of combinaties van middelen schadelijk kan zijn voor hun gezondheid.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Agricultural practices and water quality on farms registered for derogation in 2020 | RIVM

In Nederland mogen bepaalde agrarische bedrijven meer dierlijke mest op hun land gebruiken dan de Europese Nitraatrichtlijn voorschrijft. Zij moeten hiervoor wel aan bepaalde voorwaarden voldoen. Deze verruiming heet derogatie. Het RIVM en Wageningen Economic Research meten elk jaar de gevolgen van de derogatie voor de waterkwaliteit op driehonderd bedrijven die van derogatie gebruik maken. Uit de analyse blijkt dat de derogatie geen negatieve effecten heeft op de waterkwaliteit vanaf 2006, het jaar waarin de derogatie inging. Wel stegen de nitraatconcentraties de afgelopen jaren. Dat komt waarschijnlijk door de droogte in 2018 in heel Nederland en regionaal in 2019 en 2020, en het effect hiervan in de jaren erna. Vooral in de Zandregio steeg de nitraatconcentratie. Droogte kan er op verschillende manieren voor zorgen dat de nitraatconcentratie in het grondwater stijgt, onder andere doordat er dan minder stikstof wordt afgebroken. Bedrijfsvoering In 2020 hebben derogatiebedrijven gemiddeld 236 kilogram stikstof uit dierlijke mest per hectare gebruikt. Een derogatiebedrijf mag 230 of 250 kilogram stikstof per hectare uit mest van graasdieren gebruiken, afhankelijk van de bodemsoort en regio. Door verbeteringen in de bedrijfsvoering en door aanpassingen in wetgeving wordt dierlijke mest efficiënter gebruikt om gewassen te laten groeien. Het ‘stikstofbodemoverschot’ is daardoor van 2006 tot en met 2017 gedaald. Dit betekent dat er minder stikstof in de bodem overblijft dat als nitraat met regenwater wegzakt naar diepere lagen in de bodem, en uiteindelijk het grondwater bereikt. Het stikstofbodemoverschot steeg in 2018 sterk door de droogte. In 2020 was het stikstofbodemoverschot hoger dan in 2019, maar lager dan het gemiddelde van alle onderzochte jaren. Grondwaterkwaliteit In het zuiden en oosten van de Zandregio was de gemiddelde nitraatconcentratie in de bovenste meter van het grondwater in 2021 67 milligram per liter. Dat is boven de norm van 50 milligram per liter. Sinds 2017 steeg de nitraatconcentratie fors in dit deel van de Zandregio en is deze verdubbeld. Hierdoor is het moeilijker om gemiddeld onder de norm te komen. In het noorden van de Zandregio bleef de concentratie onder de norm, maar steeg deze naar 37 milligram per liter in 2021. In de Lössregio daalde de concentratie licht naar 57 milligram per liter in 2020, maar deze is nog wel hoger dan de norm. In de Kleiregio blijven de concentraties steeds onder de norm. Over de hele onderzochte periode stijgen de nitraatconcentraties in de Kleiregio, maar in 2021 was deze lager dan in 2020. In de Veenregio worden de laagste concentraties gemeten, 14 milligram per liter in 2021. De monitoring wordt uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV).
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Systematische studie naar de verschillende opvattingen rondom bekostigingshervorming in de geboortezorg | RIVM

In Nederland zijn de afgelopen jaren maatregelen genomen om de kwaliteit van de geboortezorg te verbeteren. Er stierven relatief veel baby’s tijdens of vlak na de geboorte vergeleken met andere westerse landen. Het ministerie van VWS onderzoekt onder andere of een andere manier waarop de zorgaanbieders worden betaald, de zogeheten integrale bekostiging, de kwaliteit van de geboortezorg kan verbeteren. De zorg wordt hierbij zodanig georganiseerd dat zorgaanbieders meer gaan samenwerken. Dit om de kwaliteit van de zorg te verbeteren en dubbele zorg vanuit de verschillende vakgebieden te voorkomen. Al lange tijd is er discussie onder de betrokken vakgebieden of het wenselijk is dat integrale bekostiging wordt ingevoerd, naast de al bestaande manier van betalen. Om de verschillende opvattingen in kaart te brengen heeft het RIVM de opvattingen van de betrokken partijen over de bekostiging op een rij gezet. VWS kan de resultaten gebruiken om de alternatieve bekostiging verder vorm te geven met betrokken partijen. De betrokken vakgebieden zijn het eens dat een andere vorm van bekostiging nodig is. Bij de bestaande bekostiging wordt elke zorgaanbieder, zoals verloskundigen, gynaecologen, en kraamzorg, apart betaald, en dat belemmert samenwerking. Maar de meningen verschillen over hoe de bekostiging precies moet worden vormgegeven en onder welke voorwaarden. Het onderzoek maakt duidelijk dat de beroepsgroepen niet zo lijnrecht tegenover elkaar staan als in de media soms het geval lijkt. Wel moet er aandacht zijn voor het gevoel van ongelijkwaardigheid dat leeft bij verloskundigen. Ook is er vaak spraakverwarring over begrippen zoals doelmatigheid en bekostigingshervorming. Het is belangrijk dat iedereen hetzelfde bedoelt met deze begrippen om verder te komen in de discussie over nieuwe bekostiging in de geboortezorg. Het kost tijd om te zien of integrale bekostiging de gezondheid van moeder en kind verbetert. Het RIVM zal daarom de effecten de komende jaren blijven volgen. De data en het script voor de analyses zijn openbaar beschikbaar zijn via GitHub .
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Verkoop Schijf van Vijf-producten in supermarkten en de out-of-home sector in beeld. Advies over het opzetten van een monitor | RIVM

Gezonde voeding verkleint de kans op chronische ziekten. Daarom beveelt de overheid aan om vooral producten uit de Schijf van Vijf te eten. Maar Nederlanders eten en drinken minder van deze producten dan wordt aanbevolen, en juist veel producten die erbuiten vallen, zoals snacks en frisdranken. In het Nationaal Preventieakkoord heeft de overheid met supermarkten, de horeca en catering afgesproken dat zij elk jaar meer producten uit de Schijf van Vijf verkopen. Het ministerie van VWS wil weten of dit inderdaad gebeurt en of ook er minder producten worden verkocht die buiten de Schijf van Vijf vallen. VWS heeft het RIVM en het Voedingscentrum gevraagd of het mogelijk is om de verkoop van Schijf van Vijf-producten in supermarkten in kaart te brengen en te volgen (monitoren). Het RIVM en het Voedingscentrum geven aan welke organisaties informatie hebben of producten in supermarkten binnen de Schijf van Vijf vallen en hoeveel daarvan zijn verkocht. Ook wordt geadviseerd hoe de informatie uit deze verschillende bronnen zo goed mogelijk aan elkaar kan worden gekoppeld. In de zogeheten Levensmiddelendatabank staan verschillende gegevens over de producten die in supermarkten worden verkocht, onder andere of ze binnen de Schijf van Vijf vallen. De streepjescodes van producten kunnen worden gekoppeld aan verkoopcijfers. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is een van de partijen die inzicht hebben in hoeveel er van bepaalde producten in Nederlandse supermarkten is verkocht. Verder onderzoek naar de koppeling van de gegevens is nodig om de methode te verfijnen. Het advies richt zich nu nog alleen op de verkoop van producten uit de Schijf van Vijf in de supermarkten. Mogelijkheden worden gegeven om de methode uit te breiden naar de horeca en catering. Later moet nog uitgewerkt worden hoe de opeenvolgende rondes van de monitor kunnen worden opgezet en hoe deze kan aansluiten op bestaande monitors, zoals de Voedselconsumptiepeiling (VCP) en de Monitor productverbetering. Zo kunnen de monitors elkaar aanvullen en laten zien of het voedselaanbod en het voedingspatroon in de loop van de tijd daadwerkelijk verbeteren.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Schadelijke stoffen bij branden met zonnepanelen | RIVM

Om meer duurzame energie op te wekken, worden in Nederland steeds meer zonnepanelen geplaatst. Ze liggen bijvoorbeeld op bedrijfspanden en agrarische gebouwen. Als zo’n gebouw in brand vliegt, branden de zonnepanelen mee. Het is bekend dat roet en scherpe deeltjes van de zonnecellen (zonnecelscherven) dan in de omgeving terecht kunnen komen. Het RIVM heeft daarom met experimenten onderzocht wat het effect van een brand met zonnepanelen is op de gezondheid van mens en dier . Wanneer een zonnepaneel verbrandt, komen ongeveer dezelfde gevaarlijke stoffen vrij als bij een gemiddelde brand met elektronica en kunststoffen. Bij een gebouwbrand zijn de zonnepanelen op een dak maar een klein onderdeel van de totale brand. Daarom zal de rook van een brandend gebouw met zonnepanelen in de praktijk niet gevaarlijker zijn dan die bij een gewone brand. De kleine hoeveelheden metalen die in de zonnepanelen zijn verwerkt, komen voor een deel terecht in de rook en in het roet dat op de bodem in de omgeving neerslaat. Dat kunnen verschillende metalen zijn, waarvan lood het meest schadelijk is voor de gezondheid. Daarnaast zijn polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) gevonden. PAK komen vrij als kunststoffen verbranden, en kunnen schadelijk zijn voor de gezondheid. Al deze stoffen zijn ook in kleine hoeveelheden op de scherven van zonnecellen gevonden. Als mensen of dieren in contact komen met rookstof of de zonnecelscherven zelf, kunnen zij deze stoffen binnenkrijgen. Aangezien dit bijna nooit voorkomt en het om kleine hoeveelheden gaat, is de kans op gezondheidsschade heel erg klein. Zonnecelscherven zijn erg dun en licht. Daardoor breken ze makkelijk en kunnen ze door een rookwolk over grote afstanden worden meegenomen. Dit gebeurt alleen als er een grote rookpluim is. In de praktijk speelt dit alleen bij branden in grote gebouwen. Ook de weersomstandigheden, zoals de windsterkte en -richting zijn van invloed op hoe scherven zich verspreiden. Wanneer de scherven in een weiland terechtkomen, kunnen grazende dieren ze inslikken. Dat kan schadelijk zijn voor hun maag- en darmstelsel. Afhankelijk van de locatie (weiland of speeltuin) en de hoeveelheid scherven, kan het nodig zijn ze uit voorzorg op te ruimen. Het RIVM adviseert vanwege dit voorzorgsprincipe om hier landelijk beleid voor te maken.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie in 2020 | RIVM

In Nederland mogen bepaalde agrarische bedrijven meer dierlijke mest op hun land gebruiken dan de Europese Nitraatrichtlijn voorschrijft. Zij moeten hiervoor wel aan bepaalde voorwaarden voldoen. Deze verruiming heet derogatie. Het RIVM en Wageningen Economic Research meten elk jaar de gevolgen van de derogatie voor de waterkwaliteit op driehonderd bedrijven die van derogatie gebruik maken. Uit de analyse blijkt dat de derogatie geen negatieve effecten heeft op de waterkwaliteit vanaf 2006, het jaar waarin de derogatie inging. Wel stegen de nitraatconcentraties de afgelopen jaren. Dat komt waarschijnlijk door de droogte in 2018 in heel Nederland en regionaal in 2019 en 2020, en het effect hiervan in de jaren erna. Vooral in de Zandregio steeg de nitraatconcentratie. Droogte kan er op verschillende manieren voor zorgen dat de nitraatconcentratie in het grondwater stijgt, onder andere doordat er dan minder stikstof wordt afgebroken. Bedrijfsvoering In 2020 hebben derogatiebedrijven gemiddeld 236 kilogram stikstof uit dierlijke mest per hectare gebruikt. Een derogatiebedrijf mag 230 of 250 kilogram stikstof per hectare uit mest van graasdieren gebruiken, afhankelijk van de bodemsoort en regio. Door verbeteringen in de bedrijfsvoering en door aanpassingen in wetgeving wordt dierlijke mest efficiënter gebruikt om gewassen te laten groeien. Het ‘stikstofbodemoverschot’ is daardoor van 2006 tot en met 2017 gedaald. Dit betekent dat er minder stikstof in de bodem overblijft dat als nitraat met regenwater wegzakt naar diepere lagen in de bodem, en uiteindelijk het grondwater bereikt. Het stikstofbodemoverschot steeg in 2018 sterk door de droogte. In 2020 was het stikstofbodemoverschot hoger dan in 2019, maar lager dan het gemiddelde van alle onderzochte jaren. Grondwaterkwaliteit In het zuiden en oosten van de Zandregio was de gemiddelde nitraatconcentratie in de bovenste meter van het grondwater in 2021 67 milligram per liter. Dat is boven de norm van 50 milligram per liter. Sinds 2017 steeg de nitraatconcentratie fors in dit deel van de Zandregio en is deze verdubbeld. Hierdoor is het moeilijker om gemiddeld onder de norm te komen. In het noorden van de Zandregio bleef de concentratie onder de norm, maar steeg deze naar 37 milligram per liter in 2021. In de Lössregio daalde de concentratie licht naar 57 milligram per liter in 2020, maar deze is nog wel hoger dan de norm. In de Kleiregio blijven de concentraties steeds onder de norm. Over de hele onderzochte periode stijgen de nitraatconcentraties in de Kleiregio, maar in 2021 was deze lager dan in 2020. In de Veenregio worden de laagste concentraties gemeten, 14 milligram per liter in 2021. De monitoring wordt uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV).
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Signaleringsoverleg Voedselveiligheid Jaarrapportage 2021 | RIVM

Mensen kunnen ziek worden van bacteriën, virussen, of chemische stoffen in voedsel. Om nieuwe risico’s van bacteriën, virussen en chemische stoffen zo vroeg mogelijk in beeld te brengen, is in 2020 het Signaleringsoverleg Voedselveiligheid gestart. Dit overleg is opgezet om nieuwe risico’s voor de voedselveiligheid zo vroeg mogelijk in beeld te brengen. Met deze informatie kunnen sneller maatregelen worden genomen om de gezondheid van mensen te beschermen. Het Signaleringsoverleg heeft twee onderdelen: een overleg over microbiologische risico’s (het SO-VM) en een overleg over chemische risico’s (het SO-VC). In beide onderdelen zitten experts op het gebied van voedselveiligheid van verschillende instituten en het bedrijfsleven. Deze experts verzamelen signalen die zij met elkaar bespreken en betekenis geven. In 2021 zijn beide onderdelen elk vier keer bij elkaar gekomen. In totaal zijn 73 signalen ingebracht en uitgewerkt. Als er naar aanleiding van een signaal meer onderzoek of maatregelen nodig zijn, meldt het Signaleringsoverleg het signaal aan het Coördinerend Overleg. Hierin zijn de ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) vertegenwoordigd. In 2021 heeft het SO-VM één signaal gemeld, en het SO-VC heeft 8 signalen gemeld aan het Coördinerend Overleg.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Een veilige en duurzame matras begint bij het ontwerp | RIVM

De Nederlandse overheid streeft naar een volledig circulaire economie in 2050. Daarin worden grondstoffen steeds opnieuw gebruikt, zodat er zo min mogelijk afval ontstaat. Matrassen vormen een groot deel van het huishoudelijk afval, daarom is het goed om ze te recyclen. Het RIVM heeft in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) uitgezocht of de recycling van gebruikte matrassen risico’s met zich meebrengt. Daarvoor is het belangrijk om te weten welke stoffen aanwezig zijn in de oude matrassen die nu bij recycling terechtkomen. En nieuwe matrassen moeten goed en veilig gerecycled kunnen worden. Daarom is het belangrijk dat ontwerpers en fabrikanten van matrassen hier in een vroeg stadium bij stilstaan. Zo kunnen we er met elkaar voor zorgen dat er bij het maken, gebruiken en recyclen geen stoffen vrijkomen die slecht zijn voor de gezondheid of het milieu. Het meenemen van veiligheid en duurzaamheid van chemische stoffen als harde eis in het ontwerpproces wordt ook wel ‘Safe&Sustainable-by-Design’ genoemd. Het RIVM heeft een brochure gemaakt voor ontwerpers en mstrasfabrikanten, waarin dit begrip wordt toegelicht. Ook biedt het RIVM informatie en tips voor het ontwerpen van een veilige én duurzame matrassen. Wilt u meer weten over onze publicatie? Mail dan naar info@rivm.nl
Jaar: 2022 Onderzoek

Kans op resistentie tegen desinfectiemiddelen: een update | RIVM

Desinfectiemiddelen bevatten stoffen die bacteriën of virussen bestrijden. Tijdens de coronapandemie hebben mensen veel vaker desinfectiemiddelen gebruikt dan voor die tijd. Micro-organismen kunnen hierdoor resistent worden tegen de stof. Het product werkt dan minder goed. Dit kan grote gevolgen hebben in situaties waarin ze echt nodig zijn, zoals een nieuwe gezondheidscrisis. Het is nog niet onderzocht of bacteriën resistent zijn geworden door het veelvuldige gebruik van desinfectiemiddelen tijdens de coronapandemie. Hierdoor zijn er geen nieuwe inzichten over de mate waarin resistentie voorkomt. Maar de coronapandemie is nog niet voorbij. Dat maakt het bestaande advies alleen maar belangrijker: om deze middelen op de juiste manier te gebruiken en alleen als het echt nodig is. Dit blijkt uit een korte kennisupdate van het RIVM voor het ministerie van VWS. Omdat er geen nieuwe inzichten zijn, blijft het advies uit 2016 over het gebruik hetzelfde: consumenten kunnen desinfectiemiddelen het beste zo min mogelijk gebruiken. Regelmatig handen wassen met water en zeep is voldoende. Voor professionals is het belangrijk dat zij worden opgeleid om te kunnen bepalen wanneer ze welk product kunnen gebruiken en hoe vaak. Het RIVM beveelt aan om te onderzoeken hoe consumenten en professionals het beste kunnen worden geïnformeerd over het juiste gebruik van desinfectiemiddelen. Gebruiksaanwijzingen worden bijvoorbeeld te weinig of niet goed gelezen. Daarnaast vindt het RIVM het wenselijk om in kaart te brengen hoe veel vaker mensen in Nederland desinfectiemiddelen zijn gaan gebruiken en of dat de komende jaren verandert. Ten slotte raadt het RIVM het ministerie van VWS aan om op risicovolle plekken te onderzoeken of bacteriën door desinfectiemiddelen al resistent zijn geworden. Denk aan de zorg of in de voedselverwerkende industrie.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Advies algemene ontheffing verrijking van levensmiddelen met zink | RIVM

Het is in Nederland niet toegestaan om zink aan levensmiddelen toe te voegen. Dat is verboden omdat de hoeveelheid zink die mensen nodig hebben dicht bij de hoeveelheid ligt die als veilig maximum wordt gezien. De Europese Food and Safety Authority (EFSA) heeft bepaald hoeveel zink mensen maximaal via voeding mogen binnenkrijgen. Onder deze hoeveelheid zijn er zeker geen schadelijke effecten voor de gezondheid. Daarboven zou dat misschien kunnen. Dat hangt onder andere af van de hoeveelheid die mensen binnenkrijgen en of dat korte of langere tijd duurt. Het RIVM heeft in 2018 onderzocht of een algemene ontheffing op het verbod mogelijk was. Anders gezegd: of het mogelijk is om toe te staan dat producenten zink mogen toevoegen aan voedingsmiddelen die door de hele Nederlandse bevolking kunnen worden gegeten. Dit blijkt niet het geval te zijn. Een deel van de Nederlandse bevolking, zowel kinderen als volwassenen, krijgen meer zink binnen via voeding en eventuele supplementen dan het maximum dat EFSA hieraan stelt. Dit komt het vaakst voor bij kinderen. Het is daarom gerechtvaardigd om het verbod te laten bestaan. Het onderzoek is in opdracht van het ministerie van VWS uitgevoerd. Het ministerie neemt het besluit of zij verrijking van voedingsmiddelen met zink in het algemeen zal toestaan, of eventueel onder bepaalde voorwaarden. Zink zit van nature in heel veel voedingsmiddelen. Doordat zink en koper op een zelfde manier worden opgenomen in het lichaam, zijn ze elkaars ‘concurrent’. Daarom kan door een te veel aan zink in het lichaam een tekort aan koper ontstaan. Dit zou de werking van bijvoorbeeld het immuunsysteem kunnen verminderen. Bijschrift In 2018 is het advies van het RIVM over de algemene ontheffing van het verbod op verrijking van voedingsmiddelen met zink gedeeld met het ministerie van VWS. Tegelijkertijd is er een specifiek advies gegeven over een ontheffingsverzoek dat een fabrikant had aangevraagd. Dit specifieke advies bevat bedrijfsgevoelige informatie. Er is toen voor gekozen om zowel het algemene advies als het specifieke advies over het ontheffingsverzoek van een fabrikant niet op de website te plaatsen. Achteraf gezien was dat niet nodig geweest voor het advies over de mogelijkheden voor een algemene ontheffing. Daarom wordt deze publicatie alsnog openbaar gemaakt.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Ondersteuning bij thuisisolatie en quarantaine: onderzoek tijdens de pilot Grootschalig testen in de gemeenten Bunschoten en Dronten begin 2021 | RIVM

De rijksoverheid heeft verschillende maatregelen genomen om de verspreiding van het coronavirus SARS-CoV-2 tegen te gaan. Het was onder andere belangrijk dat mensen thuisbleven als zij corona-achtige klachten hadden. Als mensen in contact waren geweest met een besmet persoon, werd hen geadviseerd in quarantaine te gaan. En als zij zelf corona hadden, moesten ze thuis in isolatie. Uit eerder landelijk onderzoek van de Corona Gedragsunit van het RIVM bleek dat een op de drie deelnemers niet altijd thuisbleven als zij in isolatie hoorden te zijn. Het RIVM onderzocht daarom in het voorjaar 2021 in de gemeente Dronten en gemeente Bunschoten wat mensen zou helpen om zich beter aan de maatregelen te houden. Deelnemers zijn hiervoor in contact gebracht met een lokale hulporganisatie die hen bij de isolatie ondersteunde. Onderzocht is of het uitmaakt hoe zij met deze ondersteuning in contact zijn gekomen (actief of passief) en welke ondersteuning hen is aangeboden. Ongeveer de helft van de deelnemers maakte graag gebruik van isolatie-ondersteuning. Deelnemers kwamen vaker in contact met de hulporganisaties als deze organisaties hen – met hun toestemming – daarover belden (actief). Als mensen alleen op het bestaan van de ondersteuning werden gewezen (passief), maakten ze nauwelijks gebruik daarvan. De organisaties boden de hulp in twee vormen aan: een telefonisch ondersteuningsgesprek met een thuisblijfplanner, en een thuisblijftas. In deze tas zat bijvoorbeeld praktische informatie over online-activiteiten, een bon voor een gratis thuisbezorgd ontbijt en een folder met tips. Drie op de vier mensen in isolatie wilden graag deze thuisblijftas ontvangen. Een op de vier deelnemers gaf aan een ondersteuningsgesprek te willen met een hulporganisatie. Tijdens dit gesprek werd besproken welke situaties het lastig maakten om thuis te blijven en welke oplossingen daarvoor mogelijk waren. Bijvoorbeeld hoe mensen kunnen organiseren dat er boodschappen thuis worden bezorgd en de hond wordt uitgelaten. Uiteindelijk deden aan dit onderzoek te weinig mensen mee om te kunnen bewijzen dat zij zich door de ondersteuning beter aan de maatregel hielden. De Corona Gedragsunit van het RIVM voerde dit onderzoek samen met de Universiteit van Amsterdam en betrokken gemeenten en ggd’en uit.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Verkenning van opties voor gezondheidsonderzoek rond windturbines | RIVM

Voor vragen en antwoorden ga naar: Vragen over verkenning vervolgonderzoek Mensen die in de buurt van windturbines wonen, maken zich zorgen over hun gezondheid. Bijvoorbeeld over effecten van het geluid van de wieken of van de slagschaduw. Het RIVM heeft de mogelijkheden verkend voor onderzoek naar gezondheidseffecten van windturbines in Nederland. Hiervoor is de inbreng gebruikt van organisaties die bij dit onderwerp betrokken zijn, zoals organisaties van omwonenden, de GGD en provincies. Het onderzoek is in opdracht van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat gedaan. Het ministerie zal op basis hiervan kiezen welk onderzoek wordt uitgezet. Het blijkt mogelijk en nuttig om gezondheidsonderzoek te doen. Keuzes voor de opzet ervan zijn afhankelijk van de vraag, en hoe snel een antwoord nodig is . Ook is op een rij gezet welk onderzoek nodig is voor de kennis die nog ontbreekt. Het RIVM heeft eerst de belangrijkste vragen in kaart gebracht: kunnen windturbines bij omwonenden gezondheidseffecten veroorzaken, en zo ja welke, hoe ontstaan deze, en hoeveel mensen hebben er last van. Per vraag is aangegeven met welke soorten onderzoek hij kan worden beantwoord en wat de voor- en nadelen daarvan zijn. Een van de onderzoeksmogelijkheden is om de gezondheid van een grote groep mensen meerdere jaren te volgen. Ook kan juist in de tijd worden teruggekeken of bepaalde gezondheidsklachten vaker voorkwamen in de omgeving van windturbines. Daarnaast is het mogelijk om een vast panel van mensen die dicht bij windturbines wonen, regelmatig te laten doorgeven of ze gezondheidsklachten hebben. Tot slot kan worden onderzocht of er samenhang is tussen een blootstelling en een gezondheidsprobleem op dat moment. Eerder onderzoek maakte al duidelijk dat bepaalde kennis nog ontbreekt over gezondheidseffecten. Hinder is een bewezen effect, maar voor andere effecten, zoals slaapverstoring, is niet genoeg wetenschappelijk bewijs. Ook is niet duidelijk hoe het specifieke geluid van windmolens bij omwonenden in kaart kan worden gebracht. Ten slotte is niet bekend bij welke geluidniveaus en op welke afstanden in Nederland gezondheidseffecten kunnen ontstaan.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

De gezondheidsgevolgen van uitgestelde operaties tijdens de corona-pandemie. Schattingen voor 2020 en 2021 | RIVM

