Naar inhoud

Onderzoeken Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2023

Zoek binnen deze data in WooGLe

Meten voortgang Agenda Natuurinclusief. Analyse van bestaande raamwerken, tools en indicatoren | RIVM

De Agenda Natuurinclusief richt zich op de transitie naar een natuurinclusieve samenleving met als doel biodiversiteitsherstel en meer natuur buiten de beschermde natuurgebieden [NiNO, Agenda Natuurinclusief 2.0. 2023, https://agendanatuurinclusief.nl/deagenda/#Agenda2: Natuur Inclusief Nationaal Overleg]. Het monitoren van deze transitie geeft inzicht in de richting van de noodzakelijke systeemverandering. Op verzoek van LNV Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) /Agenda Natuurinclusief heeft het RIVM, met steun van IUCN NL, MVO Nederland, Naturalis en PBL Planbureau voor de Leefomgeving (Planbureau voor de Leefomgeving) , bestaande raamwerken, tools en indicatoren in kaart gebracht die iets zeggen over de mate van natuurinclusiviteit in de domeinen die onderdeel zijn van Agenda Natuurinclusief (bouw, energie, financiële sector, gezondheid, infrastructuur, landbouw, onderwijs, vrijetijdseconomie, water en bedrijventerreinen). Deze kennisupdate geeft een overzicht en analyse hiervan. Het is bedoeld als input voor een opzet tot een monitoringsraamwerk en nadrukkelijk niet bedoeld als een voorstel tot monitoring. Deze kennisupdate geeft enkel aan wat er beschikbaar is en niet wat er gewenst is.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Monitoringsrapportage NSL 2023. Stand van zaken Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit | RIVM

In het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit ( NSL Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) ) werken verschillende Nederlandse overheden sinds 2009 samen om de luchtkwaliteit te verbeteren. De monitor van het NSL is onder meer bedoeld om te kijken of Nederland de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit haalt. Als dat niet zo is, zijn extra maatregelen nodig om die grenswaarden toch zo snel mogelijk te halen. Het RIVM volgt daarom elk jaar de concentraties stikstofdioxiden en fijnstof in de lucht en rapporteert daarover. Voor beide stoffen wordt gekeken naar de bijdrage van wegverkeer. Voor fijnstof kijken we ook naar de bijdrage van veehouderijen. In 2022 voldeed Nederland voor wegverkeer bijna aan de Europese grenswaarden voor stikstofdioxide. Op één punt was er een overschrijding: direct naast de tunnelmond van de Maastunnel in Rotterdam. Ook voor fijnstof voldeed Nederland bijna aan de grenswaarden voor wegverkeer. Alleen een klein stuk weg van 200 meter bij Velsen lag boven de grenswaarde. Op enkele woonlocaties in gebieden met intensieve veehouderij werden de grenswaarden van fijnstof in 2022 nog steeds overschreden. Dat waren er net iets minder dan in 2021. De concentraties stikstofdioxiden en fijnstof waren in 2022 iets hoger dan tijdens de ‘coronajaren’ 2020 en 2021. Nadat de coronamaatregelen waren opgeheven, was er meer verkeer en economische activiteit. Dit zorgde voor meer uitstoot. De concentraties waren daardoor hoger, maar wel minder hoog dan vóór de coronajaren. Het aantal overschrijdingen van de Europese norm voor deze stoffen was daardoor bijna hetzelfde als in eerdere jaren. Het ziet ernaar uit dat de luchtkwaliteit de komende jaren verder verbetert. Verkeer, industrie en veehouderijen zullen naar verwachting minder stikstofdioxide en fijnstof uitstoten. Dat komt bijvoorbeeld doordat elk jaar oudere auto’s worden vervangen door nieuwe en schonere auto’s, die minder of zelfs geen stikstofoxiden uitstoten. Op dit moment wordt in de Europese Unie onderhandeld over de herziening van de Europese richtlijn luchtkwaliteit. Dit zal tot nieuwe grenswaarden leiden. Hoe hoog de grenswaarden zullen zijn en wanneer deze wetgeving zal ingaan, is nog niet bekend. Op 1 januari 2024 gaat de Omgevingswet van start. De monitoring van de luchtkwaliteit is daar een onderdeel van, en gaat op dezelfde manier door als in het NSL.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Nitraat en nitriet in voedsel: achtergrond voor discussie over mogelijke herziening en/of uitbreiding maximumgehalten in voedsel | RIVM

Deze kennisupdate beschrijft de huidige blootstelling aan nitraat en nitriet in Nederland via voedsel op basis van een eerdere blootstellingsberekening uitgevoerd door het RIVM (van den Brand et al., 2020; Sprong et al., 2020) en geeft een overzicht van de concentraties van nitraat en nitriet in een aantal producten. Dit overzicht kan bijdragen aan een discussie over de herziening en/of uitbreiding van ML’s binnen de Commissiewerkgroep Landbouwcontaminanten.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Veilige en duurzame recycling: pyrolyse van autobanden | RIVM

Een voorbeeld van een innovatieve manier van recyclen is autobanden verhitten zonder zuurstof (pyrolyse). Het RIVM heeft beoordeeld of deze manier van recyclen veilig is voor mens en milieu en duurzamer is vergeleken met de huidige verwerking. Zo is gekeken hoeveel materiaal behouden blijft om te worden hergebruikt. De conclusie is dat elke methode van recycling voor- en nadelen heeft, die goed tegen elkaar moeten worden afgewogen. Het RIVM beveelt daarvoor aan enkele onzekerheden weg te nemen, vooral over het recyclen van stalmatten. Recyclen van reststromen is belangrijk om in 2050 een circulaire economie te realiseren. Met pyrolyse wordt uit banden het materiaal ‘carbon black’ gewonnen, dat kan worden gebruikt om weer nieuwe banden te maken. Ook wordt er gas en olie uit verkregen, die als brandstof worden gebruikt. De pyrolyse is vergeleken met twee manieren waarmee autobanden nu worden verwerkt: gebruik als vervanger van kolen in cementovens en via mechanische recycling tot stalmatten voor vee . Deze casus is uitgewerkt met een methode die het RIVM eerder heeft ontwikkeld (Safe and Sustainable Material Loops). Bij een mechanische verwerking blijft er meer materiaal over dat geschikt is voor nieuwe producten, dan bij pyrolyse. De vraag is wel of die nieuwe producten na het tweede leven opnieuw te recyclen zijn. Het is bijvoorbeeld nog onzeker of stalmatten kunnen worden hergebruikt, omdat ze tijdens het gebruik vervuild raken. Over meerdere levenscycli valt dat voordeel dus mogelijk weg. Het RIVM beveelt aan om dit verder te onderzoeken. Het effect op het klimaat, een andere belangrijke indicator waarnaar is gekeken, is bij pyrolyse vrijwel even groot als bij de verbranding van autobanden in cementovens. Bij mechanische recycling tot stalmatten is het effect op het klimaat gunstiger. Vergeleken met het gebruik in cementovens blijft er bij pyrolyse wel meer materiaal over waarvan nieuwe producten kunnen worden gemaakt. Wat de samenstelling van het materiaal betreft, lijkt het herwonnen carbon black bij de pyrolyse voldoende veilig. Voor de olie die uit pyrolyse ontstaat, is niet met zekerheid te zeggen of die wel veilig is.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Evaluatie van het bron- en contactonderzoek bij tuberculosepatiënten in Nederland 2017-2021 | RIVM

Het RIVM heeft voor het eerst vijf jaar bron- en contactonderzoek ( BCO bron- en contactonderzoek (bron- en contactonderzoek) ) naar tuberculose geëvalueerd. Het heeft deze taak overgenomen van het KNCV Koninklijke Nederlandse Centrale Vereniging (voor tuberculosebestrijding) - Tuberculosis Foundation (Koninklijke Nederlandse Centrale Vereniging (voor tuberculosebestrijding) - Tuberculosis Foundation) Tuberculosefonds. De evaluatie gaat over de bron- en contactonderzoeken die van 2017 tot en met 2021 zijn gedaan. De evaluatie bevestigt dat dit soort onderzoek een goede manier is om tuberculose vroeg op te sporen en verdere verspreiding te voorkomen. De infectieziekte tuberculose wordt veroorzaakt door een bacterie en kan besmettelijk zijn. Om te kunnen voorkomen dat anderen besmet raken, is tuberculose meldingsplichtig. Na een melding kunnen patiënten met tuberculose of een tuberculose-infectie onder andere met een bron- of contactonderzoek worden opgespoord. Hiervoor onderzoekt de GGD Gemeentelijke Gezondheidsdienst (Gemeentelijke Gezondheidsdienst) mensen in de omgeving van de patiënt, zoals gezinsleden of huisgenoten. Als iemand besmet is met de tuberculosebacterie maar nog geen tuberculose heeft, heet dat een tuberculose-infectie. Deze persoon kan op termijn wel ziek worden. Door mensen met een tuberculose-infectie op te sporen en te behandelen, kan worden voorkomen dat ze tuberculose krijgen. Ook kan hiermee worden voorkomen dat ze andere mensen besmetten. In de onderzochte periode is bij 64 procent van de tuberculosepatiënten (2303 mensen) een of meer contacten onderzocht. Dat waren in totaal 25.702 contacten; gemiddeld 11 mensen per bron- en contactonderzoek. Bij 98 procent van deze contacten is gekeken of ze een tuberculose-infectie hebben. Van de onderzochte contacten hadden in totaal 205 (0,8 procent) personen de ziekte tuberculose. Alle mensen met tuberculose zijn met een behandeling begonnen en 93 procent van hen maakte deze af. In totaal hadden 2541 (10,1 procent) van de onderzochte contacten een tuberculose-infectie. Van deze contacten begon 87 procent met een behandeling en 87 procent van hen maakte deze af. Het hoogste percentage besmettingen is gevonden bij nauwe contacten van patiënten met de meest besmettelijke vorm van longtuberculose: 2,0 procent had tuberculose en 19,3 procent een tuberculose-infectie.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Bevorderende en belemmerende factoren voor deelname van kind en gezin aan aanpak Kind naar Gezonder Gewicht | RIVM

Deze kennisupdate geeft inzicht in bevorderende en belemmerende factoren voor deelname aan integrale programma’s gericht op kinderen met overgewicht of obesitas zoals de aanpak Kind naar Gezonder Gewicht met specifieke aandacht voor kinderen en gezinnen die in maatschappelijk kwetsbare omstandigheden leven. Onder kwetsbare groepen verstaan we, onder meer, mensen met een laag inkomen of schulden, met huisvestingsproblematiek, een laag opleidingsniveau en/of lage gezondheidsvaardigheden en mensen met een migratieachtergrond. Het is namelijk bekend dat de deelname van deze groepen mensen aan dit soort interventies/aanpakken lager is dan van andere groepen. We onderzochten welke factoren in de informatieverstrekking en benadering bij kunnen dragen aan een hogere deelname onder deze groepen. Factoren die invloed hebben op uitval van kind en gezin die al deelnemen aan een zorg- of ondersteuningstraject werden niet meegenomen in dit onderzoek. De resultaten in deze kennisupdate zijn gebaseerd op literatuuronderzoek en op een verkenning bestaande uit gesprekken met professionals en een korte (online) inventarisatie naar de manier van informeren en benaderen van potentiële deelnemers binnen de aanpak Kind naar Gezonder Gewicht. De inzichten uit deze kennisupdate kunnen benut worden in het huidige landelijke implementatieproces van Kind naar Gezonder Gewicht. Dit proces wordt uitgebreid door de afspraken in de IZA en GALA akkoorden, en door het van kracht worden per januari 2024 van de beleidsregel voor vergoeding van bepaalde onderdelen van de aanpak vanuit de Zorgverzekeringswet. Het RIVM heeft dit onderzoek uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ( VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) ).
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Staat van infectieziekten in Nederland, 2022 | RIVM

Dit rapport bevat een erratum d.d. 07-02-2024 op pagina 51 Elk jaar geeft het RIVM een overzicht van de belangrijkste ontwikkelingen van infectieziekten in Nederland en, als het voor Nederland relevant is, in het buitenland. Daarnaast wordt een inschatting gemaakt van de ziektelast die infectieziekten veroorzaken. Met de Staat van Infectieziekten in Nederland 2022 informeert het RIVM beleidsmakers van onder andere het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) en GGD Gemeentelijke Gezondheidsdienst (Gemeentelijke Gezondheidsdienst) ’en op een overzichtelijke manier. Het jaar 2022 begon met de afschaling van de COVID-19- maatregelen; in maart zijn alle maatregelen losgelaten. Hierdoor kwamen sommige infectieziekten die in 2021 weinig zijn gemeld, in 2022 weer vaker voor. Wat COVID-19 zelf betreft was de situatie in 2022 heel anders dan in het jaar ervoor. De omikronvariant-subtypen die overheersten (BA.5, BQ.1 en XBB.1.5) waren minder ziekmakend en de kans om een infectie met SARS severe acute respiratory syndrome (severe acute respiratory syndrome) - CoV coronavirus (coronavirus) -2 te krijgen nam af. Tussen week 21 van 2022 en week 20 van 2023 daalde het aantal mensen met corona van 36.898 per 100.000 inwoners naar 3.053 per 100.000 inwoners. Het griepseizoen begon in het coronajaar 2021 laat. In het seizoen van 2022/2023 was het begin weer vergelijkbaar met de seizoenen vóór de coronapandemie. In 2022 was er wereldwijd een uitbraak van mpox. In Nederland begon deze in mei 2022. In totaal zijn in Nederland 1259 infecties vastgesteld, het meest bij mannen die seks hebben met mannen ( MSM mannen die seks hebben met mannen (mannen die seks hebben met mannen) ). Er waren meer invasieve groep-A-streptokokken infecties dan in de jaren daarvoor, inclusief de jaren vóór de coronapandemie. Dit is ook in landen om ons heen gezien. Onderzoek moet nog uitwijzen wat hiervoor mogelijke verklaringen zijn. In 2022 was er een uitbraak van buiktyfus onder asielzoekers en medewerkers van een noodopvanglocatie op een riviercruiseschip in Haarlem. Dit laat zien dat Nederland ook voorbereid moet zijn op infectieziekten die niet standaard in Nederland voorkomen. De Staat van infectieziekten geeft ook een schatting van het aantal gezonde levensjaren dat verloren is gegaan door infectie¬ziekten. Dit verlies wordt uitgedrukt in disabilityadjusted life years (DALYs). In 2022 veroorzaakte COVID-19, net als in 2021, veruit de hoogste ziektelast. Wel halveerde het aantal DALYs door COVID-19 ten opzichte van 2021 (van 218.900 DALYs naar 93.800). Na COVID-19 vormden, net als in 2021, influenza, ernstige pneumokokkenziekte, en legionellose de hoogste ziektelast.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Stralingsniveaumetingen aan het terrein van de EPZ kerncentrale Borssele in 2022 | RIVM

Het gammastralingsniveau aan de grens van het terrein van de kerncentrale Borssele was in 2022 lager dan het maximum van 10 microsievert per jaar waarvoor de vergunning is verleend. De hoogste dosis is 0,9 microsievert per jaar. Dit blijkt uit controlemetingen van het RIVM. Het RIVM rapporteert elk jaar in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) of de kerncentrale aan de vergunningseis voldoet. De kerncentrale moet ervoor zorgen dat de blootstelling van personen buiten de terreingrens zo laag mogelijk, maar op zijn hoogst 10 microsievert per jaar is. Dat is in de herziening van de kernenergiewetvergunning van 2018 vastgelegd. Om de maximale effectieve dosis te berekenen wordt op de terreingrens het gammastralingsniveau gemeten. Dit gebeurt met het MONET-meetnet, dat het RIVM beheert. Daarna wordt van de meting de hoeveelheid gammastraling die van nature voorkomt (natuurlijke achtergrondwaarde) afgetrokken. De berekende dosis wordt gecorrigeerd met de zogeheten Actuele Blootstelling Correctiefactor (ABC-factor). Een ABC-factor hangt samen met de bestemming van het gebied waar de effectieve stralingsdosis kan worden opgelopen. Rond het terrein van kerncentrale Borssele is de bestemming uitsluitend industrie, en daarvoor geldt een ABC-factor van 0,2. Met deze ABC-factor wordt de maximale effectieve dosis berekend. In 2022 is met acht monitoren op verschillende plekken op de terreingrens continu het gammastralingsniveau gemeten. In dit rapport zijn de daggemiddelden van de metingen van de MONET-monitoren rond de kerncentrale in 2022 getoond. Ook wordt uitgelegd hoe voor elk meetpunt de natuurlijke achtergrondwaarde is bepaald.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Wat levert burgerwetenschap op? De tussentijdse resultaten van ‘Hollandse Luchten’ | RIVM

Hollandse Luchten is een burgerwetenschapsproject over de gezonde leefomgeving in Noord-Holland. Het RIVM heeft in samenwerking met Waag Futurelab een verkenning uitgevoerd naar de resultaten van Hollandse Luchten tot nu toe. We gaan in op de volgende vragen: Wat heeft Hollandse Luchten tot nu toe opgeleverd voor overheden, Waag en het RIVM? En welke resultaten zien we voor bewoners? Centraal staan de drie doelen van Hollandse Luchten: kennisopbouw, dialoog voeren en handelingsperspectief verbeteren. Deze verkenning laat aan de hand van voorbeelden zien dat deze doelen voor een deel zijn behaald. De stap naar handelingsperspectief lijkt het lastigst, daarop valt nog relatief veel door te ontwikkelen.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Gammastralingsniveaumetingen aan de terreingrens van COVRA N.V. te Borsele in 2022 met het MONET-meetnet | RIVM

Het gammastralingsniveau aan de terreingrens van de Centrale Organisatie voor Radioactief Afval ( COVRA Centrale Organisatie Voor Radioactief Afval (Centrale Organisatie Voor Radioactief Afval) N.V.) in Borsele was in 2022 lager dan het maximum van 40 microsievert per jaar dat is toegestaan. De hoogste dosis is 3,0 microsievert. Dit blijkt uit controlemetingen van het RIVM. Het RIVM rapporteert elk jaar in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) en toetst of COVRA N.V. aan de vergunningseis voldoet. COVRA N.V. moet ervoor zorgen dat mensen buiten de terreingrens aan een zo laag mogelijke dosis, en niet hoger dan 40 microsievert per jaar worden blootgesteld. Dat is in de kernenergiewetvergunning bepaald. Om de maximale effectieve dosis te berekenen wordt het gammastralingsniveau op twaalf locaties langs de terreingrens gemeten. Dit gebeurt met het MONET-meetnet, dat het RIVM beheert. Daarna wordt van de metingen de hoeveelheid die van nature voorkomt afgetrokken (natuurlijke achtergrondwaarde). De meetwaarde wordt gecorrigeerd met de zogeheten Actuele Blootstellings Correctiefactor (ABC-factor). Een ABC-factor hangt samen met de bestemming van het gebied waar de effectieve gammastralingsdosis kan worden opgelopen. Na het gebruik van de ABC-factor is de berekende maximale effectieve gammadosis 3,0 microsievert per jaar. Dit is minder dan de maximale hoeveelheid die elk jaar wordt toegestaan. In dit rapport zijn de daggemiddelden van de metingen van de twaalf MONET-monitoren aan de terreingrens van COVRA N.V. in 2022 weergegeven. Ook wordt uitgelegd hoe voor elk meetpunt de natuurlijke achtergrondwaarde is bepaald.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Kennisbeeld “Health in All Policies”: verkenning vanuit internationaal, nationaal en lokaal perspectief | RIVM

Dit rapport bevat een erratum d.d. 11-01-2024 op pagina 45 Onze gezondheid wordt niet alleen bepaald door leefstijl, genen of toegang tot zorg, maar ook door bijvoorbeeld leefomgeving, woonomgeving en inkomen. Door in beleid hiermee rekening te houden, kunnen gezondheidsverschillen kleiner worden. Dat wordt ook wel Health in All Policies ( HiAP Health in All Policies (Health in All Policies) ) genoemd. Het RIVM onderzocht in 2011 hoe het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) en gemeenten dit soort integraal gezondheidsbeleid het beste kunnen uitvoeren. Sindsdien zijn in Nederland en in het buitenland veel nieuwe initiatieven ontwikkeld. VWS wil nu weten of er inmiddels nieuwe inzichten zijn om HiAP goed uit te voeren. Het RIVM heeft daarvan een overzicht op hoofdlijnen gemaakt. Hierin staat beschreven wat HiAP inhoudt en hoe het zich de afgelopen jaren regionaal, nationaal en internationaal heeft ontwikkeld. In landelijk beleid krijgt HiAP steeds meer aandacht. Dat wat nodig is om het van de grond te krijgen, is bijna niet veranderd sinds 2011. Voorbeelden zijn: alle betrokken deelnemers vinden het belangrijk gezondheid te verbeteren, de doelgroep wordt erbij betrokken, en blijvende financiering. Duidelijk is dat het tijd kost om HiAP op te zetten en dat structureel samenwerken lastig is. Dat komt onder andere doordat er verschillende ideeën zijn over wat HiAP inhoudt. Belangrijk is om te kijken naar het proces van samenwerking in plaats van effecten op de korte termijn. Aanbevolen wordt om HiAP te starten vanuit een gezamenlijk doel waar iedereen achter staat. Ook is het belangrijk om samen af te spreken wat je precies bedoelt met ‘gezondheid’, zodat iedereen het over hetzelfde heeft. Ook in andere landen werkt de overheid aan HiAP. Van deze ervaringen kan de Nederlandse overheid leren.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Onderzoek Beleving Woonomgeving (OBW) Hinder en slaapverstoring in 2022 | RIVM

Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( I&W Ministerie van Infrastructuur & Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur & Waterstaat) ) wil weten hoe bewoners in heel Nederland hun woonomgeving beleven. Het ministerie laat dat sinds 1977 onderzoeken; sinds 2003 door het RIVM. Het onderzoek brengt onder andere in kaart hoe bewoners geluid, trillingen, geur en veiligheid in de woonomgeving ervaren. Sinds 2019 wordt dit onderzoek elk jaar gedaan. In 2022 hadden mensen nog steeds vooral ernstige hinder van bronnen vlak bij hun woning, zoals wegverkeer, buren en bouw- en sloopactiviteiten. Van andere bronnen die ernstige hinder veroorzaken, zoals fabrieken en bedrijven, en railverkeer, hadden ze in 2020 juist minder last. De hinder van deze bronnen is in 2022 weer toegenomen. De belangrijkste geluidbronnen voor hinder en slaapverstoring blijven wegverkeer en buren. In 2022 zorgde de categorie Wegverkeer op wegen tot 50 kilometer per uur voor de meeste hinder. Wegverkeer en buren blijven ook de belangrijkste bronnen van hinder en slaapverstoring door trillingen. Wat geurhinder betreft zijn open haarden en allesbranders en barbecue en vuurkorven in 2022 de belangrijkste bronnen. In 2020 en 2021 zorgden buren voor de meeste geurhinder. De belangrijkste bron van bezorgdheid blijft wonen bij een risicovol bedrijf of industrie (2019-2022). Wat betreft de effecten van omgevingsfactoren zijn mensen het meest bezorgd over effecten op hun gezondheid door de luchtkwaliteit rond huizen. Dat was ook zo in 2019, 2020 en 2021. Mensen hebben in 2022 ongeveer dezelfde verwachtingen over de ontwikkeling van de buurt of over geluid in hun omgeving als in de jaren ervoor. In 2022 namen bijna 2.204 inwoners van Nederland van zestien jaar en ouder deel aan dit onderzoek door een vragenlijst in te vullen (Onderzoek Beleving Woonomgeving, OBW). Het RIVM deed het onderzoek samen met het Centraal Bureau voor de Statistiek ( CBS Centraal Bureau voor de Statistiek (Centraal Bureau voor de Statistiek) ).
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

EURL-Salmonella Proficiency Test Typing 2022 | RIVM

Sinds 1992 zijn de Nationale Referentie Laboratoria (NRL’s) van de lidstaten van de Europese Unie verplicht om elk jaar hun kwaliteit te laten toetsen met zogeheten ringonderzoeken. Een van de ringonderzoeken is de typering van Salmonella-bacteriën. In 2022 scoorden alle NRL’s van de 27 EU Europese Unie (Europese Unie) -lidstaten goed bij deze kwaliteitscontrole op typering van Salmonella. Twee laboratoria hadden hiervoor een herkansing nodig. Als groep konden de deelnemende laboratoria aan 98 procent van de geteste stammen de juiste naam geven. De laboratoria zijn verplicht om Salmonella met een standaardmethode te typeren (serotypering). Daarnaast mochten zij in 2022 zelf aangeven of ze extra typeringen op DNA- Desoxy nucleinezuur (Desoxy nucleinezuur) niveau wilden doen, bijvoorbeeld met Whole Genome Sequencing ( WGS whole genome sequencing (whole genome sequencing) ). Deze preciezere typering kan soms nodig zijn om de bron van een besmetting op te sporen. Voor de kwaliteitstoetsen wijst elke lidstaat een laboratorium aan, het Nationale Referentie Laboratorium (NRL). Dit NRL is namens dat land verantwoordelijk om Salmonella in monsters van levensmiddelen of dieren aan te tonen en te typeren. Om te controleren of de laboratoria hun werk goed doen, moeten zij onder andere twintig Salmonella-stammen de juiste naam kunnen geven. Soms doen er ook NRL’s van landen buiten de EU vrijwillig aan mee. In 2022 waren dat er zeven: het Verenigd Koninkrijk, de EU (potentiële) kandidaat-lidstaten Kosovo, Moldavië, en Turkije en de European Free Trade Association (EFTA) landen IJsland, Noorwegen en Zwitserland. Het Europese Unie Referentie Laboratorium voor Salmonella (EURL-Salmonella) organiseert het jaarlijkse ringonderzoek Salmonella-typering. Dit laboratorium is gevestigd bij het RIVM in Nederland.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Gezondheid van werkenden in Nederland. Ontwikkelingen tussen 2012 en 2020 | RIVM

Tussen 2012 en 2020 nam in Nederland het aantal mensen met betaald werk toe: van 8,3 naar 9 miljoen. Dat komt voor een groot deel doordat werkenden later met pensioen zijn gegaan. Ook zijn er meer vrouwen gaan werken. De meeste mensen met een betaalde baan (88 procent) voelden zich gezond. Mensen die werken zijn over het algemeen gezonder dan mensen die niet werken. Tussen 2012 en 2020 veranderde de lichamelijke gezondheid van werkenden nauwelijks. Zo bleef het percentage werkenden met een lichamelijke beperking of een langdurige aandoening bijna hetzelfde. In bepaalde leeftijdsgroepen, waaronder 45- tot 65-jarigen, was het aantal mensen dat zich gezond voelde in 2020 iets hoger dan in 2016. Wel verslechterde de mentale gezondheid onder werkenden in de onderzochte periode, vooral onder jongvolwassenen tot 35 jaar. Steeds meer jonge werkenden hadden een kans een angststoornis of depressie te krijgen. Zij gaven aan vaker vermoeid, zenuwachtig of somber te zijn. Of voelden zich vaker rusteloos, minderwaardig of depressief. Deze verslechtering was al vóór de coronajaren te zien, dus kan niet alleen door de epidemie komen. Oudere werkenden zijn lichamelijk minder gezond dan jongere werkenden. Nu mensen steeds langer doorwerken, is het belangrijk om de gezondheid van oudere werkenden in de gaten te houden. Tussen 2012 en 2020 had ongeveer 10 procent van de 60- tot 67-jarigen een lichamelijke beperking. Dit percentage bleef deze jaren hetzelfde. Maar het aantal mensen in deze leeftijdsgroep met een lichamelijke beperking, steeg in deze periode met 36.000. Dat komt omdat de pensioengerechtigde leeftijd omhoog is gegaan naar 67 jaar en meer mensen in deze leeftijd bleven werken. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM naar de gezondheid van de beroepsbevolking in Nederland. Het RIVM deed dat voor de eerste keer en onderzocht hun gezondheid in 2012, 2016 en 2020. Het RIVM heeft deze gegevens gehaald uit de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen (van de GGD Gemeentelijke Gezondheidsdienst (Gemeentelijke Gezondheidsdienst) ’en, het Centraal Bureau voor de Statistiek ( CBS Centraal Bureau voor de Statistiek (Centraal Bureau voor de Statistiek) ) en het RIVM).
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Evaluatie WaterSNIP-proeftuinen. Resultaten van twee jaar hoogfrequent meten met sensoren | RIVM

Het RIVM meet al sinds 1992 de kwaliteit van het water op landbouwbedrijven, die bij het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid ( LMM Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid) ) zijn aangesloten. Zo wordt zeven keer per jaar in een laboratorium geanalyseerd welke stoffen er in monsters van slootwater zitten. Het RIVM heeft nu in een pilot onderzocht of er nieuwe technologie is waarmee de waterkwaliteit efficiënter kan worden gevolgd. Het RIVM heeft daarvoor onderzocht of deze metingen ook met sensoren kunnen worden gedaan. Deze elektrische apparaatjes hangen in het water en meten elk kwartier automatisch de waterkwaliteit. Het RIVM ontvangt de data via internet. De sensoren blijken een nuttige aanvulling te zijn op de metingen van het LMM, maar kunnen ze niet vervangen. Omdat de sensoren veel vaker de waterkwaliteit meten, geven ze meer informatie over de veranderingen die daarin door de tijd zijn te zien. Daarmee wordt duidelijker door welke processen voedingsstoffen uit het water wegspoelen naar het oppervlaktewater. Ook kunnen de vele sensormetingen de gemiddelde concentraties lokaal, bijvoorbeeld in een sloot, preciezer aangeven dan de zeven metingen van het LMM. Het LMM is daarvoor minder geschikt, omdat het is opgezet om uitspraken te doen over de regionale waterkwaliteit. Denk aan melkveebedrijven in de Zandregio. De sensoren kunnen de LMM-metingen niet vervangen, omdat het ondanks de automatisering veel tijd kost om ermee te werken. Het kost bijvoorbeeld tijd om de technologie onder de knie te krijgen en er zijn dikwijls storingen die moeten worden hersteld. Ook moet de apparatuur vaak worden schoongemaakt. Daarnaast kunnen sensoren niet alle stoffen meten. Daarom blijft de analyse van watermonsters in het laboratorium noodzakelijk. Dit blijkt uit het Water Sensoren Nutriënten Innovatie Programma (WaterSNIP) van het RIVM, een pilot om de waterkwaliteit op een vernieuwende manier te meten. Hiervoor zijn op twee LMM-bedrijven verschillende soorten sensoren getest. Ook heeft het RIVM vaker dan normaal monsters genomen die in het lab zijn geanalyseerd. Het RIVM heeft de afgelopen jaren veel ervaring opgedaan met de sensormetingen. Het wil die kennis de komende jaren gebruiken om deze werkwijze te verbeteren. Daarnaast wil het een werkinstructie opzetten, zodat de sensoren overal op dezelfde manier worden gebruikt.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Meting van gamma- en neutronendosistempo op het terrein van NRG, Petten, op 12 september 2023 | RIVM

Het RIVM heeft het stralingsniveau bij de Nuclear Research and Consultancy Group ( NRG Nuclear Research and consultancy Group (Nuclear Research and consultancy Group) te Petten) gemeten. Dit is op 12 september 2023 gedaan op vier locaties op het terrein. De metingen van slechts 90 minuten geven aan dat er in deze meetsessies vrijwel geen toegevoegd neutronen dosistempo meetbaar is. Dat wil zeggen dat er bijna geen verschil is met de dosis die er van nature is. Op drie van de vier locaties is er wel een toegevoegd gammadosistempo meetbaar. Dit is gemeten binnen het terrein nabij de hoge fluxreactor en bij de productiefaciliteit van molybdeen-99. Het RIVM heeft niet aan de terreingrens van het onderzoeksterrein gemeten. Het RIVM kan uit de metingen die wel zijn gedaan geen conclusie trekken over de blootstelling van de bevolking aan een toegevoegde gammadosis. De metingen zijn in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) gedaan. Doel is te meten wat het gamma- en neutronendosistempo is dat NRG aan de natuurlijke waarde in de omgeving (achtergrondwaarde) toevoegt.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Natrium-, kalium- en jodiumonderzoek in Nederland: stand van zaken omtrent beleidsmaatregelen en monitoring | RIVM

Het RIVM heeft in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een overzicht gemaakt van onderzoeken naar de hoeveelheid natrium (ofwel zout), kalium en jodium die Nederlanders binnenkrijgen. Het overzicht maakt duidelijk welke kennis ontbreekt, welk onderzoek nog nodig is en welke aanbevelingen er zijn voor beleid. Zo blijkt dat de Nederlandse bevolking de afgelopen jaren minder zout binnenkrijgt, maar nog steeds te veel. Te veel zout kan een hoge bloeddruk veroorzaken, wat een grotere kans geeft op hart- en vaatziekten. Het blijft daarom belangrijk dat de hoeveelheid die mensen per dag binnenkrijgen, blijft dalen. De Gezondheidsraad heeft bepaald dat mensen maximaal 6 gram zout per dag mogen binnenkrijgen. Volgens de meest recente meting is dat bij mannen nu 11 gram per dag, bij vrouwen 8 gram. De overheid heeft al verschillende maatregelen genomen, bijvoorbeeld fabrikanten stimuleren om de hoeveelheid zout in voedingsmiddelen te verlagen. Meer maatregelen en een betere uitvoering daarvan zijn nodig om de gewenste hoeveelheid te halen. Voor een goede bloeddruk is het belangrijk om genoeg kalium binnen te krijgen. Deze hoeveelheid is de afgelopen jaren gelijk gebleven en is voldoende. Mensen met nierfalen moeten er niet te veel van binnenkrijgen. Genoeg jodium is nodig voor een goede werking van de schildklier. In Nederland kregen mensen de afgelopen jaren minder jodium binnen maar het is tot nu toe nog net genoeg. Wel is het belangrijk dat deze hoeveelheid niet lager wordt, vooral bij vrouwen in de vruchtbare leeftijd. Jodium is belangrijk voor de ontwikkeling van de hersenen van het ongeboren kind. Het RIVM vindt het belangrijk te onderzoeken met welke maatregelen mensen nog minder zout binnenkrijgen. Deze maatregelen moeten wel in samenhang worden bekeken. Omdat jodium aan zout wordt toegevoegd, mag minder zout in voedingsmiddelen er bijvoorbeeld niet toe leiden dat mensen minder jodium binnenkrijgen. En omdat kalium vaak als vervanger van natrium (zout) wordt gebruikt, kan die hoeveelheid stijgen. Ook andere ontwikkelingen hebben invloed op deze innames. Zo is het de bedoeling dat mensen minder dierlijke eiwitten gaan eten om het milieu minder te belasten (de eiwittransitie), maar in producten van dieren zit vaak jodium. Plantaardige producten bevatten juist vaak kalium. Omdat de jodiuminname daalt en voor vrouwen op het randje van voldoende is, wordt aanbevolen om op korte termijn een plan op te stellen zodat de jodiuminname niet verder daalt.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Voedingsstatusonderzoek van het RIVM. Handvat voor meerjarig programmeren, breder plannen en prioriteren | RIVM