Door de corona-epidemie is de zorg onder grote druk komen te staan. Vooral in het begin van de crisis gaven ziekenhuizen voorrang aan de behandeling van coronapatiënten. Hierdoor was er niet genoeg plek en personeel voor de zorg die niet direct met corona te maken had. De zorg voor niet levensbedreigende aandoeningen, zoals bepaalde operaties, werd vaak uitgesteld. Mensen die niet konden worden geopereerd, hebben tijdens de corona-epidemie langer in een minder goede gezondheid geleefd. Het RIVM heeft berekend welk effect het uitstel van operaties heeft gehad op de gezondheid van mensen die in 2020 en 2021 hiermee te maken kregen. Eind 2021 bleken er ongeveer 305 duizend operaties minder te zijn gedaan dan zonder corona was verwacht voor de jaren 2020 en 2021. In totaal zijn er meer operaties uitgesteld of afgezegd, maar een deel was voor 31 december 2021 al ingehaald. Door de uitgestelde operaties zijn in totaal in 2020 en 2021 ongeveer 320.000 levensjaren in goede gezondheid verloren gegaan. Dit is een gezondheidsverlies van 18 procent ten opzichte van de gezondheid die de operaties hadden opgeleverd als ze waren doorgegaan. Het gaat in dit onderzoek om planbare operaties die langer dan een maand kunnen wachten. Normaal gesproken worden in Nederland ruim 900.000 van dit soort operaties per jaar uitgevoerd. Het grootste deel van het nu berekende gezondheidsverlies komt door uitgestelde operaties bij oogheelkunde en orthopedie, zoals staar-, heup- en knieoperaties, en bij heelkunde, zoals maagverkleiningen. Operaties die binnen een maand moeten worden uitgevoerd, zoals operaties bij kankerpatiënten en na verkeersongevallen, zijn meestal wel doorgegaan en daarom niet meegerekend. Het verlies in gezonde levensjaren is een minimum schatting. De volledige verliezen aan gezondheid zijn waarschijnlijk groter omdat niet alle vormen van zorg zijn meegeteld. Denk aan de gevolgen van uitgestelde diagnoses en zorg op poliklinieken. Door het tekort aan personeel in de zorg is het niet zeker of het lukt om operaties de komende jaren in te halen. Het RIVM heeft ook berekend hoeveel gezondheid niet blijvend verloren zal gaan wanneer de komende 5 jaar 2 tot 5 procent extra operaties kunnen worden uitgevoerd. Het genoemde gezondheidsverlies zal dan iets kleiner zijn. Deze resultaten onderstrepen het belang om in crisis de gewone zorg zo goed mogelijk doorgang te laten vinden. Dit zou bijvoorbeeld kunnen door af te spreken onder welke voorwaarden privéklinieken of buitenlandse ziekenhuizen de zorg kunnen overnemen. Een andere mogelijkheid is de operatiecapaciteit zo goed mogelijk te gebruiken voor operaties die veel gezondheid opleveren.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Voortgangsrapportage Nationaal Preventieakkoord 2021 | RIVM

Het Nationaal Preventieakkoord is in 2018 afgesloten om ervoor te zorgen dat er in 2040 minder mensen roken, overgewicht hebben of te veel alcohol drinken (de ambities). Hiervoor heeft de rijksoverheid met meer dan 70 partijen doelen gesteld en afspraken gemaakt om die doelen te halen. Het RIVM evalueert elk jaar de voortgang van deze afspraken en of de doelen zijn behaald. Deze evaluatie gaat over de ontwikkelingen tot en met 2021. In 2021 is vooruitgang geboekt, maar nog niet alle doelen zijn behaald. Volgens de partijen was een van de redenen dat, net als in 2020, de corona-epidemie het lastiger maakte om activiteiten voor een gezonde leefstijl uit te voeren. Tegelijkertijd blijft duidelijk dat extra maatregelen nodig zijn om alle ambities in 2040 te kunnen behalen. In deze voortgangsrapportage is, anders dan in voorgaande rapportages, alleen gekeken naar afspraken die concrete resultaten opleveren. Tot en met 2021 zijn 41 doelen gesteld. Daarvan zijn er 22 behaald, twee net niet en 13 zijn er niet behaald. Zo zijn alle schoolterreinen en kinderdagopvanglocaties zo goed als rookvrij, maar krijgt minder dan de helft van alle zwangere vrouwen die roken een advies van de verloskundig zorgverlener om te stoppen. Een ander behaald doel is dat meer dan de helft van de gemeenten een gezonde leefstijl bij jongeren stimuleert (JOGG-gemeente). Maar nog minder dan de helft van alle kinderopvanglocaties hebben een medewerker die is getraind op de Gezonde Kinderopvang. Ook hebben nog niet alle steden met universiteiten plannen ontwikkeld voor ‘alcoholpreventie en studie’. Van vier doelen is er te weinig informatie om te bepalen of ze zijn behaald. Het is nog niet duidelijk of de ambities van het Nationaal Preventieakkoord van 2040 verder in de knel komen doordat sommige doelen in 2021 niet zijn behaald. Dit rekent het RIVM in 2023 door.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Monitor Mentale gezondheid en Middelengebruik Studenten hoger onderwijs. Deelrapport I. Mentale gezondheid | RIVM

In de rapportages Monitor Mentale gezondheid en Middelengebruik Studenten hoger onderwijs zijn onvolkomenheden geconstateerd. Het gaat grotendeels om wegingsfouten met kleine cijfermatige aanpassingen op verschillende plaatsen in het rapport. Daarnaast is in het deel mentale gezondheid een grote afwijking geconstateerd op de ervaren prestatiedruk van studenten. Op de conclusies en de boodschap hebben de aanpassingen geen invloed. Om deze reden brengen we de publicaties hierbij opnieuw uit. Een uitgebreidere toelichting is te lezen in het voorwoord. Zie ook: ====================================================================================== Voor het eerst is landelijk onderzocht hoe het staat met de mentale gezondheid van studenten in het hoger beroepsonderwijs en op de universiteit. Ruim 28.000 studenten vulden hiervoor in het voorjaar van 2021 een online vragenlijst in. Ook is in kaart gebracht welke factoren met de mentale gezondheid van studenten samenhangen. De helft van de studenten (51 procent) ervaart psychische klachten (zoals angst en somberheid), van wie 12 procent in ernstige mate. Hun mentaal welbevinden (dat is: veerkracht, positieve mentale gezondheid en levenstevredenheid) is niet in balans. Er blijkt een samenhang te zijn tussen het mentaal welbevinden en psychische klachten: bij studenten met een sterke positieve mentale gezondheid of veerkracht komen minder vaak psychische klachten voor. Verder blijkt dat studenten veel stress, prestatiedruk en slaapproblemen ervaren en dat er een sterke samenhang is tussen deze factoren en een mindere mentale gezondheid. Datzelfde geldt voor eenzaamheid en een gebrek aan sociale steun, zoals van familie en vrienden. Studievoortgang en omvang van de studieschuld lijken er minder sterk mee samen te hangen. Het is belangrijk om het mentaal welbevinden te vergroten en studenten optimaal te laten functioneren. Dit vraagt om meer aandacht voor het welzijn en de persoonlijke ontwikkeling van studenten. Zowel vanuit landelijk beleid als het onderwijs zelf. Vóór de coronacrisis bestond al bezorgdheid over de mentale gezondheid van studenten. In de onderzochte periode, voorjaar 2021, golden maatregelen om de verspreiding van het coronavirus SARS-CoV-2 tegen te gaan, zoals de sluiting van de horeca en de avondklok. De resultaten van het onderzoek zijn hierdoor beïnvloed, en vergroten de al bestaande zorg over de mentale gezondheid van studenten. Het is de eerste keer dat de mentale gezondheid van studenten voor heel Nederland in kaart is gebracht. Het onderzoek zal de komende jaren worden herhaald om te kijken hoe dit zich ontwikkelt. En ook om na te gaan in hoeverre een invloed van corona blijft voortduren. Het RIVM, het Trimbos-instituut en GGD GHOR Nederland hebben deze studentenmonitor opgezet en uitgevoerd. Dit is gedaan op verzoek van de ministeries van OCW en VWS.
Jaar: 2022 Onderzoek

Monitor Mentale gezondheid en Middelengebruik Studenten hoger onderwijs. Deelrapport II. Middelengebruik | RIVM

In de rapportages Monitor Mentale gezondheid en Middelengebruik Studenten hoger onderwijs zijn onvolkomenheden geconstateerd. Het gaat grotendeels om wegingsfouten met kleine cijfermatige aanpassingen op verschillende plaatsen in het rapport. Daarnaast is in het deel mentale gezondheid een grote afwijking geconstateerd op de ervaren prestatiedruk van studenten. Op de conclusies en de boodschap hebben de aanpassingen geen invloed. Om deze reden brengen we de publicaties hierbij opnieuw uit. Een uitgebreidere toelichting is te lezen in het voorwoord. Zie ook: Monitor Mentale gezondheid en Middelengebruik Studenten hoger onderwijs 2023 (november 2023) ========================================================================================= Voor het eerst is landelijk onderzocht hoe het gaat met het middelengebruik van studenten in het hoger beroepsonderwijs en op de universiteit. Ruim 28.000 studenten vulden hiervoor in het voorjaar van 2021 een vragenlijst in over het gebruik van alcohol, drugs, tabak en over gamen. Ook is in kaart gebracht welke factoren met het middelengebruik samenhangen. Studenten die veel middelen gebruiken zijn vaker mannelijke studenten en zelfstandig wonende studenten. Vergeleken met leeftijdsgenoten die niet studeren of de bevolking in zijn geheel, drinken studenten meer alcohol en gebruiken meer drugs, vooral cannabis en xtc. Dit ondanks de maatregelen om de verspreiding van het coronavirus SARS-CoV-2 te beperken, zoals de sluiting van de horeca en de avondklok. Wel zegt een groot deel van de studenten dat ze minder alcohol en xtc gebruiken dan voor de coronacrisis. Dat geldt niet voor cannabisgebruik: ruim een kwart van de gebruikers gebruikt dat vaker. Er is geen duidelijke samenhang gevonden tussen het gebruik van alcohol en xtc en mentale problemen, zoals stress en eenzaamheid. Een verband met mentale gezondheid, zoals psychische internaliserende klachten en emotionele uitputtingsklachten, is wel te zien bij studenten die veel cannabis gebruiken of veel gamen. Verder valt op dat studenten die vaak middelen gebruiken, ook vaker een hoge studieschuld hebben. Meer onderzoek is nodig om te ontdekken wat de precieze redenen zijn voor de relatie tussen middelengebruik en studieschuld. In dit onderzoek is voor het eerst in kaart gebracht hoe vaak studenten concentratieverhogende middelen gebruiken, zoals Ritalin, zonder doktersvoorschrift. Een op de vijfentwintig studenten heeft dat in de 12 maanden voorafgaand aan het invullen van de vragenlijst één keer of vaker gedaan. Dat zijn vooral studenten die veel stress en prestatiedruk ervaren en studenten met concentratie-, lees- of rekenproblemen. De cijfers laten zien dat er meer aandacht nodig is om problemen door middelengebruik bij studenten te voorkomen. Zowel vanuit landelijk en lokaal beleid als het onderwijs zelf. Het is de eerste keer dat het middelengebruik van studenten voor heel Nederland in kaart is gebracht. Het onderzoek zal de komende jaren worden herhaald om te kijken hoe dit zich ontwikkelt. En ook om na te gaan in hoeverre de invloed van corona blijft voortduren. Het Trimbos-instituut, het RIVM en GGD GHOR Nederland hebben deze studentenmonitor opgezet en uitgevoerd. Dit is gedaan op verzoek van de ministeries van OCW en VWS.
Jaar: 2022 Onderzoek

Ruimtelijke MKBA Alblasserwaard-Vijfheerenlanden. Waar is toepassing van drukdrainage maatschappelijk gezien rendabel? | RIVM

In het Klimaatakkoord zijn afspraken gemaakt om in 2030 de uitstoot van CO2 in de veenweidegebieden van Nederland te verlagen. In deze gebieden wordt het veen drooggelegd, zodat het geschikt is voor land-bouw. Door veengebieden droog te leggen, daalt de bodem en komt er CO2 vrij. Dat komt doordat het veen wordt blootgesteld aan zuurstof en langzaam verbrandt (oxidatie). Nieuwe drainagetechnieken kunnen ervoor zorgen dat er minder CO2 vrijkomt. Een voorbeeld is drukdrainage op landbouwpercelen aan te leggen. Met een ondergronds buizenstelsel kan de grondwaterstand van landbouwpercelen beter worden verhoogd en verlaagd. Door in droge perioden de grondwaterstand te verhogen, komt het veen minder in contact met zuurstof, daalt de bodem minder en komt er minder CO2 vrij. De Alblasserwaard-Vijfheerenlanden is een gebied met bijna 15.000 hec-tare veenweidegebied. In dit gebied zoekt de provincie Zuid-Holland naar een nieuwe balans tussen landbouw, bodemdaling en CO2-uitstoot. Het RIVM heeft uitgerekend of de voordelen van drukdrainage in dit ge-bied opwegen tegen de kosten. Dit blijkt op bijna 4.000 hectare van de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden zo te zijn. De bodemdaling vermindert daar door drukdrainage met 50 tot 75 procent, net als de CO2-uitstoot. Ook maakt de maatregel het ge-bied aantrekkelijker voor weidevogels, zoals grutto's, kieviten en schol-eksters. Drukdrainage heeft meer voordelen, zoals minder kosten voor waterzuivering en waterbeheer. Een nadeel van de hogere grondwater-stand is dat er minder gras kan worden geproduceerd. Het RIVM heeft op basis van de analyse een kaart gemaakt die per land-bouwperceel aangeeft wat de voordelen van drukdrainage zijn. De pro-vincie wil als proef 250–500 hectare drukdrainage in het veenweidege-bied gaan aanleggen. Op basis van deze kaart kunnen percelen worden gekozen waar dat het beste kan. De grootste onzekerheden in de berekeningen zijn de prijs die in de toekomst voor CO2 wordt berekend en de kosten om de drainage aan te leggen en te beheren.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Vaccinatiegraad en jaarverslag Rijksvaccinatieprogramma Nederland 2021 | RIVM

In Nederland krijgen kinderen vaccinaties tegen twaalf besmettelijke ziekten. Het RIVM beschrijft elk jaar hoeveel kinderen zijn gevaccineerd (vaccinatiegraad). Een hoge vaccinatiegraad is belangrijk omdat een ziekte dan minder vaak voorkomt. Ook beschrijft het RIVM de ontwikkelingen binnen het Rijksvaccinatieprogramma (RVP). Ontwikkelingen 2021 Net als in 2020 kregen in 2021 minder mensen een ziekte waartegen het RVP vaccineert dan voor de corona-epidemie. Dit geldt vooral voor kinkhoest, bof, meningokokkenziekte en mazelen. De kans is groot dat dit vooral komt door de coronamaatregelen, zoals afstand houden. Ondanks de uitbraak van het coronavirus gingen in 2021 de RVP-vaccinaties op de consultatiebureaus en de groepsvaccinaties wel door. Voorbeelden van groepsvaccinaties zijn de 9-jarigen BMR (bof, mazelen, rodehond), HPV en meningokokken ACWY. Vaccinatiegraad De vaccinatiegraad van bijna alle RVP-vaccinaties was in 2022 iets lager dan een jaar eerder. Dat kwam voor een deel doordat sommige vaccinaties vanwege de corona-epidemie later zijn gegeven dan normaal. Zo zijn groepsvaccinaties voor het RVP in het voorjaar van 2020 uitgesteld. Ook moesten afspraken voor een vaccinatie soms worden verzet, bijvoorbeeld omdat iemand in isolatie moest. Als ook de vaccinaties worden meegeteld die wat later zijn gegeven, is de vaccinatiegraad hoger. Wel is deze voor de meeste vaccinaties dan nog steeds iets lager dan in 2021. In Nederland lijken de gevolgen van de corona-epidemie op de deelname aan RVP-vaccinaties mee te vallen. De medewerkers in de Jeugdgezondheidszorg (JGZ) hebben veel moeite gedaan om zoveel mogelijk gezinnen te bereiken en kinderen te vaccineren. Het RIVM maakt zich wel zorgen voor het geval de lichte daling doorzet. Toestemming persoonsgegevens Vanwege de Wet op de privacy is de registratie van de vaccinaties veranderd. Sinds 1 januari 2022 moet digitaal worden aangegeven of ouders (en/of het kind) toestemming geven aan de JGZ om vaccinatiegegevens met persoonsgegevens door te geven aan het RIVM. Het RIVM heeft de persoonsgegevens nodig om de vaccinaties mee te kunnen tellen voor de vaccinatiegraad. Wanneer een deel van deze gegevens ontbreekt, kan niet worden bepaald of de vaccinatiegraad verandert. Het grote aandeel anonieme vaccinaties (ongeveer 12 procent) is daarom een punt van zorg.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

NethMap 2022. Consumption of antimicrobial agents and antimicrobial resistance among medically important bacteria in the Netherlands in 2021 / MARAN 2022. Monitoring of Antimicrobial Resistance and Antibiotic Usage in Animals in the Netherlands in 2021 | RIVM

Ook in 2021 heeft de uitbraak van het coronavirus de gezondheidszorg in Nederland nog erg belast. Er hebben meer mensen op de IC gelegen en minder mensen konden terecht in de reguliere zorg. Toch is het aantal bacteriën dat resistent is tegen antibiotica afgelopen twee jaar gelijk gebleven. Bij sommige bacteriesoorten is de resistentie zelfs afgenomen ten opzichte van de jaren ervoor. Ook is het aantal bacteriën dat resistent is tegen verschillende antibiotica tegelijk, waardoor ze moeilijker te behandelen zijn, gelijk gebleven. Wel is de laatste jaren de resistentie toegenomen bij sommige soorten bacteriën die veelal milde infecties van onder andere de huid veroorzaken. Sinds het begin van de coronapandemie in 2020 hebben ziekenhuizen en verpleeghuizen minder uitbraken door resistente bacteriën gemeld. Het is niet duidelijk wat de effecten van de coronapandemie op de antibioticaresistentie op de langere termijn zijn. Tijdens de coronapandemie hebben huisartsen en ziekenhuizen in totaal minder antibiotica voorgeschreven. Wel is er gemiddeld per patiënt meer antibiotica gegeven. Dit komt doordat veel patiënten met COVID-19 langer en intensiever moesten worden behandeld in het ziekenhuis. Wereldwijd komt het steeds vaker voor dat infecties worden veroorzaakt door bacteriën die resistent zijn tegen antibiotica. In Nederland is dit probleem minder groot dan in veel andere landen omdat antibiotica alleen wordt voorgeschreven als het echt nodig is. Toch is het belangrijk dat Nederland waakzaam blijft. Dat gebeurt onder andere door antibioticaresistentie en antibioticagebruik in de gaten te houden. Dan kunnen op tijd maatregelen worden genomen om te voorkomen dat het resistentieprobleem groter wordt. De maatregelen die nu al in Nederland zijn genomen om antibioticaresistentie te bestrijden, reiken verder dan de gezondheidszorg. Resistente bacteriën komen namelijk ook voor bij dieren, in voeding en in het milieu (One Health-aanpak). De laatste tien jaar zijn darmbacteriën in varkens, koeien en kippen die voor de voedselproductie worden gehouden (landbouwhuisdieren) steeds minder resistent geworden. In 2021 zijn minder antibiotica verkocht en gebruikt voor landbouwhuisdieren dan in 2020. Ten opzichte van 2009, het referentiejaar, is de verkoop met ruim 70 procent gedaald. Sinds 2015 worden de antibiotica die cruciaal zijn om infecties bij de mens te behandelen, alleen nog bij hoge uitzondering gebruikt voor landbouwhuisdieren. Dit blijkt uit de jaarlijkse rapportage NethMap/MARAN 2022. Hierin presenteren diverse organisaties samen de gegevens over het antibioticagebruik en -resistentie in Nederland, voor mensen en dieren.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Leefstijl, gezondheid en kwaliteit van leven van ouderen tijdens de corona-epidemie | RIVM

Vanaf maart 2020 heeft de Nederlandse samenleving te maken met de uitbraak van het coronavirus. In opdracht van het ministerie van VWS bracht het RIVM in kaart hoe de leefstijl, sociale en mentale gezondheid en kwaliteit van leven van ouderen zich tijdens de epidemie ontwikkelden. We bekeken ook of groepen ouderen hierin onderling verschillen. Uit het onderzoek blijkt dat de grootste veranderingen onder ouderen te zien zijn bij sporten en bewegen en eenzaamheid. Vooral vrouwen en ouderen met een kwetsbare gezondheid gaven aan minder te bewegen dan voor de epidemie. Verder voelden alleenwonende ouderen zich eenzamer dan ouderen die samenwoonden. Het percentage ouderen met slaapproblemen varieerde enigszins door de seizoenen heen. Sinds de uitbraak gaven meer ouderen met een kwetsbare gezondheid aan slaapproblemen te hebben dan ouderen zonder een kwetsbare gezondheid. Andere factoren bleven tijdens de corona-epidemie hetzelfde. Zo zijn ouderen niet ongezonder gaan eten of meer alcohol gaan drinken dan vóór de epidemie. Slechts minder dan 1% at ongezonder of dronk meer. Ook bleven de psychische gezondheid en de kwaliteit van leven van ouderen stabiel. Het percentage ouderen dat de kwaliteit van hun sociale contacten als slecht ervaarde bleef ook gelijk. Slechts 3% of minder vond de kwaliteit van hun sociale contacten slecht. Voor dit onderzoek verzamelde het RIVM gegevens uit vragenlijsten van de Corona Gedragsunit van het RIVM en de GGD’en. Deze werden afgenomen van april 2020 tot en met januari 2022. Ondanks dat de ouderen in dit onderzoek niet representatief zijn voor de Nederlandse bevolking, kan dit onderzoek wel een indicatie geven van veranderingen in leefstijl en gezondheid van ouderen.
Jaar: 2022 Onderzoek

Advies aan VWS over de inhoud van een voorlichtingscampagne over huidkanker | RIVM

In Nederland krijgen elk jaar 70.000 mensen te horen dat ze huidkanker hebben. Dat is meer dan de helft van alle kankerdiagnoses. Het aantal mensen met huidkanker stijgt al jaren met 5 tot 7 procent per jaar, afhankelijk van het type huidkanker. Zonder maatregelen zal dat aantal zo blijven stijgen. Dat komt onder andere door de vergrijzing. Over andere oorzaken bestaat nog discussie. Bijna alle gevallen van huidkanker worden veroorzaakt doordat mensen tijdens hun leven blootstaan aan UV-straling van de zon. Vooral het verbranden van de huid en een jarenlange blootstelling aan de zon zijn schadelijk. Daarom is gezonder ‘zongedrag’ een belangrijke mogelijkheid om de kans op huidkanker te verkleinen. Het ministerie van VWS heeft het RIVM gevraagd in kaart te brengen wat nodig is voor een effectieve voorlichtingscampagne over huidkanker. Op basis van deze informatie kan VWS daar keuzes voor maken. Kennis over gezond zongedrag is een belangrijk onderdeel van een campagne, maar kennis alleen is niet genoeg. Mensen moeten zich ook bewuster worden van hun gedrag, en dat veranderen. Het helpt daarbij om de voorlichting via verschillende kanalen te verspreiden. Dus niet alleen via massamedia, maar ook op plaatsen waar mensen aan de zon blootstaan, zoals bij zwembaden en op het sportveld. Verder moet de campagne meerdere jaren worden herhaald om ervoor te zorgen dat mensen gezond met de zon blijven omgaan. Ook blijkt dat de adviezen per doelgroep moeten worden gemaakt. Denk aan (ouders van) jonge kinderen, buitensporters en hun publiek, en mensen die buiten werken. Het is vooral belangrijk om te voorkomen dat de huid verbrandt. Zeker bij jonge kinderen vergroot huidverbranding de kans op huidkanker op latere leeftijd. De omgeving moet daarom zó worden ingericht dat gezond zongedrag de voor de hand liggende keuze is. Dat kan bijvoorbeeld door voldoende schaduwplekken te creëren. Het RIVM adviseert ook om vóór campagne te peilen hoe mensen zich in de zon gedragen. Door deze meting later verschillende keren te herhalen, wordt duidelijk of de campagne effect heeft en het gedrag inderdaad verandert.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Op weg naar de VTV-2024. Definitierapport Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2024 | RIVM

Het RIVM verkent elke vier jaar welke ontwikkelingen er te verwachten zijn op het gebied van gezondheid en zorg. Het resultaat hiervan is de Volksgezondheid Toekomst Verkenning (VTV). De VTV is een belangrijke bron voor landelijk en lokaal beleid voor de gezondheid. Politieke partijen kunnen de informatie gebruiken voor hun verkiezingsprogramma’s. De volgende VTV verschijnt in 2024. Dit definitierapport beschrijft de inhoud en aanpak van de VTV-2024. De VTV-2024 schetst een breed beeld van de toekomst van gezondheid en zorg. Het kijkt niet alleen naar ziekte en sterfte, maar ook naar de factoren die invloed hebben op gezondheid, zoals de leefomgeving en armoede. Verder kijkt de VTV niet alleen naar de cijfers, maar ook naar wat ze betekenen. Dit alles gebeurt op basis van de kennis van wetenschappelijke experts, binnen en buiten het RIVM, en professionals uit het veld. Ook wordt aan Nederlanders gevraagd hoe zij aankijken tegen gezondheid en zorg in de toekomst. De VTV-2024 berekent onder meer het aantal jaren dat mensen in 2050 in goede gezondheid zullen leven. Hiervoor bekijkt het RIVM hoe vaak allerlei ziekten en aandoeningen voorkomen, zoals diabetes, hart- en vaatziekten, kanker en psychische aandoeningen. Bij deze berekeningen wordt speciaal gekeken naar twee onzekere factoren die de gezondheid en zorg kunnen beïnvloeden: demografische ontwikkelingen (zoals migratie en ouderen) en de invloed van digitalisering op de zorg en de samenleving. Daarnaast gaat de VTV-2024 dieper in op drie thema’s: Gezonde generaties in 2050 (jongeren en 60-plussers), Zorg en het sociale domein en Naar een gezonde leefomgeving en gezond klimaat. Binnen alle drie de thema’s wordt ook stilgestaan bij de onderwerpen diversiteit en infectieziekten, zoals corona. Op basis van al deze kennis en inzichten benoemt de VTV-2024 voor welke maatschappelijke opgaven Nederland komt te staan. En hoe de maatschappij zich daarop volgens experts en burgers het beste kan voorbereiden: nu en in de toekomst.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Sexually transmitted infections in the Netherlands in 2021 | RIVM