Een voedingsstatusonderzoek beoordeelt de hoeveelheid vitamines en mineralen (microvoedingsstoffen) die mensen in hun lichaam hebben. Dit is voor de meeste voedingsstoffen de beste methode en gebeurt meestal door bloed of urine te analyseren. Daaruit blijkt of mensen te veel of te weinig voedingsstoffen in hun lichaam hebben. Deze informatie wordt gebruikt om in kaart te brengen hoeveel voedingsstoffen inwoners van Nederland binnenkrijgen. Ook wordt het gebruikt om het advies van de Gezondheidsraad over voedingssupplementen en het voedingsbeleid van de overheid te onderbouwen. Het RIVM heeft nu een overzicht gemaakt van het voedingsstatusonderzoek dat het tussen 2005 en 2019 heeft gedaan. Op basis hiervan kan worden bepaald naar welke voedingsstof meer onderzoek nodig is. Dit blijkt bijvoorbeeld hoog nodig te zijn voor vitamine B2, D, ijzer, jodium en calcium. Voor de meeste stoffen is dit signaal al eerder gegeven. Er zijn namelijk aanwijzingen dat volwassenen en zwangeren te weinig vitamine B2 binnenkrijgen, en zwangeren te weinig vitamine D. Meisjes en vrouwen in de vruchtbare leeftijd krijgen mogelijk te weinig ijzer binnen. Deze tekorten kunnen bijvoorbeeld vermoeidheid veroorzaken. Verder is onderzoek nodig naar jodium in de urine bij kinderen en zwangere vrouwen; bij zwangeren is dat al begonnen. Volwassenen, kinderen en zwangeren krijgen mogelijk te weinig calcium binnen. Deze aanwijzingen komen uit de Voedselconsumptiepeiling ( VCP Voedselconsumptiepeiling (Voedselconsumptiepeiling) ) waarvoor mensen zelf opgeven hoeveel ze eten en drinken. Een voedingsstatus onderzoek kan checken of er ook echt te weinig voedingsstoffen in het lichaam zitten. Als dat het geval is, kan er beleid voor worden gemaakt. Een voedingsstatusonderzoek is ook geschikt voor voedingsstoffen die niet of moeilijk via de VCP in kaart kunnen worden gebracht, zoals jodium of vitamine D. Verder kan een voedingsstatusonderzoek nuttig zijn voor bepaalde bevolkingsgroepen, zoals jonge kinderen en zwangere vrouwen. Voor sommige bevolkingsgroepen is er nu nog weinig over bekend. Het RIVM wil het voedingsstatusonderzoek in de toekomst beter uitvoeren en doet daar aanbevelingen voor. Zo is het belangrijk beter in kaart te brengen voor welke voedingsstof onderzoek gewenst is. Ook kan tijd en geld worden bespaard door de inname van meerdere voedingstoffen tegelijk te bepalen; dat gebeurt nu per stof. Dit kan door een structureel plan voor de toekomst te maken om meerdere voedingsstoffen tegelijk te onderzoeken.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

PFAS in zeeschuim in Nederland | RIVM

Begin 2023 is een onderzoek gepubliceerd naar het voorkomen van PFAS Per- en polyfluoralkylstoffen (Per- en polyfluoralkylstoffen ) in zeewater en zeeschuim aan de Vlaamse kust en de mogelijke impact daarvan op de PFAS-blootstelling voor mensen die bij recreatie aan de kust in contact kunnen komen met PFAS-houdend zeeschuim en zeewater. Naar aanleiding van dat onderzoek hebben de Provincies Zeeland, Noord- en Zuid-Holland ook PFAS concentratiemetingen laten doen in zeewater en zeeschuim zoals bemonsterd op een aantal Nederlandse kustlocaties. De resultaten hiervan zijn ter analyse voorgelegd aan het RIVM. In overleg met de opdrachtgever betreft deze analyse vooralsnog geen risicobeoordeling (inclusief blootstellingsschatting) voor de Nederlandse situatie, maar een kwalitatieve vergelijking van de in Nederland gemeten PFAS concentraties met de PFAS concentraties zoals gemeten in Vlaanderen.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Werkwijze toetsing PFAS in drinkwatermonsters | RIVM

Vanaf oktober 2022 geldt in Nederland een drinkwaterrichtwaarde voor PFAS Per- en polyfluoralkylstoffen (Per- en polyfluoralkylstoffen ) van 4,4 ng/L, uitgedrukt als PFOA perfluoroctaanzuur (perfluoroctaanzuur ) -equivalenten. Dit document legt uit hoe deze waarde in de praktijk kan worden toegepast voor het toetsen van drinkwaterkwaliteit. PFAS komen bijna nooit als enkele stof voor, maar meestal in mengsels met meerdere PFAS. PFAS die op een vergelijkbare manier werken dragen bij aan de totale giftigheid van het mengsel. Daarom moeten zoveel mogelijk PFAS worden meegenomen bij de risicobeoordeling. Om mengsels te beoordelen waaraan mensen oraal en direct worden blootgesteld, bijvoorbeeld via voedsel, drinkwater, of het inslikken van zwemwater heeft het RIVM de zogenoemde RPF-methode ontwikkeld. Dit document legt uit hoe de methode werkt voor drinkwater. Achtergrondinformatie is te vinden in bijlage 1. Uitleg voor andere blootstellingsroutes en (milieu)compartimenten volgt in vergelijkbare documenten.
Jaar: 2023 Onderzoek

COVID-19 vaccinatie en sterfte in 2022. Kans op sterfte aan COVID-19 en andere oorzaken na COVID-19 vaccinatie in Nederland | RIVM

In november 2021 en in het voor- en najaar van 2022 konden mensen een herhaalprik halen tegen corona. Dit heet ook wel een boostervaccinatie. Mensen die een boostervaccinatie haalden, hadden een kleinere kans om aan COVID-19 te overlijden dan mensen die dat niet deden. Dit effect nam wel af naarmate de vaccinatie langer geleden was. Elke herhaalprik maakte de kans op overlijden weer kleiner. Een jaar na de eerste booster was nog te zien dat deze kans kleiner was. Dit effect duurde minder lang na de voorjaarsprik in 2022. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Hieruit blijkt ook dat mensen in de acht weken na elke herhaalprik geen grotere kans hadden om te overlijden aan andere oorzaken dan corona. We zagen zelfs dat zij een minder grote kans hadden om aan andere oorzaken dan corona te overlijden dan mensen die de boostervaccinatie niet haalden. Dit onderzoek is een vervolg op het onderzoek naar sterfte en coronavaccinaties in 2021. Het onderzoek bevestigt opnieuw dat vaccinatie tegen COVID de kans op overlijden verkleint. Internationale studies laten dezelfde resultaten zien. Het RIVM en het Centraal Bureau voor de Statistiek werken allebei aan dit onderwerp. Aanleiding hiervoor was een motie van de Tweede Kamer om meer onderzoek te doen naar extra sterfgevallen in de coronajaren. Het RIVM heeft voor dit onderzoek data gebruikt over de COVID-19 vaccinatie. Daarnaast zijn registratiedata gebruikt van het CBS Centraal Bureau voor de Statistiek (Centraal Bureau voor de Statistiek) over demografische kenmerken, overlijdens, doodsoorzaken, en zorggebruik.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

The 28th EURL-Salmonella workshop. 22 and 23 May 2023, Online | RIVM

In mei 2023 organiseerde het Europese Referentie Laboratorium (EURL) voor Salmonella voor het 28e jaar de workshop voor de Europese Nationale Referentie Laboratoria (NRL’s). Het doel is om informatie uit te wisselen tussen het EURL en de NRL’s. De workshop is voor de vierde keer online gehouden. Onder andere zijn de resultaten van vier ringonderzoeken gepresenteerd. Het EURL organiseerde drie van deze ringonderzoeken om de kwaliteit van de NRL’s te controleren. De NRL’s waren goed in staat om Salmonella te vinden in hygiënesponsjes en in lijnzaad. Ook in het ringonderzoek voor typering van Salmonella haalden de NRL’s goede resultaten. Het vierde ringonderzoek had als doel om de kwaliteit te bepalen van een methode om een type Salmonella aan te tonen. Deze methode gebruikt DNA- Desoxy nucleinezuur (Desoxy nucleinezuur) technieken en zal gepubliceerd worden als een Internationale Standaard methode ( ISO International Organization of Standardization (International Organization of Standardization) ). Een samenvatting van de ringonderzoekresultaten is als bijlage in deze nieuwe ISO opgenomen. Hierin staat informatie over het gebruik en de kwaliteit van de ISOmethode. Ook is informatie gepresenteerd over andere ontwikkelingen op het gebied van Internationale en Europese standaardisatie van microbiologische methoden. In veel van deze methoden ontbreken kwaliteitsgegevens. Dit is ook zo bij de ISO kweekmethode om Salmonella in onder andere levensmiddelen aan te tonen. Een ISO werkgroep zoekt uit hoe deze kwaliteitsgegevens kunnen worden bepaald. Het NRL-Salmonella uit Duitsland presenteerde een studie voor het gebruik van Whole Genome Sequencing ( WGS whole genome sequencing (whole genome sequencing) ). Dit is een DNA-techniek waarmee micro-organismen heel precies kunnen worden getypeerd. Het NRL liet zien dat deze relatief nieuwe techniek voldeed aan de kwaliteitsnormen van het laboratorium. Elk jaar presenteren een aantal NRL’s-Salmonella hoe zij hun wettelijke taken invullen. Dit jaar waren dat de NRL’s van Bosnië en Herzegovina, Duitsland, Litouwen en Luxemburg. Het EURL voor Salmonella is onderdeel van het RIVM en organiseert deze workshop elk jaar. Een belangrijke taak van het EURL-Salmonella is de kwaliteit controleren van de nationale referentielaboratoria voor deze bacterie in Europa.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Mogelijke blootstelling aan ioniserende straling uit uraniumtegels in Nederlandse woningen | RIVM

In jarendertigwoningen kunnen keramische wandtegels zitten met uranium in de glazuurlaag. Ze zitten vooral op muren in entreehallen, trappenhuizen en portieken. Het uranium is aan de glazuurlaag toegevoegd om de tegels unieke kleuren te geven, bijvoorbeeld oranjerode tinten. Uranium is radioactief en zendt ioniserende straling uit. In de buurt van uraniumtegels ontstaat daardoor een hoger stralingsniveau. Mensen die dicht bij deze tegels verblijven of ze bewerken, lopen hierdoor een wat hogere stralingsdosis op. Uit verkennend onderzoek van het RIVM blijkt deze extra dosis klein te zijn. Iedereen staat dagelijks bloot aan ioniserende straling van natuurlijke stralingsbronnen, zoals bouwmaterialen, voedsel en kosmische straling. De gemiddelde dosis die een inwoner van Nederland aan al deze bronnen samen oploopt is ongeveer 1700 microsievert per jaar. De extra dosis door uraniumtegels (minder dan 100 microsievert) zou daar maximaal 6 procent aan toevoegen. Waarschijnlijk is de dosis in de praktijk nog lager dan uit dit onderzoek blijkt. Het RIVM heeft namelijk uit voorzorg de dosis berekend voor ongunstige scenario’s, bijvoorbeeld met lange verblijftijden in een hal. Aanleiding voor dit onderzoek was de melding van een bezorgde bewoner van een jarendertigwoning bij de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS). Deze persoon had zelf hogere stralingsniveaus in de hal en het trappenhuis gemeten. Het RIVM heeft de dosis berekend voor alleen deze woning met 44 uraniumtegels (elk van 15 cm bij 1 cm). In de scenario’s is ook gekeken naar het radioactieve stof dat kan vrijkomen bij verbouwingen of het boren van een gaatje in een uraniumtegel. Ondanks de lage stralingsdosis raadt het RIVM mensen aan om ervoor te zorgen zo min mogelijk van dat stof in te ademen. Dat kan door een stofmasker te gebruiken, voor goede ventilatie te zorgen, en een stofzuiger bij het boorgat te houden. De resultaten gelden voor woningen met het soort uraniumtegels uit de onderzochte woning. Voor Nederlandse woningen met andere soorten uraniumtegels zijn geen harde uitspraken te doen zonder verder onderzoek. Het RIVM verwacht niet dat de stralingsdoses daarin hoger zullen zijn. Het is niet bekend hoeveel woningen uraniumtegels hebben. Veel van deze tegels zijn vermoedelijk al tijdens verbouwingen verwijderd.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Meting van gamma- en neutronendosistempo aan de terreingrens van KCB op 10-11 oktober 2022 | RIVM

Het RIVM heeft het zogeheten gamma- en neutronendosistempo bij kerncentrale Borssele (KCB) gemeten. Dit is op twee dagen gedaan op twee locaties op het terrein van de centrale. De metingen geven aan dat er in deze korte meetsessie geen toegevoegde neutronen- en gammadosis aan de terreingrens van KCB te zien is. Het neutronendosistempo was zeer laag. Het was zelfs vergelijkbaar met een achtergrondmeting op het RIVM-terrein. Het gammadosistempo was ook laag en kwam zeer goed overeen met het jaargemiddelde in 2021. De metingen zijn is in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) gedaan. Doel is te meten wat het gamma-en neutronendosistempo is dat KCB aan de natuurlijke waarde in de omgeving (achtergrondwaarde) toevoegt.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Advies uitvoering monitoringsfunctie eerste 1000 dagen | RIVM

Een goede start in het leven begint al voor de geboorte, zelfs nog voor de bevruchting en de zwangerschap. Kinderen die in de eerste 1000 dagen van hun leven blootstaan aan bijvoorbeeld stress, slechte voeding, rook of mishandeling, beginnen met een achterstand. Hierdoor kunnen zij zich op fysiek, mentaal en sociaal gebied minder goed ontwikkelen. Het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) wil daarom meer inzicht krijgen hoe de zorg voor en gezondheid van (aanstaande) zwangeren en kinderen zich ontwikkelen in de eerste 1000 dagen. Het heeft het RIVM gevraagd een werkwijze voor te stellen om informatie hierover uit bestaande databronnen te halen. Denk aan gegevens over zwangerschappen van Perined en gegevens over sociale omstandigheden van het Centraal Bureau voor de Statistiek ( CBS Centraal Bureau voor de Statistiek (Centraal Bureau voor de Statistiek) ). De bedoeling is om deze gegevens via een monitor met elkaar in verband te brengen en in samenhang te duiden. Voor dit advies heeft het RVIM het veld rond de eerste 1000 dagen betrokken, van vertegenwoordigers van zorgprofessionals en patiënten, tot beleidsmakers en onderzoekers. Het RIVM adviseert om de monitor stapsgewijs te ontwikkelen in een learning community. Daarin werken vertegenwoordigers van zorgprofessionals en patiënten, beleidsmakers en onderzoekers samen en leren ze van elkaar. Door stapsgewijs te werken, transparant te zijn en open te staan voor reflectie, kan de monitor tussentijds worden aangepast en steeds beter vormkrijgen. Ook kan de monitor zo meebewegen met de ontwikkelingen in het veld, bijvoorbeeld wat de beschikbaarheid van data betreft. Verder kan hij hierdoor goed aansluiten bij de behoeften van het veld en bij andere monitors van het RIVM over de geboortezorg. Het advies is om in 2024 eerst met alle betrokken partijen te bepalen welke onderwerpen of onderzoeksvragen met voorrang een antwoord moeten krijgen (werkagenda). Daarna werkt een kerngroep het eerste onderwerp stapsgewijs en ‘lerend’ uit. De kerngroep bepaalt ook welke data en analysemethoden worden gebruikt en hoe de data samen met het veld worden geduid. Daarna komen andere onderwerpen aan bod.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Opgaven voor volksgezondheid en zorg op weg naar 2050. Vooruitblik Volksgezondheid Toekomstverkenning 2024 | RIVM

Het RIVM blikt elke vier jaar vooruit op ontwikkelingen in de volksgezondheid en zorg. Het doet dat op verzoek van het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) . Vanwege de vervroegde verkiezingen in november 2023 en de kabinetsformatie worden alvast de inzichten gegeven die er tot die tijd zijn. De volledige Volksgezondheid Toekomstverkenning verschijnt in juni 2024 ( VTV Volksgezondheid Toekomst Verkenning (Volksgezondheid Toekomst Verkenning ) -2024). Daarin staan resultaten die nu nog niet bekend zijn en worden mogelijke oplossingen gegeven. De inzichten gaan over de toekomst van onze gezondheid en zorg tot 2050 en beschrijven drie grote opgaven op weg daarheen. De eerste is hoe de gezondheid van alle Nederlanders kan worden verbeterd. Leefstijl, zoals bewegen en gezonde voeding, heeft veel invloed op onze gezondheid. Het gaat daar bij een flink deel van de Nederlanders niet goed mee. Nu hebben veel mensen al overgewicht en dat worden er in de toekomst nog meer. Ook zorgen de omstandigheden waarin sommige mensen wonen, werken en leven voor een slechtere gezondheid. Hoe dat zich uit, verschilt per situatie. Armoede heeft bijvoorbeeld andere gevolgen voor alleenstaande oudere mannen dan voor gezinnen met jonge kinderen. De tweede opgave is hoe goede zorg en ondersteuning mogelijk wordt gemaakt. De komende jaren stijgt de vraag naar zorg, vooral doordat steeds meer mensen heel oud worden. De zorgvragen worden ook ingewikkelder omdat mensen verschillende gezondheidsproblemen tegelijk hebben. En dat terwijl het tekort aan professionals en mantelzorgers alleen maar groter wordt. Het is daarom belangrijk om na te denken wat goede zorg inhoudt, en of we dat op een andere manier kunnen leveren dan nu. Een belangrijke vraag daarbij is wat kwaliteit van leven voor mensen betekent. De derde opgave is hoe de leefomgeving de gezondheid kan verbeteren. Een grote uitdaging hierbij is de klimaatverandering. Tegelijkertijd is gebleken dat aanpassingen aan een ander klimaat ook kansen bieden voor een gezondere leefomgeving. Koele plekken met groen en water helpen bijvoorbeeld om hitte op te vangen. Zo’n omgeving stimuleert tegelijkertijd dat mensen naar buiten gaan, gaan sporten en elkaar ontmoeten. Ook hier is het belangrijk dat dit voor alle Nederlanders mogelijk is.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Monitor Mentale gezondheid en Middelengebruik Studenten hoger onderwijs 2023 | RIVM