In 2021 hebben meer mensen zich bij een Centrum voor Seksuele Gezondheid (CSG) laten testen op seksueel overdraagbare aandoeningen (soa) dan in 2020. Dit aantal is nog wel lager dan in 2019, het jaar voor de uitbraak van het coronavirus. Het percentage dat een soa had (20 procent) was lager dan in 2020, maar hoger dan in 2019. Mensen die een melding ontvingen voor een soa, hadden het vaakst infecties. Vanwege de coronacrisis evalueert het RIVM de ontwikkelingen van 2019-2021. Bij CSG’s kunnen mensen met een grotere kans op soa, zich gratis laten testen. Sinds augustus 2019 bieden CSG’s ook zorg aan mannen die seks hebben met mannen (MSM) en een geneesmiddel krijgen dat hiv voorkomt (Pre-Expositie Profylaxe, PrEP). Deze groep wordt elke drie maanden getest op soa’s (MSM in de PrEP-pilot). In 2021 zijn in totaal 138.436 consulten geregistreerd bij de CSG’s. Chlamydia In 2021 hadden 20.338 bezoekers aan de CSG’s een chlamydia-infectie. Dat is bijna evenveel als in 2019 (21.123). Van het totaal aantal vrouwen dat zich liet testen bij de CSG’s had 16,2 procent chlamydia. Van de heteroseksuele mannen was dat 21,3 procent. Deze percentages zijn lager dan in 2020, maar wel hoger dan in 2019. Van de MSM die zich lieten testen had 12,2 procent chlamydia. In 2019 was dat nog 10,6 procent. Onder MSM in de PrEP-pilot is het percentage chlamydia-diagnoses gedaald van 11,7 procent in 2019 naar 10 procent in 2021. Gonorroe Het aantal CSG-bezoekers dat in 2021 gonorroe had (7.842) was bijna hetzelfde als in 2019 (8.180). Van het totaal aantal vrouwen dat zich liet testen, had 1,5 procent deze soa. Van de heteroseksuele mannen was dat 1,8 procent. Deze percentages zijn licht gedaald, na een stijging in 2020, en lager dan in 2019. Het percentage gonorroe onder MSM steeg van 11,6 in 2019 naar 12,4 procent in 2021. Onder MSM in de PrEP-pilot daalde het percentage van 10,7 in 2019 naar 9,2 procent in 2021. Er is geen antibioticaresistentie tegen het huidige ‘eerste keus’ antibioticum voor gonorroe (ceftriaxon) gemeld. Syfilis In 2021 was het aantal CSG-bezoekers dat syfilis had (1.378) lager dan in 2019 (1.430). Het percentage MSM met syfilis was 2,6 procent in 2021, ongeveer hetzelfde als 2019 (2,5 procent). Onder MSM in de PrEP-pilot is dit percentage licht afgenomen van 2,2 procent in 2019 naar 1,7 procent in 2021. Het aantal diagnoses onder vrouwen en heteroseksuele mannen bleef in 2021 laag, respectievelijk 21 en 33. Hiv In 2021 kregen 128 CSG-bezoekers te horen dat ze hiv hebben, iets meer dan in 2020 (123). Onder hen waren 93 MSM en 17 deelnemers aan de PrEP-pilot. Er waren 6 vrouwen met hiv en 12 heteroseksuele mannen. In 2021, kwamen 794 mensen met hiv voor het eerst naar een hiv-behandelcentrum (‘in zorg’). Dat was 18 procent minder dan in 2019 (972). PrEP In de nationale PrEP-pilot hebben 9.782 personen (van wie 97 procent MSM is) een eerste PrEP-consult gehad, van wie 3.450 in 2021. Op 31 december 2021 deden ongeveer 7.693 mensen mee aan de PrEP-pilot. Het percentage deelnemers met een soa was in 2021 17,7 procent.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Risicobeoordeling van PFAS in moestuingewassen uit volkstuinencomplex Volkstuin Delta in Helmond | RIVM

Het RIVM heeft berekend hoeveel poly- en perfluoroalkylstoffen (PFAS) mensen binnen kunnen krijgen als zij groenten en fruit eten uit hun moestuin in volkstuinencomplex Volkstuin Delta. Dit volkstuinencomplex ligt 1150 meter ten noordoosten van het bedrijf Custom Powders in Helmond. Dit bedrijf heeft teflon verwerkt waar twee PFAS in zaten (tot 2012 perfluoroctaanzuur (PFOA) en vanaf 2012 tot 2018 GenX). Hierdoor zijn PFAS via de lucht op de bodem en in het oppervlaktewater terechtgekomen en, via de grond en het grondwater, in de gewassen uit de moestuinen. PFAS zijn stoffen die al bij een lage blootstelling schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid. Uit dit onderzoek blijkt dat mensen niet te veel PFAS binnenkrijgen via gewassen uit het complex Volkstuin Delta. Zij kunnen hun zelf geteelde gewassen blijven eten. Wel zijn de concentraties van PFAS in de gewassen uit deze moestuinen hoger dan in gewassen uit twee volkstuinencomplexen die niet dicht bij een PFAS-bron liggen. De moestuinhouders kunnen de hoeveelheid PFAS die zij binnenkrijgen verlagen door het eten van hun eigen gewassen af te wisselen met groenten en fruit uit de winkel. Deze groenten en fruit bevatten minder PFAS. Deze afwisseling is belangrijk, omdat mensen ook via andere voedselproducten en via drinkwater PFAS binnenkrijgen. Nederlanders krijgen hierdoor al meer PFAS binnen dan de zogeheten gezondheidskundige grenswaarde. Bij een hoeveelheid onder deze grenswaarde zijn er geen nadelige effecten op de gezondheid te verwachten. Bij een hoeveelheid erboven kunnen op de lange termijn wel gezondheidseffecten optreden. Het RIVM heeft voor dit onderzoek berekend hoeveel PFAS mensen binnen kunnen krijgen als zij elke dag zelf geteelde moestuingewassen uit het volkstuinencomplex Volkstuin Delta eten. Deze hoeveelheid is vergeleken met de gezondheidskundige grenswaarde van deze stoffen, die de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA) heeft bepaald.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Effects of long-term exposure to ultrafine particles from aviation around Schiphol Airport | RIVM

Vliegtuigen stoten ultrafijn stof uit. Dit zijn zeer kleine deeltjes fijnstof in de lucht (kleiner dan 0,1 micrometer). Mensen die in de buurt van Schiphol wonen staan regelmatig bloot aan hogere concentraties ultrafijn stof van vliegtuigen. Het RIVM heeft onderzocht wat de gezondheidseffecten zijn als mensen langere tijd ultrafijn stof inademen. Langdurige blootstelling aan ultrafijn stof van vliegverkeer heeft mogelijk effect op het hart- en vaatstelsel. In gebieden met hoge concentraties zijn bijvoorbeeld meer mensen medicijnen tegen hartaandoeningen gaan gebruiken dan in gebieden met lage concentraties. Verder heeft blootstelling aan ultrafijn stof bij zwangeren mogelijk een nadelig effect op de ontwikkeling van ongeboren kinderen. We spreken van mogelijk omdat er te veel onzeker is om definitief te kunnen concluderen dat er een oorzakelijk verband is. Er zijn geen aanwijzingen dat langdurige blootstelling aan ultrafijn stof van vliegverkeer de oorzaak is van aandoeningen aan de luchtwegen. Wel kan uit eerder onderzoek dat een korte blootstelling bestaande aandoeningen aan de luchtwegen verergeren. Toen bleek dat op dagen met hoge concentraties kinderen meer klachten hebben aan de luchtwegen, zoals kortademigheid en piepende ademhaling. Het RIVM heeft in dit onderzoek gekeken naar effecten op: hart- en vaatstelsel, geboorte, luchtwegen, zenuwstelsel, diabetes en algemene gezondheid (waaronder sterfte). Er is niet genoeg wetenschappelijk bewijs dat blootstelling aan ultrafijn stof van vliegverkeer effect heeft op het zenuwstelsel of diabetes veroorzaakt. Niet genoeg bewijs betekent dat de resultaten van de deelonderzoeken van deze studie elkaar tegenspreken of niet duidelijk zijn. Ook zijn er weinig andere studies gedaan. Met uitzondering van een mogelijk effect op sterfte aan hartritmestoornis, zijn er geen aanwijzingen dat mensen eerder overlijden als zij jarenlang aan ultrafijn stof van vliegverkeer blootstaan. Het is wereldwijd voor het eerst dat er zo’n uitgebreide studie is gedaan naar mogelijke gezondheidseffecten van ultrafijn stof van vliegtuigen. De resultaten versterken eerdere conclusies van de Gezondheidsraad en vergroten het inzicht in de mogelijke effecten van ultrafijn stof op de gezondheid. Onderzoek bij andere grote (internationale) vliegvelden is nodig om de conclusies verder te verstevigen.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Gezondheidseffecten van ultrafijn stof van vliegverkeer rond Schiphol | RIVM

Vliegtuigen stoten ultrafijn stof uit. Dit zijn zeer kleine deeltjes fijn stof in de lucht (kleiner dan 0,1 micrometer). Mensen die in de buurt van Schiphol wonen staan regelmatig bloot aan hogere concentraties ultrafijn stof van vliegtuigen. Het RIVM heeft onderzocht wat de gezondheidseffecten zijn als mensen korte en langere tijd ultrafijn stof inademen. Langdurige blootstelling aan ultrafijn stof van vliegverkeer heeft mogelijk effect op het hart- en vaatstelsel. In gebieden met hoge concentraties zijn bijvoorbeeld meer mensen medicijnen tegen hartaandoeningen gaan gebruiken dan in gebieden met lage concentraties. Verder heeft blootstelling aan ultrafijn stof bij zwangeren mogelijk een nadelig effect op de ontwikkeling van ongeboren kinderen. We spreken van mogelijk omdat er te veel onzeker is om definitief te kunnen concluderen dat er een oorzakelijk verband is. Er zijn geen aanwijzingen dat langdurige blootstelling aan ultrafijn stof van vliegverkeer de oorzaak is van aandoeningen aan de luchtwegen. Wel kan een korte blootstelling bestaande aandoeningen aan de luchtwegen verergeren. Zo bleek dat op dagen met hoge concentraties kinderen meer klachten hebben aan de luchtwegen, zoals kortademigheid en piepende ademhaling. Het RIVM heeft in dit onderzoek gekeken naar effecten op: hart- en vaatstelsel, geboorte, luchtwegen, zenuwstelsel, diabetes en algemene gezondheid (waaronder sterfte). Er is niet genoeg wetenschappelijk bewijs dat blootstelling aan ultrafijn stof van vliegverkeer effect heeft op het zenuwstelsel of diabetes veroorzaakt. Niet genoeg bewijs betekent dat de resultaten van de deelonderzoeken van deze studie elkaar tegenspreken of niet duidelijk zijn. Ook zijn er weinig andere studies gedaan. Met uitzondering van een mogelijk effect op sterfte aan hartritmestoornis, zijn er geen aanwijzingen dat mensen eerder overlijden als zij jarenlang aan ultrafijn stof van vliegverkeer blootstaan. Het is wereldwijd voor het eerst dat er zo’n uitgebreide studie is gedaan naar mogelijke gezondheidseffecten van ultrafijn stof van vliegtuigen. De resultaten versterken eerdere conclusies van de Gezondheidsraad en vergroten het inzicht in de mogelijke effecten van ultrafijn stof op de gezondheid. Onderzoek bij andere grote (internationale) vliegvelden is nodig om de conclusies verder te verstevigen.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Cumulatie en vergunningverlening ZZS | RIVM

Bedrijven krijgen van de overheid een vergunning voor de hoeveelheid chemische stoffen die ze mogen uitstoten, waaronder Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS). Deze vergunning wordt meestal voor één stof gegeven maar bedrijven stoten vaak mengsels van verschillende stoffen tegelijk uit. Mensen en het milieu kunnen hieraan worden blootgesteld (cumulatie). De kans dat een mengsel schadelijke effecten heeft, kan groter zijn dan de effecten van één stof. Hoe groot die kans is, hangt af van de samenstelling, de concentraties en de schadelijkheid van de stoffen. Het effect van een mengsel wordt nu nauwelijks meegenomen bij de vergunningverlening, zo blijkt uit een verkenning van het RIVM. Daarin is ook geïnventariseerd welke mogelijkheden er zijn om daar wat aan te doen. Dit is gedaan in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW). Het RIVM beschrijft welke methoden overheden kunnen gebruiken om de effecten van stoffenmengsels voor mens en milieu te kunnen inschatten en voor de vergunningverlening te gebruiken. Ook is gekeken hoe landen rondom Nederland, zoals Denemarken, België (Vlaanderen) en Duitsland, het effect van mengsels erin betrekken. Het RIVM beveelt aan te onderzoeken in welke stappen van het vergunningsverleningsproces de cumulatie-effecten het beste kunnen worden meegenomen. Het is hierbij belangrijk rekening te houden met veiligheidsmarges die er al zijn. Ook is het nodig de voorstellen uit te werken met betrokken partijen, zoals omgevingsdiensten. Dan zijn ze beter uit te voeren in de praktijk. Daarnaast geeft het RIVM aanbevelingen voor vervolgonderzoek. Bijvoorbeeld om in kaart te brengen op welke plekken in Nederland ZZS en andere chemische stoffen het meest voorkomen, zodat deze locaties als eerste kunnen worden aangepakt. Ook is aandacht nodig voor de hoeveelheid vergunde stoffen die uit de lucht in de bodem en het water terechtkomt. De neerslag op bodem en water blijft nu grotendeels buiten beeld, en dus ook het cumulatie-effect daarvan. Tot slot benadrukt het RIVM in het algemeen om zo min mogelijk ZZS naar de leefomgeving uit te stoten. Dat verkleint de mogelijke cumulatieve effecten van ZZS voor mens en milieu.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Rapportage pilot surveillance Shigella spp. op basis van whole genome sequencing | RIVM

Shigellose, ook wel bacillaire dysenterie genoemd, wordt veroorzaakt door een infectie van de darmen met de bacterie Shigella. De ziekte begint met koorts, buikkrampen en waterige diarree. Daarna volgt slijmerige diarree, waarin vaak ook bloed zit. Mensen kunnen met de bacterie besmet raken door contact met ontlasting. Dit gebeurt vaak bij reizigers in landen buiten Europa waar de hygiëne minder goed is. Ook door seksuele handelingen kunnen mensen in contact komen met ontlasting en besmet raken. Dit gebeurt vooral bij mannen die seks hebben met mannen (MSM). De laatste twintig jaar is het aantal shigellose-patiënten onder MSM sterk gestegen. Ook blijkt de Shigella bacterie bij veel patiënten resistent tegen verschillende soorten antibiotica. Antibiotica kunnen nodig zijn als de infectie ernstig verloopt, bijvoorbeeld bij mensen die een andere ernstige ziekte hebben. Het is daarom belangrijk te weten welke antibiotica werken. Het RIVM heeft in een pilot met de GGD Amsterdam uitgezocht hoe de bacterie zich verspreidt, en bij hoeveel patiënten de bacterie resistent is tegen verschillende soorten antibiotica. Dit is gedaan van februari 2019 tot en met oktober 2021. Om te begrijpen hoe de bacterie zich verspreidt, is het nodig te weten of twee of meer patiënten met dezelfde Shigella-stam zijn besmet. Als dat zo is, dan heet dat een cluster. Uit de pilot blijkt dat meer dan de helft van de 109 patiënten in de regio Amsterdam tot een cluster behoorde. In totaal waren er 14 clusters, waarvan de grootte verschilde van 2 tot en met 15 patiënten. Tien van de clusters was te vinden onder MSM. Bijna de helft van de Shigella-stammen binnen de clusters bij MSM is ook in het buitenland gevonden. Verder bleek de bacterie bij veel shigellose-patiënten resistent tegen een of meer soorten antibiotica. Dit was vaker het geval bij MSM dan bij niet-MSM. Met informatie over clusters kan de GGD de bron van de besmetting achterhalen, en bepalen of maatregelen nodig zijn. Naar aanleiding van deze pilot wordt de Shigella-bacterie van een deel van de patiënten in heel Nederland voortaan onderzocht bij het RIVM op clustering en resistentie tegen antibiotica.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Magneetvelden bij hoogspanningsstations en opstijgpunten | RIVM

Er zijn aanwijzingen dat kinderen die dicht bij bovengrondse hoogspanningslijnen wonen mogelijk een hogere kans hebben om leukemie te krijgen. Daarom is er in Nederland sinds 2005 uit voorzorg beleid op dit gebied. De overheid wil daarmee zo veel mogelijk voorkomen dat kinderen in nieuwe situaties lange tijd in de magneetveldzone van bovengrondse hoogspanningslijnen verblijven. De minister voor Klimaat en Energie wil met de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening dit beleid nu aanpassen. Het huidige beleid voor hoogspanningslijnen wordt uitgebreid naar andere onderdelen van het elektriciteitsnetwerk: ondergrondse kabels, hoogspanningsstations, zogeheten opstijgpunten en transformatorhuisjes. De ministers overwegen om voor de grootte van de magneetveldzone rond deze onderdelen vaste afstanden te kiezen. Dan hoeft het magneetveld niet steeds voor elk onderdeel apart te worden berekend. Het RIVM heeft daarom de magneetveldcontouren bij zes hoogspanningsstations en zes opstijgpunten laten berekenen en geanalyseerd. Hieruit blijkt dat de omtrek van de magneetveldzone rond een hoogspanningsstation grillig verloopt. Die magneetveldzone kan zich uitstrekken tot 65 meter buiten het hek van het station. Deze afstanden geven slechts een indruk, omdat maar een klein aantal locaties is onderzocht. Het is daarom niet makkelijk om op basis van deze inzichten één vaste afstand te kiezen. Meer berekeningen zouden deze beperking kunnen oplossen. Het kan zijn dat de ministeries met de huidige gegevens voor een vaste afstand willen kiezen. In dat geval stelt het RIVM voor om daar een extra veiligheidsmarge aan toe te voegen. Ze kunnen er ook voor kiezen om de magneetveldcontour bij de stations, net als bij bovengrondse hoogspanningslijnen, te laten uitrekenen en geen vaste afstand te gebruiken.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Gezondheid in de IJmond III: Monitoring incidentie medicijngebruik 2008-2019 | RIVM

Het RIVM heeft onderzoek gedaan naar de invloed van luchtkwaliteit in de IJmond op de gezondheid van bewoners in deze regio. Daartoe is onderzocht hoe vaak bewoners van de regio IJmond tussen 2008 en 2019 voor het eerst medicijnen hebben gekregen voor bepaalde aandoeningen. Het gaat om ziekten die te maken kunnen hebben met fijnstof en stikstofoxiden in de lucht. Dat zijn hart- en vaatziekten, hoge bloeddruk, diabetes, aandoeningen aan de luchtwegen bij kinderen en volwassenen, en de ziekte van Parkinson. Tegelijkertijd is op woonadressen in de IJmond per jaar in kaart gebracht hoe hoog de concentraties fijnstof en stikstofdioxiden van het terrein van Tata Steel zijn. Woongebieden dicht bij het terrein zijn daarna vergeleken met gebieden die verder weg liggen, waar de luchtkwaliteit minder is beïnvloed door Tata Steel. De tien postcodegebieden met de hoogste concentraties fijnstof liggen in Beverwijk en Velsen. Inwoners uit deze gebieden blijken 11 tot 16 procent vaker medicijnen te krijgen voor hart- en vaatziekten, hoge bloeddruk en diabetes. Voor aandoeningen aan de luchtwegen bij volwassenen is dat 5 tot 10 procent vaker. Er zijn voor kinderen niet vaker medicijnen voor luchtwegaandoeningen voorgeschreven. Dat is ook niet het geval voor de ziekte van Parkinson. Door de jaren heen lijken de verhogingen in het eerste medicatiegebruik in postcodegebieden met de hoogste concentraties wat af te nemen. Dit blijkt uit de derde en laatste monitor van het RIVM naar de invloed van de luchtkwaliteit op de gezondheid. Deze gezondheidsmonitor maakt deel uit van een langetermijnonderzoek naar de gezondheid van bewoners van de IJmond. Dit onderzoek is in 2009 begonnen naar aanleiding van zorgen van omwonenden over de risico’s van de uitstoot van luchtverontreiniging vanaf het Tata Steel-terrein.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

EURL-Salmonella Proficiency Test Primary Production Stage, 2021. Detection of Salmonella in chicken faeces adhering to boot socks | RIVM

De Nationale Referentie Laboratoria (NRL’s) van de Europese lidstaten waren in 2021 in staat om Salmonella aan te tonen in kippenmest op overschoentjes. Alle deelnemers konden hoge en lage concentraties van Salmonella aantonen. Op één na hebben alle laboratoria een goede score behaald. Dat ene laboratorium had de controlemonsters verwisseld en haalde daarom een matige score. Dit blijkt uit het jaarlijkse ringonderzoek dat het Europese Referentielaboratorium (EURL) voor Salmonella in september 2021 organiseerde. Sinds 1992 zijn de NRL’s van de Europese lidstaten verplicht om elk jaar mee te doen aan kwaliteitstoetsen. Dit zijn de zogeheten ringonderzoeken voor Salmonella. Elke lidstaat wijst hiervoor een laboratorium aan, het Nationale Referentie Laboratorium. Deze laboratoria zijn er namens dat land voor verantwoordelijk Salmonella aan te tonen in de leefomgeving van dieren die voor de voedselproductie worden gehouden. In totaal hebben 35 NRL’s aan dit ringonderzoek deelgenomen: 27 NRL’s afkomstig uit alle 27 EU-lidstaten, zeven NRL’s uit andere Europese landen en één NRL uit een niet-Europees land. Het EURL-Salmonella is gevestigd bij het Nederlandse Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Een belangrijke taak van het EURLSalmonella is toezien op de kwaliteit van de nationale referentielaboratoria voor deze bacterie in Europa.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

ABR rioolwater surveillance 2020 – 2021. Antibioticaresistente bacteriën bij de bevolking gemeten in rioolwater | RIVM

Het RIVM heeft in 2020 en 2021 in rioolwater twee soorten bacteriën gemeten die resistent zijn tegen antibiotica. Het gaat om CPE (carbapenemase-producerende Enterobacterales) en colistine-resistente E.coli (MCR-EC). De resultaten zijn vergeleken met rioolwatermetingen uit 2016. Op deze manier wordt duidelijk of het aantal mensen in Nederland die deze bacteriën bij zich draagt verandert. Het RIVM meet deze bacteriën omdat ze een bedreiging zijn voor de volksgezondheid. Ze veroorzaken namelijk ziekten die moeilijk te behandelen zijn met antibiotica. De bacteriën zijn vooral gevaarlijk voor mensen met een kwetsbare gezondheid. De meeste gezonde mensen worden niet ziek van de bacterie. Door regelmatig het rioolwater te meten wordt duidelijk of de overheid genoeg doet om de verspreiding onder de bevolking te beperken. Allebei de soorten bacteriën zijn in heel Nederland gevonden. De aantallen CPE in rioolwater zijn ongeveer hetzelfde als in 2016. De aantallen colistine-resistente E. coli-bacteriën konden met dit onderzoek niet precies worden gegeven. Het lijkt er daarmee op dat de coronamaatregelen, zoals handen wassen en minder reizen, de verspreiding van deze bacteriën niet hebben verminderd. Dit vermoeden kan niet hard worden gemaakt omdat er geen metingen zijn gedaan vlak voordat de corona-epidemie begon. Om inzicht te krijgen hoe de aantallen zich verder ontwikkelen is het belangrijk in rioolwater te blijven meten. Metingen in rioolwater vullen de bestaande onderzoeken bij mensen naar de verspreiding van resistente bacteriën, goed aan. Voor dit onderzoek zijn de concentraties in het rioolwater van 76 zuiveringsinstallaties onderzocht. Deze installaties lagen verspreid over heel Nederland, in stedelijke en landelijke gebieden. De onderzochte bacteriën zitten in ontlasting van mensen en dus in het rioolwater. Ze komen ook via reizigers uit bijvoorbeeld Zuid-Europa, Noord-Afrika en Zuidoost-Azië in Nederland terecht.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Onderzoek Beleving Woonomgeving (OBW). Hinder en slaapverstoring, de 2021-cijfers | RIVM

Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (I&W) wil weten hoe bewoners hun woonomgeving beleven. Het laat dat sinds 1977 onderzoeken; sinds 2003 gebeurt dat door het RIVM. Het onderzoek brengt onder meer in kaart hoe bewoners geluid, trillingen, geur en veiligheid in de woonomgeving ervaren. In 2021 lijken de mate van hinder en slaapverstoring terug te keren naar de niveaus van 2019, voor de coronapandemie. Van sommige bronnen daalde na een stijging in 2020 de hinder en slaapverstoring in 2021 weer iets. In 2021 hadden mensen nog steeds vooral ernstige hinder van bronnen vlak bij hun woning, zoals wegverkeer, buren en bouw- en sloopactiviteiten. Van andere bronnen zoals vliegverkeer die ernstige hinder veroorzaken, ondervonden ze in 2021 weer meer last dan in 2020. De belangrijkste geluidbronnen voor hinder en slaapverstoring blijven ‘wegverkeer’ en ‘buren’. In 2021 was de categorie ‘Wegverkeer’ (op wegen tot 50 kilometer per uur) de belangrijkste bron van hinder. In 2019 was dat de categorie ‘Buren’. ‘Wegverkeer’ en ‘Buren’ blijven ook de belangrijkste bronnen van hinder en slaapverstoring door trillingen. Wat geurhinder betreft, zijn in 2021 net als in 2020 ‘buren’ de belangrijkste bron. In 2019 waren ‘open haarden’ en ‘allesbranders’ de belangrijkste bronnen van geurhinder. De belangrijkste bron van bezorgdheid is ‘wonen bij een risicovol bedrijf of industrie’. De bezorgdheid hierover is wel lager dan ‘wonen in een drukke straat’ in 2020. Dat was in 2020 de belangrijkste bron van bezorgdheid. Wat de effecten van omgevingsfactoren betreft, zijn mensen net als in 2020 het meest bezorgd over effecten op hun gezondheid door de luchtkwaliteit rond huizen. Mensen hebben in 2021 ongeveer dezelfde verwachtingen (vooruit, achteruit, hetzelfde) over de buurtontwikkeling of over geluid in hun omgeving als in de jaren ervoor. In 2021 namen bijna 1.990 inwoners van Nederland van zestien jaar en ouder aan dit onderzoek deel. Dit aantal is lager dan de jaren ervoor, maar nog steeds voldoende om representatief te zijn. Het RIVM en het CBS deden het onderzoek. Het RIVM baseert zijn resultaten op de uitkomsten van een vragenlijstonderzoek (Onderzoek Beleving Woonomgeving OBW).
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Microplastics in soil systems, from source to path to protection goals. State of knowledge on microplastics in soil | RIVM

Microplastics zijn kleine kunststof deeltjes; kleiner dan vijf millimeter. Er komen steeds meer microplastics in het milieu terecht. Ze zitten overal: niet alleen in water en lucht, maar ook in de bodem, en dus ook in de bodem van stad-, landbouw- en natuurgebieden. Er zijn aanwijzingen dat microplastics schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid van mensen, planten, dieren en bodemorganismen. De laatste tijd verschijnen er steeds meer publicaties over microplastics in de bodem in de wetenschappelijke literatuur. Toch is het nog onbekend wat de mogelijke risico’s zijn. Het RIVM vindt het belangrijk dat er meer duidelijkheid komt. Het heeft daarom voor beleidsmakers en risicobeoordelaars de beschikbare kennis samengevat. Deze blijkt gefragmenteerd en niet volledig te zijn en bevindingen zijn soms zelfs tegenstrijdig. De informatie is daardoor (nog) niet te gebruiken voor een betrouwbare risicobeoordeling. Er zijn bijvoorbeeld nog geen metingen beschikbaar van microplastics in Nederlandse bodems. Dit komt vooral omdat er geen betrouwbare, praktische (standaard)technieken bestaan om microplastics in de bodem te analyseren. Deze moeten verder ontwikkeld worden. Meer kennis is nodig om risico’s van microplastics voor het milieu betrouwbaar in te schatten. Het RIVM beveelt aan beter in kaart te brengen door welke bronnen microplastics worden uitgestoten en hoe ze zich in het milieu verspreiden. Verder is meer inzicht nodig in de snelheid waarin verschillende soorten plastic gefragmenteerd worden en als microplastic afgebroken worden tot onschadelijke verbindingen. Dat is nodig om de blootstelling te kunnen schatten. Als ondersteuning hiervoor heeft het RIVM een ‘conceptueel model’ gemaakt. Een andere aanbeveling is om de risico’s van verschillende soorten microplastics voor de bodem tegelijk te beoordelen. De bestaande kaders voor risicobeoordelingen van stoffen zijn er niet voor geschikt, omdat microplastics verschillende vormen en samenstellingen hebben. Tot slot is op een rij gezet wat bekend is over maatregelen om de uitstoot te verminderen. Voorbeelden zijn een verbod op gratis plastic tassen en statiegeld op petflessen.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Optimalisation of the schedule of the National Immunisation Programme. Background information for the advice of the Health Council of The Netherlands on the vaccination schedule of the National Immunisation Programme | RIVM

Het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) beschermt tegen twaalf ziekten. Om een vaccin zo goed mogelijk te laten werken, is het belangrijk om kinderen op de gewenste leeftijden en niet te vaak of te weinig te vaccineren. De minister van VWS heeft de Gezondheidsraad advies gevraagd over het vaccinatieschema van het Rijksvaccinatieprogramma. De minister wil weten of er verbeteringen in het vaccinatieschema mogelijk zijn. Het RIVM is gevraagd om de relevante informatie op een rij te zetten. Het RIVM heeft daarom het vaccinatieschema tegen het licht gehouden en het optimale schema bepaald voor de twaalf ziekten. Het vaccinatieschema blijkt voor een groot deel op orde te zijn. Voor enkele ziekten zijn er verbeteringen mogelijk. Het is nu aan de Gezondheidsraad om de verschillende mogelijkheden te overwegen en de minister te adviseren. Op grond daarvan neemt de minister een besluit. Een prik minder tegen tetanus en polio geeft volgens het RIVM nog steeds goede bescherming tegen deze ziekten. Daarnaast kunnen de prikken tegen difterie, kinkhoest, tetanus, polio, hepatitis B en Hib beter over een langere periode worden verspreid dan nu het geval is. Verder is het beter dat de prik van kleuters tegen kinkhoest op wat latere leeftijd wordt gegeven. Deze prik werkt hierdoor waarschijnlijk beter en heeft dan minder bijwerkingen. De prik op 9-jarige leeftijd tegen mazelen kan juist beter op jongere leeftijd worden gegeven. Alleen zitten de vaccins tegen mazelen en bof in één prik en kan de vaccinatie tegen bof juist beter later worden gegeven. De vaccinaties tegen negen van de twaalf ziekten worden gecombineerd. Dit heeft als voordeel dat kinderen minder vaak hoeven te worden geprikt. Het maakt het wel lastiger om te besluiten om een onderdeel van een gecombineerde prik op een ander moment te geven. Eén ideaal vaccinatieschema bestaat daardoor niet.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Effectiveness of complete primary vaccination against COVID-19 at primary care and community level during predominant Delta circulation in Europe: multicentre analysis, I-MOVE-COVID-19 and ECDC networks, July to August 2021 | RIVM

Effectiveness of complete primary vaccination against COVID-19 at primary care and community level during predominant Delta circulation in Europe: multicentre analysis, I-MOVE-COVID-19 and ECDC networks, July to August 2021 | RIVM
Jaar: 2022 Onderzoek

Advies aandachtsgebieden. Beschouwing van voorstel alternatieve benadering voor de berekening van aandachtsgebieden | RIVM

Dit rapport bevat een addendum d.d. 11-10-2022 op pagina 87 Bij bedrijven die met gevaarlijke stoffen werken, kunnen ongelukken gebeuren die gevaarlijk zijn voor omwonenden. Deze bedrijven zijn daarom verplicht om de risico’s en gevolgen van ongelukken in kaart te brengen. Hiervoor worden onder andere aandachtsgebieden bepaald. Dit zijn gebieden waar mensen in huizen of gebouwen, zonder extra maatregelen, niet genoeg beschermd kunnen zijn tegen de gevaren in de omgeving. Bijvoorbeeld tegen warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en een concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Het RIVM beheert de rekenmethode waarmee de grootte van de aandachtsgebieden wordt bepaald. Verschillende partijen, zoals omgevingsdiensten en bedrijven, hebben bij het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) voorstellen ingediend om deze gebieden op een andere manier te berekenen. Tot nu toe wordt het aandachtsgebied bepaald op basis van de concentratie giftige stoffen of de warmtestraling. In de voorstellen wordt ook rekening gehouden met de mate waarin mensen hieraan blootstaan. Het RIVM onderzocht of deze voorstellen verbeteringen zijn. Daaruit blijkt dat de methode met de voorstellen een beter beeld kan geven van de gevolgen die ongelukken op mensen kunnen hebben. Maar om de voorstellen uit te kunnen voeren, zijn er nog keuzes en onderbouwingen nodig. Voor sommige keuzes ontbreekt informatie of is de bestaande informatie verouderd. Dan is meer onderzoek nodig voordat de voorstellen in de rekenmethode kunnen worden verwerkt. Hierdoor is nog niet duidelijk welk effect de aanpassingen hebben op de aandachtsgebieden. Het RIVM verwacht dat sommige kleiner en andere groter kunnen worden door de voorstellen.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Werken tijdens de overgang | RIVM

Steeds meer vrouwen werken. Een deel van hen, vooral in de leeftijdsgroep boven de 45 jaar, is in de overgang. Tijdens de overgang kunnen vrouwen voor lange tijd klachten ervaren. Deze klachten hebben mogelijk ook invloed op hoe zij hun werk kunnen doen. Het RIVM onderzocht hoe vaak werkende vrouwen in Nederland last hebben van overgangsklachten. Ook keek het RIVM naar het verband van deze klachten met het functioneren op het werk. Meer dan 12 duizend werkende vrouwen tussen de 40 en 66 jaar vulden hiervoor een vragenlijst in. De resultaten laten zien dat veel werkende vrouwen van 40 jaar en ouder last hebben van overgangsklachten. Vooral vrouwen in de perimenopauze, de fase rondom de laatste menstruatie, geven aan last te hebben van overgangsklachten. Klachten waar werkende vrouwen in de overgang (heel) vaak last van hebben zijn niet alleen opvliegers en nachtelijk zweten. Naast deze bekende klachten gaat het ook om libidoverlies, slaapstoornissen en spier- en gewrichtspijn. Meer dan 1 op de 3 werkende vrouwen in de overgang zegt dat zij door hun klachten beperkingen ervaart in het functioneren op het werk. Maar minder dan de helft van deze groep die beperkingen ervaart, bespreekt hun klachten op het werk. Dit terwijl vrouwen die veel last hebben van overgangsklachten zich vaker ziek melden, langer nodig hebben om te herstellen, en minder productief zijn. Omdat overgangsklachten zo vaak voorkomen, is meer bewustzijn en kennis nodig. Hiervoor is het belangrijk om de wensen voor ondersteuning van vrouwen met deze klachten in kaart te brengen. Daarnaast is inzicht nodig in welke strategieën ingezet kunnen worden om de duurzame inzetbaarheid van werkende vrouwen in de overgang te verbeteren.
Jaar: 2022 Onderzoek

Consumptie van producten verontreinigd met PFAS uit de Westerschelde | RIVM

Hobbyvissers kunnen in de Westerschelde vis en garnalen vangen, oesters en mosselen rapen en zeegroentes snijden. In de Westerschelde zitten hoge concentraties van poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS) door lozingen via het afvalwater van bedrijven. Hierdoor zit er PFAS in producten uit de Westerschelde. PFAS zijn stoffen die al bij een lage blootstelling schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid. Het RIVM heeft berekend hoe vaak volwassenen een portie van vis (wijting, bot, spiering en zeebaars), garnalen, oesters, mosselen of lamsoor (als zeegroente) uit de Westerschelde kunnen eten. Hiervoor is berekend bij hoeveel van deze producten ze niet te veel PFAS binnenkrijgen. Hierbij wordt gekeken naar de gezondheidskundige grenswaarde van PFAS. Onder deze grenswaarde zijn er geen schadelijke effecten op de gezondheid te verwachten. Als mensen langdurig meer PFAS binnenkrijgen dan deze grenswaarde is dat wel mogelijk. De berekeningen laten zien dat volwassenen onbeperkt lamsoor kunnen eten, omdat het weinig PFAS bevat. Een portie zelf gevangen bot uit de Westerschelde kan twee keer per jaar worden gegeten. Voor zeebaars is dat een tot zes keer per jaar en voor spiering twee tot 15 keer. Een portie wijting kan vier tot 19 keer per jaar worden gegeten en een portie garnalen vijf tot zes keer. Oesters en mosselen uit de Westerschelde kunnen beide 7 keer per jaar tot twee keer per week worden gegeten. De spreiding in het aantal keer dat een product kan worden gegeten komt door onzekerheden over lage concentraties PFAS in de producten. De berekeningen zijn voor elk product apart gedaan. Als mensen de producten combineren, kunnen ze er dus minder van eten. Het RIVM heeft in dit onderzoek alleen berekend hoeveel PFAS mensen kunnen binnenkrijgen via de producten uit de Westerschelde. Maar mensen in Nederland krijgen deze stoffen ook via andere voedselproducten en drinkwater binnen, waardoor zij al meer binnenkrijgen dan de gezondheidskundige grenswaarde. Hierdoor is het belangrijk om niet te veel van producten te eten met hoge PFAS-concentraties, zoals vis en schaal- en schelpdieren uit de Westerschelde. De berekening van het RIVM is gebaseerd op producten die in november 2021 zijn gevangen. Bij oesters en mosselen hangen de concentraties af van de plek in de Westerschelde waar ze zijn geraapt. Zo zijn lagere concentraties gemeten in het westelijk deel van de Westerschelde dan in het oostelijk deel.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Risicoschatting TGG voor de omgeving van de zeedijk Perkpolder (Zeeland). Evaluatie 2021 | RIVM

Bij de aanleg van de zeedijk in Perkpolder is thermische gereinigde grond (TGG) gebruikt. TGG bevat stoffen, zoals metalen en zouten, die naar het grondwater en oppervlaktewater naast de dijk kunnen verspreiden. Het RIVM heeft voor de tweede keer onderzocht of deze stoffen voorkomen in de omgeving van de zeedijk en welke mogelijke effecten hierdoor op de gezondheid en het milieu kunnen ontstaan. De aanleiding is dat er meer meetgegevens beschikbaar zijn over de concentraties van de stoffen in de bodem, het grondwater en het oppervlaktewater. Ook hebben omwonenden vragen over de effecten op de gezondheid en de omgeving. Uit het onderzoek blijkt dat de verontreinigingen uit de TGG geen risico’s veroorzaken voor de gezondheid van omwonenden. De stoffen zijn soms van nature al aanwezig, of de aangetroffen concentraties zijn te laag om effecten te geven. De TGG heeft de bodemkwaliteit van de moestuinen niet beïnvloed. Verder is het veilig om op de dijk te wandelen en in het oppervlaktewater te zwemmen, ook al is dat niet als zwemwater bedoeld. Het onderzochte zoete grondwater is geschikt om gewassen mee water te geven en vee te laten drinken. De landbouwpercelen en de toplaag op de dijk zijn geschikt voor vee om te grazen en voor akkerbouw. Tijdens het onderzoek zijn in de omgeving van de dijk ook stoffen aangetroffen die zeer waarschijnlijk niet uit de TGG komen. Het gaat onder meer om PFAS, dioxines en arseen. De PFAS in het oppervlaktewater komen zeer waarschijnlijk uit de Westerschelde. Arseen kan misschien uit de TGG komen, maar komt in ieder geval van nature in hogere concentraties voor in Zeeland. Vanwege de PFAS, arseen en dioxines raadt het RIVM af om zelfgevangen vis uit dit gebied te eten. Ook raadt het RIVM aan om te onderzoeken of PFAS in zwemwateren in de omgeving voorkomen en zo ja, wat het effect daarvan is. Direct naast de dijk is het grond- en oppervlaktewater van nature zout. Daardoor raadt het RIVM af om dit water voor de landbouw te gebruiken. Om dezelfde reden, en door de arseen en PFAS, wordt ook afgeraden om honden van het oppervlaktewater te laten drinken. Hoe schadelijk arseen en PFAS in het oppervlaktewater voor honden precies zijn, is niet bekend. De kans op directe effecten door het zout is bepalend voor eventuele risico’s die honden lopen als zij van het oppervlaktewater drinken. Het RIVM heeft tot slot onderzocht welke effecten de voorgestelde maatregelen voor de dijk hebben op de gezondheid en het milieu. Mocht de dijk worden afgegraven, dan adviseert het RIVM om zo veel mogelijk te voorkomen dat er stof vrijkomt. De effecten van de overige maatregelen zijn naar verwachting beperkt, ook al is nog niet zeker hoeveel metalen er maximaal kunnen vrijkomen.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Zicht op de zeedijk. Belevingsonderzoek Zeedijk in Perkpolder | RIVM

Sinds 2015 ligt er in Perkpolder (gemeente Hulst, Zeeuw-Vlaanderen) een zeedijk die is opgevuld met thermisch gereinigde grond (TGG). Na de aanleg van de dijk bleken er verontreinigingen in de TGG te zitten. Deze verontreinigingen zijn (deels) in het oppervlakte- en ondiepe grondwater naast de dijk terechtgekomen. Een deel van de bewoners van dit gebied maakt zich zorgen over de gevolgen voor gezondheid en milieu. Het RIVM heeft de beleving, zorgen en behoeften aan communicatie onder bewoners onderzocht in opdracht van Rijkswaterstaat. Ook is onderzocht welke voorkeur mensen hebben voor een oplossing voor het probleem met de dijk. Op basis van de resultaten geeft RIVM adviezen over communicatie over de zeedijk. RIVM heeft voor dit onderzoek gesproken met (vertegenwoordigers van) bewoners, agrariërs, ondernemers en bestuurders. De meesten blijken zich vooral zorgen te maken over langeretermijneffecten op gezondheid en milieu van de vervuilde stoffen in het oppervlakte- en grondwater. Agrariërs maken zich ook zorgen over mogelijke vervuiling van de zoetwaterbel naast de dijk, die ze nodig hebben voor hun bedrijf. Sommige mensen hebben geen zorgen en gaan ervan uit dat het goed wordt opgelost. Veel mensen die zijn geïnterviewd, willen het liefst dat de dijk wordt afgegraven. Afgraven geeft hen de zekerheid dat hun zorgen over langetermijneffecten voor gezondheid en milieu worden weggenomen. Daarnaast verwachten zij dat deze oplossing het meeste draagvlak heeft onder omwonenden. Ook vinden zij dat Rijkswaterstaat de morele plicht heeft om de vervuilde TGG op te ruimen. Negatieve beelden over de zeedijk en de TGG lijken samen te hangen met andere ontwikkelingen in de omgeving. Zo is er onvrede over een plan om de gemeente Hulst aantrekkelijker te maken voor toerisme, nieuwe bewoners en ondernemers (Plan Perkpolder). Ook is het vertrouwen in de gemeente Hulst en Rijkswaterstaat beschadigd omdat bewoners zich niet genoeg betrokken voelen bij dit plan. Ook voelen ze zich niet serieus genomen in hun zorgen over de zeedijk. Tot slot lijkt de vervuiling van PFAS in het gebied bij te dragen aan de negatieve beelden van verschillende geïnterviewden. Om de communicatie te verbeteren is het onder andere belangrijk dat bewoners zich gehoord voelen, heldere en eerlijke informatie krijgen, en dat zaken die mis zijn gegaan worden erkend.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Het mijden van huisartsenzorg tijdens de coronapandemie. Inzicht in verminderde huisartsenzorg tijdens de coronapandemie | RIVM

In Nederland gaan mensen gewoonlijk eerst naar de huisarts als ze een vraag hebben over hun gezondheid. In het begin van de coronapandemie stonden er berichten in de media dat mensen niet naar de huisarts durfden. Het RIVM en het Nivel onderzochten hoe vaak dat gebeurde en wat de redenen hiervoor waren. Tussen maart en juni 2020 (de eerste golf) lag het totaal aantal bezoeken aan huisartsen in totaal 11 procent lager dan in dezelfde periode in 2019. Het aandeel huisartsbezoeken naar aanleiding van symptomen die mogelijk duiden op ernstige klachten, zoals kanker of hartziekten, was 21 procent lager. Het aandeel korte consulten was tijdens de eerste golf hoger. Waarschijnlijk gaat het daarbij om telefonische afspraken of mailcontact. Tijdens de zomer en de tweede golf (tussen half september en eind december 2020) was het aantal consulten weer vergelijkbaar met 2019. Het lijkt er dus op dat de gemiste consulten niet na de eerste golf zijn ingehaald. Het kan ook zijn dat een verschuiving heeft plaatsgevonden in type consulten en ze in een andere vorm hebben plaatsgevonden, zoals korte consulten. Het percentage korte consulten lijkt sinds de eerste golf hoger te blijven dan voor de coronapandemie. Overigens was het tijdens de eerste golf voor sommige klachten ook minder vaak nodig om naar de huisarts te gaan. Door de lockdown en de coronamaatregelen waren er bijvoorbeeld minder sportblessures en andere infectieziekten. Mensen meden de zorg om verschillende redenen. Een deel van hen vond zijn klacht niet ernstig genoeg om een afspraak te maken met de huisarts. Een ander deel zei dat hun klacht volgens de assistenten van de huisarts niet ernstig genoeg was voor een bezoek. Ook is de keuze van mensen beïnvloed door berichten in de media over de drukte in de zorg, de angst om daar besmet te raken of een ander te besmetten. Anderen dachten dat het niet mogelijk was om een afspraak met de huisarts te maken.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Gezondheidseffecten van de 23 smaakstoffen in vloeistoffen voor e-sigaretten | RIVM

Dit rapport bevat een addendum d.d. 16-06-2023 op pagina 45. De overheid wil e-sigaretten minder aantrekkelijk maken, vooral voor jongeren. Aan e-sigaretten worden smaakstoffen toegevoegd om het product aantrekkelijker te maken. Gebruikers houden vooral van zoete smaken en fruitsmaken. Daarom heeft de Nederlandse regering besloten om alleen nog smaakstoffen toe te staan die naar tabak smaken. Het RIVM heeft daarom eerder een voorstel gedaan voor smaakstoffen in vloeistoffen voor e-sigaretten die kunnen worden toegestaan. Deze 23 stoffen zijn bepaald op basis van de smaak van de stof. Als vervolg hierop is nu gekeken of deze smaakstoffen schadelijk zijn voor de gezondheid. Want sinds 2016 mogen in e-sigaretten alleen stoffen worden gebruikt die niet schadelijk zijn voor de gezondheid. Van 2 van de 23 stoffen is bekend dat ze kankerverwekkend kunnen zijn. Een andere stof kan allergie veroorzaken. Het is niet mogelijk om te bepalen welke hoeveelheid veilig is voor deze stoffen. Van de overige 20 stoffen is geen informatie beschikbaar om specifieke effecten in de luchtwegen te beoordelen, het eerste ‘contact’ van damp met het lichaam. Van sommige stoffen is wel bekend of ze schadelijk kunnen zijn na inslikken. Drie stoffen kunnen gezondheidsrisico’s veroorzaken bij de hoogste concentraties die in vloeistoffen in e-sigaretten zijn gevonden. Een andere stof is irriterend en kan daarom schadelijk zijn voor de longen. Voor de overige 16 stoffen is onvoldoende informatie om risico’s voor de gezondheid via e-sigaretten te beoordelen. Het RIVM adviseert om de 2 kankerverwekkende stoffen en de stof die allergie kan veroorzaken, niet toe te staan. Dat geldt ook voor de 3 stoffen die bij hoge concentraties schadelijk zijn en voor de irriterende stof. Voor de overige 16 stoffen is er niet genoeg informatie om de gezondheidseffecten te beoordelen. Het RIVM stelt daarom twee mogelijkheden voor. Een daarvan is om de stoffen te verbieden omdat onduidelijk is of ze schadelijk zijn. De andere mogelijkheid is om deze stoffen toch te gebruiken in e-liquids zodat dit product beschikbaar blijft om rokers te helpen met roken te stoppen.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Chroom-6 en medische implantaten | RIVM

Chroom zit in verschillende medische implantaten van metaal, zoals voor heupen en knieën. Het RIVM heeft daarom onderzocht of mensen met zulke implantaten worden blootgesteld aan chroom-6 en of dat schadelijk is voor hun gezondheid. De huidige wetenschappelijke literatuur geeft geen aanwijzingen dat chroom-6 uit een medisch implantaat in het lichaam tot ernstige gezondheidseffecten leidt. Dat blijkt uit onderzoek van het RIVM, in opdracht van het ministerie van VWS. Chroom kan in de schadelijke vorm chroom-6 vrijkomen als het implantaat in contact komt met lichaamsvloeistoffen rondom het implantaat. Het meeste chroom-6 wordt meteen omgezet in de minder schadelijke vorm chroom-3. Een klein deel chroom-6 kan in het bloed komen en zo in het lichaam worden verspreid. Met de wetenschappelijke kennis van nu is het niet mogelijk om precies te bepalen hoe groot deze blootstelling is. Wel dat de blootstelling geen ernstige effecten heeft. Enkele onderzoeken vermelden een grotere kans op metaalallergie bij mensen met een implantaat waar chroom in zit. Maar dit komt bijna nooit voor en veroorzaakt geen ernstige klachten. Metaalallergie kan ook door andere metalen in implantaten worden veroorzaakt. Het implantaat zelf kan lokale effecten veroorzaken, zoals irritatie of ontsteking. Deze klachten zijn niet gerelateerd aan chroom-6. Dit onderzoek is gedaan omdat uit eerder onderzoek bleek dat blootstelling aan chroom-6 tijdens het werk schadelijk kan zijn voor de gezondheid. Dat heeft met verschillende factoren te maken. Bijvoorbeeld of mensen met grote hoeveelheden van de stof in contact komen, hoe vaak en op welke manier (bijvoorbeeld via inademen of inslikken).
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

The Dutch decision tree for the evaluation of the leaching of plant protection products. Revised 2022 version | RIVM

Gewasbeschermingsmiddelen kunnen in het grondwater terechtkomen (‘uitspoelen’) en daar problemen voor de drinkwaterwinning veroorzaken. Daarom wordt de kans dat een middel uitspoelt beoordeeld voordat een gewasbeschermingsmiddel wordt toegelaten op de Nederlandse markt. Nederland gebruikt sinds 2005 voor deze beoordeling de zogeheten beslisboom uitspoeling. Deze beslisboom is aangepast op basis van de nieuwste inzichten en data. De belangrijkste aanleiding voor de aanpassing van de beslisboom is het inzicht dat de hoeveelheid organische stof in de bodem te hoog was ingeschat. Hierdoor was de berekende concentratie van gewasbeschermingsmiddelen 2 tot 5 keer lager dan volgens de nieuwe inzichten het geval is. Dit is ongewenst omdat hierdoor een gewasbeschermingsmiddel onterecht zou kunnen worden toegelaten. Fabrikanten die een gewasbeschermingsmiddel in Nederland toegelaten willen hebben, moeten daarom de aangepaste beslisboom gebruiken. De beslisboom uitspoeling bestaat uit drie stappen. In de eerste stap voert de aanvrager een eenvoudige maar strenge berekening uit. Als het gebruik van het middel volgens deze stap als veilig wordt beschouwd, kan het middel zonder vervolgstappen worden toegelaten op de Nederlandse markt. Als het gebruik volgens deze stap niet veilig is, is de volgende stap van de beslisboom nodig. In deze tweede stap wordt de uitgespoelde hoeveelheid van het middel preciezer bepaald, namelijk voor de gewassen waarvoor de aanvrager het product wil gebruiken. Mocht de tweede stap ook niet veilig zijn, dan kan de aanvrager in een derde stap met meetgegevens aantonen dat het middel veilig kan worden gebruikt. Als het gebruik ook volgens deze stap niet veilig is, kan het middel niet worden toegelaten op de Nederlandse markt.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Plan van aanpak Onderzoeksprogramma Klimaatverandering en gezondheidseffecten | RIVM

Klimaat en klimaatverandering hebben invloed op onze gezondheid, zowel positief als negatief. Mensen kunnen bijvoorbeeld overlijden tijdens een hittegolf of huidkanker krijgen door blootstelling aan UVstraling. Maar over de invloed van klimaatverandering op onze fysieke en mentale gezondheid is ook nog veel onduidelijk. We ervaren nu al de gevolgen van klimaatverandering en daarom is het belangrijk om meer kennis te krijgen over de gezondheidsrisico’s van klimaatverandering. Het ministerie van VWS heeft daarom het RIVM gevraagd de gezondheidseffecten van klimaatverandering en de samenhang daartussen te onderzoeken. Als eerste stap daarin heeft het RIVM een Plan van Aanpak opgesteld, met een overzicht van de onderzoeksvragen die hierover bestaan. Het gaat om vragen over allergie, mentale gezondheid, infectieziekten, UV-straling en huidkanker, temperatuur en luchtkwaliteit. Deze vragen vormen de basis voor het onderzoeksprogramma van de komende jaren. Het overzicht maakt duidelijk op welke gebieden kennis ontbreekt over klimaatverandering en de gezondheidseffecten. Om een goed zicht te krijgen op gezondheidseffecten van klimaatverandering, is het belangrijk de effecten in samenhang te onderzoeken. Samenhang is belangrijk om effectieve maatregelen te kunnen nemen en te weten welke maatregelen op korte termijn nodig zijn. Zo is het belangrijk te weten of mensen sterven aan hitte, aan te veel ozon, of aan de combinatie van beide tijdens perioden van hitte. Samenhang voorkomt ook dat onderzoeken overlappen of elkaar tegenwerken. Verder is nog veel onbekend over de omvang van gezondheidseffecten die door klimaatverandering kunnen ontstaan of erger worden. Zo is niet bekend hoeveel mensen allergisch zijn voor pollen en hoeveel last ze daarvan hebben, laat staan wat het effect van klimaatverandering daarop is. Het onderzoek gaat vooral over de lichamelijke effecten van klimaatverandering, maar heeft voor het eerst ook aandacht voor mentale effecten. Bijvoorbeeld voor stress door overstromingen, zowel direct na de gebeurtenis als op de lange termijn. Bijvoorbeeld door angst voor herhaling of door financiële zorgen.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Rapportage 2021 Nationale Adviesgroep Cabinelucht | RIVM