Voor de tweede keer is een indruk gekregen van de mentale gezondheid van studenten in het hoger beroepsonderwijs en op de universiteit. Ruim 32.000 studenten vulden in het voorjaar van 2023 daarover een online vragenlijst in. Hierbij zijn ook vragen gesteld over het gebruik van middelen zoals alcohol, tabak en cannabis. Verder is in kaart gebracht welke factoren samenhangen met de mentale gezondheid en het middelengebruik. Met een deel van de deelnemende studenten gaat het mentaal redelijk tot goed in 2023. Een derde van hen geeft hun leven een 7, en ruim een kwart een 8 of hoger. Tegelijkertijd heeft een aanzienlijk deel psychische klachten. Zo heeft 44 procent van de deelnemende studenten depressie-/angstklachten. Ongeveer dezelfde of hogere percentages gelden voor emotionele uitputtingsklachten, vaak prestatiedruk of (heel) veel stress ervaren en eenzaamheid. Wat de middelen betreft wordt alcohol veruit het meest gebruikt. Van de studenten die drinken is 10 procent een overmatige drinker en 16 procent een zware drinker. De resultaten geven grofweg hetzelfde beeld als de eerste monitor van 2021. Ze geven nog duidelijker aan dat mentale gezondheid en middelengebruik niet los te zien zijn van de sociale en maatschappelijke omgeving waarin studenten leven. Naast de studie zijn onder andere de kosten van het dagelijks leven en de krappe woningmarkt belangrijke stressbronnen. Het is daarom belangrijk om niet alleen de mentale weerbaarheid van studenten te verbeteren, maar ook aandacht te hebben voor hun omgeving. Op sommige vlakken lijkt de mentale gezondheid iets te zijn verbeterd ten opzichte van de eerste monitor, die tijdens de coronapandemie werd gehouden. In 2023 ervaren minder deelnemende studenten emotionele uitputtingsklachten, prestatiedruk, en eenzaamheid dan in 2021. Factoren die bijdragen aan een goede mentale gezondheid zijn onder andere steun uit de omgeving en voldoende tijd voor ontspanning. Onder andere risicovol gebruik van sociale media en maatschappelijke stressbronnen hangen samen met een mindere mentale gezondheid. Het gebruik van de meeste middelen is gelijk gebleven in 2023. Sommige middelen lijken minder te zijn gebruikt, zoals cannabis. Elke dag of regelmatig vapen lijkt wel populairder te zijn geworden. Veel alcohol drinken komt onder andere vaker voor bij studenten met een hoge studieschuld en studenten die met anderen in een studentenhuis wonen. Het Trimbos-instituut, het RIVM en GGD GHOR Nederland Gemeentelijke / Gemeenschappelijke GezondheidsDienst – Geneeskundige HulpverleningsOrganisatie in de Regio (Gemeentelijke / Gemeenschappelijke GezondheidsDienst – Geneeskundige HulpverleningsOrganisatie in de Regio) hebben deze monitor opgezet en uitgevoerd. Dit is gedaan op verzoek van de ministeries van OCW Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) en VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) . Zie ook:
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Cijferrapportage Monitor mentale gezondheid 2023. Eerste landelijke overzicht | RIVM

Het RIVM en het Trimbos-instituut hebben voor het eerst een overzicht gemaakt van cijfers die bekend zijn over de mentale gezondheid in Nederland. De cijfers worden zonder toelichting of conclusies gegeven. Er wordt nog onderzoek gedaan naar factoren die samenhangen met mentale gezondheid en wat dat betekent voor beleid. De resultaten daarvan worden in 2025 bekend. De cijfers zijn onderverdeeld in drie thema’s: het mentale welbevinden, mentale problemen en psychische aandoeningen. De informatie gaat over de Nederlandse bevolking in zijn geheel en over verschillende (leeftijds)groepen, studenten en werkenden. Het overzicht laat zien welke cijfers beschikbaar zijn voor achttien graadmeters (indicatoren) waarmee de drie thema’s over mentale gezondheid in beeld wordt gebracht. Voorbeelden zijn hoe veerkrachtig mensen zich voelen, of ze eenzaam zijn, het aantal mensen met burn-outklachten en een angststoornis. Tegelijkertijd maakt het overzicht duidelijk welke informatie ontbreekt. Dit is het eerste onderdeel van de Monitor mentale gezondheid en is gemaakt in opdracht van het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) . Dit ministerie gaat de informatie gebruiken voor de landelijke aanpak 'Mentale gezondheid: van ons allemaal’ om de mentale gezondheid in Nederland te verbeteren. De monitor loopt tot 2025 en laat zien hoe de mentale gezondheid van de Nederlandse bevolking zich ontwikkelt. In 2024 worden de actuele cijfers over de indicatoren voor heel Nederland online gepubliceerd. Deze informatie wordt ingedeeld naar leeftijd, geslacht, en sociaaleconomische positie. Als dat kan, worden de cijfers per regio of gemeente gegeven.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Aanbod van zelftesten in Nederland | RIVM

Met behulp van zelftesten kunnen consumenten inzicht krijgen in risico op ziekte, gepersonaliseerde leefstijladviezen of zelfs trachten een diagnose te stellen. Voorstanders van zelftesten pleiten voor zaken als een toename in privacy en vroegdiagnostiek, daar waar tegenstanders bijvoorbeeld de risico’s en kosten van vals-negatieven en -positieven sterk benadrukken (1, 2, 3). Huisartsen hebben aangegeven niet vaak patiënten te zien die een zelftest hebben uitgevoerd, maar hebben wel behoefte aan een verbetering in de informatievoorziening rondom zelftesten (4). Een overzicht van het huidige aanbod van zelftesten kan helpen om meer informatie over het aanbod te verzamelen, en de impact van de markt te verkennen/duiden. Meer informatie op de pagina: Gezondheidstesten .
Jaar: 2023 Onderzoek

Gezondheidseconomische aspecten van de Covidpandemie | RIVM

De coronapandemie en de bestrijding daarvan hebben grote gevolgen gehad voor de samenleving en economie in Nederland. Het RIVM brengt enkele gevolgen hiervan in beeld als opstap naar een Maatschappelijke Baten en Kosten Analyse ( MKBA maatschappelijke kosten-batenanalyse (maatschappelijke kosten-batenanalyse) ). Zo zijn scenario’s van strengere en minder strenge maatregelen vergeleken. Ook is voor het eerst een brug geslagen tussen economische- en ziektemodelleringen. Vooral is onderzocht wat bij mensen uit verschillende inkomensgroepen de effecten van de pandemie waren op ziekte en sterfte door corona, op uitgestelde zorg en op de onderwijsprestaties van kinderen. De MKBA moet nog verder ontwikkeld worden, maar het model levert nu al belangrijke inzichten op. Deze inzichten kunnen beleidsmakers bij een volgende gezondheidspandemie helpen om betere afwegingen te maken. Het is daarbij vooral belangrijk om te kijken naar de gevolgen voor verschillende bevolkingsgroepen. Zo blijkt dat de coronapandemie bestaande verschillen tussen inkomensgroepen groter heeft gemaakt. Meer mensen met een lager inkomen zijn overleden aan corona. Verder blijkt dat mensen met een lager inkomen zich minder vaak in teststraten hebben laten testen, maar vaker met corona in het ziekenhuis en op de intensive care terechtkwamen. Daarnaast blijkt dat zij vaak minder snel uitgestelde zorg konden ‘inhalen’ dan mensen met hogere inkomens. Ook is gekeken hoe verschillende bevolkingsgroepen gezondheid en welzijn waarderen. Mensen blijken meer waarde te hechten aan hun welzijn dan aan gezondheid. Met dit inzicht kunnen betere afwegingen worden gemaakt tussen maatregelen die de gezondheid bevorderen, maar het welzijn schaden. Veerkracht blijkt voor alle inkomensgroepen groepen heel belangrijk. Mensen met een lager inkomen halen hun veerkracht vooral uit hun directe omgeving. Bij een nieuwe epidemie is het daarom belangrijk om, naast het landelijke beleid, de lokale bevolking actief te betrekken. Dat kan door informatie te geven die de hele bevolking bereikt en door contacten in wijken en buurten te stimuleren. Een vergelijking tussen enkele Europese landen maakt duidelijk dat extreme maatregelen, te streng of juist te soepel, schadelijk zijn voor zowel de volksgezondheid als de economie. Het is cruciaal om een gunstige balans te vinden tussen timing en de mate en duur van beperkingen. De bevolking zal maatregelen steunen wanneer ze proportioneel zijn en niet te vaak veranderen. Bij veel veranderingen verliezen lagere sociaaleconomische bevolkingsgroepen het vertrouwen in de overheid.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Tuberculose in Nederland 2022 | RIVM

In 2022 is in Nederland bij 635 mensen de ziekte tuberculose ( tbc Tuberculose (Tuberculose) ) vastgesteld. Dit is 6 procent minder dan in 2021 (673 patiënten). Deze daling past bij de ontwikkeling van de afgelopen twintig jaar dat in Nederland steeds minder mensen tuberculose hebben. In 2020 daalde het aantal tbc-patiënten sterker dan in de jaren ervoor. Van maart 2020 tot en met mei 2022 golden er in Nederland coronamaatregelen, zoals afstand houden of minder contact hebben met andere mensen. Waarschijnlijk kon de tbc-bacterie zich hierdoor minder makkelijk verspreiden. Een andere reden was de daling van het aantal immigranten en asielzoekers in Nederland door de wereldwijde reisbeperkingen in 2020. Tuberculose komt vaker voor bij personen die niet in Nederland zijn geboren; in 2022 was dat bij 4 van de 5 zieken het geval. De meesten kwamen uit Eritrea (70), gevolgd door Marokko (59) en Somalië (36). In Afrika en Azië komt tuberculose veel voor. De infectieziekte tuberculose wordt veroorzaakt door een bacterie en kan besmettelijk zijn. Van de 635 tbc-patiënten in 2022 had meer dan 60 procent tuberculose in de longen, de overige patiënten hadden tuberculose buiten de longen. Een kwart van alle patiënten had de besmettelijkste vorm (open tuberculose). Als een persoon wel besmet is met de bacterie maar (nog) geen tuberculose heeft, dan wordt dat een tuberculose-infectie genoemd. Door een tuberculose-infectie vroeg op te sporen kunnen mensen worden behandeld voordat ze ziek worden. Dit zorgt ervoor dat minder mensen tuberculose krijgen. In 2022 zijn er (naast de 635 personen die ziek waren) bijna 1200 personen met een tuberculose-infectie gemeld. Ruim een kwart is gevonden door bron- en contactonderzoek in de omgeving van een tbc-patiënt. Een derde werd opgespoord door nieuwkomers te testen uit landen waar tuberculose veel voorkomt. Het RIVM rapporteert elk jaar de cijfers over tuberculose en tuberculose-infectie om te zien welke effecten maatregelen hebben om tuberculose in Nederland terug te dringen. Deze maatregelen staan beschreven in het Nationaal plan tuberculosebestrijding 2021-2025.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Jaarrapportage monitor gecombineerde leefstijl interventie (GLI) 2023 | RIVM

Een Gecombineerde Leefstijlinterventie (GLI) is een behandeling voor mensen met overgewicht en obesitas. Het doel is om via een gezondere leefstijl een gezonder gewicht te bereiken. Dit gebeurt bijvoorbeeld door aandacht te besteden aan voeding, beweging, slaap en stress. De behandeling duurt maximaal een jaar, waarna er een onderhoudsfase volgt. In totaal duurt het programma twee jaar. Sinds 2019 volgt het RIVM de ontwikkelingen rondom de GLI en de resultaten bij de deelnemers. Tussen 2019 en 31 mei 2023 zijn in totaal ruim 82 duizend personen met een GLI-programma begonnen. Dat is een verdubbeling van het aantal sinds 31 mei 2022 (40.000). Het aantal deelnemers verschilt sterk per regio: in de provincie Gelderland doen 3 keer zoveel mensen met overgewicht en obesitas mee als in bijvoorbeeld de regio Gooi- en Vechtstreek. Aan het einde van de behandelfase zijn deelnemers gemiddeld 4 kilo (3,6 procent) afgevallen. Het doel van alle behandelingen voor overgewicht en obesitas is dat deelnemers 5 procent of meer gewicht verliezen na één jaar behandeling. Een derde van de GLI-deelnemers heeft dit doel bereikt aan het einde van de behandelfase. Maar ook minder gewichtsverlies of een stabiel gewicht verbetert de gezondheid al, omdat het de kans op diabetes type 2 of slijtage aan de knie verkleint. Dit was bij 83 procent van de GLI-deelnemers het geval. Afhankelijk van de definitie is de behandeling met een GLI tot nu toe dus matig tot zeer succesvol. Het blijkt uit te maken in welk jaar mensen met de GLI zijn begonnen. Hoe korter geleden, hoe beter de resultaten. Een verklaring kan zijn dat er steeds meer ervaring is opgedaan met de GLI-programma’s. Deelnemers vinden na de behandelfase hun kwaliteit van leven flink verbeterd in vergelijking met de periode voor de GLI. De gemiddelde score die deelnemers aan hun kwaliteit van leven gaven nam toe met 7,5 punten op een schaal van 0 tot 100. Bij deelnemers die 5 procent of meer van het gewicht verloren, verbeterde de kwaliteit van leven nog meer (11,3 punten). Bij deelnemers met een kleinere gewichtsafname was dat wat lager (5,7 punten).
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Advies lerende evaluatie Landelijke Aanpak Mentale Gezondheid | RIVM

De mentale gezondheid in Nederland staat al langere tijd onder druk. De Nederlandse overheid wil de mentale gezondheid in Nederland verbeteren met de landelijke aanpak ‘Mentale gezondheid: van ons allemaal’. Hierin is onder andere aandacht voor een mentaal gezonde samenleving, in de buurt, op school, op het werk en online. Deze aanpak is in 2022 begonnen en loopt door tot 2025. Het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) wil weten hoe de activiteiten voor de aanpak vorm krijgen en bijdragen aan de doelen van de aanpak. Het ministerie heeft het RIVM, het Trimbos-instituut, GGD GHOR Nederland Gemeentelijke / Gemeenschappelijke GezondheidsDienst – Geneeskundige HulpverleningsOrganisatie in de Regio (Gemeentelijke / Gemeenschappelijke GezondheidsDienst – Geneeskundige HulpverleningsOrganisatie in de Regio) en het Nederlands Jeugdinstituut ( NJi Nederlands Jeugdinstituut (Nederlands Jeugdinstituut) ) daarover om advies gevraagd. Het advies is om een ‘lerende evaluatie’ te gebruiken, zodat al doende wordt geleerd wat beter kan in deze breed opgezette landelijke aanpak. Bij een lerende evaluatie is het de bedoeling dat de betrokken partijen regelmatig de informatie bespreken en verzamelen. De partijen werken zo al tijdens de aanpak aan continue verbetering en niet alleen achteraf. Dit is nodig, omdat de Landelijke Aanpak Mentale Gezondheid nog volop in ontwikkeling is en om ingewikkelde vraagstukken gaat waarbij veel partijen zijn betrokken. Een belangrijke voorwaarde om de evaluatie mogelijk te maken, is dan ook dat al deze partijen bereid zijn om informatie, inzichten en belemmeringen te delen. Bij de aanpak zijn naast VWS twee andere ministeries betrokken: de ministeries van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ( OCW Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) ) en Sociale Zaken en Werkgelegenheid ( SZW Sociale zaken en werkgelegenheid (Sociale zaken en werkgelegenheid) ). Daarnaast werken verschillende lokale regionale en landelijke partijen binnen de landelijke aanpak samen, zoals werkgevers, gemeenten, maatschappelijke organisaties, kennisinstituten, sportverenigingen, onderwijs, en landelijke programma’s die als doel hebben de mentale gezondheid te verbeteren.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Normen bodem Omgevingswet. Referentiedocument en onderzoek normwaarden Bodem en Ondergrond | RIVM

Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) ) wil het bodembeleid actualiseren. Daarom kreeg het RIVM opdracht een overzicht te maken van de kennis over de normen voor verontreinigingen in de bodem. Ook is beoordeeld of de adviezen, die het RIVM op basis van deze kennis aan IenW heeft gegeven, nog actueel zijn. De Omgevingswet gaat per 1 januari 2024 in. De bestaande normen voor bodemverontreinigingen zijn één-op-één overgenomen in het Aanvullingsbesluit bodem van deze wet. De nieuwste wetenschappelijke kennis over chemische stoffen en de effecten van deze stoffen op mens en milieu zijn daar nog niet in verwerkt. Belangrijker was eerst in de praktijk ervaring op te doen met de nieuwe wet. Daarom zijn ook de eerdere adviezen van het RIVM nog niet opgenomen in beleid. Ondertussen heeft het RIVM deze kennis wel in rekenmodellen verwerkt. Ook heeft het voor enkele stoffen onderzocht welk effect dit heeft op de bepaling van nieuwe grenswaarden. Op de langere termijn wil het ministerie van IenW het bodembeleid vernieuwen. Het streven is dan om de bodem niet alleen te beoordelen op verontreinigende stoffen, maar ook op het duurzaam gebruik van de bodem met het belang voor mens en milieu. Dit ‘referentiedocument’ geeft mogelijkheden voor toekomstig onderzoek naar de vernieuwing van het bodembeleid.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

NethMap 2023. Consumption of antimicrobial agents and antimicrobial resistance among medically important bacteria in the Netherlands in 2022 / MARAN 2023. Monitoring of Antimicrobial Resistance and Antibiotic Usage in Animals in the Netherlands in 2022 | RIVM