Piloten en personeel in vliegtuigen kunnen gezondheidsklachten hebben, zoals duizeligheid, misselijkheid en desoriëntatie. De vraag is of dat komt omdat zij via de cabinelucht blootgesteld worden aan chemische stoffen. De afgelopen jaren zijn hier verschillende onderzoeken naar gedaan. De oorzaak van de klachten is nog niet duidelijk. Een mogelijkheid is dat het om een kleine groep mensen gaat die door een erfelijke aanleg gevoeliger is voor gezondheidseffecten van bepaalde stoffen. Dit blijkt uit de Rapportage 2021 van de Nationale Adviesgroep Cabinelucht (NAC). De adviesgroep is in 2015 door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) opgericht naar aanleiding van de internationale discussies over de oorzaak van de klachten. Het RIVM voert sinds 2020 het secretariaat. De adviesgroep informeert alle betrokken partijen over internationale onderzoeken naar de kwaliteit van cabinelucht in vliegtuigen. In de rapportage staan de voortgang en resultaten van bijeenkomsten en onderzoeken van de NAC in 2021. Zo wordt gewerkt aan een Europese norm voor de luchtkwaliteit in vliegtuigcabines. Ook is in een Europees onderzoek nagebootst hoe chemische stoffen uit motorolie lekken en in de cabinelucht kunnen komen. De resultaten van dit onderzoek zijn in de zomer van 2021 gepubliceerd. Door dit onderzoek is nu meer bekend over bijvoorbeeld de chemische samenstelling van cabinelucht tijdens de nagebootste lekkage. Maar verder onderzoek is nodig om beter te begrijpen wat zo’n lekkage voor de gezondheid van cabinepersoneel kan betekenen. In 2021 heeft de NAC contact gehad met het Analysebureau luchtvaartvoorvallen (ABL) van de Inspectie Leefomgeving en Transport. Dit bureau registreert en analyseert meldingen van voorvallen in de Nederlandse burgerluchtvaart. De NAC heeft meegedacht hoe meldingen in relatie tot de kwaliteit van cabinelucht beter in kaart gebracht kunnen worden. In 2022 zal hier verder aan gewerkt worden. In de NAC zitten vertegenwoordigers van werkgevers, zoals KLM en Corendon, werknemersvertegenwoordigers VNV, NVLT, VNC en FNV Cabine en onderzoeksinstituten, waaronder het RIVM, TNO en NLR. Vertegenwoordigers vanuit de ministeries van IenW en Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) zijn waarnemend lid.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Toetsing van het Nitraatuitspoelingsmodel Zuid-Limburg. Vergelijking van modeluitkomsten met meetresultaten | RIVM

Nitraat uit mest spoelt vanuit de lössgronden in Zuid-Limburg makkelijk weg naar het grondwater. Dat komt omdat het nitraat, dat na de oogst onder de zogeheten wortelzone achterblijft, in löss bijna niet wordt afgebroken. In de pilot Slim Bemesten probeerde deze regio de kwaliteit van het grondwater te verbeteren. Tegelijkertijd wilde de regio de landbouw de ruimte geven om de gewassen genoeg kunstmest te geven. Om de balans hiertussen te vinden, gebruikten de bedrijven in de pilot een eigen model om de nitraatconcentratie te berekenen in het water dat wegspoelt uit de wortelzone. De wortelzone is het bovenste deel van de bodem waaruit de wortels van de gewassen voedingstoffen en water halen. Het Nitraatuitspoelingsmodel Zuid-Limburg moet duidelijk maken met welke maatregelen de landbouwbedrijven op lössgronden de nitraatconcentratie kunnen verlagen. Voorbeelden zijn het soort gewas dat wordt geteeld en de gebruikte hoeveelheid en soort mest. Het Nitraatuitspoelingsmodel Zuid-Limburg blijkt lagere concentraties nitraat te berekenen dan het RIVM heeft gemeten bij de deelnemers van de pilot. Het verschil kan uitmaken of een bedrijf wel of niet voldoet aan de norm van 50 milligram nitraat per liter. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Het RIVM heeft de metingen op dezelfde manier uitgevoerd als voor het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM), in de pilot is voor bepaling van de nitraatconcentratie een andere methode gebruikt. Daarnaast zijn er andere mogelijke oorzaken van het verschil tussen de metingen en de berekeningen. De pilot Slim Bemesten is afgelopen (het liep tussen 2015 en 2021). Er deden 24 landbouwbedrijven aan mee. Andere landbouwbedrijven op lössgronden kunnen de resultaten van dit onderzoek gebruiken als zij met het Nitraatuitspoelingsmodel Zuid-Limburg de effecten van maatregelen op de nitraatconcentratie in beeld willen krijgen. Het RIVM-onderzoek is in opdracht van het ministerie van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) gedaan.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Lerende evaluatie lokale en regionale preventieakkoorden: Ervaringen met de totstandkoming van de akkoorden | RIVM

Sinds 2019 zetten gemeenten en lokale partijen zich via de lokale preventieakkoorden in op de gezamenlijke ambitie van de gezonde samenleving. Door mensen gezond te houden kan de druk op de gezondheidszorg worden verlicht. Het RIVM beschrijft van zes lokale en regionale preventieakkoorden de inhoud en hoe de akkoorden tot stand zijn gekomen. Daarnaast zijn ervaringen van initiatiefnemers van deze akkoorden beschreven. Op deze manier kunnen gemeenten bij dit proces van elkaar leren. De manier waarop een lokaal of regionaal preventieakkoord is georganiseerd, verschilt. Gemeenten hebben meestal een centrale rol en hebben vaak het initiatief genomen. Inhoudelijk zijn de thema’s uit het Nationaal Preventieakkoord de basis: roken, problematisch alcoholgebruik en overgewicht. Afhankelijk van de lokale problemen worden deze aangevuld met thema’s als bewegen, mentaal welbevinden en de bestrijding van eenzaamheid, armoede en schulden. De resultaten laten zien dat een lokaal of regionaal preventieakkoord maatwerk is. Om tot een akkoord te komen is het belangrijk om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de lokale behoeften, bestaande initiatieven en manier van werken. De lokale situatie bepaalt welke initiatieven worden uitgewerkt, nog nodig zijn en op welke manier partijen worden gevraagd om deel te nemen. Ook blijkt dat een preventieakkoord ervoor zorgt dat (lokale) partijen elkaar weten te vinden en er activiteiten worden opgezet. De geïnterviewde partners ervaren dat als positief. Het belangrijkste aandachtspunt is de partijen die het akkoord hebben getekend, ook betrokken te houden. Gekeken is naar vier thema’s: samenwerking van de deelnemende partijen, ervaringen van de besturen van partijen, hoe resultaten kunnen worden gemeten en hoe de werkstructuur is georganiseerd. In 2022 blijft het RIVM de zes akkoorden volgen bij de uitvoering en hun plannen voor de toekomst. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van VWS en de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG).
Jaar: 2022 Onderzoek

Gammastraling- en neutronendosistempometingen bij de terreingrens van COVRA-VOG in 2021 | RIVM

Het RIVM heeft extra metingen van het gamma- en neutronendosistempo bij de COVRA uitgevoerd. Dit is in opdracht van de ANVS gedaan. Deze metingen zijn aanvullingen op metingen die COVRA vaker doet. COVRA en het RIVM meten allebei een iets hoger gamma- en neutronendosistempo aan het hek bij het verarmd uranium opslag gebouw (VOG), aan de rand van het terrein. Die verhoging is ten opzichte van het van nature aanwezige stralingsniveau. De meetwaarden van het neutronendosistempo van COVRA en RIVM komen goed overeen. De gammadosismeetwaarden van COVRA en het RIVM verschillen, omdat zij andere grootheden meten: COVRA meet de effectieve dosis en het RIVM de omgevingsdosis. Een andere belangrijk verschil is de correctie voor de bijdrage aan de gammadosis van de achtergrond. COVRA maakt gebruik van metingen uit de tijd dat COVRA werd gebouwd; het RIVM gebruikt actuele metingen aan de terreingrens vlak bij het afvalverwerkingsgebouw. De extra metingen zijn door het RIVM uitgevoerd in augustus 2021 naar aanleiding van een ANVS-inspectie bij de COVRA op 16 april 2021. Reden was een wijziging van de bestemming van het terrein dat aan het COVRA-terrein grenst. Tijdens deze inspectie is specifiek ingegaan op de terreingrensdosis op 2 locaties aan het hek nabij het VOG. Doel is om gamma- en neutronendosistempo te meten dat COVRA heeft toegevoegd aan de natuurlijke waarde in de omgeving (achtergrondwaarde).
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Vergelijkbaar en verschillend. Een verkennend onderzoek gericht op de oorzaken van arbeidsongevallen en consumentenongevallen | RIVM

Veel mensen klussen in huis en gebruiken daarvoor producten als een ladder of een cirkelzaag. Daar kan soms iets bij misgaan en een ongeluk veroorzaken. Uit ziekenhuisgegevens is informatie bekend over de slachtoffers, zoals leeftijd en geslacht. De slachtoffers zijn bijvoorbeeld vaak mannen op hogere leeftijd. Ook is bekend wat de gevolgen zijn van de ongelukken, zoals het soort letsel. Maar hoe de ongelukken thuis ontstaan is nog niet zo duidelijk. Het RIVM en de NVWA willen dat beter begrijpen. Dan kunnen betere adviezen worden gegeven om ongelukken thuis te voorkomen. Een belangrijke vraag is of het ongeluk aan het product ligt of aan het gedrag van de gebruiker. Het product kan bijvoorbeeld verouderd zijn. Of de gebruiker kan risico’s onderschatten of haast hebben. Er is al meer bekend over oorzaken van ongelukken op het werk. Het RIVM heeft daarom oorzaken van ernstige ongelukken op het werk vergeleken met wat er bekend is over ongelukken thuis. Er blijken zowel verschillen als overeenkomsten te zijn tussen de ongelukken thuis en op het werk. Een overeenkomst is bijvoorbeeld dat klussers thuis en op het werk hetzelfde soort letsel oplopen. Ook lijkt dat wat er vlak voor het ongeluk gebeurt, vaak op elkaar. Zo reiken slachtoffers van ongelukken met een ladder te ver van de ladder, waardoor zij hun balans verliezen. Een verschil is bijvoorbeeld dat er op het werk regels zijn om veilig te kunnen werken waar werknemers zich aan moeten houden en die worden gecontroleerd. Thuis is dat niet zo. Het RIVM gaat met de NVWA verder onderzoeken hoe het precies zit met de oorzaken van ongelukken die thuis gebeuren.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Risicobeoordeling van PFAS in moestuingewassen uit moestuinen in de gemeenten Dordrecht, Papendrecht, Sliedrecht en Molenlanden | RIVM

Het RIVM heeft eerder berekend hoeveel per- en polyfluoralkylstoffen (PFAS) mensen kunnen binnenkrijgen als zij zelf geteelde groenten en fruit eten. Het ging om gewassen uit moestuinen vlakbij bedrijven in Helmond en Dordrecht die PFAS uitstoten of dat in het verleden hebben gedaan. Het RIVM heeft het onderzoek nu uitgebreid naar negen groepen moestuinen in de gemeenten Dordrecht, Papendrecht, Sliedrecht en Molenlanden die binnen een straal van 15 kilometer van het chemiebedrijf DuPont/Chemours in Dordrecht liggen. Als eerste blijkt dat mensen te veel PFAS binnenkrijgen via gewassen uit de groep moestuinen die binnen 1 kilometer ten noordoosten van het chemiebedrijf liggen. Het RIVM adviseert om deze gewassen niet te eten omdat effecten op de gezondheid niet kunnen worden uitgesloten. Als tweede blijkt dat mensen niet te veel PFAS binnenkrijgen via de gewassen uit een groep moestuinen die tussen 5 en 10 kilometer ten zuidwesten van het bedrijf ligt en ook niet uit een groep moestuinen die zo’n 15 kilometer ten noordoosten ligt. Zij kunnen hun zelf geteelde gewassen gewoon blijven eten. De derde conclusie gaat over zes groepen moestuinen die op zo’n 1 tot 10 kilometer ten noordwesten, noordoosten of oosten van het bedrijf liggen of op zo’n 2,5 kilometer ten zuidwesten. Deze moestuinhouders krijgen ook niet te veel PFAS binnen, maar wel meer dan via gewassen uit moestuinen die niet dicht bij een PFAS-bron liggen. Deze moestuinhouders kunnen hun zelf geteelde gewassen blijven eten, maar hen wordt aangeraden deze groenten en fruit af te wisselen met producten uit de winkel. Producten uit de winkel bevatten namelijk minder PFAS. Deze afwisseling is belangrijk omdat mensen in Nederland via andere voedselproducten en drinkwater al meer PFAS binnenkrijgen dan de zogeheten gezondheidskundige grenswaarde. DuPont/Chemours heeft twee soorten PFAS uitgestoten: tot 2012 perfluoroctaanzuur (PFOA) en vanaf 2012 GenX. Deze twee PFAS zijn via de lucht op de bodem en in het water terechtgekomen. Via de grond en het water kwamen ze daarna in de gewassen uit de moestuinen. Het onderzoek is uitgevoerd in samenwerking met de adviesbureaus Tritium Advies B.V. en Arcadis Nederland B.V. en met het onderzoeksinstituut Wageningen Food Safety Research van Wageningen University & Research.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Plasma Exchange Therapy Using Solvent Detergent-Treated Plasma: An Observational Pilot Study on Complement, Neutrophil and Endothelial Cell Activation in a Case Series of Patients Suffering from Atypical Hemolytic Uremic Syndrome | RIVM

Plasma Exchange Therapy Using Solvent Detergent-Treated Plasma: An Observational Pilot Study on Complement, Neutrophil and Endothelial Cell Activation in a Case Series of Patients Suffering from Atypical Hemolytic Uremic Syndrome | RIVM
Jaar: 2022 Onderzoek

Het toepassen van brede gezondheidsconcepten: inspirerend en uitdagend voor de praktijk. Ervaringen uit drie regio’s | RIVM

De zorg staat onder grote druk. Een mogelijke bijdrage aan een oplossing is om ‘gezondheid’ als uitgangspunt te nemen in plaats van ‘ziekte’. Oftewel: hoe blijven mensen zo lang mogelijk gezond, wat kan iemand nog wél en wat maakt hun leven zinvol. Het gaat dus niet alleen om lichamelijke klachten maar ook om de mentale kant. In Nederland werken steeds meer partijen, waaronder zorg- en welzijnsorganisaties, gemeenten, GGD-en, vanuit een breed gezondheidsconcept. Het RIVM heeft eerder kansen en belemmeringen geïnventariseerd. Dit keer is in kaart gebracht hoe drie regio’s in Nederland hun manier van werken hierop aanpassen. Het gaat om provincie Flevoland, gemeente Texel en de wijk Leidsche Rijn-Vleuten de Meern in Utrecht. De betrokken organisaties zijn enthousiast over deze brede kijk op gezondheid, maar lopen nog steeds tegen belemmeringen aan. Denk aan een gebrek aan geld, personeel en manieren om de resultaten te meten. Ook is het gebruik van een brede kijk op gezondheid een proces dat veel tijd vraagt. Organisaties hebben daarom behoefte om van elkaars ervaringen te leren. Zorgprofessionals ervaren dat door de bredere kijk op gezondheid mensen gezonder gaan leven en meer regie krijgen over hun gezondheid. Hierdoor hebben zij ook meer plezier in hun werk. Door de brede kijk op gezondheid kunnen organisaties en professionals uit verschillende domeinen, zoals zorg en welzijn, elkaar beter vinden. Vanuit hetzelfde doel kunnen ze samen makkelijker activiteiten opzetten om de gezondheid van inwoners te bevorderen. Door verder te kijken dan lichamelijke klachten is er meer oog voor zaken die het welzijn van mensen beïnvloeden, zoals eenzaamheid of financiële problemen. Volgens het RIVM vergroten zeven elementen de kans van slagen: draagvlak bij alle betrokken partijen, een duidelijke focus in de aanpak, professionals van verschillende organisaties die elkaar kennen en begrijpen, organisaties die werken vanuit de behoeften en mogelijkheden van inwoners, de mogelijkheid voor organisaties om vanuit een brede kijk te werken, voldoende geld, en gezond leven ook breder in de samenleving een plek geven, bijvoorbeeld in het onderwijs.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Ontwikkelingen rondom e-health tijdens de COVID-19-pandemie. Bevindingen vanuit de literatuur en empirisch onderzoek | RIVM

Door de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2 is uit nood veel zorg ‘op afstand’ geleverd met behulp van e-health. Voorbeelden zijn beeldbellen, een online schriftelijk consult en op afstand gezondheidswaarden meten, zoals bloeddruk of bloedsuiker. Het RIVM onderzocht de ontwikkelingen van het gebruik van e-health tijdens de coronapandemie in Nederland. Hieruit blijkt dat e-health veel meer is gebruikt dan voor de pandemie. Het was vaak de enige manier om afspraken en behandelingen door te laten gaan. Ook werd het gebruik makkelijker gemaakt. De overheid heeft bijvoorbeeld de financiering en de voorwaarden om het te mogen gebruiken, verruimd. Hierdoor konden zorgverleners en patiënten meer ervaring opdoen met e-health en leren wanneer het wel en niet geschikt is. Van alle soorten e-health is beeldbellen het meest ingezet. E-health is vooral gebruikt als er veel mensen besmet waren met het virus. Het is ook gebruikt om coronapatiënten te behandelen. Zij maten bijvoorbeeld thuis zelf hun gezondheidswaarden op die zorgverleners op afstand konden volgen. Zowel zorgverleners als patiënten hebben tijdens de pandemie voordelen van e-health ontdekt die ze voor die tijd nog niet kenden. Daardoor zijn ze beiden positiever gaan denken over e-health. Het maakte het zorgverleners bijvoorbeeld makkelijker om naasten van een patiënt bij het gesprek te betrekken. Patiënten scheelde het reistijd omdat zij niet naar de zorgverlener toe hoefden. Minder geschikt is e-health bijvoorbeeld voor afspraken waarbij bepaald lichamelijk onderzoek nodig was. Zowel zorgverleners als patiënten willen in de toekomst e-health het liefst combineren met bezoeken aan de zorgverlener. Het is nog niet duidelijk in welke situaties ná de pandemie e-health voordelen heeft. Om hier nog meer over te kunnen leren, moet het makkelijk zijn om e-health na de pandemie te blijven gebruiken en ermee te experimenteren. Voor dit onderzoek keek het RIVM naar de literatuur uit Nederland en het buitenland. Ook gebruikte het RIVM gegevens uit de E-healthmonitor.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Informative Inventory Report 2022. Emissions of transboundary air pollutants in the Netherlands 1990–2020 | RIVM

In 2020 is 0,5 kiloton meer ammoniak uitgestoten dan in 2019. Dit komt vooral doordat in de melkveehouderij voer is gebruikt dat meer eiwitten bevat dan in 2019. Nederland moet op basis van de Europese regelgeving vanaf 2020 13 procent minder ammoniak uitstoten dan in 2005, het zogeheten basisjaar. Dat is in 2020 gelukt door de uitstoot van ammoniak ten opzichte van het basisjaar met 19 procent te verminderen tot 124,4 kiloton. De uitstoot van fijnstof PM2,5 is verder gedaald tot 14,4 kiloton in 2020. De daling ten opzichte van het basisjaar is 48 procent. Hiermee voldoet Nederland aan de Europese verplichting om deze uitstoot met 37 procent ten opzichte van 2005 te verlagen. De uitstoot van stikstofoxiden is in 2020 met 14 kiloton afgenomen, wat een afname is van 51 procent ten opzichte van 2005. Hiermee is de Europese verplichting van een verlaging van 45 procent gehaald. De uitstoot van vliegverkeer daalde met ongeveer 50 procent (1,8 kiloton minder) door maatregelen vanwege de coronapandemie. Personen- en bestelauto’s reden in 2020 ongeveer 17 procent minder kilometers. Maar de uitstoot van stikstofdioxide door wegverkeer daalde vooral doordat auto’s steeds schoner worden. De uitstoot van zwaveloxiden was in 2020 3 kiloton minder dan in 2019. Ten opzichte van 2005 is de uitstoot met 71 procent gedaald, daarmee is de Europese verplichting, een daling van 28 procent ten opzichte van het basisjaar ruim gehaald. De vermindering komt vooral doordat raffinaderijen steeds meer op gas stoken in plaats van op olie, leidend tot een schonere uitstoot (rookgasreiniging). De uitstoot van vluchtige organische stoffen is in 2020 met 29 kiloton gestegen ten opzichte van 2019. Dit komt onder andere omdat er veel meer desinfectiemiddelen zijn gebruikt vanwege het advies om handen regelmatig te desinfecteren door de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2. Deze middelen bestaan vaak uit vluchtige organische stoffen. Ten opzichte van 2005 is de uitstoot met 11 procent gedaald. Daarmee is de Europese verplichting van een daling van 8 procent gehaald. Dit blijkt uit de Informative Inventory Report rapportage (IIR). De IIR beschrijft onder andere de uitstoot ten opzichte van het jaar ervoor en de reden van veranderingen. Ook geeft het aan in hoeverre de Europese verplichtingen voor Nederland zijn gehaald om de uitstoot te laten dalen ten opzichte van 2005. Nederland gebruikt de analyses om beleid te onderbouwen en om internationaal over de ontwikkeling van de uitstoot te rapporteren. Het RIVM stelt dit rapport elk jaar met diverse partnerinstituten op voor het ministerie voor Infrastructuur en Waterstaat (IenW)
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Methodology for the calculation of emissions from agriculture | RIVM

Nederland rapporteert elk jaar nationaal en internationaal hoeveel stoffen de landbouw uitstoot naar de lucht. Het gaat om alle stoffen uit de landbouw die in de Emissieregistratie voorkomen. Denk aan broeikasgassen en stoffen die luchtverontreiniging veroorzaken, zoals ammoniak en fijnstof. De emissieberekeningen worden uitgevoerd op basis van internationale richtlijnen. De uitstoot wordt berekend met het National Emission Model for Agriculture (NEMA), dat in Nederland is ontwikkeld. Het NEMA berekent de uitstoot van stoffen voor bijvoorbeeld stallen, mestopslag, en het gebruik van mest. Het NEMA wordt ook gebruikt om emissies zoals methaan uit verschillende dieren en mest te berekenen. Dit model wordt elk jaar aangepast aan de nieuwste wetenschappelijke inzichten. Dit keer zijn de methoden beschreven die voor verschillende stoffen worden gebruikt, en de wijzigingen die zijn doorgevoerd. De gegevens over de uitstoot zijn openbaar via de website emissieregistratie.nl. Ze worden gebruikt voor rapportages die vanwege internationale verdragen verplicht zijn, zoals het Kyoto-protocol, de Europese Emissieplafonds (NEC-Directive) en de Convention on Longrange Transboundary Air Pollution (CLRTAP). Dit rapport is ook de basis voor de reviewers die de Nederlandse rapportages aan de Europese Unie en Verenigde Naties valideren.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Methodology for the calculation of emissions to air from the sectors Energy, Industry and Waste | RIVM

Nederland rapporteert elk jaar nationaal en internationaal hoeveel stoffen door de sectoren Industrie, Energieopwekking en Afvalverwerking (ENINA) worden uitgestoten naar de lucht. Het gaat om alle stoffen die in de Emissieregistratie voorkomen en relevant zijn voor ENINA. Denk aan broeikasgassen, verzurende stoffen en stoffen die grootschalige luchtverontreiniging veroorzaken. Het RIVM heeft de methoden waarmee de uitstoot wordt berekend, geactualiseerd en beschreven. De methoden worden elk jaar bijgesteld volgens de meest actuele wetenschappelijke inzichten. De emissieberekeningen worden uitgevoerd op basis van internationale richtlijnen. De emissiegegevens zijn openbaar via de website emissieregistratie.nl. De gegevens worden gebruikt voor de rapportages die vanwege internationale verdragen verplicht zijn, zoals het Kyoto-protocol, de EU-Emissieplafonds (NEC-Directive) en de Convention on Long-range Transboundary Air Pollution (CLRTAP). De rapportage is ook de basis voor de (internationale) reviewers die de Nederlandse rapportages aan de EU en VN valideren.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Greenhouse gas emissions in the Netherlands 1990–2020 | RIVM

In 2020 is in Nederland in totaal 8,8 procent minder broeikasgassen uitgestoten dan in 2019. Deze daling komt vooral doordat er minder kolen zijn gebruikt om elektriciteit te produceren. Het aandeel onuitputtelijke energiebronnen, zoals zon- en windenergie, is in 2020 gestegen tot 11,1 procent van het totale energiegebruik. Daarnaast is door de corona-epidemie de economie gekrompen en is minder energie verbruikt. De totale hoeveelheid broeikasgassen die naar de lucht is uitgestoten, wordt uitgedrukt in CO2-equivalenten en bedroeg in 2020 164,3 miljard kilogram. Het jaar 1990 is het referentiejaar (basisjaar) voor de te halen doelen. De uitstoot in 1990 bedroeg 220,5 miljard kilogram CO2-equivalenten. Ten opzichte van het basisjaar is de uitstoot gedaald met 25,5 procent. De uitstoot van CO2 alleen, ligt 15,0 procent onder het niveau van het basisjaar. De uitstoot van de andere broeikasgassen (methaan, distikstofoxide en gefluoreerde gassen) is sinds 1990 met 54,9 procent gedaald. Dit blijkt uit de definitieve inventarisatie van broeikasgasemissies die het RIVM elk jaar op verzoek van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) opstelt. Met deze inventarisatie voldoet Nederland aan de nationale rapportageverplichtingen voor 2022 van het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties (UNFCCC), van het Kyoto-protocol en van het Bewakingsmechanisme Broeikasgassen van de Europese Unie. De voorlopige emissiecijfers over 2020 zijn al in het najaar van 2021 gepubliceerd. De inventarisatie bevat verder analyses van ontwikkelingen in de uitstoot van broeikasgassen tussen 1990 en 2020. Ook bevat het een analyse van de belangrijkste bronnen die broeikasgassen uitstoten (‘sleutelbronnen’), net als de onzekerheid in de berekening van deze uitstoot. Daarnaast zijn de gebruikte berekeningsmethoden en databronnen beschreven. Ten slotte bevat het een overzicht van het kwaliteitssysteem en de manier waarop de Nederlandse Emissieregistratie de berekeningen controleert.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Methodology for the calculation of emissions from product usage by consumers, construction and services | RIVM