Elk jaar wordt per bacteriesoort geteld welk percentage resistent is. Een bacterie is dan ongevoelig voor antibiotica. In Nederland was in 2022 het deel van de resistente bacteriën ongeveer even groot als in 2021. Bij sommige bacteriesoorten kwam resistentie in de afgelopen 5 jaar iets minder vaak voor. Toch zijn enkele soorten bacteriën vaker resistent dan vijf jaar geleden. Deze bacteriën veroorzaken vaak milde infecties van onder andere de huid. In 2020 en 2021 zijn in Nederland minder antibiotica voorgeschreven. Dat kwam waarschijnlijk doordat er door de coronapandemie minder mensen in het ziekenhuis lagen of bij de huisarts kwamen. Dit effect van de pandemie op het gebruik van antibiotica begint af te nemen. In 2022 hebben huisartsen en ziekenhuizen meer antibiotica voorgeschreven dan tijdens de coronajaren. In ziekenhuizen was het gebruik ongeveer hetzelfde als in de jaren vóór de pandemie; huisartsen schreven ze iets minder vaak voor. Verder zijn er in ziekenhuizen en verpleeghuizen weer meer uitbraken gemeld van infecties door resistente bacteriën dan in de coronajaren. Maar dit aantal is nog altijd lager dan in de jaren vóór de pandemie. Ondanks de stabiele percentages blijft alertheid op resistente bacteriën nodig. Vooral mensen die in het buitenland in het ziekenhuis hebben gelegen, kunnen bacteriën bij zich dragen die resistent zijn tegen verschillende antibiotica tegelijk. Goede maatregelen om infecties te voorkomen, zoals handen wassen en andere hygiënemaatregelen, zijn nodig om te voorkomen dat deze bacteriën zich verspreiden. Ook moet onjuist en onnodig gebruik van antibiotica zo veel mogelijk worden voorkomen (antimicrobial stewardship). De maatregelen die nu al in Nederland zijn genomen om antibioticaresistentie te bestrijden, reiken verder dan de gezondheidszorg bij mensen (one health). Resistente bacteriën komen namelijk ook voor bij dieren, in voeding en in het milieu. Sinds 2009 worden steeds minder antibioticaresistente darmbacteriën gevonden bij varkens, koeien en kippen die voor de voedselproductie worden gehouden (landbouwhuisdieren). Dat past bij het nog steeds verder afnemende gebruik van antibiotica bij landbouwhuisdieren. In 2022 zijn ook minder antibiotica voor álle diersoorten verkocht dan in 2021. Ten opzichte van 2009, het referentiejaar, is de verkoop met meer dan 77 procent gedaald. De antibiotica die cruciaal zijn om infecties bij de mens te behandelen, worden alleen nog bij hoge uitzondering gebruikt voor (landbouw)huisdieren. Dit blijkt uit de jaarlijkse rapportage NethMap Consumption of antimicrobial agents and antimicrobial resistance among medically important bacteria in the Netherlands (Consumption of antimicrobial agents and antimicrobial resistance among medically important bacteria in the Netherlands) / MARAN Monitoring of antimicrobial resistance and antibiotic usage in animals in the Netherlands (Monitoring of antimicrobial resistance and antibiotic usage in animals in the Netherlands) 2023. Hierin presenteren diverse organisaties samen de gegevens over het antibioticagebruik en -resistentie in Nederland, voor mensen en dieren.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

The National Immunisation Programme in the Netherlands. Surveillance and developments in 2022-2023 | RIVM

Het RIVM houdt elk jaar bij hoeveel mensen een ziekte krijgen waartegen vanuit het Rijksvaccinatieprogramma ( RVP Rijksvaccinatie programma (Rijksvaccinatie programma) ) wordt gevaccineerd. In 2022 kregen in Nederland meer mensen zo’n ziekte dan in 2021. Dit komt waarschijnlijk doordat de coronamaatregelen zijn opgeheven, zoals afstand houden. Net als in 2021 werden er in 2022 geen mensen ziek door rodehond. De andere ziekten die in 2021 niet voorkwamen, waren in 2022 wel weer te zien. Dat zijn difterie (7 mensen), mazelen (6), en tetanus (2). Kinkhoest (129) en bof (7) kwamen in 2022 vaker voor dan in 2021, maar wel minder vaak dan in de jaren vóór de coronapandemie. Ook pneumokokken kwam in 2022 iets minder vaak voor dan voor de coronapandemie. Het aantal mensen met meningokokkenziekte type W (2) is sinds 2018 verder gedaald. Dat komt vooral doordat de vaccinatie tegen dit type meningokokken vanaf dat jaar ook aan tieners wordt gegeven. Ook het aantal meldingen van Haemophilus influenzae type B ( Hib haemophilus influenzae type b (haemophilus influenzae type b) ) was in 2022 iets lager dan in 2021 (59 en 68). Het aantal kinderen jonger dan 5 jaar dat ernstig ziek werd van Hib nam wel toe (26 in 2021, 29 in 2022), ook in vergelijking met de jaren voor de coronapandemie (39 zieken in 2019, van wie 17 onder de vijf jaar). Het aantal meldingen van chronische hepatitis B (815) was hoger dan in 2021, maar lager dan voor de coronapandemie: tussen 2014 en 2019 hoorden per jaar 1.000 tot 1.100 mensen dat ze deze ziekte hebben. In 2022 zijn ten minste 1.041.632 kinderen gevaccineerd via het RVP. Zij kregen in totaal minstens 2.619.654 vaccinaties. Ook hebben ten minste 114.839 zwangere vrouwen een vaccinatie gekregen die hun baby vanaf de geboorte beschermt tegen onder andere kinkhoest. Dit is de 22 wekenprik. Op advies van de Gezondheidsraad wordt de griepvaccinatie vanaf oktober 2023 tijdens het griepseizoen ook aan zwangere vrouwen aangeboden. Verder krijgen jonge baby’s die vanaf 1 januari 2024 geboren worden, een vaccin tegen het rotavirus. Personen van 15 jaar of ouder krijgen sinds september 2022 nog maar 2 doses van het HPV humaan papillomavirus (humaan papillomavirus) -vaccin, in plaats van 3. Vaccineren tegen de ziekte COVID-19 werkt goed om ernstige ziekte en sterfte te voorkomen, maar de bescherming neemt langzaam af. De booster- en herhaalvaccinaties zorgen ervoor dat de bescherming weer toeneemt.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Duiding daling in voldoen aan Beweegrichtlijnen tussen 2019 en 2022. Welke groepen zijn minder gaan bewegen en wat doen ze minder? | RIVM

Tussen 2019 (vóór de coronapandemie) en 2022 (na de coronapandemie) is er een daling zichtbaar in het percentage Nederlanders dat voldoet aan de Beweegrichtlijnen (4 jaar en ouder: 49% versus 44%). Dit onderzoek laat zien dat de daling het grootst is onder jongeren (12 t/m 17 jaar), jongvolwassenen (18 t/m 29 jaar), mensen met betaald werk (15 jaar en ouder) en hoger opgeleiden (25 jaar en ouder). Ondanks dat jongeren meer tijd zijn gaan besteden aan sporten voldeden ze in 2022 minder vaak aan de Beweegrichtlijnen dan in 2019. Dit komt omdat ze minder fietsten in hun vrije tijd en naar school. Jongvolwassenen voldeden in 2022 minder vaak aan de Beweegrichtlijnen dan in 2019 omdat ze minder wandelden in de vrije tijd. Mensen met betaald werk voldeden in 2022 minder vaak aan de Beweegrichtlijnen dan in 2019 omdat ze minder fietsten in de vrije tijd. Hoger opgeleiden voldeden in 2022 minder vaak aan de Beweegrichtlijnen dan in 2019 omdat zij minder fietsten in hun vrije tijd. Daar staat tegenover dat zij in hun vrije tijd wel meer wandelden. Aangezien alle bovengenoemde groepen ook veel zitten is het stimuleren van bewegen juist bij hen van groot belang voor de volksgezondheid. Veel zitten hangt samen met een hoger risico op hart – en vaatziekten, diabetes type 2 en eerdere sterfte. Dit verband is sterker als mensen minder bewegen. Bij mensen die zeer actief zijn en ruim aan de beweegrichtlijnen voldoen is dat verband er bijna niet.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Monitoring of radioactivity in the Netherlands. National Radioactivity Monitoring Network – results 2020 and 2021 | RIVM

In 2020 en 2021 voldeed Nederland aan de Europese verplichting om elk jaar te meten hoeveel radioactiviteit in het milieu zit. De niveaus radioactiviteit gemeten met het Nationaal Meetnet Radioactiviteit laten een normaal beeld zien, net als de jaren ervoor. Alle landen van de Europese Unie zijn volgens het Euratom-verdrag uit 1957 verplicht om deze metingen te doen. Nederland volgt daarbij de aanbevelingen uit 2000 op om de metingen op een bepaalde manier uit te voeren. De metingen leveren achtergrondwaarden op, ofwel radioactiviteitsniveaus die er onder normale omstandigheden zijn. Deze waarden kunnen bij bijvoorbeeld calamiteiten of rampen als referentie dienen. Het RIVM brengt namens de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) verslag uit aan de Europese Unie over radioactiviteit in het milieu.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Monitoring of radioactivity in the Netherlands. Air dust and deposition – results 2020 and 2021 | RIVM

In 2020 en 2021 voldeed Nederland aan de Europese verplichting om elk jaar de hoeveelheid radioactiviteit in het milieu te meten. De niveaus radioactiviteit in stof in de lucht en op de bodem laten een normaal beeld zien, net als in eerdere jaren. Alle landen van de Europese Unie zijn volgens het Euratom-verdrag uit 1957 verplicht om deze metingen te doen. Nederland volgt daarbij de aanbevelingen uit 2000 op om de metingen op een bepaalde manier uit te voeren. De metingen leveren achtergrondwaarden op, ofwel radioactiviteitsniveaus die er onder normale omstandigheden zijn. Deze waarden kunnen bij bijvoorbeeld calamiteiten of rampen als referentie dienen. Het RIVM brengt namens de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) verslag uit aan de Europese Unie over radioactiviteit in het Nederlandse milieu.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Monitoring of radioactivity in the Netherlands. Milk, Food and Feed – results 2020 and 2021 | RIVM

In 2020 en 2021 voldeed Nederland aan de Europese verplichting om elk jaar te meten hoeveel radioactiviteit in het milieu en in voeding zit. De niveaus radioactiviteit in voedsel en melk gemeten door Wageningen Food Safety Research ( WFSR Wageningen Food Safety Research (Wageningen Food Safety Research ) ) liggen net als in vorige jaren onder de Europese limieten voor consumptie en export. De radioactiviteitsniveaus in gras en veevoer laten een normaal beeld zien, net als de jaren ervoor. Alle landen van de Europese Unie zijn volgens het Euratom-verdrag uit 1957 verplicht om deze metingen te doen. Nederland volgt daarbij de aanbevelingen uit 2000 op om de metingen op een bepaalde manier uit te voeren. De metingen leveren achtergrondwaarden op, ofwel radioactiviteitsniveaus die er onder normale omstandigheden zijn. Deze waarden kunnen bij bijvoorbeeld calamiteiten of rampen als referentie dienen. Het RIVM brengt namens de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) verslag uit aan de Europese Unie over radioactiviteit in het milieu.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Monitoring of radioactivity in the Netherlands. Surface water and seawater – results 2020 and 2021 | RIVM

In 2020 en 2021 voldeed Nederland aan de Europese verplichting om elk jaar te meten hoeveel radioactiviteit in het milieu zit. De niveaus radioactiviteit in oppervlaktewater en zeewater zijn vergelijkbaar met die van eerdere jaren. Alle landen van de Europese Unie zijn volgens het Euratom-verdrag uit 1957 verplicht om deze metingen te doen. Nederland volgt daarbij de aanbevelingen uit 2000 op om de metingen op een bepaalde manier uit te voeren. De metingen leveren achtergrondwaarden op, ofwel radioactiviteitsniveaus die er onder normale omstandigheden zijn. Deze waarden kunnen bij bijvoorbeeld calamiteiten of rampen als referentie dienen. Het RIVM brengt namens de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) verslag uit aan de Europese Unie over radioactiviteit in het milieu.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Air quality assessment 2015–2019 for the European measurement obligation in the Netherlands | RIVM

De Europese wetgeving verplicht Nederland om een minimaal aantal meetpunten te hebben waarmee het de luchtkwaliteit in het hele land in de gaten kan houden. Dit heet de Europese minimale meetverplichting, die lidstaten elke vijf jaar moeten controleren. De Europese lidstaten bepalen per land het aantal meetpunten op basis van criteria in de EU Europese Unie (Europese Unie) -richtlijnen voor luchtkwaliteit. Ze kijken daarbij naar de gemeten concentraties van luchtvervuilende stoffen en het aantal inwoners in verschillende ‘luchtkwaliteitsgebieden’. In deze gebieden wordt een onderscheid gemaakt tussen stedelijke gebieden (agglomeraties) en overige gebieden (zones), waaronder meerdere provincies vallen. Door veranderingen hierin, bijvoorbeeld als gemeenten zijn samengevoegd, kan het nodig zijn de meetinspanning aan te passen om aan de meetverplichting te voldoen. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) controleerde de minimale meetinspanning op basis van gemeten concentraties tussen 2015 en 2019. Hieruit blijkt dat Nederland bijna overal aan de minimale meetverplichting voldoet. Alleen in de agglomeratie Den Haag/Leiden was dat niet zo, omdat daar een meetpunt was weggevallen. Dat was niet meer bruikbaar omdat de omgeving van het meetpunt is veranderd. In september 2022 is er een nieuw station geplaatst waardoor deze tekortkoming is opgelost. Net als de vorige beoordeling blijkt dat er te weinig meetlocaties te zijn om de concentraties ozon in ‘voorstedelijke gebieden’ voldoende te kunnen bepalen. Het RIVM adviseert het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( I&W Ministerie van Infrastructuur & Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur & Waterstaat) ) dit aantal uit te breiden. Op sommige plekken schrijft de nationale wetgeving (Regeling Beoordeling Luchtkwaliteit, ofwel Rbl) voor om met meer meetpunten de luchtkwaliteit te meten dan de Europese wetgeving minimaal voorschrijft. Dit komt omdat luchtkwaliteitsmetingen niet alleen voor de Europese verplichtingen worden uitgevoerd, maar ook voor andere doelen. Bijvoorbeeld om modelberekeningen te kunnen controleren en de gemeten concentraties van bepaalde luchtverontreinigende stoffen over een langere periode te kunnen blijven volgen. Het Landelijk meetnet Luchtkwaliteit ( LML Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit) ) voert de Europese en nationale meetverplichting uit. Deze wordt waar nodig aangevuld met meetpunten van de partnermeetnetten van de GGD Gemeentelijke Gezondheidsdienst (Gemeentelijke Gezondheidsdienst) Amsterdam en de DCMR Milieudienst Rijnmond (Milieudienst Rijnmond) Milieudienst Rijnmond.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

The diet of the Dutch. Results of the Dutch National Food Consumption Survey 2019-2021 on food consumption and evaluation with dietary guidelines | RIVM

De Nationale Voedselconsumptiepeiling 2019-2021 ( VCP Voedselconsumptiepeiling (Voedselconsumptiepeiling) ) laat zien hoeveel en wat mensen in Nederland eten en drinken. De VCP maakt ook duidelijk of zij de richtlijnen Goede voeding volgen en wat daarin is veranderd sinds de vorige peilingen in 2012-2016 en 2007-2010. De afgelopen jaren zijn Nederlanders gezonder gaan eten. Dat komt onder andere omdat ze meer plantaardige producten zoals groente, fruit, ongezouten noten en peulvruchten eten. Ook eten ze minder rood en bewerkt vlees en drinken ze minder suikerhoudende dranken. De meeste verbeteringen zijn te zien bij zowel de volwassenen als de kinderen. Verder zijn mensen meer voedingssupplementen gaan gebruiken, zoals vitamine D. Toch eten de meeste Nederlanders niet volgens de Richtlijnen Goede voeding. Over het algemeen volgen vrouwen, 65-plussers en hoger opgeleiden beter de Richtlijnen voor gezonde voeding dan mannen, jongvolwassenen en lager opgeleiden. Deze richtlijnen zijn de basis voor de Schijf van Vijf van het Voedingscentrum. Een gezondere voeding kan helpen om overgewicht en chronische ziekten als hart- en vaatziekten te voorkomen. Het RIVM bracht dit keer het voedingspatroon met ruim 3500 kinderen en volwassenen in kaart. Met deze gegevens kunnen beleidsmakers en professionals werken aan een gezond en duurzaam voedingspatroon, productinnovatie, voorlichting en onderzoek. Dit rapport beschrijft en bediscussieert de onderzoeksmethode en resultaten in detail. Het is bedoeld voor (inter)nationale wetenschappers en professionals. De resultaten zijn eerder al gepubliceerd op www.wateetnederland.nl . De resultaten over hoeveel voedingsstoffen mensen binnenkrijgen verschijnen later in 2023.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Piekbelasting: inschatting effect aanpassing RAV | RIVM

Het Ministerie van LNV Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) heeft gevraagd om inzicht in de effecten van een aanpassing van de Rav-factoren (Regeling ammoniak en veehouderij) voor enkele diercategorieën. Aan de hand van de aangepaste emissies is een nieuwe depositievracht berekend voor de agrarische bedrijfslocaties. Vervolgens is de nieuwe depositievracht vergeleken met de drempelwaarde om in aanmerking te komen voor de Lbv of voor de Lbv-plus regeling.
Jaar: 2023 Onderzoek

Medical microbiology laboratories in the Netherlands can detect animal type A influenza viruses well. External Quality Assessment 2023 | RIVM

Typen A en B griepvirussen kunnen ernstige ziekte bij mensen veroorzaken. Het type A griepvirus heeft veel subtypen en komt ook bij vogels en varkens voor. In Nederland testen de zogeheten ‘medisch microbiologische laboratoria’ of mensen besmet zijn met een griepvirus. Dat geeft inzicht in hoeveel mensen besmet zijn met een griepvirus en of het virus van type A of B is. Het H5 subtype van type A veroorzaakte wereldwijd een vogelgriep uitbraak in 2022, de grootste sinds 2003. Ook raken steeds meer zoogdieren door subtype H5 besmet. De zorg bestaat dat hierdoor de kans groter wordt dat dit virus ook mensen kan gaan besmetten (zoönose). Dat geldt ook voor varkensgriepvirussen. De kans dat mensen besmet raken wordt nog groter als vogel- en varkensgriepvirussen zich met elkaar vermengen. Zo’n zoönose zou een nieuwe pandemie kunnen veroorzaken. Daarom is met een kwaliteitscontrole onderzocht of de laboratoria vogel- en varkensgriepvirussen kunnen opsporen. Vijftig laboratoria in Nederland, Aruba, Bonaire en Curaçao hebben deelgenomen. Alle laboratoria hebben minimaal één routinetest waarmee ze van de dierlijke griepvirussen in de kwaliteitscontrole konden aantonen dat het om een type A griepvirus gaat. Een aantal van deze testen herkende het subtype van menselijke virussen, maar de meeste testen herkenden het subtype van de vogel en varkens virussen niet. Met extra testen herkenden vier laboratoria het H5 subtype van vogelgriepvirussen. Een aantal laboratoria gaf aan speciale, niet-routine testen in te kunnen zetten om het subtype te herkennen. Het is belangrijk dat artsen zich bewust zijn van een mogelijke besmetting bij mensen met een dierlijk griepvirus. Als artsen zo’n besmetting vermoeden bij een patiënt met griepachtige klachten is verder onderzoek nodig. Dat is ook het geval als een laboratorium bij een patiënt een type A griepvirus aantoont dat geen menselijk subtype is. Dat onderzoek gebeurt bij het Nationaal Influenza Centrum (het RIVM en Erasmus MC Erasmus University Medical Center (Erasmus University Medical Center) ), dat alle menselijke en dierlijke griepvirussen kan onderscheiden.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Gevolgen van houtrook voor de gezondheid: een update van verkennend literatuuronderzoek | RIVM

Het is bekend dat er stoffen in de rook van brandend hout zitten die schadelijk zijn voor de gezondheid. Er is alleen geen eenduidig bewijs wat voor gevolgen het voor de gezondheid kan hebben als mensen in en buiten hun huis blootstaan aan houtrook. De resultaten in de internationale wetenschappelijke literatuur zijn daarvoor te verschillend. Zo blijkt uit een onderzoek in Nederland uit 2021 dat meer mensen last hebben van kortademigheid op dagen dat er meer houtrook in de buitenlucht zit. Ook gebruiken zij vaker medicijnen voor luchtwegklachten. Ook in enkele internationale onderzoeken zijn gezondheidseffecten gevonden bij volwassenen en kinderen. Voorbeelden zijn COPD Chronic Obstructive Pulmonary Disease (chronische bronchitis of longemfyseem) (Chronic Obstructive Pulmonary Disease (chronische bronchitis of longemfyseem) ) , slechtere longfunctie, longontsteking, longkanker, oorontsteking bij kinderen en een lager geboortegewicht. Maar in andere studies zijn deze effecten niet gevonden. Een van de problemen voor de bewijsvoering is dat de blootstelling aan vervuilende stoffen van houtrook nog niet goed in kaart is gebracht. In veel onderzoeken wordt deze niet gemeten maar door mensen zelf benoemd. Dit gebeurt aan de hand van vragen over het hebben van een houtkachel en hoe vaak en wanneer mensen die gebruiken. Een nauwkeurige schatting van de blootstelling is op deze manier niet mogelijk. Daarnaast bepalen veel meer eigenschappen in een woning aan hoeveel rook mensen in of buiten een woning blootstaan. Denk aan de hoeveelheid ventilatie of het type houtkachel of open haard. Niet alle onderzoeken houden hiermee rekening. Onderzoeken waarin wel vervuilende stoffen zijn gemeten, hebben dat meestal buiten gedaan en niet binnen. En dat terwijl de meeste mensen het grootste gedeelte van hun tijd binnen doorbrengen. Ook is nog weinig onderzoek gedaan naar de gezondheidseffecten van houtstook van anderen dan de stoker zelf. Denk aan buren en kwetsbare groepen, zoals zwangere vrouwen of personen met een chronische ziekte. Het RIVM vindt daarom dat beter en uitgebreider onderzoek nodig is om gezondheidseffecten van houtrook voor stokers en niet-stokers preciezer in te kunnen schatten. Dit blijkt uit een verkennend literatuuronderzoek van het RIVM. Deze conclusie is in lijn met twee eerdere literatuuronderzoeken van het RIVM uit 2011 en 2019.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Monitor stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden 2023. Monitoring van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering | RIVM

Te veel stikstof is schadelijk voor kwetsbare natuur. De Nederlandse overheid wil de natuurkwaliteit verbeteren door ervoor te zorgen dat er minder stikstof op neerdaalt. Ook wil ze kwetsbare natuurgebieden (Natura 2000-gebieden) houden of uitbreiden. Om meer vaart hierachter te zetten, is in 2021 de Wet stikstofreductie en natuurverbetering ingevoerd, met doelen voor 2025, 2030 en 2035. Het RIVM onderzoekt elk jaar hoe de neerslag van stikstof zich ontwikkelt, of de stikstofdoelen haalbaar zijn en, later, of ze zijn gehaald. Daaruit blijkt dat er ongeveer 20 procent minder stikstof in de kwetsbare natuur terechtkomt dan in 2005. Naar verwachting daalt de neerslag tot 2030 verder. Dat komt vooral doordat verkeer en landbouw in binnen- en buitenland door maatregelen en regelgeving minder stikstof gaan uitstoten. Stikstof kan voor problemen zorgen in de natuur als de hoeveelheid neerslag boven de norm komt (de kritische depositiewaarde). De hoeveelheid stikstof neerslag boven de norm is in de Natura 2000-gebieden met ongeveer 40 procent gedaald tussen 2005 en 2021. Toch is deze op veel plekken te hoog. Het oppervlak natuur waarop niet te veel stikstof neerdaalt, is in 2021 28 procent en stijgt in 2030 naar verwachting tot ongeveer 30 procent. Het Nederlandse doel is dat dit percentage stijgt tot ten minste 40, 50 en 74 procent in de jaren 2025, 2030 en 2035. Uit de nieuwste cijfers blijkt dat Nederland deze doelen nog niet gaat halen. Voor de verwachte stikstofneerslag is gerekend met het beleid dat tot 1 mei 2022 concreet was uitgewerkt. De stikstofmaatregelen die daarna zijn ingevoerd, zijn niet in deze berekeningen meegenomen. Deze verwachting is ongunstiger dan de vorige monitor. Die ging nog uit van 43 procent natuur met stikstofneerslag onder de norm in 2030. In 2023 heeft Wageningen Universiteit de normen (kritische depositiewaarde) voor stikstofdepositie op basis van nieuw wetenschappelijk onderzoek herzien. Hierdoor zijn deze op veel plekken strenger geworden. Daarnaast is de berekende neerslag van stikstof hoger dan uit de vorige monitor bleek. Dit komt door het gebruik van recentere metingen bij het bepalen van de stikstofneerslag. Er is nog wel sprake van een daling in de neerslag van stikstof.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Zorggebruik op de spoedeisende hulp in kaart gebracht. Notitie Kosten van Ziekten studie | RIVM

Het RIVM heeft onderzocht hoe vaak gebruikt is gemaakt van de spoedeisende hulp ( SEH Spoedeisende hulp (Spoedeisende hulp) ) in Nederland tussen 2017 en 2020. De SEH is een afdeling van een ziekenhuis waar mensen terecht kunnen voor acute medische zorg. Van 2017 tot en met 2019 is het aantal bezoeken aan de SEH elk jaar met gemiddeld 0,9 procent gedaald. In 2019 waren er 2,3 miljoen SEH-bezoeken. Dat zijn bijna 135 bezoeken per 1.000 inwoners. In 2020 was dat aantal bijna 12 procent lager dan in 2019. Dat kwam waarschijnlijk doordat mensen vanwege de coronapandemie en de maatregelen die toen golden meer thuis bleven. Hierdoor waren er minder ongelukken in het verkeer en op het werk. In het RIVM-onderzoek is ook gekeken hoe vaak mensen de SEH bezochten voor de volgende klachten en aandoeningen: pijn op de borst, beroerte, aandoeningen aan de onderste luchtwegen, acuut lichamelijk letsel en pijn in buik of bekken. Bij ruim 68 procent van het totaal aantal bezoeken zijn deze aandoeningen geregistreerd. Het aantal SEH-bezoeken van patiënten met deze klachten per 1.000 inwoners verschilt per veiligheidsregio. Zo zijn er in Zeeland veel minder aandoeningen aan de onderste luchtwegen geregistreerd dan in de regio Haaglanden. Het RIVM heeft de oorzaak van deze regionale verschillen niet onderzocht. Daarnaast zijn vier behandelingen bekeken die op de SEH worden uitgevoerd: traumaopvang (bij verwondingen na ongevallen, geweld of zelfbeschadiging), dotterprocedure (bij ernstige vernauwing van bloedvaten van het hart), trombectomie (bij beroertes) en operatie voor een heupfractuur. Opvallend is de sterke stijging van het aantal gevallen van traumaopvang in Nederland: in 2019 was dat 23 procent meer dan in 2017. Ook hiervan is de oorzaak niet onderzocht. De vier behandelingen zijn in 2019 in totaal 66.630 keer uitgevoerd. Voor sommige behandelingen verschilt het aantal sterk tussen mannen en vrouwen. Zo is het totaal aantal dotterbehandelingen in 2019 voor mannen ruim 2,5 keer zo hoog als voor vrouwen. Ook zijn de aantallen per regio anders. Dit onderzoek kan worden gebruikt voor verder onderzoek naar regionale verschillen in de spoedeisende zorg.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Nadelige gezondheidseffecten en ziekten veroorzaakt door chroom-6. Derde actualisatie van de wetenschappelijke literatuur | RIVM

Tussen 1984 en 2006 hebben werknemers van Defensie op de zogenoemde POMS Prepositioned Organizational Materiel Storage (Prepositioned Organizational Materiel Storage) -locaties (Prepositioned Organizational Materiel Storage) in Nederland Amerikaans materieel onderhouden. Hierbij kon chroom-6 vrijkomen, dat vooral in de grondverf van het materieel zat. Chroom-6 heeft schadelijke eigenschappen waardoor mensen ziek kunnen worden als ze eraan worden blootgesteld. De kans om ziek te worden is groter naarmate iemand meer, vaker of langer aan chroom-6 is blootgesteld. In 2018 bracht het RIVM een overzicht uit van de schadelijke gezondheidseffecten en ziekten die kunnen worden veroorzaakt als mensen tijdens hun werk aan chroom-6 blootstaan. Dit overzicht is in 2020 en 2021 geactualiseerd om nieuwe wetenschappelijke kennis mee te nemen. Dit is de derde actualisatie van het overzicht. De kwaliteit en inhoud van de nieuwe studies is met externe experts geëvalueerd. In deze actualisatie worden de eerdere conclusies bevestigd. Er zijn geen nieuwe schadelijke gezondheidseffecten of ziekten in relatie tot blootstelling aan chroom-6 aangetoond. Beroepsmatige blootstelling aan chroom-6 kan de volgende ziekten veroorzaken: longkanker, neus- en neusbijholtekanker, chronische longziekten, chroom-6-gerelateerde allergische astma en rhinitis, allergisch contacteczeem en perforatie van het neustussenschot door chroomzweren. Beroepsmatige blootstelling aan chroom-6 wordt ervan verdacht strottenhoofdkanker en maagkanker te kunnen veroorzaken (wat betekent: er is beperkt wetenschappelijk bewijs). De actuele lijst met ziekten en schadelijke gezondheidseffecten staat op www.rivm.nl/chroom6/ziektelijst .
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Meta-analyse van epidemiologische studies naar de relatie tussen beroepsmatige blootstelling aan chroom-6 en kanker van de mondholte, dunne darm, pancreas, prostaat en blaas | RIVM

Chroom-6 is een kankerverwekkende stof. Uit eerder onderzoek bleek dat er voldoende of beperkt bewijs is dat deze stof kanker in longen, neus, maag en strottenhoofd kan veroorzaken als mensen tijdens hun werk aan deze stof blootstaan. Voor vijf andere vormen van kanker was het beeld van een verband niet zo duidelijk. Het gaat om kanker van de mondholte, de dunne darm, de alvleesklier (pancreas), de prostaat en de urineblaas. Uitgebreid onderzoek van het RIVM laat nu zien dat er voor deze vijf vormen van kanker geen duidelijk verband is met blootstelling aan chroom-6 op het werk. Dit betekent dat er geen sprake is van voldoende of beperkt wetenschappelijk bewijs dat chroom-6 deze vormen van kanker kan veroorzaken bij mensen. Het RIVM heeft voor dit onderzoek alle nationale en internationale wetenschappelijke onderzoeken bij mensen verzameld over de vijf vormen van kanker en blootstelling aan chroom-6 op het werk. Hierbij is gekeken naar veel verschillende manieren waarop met chroom-6 is gewerkt. De nadruk lag hierbij op lassen, leerlooien, productie en gebruik van cement, en verchromen. Uit een groot aantal publicaties zijn 29 studies van goede kwaliteit geselecteerd en geanalyseerd. Dit is nog niet eerder zo uitgebreid gedaan. De resultaten voor kanker van de mondholte en van de dunne darm geven niet voldoende aanwijzingen voor een verband met een blootstelling aan chroom-6 op het werk. De resultaten voor kanker van de pancreas, prostaat en blaas bevestigen eerdere conclusies van internationale instanties. Daaruit bleek al dat enkele studies aanwijzingen vonden dat mensen deze drie vormen van kanker kunnen krijgen door blootstelling aan chroom-6 op het werk, maar alle studies tezamen lieten geen duidelijk verband zien.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Ervaringen van werknemers en werkgevers met kortcyclisch werk | RIVM

Een deel van de Nederlandse werknemers verricht kortcyclisch werk. Definities van kortcyclisch werk lopen uiteen van handelingen die tussen de 5-15 seconden herhaald worden tot handelingen van ten minste minder dan 30 seconden. Bij kortcyclisch werk staan in ieder geval repetitieve, monotone handelingen centraal die in een kort tijdsbestek plaatsvinden. Deze kennisupdate beschrijft de uitkomsten van een kwalitatieve studie naar het perspectief van medewerkers met kortcyclisch werk en werkgevers. De kennisupdate is onderdeel van een groter onderzoek uitgevoerd door TNO en het RIVM over de omvang, ervaringen en verbetermogelijkheden met betrekking tot kortcyclisch werk, dat is uitgevoerd met financiering van Instituut Gak. Het volledige rapport zal naar verwachting eind oktober 2023 beschikbaar zijn.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Verkenning risicofactoren biocidegebruik. Aanbevelingen voor toezicht, onderzoek en beleid | RIVM

Biociden zijn vaak nuttige en noodzakelijke bestrijdingsmiddelen die in veel verschillende sectoren worden gebruikt. Het gaat onder meer om desinfectiemiddelen, conserveermiddelen voor materialen, vloeistoffen en weefsels, middelen tegen plagen van bijvoorbeeld ratten of insecten en middelen die voorkomen dat algen en schelpen op schepen groeien. De gezondheidszorg en de voedingsmiddelenindustrie bijvoorbeeld kunnen niet zonder desinfectiemiddelen. In biociden kunnen stoffen zitten die schadelijk zijn voor de mens of voor planten en dieren. Daarom mogen biociden alleen worden verkocht als is beoordeeld dat ze veilig zijn en ze voor een bepaald gebruik zijn toegelaten. Verschillende toezichthouders in Nederland zien erop toe dat er alleen toegelaten biociden worden gebruikt, en op de goede manier. Om risico’s door biocidegebruik te verminderen, heeft het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) ) het RIVM gevraagd om aandachtspunten voor toezicht, onderzoek en beleid op een rij te zetten. Uit het overzicht blijkt onder andere dat: • Inspecteurs bij alle sectoren illegale of onjuist gebruikte biociden vinden. • De gevaarlijkste stoffen in de middelen zitten tegen ratten en muizen, in insecticiden en in conserveermiddelen voor hout. • Er weinig informatie is over restanten van biociden die onder andere in voedsel en oppervlaktewater kunnen terechtkomen. • Het vaak onduidelijk is welke biociden als conserveermiddelen worden gebruikt in materialen en vloeistoffen. • Niet bekend is in welke hoeveelheden biociden in Nederland worden gebruikt. Het RIVM beveelt toezichthouders aan om vooral inspecties uit te voeren naar de biociden met de gevaarlijkste stoffen. En aandacht te hebben voor sectoren waarbinnen maar heel weinig informatie is over het gebruik van biociden. Ook wordt geadviseerd om de chemische samenstelling te analyseren van bijvoorbeeld desinfectievloeistoffen of van conserveermiddelen in materialen. Het RIVM adviseert daarnaast dat toezichthouders erop blijven toezien dat gebruikers van bepaalde biociden de verplichte opleidingen volgen om ze op de juiste manier te kunnen gebruiken. Het RIVM doet ook aanbevelingen voor beleidsmakers en onderzoekers. Zo adviseert het RIVM om na te gaan welke verduidelijkingen in de gebruiksaanwijzingen nodig zijn om te zorgen dat biociden juist worden gebruikt. Verder beveelt het RIVM aan in kaart te brengen welke biociden in bijvoorbeeld voedsel, drinkwater, en het milieu kunnen zitten, en hoeveel. Tot slot is aandacht nodig voor resistentie-ontwikkeling bij micro-organismen tegen desinfectiemiddelen en het ontstaan van resistente schimmels.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Characterisation of toxic pressure of chemical pollutants in vulnerable areas. Methods and guidance for operational characterisation | RIVM