Nederland rapporteert elk jaar nationaal en internationaal welke verontreinigende stoffen in de lucht terechtkomen door het gebruik van producten. Het gaat bijvoorbeeld om oplosmiddelen uit cosmetica, luchtverfrissers, spuitbussen, verf, en stoffen die vrijkomen bij het stoken van hout en het afsteken van vuurwerk. De Emissieregistratie berekent op basis van internationale richtlijnen voor de relevante stoffen hoeveel ervan in de lucht vrijkomt. Het RIVM heeft nu de methoden die de Nederlandse Emissieregistratie gebruikt, geactualiseerd en beschreven. De methoden worden elk jaar bijgesteld volgens de meest actuele wetenschappelijke inzichten. De emissiegegevens zijn openbaar via de website emissieregistratie.nl. De gegevens worden gebruikt voor de rapportages die vanwege internationale verdragen verplicht zijn, zoals het Kyoto-protocol, de EU-Emissieplafonds (NEC-Directive) en de Convention on Long-range Transboundary Air Pollution (CLRTAP). Deze rapportage vormt ook de basis voor de (internationale) reviewers die de Nederlandse rapportages aan de EU en VN valideren.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Zorginnovaties. Een checklist voor succesvolle implementatie | RIVM

In dit document worden de resultaten van het RIVM-project SEAMleSS samengevat (Safe, Effective, Affordable Medical innovation from Science to Society). Het eindresultaat van SEAMleSS is een checklist met achttien items. Deze items samen geven een beeld van belangrijke succes- en faalfactoren voor implementatie van zorginnovaties. Zorginnovatie staat voor het ontwikkelen van nieuw beleid, nieuwe producten, diensten, technologieën en/of organisatiemodellen, waarmee de gezondheid van mensen, kwaliteit en organisatie van de zorg verbeterd kunnen worden [1]. De checklist kan bijvoorbeeld gebruikt worden door innovatoren, zorgprofessionals, onderzoekers, managers in de zorg, verzekeraars, financiers en beleidsmedewerkers. Zij kunnen de checklist gebruiken om de mogelijk toegevoegde waarde van een zorginnovatie t.o.v. de huidige zorg te inventariseren om hier het gesprek over te starten met andere stakeholders.
Jaar: 2022 Onderzoek

Circulaire economie en consumentenproductveiligheid. Startnotitie voor visievorming bij VWS | RIVM

De Nederlandse overheid streeft naar een volledig circulaire economie in 2050. Hierin worden producten, materialen en grondstoffen steeds opnieuw gebruikt, in dezelfde of in nieuwe toepassingen. Dit geldt ook voor producten voor consumenten, zoals kleding, verpakkingen en speelgoed. Om de circulaire economie te stimuleren heeft de overheid voor beleid, het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties beschreven wat ze wil bereiken. Daar staat ook bij welke acties hiervoor nodig zijn. Het uitgangspunt is dat gerecyclede producten veilig zijn voor consumenten. Dit betekent dat bekend moet zijn of er gevaarlijke stoffen in de producten zitten die opnieuw worden gebruikt of in de materialen die worden gerecycled. En als dat zo is, of dat gevolgen heeft voor de gezondheid van de gebruiker. Er zijn aanwijzingen dat er risico’s kunnen ontstaan maar daarover is door gebrek aan data nog veel onduidelijk. De risico’s zijn nu naar schatting beperkt omdat nog maar weinig producten voor consumenten uit gerecycled materiaal bestaan. Beleidsmakers en producenten gaan de komende jaren producten voor consumenten ontwikkelen volgens de uitgangspunten van een circulaire economie. Daar wordt bijvoorbeeld bij het ontwerp van producten al over nagedacht. Ook wordt gezocht naar manieren om producten als speelgoed, verpakkingen en textiel opnieuw te gebruiken, te repareren of te recyclen. Dit blijkt uit een inventarisatie van het RIVM. Hierin zijn de verwachte ontwikkelingen van het hergebruik en recyclen van producten en de mogelijke risico’s daarvan voor de gebruiker op een rij gezet. Het RIVM raadt beleidsmakers aan om ervoor te zorgen dat producenten transparant zijn over de samenstelling van hun producten. Ook zijn er meer metingen nodig van de samenstelling van gerecyclede grondstoffen. Beleidsmakers, kennisinstellingen en bedrijven kunnen dit onderzoek het beste samen oppakken om dit goed te kunnen opzetten. Deze inventarisatie is bedoeld voor het ministerie van VWS om een visie te ontwikkelen op zijn rol in de overgang naar een circulaire economie.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Tabaksaccessoires. Producten die tabak aantrekkelijk maken | RIVM

Sommige rokers hebben behoefte aan tabaksproducten met een smaak en aan producten die minder schadelijk zijn. Hiervoor zijn zogenoemde tabaksaccessoires ontwikkeld. Het RIVM onderscheidt producten die smaak toevoegen (smaakaccessoires), producten met een claim dat ze schadelijke stoffen weghalen uit de rook (schadelijkheidreductieaccessoires), en overige accessoires. Voorbeelden van smaakaccessoires zijn smaakfilters, smaaksprays en smaakkaartjes. Er is veel keuze en 9 procent van de rokers gebruikt ze. Driekwart van hen kiest voor een product met mentholsmaak. Deze accessoires maken het roken van een mentholsigaret mogelijk. Sinds het verbod op mentholsigaretten in mei 2020 worden deze accessoires 10 procent meer verkocht. Schadelijkheidreductie-accessoires worden gebruikt door 4 procent van de rokers. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat sommige filters meer dan de helft van de teer en nicotine wegnemen. Het is echter niet duidelijk of deze verlaging betekent dat het product minder schadelijk is. Alle accessoires maken roken aantrekkelijker, maar het is niet duidelijk of hierdoor meer mensen roken. Tabaksaccessoires zijn niet verboden. Ze vallen niet onder de Tabaks- en rookwarenwet en Europese tabaksproductenrichtlijn. In Litouwen, Belgie en Denemarken zijn (smaak)accessoires wel verboden via aanvullende nationale wetgeving. Het RIVM stelt voor om bekendheid en verkoop van tabaksaccessoires te verminderen. Dat kan door de reclame te beperken en ze alleen in speciaalzaken te verkopen. Daarnaast adviseren we om claims te verbieden omdat ze rokers op het verkeerde been zetten. Roken is altijd schadelijk.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Capaciteitsmodel voor de meldkamer Ambulancezorg. Een eerste verkenning | RIVM

Mensen kunnen naar het alarmnummer 112 bellen als zij een acute medische vraag hebben. Op basis van dit gesprek wordt bepaald of een ambulance nodig is en hoe snel die ter plaatse moet zijn. Deze gesprekken worden gevoerd door zogeheten centralisten aan een meldtafel in een meldkamer. Na een aantal fusies zijn er nu 13 meldkamers in Nederland. Hoeveel meldkamertafels bemand moeten zijn, verschilt per meldkamer en tijdstip. Dit noemen we meldkamercapaciteit. Ambulance Zorg Nederland, Zorgverzekeraars Nederland en het ministerie van VWS willen gestructureerder nadenken over deze capaciteit. Dit kan een hoge werkdruk en een onderbezetting bij de meldkamers voorkomen. Ze willen hiervoor een wiskundig model gebruiken dat de benodigde meldkamercapaciteit kan voorspellen. Het ministerie van VWS heeft het RIVM gevraagd of het mogelijk is zo’n model te maken en of daarvoor data beschikbaar zijn. Uit een eerste verkenning van het RIVM blijkt dat een meldkamer capaciteitsmodel mogelijk is. Ook zijn er data voor beschikbaar. Maar er zijn wel meer data nodig en de kwaliteit van de data moet worden verbeterd. Het RIVM heeft een capaciteitsmodel gemaakt dat nog niet kan worden gebruikt. Het kan het werkelijke aantal bezette meldkamertafels nog niet goed genoeg nabootsen. Het RIVM geeft advies hoe het capaciteitsmodel verbeterd kan worden. Het capaciteitsmodel doet al wel recht aan verschillende werkprocessen: het houdt rekening met het verschil tussen spoedeisende en niet-spoedeisende aanvragen, met de tijdsduur van een gesprek en met pieken in de drukte. Het model voorspelt de meldkamercapaciteit per dag en in tijdsblokken van 2 uur. Ook wordt rekening gehouden met verschillen tussen werkdagen, zaterdagen en zondagen.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Risicobepaling van een kortdurende beroepsmatige blootstelling aan asbest | RIVM

Dit rapport bevat een erratum d.d. 30-03-2022 op pagina 40 Asbest is kankerverwekkend en kan onder andere longkanker en borst- en longvlieskanker (mesothelioom) veroorzaken. Sinds 1993 is het verboden om asbest te gebruiken. Toch gebeurt het soms dat werknemers per ongeluk een korte periode blootstaan aan te hoge concentraties. Bijvoorbeeld als ze werken met oudere materialen waar nog asbest in zit. Een te hoge concentratie betekent meer dan 2000 asbestvezels per kubieke meter lucht. Deze beroepsmatige norm is bepaald vanuit de gedachte dat een werknemer 40 jaar lang, 5 dagen per week, 8 uur per dag werkt en aan asbest kan blootstaan. Als iemand korter met asbest in aanraking komt, wordt de norm vergeleken met de duur van deze blootstelling. Daarmee wordt aangenomen dat het risico van blootstelling aan asbestvezels gedurende 1 jaar, 40 maal kleiner is dan blootstelling aan diezelfde concentratie asbestvezels gedurende 40 jaar. Bij deze methode wordt aangenomen dat een hoge blootstelling aan asbestvezels in een korte periode (minder dan een jaar) dezelfde kans op longkanker/mesothelioom geeft als het inademen van dezelfde hoeveelheid vezels verspreid over een veel langere periode (40 jaar). Maar het is niet duidelijk of dat klopt. Het RIVM heeft daarom deze aanname onderzocht voor twee soorten asbest: chrysotiel en amfibool. Chrysotiel asbest komt in Nederland het meeste voor. Amfibool asbest is veel minder vaak gebruikt in Nederland (in 10-20 procent van de toepassingen). De huidige methode geeft een redelijke schatting van de kans op ziekte bij een korte blootstelling aan chrysotiel. Er blijkt geen aanleiding te zijn om een andere methode te gebruiken. Bij amfibool is het belangrijk om ook de leeftijd waarop iemand wordt blootgesteld mee te nemen bij de inschatting. Tot nu toe wordt alleen naar de hoeveelheid ingeademde asbestvezels gekeken. Blootstelling aan amfibool asbest geeft een grotere kans op mesothelioom en daarbij duurt het veel langer (meer dan 30 jaar) voordat mensen ziek worden. Als de leeftijd niet wordt meegenomen, dan wordt de kans op ziekte onderschat bij een blootstelling aan amfibool asbest op jonge leeftijd. Op een latere leeftijd wordt die kans juist overschat. Het RIVM heeft deze literatuurstudie gedaan in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW).
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

An overview of the available data on reproduction toxicity of 4-nonylphenol | RIVM

De stof 4-nonylfenol wordt gebruikt bij de productie van nonylfenolethoxylaten. Deze stoffen zitten in verf, schoonmaakmiddelen en gewasbeschermingsmiddelen. Het RIVM heeft in de wetenschappelijke literatuur onderzocht wat er bekend is over schadelijke effecten van 4-nonylfenol op de voortplanting. Het RIVM deed dat in opdracht van de Gezondheidsraad. De Gezondheidsraad gaat een voorstel doen om de stof in een bepaalde ‘gevaarsklasse’ in te delen. Als voorbereiding daarop gebruikt de Gezondheidsraad het overzicht van het RIVM om te beoordelen of 4-nonylfenol schadelijk is voor de voortplanting. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) heeft om dit advies gevraagd. Het RIVM heeft zes studies over effecten van de stof op de voortplanting bij dieren gevonden. De gevonden informatie is samengevat.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Effect van risicoreducerende maatregelen op het plaatsgebonden risico van LPG-tankstations | RIVM

Auto’s die op autogas (LPG) rijden kunnen tanken bij LPG-tankstations. Vanwege de veiligheid moet er voldoende afstand zijn tussen een LPGtankstation en woningen in de buurt. Deze afstanden staan in de Revi (Regeling Externe Veiligheid Inrichtingen) en zijn gebaseerd op berekeningen van het RIVM. Het RIVM heeft de afstanden tussen LPGtankstations en woningen nu opnieuw berekend. In dit onderzoek gaat het specifiek over een onderdeel daarvan: de veiligheid wanneer de tankauto’s de LPG-reservoirs op het station vullen. Tot nu toe ging het RIVM bij de berekeningen uit van twee veiligheidsmaatregelen voor de tankauto’s die LPG vervoeren: een hittewerende coating en een verbeterde vulslang. De coating is een laag op de tank die de tankauto beschermt tegen brand. De verbeterde vulslang breekt minder snel als het LPG uit de tankauto wordt gepompt. De kans op een ongeluk is kleiner wanneer een tankauto de twee maatregelen heeft ingevoerd, maar de maatregelen zijn niet verplicht. De afstanden zijn daarom berekend voor tankauto’s met en zonder de veiligheidsmaatregelen. Zo wordt duidelijk wat het effect is van de maatregelen op de afstand tussen een LPG-tankstation en woningen. Naar verwachting hebben de meeste Nederlandse LPG-tankauto’s de coating en verbeterde vulslang. Uit de berekeningen blijkt dat de afstand tussen een LPG-tankstation en woningen groter moet zijn als een tankauto een van de twee of geen maatregelen heeft uitgevoerd. Zonder de maatregelen kunnen de afstanden meer dan twee keer zo groot zijn. Hoe groot deze afstand precies moet zijn, wordt bepaald door het aantal keren dat de LPGtankauto het LPG-reservoir op het tankstation bijvult. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) bepaalt uiteindelijk welke afstanden in de Revi staan. Het RIVM raadt IenW aan om de afstanden die gebaseerd zijn op nieuwe berekeningen te gebruiken in de wet- en regelgeving. Een aanpassing van de wet- en regelgeving kan nodig zijn vanwege een uitspraak van het Europese Hof van Justitie over veiligheidsmaatregelen bij LPG-tankauto’s. Het onderzoek is in opdracht van het ministerie van IenW gedaan.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Radioactivity measurement in ‘negative ion’ consumer products | RIVM

Dit rapport bevat een erratum d.d. 02-08-2022 op pagina 33 Dit is een vertaling van een RIVM briefrapport dat eerder in het Nederlands is uitgebracht onder rapportnummer 2021-0239. Van producten met ‘negatieve ionen’, zoals sieraden en slaapmaskers, zeggen verkopers dat ze de gezondheid verbeteren. Maar deze producten kunnen radioactieve stoffen bevatten die zogeheten ioniserende straling uitzenden. Deze straling kan weefsel en DNA beschadigen, wat schadelijk is voor de gezondheid. De drager van de sieraden staat aan deze straling bloot. In de Verenigde Staten mogen deze producten daarom inmiddels niet meer worden verkocht. Op verzoek van de ANVS heeft het RIVM onderzoek gedaan aan 10 negatieve ionen-producten. De aanleiding was een signaal van een inwoner van Nederland dat negatieve ionen-producten radioactieve stoffen kunnen bevatten. Het RIVM heeft uitgezocht of dit echt zo was, en aan welke stralingsdosis de huid blootstaat als iemand het product draagt. Alle 10 producten bevatten meer radioactiviteit dan volgens de wet is toegestaan. De drager van de producten staat hierdoor via de huid bloot aan een extra dosis straling. Ook kan niet worden uitgesloten dat bijvoorbeeld de huid rood wordt op de plek waar het product wordt gedragen. In de wet staat dat er geen radioactiviteit in consumentenproducten mag zitten, tenzij daarvoor een rechtvaardiging is afgegeven. Dat is niet het geval voor deze producten. Rechtvaardiging betekent dat blootstelling aan ioniserende straling alleen is toegestaan als de voordelen opwegen tegen de mogelijke gezondheidsschade.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Mesh implants intended to treat patients with pelvic organ prolapse. Market survey and quality of technical documentation | RIVM

Bekkenbodemmatjes zijn implantaten waarmee verzakkingen van organen in het gebied van de bekkenbodem worden behandeld. Bekkenbodemmatjes kunnen op verschillende manieren geplaatst worden: via de buik (transabdominaal) en via de vagina (transvaginaal). In opdracht van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) heeft het RIVM de technische documentatie van bekkenbodemmatjes beoordeeld. Hiervoor heeft het RIVM eerst onderzocht welke bekkenbodemmatjes er door artsen werden geplaatst. De technische documentatie van negen typen bekkenbodemmatjes die artsen in 2018 in Nederland hebben geplaatst, zijn daarna beoordeeld. Hiervan zijn er vier bedoeld om via de vagina te worden geplaatst en vijf via de buik. De negen bekkenbodemmatjes zijn door zes verschillende fabrikanten gemaakt. Het RIVM heeft in de technische documentatie van alle beoordeelde producten in meerdere onderdelen grote of kleine tekortkomingen gevonden. Een voorbeeld van een grote tekortkoming is dat de veiligheid en prestaties onvoldoende zijn onderbouwd met gegevens over het gebruik van het product in de mens. Een kleine tekortkoming is bijvoorbeeld dat een goede beschrijving van de operatie in de gebruiksaanwijzing ontbreekt, terwijl er wel staat dat een arts getraind moet zijn voor dit soort operaties. Het is niet duidelijk of de gevonden tekortkomingen schadelijk zijn voor de gezondheid van de patiënt. Tekortkomingen in de technische documentatie hoeven niet te betekenen dat er iets mis is met het product. Wel is het zo dat de veiligheid en prestaties van de producten door de tekortkomingen in de technische documentatie niet goed zijn onderbouwd. Regelgeving vereist dat fabrikanten de tekortkomingen in hun technische documentatie zorgvuldig onderzoeken en oplossen. Fabrikanten geven aan dat zij naar aanleiding van de resultaten van de RIVM-beoordeling de technische documentatie aan het verbeteren zijn. Sommige fabrikanten hebben gemeld dat ze sindsdien opnieuw door hun notified bodies zijn geaudit en dat hun aangepaste technische documentatie nu voldoet aan de Europese wet- en regelgeving. Deze audits hebben plaatsgevonden nadat de RIVM-beoordeling was afgerond. Vanaf mei 2021 gelden nieuwe Europese regels voor medische hulpmiddelen. Daardoor moeten fabrikanten zich aan meer en strengere regels houden, ook voor de technische documentatie. __________________________________________________________________________________________ De onderstaande teksten zijn de reacties van belanghebbende (rechts-)personen (bedrijven, organisaties, of individuen) op het RIVM-rapport. Deze reacties zijn geen oordeel van het RIVM, of informatie afkomstig van het RIVM. De inhoud komt dan ook geheel voor rekening en risico van de belanghebbenden. __________________________________________________________________________________________ Reactie Ethicon -Johnson and Johnson: alleen in het Engels, zie Abstract hieronder. __________________________________________________________________________________________ Reactie Promedon Als marktleider op het gebied van bekkenbodemoplossingen voor vrouwen blijft Promedon onverminderd toegewijd een beter en gezonder leven van onze patiënten. Hoewel wij menen dat wetenschappelijke samenwerking hieraan bijdraagt, zijn wij zeer teleurgesteld over hoe het RIVM heeft gehandeld met betrekking tot dit rapport. Naar onze mening zijn de meeste conclusies over Promedon's "Calistar S"-product onjuist en niet gebaseerd op de wettelijke norm voor de beoordeling van technische documentatie voor een medisch hulpmiddel. Het RIVM heeft ook verzuimd documentatie en informatie op te nemen die over het algemeen van na 2018 dateert (hoewel hierom is verzocht). Daarom biedt dit rapport geen nauwkeurige, actuele, objectieve status van de technische documentatie met betrekking tot ons product "Calistar S". Gezien onze zorgen over de gebruikte ongeschikte methodologie zijn wij op het moment van publicatie nog steeds verwikkeld in een juridische procedure met het RIVM. Echter, dit rapport en de onderliggende evaluatie van het RIVM hebben geen gevolgen voor de wettelijke goedkeuring van het "Calistar S"-product, zoals het RIVM zelf in het rapport bevestigt. Wij hebben het volste vertrouwen in de werkzaamheid en veiligheid van onze POP-behandelingen en zullen onze producten op de markt blijven brengen met dezelfde uitstekende inzet voor kwaliteit als altijd.
Jaar: 2022 Onderzoek

Monitoringsrapportage Doelbereik Schone Lucht Akkoord. Eerste voortgangsmeting | RIVM

De Nederlandse overheid wil de luchtkwaliteit verbeteren, omdat minder luchtvervuiling beter is voor de gezondheid. Ze heeft hiervoor in 2020 het Schone Lucht Akkoord (SLA) gesloten met een deel van de gemeenten en alle provincies. Hierin is afgesproken om de gezondheidseffecten van luchtvervuiling door Nederlandse bronnen in 2030 met 50 procent te verminderen. Het is ook de bedoeling dat de luchtkwaliteit hierdoor gaat voldoen aan de WHO-advieswaarden. De SLA-partijen hebben in maart 2021 aangegeven hoe zij de uitstoot van stikstofoxiden en fijnstof gaan terugdringen (Decentrale UitvoeringsPlannen, DUP’s). Wanneer al deze plannen worden uitgevoerd, zijn de gezondheidseffecten van luchtvervuiling in 2030 met 47 procent gedaald volgens berekeningen van het RIVM. Meer gezondheidswinst is mogelijk (52 procent) als ook de effecten van extra maatregelen voor klimaat en stikstof worden meegerekend. Het nieuwe kabinet moet het beleid hiervoor nog uitwerken. Met de plannen uit de DUP’s lijkt het mogelijk om de WHO-advieswaarden voor de luchtkwaliteit uit 2005 bijna overal te halen. Alleen hanteert de WHO sinds september 2021 veel strengere advieswaarden, die voor een groot deel van Nederland niet haalbaar lijken. Om dat in de toekomst wel mogelijk te maken, zijn extra maatregelen nodig. Dit rapport bevat de informatie om te kunnen berekenen of de doelen van het SLA worden gehaald. Bijvoorbeeld hoeveel de uitstoot en concentraties van stikstofoxiden en fijnstof dalen bij verschillende pakketten van maatregelen. Adviesbureau TAUW heeft uitgerekend hoeveel de uitstoot daarbij daalt. Het RIVM heeft voor de berekeningen van de gezondheidseffecten de resultaten van deze analyse gebruikt.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

De ontwikkeling van een GRIS: eerste bevindingen en geleerde lessen | RIVM

Nederland streeft naar een circulaire economie in 2050. Daarin worden minder grondstoffen gebruikt en zo veel mogelijk opnieuw gebruikt. De overheid wil weten of die doelstelling wordt gehaald en zo nodig maatregelen nemen. Het heeft het RIVM daarom gevraagd daarvoor het Grondstoffen Grondstoffen Informatie Systeem (GRIS) te ontwikkelen. Het gaat daarbij om grondstoffen die in Nederland worden geïmporteerd, gewonnen, gebruikt of geëxporteerd. Het RIVM heeft nu verkend wat nodig is om dit systeem te maken. Het GRIS gaat informatie over deze grondstoffen verzamelen en maakt inzichtelijk wie ze gebruikt in de Nederlandse economie en waarvoor, hoe groot de voorraden zijn en wat voor impact ze op het milieu hebben. Het GRIS doet dat door data over de productie- en verwerking van grondstoffen te verzamelen, met elkaar te verbinden, te evalueren wat er nog ontbreekt en beschikbaar te maken. Het RIVM heeft, samen met verschillende partners, onderzocht wat precies nodig is om dit systeem te kunnen maken. Gekeken is wie het systeem kan gebruiken, welke data de gebruikers nodig hebben en in welke vorm. Ook is gekeken welke – vaak versnipperde - informatie van grondstoffen er al is en hoe deze in één systeem kan worden verzameld. Veel van deze vragen zijn nu nog niet precies te beantwoorden. Belangrijk is om eerst het doel van het GRIS aan te scherpen. Bijvoorbeeld over wie de belangrijkste gebruikers worden, of het systeem over materialen of producten gaat en hoe gedetailleerd de data moeten zijn. Er zijn twee pilots gedaan om ervaring op te doen. In een daarvan zijn twee informatiebronnen aan elkaar gekoppeld. Hieruit blijkt dat goede data, kennis over de data en kennis over de circulaire economie nodig zijn om ze goed te kunnen koppelen. De pilot maakt ook duidelijk dat het systeem stap voor stap moet worden ontwikkeld en samenwerking tussen partijen nodig is. Voor de tweede pilot zijn data over staal verzameld. Het doel was om te bepalen welke data uit de hele productie- en verwerkingsketen er al is en welke vragen deze data kunnen beantwoorden. Daaruit blijkt dat afspraken nodig zijn welke data openbaar kunnen worden gemaakt en hoe ze kunnen worden gedeeld.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Nadelige gezondheidseffecten en ziekten veroorzaakt door blootstelling aan hexamethyleen di-isocyanaat (HDI). Actualisatie van de wetenschappelijke literatuur | RIVM