Bij de productie en het gebruik van chemische stoffen kunnen chemische stoffen vrijkomen. Wanneer deze stoffen bijvoorbeeld in water of de bodem terechtkomen, kan dat het milieu belasten. Hoe meer stoffen er in het milieu komen, hoe groter de zogeheten toxische druk. Dit kan schadelijk zijn voor planten, dieren en ecosystemen in kwetsbare gebieden, zoals natuurgebieden. De laatste jaren is er in de samenleving steeds meer bezorgdheid over mengsels van chemische stoffen in het milieu, zoals van stoffen die de industrie, de landbouw of elk huishouden uitstoot. Maar er is nog relatief weinig onderzoek gedaan naar de effecten daarvan op kwetsbare gebieden. Het RIVM heeft nu een eerste opzet gemaakt van een aanpak om te kunnen bepalen wat de aanwezigheid van deze stoffen betekent voor deze gebieden. In een handreiking is beschreven hoe die aanpak stapsgewijs kan worden ingezet. De aanpak is geschikt om de toxische druk te bepalen in bodem en oppervlaktewater. In het rapport is voor beide een situatie uit de praktijk uitgewerkt. De aanpak voegt drie bestaande methoden samen (chemische analyses, effecten van mengsels op planten en dieren, en ecologisch veldonderzoek) en is wetenschappelijk onderbouwd. Verder is er rekening gehouden met de praktische uitvoerbaarheid. Het RIVM beveelt aan te toetsen hoe goed de aanpak en handreiking in de praktijk werken en ze daarna verder uit te werken. Bijvoorbeeld ook om de toxische druk te bepalen in grondwater en organismen.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Indicatoren ZZS-emissiebeleid | RIVM

Verschillende bedrijven in Nederland stoten Zeer Zorgwekkende Stoffen ( ZZS Zeer Zorgwekkende Stoffen (Zeer Zorgwekkende Stoffen ) ) uit, onder andere doordat zij deze stoffen maken of gebruiken. Hierdoor komen deze stoffen in het milieu terecht. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) ) maakt beleid om de uitstoot van deze ZZS te minimaliseren. Het wil daarmee bereiken dat de kans op schadelijke effecten in 2050 verwaarloosbaar is. Het ministerie van IenW wil weten of dit beleid effect heeft. Het RIVM onderzocht daarom welke ‘maten’ (indicatoren) geschikt zijn om dat in beeld te krijgen en heeft er negen geselecteerd. Om goed inzicht te krijgen in de effecten moeten deze indicatoren in samenhang worden bekeken. Het is niet mogelijk om de effecten met één indicator in kaart te brengen. Voorbeelden van de indicatoren zijn de hoeveelheid ZZS die naar water en lucht worden uitgestoten. Ook is het nodig de gemeten concentraties van deze stoffen in water en lucht te weten. Verder is het belangrijk in beeld te hebben hoeveel bedrijven een zogeheten vermijdings- en reductieprogramma (VRP) hebben gemaakt ten opzichte van alle bedrijven die ZZS uitstoten. Bedrijven zijn sinds een paar jaar verplicht om in zo’n VRP aan te geven hoe ze de uitstoot van ZZS verminderen. Het RIVM ontwikkelt ook een database om de ZZS-uitstoot van Nederlandse bedrijven te kunnen verzamelen en toegankelijk te maken. Dat is nodig om de indicatoren van gegevens te voorzien; deze informatie is nu soms nog weinig beschikbaar. De verwachting is dat enkele belangrijke indicatoren op termijn beter kunnen worden onderbouwd met deze database. ZZS zijn gevaarlijk voor mens en milieu, omdat ze bijvoorbeeld de voortplanting belemmeren, kankerverwekkend zijn of zich in de voedselketen opstapelen.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

EURL-Salmonella Proficiency Test Food-Feed 2023. Detection of Salmonella in flaxseed | RIVM

Vijftig Nationale Referentie Laboratoria voor Salmonella (NRL’sSalmonella) hebben in 2023 een goede score gehaald in het ringonderzoek voor de Salmonella-bacterie. Eén laboratorium haalde eerst een matige score door een administratieve fout. Dit laboratorium haalde uiteindelijk ook een goede score door met ruwe data het juiste resultaat te geven. De NRL’s-Salmonella uit de lidstaten van de Europese Unie zijn verplicht om elk jaar hun kwaliteit te laten toetsen met zogeheten ringonderzoeken. Een van de ringonderzoeken controleert of de NRL’s de Salmonella-bacterie in voedsel en diervoeder kunnen aantonen; dit keer in lijnzaad. Elk lidstaat van de EU Europese Unie (Europese Unie) wijst hiervoor het NRL aan dat verantwoordelijk is voor deze testen in hun laboratorium. De 51 deelnemers in dit ringonderzoek kwamen uit 27 lidstaten van de Europese Unie en uit zeven andere Europese landen. De laboratoria gebruikten een verplichte, internationaal erkende analysemethode om Salmonella in monsters lijnzaad aan te tonen. Elk laboratorium kreeg een pakket toegestuurd met monsters die kunstmatig besmet waren met twee verschillende concentraties Salmonella Typhimurium of zonder deze bacterie. Het ringonderzoek is georganiseerd door het Europese Unie Referentie Laboratorium voor Salmonella (EURL-Salmonella). Dit is gevestigd bij het RIVM. Een belangrijke taak van het EURL-Salmonella is toezien op de kwaliteit van de NRL’s-Salmonella in Europa.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Staat van Zoönosen 2022 | RIVM

De Staat van Zoönosen 2022 wordt op de website One Health gepubliceerd. Dieren kunnen ziekteverwekkers bij zich dragen waarvan mensen ook ziek kunnen worden. De ziekten die hierdoor worden veroorzaakt, noemen we zoönosen. Het RIVM maakt elk jaar in opdracht van de NVWA Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit) een overzicht van de belangrijkste zoönosen in Nederland en hoe vaak ze voorkomen. Het gaat vooral om zoönosen die artsen bij de GGD Gemeentelijke Gezondheidsdienst (Gemeentelijke Gezondheidsdienst) moeten melden en/of dierenartsen bij de NVWA. Beleidsmakers en andere professionals kunnen deze informatie gebruiken om als het nodig is maatregelen te nemen. Net als vorig jaar was de opvallendste uitbraak van 2022 vogelgriep (variant H5N1). Het virus was het hele jaar door aanwezig bij pluimvee en wilde vogels in Nederland. In totaal zijn 76 pluimveebedrijven besmet geraakt en geruimd. Verder is het virus veel gevonden bij wilde vogels, die er vaak aan stierven. Ook zijn er wilde zoogdieren besmet, zoals vossen en bunzingen. In Nederland zijn er in 2022 geen mensen met vogelgriep besmet. In de Staat van Zoönosen worden elk jaar bijzondere gevallen van zoönosen uitgelicht. Zo waren er in 2022 meer meldingen van papegaaienziekte (psittacose) dan normaal in de regio rondom Den Haag. De bron hiervoor zijn niet gevonden. Verder blijkt de antibioticaresistente bacterie MRSA Methicilline-resistente Staphylococcus aureus (Methicilline-resistente Staphylococcus aureus ) het meest voor te komen bij bedrijven met varkens (75 procent). Dit is meer dan bij bedrijven die vleeskuikens, melkvee of vleeskalveren houden. Ten slotte behandelt de Staat van Zoönosen elk jaar een thema. Dit jaar is dat ‘Nieuwe voedselbronnen en voedselveiligheid’. Het hoofdstuk gaat onderzoeken naar voedselinfecties die mogelijk via nieuwe voedselproducten of productiewijzen kunnen worden overgebracht. Deze onderzoeken lopen nog, dus de resultaten daarvan zijn nog niet bekend.
Jaar: 2023 Onderzoek

Analyse van incidenten met gevaarlijke stoffen bij Brzo-bedrijven 2023 | RIVM

Het RIVM analyseert elk jaar de aard, omvang en oorzaak van incidenten bij bedrijven die in Nederland met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen werken. Het gaat om 15 van 24 incidenten waarvan de Nederlandse Arbeidsinspectie de onderzoeken tussen 2019 en 2021 heeft afgerond en waarover genoeg informatie bekend was voor een analyse. Bij veertien incidenten kwamen gevaarlijke stoffen vrij. Bij één incident explodeerde afdichtingmateriaal. Eén persoon heeft aan een chemische verbranding waarschijnlijk blijvend letsel overgehouden. Overige slachtoffers hadden tijdelijk letsel door ademhalingsproblemen, irritaties en brandwonden. Bedrijven zijn ervoor verantwoordelijk dat installaties op orde zijn en werknemers de productieprocessen en werkzaamheden veilig kunnen uitvoeren. Net als uit eerdere analyses bleek dat veel van deze incidenten hadden kunnen worden voorkomen. Het is daarom belangrijk dat bedrijven leren van deze incidenten en maatregelen nemen om ze te voorkomen. Zo waren bij acht incidenten de factoren waarmee processen onder controle worden gehouden, zoals druk, temperatuur of chemische reacties, niet in orde. Hierdoor konden ze afwijken van de veilige eisen die ervoor bestaan. Doordat de afwijkingen vaak niet zijn opgemerkt, konden gevaarlijke stoffen ontsnappen of kon een explosie ontstaan. Soms kunnen noodmaatregelen helpen om een incident te voorkomen. Zo zijn er systemen die een installatie automatisch uitschakelen om te voorkomen dat een gevaarlijke stof wegstroomt. Bij zeven incidenten waren geen noodmaatregelen getroffen of werkten ze niet goed. Bij veertien incidenten schoten plannen en procedures voor de werkzaamheden tekort. Soms waren ze niet gemaakt omdat de gevaren van tevoren niet waren verwacht. Soms zag het bedrijf er niet op toe dat instructies voor werkzaamheden werden nageleefd. Of de instructies waren niet duidelijk genoeg opgesteld. Deze rapportage maakt deel uit van de opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid om incidenten te analyseren die de Nederlandse Arbeidsinspectie heeft onderzocht. Het RIVM gaat na wat de overeenkomsten en verschillen tussen deze incidenten zijn. De resultaten kunnen worden gebruikt voor inspecties, of om het veiligheidsbeleid van bedrijven te verbeteren.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Toestand en trend van de ondiepe en middeldiepe grondwaterkwaliteit in Nederland zoals gemeten in het Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit | RIVM

Het Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit ( LMG Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit (Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit) ) volgt de kwaliteit van het grondwater in Nederland sinds 1984. Het meetnet bestaat uit circa 350 meetpunten, verspreid over heel Nederland. Over het algemeen wordt ondiep (rond 10 m diep) en middeldiep (rond 25 m diep) gemeten. Daarbij wordt gekeken hoeveel van een aantal stoffen in het grondwater in gebieden met verschillende grondsoorten zit. Het RIVM brengt met deze gegevens regelmatig in kaart hoe de grondwaterkwaliteit in heel Nederland nu is (toestand). Daarnaast beschrijven, en waar mogelijk, verklaren we de verandering in grondwaterkwaliteit door de jaren heen (trend). De meest recente data laten onder meer zien dat de concentraties nitraat in het grondwater in het löss/leemgebied hoog zijn. Dit is ook zo in zandgebieden met landbouw. Nitraat in het grondwater komt voor het grootste deel uit de landbouw. In veengebieden zijn de concentraties barium en chloride in de afgelopen 21 jaar gestegen. Dit betekent dat het grondwater zouter wordt, oftewel verzilt. Hierdoor gaat de grondwaterkwaliteit achteruit. In andere gebieden zijn zowel dalingen als stijgingen te zien in de concentraties chloride en barium, waarvoor geen duidelijke verklaring is. Verder zijn de concentraties sulfaat hoog in het grondwater van rivierklei- en zandgebieden. Dat komt waarschijnlijk door onder meer bemesting en door deeltjes die uit de lucht neerdalen, bijvoorbeeld vanuit industrie en verkeer. De concentratie sulfaat is gedaald in het ondiepe grondwater van droge zandgebieden met akkerbouw en met bos en natuur. Dit kan komen doordat luchtdeeltjes vanuit industrie en verkeer minder zwavel bevatten. Wat metalen betreft, zijn de concentraties in het grondwater mede afhankelijk van de zuurgraad van het grondwater en/of van natuurlijke processen. Zo komen cadmiumconcentraties boven de norm voor in het ondiepe grondwater van droge zandgebieden, waar de pH ook laag is. Het duurt tientallen jaren voordat het effect te zien is van maatregelen om minder vervuilende stoffen in het grondwater te laten terechtkomen. Goede landelijke monitoring is en blijft daarom belangrijk om de ontwikkeling van de grondwaterkwaliteit te volgen.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Reactie van het RIVM op het rapport ‘Industrie en omwonenden’ van de Onderzoeksraad voor Veiligheid. | RIVM

Op 13 april publiceerde de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OvV) het rapport ‘Industrie en omwonenden’. In dit rapport beveelt de Onderzoeksraad het RIVM aan om te onderzoeken hoe omgevingsdiensten kunnen beschikken over de kennis van gezondheidseffecten en gezondheidsrisico’s van de stoffen die de industrie uitstoot. Met deze brief reageert het RIVM inhoudelijk op deze aanbeveling. Samenwerkingsstructuur met Omgevingsdienst NL en omgevingsdiensten Het RIVM wil regionale overheden beter ondersteunen met kennis over gezondheid en milieu. Daarom richt het RIVM samen met de landelijke vereniging Omgevingdienst NL en de 29 omgevingsdiensten een structuur op om kennis en advies te delen over Zeer Zorgwekkende Stoffen ( ZZS Zeer Zorgwekkende Stoffen (Zeer Zorgwekkende Stoffen ) ). Deze structuur van samenwerking kan later uitgebreid worden naar andere thema’s. Het RIVM werkt al in een vergelijkbare structuur samen met GGD GHOR Nederland Gemeentelijke / Gemeenschappelijke GezondheidsDienst – Geneeskundige HulpverleningsOrganisatie in de Regio (Gemeentelijke / Gemeenschappelijke GezondheidsDienst – Geneeskundige HulpverleningsOrganisatie in de Regio) en de GGD Gemeentelijke Gezondheidsdienst (Gemeentelijke Gezondheidsdienst) ’en op het gebied van gezondheid en milieu. De GGD’en hebben ook een rol bij het adviseren over gezondheid bij vraagstukken rond industrie en omwonenden. We werken aan een goede afstemming zowel binnen als tussen deze samenwerkingsstructuren. In kaart brengen van zorgen en beleving van inwoners Het RIVM stelt voor aan de ministeries van Infrastructuur en Waterstaat en Volksgezondheid, Welzijn en Sport, om meer gestructureerd te kijken naar de (ervaren) kwaliteit van de leefomgeving in de nabijheid van industriële complexen. Signalen van burgers en professionals kunnen aanleiding zijn voor de GGD, de omgevingsdienst, regionale overheden of het RIVM om de lokale problematiek nader te analyseren. Deze analyse kan op verschillende manieren vorm krijgen. Omwonenden kan gevraagd worden naar hun zorgen en vragen (belevingsonderzoek), er kan onderzoek gedaan worden naar de mogelijke bronnen van uitstoot of er worden aanvullende metingen gedaan. Zo krijgen de regionale samenwerkingspartners tijdig zicht op wat de gezondheid en het milieu bedreigt. Maar ook op de kennis die daarover ontbreekt en op de mogelijke handelingsopties. Gezondheid meenemen in vergunningverlening Kennis over de gezondheidseffecten van industriële activiteiten is nu nog niet of nauwelijks onderdeel van de vergunningverlening. Het RIVM heeft de expertise om de gezondheidseffecten van industrie kwalitatief en kwantitatief in beeld te brengen. Dit is onlangs voor het eerst gedaan voor Tata Steel Nederland . Het RIVM wil deze methodiek verder ontwikkelen zodat omgevingsdiensten en GGD’en deze in de toekomst ook kunnen inzetten bij vergunningverlening voor andere industrie.
Jaar: 2023 Onderzoek

Surveillance of acute respiratory infections in the Netherlands: winter 2022/2023. SARS-CoV-2, influenza virus, RSV and other respiratory viruses | RIVM

Het RIVM brengt elk jaar in kaart hoeveel mensen in Nederland de griep en andere luchtweginfecties hebben gehad. Sinds 2020 gebeurt dat ook voor het aantal mensen met het coronavirus SARS severe acute respiratory syndrome (severe acute respiratory syndrome) - CoV coronavirus (coronavirus) -2. In de eerste jaren van de corona-epidemie zijn veel andere acute luchtweginfecties minder vaak gemeld. In het winterseizoen van 2022/2023 was het aantal gemelde infecties weer ongeveer hetzelfde of soms zelfs hoger dan voor de corona-epidemie. Coronavirus Tussen mei 2022 en mei 2023 waren er vier golven in de corona-epidemie in Nederland, allemaal veroorzaakt door de Omikron-variant. Van deze variant werden mensen minder ernstig ziek dan van de vorige, waardoor er minder ziekenhuisopnames waren. In deze periode zijn 28.633 mensen met een positieve corona testuitslag opgenomen in het ziekenhuis, waarvan 1.812 op de intensive care. Van mei 2022 tot en met mei 2023 is van 5.349 mensen bekend dat ze zijn overleden aan corona. Griepepidemie De griepepidemie in de winter van 2022/2023 begon in week 50 en duurde 14 weken. Ongeveer 169.000 mensen gingen naar de huisarts met griepachtige klachten. Dit waren er meer dan in het winterseizoen ervoor, maar nog steeds minder dan voor de corona-epidemie. Naar schatting hebben tussen oktober 2022 en mei 2023 ongeveer 873.000 mensen de griep gehad. Mensen zijn vooral ziek geworden van het type A(H1N1)pdm09 en B (Victoria-lijn). Ook is het type A(H3N2) griepvirus vaak gevonden. Mensen die de griepprik hebben gehaald, hadden 52 procent minder kans om griep te krijgen. Dat is ongeveer hetzelfde als voor de corona-epidemie. RS-virus Respiratoir Syncitieel-virus (Respiratoir Syncitieel-virus) Aan het eind van de zomer in 2022 begon het aantal RS-virus infecties te dalen, nadat deze infecties ruim een jaar lang veel vaker waren gemeld. In het najaar steeg het aantal infecties en het aantal ziekenhuisopnames van kinderen onder de 2 jaar weer, met een piek in de laatste weken van 2022. Ook in de winter van 2022/2023 was het aantal gemelde infecties veel hoger dan in eerdere winters. Het is niet duidelijk of er echt meer infecties waren of dat ze vaker zijn gemeld. Ziekenhuizen combineren de test op SARS-CoV-2 vaak met de test op RSV Respiratoir Syncytieel Virus (Respiratoir Syncytieel Virus) , waardoor RSV infecties mogelijk vaker worden opgemerkt.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