Tussen 1984 en 2006 hebben werknemers van Defensie op de zogenoemde POMS-locaties (Prepositioned Organizational Materiel Storage) in Nederland Amerikaans materieel onderhouden. Zij hebben daar onder andere gewerkt met CARC (Chemical Agent Resistant Coating), een beschermende toplaag voor legervoertuigen. Tijdens onderhoudswerk zijn werknemers mogelijk blootgesteld aan componenten in CARC. Hexamethyleen di-isocyanaat, afgekort HDI, is een belangrijk bestanddeel van CARC en heeft schadelijke eigenschappen. De kans om ziek te worden is groter naarmate iemand meer, vaker of langer aan HDI is blootgesteld. Het RIVM onderzoekt sinds 2019 of er wetenschappelijke aanwijzingen zijn voor een verband tussen blootstelling aan HDI en schadelijke gezondheidseffecten. In het eerste onderzoek (gepubliceerd in 2020) toonde het RIVM aan dat beroepsmatige blootstelling schadelijk is voor de gezondheid van werknemers en bepaalde ziekten kan veroorzaken. Onderzoek uit 2021 op basis van de nieuwste wetenschappelijke kennis, bevestigt deze conclusies. Er zijn geen nieuwe gezondheidseffecten in relatie tot blootstelling aan HDI aangetoond. Blootstelling aan HDI kan de volgende ziekten veroorzaken: vormen van astma, neus- en oogslijmvliesontsteking, contactdermatitis en de zeldzame longaandoening Hypersensitivity Pneumonitis. Er zijn geen aanwijzingen dat HDI kankerverwekkend is.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Nadelige gezondheidseffecten en ziekten veroorzaakt door chroom-6. Tweede actualisatie van de wetenschappelijke literatuur | RIVM

Tussen 1984 en 2006 hebben werknemers van Defensie op de zogenoemde POMS-locaties (Prepositioned Organizational Materiel Storage) in Nederland Amerikaans materieel onderhouden. Hierbij kon chroom-6 vrijkomen, dat vooral in de grondverf van het materieel zat. Chroom-6 heeft schadelijke eigenschappen waardoor mensen ziek kunnen worden als ze eraan worden blootgesteld. De kans om ziek te worden is groter naarmate iemand meer, vaker of langer aan chroom-6 is blootgesteld. In 2018 bracht het RIVM een overzicht uit van de schadelijke gezondheidseffecten en ziekten die kunnen worden veroorzaakt als mensen tijdens hun werk aan chroom-6 blootstaan. Dit overzicht wordt regelmatig geactualiseerd om nieuwe wetenschappelijke kennis mee te nemen. De kwaliteit en inhoud van de relevante nieuwe studies wordt met externe experts geëvalueerd. De eerste actualisatie verscheen in 2020. In deze tweede actualisatie (2021) worden de eerdere conclusies bevestigd. Er zijn geen nieuwe schadelijke gezondheidseffecten of ziekten in relatie tot blootstelling aan chroom-6 aangetoond. Beroepsmatige blootstelling aan chroom-6 kan de volgende ziekten veroorzaken: longkanker, neus- en neusbijholtekanker, chronische longziekten, chroom-6-gerelateerde allergische astma en rhinitis, allergisch contacteczeem en perforatie van het neustussenschot door chroomzweren. Beroepsmatige blootstelling aan chroom-6 wordt ervan verdacht strottenhoofdkanker en maagkanker te kunnen veroorzaken (wat betekent: er is beperkt wetenschappelijk bewijs). De actuele lijst met ziekten en schadelijke gezondheidseffecten staat op www.rivm.nl/chroom6/ziektelijst .
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Zout- en kaliuminname 2020/2021 en trend in inname voor volwassenen in Noord- Nederland. Monitoren van de voedingsstatus in het Lifelines cohort | RIVM

Mannen en vrouwen van 31 tot en met 50 jaar in het noorden van Nederland kregen in 2020/2021 ongeveer 13 procent minder zout binnen dan in 2006/2007. Ondanks de daling is dit nog steeds te veel. De hoeveelheid ligt ruim boven het aanbevolen maximum van 6 gram per dag. Hoeveel zout mensen binnenkrijgen hangt af van de producten die ze eten, van het gehalte zout in bewerkte voedingsmiddelen en van de hoeveelheid die ze zelf thuis aan hun maaltijden toevoegen. Te veel zout eten kan een hoge bloeddruk veroorzaken, wat de kans op hart- en vaatziekten vergroot. De hoeveelheid kalium is in deze periode bijna hetzelfde gebleven en is op een goed niveau. Kalium is nodig om de bloeddruk en vochtbalans te reguleren. Bronnen van kalium zijn zuivel, vlees, groenten en fruit. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM, in opdracht van het ministerie van VWS. Onderzocht is hoeveel zout en kalium volwassen mensen binnenkrijgen die aan het Lifelines cohort meedoen, een gezondheidsonderzoek in Noord-Nederland. Er kon alleen een vergelijking worden gemaakt van mensen van 31 tot en met 50 jaar. In beide perioden was namelijk alleen van deze leeftijdsgroep de benodigde informatie beschikbaar. De hoeveelheid zout en kalium is gemeten in de urine van de deelnemers, die ze 24 uur lang hebben verzameld. De helft van de mannen kreeg in 2020/2021 meer dan 11 gram zout per dag binnen. Bij de helft van de vrouwen was dat meer dan 8 gram per dag. Wat kalium betreft krijgt de helft van de mannen meer dan 5075 milligram per dag binnen. Bij vrouwen was dat meer dan 3857 milligram per dag. Volwassenen moeten minimaal 3500 milligram kalium per dag binnenkrijgen. Sinds 2006 heeft de overheid verschillende maatregelen genomen om de hoeveelheid zout in bewerkte voedingsmiddelen te verlagen. Zo werd in 2014 het Akkoord Verbetering Productsamenstelling gesloten met het bedrijfsleven. Onder andere hierdoor krijgen mensen minder zout binnen. Om de hoeveelheid verder te laten dalen is een combinatie van extra maatregelen en gedragsverandering nodig. Vanaf 2021 wordt er met de Nieuwe Aanpak Productverbetering verder op ingezet om de hoeveelheid zout in bewerkte voedingsmiddelen te verlagen.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Nieuwe criteria voor productverbetering. Zout-, verzadigd vet- en suikergehalten voor voedingsmiddelengroepen | RIVM

Nederlanders eten gemiddeld te veel zout, verzadigd vet en suiker, vooral via bewerkte voedingsmiddelen. De Nederlandse overheid wil dat fabrikanten minder zout en suiker aan voedingsmiddelen toevoegen en bijvoorbeeld een deel van het verzadigd vet vervangen door onverzadigd vet. Zo krijgen mensen toch minder van deze stoffen binnen als zij dezelfde bewerkte voedingsmiddelen blijven eten. In 2022 start de Nationale Aanpak Productverbetering (NAPV). Deze aanpak is bedoeld om verbeteringen in de samenstelling van bewerkte voedingsmiddelen, die via eerdere afspraken in gang zijn gezet, te versnellen. Het doel is ook om productverbetering uit te breiden naar alle bewerkte voedingsmiddelen in verschillende kanalen: niet alleen in supermarkten maar bijvoorbeeld ook in restaurants. De bedoeling is dat fabrikanten de samenstelling van voedingsmiddelen zo veel mogelijk aanpassen. Hiervoor zijn nu per voedingsmiddelengroep grenswaarden opgesteld voor de hoeveelheid zout, verzadigd vet en/of suiker. Het RIVM heeft dat samen met het Voedingscentrum en de HAS Hogeschool gedaan. Per voedingsstof (zout, verzadigd vet, suiker) zijn er drie grenswaarden (laag, midden, hoog), op basis waarvan voedingsmiddelen zijn ingedeeld. Het ministerie van VWS heeft de doelen voor de productverbetering bepaald. Bijvoorbeeld dat minimaal vijftig procent van de voedingsmiddelen onder de laagste grenswaarde zit. De NAPV maakt het mogelijk dat voedingsmiddelen stapsgewijs verbeteren. Zo kunnen fabrikanten van voedingsmiddelen die al onder de hoogste grenswaarde zijn gekomen, eraan werken om ze onder de middelste grenswaarde te laten vallen. Het RIVM gaat de komende jaren de veranderingen in de samenstelling van voedingsmiddelen volgen en kijken of de doelen worden behaald. Het plan voor de nieuwe aanpak is een onderdeel van het Preventieakkoord. Via het Preventieakkoord werken verschillende organisaties eraan om het aantal mensen met (ernstig) overgewicht te laten dalen. Zo worden ook ziekten die daarmee te maken hebben, zoals hart- en vaatziekten en diabetes voorkomen. De meeste bewerkte voedingsmiddelen vallen ook na de aanpassingen niet binnen de Schijf van Vijf. Het blijft belangrijk om via een gezond voedingspatroon minder ongezonde voedingsstoffen binnen te krijgen.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Verkenning en advies verkeersintensiteiten voor geluidmonitoring | RIVM

In 2022 gaat de Omgevingswet in, met onder andere nieuwe regels voor geluid. Een onderdeel daarvan is dat decentrale overheden het geluid op wegen moeten monitoren. Zij moeten hiervoor elke vijf jaar de geluidssterkte berekenen en vergelijken met een basisniveau. Voor de berekening is informatie nodig over het wegdek, de snelheid van motorvoertuigen, en de verkeersintensiteit. De verkeersintensiteit is het totale aantal motorvoertuigen dat per 24 uur gemiddeld genomen over een jaar over de weg rijdt. Niet elke wegbeheerder heeft de informatie over verkeersintensiteiten in detail en moet extra werk verrichten om die gegevens te krijgen. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) wil hen daarbij helpen. Het RIVM onderzocht daarom of het mogelijk is om een databestand te maken waarin de verkeersintensiteiten op alle wegen van Nederland staan. Volgens het RIVM is de kwaliteit van zo’n ‘landsdekkende dataset’ goed genoeg om voor de monitoring te gebruiken. Wel zijn er mogelijkheden om de kwaliteit verder te verbeteren. Het is alleen niet mogelijk om deze dataset met de bestaande verkeersmodellen te maken. Daarvoor is het gebied waarvoor de dataset bruikbaar moet zijn te groot en zijn details nodig. Het RIVM heeft vier methoden onderzocht die in principe wél landsdekkende verkeersintensiteiten kunnen berekenen: het Mobiliteitsspectrum, Mobi Surround, een propagatiemodel en een FCD-test. De methoden hebben elk een andere aanpak en uitgangspunten, maar kunnen voor dit doel worden aangepast en verbeterd. Gemeenten die nog geen lokale of regionale data hebben, stellen een landsdekkende dataset op prijs. Gemeenten die wél zelf data over verkeersintensiteiten hebben, gebruiken liever hun eigen data en systemen. Deze zijn vaak preciezer dan een landelijk bestand. IenW moet nog beslissen of er een landsdekkende dataset voor verkeersintensiteiten komt. Het gebruik zal niet verplicht zijn. Wegbeheerders kiezen uiteindelijk zelf of ze gaan werken met een landsdekkende of eigen dataset.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Monitoring Patiëntoverleg voor contact tussen huisartsen en bedrijfsartsen | RIVM

Huisartsen en bedrijfsartsen willen meer met elkaar samenwerken om werknemers met gezondheidsproblemen te begeleiden en te behandelen. Dit helpt om de gezondheid van werknemers te verbeteren zodat ze weer aan het werk kunnen. Maar huisartsen kunnen de bedrijfsartsen vaak moeilijk vinden en bereiken. Er is daarom in 2019 een hulpmiddel bedacht dat het voor huisartsen en bedrijfsartsen makkelijker maakt om met elkaar in contact te komen: Patiëntoverleg. Het is een beveiligde chatfunctie, ingebouwd in een bestaand digitaal zorgsysteem (ZorgDomein). De meeste huisartsen maken al gebruik van ZorgDomein om hun patiënten door te verwijzen naar bijvoorbeeld specialisten. Onder bedrijfsartsen is dit minder, ongeveer de helft is aangesloten bij Zorgdomein. Zij gebruiken het bijvoorbeeld voor CBRkeuringen. De applicatie Patiëntoverleg binnen ZorgDomein is vaak nog niet bekend, maar kan juist zorgen voor laagdrempelig contact tussen artsen. Het RIVM heeft onderzocht of huisartsen en bedrijfsartsen Patiëntoverleg gebruiken en wat ze er van vinden. Daaruit blijkt dat de meeste ondervraagde huisartsen en bedrijfsartsen Patiëntoverleg wel zouden willen gebruiken. Ook zien ze het als een oplossing om de samenwerking te verbeteren. Toch wordt de applicatie bijna niet gebruikt en vindt het meeste contact schriftelijk of telefonisch plaats. Dat komt vooral omdat zowel huisartsen als bedrijfsartsen vaak niet weten dat Patiëntoverleg bestaat. Hoewel de privacy van de werknemers is veiliggesteld, maken sommige bedrijfsartsen zich hier zorgen over. De werknemer moet hen eerst toestemming geven voor er contact met de huisarts kan zijn. De ondervraagde huisartsen en bedrijfsartsen stellen voor hen er regelmatig aan te herinneren dat de applicatie bestaat en welke voordelen het heeft. Dat kan bijvoorbeeld via vaktijdschriften of nascholing. Ook lijkt het tijd nodig te hebben om de applicatie een onderdeel van hun werkwijze te laten worden. 106 bedrijfsartsen en 87 huisartsen hebben de vragenlijst ingevuld. Een aantal van hen zijn ook geïnterviewd. Omdat de applicatie zo weinig is gebruikt, kan het RIVM niet adviseren over verbeteringen. Ook is niet duidelijk of de applicatie helpt om zieke werknemers beter te begeleiden.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Veilig werken en de nacht. Een verkenning van feiten, oorzaken en kansen | RIVM

In Nederland werken ongeveer 1,3 miljoen mensen soms of regelmatig ’s nachts. Het is bewezen dat werknemers die een groot deel van hun leven in de nacht werken een grotere kans hebben om slaapproblemen, diabetes en hart- en vaatziekten te krijgen dan mensen die alleen overdag werken. Er is nog weinig bekend over de invloed van werken in de nacht op de veiligheid op de werkvloer. In de internationale wetenschappelijke literatuur zijn er aanwijzingen dat de kans op een ernstig ongeval in de nacht iets groter is dan overdag. Dat lijkt vooral door vermoeidheid te komen. Het RIVM heeft verkennend uitgezocht of dat ook voor Nederland geldt. Het aantal ernstige arbeidsongevallen ’s nachts is in Nederland lager dan overdag: ongeveer 5,5 procent van de ernstige arbeidsongevallen is gebeurd tussen 23:00 en 07:00 uur. Er blijkt niet genoeg informatie te zijn over het werk dat mensen ’s nachts doen om conclusies over de kans op een ongeval te trekken. Wel weten we dat een van de drie ernstige ongevallen die ’s nachts plaatsvinden in drie sectoren voorkomen. Het gaat om de sectoren ‘Vervaardigen van voedingsmiddelen’, ‘Vervoer over land’ en ‘Opslag en dienstverlening voor vervoer’. In deze sectoren wordt relatief veel ’s nachts gewerkt. Ook is het type ongeval anders dan overdag. Zo komen in verhouding ’s nachts meer ongevallen met machines voor en overdag meer ongevallen met ladders. Dit heeft waarschijnlijk te maken met het soort werk dat ’s nachts wordt gedaan. Bedrijven nemen allerlei maatregelen zodat werknemers ’s nachts veilig kunnen werken. Zo zijn er wettelijke afspraken over de maximale werktijden en minimale rusttijden. Sommige organisaties nemen extra maatregelen. Ze proberen bijvoorbeeld werkschema’s gezonder en veiliger te maken of de risico’s van het werk op een andere manier te beperken. Het RIVM gaat onderzoeken welke maatregelen bedrijven hiervoor nemen. Ook om te kijken hoe mensen gezond én veilig in de nacht kunnen werken.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Ernstige hinder en slaapverstoring in Nederland – Onderzoek Beleving Woonomgeving (OBW) 2020. Hinder in tijden van corona | RIVM

Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (I&W) wil weten hoe bewoners hun woonomgeving beleven. Het laat dat sinds 1977 onderzoeken; sinds 2003 door het RIVM. Het onderzoek brengt onder andere in kaart hoe bewoners geluid, trillingen, geur en veiligheid in de woonomgeving ervaren. In 2020 zijn hinder en slaapverstoring door andere bronnen bepaald dan in 2019. Mensen hadden in 2020 vooral ernstige hinder van bronnen vlak bij hun woning, zoals wegverkeer, buren en bouw- en sloopactiviteiten. Van andere bronnen die ernstige hinder veroorzaken, zoals vlieg- en railverkeer, hadden ze juist minder last. Dit komt zeer waarschijnlijk door maatregelen die zijn genomen om de verspreiding van het coronavirus SARS-CoV-2 tegen te gaan. Hierdoor bleven mensen meer thuis en hebben ze meer vanuit huis gewerkt. Ook hebben mensen minder gereisd met auto, trein of vliegtuig. De belangrijkste geluidbronnen voor hinder en slaapverstoring blijven buren, volgens dit onderzoek, ‘buren’ en ‘wegverkeer’. In 2020 was de categorie ‘wegverkeer’ (op wegen tot 80 kilometer per uur) de belangrijkste bron van slaapverstoring; in 2019 was dat de categorie buren. De belangrijkste bron van geluidhinder is ‘buren’. Het gaat daarbij om activiteiten van mensen/dieren, rond het huis, spelende kinderen en tuinieren, en motoren. ‘Buren’ en ‘wegverkeer’ blijven ook de belangrijkste bronnen van hinder door trillingen. Wat geurhinder betreft, zijn ‘buren’ in 2020 de belangrijkste bron. In 2019 waren dat de categorieën ‘open haarden’ en ‘allesbranders’. Verder zijn mensen die in een drukke straat wonen, bezorgder over hun veiligheid en over effecten op hun gezondheid door geluid rond huizen dan in 2019. Mensen hebben dezelfde verwachtingen (vooruitgaan, achteruitgaan, hetzelfde blijven) over de ontwikkeling in de toekomst van de buurt of over geluid in hun omgeving als in 2019. In 2020 namen bijna 2.300 inwoners van Nederland van zestien jaar en ouder deel aan dit onderzoek. Dit aantal is ongeveer hetzelfde als de jaren ervoor. Het RIVM en het CBS voerden het onderzoek uit. Het RIVM rapporteert de bevindingen die op basis van een vragenlijstonderzoek (Onderzoek Beleving Woonomgeving OBW) zijn verzameld.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

The 26th EURL-Salmonella workshop. 28 May 2021, Online | RIVM

In mei 2021 is de 26e workshop voor de Europese Nationale Referentie Laboratoria (NRL’s) voor Salmonella georganiseerd. Het RIVM heeft de verslagen van de presentaties gebundeld. Deze workshop wordt elk jaar georganiseerd. Het doel is dat het Europese orgaan, het Europese Referentie Laboratorium (EURL) voor Salmonella, en de NRL’s informatie delen. Door de uitbraak van het coronavirus is de workshop voor de tweede keer online gehouden. In elke workshop is er veel aandacht voor de ringonderzoeken die het EURL organiseert om de kwaliteit van de NRL’s te controleren. Dit keer zijn de drie laatste ringonderzoeken gepresenteerd. In het ringonderzoek van 2020 zijn hygiënedoekjes onderzocht, en in die van 2021 vloeibaar ei. In het derde ringonderzoek zijn verschillende Salmonella-stammen getypeerd met gewone technieken en met DNA-technieken. Voor dit laatste is vooral Whole Genome Sequencing (WGS) gebruikt, waarmee micro-organismen heel precies kunnen worden getypeerd. De NRL’s scoorden goed bij de ringonderzoeken van 2020 en 2021. De ringonderzoeken zijn hier kort beschreven. Meer informatie is te vinden in de rapporten die over elk ringonderzoek apart worden uitgegeven. Een presentatie ging in op het systeem dat wordt gebouwd om de WGS-data van alle landen van de Europese Unie op te slaan. Deze data kunnen goed gebruikt worden om de bron van besmettingen met een Salmonellabacterie te onderzoeken. De NRL’s-Salmonella van Tsjechië, Ierland en Slovenië lieten zien hoe zij hun wettelijke taken invullen. Het EURL voor Salmonella, dat onderdeel is van het RIVM, organiseert deze workshop. Een belangrijke taak van het EURL-Salmonella is de kwaliteit van de nationale referentielaboratoria voor deze bacterie in Europa controleren.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Air Fresheners Fact Sheet. Default parameters for estimating consumer exposure – Version 2021 | RIVM

Chemische stoffen in consumentenproducten kunnen risico’s hebben voor de gebruiker. Om die te kunnen beoordelen, is een goede schatting nodig van de mate waarin de gebruiker blootstaat aan chemische stoffen. Voor deze schatting heeft het RIVM het computerprogramma ConsExpo ontwikkeld. Hiermee kan bijvoorbeeld worden berekend in welke mate iemand tijdens het gebruik in huis van bijvoorbeeld verf, schoonmaakmiddelen of cosmetica, aan een chemische stof blootstaat. Voor de gebruikers van ConsExpo Web maakt het RIVM Factsheets waarin standaardmodellen en standaardwaarden (defaults) staan beschreven. Door deze modellen en waarden te gebruiken, wordt de blootstelling op een transparante en gestandaardiseerde manier geschat. Er zijn meerdere Factsheets, waaraan nu de Factsheet over luchtverfrissers is toegevoegd. Het gaat onder andere over luchtverfrissersprays, elektrische verdampers, en middelen om nare luchtjes te maskeren en uit kleding te verwijderen. Voorbeelden van standaardwaarden voor luchtverfrissers zijn hoe vaak in en in welke hoeveelheden het product gebruikt wordt. Ook worden de onderliggende databronnen in de Factsheet beschreven en beoordeeld op kwaliteit. Op basis daarvan zijn de standaardwaarden bepaald. De kwaliteit van de data wordt beoordeeld met een cijfer (kwaliteitsfactor). De standaardwaarden en -modellen uit deze Factsheet worden ook aan de ConsExpo Web-database toegevoegd.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Capaciteitsmodel meldkamer ambulancezorg 2022 | RIVM

Het RIVM heeft een model ontwikkeld dat kan inschatten hoeveel centralisten op een meldkamer voor ambulancezorg nodig zijn. Centralisten beantwoorden verzoeken van mensen die naar het alarmnummer 112 bellen met een acute medische vraag. Op basis van dit gesprek beoordelen de centralisten of een ambulance nodig is en hoe snel die ter plaatse moet zijn. Voor heel Nederland is het benodigde aantal centralisten op een meldkamer ambulancezorg op werkdagen overdag 122. Het model is ontwikkeld om bij de berekening van het nodige aantal centralisten beter rekening te houden met hun werkdruk. Het model houdt namelijk rekening met werkzaamheden met en zonder spoed, de werkdruk bij pieken en met hersteltijd na emotionele gesprekken. Het RIVM heeft dit model in opdracht van het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) ontwikkeld, samen met de Ambulancezorg Nederland ( AZN Ambulancezorg Nederland (Ambulancezorg Nederland) ) en Zorgverzekeraars Nederland (ZN).
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2022 | RIVM

Het RIVM berekent elk jaar hoeveel ambulances in Nederland in het volgende jaar nodig zijn. In 2023 zijn dat er op werkdagen overdag 692; 40 meer dan in 2022. Ook op zaterdagen en zondagen zijn overdag meer ambulances nodig dan dat er voor 2022 was berekend met het referentiekader-2021, respectievelijk 40 en 35. Dat komt omdat ambulances er langer over deden om hun bestemming te bereiken. Ook vragen mensen de laatste jaren steeds vaker om een ambulance. Het RIVM berekent deze aantallen ambulances in Nederland met het ‘referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg’. Dit model is gebaseerd op een aantal uitgangspunten voor de Nederlandse ambulancezorg. Een voorbeeld is de tijd na een melding waarbinnen een ambulance ter plaatse moet zijn. Het model schat het benodigde aantal ambulances in op basis van het aantal ambulanceritten en de duur daarvan in het jaar ervoor. Om de duur van een rit goed te kunnen berekenen, wordt een rijtijdenmodel gebruikt dat om de vier jaar wordt ge?pdatet. Dit jaar is met een geactualiseerd rijtijdenmodel gewerkt, dat goed blijkt aan te sluiten op de praktijk. In opdracht van het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) heeft het RIVM het referentiekader in 2022 geactualiseerd met cijfers over het gebruik van ambulancezorg in Nederland in 2021.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Aanbevelingen voor het tweede Nederlandse nationale programma voor het beheer van radioactief afval en verbruikte splijtstoffen | RIVM

Straling wordt voor veel verschillende toepassingen gebruikt. Niet alleen om energie mee te maken in kerncentrales, maar ook voor behandelingen van mensen met kanker. Hierbij kan radioactief afval ontstaan. Dit afval wordt in Nederland veilig opgeslagen en beheerd om mens en milieu te beschermen. Lidstaten van de Europese Unie zijn verplicht om een nationaal programma op te stellen om te beschrijven hoe zij radioactief afval veilig beheren. Dit programma moet het nationale beleid en de uitvoering ervan volgens bepaalde eisen beschrijven. Het eerste Nederlandse programma, uit 2016, moet uiterlijk in 2025 zijn bijgewerkt. Als voorbereiding hierop heeft het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat het RIVM gevraagd om te adviseren waar de beschrijving van het programma kan worden verbeterd. Het RIVM adviseert om duidelijker en gedetailleerder te beschrijven hoe Nederland het beleid in de praktijk uitvoert. Dit is namelijk een van de eisen. Dat betekent bijvoorbeeld beter beschrijven wat nodig is voor een veilig beheer, wie hiervoor verantwoordelijk is, wat dat kost en wie deze kosten betaalt. Ook kan duidelijker worden beschreven hoe deze onderdelen met elkaar samenhangen. De programma’s van Frankrijk en Zweden zijn goede voorbeelden voor het nieuwe programma. Het RIVM heeft in dit onderzoek naar zes landen gekeken: België, Duitsland, Finland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Zweden. Deze landen zijn gekozen omdat ze, net als Nederland, verbruikte splijtstof beheren, en omdat hun programma’s in het Engels zijn geschreven. Het RIVM keek alleen naar de inhoud van de programma’s en niet hoe ze zijn uitgevoerd.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Op weg naar een veilige circulaire economie: successen, kansen en uitdagingen | RIVM

Grondstoffen worden steeds vaker hergebruikt, maar daar zit ook een keerzijde aan. In gerecyclede materialen kunnen (zeer) zorgwekkende stoffen zitten. Daarom is het belangrijk om te weten welke stoffen aanwezig zijn in de producten die in omloop zijn. En of deze veilig zijn voor mens en milieu als ze hergebruikt of gerecycled worden. Daarnaast moeten we ervoor zorgen dat in nieuwe producten geen zorgwekkende stoffen meer zitten. Want kort gezegd: wat er niet in zit, wordt ook niet gerecycled. Het RIVM ontwikkelde een methode om de mogelijke risico’s van zorgwekkende stoffen in een circulaire economie te achterhalen. Samen met partijen uit de keten zijn vervolgens acht toekomstscenario’s uitgewerkt voor materialen met zorgwekkende stoffen. Twee daarvan zijn verwerkt in deze publicatie. Inzicht én actie Zicht en grip krijgen op zorgwekkende stoffen is belangrijk voor een veilige circulaire economie. En vraagt continu aandacht en samenwerking tussen beleid, wetenschap en de praktijk. Daarom staan in deze publicatie niet alleen onze methode en concrete voorbeelden, maar ook mogelijke vervolgstappen. Want op alle onderdelen is actie nodig. Wilt u meer weten over onze publicatie? Mail dan naar info@rivm.nl
Jaar: 2022 Onderzoek

Evaluatie van ringonderzoek waakvlam-instituten in 2021 | RIVM

Voor het uitvoeren van metingen tijdens een radiologisch incident kan het RIVM een beroep doen op de zogenoemde waakvlaminstituten (WVI’s). Dit zijn onafhankelijke instituten in Nederland die allen gespecialiseerd zijn in radiologische metingen. In het voorjaar van 2021 is een ringonderzoek georganiseerd als onderbouwing van de kwaliteit van de metingen. Drie verschillende monsters zijn aangemaakt met een bekende hoeveelheid radioactiviteit: een aerosolfilter, een koolpatroon en een watermonster. De gammaspectrometrische resultaten voor het aerosolfilter voldoen over het algemeen redelijk. Het resultaat van WVI (3) voldoet niet. Het gammaspectrum zal opnieuw geanalyseerd moeten worden. De resultaten voor 131I in het koolpatroon zijn voor vijf WVI’s goed en voor vier WVI’s redelijk. De meeste WVI’s hebben het gemiddelde gerapporteerd van de metingen van het koolpatroon met de aanzuigzijde naar de detector en andersom. Dit blijkt uit berekeningen een zeer acceptabele en praktische werkwijze te zijn. Alleen WVI (6) heeft een kalibratie voor een koolpatroon met een aangezogen 131I activiteit; de gerapporteerde 131I activiteit is goed. De resultaten in het watermonster als afgeleide voor de monstername van een depositiebak zijn over het algemeen redelijk tot goed. Dit is een positief resultaat omdat niet alle te bepalen nucliden regulier in de gammabibliotheek voorkomen.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Antimicrobial resistance surveillance in Europe 2022 - 2020 data Surveillance report | RIVM

Nieuwe cijfers over antibioticaresistentie in Europa. Op 26 januari 2022 is de eerste editie van een gezamenlijk jaarrapport van het netwerk voor surveillance van antibioticaresistentie in Centraal-Azië en Europa (CAESAR) en het netwerk voor de surveillance van antibiocaresistentie (ABR) in de Europese Unie (EARS-Net) gepubliceerd.. Het WHO Collaborating Centre for Antimicrobial Resistance Epidemiology and Surveillance, gevestigd binnen het RIVM, is medeauteur van het rapport. Het rapport bevat cijfers over antibioticaresistentie in 2020 in 29 EU/EEA landen en 12 landen plus Kosovo (in de context van resolutie 1244 van de Veiligheidsraad Verenigde Naties (1999)) in de WHO Europese regio. Deze informatie is van onschatbare waarde om inzicht te krijgen in de aard en omvang van ABR en het stellen van prioriteiten in de bestrijding ervan.
Jaar: 2022 Onderzoek

De gevolgen van de coronapandemie voor de gezondheid en het welzijn van de jeugd. Een systematische literatuurstudie | RIVM

De uitbraak van het coronavirus en de maatregelen die daarvoor zijn genomen, hebben veel impact op de volksgezondheid. De komende vijf jaar wordt deze impact onderzocht in de Integrale Gezondheidsmonitor COVID-19. Het eerste resultaat van dit meerjarige onderzoek is een literatuurstudie van nationaal en internationaal onderzoek van het Nivel en het RIVM. Hierin is gekeken wat er in de wetenschappelijke literatuur al bekend is over de gevolgen van de coronapandemie voor de fysieke en mentale gezondheid van de jeugd (0 tot 25 jaar). De literatuurstudie kijkt naar zes thema’s: fysieke gezondheid, behoefte aan zorg, mentale gezondheid, sociale effecten; overige effecten en risico- en beschermende factoren. Daarnaast is onderzocht welke factoren de jeugd kunnen beschermen tegen negatieve gevolgen, en welke de problemen juist groter maken. De onderzochte internationale studies gaan over de periode tot het najaar van 2020. De Nederlandse studies nemen ook het voorjaar van 2021 mee. Uit de studies blijkt dat de coronacrisis voor veel jongeren een negatieve invloed heeft gehad op de fysieke en mentale gezondheid. Veel jongeren zijn minder gaan bewegen, ongezonder gaan eten en hadden vaker last hadden van klachten als depressie, angsten en eenzaamheid. Jongeren die al mentale of lichamelijke problemen hadden, hebben meer negatieve gevolgen ervaren van de coronacrisis. Door de crisis werden hun bestaande problemen erger. Andere factoren die de negatieve gevolgen van de coronacrisis vergroten zijn armoede en problemen in gezinnen. De invloed van de crisis is groter als jongeren verschillende problemen tegelijk hebben. Het onderzoek laat ook zien dat jongeren minder vaak naar een zorgverlener gingen voor fysieke of mentale klachten terwijl de behoefte aan mentale zorg juist toenam. Tegelijkertijd laat de studie zien dat jongeren veerkrachtig zijn; in ieder geval in het begin van de crisis. Velen hadden in de onderzochte periode (ruwweg het eerste jaar van de crisis) geen of weinig klachten, of de klachten namen weer af nadat maatregelen werden versoepeld. Jongeren gaven daarnaast aan dat ze minder druk of prikkels ervoeren tijdens lockdowns en dat ze dat prettig vonden. Ook konden de onderlinge contacten binnen gezinnen verbeteren. Het is uit dit onderzoek onduidelijk wat de effecten op de lange termijn zijn. In het algemeen is meer aandacht nodig voor preventie om gezondheidsproblemen te voorkomen en de jeugd veerkrachtig te maken en houden. En daarbij speciale aandacht te hebben voor kwetsbare groepen. Dit onderzoek werd uitgevoerd voor de Integrale Gezondheidsmonitor COVID-19. Het netwerk Gezondheidsonderzoek bij Rampen (GOR) – dat bestaat uit de lokale GGD’en, GGD GHOR Nederland, RIVM, het Nivel en ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum – voert deze monitor uit. Dit project wordt gesubsidieerd door ZonMw namens het ministerie van VWS.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Geluidmonitor 2020. Meting en validatie van geluidproductie door rijkswegen en spoorwegen | RIVM

De weg- en spoorbeheerders, Rijkswaterstaat en ProRail, berekenen sinds 2013 elk jaar hoeveel geluid het verkeer op de weg en het spoor maakt. Het RIVM toetst met metingen deze berekeningen. Dit is verplicht voor de Wet milieubeheer. De Geluidmonitor 2020 vergelijkt de gemeten en berekende geluidniveaus op rijks- en spoorwegen van het jaar 2019. De gemeten geluidniveaus langs rijkswegen lagen in 2019 gemiddeld bijna 3 decibel hoger dan de berekende waarden. Dit verschil was in 2019 iets groter dan in eerdere jaren. De verwachting dat auto’s op rijkswegen minder geluid zouden maken door het gebruik van stillere banden sinds 2016, komt daarmee nog niet uit. Een andere verklaring van het relatief grote verschil kan zijn dat bij de meetlocaties ouder asfalt ligt dan op de meeste andere plaatsen in Nederland. Ouder asfalt geeft meer geluid. Langs het spoor waren de gemeten en berekende geluidniveaus gemiddeld hetzelfde in 2019. Dit beeld is hetzelfde als tussen 2013 en 2018. Wel kan per traject, zowel bij rijks- als spoorwegen, het verschil tussen de berekende en gemeten geluidniveaus variëren. De Geluidmonitor 2020 geeft ook de resultaten van de metingen van 2020. De maatregelen vanwege de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2 hebben invloed gehad op het gemeten geluid. Door bijvoorbeeld thuiswerken, de avondklok en aangepaste dienstregeling op het spoor reden er minder auto’s op de weg en minder treinen. Ook ging in 2020 de maximumsnelheid overdag op alle Rijkswegen naar 100 km per uur. Daardoor was er minder geluid. Hoe dat precies uitpakt in vergelijking met berekeningen over 2020 wordt in de volgende geluidmonitor duidelijk. De weg- en spoorbeheerder maken de berekeningen over 2020 in de tweede helft van 2021 openbaar. Deze worden in de volgende geluidmonitor vergeleken met de gemeten geluidniveaus in 2020. De Geluidmonitor 2021 verschijnt in 2022.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Onderzoek naar de herkomst van neergedaald stof en stoffen in de lucht in de IJmond regio | RIVM

Inwoners van de IJmond zijn bezorgd over de stoffen die ze inademen en over stofdeeltjes die ze in hun omgeving zien liggen. Ze willen graag weten waar deze stoffen vandaan komen, vooral op dagen dat zij de luchtkwaliteit als ongezond ervaren. De provincie Noord-Holland heeft het RIVM gevraagd onderzoek te doen naar de bronnen. Voor de stoffen in de lucht is informatie gebruikt uit het luchtmeetnet in de IJmond en over de uitstoot van stoffen in de milieujaarverslagen en de Emissieregistratie. Voor de stoffen op de grond is eerder onderzoek van het RIVM hierover in de leefomgeving rond het terrein van Tata Steel (metalen en PAK) gebruikt. Al deze informatie geeft een indruk welke bronnen bijdragen aan de stoffen in de lucht en op de grond. Het lijkt erop dat bronnen op het terrein van Tata Steel een belangrijke bijdrage leveren aan onder meer fijnstof, metalen en PAK in de IJmondregio. Uit analyse blijkt dat PAK en metalen in het neergedaalde stof voor een aanzienlijk deel afkomstig zijn van verschillende processen voor de staalproductie. Ook komen ze van op- en overslag van materialen op het terrein van Tata Steel, die worden gebruikt bij de staalproductie. Deze analyses geven niet genoeg informatie over de precieze bijdragen van deze en andere bronnen aan de PAK en metalen in de stofdeeltjes. Ook blijkt uit berekeningen met een verspreidingsmodel dat de gemeten en berekende bijdrage door Tata Steel aan de hoeveelheid fijnstof in de leefomgeving goed met elkaar overeenkomen. Maar de gemeten hoeveelheden metalen en PAK zijn (veel) hoger dan was verwacht op basis van berekeningen met data van de milieujaarverslagen, respectievelijk de Emissieregistratie. Deze gegevens over de uitstoot lijken niet volledig te zijn aangeleverd. Om hier goed inzicht in te krijgen beveelt het RIVM aan om de informatie over de uitstoot van bronnen op het terrein van Tata Steel te verbeteren en deze op een transparante manier te ontsluiten. Ten slotte blijkt van de PAK en metalen in het fijnstof, gemeten in de IJmond, dat een aanzienlijk deel afkomstig is van activiteiten op het terrein van Tata Steel. Dit volgt uit een analyse van de samenstelling van het fijnstof. Fijnstof is een mengsel van meerdere stoffen. Bronnen stoten deze stoffen in verschillende verhoudingen uit. Aan de hand van de verschillende verhoudingen kon het RIVM twee categorieën van bronnen relateren aan het terrein van Tata Steel.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Datahandboek Monitor Leren van Ongevallen. Technische rapportage ter ondersteuning van analisten bij de Nederlandse Arbeidsinspectie en het RIVM | RIVM

Het RIVM heeft met de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) en het ministerie van SZW de Monitor Leren van Ongevallen ontwikkeld (MLvO). De monitor maakt het mogelijk om snel en makkelijk data over ernstige ongevallen te verzamelen die door de Inspectie zijn onderzocht. De resultaten geven inzicht in oorzaken van dit soort ongevallen. Op basis daarvan kunnen beleidsmakers maatregelen nemen om ze te voorkomen. De data voor de MLvO wordt verzameld via de vragenlijstsoftware Survalyzer. In deze vragenlijst beantwoorden inspecteurs vragen over ernstige arbeidsongevallen die zij hebben onderzocht. Het RIVM heeft nu een handboek gemaakt voor mensen die de gegevens uit de MLvO gebruiken, zoals analisten, technici en onderzoekers. Het handboek beschrijft de inhoud van de MLvO, de typen ongevallen, een aantal specifieke variabelen, hoe de namen van variabelen zijn gemaakt en welke antwoorden mogelijk zijn bij bepaalde vragen in de vragenlijst. De MLvO is een opvolger van de Storybuilder database. Deze database wordt sinds 2015 niet meer gevuld met nieuwe ongevallen. Een apart RIVM-rapport licht de inhoud van de MLvO verder toe en laat zien hoe de monitor tot stand is gekomen (rapportnummer 2021-0122).
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Learning from serious occupational accidents in the Netherlands. Developing a new monitoring system from 17 years of accident data | RIVM

Ongevallen op het werk komen nog regelmatig voor. Deze ongevallen hebben ernstige gevolgen voor de slachtoffers, hun familieleden, collega’s en voor de bedrijven of organisaties waar de ongevallen gebeuren. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) werken samen om van deze ongevallen te leren. Dat helpt om ze te voorkomen. Voor dit doel worden sinds 2003 gegevens over ernstige ongevallen geanalyseerd en opgeslagen met de zogenoemde Storybuilder-methode. In 2018 besloot SZW om deze aanpak te vernieuwen, waarna de ‘Monitor Leren van Ongevallen’ is ontwikkeld. In deze monitor vullen arbeidsinspecteurs gebruiksvriendelijke vragenlijsten in. Hierdoor hoeven RIVM-onderzoekers niet meer handmatig dossiers met informatie over ernstige ongevallen te analyseren. Het RIVM legt in dit rapport uit waarom deze vragenlijst is gemaakt, en hoe dat is gedaan op basis van historische gegevens uit de Storybuilder-methode. Het was belangrijk dat de nieuwe vragenlijst gebruikersvriendelijk en betrouwbaar is. Daarom heeft het RIVM hiervoor samengewerkt met experts, en hebben inspecteurs de vragenlijst getest. De vragenlijst van de nieuwe monitor is sinds 1 januari 2020 een vast deel van het werk van de arbeidsinspecteurs. In 2020 zijn gegevens verzameld over 1.602 ernstige arbeidsongevallen. In de komende jaren worden steeds meer gegevens verzameld. De geleerde lessen kunnen worden gedeeld met het publiek, bijvoorbeeld via de website www.lerenvoorveiligheid.nl . De gegevens worden ook gebruikt door de arbeidsinspectie en om, zo nodig, beleid te ontwikkelen. Er gebeuren veel verschillende soorten arbeidsongevallen en de manier waarop we (veilig) werken verandert ook. Het RIVM adviseert daarom de vragenlijst goed bij te houden.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Handreiking leptospirose in relatie tot zwemmen in oppervlaktewater | RIVM

Leptospirose is een verzamelnaam voor verschillende ziekten die worden veroorzaakt door Leptospira-bacteriën, zoals modderkoorts of de ziekte van Weil. Deze bacteriën kunnen met de urine van de bruine rat in het oppervlaktewater terechtkomen. Mensen kunnen hier ziek van worden door bijvoorbeeld in of rond oppervlaktewater te recreëren. In Nederland komt het erg weinig voor dat mensen leptospirose krijgen door te zwemmen in oppervlaktewater. Áls het gebeurt, is het niet altijd duidelijk wie waarvoor verantwoordelijk is en actie moet ondernemen. Ook hebben de betrokken overheden vaak vragen over te nemen maatregelen en de wetten en regels. Daarom heeft het RIVM met betrokken partijen een handreiking gemaakt die informatie geeft over leptospirose, wetgeving en welke acties en maatregelen mogelijk zijn. Het is niet bekend van welke hoeveelheid Leptospira-bacteriën in zwemwater mensen ziek kunnen worden. De handreiking beschrijft daarom drie scenario’s om maatregelen te nemen na (mogelijke) besmettingen: als het gerucht gaat dat er iemand op een zwemlocatie is besmet, als er één persoon is besmet, en als er meerdere personen zijn besmet. Zwemwaterbeheerders kunnen uitzoeken of op een zwemlocatie risico’s door ratten te verwachten zijn. Zij kunnen hiervoor, naast het verplichte zwemwaterprofiel, een zogeheten plaagdier risico-inventarisatie laten opstellen. Zo kunnen ze te weten komen of maatregelen nodig zijn. Er zijn twee soorten maatregelen mogelijk om besmettingen op een zwemlocatie te voorkomen: ratten bestrijden en zwemmers informeren. Goede informatie voor de zwemmers kan ervoor zorgen dat er geen besmettingen optreden. Zwemmers moeten op hun gedrag worden gewezen. Ze moeten bijvoorbeeld geen afval achterlaten op een zwemlocatie, want dat trekt ratten aan. En als ze een wondje hebben, kunnen ze beter niet in het water gaan. Ze kunnen namelijk besmet raken doordat hun slijmvliezen of wondjes in de huid in contact komen met oppervlaktewater waarin Leptospira-bacteriën zitten.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Impactanalyse Actualisatie AERIUS Calculator en Monitor 2021 | RIVM

Het RIVM beheert het rekeninstrument AERIUS dat berekent en monitort hoeveel stikstof er in Nederland op de bodem neerkomt. Overheden en initiatiefnemers van projecten berekenen met AERIUS Calculator de uitstoot van stikstof en de neerslag ervan op Natura 2000-gebieden. AERIUS Monitor geeft overheden inzicht in de actuele en verwachte stikstofdepositie in de Natura 2000-gebieden en de overbelasting door stikstof. Calculator en Monitor ondersteunen de vergunningverlening en beleidsvorming. Deze berekeningen en monitoringsinformatie moeten accuraat zijn, zodat beleidsmakers en vergunningverleners de actuele, juiste inzichten hebben om beslissingen te kunnen nemen. Daarom worden elk jaar de nieuwste inzichten en actuele gegevens over de natuur en stikstofbronnen in AERIUS verwerkt. Deze actuele gegevens kunnen verschillen van de vorige versie van Calculator en Monitor en kunnen daardoor tot andere uitkomsten leiden. Om te kijken wat de aanpassingen betekenen heeft het RIVM deze impactanalyse gemaakt. Hiervoor zijn de belangrijkste verschillen en het effect daarvan in beeld gebracht. In de versie 2021 zijn onder andere de zogeheten emissiefactoren geactualiseerd. AERIUS Calculator gebruikt deze emissiefactoren om de stikstofuitstoot van een project te bepalen. Daarnaast rekent Calculator 2021 de depositie tot een afstand van maximaal 25 km van de bron, volgend op de laatste regelgeving. Door deze aanpassingen levert een berekening een andere uitkomst. Het RIVM produceert jaarlijks nieuwe depositiekaarten die nu beschikbaar zijn in AERIUS Monitor. Verder zijn de grenzen van de stikstofgevoelige natuur in de Natura 2000-gebieden geactualiseerd (de zogeheten habitatkaart). Door deze aanpassing veranderen de locaties waar AERIUS Calculator mee rekent (de relevante hexagonen). Daarnaast zorgen deze wijzingen dat het berekende oppervlakte niet-overbelast stikstofgevoelige natuur wijzigt.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Ambulancezorg Rijtijdenmodel - actualisatie 2021 | RIVM

Het RIVM heeft het rijtijdenmodel voor de spoedeisende ambulancezorg geactualiseerd. Dit gebeurt elke vier jaar. Dit model schat de rijtijd die een ambulance gemiddeld nodig heeft om met spoed naar een locatie te rijden. Hiervoor gebruiken we feitelijk gemeten snelheden van ambulances van juli 2019 tot en met juni 2020. Voor de meeste wegtypen (denk aan snel- en hoofdwegen en voetgangersgebieden) zijn de gemiddelde gemeten snelheden lager dan in de vorige meetperiode (2015-2016). Gemiddeld gezien is de rijtijd van ambulances in heel Nederland met 0,8 minuten langer geworden, zowel binnen als buiten de bebouwde kom. Daarom geeft het nieuwe rijtijdenmodel voor veel trajecten langere rijtijden dan het oude rijtijdenmodel uit 2016. Onderzoek naar de oorzaak van de lagere snelheden viel buiten de vraagstelling. Wel is van twee bijzondere gebeurtenissen vanaf maart 2020 onderzocht wat de invloed is op de gemiddelde snelheden van ambulances: de gedeeltelijke lockdown in verband met de corona-pandemie en de begrenzing van de maximum snelheid op snelwegen overdag tot 100 km per uur. Er werd voor beide gebeurtenissen geen effect gevonden. Bij elke actualisatie wordt gekeken of de met het model geschatte rijtijden nog beter kunnen aansluiten bij de werkelijke rijtijden. Dit keer is gekeken of een andere regio-indeling voor ambulances en minder tijdsblokken (alleen binnen of buiten de spitsuren) beter zijn. Deze varianten blijken de werkelijke rijtijden net zo goed te voorspellen als het model uit 2016. Het RIVM heeft daarom besloten het model niet te veranderen en alleen de gemiddelde snelheden te actualiseren. Het RIVM gebruikt het rijtijdenmodel voor de spoedeisende ambulancezorg voor verschillende bereikbaarheidsanalyses in de spoedeisende zorg.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Verslag Workshop 1+MG Omgevingsanalyse NL | RIVM

Het Europese ‘1+ Million Genomes’ initiatief (1+MG) is een samenwerking tussen 24 verschillende landen, waaronder Nederland. Dit initiatief heeft als doelstelling om een Europees cohort te realiseren van ten minste een miljoen Europese burgers waarvan het genoom is bepaald met behulp van Whole Genome Sequencing. De afspraak is om met deelnemende landen deze genetische gegevens en waar mogelijk beschikbare gezondheidsinformatie in het cohort te koppelen via een data infrastructuur en toegankelijk te maken voor onderzoek, innovatie, diagnostiek en preventie. Het RIVM heeft, in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, een workshop ‘1+Million Genomes Omgevingsanalyse’ georganiseerd. Het doel van deze workshop was om samen met experts uit het veld relevante partijen in kaart te brengen voor de Nederlandse uitvoering van 1+MG. Tijdens de workshop, waarvan de uitvoering en resultaten zijn vastgelegd in dit verslag, zijn ongeveer 100 partijen in kaart gebracht. Verder zijn belangrijke overwegingen besproken omtrent het betrekken van verschillende stakeholdergroepen bij de Nederlandse uitvoering van 1+MG. De resultaten van deze omgevingsanalyse dienen ter ondersteuning van de verdere voorbereiding van de uitvoering van 1+MG in Nederland.
Jaar: 2022 Onderzoek

Jodiuminname van volwassenen in Noord Nederland in 2020-2021 en trend sinds 2006-2007. Resultaten van voedingsstatusonderzoek in het Lifelines cohort | RIVM

Om de schildklier goed te laten werken, is het belangrijk dat mensen genoeg jodium binnenkrijgen via voedsel. De kans op gezondheidsproblemen is klein als de helft van de bevolking meer dan 150 microgram per dag binnenkrijgt. In 2020/2021 was dit bij mannen in het noorden van Nederland het geval: de helft van de mannen kreeg meer dan 207 microgram per dag binnen. Vrouwen kregen net genoeg jodium binnen. De helft van de vrouwen kreeg meer dan 159 microgram per dag binnen. Deze hoeveelheid moet niet verder dalen. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM, in opdracht van het ministerie van VWS. Het is belangrijk om de hoeveelheid jodium in de gaten te houden omdat mensen sinds 2006/2007 ongeveer een derde minder jodium binnenkrijgen. Dit is vooral bij zwangere vrouwen een punt van aandacht. Genoeg jodium is namelijk nodig voor de ontwikkeling van het ongeboren kind. Het RIVM beveelt dan ook aan om de komende jaren te blijven volgen hoeveel jodium mensen binnenkrijgen. In Nederland zit er weinig jodium in de grond. Dit is een van de redenen dat de hoeveelheid jodium die van nature in voedingsmiddelen zit, te laag is. Daarom wordt jodium toegevoegd aan (bakkers)zout. In 2008 is de wetgeving hierover veranderd en wordt er aan brood zout toegevoegd dat minder jodium bevat. Dit is waarschijnlijk een van de redenen waardoor mensen minder jodium binnenkrijgen. Voor dit onderzoek is onderzocht hoeveel jodium volwassen mensen binnenkrijgen die hebben meegedaan aan het Lifelines cohort, een gezondheidsonderzoek in Noord-Nederland. De hoeveelheid jodium is gemeten in de urine van de deelnemers, die ze 24 uur lang hebben verzameld. De ontwikkeling in de hoeveelheid jodium die mensen binnenkrijgen tussen 2006/2007 en 2020/2021 kon alleen worden onderzocht bij mensen van 31 tot en met 50 jaar.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1

Inventarisatie van benodigde maatregelen om WHO advieswaarden voor luchtkwaliteit in 2030 te realiseren | RIVM

In september 2021 maakte de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) nieuwe advieswaarden bekend voor de luchtkwaliteit. Sinds 2005 zijn betere gegevens beschikbaar gekomen over de schadelijkheid van luchtverontreiniging. De nieuwe advieswaarden zijn veel lager dan de waarden die de WHO in 2005 adviseerde. Als we die willen halen, moet de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden verder omlaag. De Tweede Kamer heeft op 12 oktober 2021 via een motie de regering gevraagd uit te zoeken welke extra maatregelen nodig zijn om in 2030 de nieuwe WHO-advieswaarden in heel Nederland te halen. Het RIVM heeft berekend met welke maatregelen voor het klimaat, het milieu en stikstof dat mogelijk is. Het blijkt dat de waarden alleen met een ingrijpend pakket aan maatregelen in 2030 kunnen worden gehaald. De maatregelen zouden dan zowel voor Nederland als de rest van Europa moeten gelden. Zo zou een volledig verbod op houtstook nodig zijn, net als minder veehouderij, en minder vliegverkeer. Ook zouden bestaande industriële bedrijven moeten overschakelen op de schoonste technologie, zodat zij minder luchtvervuilende stoffen uitstoten. Verder zouden in grote steden alleen nog elektrische auto’s en vrachtwagens mogen rijden. Om verschillende redenen is het onzeker of zo’n pakket aan maatregelen op korte termijn haalbaar is. Zo kunnen de kosten van de maatregelen te hoog zijn, of kan blijken dat ze moeilijk te handhaven zijn. Bovendien is een gebrek aan voldoende vakmensen een knelpunt om ze binnen 8 jaar uit te voeren. De WHO heeft geen jaartal genoemd waarin de waarden moeten zijn bereikt. Wel heeft het zogeheten interim-waarden (IT-niveaus) voorgesteld voor plekken waar de nieuwe waarden niet binnen een aantal jaar kunnen worden gehaald. Deze waarden kunnen als tussenstap worden gebruikt om stap voor stap – bijvoorbeeld in 2030 - toe te werken naar de nieuwe WHO-advieswaarden.
Jaar: 2022 Onderzoek Documenten: 1