De maatschappelijke waarde van een gezonde en groene leefomgeving - een verkenning | RIVM

Een gezonde en groene leefomgeving heeft veel voordelen voor de samenleving. Dit blijkt uit een verkenning van het RIVM naar de effecten van minder auto’s, meer ruimte om te bewegen en meer groen. Zo zorgen maatregelen voor minder autoverkeer in de wijk voor minder geluid en een betere luchtkwaliteit. Ook bewegen mensen meer doordat ze dan vaker fietsen en lopen. Ook door bijvoorbeeld sport- en speelplekken in de buurt aan te leggen en groen en water om te recreëren, worden mensen uitgenodigd om meer te bewegen. Meer bewegen maakt mensen zowel geestelijk als lichamelijk gezonder. Groen in de omgeving, zoals parken, zorgt niet alleen voor beweging maar ook voor ontspanning. Het stimuleert dat mensen elkaar ontmoeten en zorgt voor verkoeling op warme dagen. Verder neemt de biodiversiteit toe en worden huizen meer waard. De verkenning maakt duidelijk hoe de waarde voor een gemeente of wijk inzichtelijk kan worden gemaakt en in geld is uit te drukken. Met kennis over de waarde kunnen lokale beleidmakers het effect van gezondheid en groen beter afwegen tegen de kosten. Zo heeft de gemeente Dordrecht besloten een groot stadspark aan te leggen, nadat onder andere bleek dat de investeringen meer zouden opleveren dan de kosten. Voor zover nu duidelijk is verschillen de voordelen per thema, locatie en de schaal waarop de maatregelen worden ingezet. De voordelen van vergroening zijn bijvoorbeeld het grootst op plekken waar weinig groen was en veel mensen wonen. En maatregelen om autoverkeer te verminderen hebben meer effect op de luchtkwaliteit wanneer ze op gemeenteniveau gelden dan in een enkele wijk. Voor een bredere afweging voor een gezonde en groene leefomgeving moeten verschillende thema’s en effecten meer in samenhang bekeken worden. Verder is onderzoek nodig hoe waarden die moeilijk in geld zijn uit te drukken, zoals beleving, toch goed kunnen worden meegewogen. Het Programma Gezonde Leefomgeving van het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) biedt mogelijkheden om hier verder aan te werken.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Surveillance zoönosen in vleeskalveren 2022 | RIVM

Dit rapport bevat een erratum d.d. 04-12-2023 op pagina 89 Dieren kunnen ziekteverwekkers bij zich dragen waarvan mensen ook ziek kunnen worden. De ziekten die hierdoor worden veroorzaakt, noemen we zoönosen. In 2022 is de mest en neus van vleeskalveren op 180 Nederlandse bedrijven onderzocht. Ook is bij 55 kalverhouders, gezinsleden en medewerkers onderzocht of ze de ziekteverwekkers bij zich dragen. Het RIVM, de NVWA Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit) en WFSR Wageningen Food Safety Research (Wageningen Food Safety Research ) (Wageningen Food Safety Research) hebben dit onderzoek gedaan. Het onderzoek richt zich op verschillende ziekteverwekkende bacteriën. De belangrijkste zijn Campylobacter, STEC Shigatoxineproducerende E. coli-stammen (Shigatoxineproducerende E. coli-stammen) , Listeria en Salmonella. Daarnaast is gekeken naar ESBL Extended spectrum beta-lactamases (Extended spectrum beta-lactamases) -producerende bacteriën, colistineresistente bacteriën en MRSA Methicilline-resistente Staphylococcus aureus (Methicilline-resistente Staphylococcus aureus ) . Deze laatste zijn belangrijk omdat veel soorten antibiotica daar niet tegen werken. De meeste van deze ziekteverwekkers kunnen bij mensen diarree veroorzaken, maar bij mensen met een kwetsbare gezondheid kunnen infecties ernstiger verlopen. De ziekteverwekkers zitten meestal in de darmen van de dieren en dus ook in de mest. Het vlees kan tijdens de slacht besmet raken. Het is daarom belangrijk om kalfsvlees goed gaar te eten. Campylobacter kwam het meeste voor en is op 96 procent van de bedrijven gevonden. Bij de veehouders en gezinsleden is deze bacterie bij 5 personen gevonden. Het waren wel andere typen Campylobacterbacteriën dan die de dieren op de bijbehorende bedrijven bij zich droegen. Deze mensen kunnen op een andere manier met Campylobacter besmet zijn geraakt, bijvoorbeeld via voedsel of andere dieren. STEC-bacteriën, Listeria en Salmonella kwamen wat minder vaak voor, namelijk op 66 procent (STEC), 20 procent (Listeria) en 15 procent (Salmonella) van de bedrijven. Deze drie bacteriën zijn vaker gevonden bij bedrijven met zogenoemde rosé kalveren dan bij bedrijven met blanke kalveren. Twee personen droegen STEC bij zich en één deelnemer Listeria. Salmonella is niet bij de deelnemers gevonden. ESBL-producerende bacteriën zijn op 27 procent van de bedrijven gevonden en bij 3 deelnemers. Het percentage bij de deelnemers is ongeveer hetzelfde als bij de Nederlandse bevolking. Veegerelateerde MRSA is op 25 procent van de bedrijven gevonden, vaker bij bedrijven met blanke kalveren, en bij 13 procent van de deelnemers; dit is hoger dan MRSA bij de Nederlandse bevolking. Ten slotte zijn op 2 procent van de bedrijven colistine-resistente bacteriën gevonden, maar niet bij de deelnemers. Bij de bevolking is dat 0,8 procent.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Beoordeling van chemische stoffen bij gebruik van teruggewonnen cellulose. Een eerste aanzet tot het vaststellen van triggerwaarden | RIVM

Nederland wil in 2050 een circulaire economie hebben en slim met grondstoffen omgaan. Grondstoffen die nu als afval worden gezien, willen we zo veel mogelijk opnieuw gebruiken. Een van de mogelijkheden is om cellulose uit wc-papier uit rioolwater te halen. Dit kan bijvoorbeeld opnieuw worden gebruikt in verpakkingsmateriaal, als bodemverbeteraar en in asfalt. Het is belangrijk dat het gebruik van deze teruggewonnen materialen veilig is voor mens en milieu. Daarvoor moeten we weten welke chemische stoffen erin zitten en of die concentraties veilig zijn. Om de veiligheid te kunnen bepalen kan worden gewerkt met zogeheten triggerwaarden. Als de concentraties van stoffen lager zijn dan deze triggerwaarden, is het gebruik veilig voor mens en milieu. Zo niet, dan is een uitgebreidere risicobeoordeling nodig. Het RIVM heeft triggerwaarden bepaald voor een eerste stap in de risicobeoordeling van teruggewonnen cellulose. Er zijn drie scenario’s uitgewerkt voor een veilig hergebruik: Er zijn hier drie scenario’s voor uitgewerkt: voor blootstelling van de mens, waterorganismen en bodemorganismen. De triggerwaarden voor de mens en bodem liggen dicht bij elkaar, voor oppervlaktewater is deze veel strenger. Daardoor is het niet gewenst met één triggerwaarde te werken. De keuzes in de scenario’s zijn zo gemaakt dat de kans op veilig gebruik van teruggewonnen cellulose zo groot mogelijk is. De scenario’s zijn daarom gebaseerd op een worst-case situatie. Hierbij is zoveel mogelijk aangesloten bij bestaande scenario’s uit wet- en regelgeving voor chemische stoffen. Dit onderzoek is een eerste aanzet om algemene triggerwaarden te bepalen voor teruggewonnen cellulose. Er zijn nog veel onzekerheden. Zo is niet bekend hoe snel chemische stoffen vanuit de cellulose in het milieu en de mens komen als het in nieuwe producten wordt gebruikt. Het RIVM beveelt aan de triggerwaarden te evalueren en te verfijnen wanneer er meer kennis is over stoffen die in teruggewonnen cellulose zitten. Dit onderzoek kan ook helpen om triggerwaarden te ontwikkelen voor de beoordeling van de veiligheid van andere materialen.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Actualisatie AERIUS Calculator en Monitor 2023 | RIVM

Regelmatig komen nieuwe gegevens over de uitstoot en verspreiding van stikstof beschikbaar. Het RIVM verwerkt elk jaar deze nieuwste gegevens en inzichten en stelt ze beschikbaar in het rekeninstrument AERIUS. Daarnaast beschrijft het RIVM in een rapport wat dat betekent voor de onderdelen Calculator en Monitor. Met AERIUS Calculator berekenen overheden en initiatiefnemers van projecten hoeveel stikstof deze projecten uitstoten en hoeveel daarvan neerslaat in Natura 2000-gebieden. AERIUS Monitor geeft overheden inzicht in de stikstofneerslag in deze gebieden: nu en de verwachtingen voor de toekomst. Ook geeft het aan in welke mate de natuur erdoor wordt belast. AERIUS Calculator en Monitor worden gebruikt bij aanvragen van vergunningen en de ontwikkeling van het stikstofbeleid. De vergunningverlening vraagt erom dat hierbij actuele inzichten worden gebruikt. Daarom wordt AERIUS elk jaar geactualiseerd. Aanpassingen Om de uitstoot en neerslag te bepalen werkt AERIUS Calculator met ‘kengetallen’ over de uitstoot van stikstof, zoals emissiefactoren. Deze kengetallen worden elk jaar geactualiseerd. Dat geldt ook voor de kaarten van de stikstofgevoelige natuur in de Natura 2000-gebieden (habitatkaarten). Verder zijn de herziene kritische depositiewaarden verwerkt. Als de hoeveelheid stikstof boven deze waarden komt, kan de natuur verslechteren. Deze waarden zijn nu op veel plekken strenger vanwege nieuwe internationale inzichten. Depositiekaarten In AERIUS Monitor staan ook de depositiekaarten. Het RIVM maakt ze elk jaar op basis van de laatste metingen en gegevens over de uitstoot van stikstof. Deze wijzigen door onwikkelingen in bijvoorbeeld het aantal landbouwdieren en het verkeer in binnen- en buitenland. Hierdoor veranderen ook de locaties die volgens het rekeninstrument (bijna) zijn overbelast door stikstof. Dit zijn de locaties waar AERIUS Calculator voor vergunningverlening de stikstofneerslag berekent.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Evaluatie Lekker naar buiten! Stimuleringsregeling Jong Leren Eten, rondes 2, 3 en 4, schooljaren 2019-2022 | RIVM

Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ( LNV Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) ) wil kinderen en jongeren via het onderwijs vaker in aanraking brengen met gezonde en duurzame voeding. Het wil hen zo op een praktische manier leren gezonde en duurzame keuzes te maken. LNV heeft daarvoor de stimuleringsregeling Jong Leren Eten ‘Lekker naar buiten!’ opgezet. Sinds 2018 kunnen scholen uit het primair, speciaal, voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs elk schooljaar hieraan deelnemen. Uit een evaluatie van het RIVM blijkt dat scholen veel belangstelling hebben voor de regeling en positief erover zijn. De belangrijkste reden om mee te doen, is dat de activiteiten aansluiten bij bestaande wensen van de scholen om aandacht aan dit onderwerp te besteden. De regeling maakt het mogelijk deze wensen uit te voeren, vooral als daarvoor nog niet genoeg geld is. Scholen konden activiteiten kiezen binnen drie categorieën: ‘moestuinieren’, ‘koken’ en ‘excursies en gastlessen’. Voor ‘moestuinieren’ en ‘koken’ was de belangstelling het grootst. Tijdens drie schooljaren hebben 2.273 scholen de bijdrage aangevraagd. 1.177 scholen hebben die ontvangen, omdat er een maximum bedrag voor de regeling was. Hiermee zijn 156.280 leerlingen en studenten bereikt. De meeste scholen deden de activiteiten samen met andere organisaties. Dat waren vooral organisaties en bedrijven uit de buurt, zoals centra van natuur- en milieueducatie (NME), boerderijen, restaurants of winkels. Gemiddeld 91 procent van de deelnemende scholen blijft na afloop van de regeling aandacht geven aan voeding. Per schoollocatie konden scholen maximaal 2.000 euro krijgen om de activiteiten uit te voeren. Gemiddeld hebben de schoollocaties per ronde 1.760 euro aangevraagd. Volgens de meeste scholen dekte deze bijdrage de kosten voor de activiteiten. Tijdens de geëvalueerde drie schooljaren heeft de stimuleringsregeling 2,3 miljoen euro gekost. Dit is vooral besteed aan de activiteiten. Een klein deel was nodig om de regeling te ontwikkelen en uit te voeren.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Hinder en slaapverstoring door trillingen van treinen. Resultaten van de Vervolgmeting “Wonen langs het spoor” | RIVM

In 2021 had ongeveer 11 procent van de Nederlanders van 16 jaar en ouder die binnen 300 meter afstand van het spoor wonen, ernstige hinder van trillingen door treinen. Het gaat naar schatting om 126.500 mensen. Zij hebben last van irritatie, boosheid en onbehagen. ’s Nachts kunnen deze trillingen hun slaap ernstig verstoren (13 procent). Vooral de trillingen van goederentreinen veroorzaken hinder en slaapverstoring. Gebieden in de buurt van tunnels, spoorbruggen en sporen die naast elkaar liggen, zijn in deze schatting niet meegenomen. Dit blijkt uit een vragenlijstonderzoek onder ruim 5600 mensen. In het onderzoeksgebied wonen ongeveer ruim 1,1 miljoen mensen, verdeeld over ongeveer 533.000 woningen. Verder rapporteren mensen die aan hogere trillingsniveaus blootstaan of dichter bij het spoor wonen, vaker ernstige hinder door trillingen van goederentreinen. Dit verband tussen trillingsniveaus, afstand en ervaren hinder is veel minder duidelijk voor reizigerstreinen. Naast de trillingen hebben sociale en persoonlijke factoren invloed op de mate waarin mensen hinder ervaren of in hun slaap worden gestoord. Mensen zijn vooral bezorgd dat de waarde van de woning daalt door de trillingen of dat deze schade aan de woning veroorzaken. Hun beleving wordt ook beïnvloed als zij ramen, deuren of serviesgoed horen, voelen of zien trillen (“rattle”). Daarnaast is de mate waarin zij accepteren dat treinen trillingen veroorzaken van invloed, en welke verwachtingen zij voor de toekomst over de trillingen hebben. Het RIVM beveelt daarom aan bij toekomstig beleid over trillingen door treinen met sociale en persoonlijke factoren rekening te houden. Voor geluid van treinverkeer bestaat wetgeving, voor trillingen door treinen niet of nauwelijks. De resultaten van dit onderzoek geven hier input voor. Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) ). Het is een vervolg op een onderzoek uit 2013 en bevestigt veel van de eerdere resultaten. Voor het nieuwe onderzoek is een model gebruikt dat beter de blootstelling aan trillingen kan inschatten.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

De bijdrage van Tata Steel Nederland aan de gezondheidsrisico's van omwonenden en de kwaliteit van hun leefomgeving | RIVM

Vanuit het terrein van Tata Steel Nederland (TSN) worden verschillende chemische stoffen uitgestoten. Het RIVM heeft uitgezocht in hoeverre de huidige uitstoot van verschillende van deze stoffen naar de lucht effect heeft op de gezondheid van omwonenden. Dit is gedaan door de effecten van meerdere stoffen en hinder door stof, geluid en stank in samenhang te bekijken. Het onderzoek bevestigt dat de uitstoot van het Tata Steel-terrein bijdraagt aan de hoeveelheid fijnstof, stikstofdioxide, PAK Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen ) en metalen in de directe leefomgeving. Vooral de uitstoot van fijnstof, stikstofoxiden en de hinder door stof, stank en geluid vergroten de kans op gezondheidseffecten. Omwonenden hebben hierdoor een iets grotere kans op astma, longkanker en om eerder te overlijden. De kans op effecten is het grootst in Wijk en Zee en neemt af naarmate mensen verder weg wonen van het Tata Steel terrein. Naar verwachting leven bewoners van Wijk aan Zee gemiddeld 2,5 maand korter door de blootstelling aan fijnstof en stikstofdioxide uitgestoten vanaf het Tata Steel-terrein. Daarnaast leidt de uitstoot tot een grotere kans op longkanker. We hebben berekend dat ongeveer 4 procent van toekomstige gevallen van longkanker in Wijk aan Zee is toe te schrijven aan de huidige uitstoot van fijnstof van het TSN-terrein. De blootstelling aan stikstofdioxide vergroot de kans op astma bij kinderen. Ook hierbij is het effect het grootst in Wijk aan Zee: ongeveer 3 procent van toekomstige gevallen hangen met de huidige uitstoot samen. Een groot deel van de bewoners van de IJmond ervaart hinder door stof, stank en geluid afkomstig van bedrijven. In Wijk aan Zee loopt het percentage op tot 80 procent. Bewoners melden hierbij slaapverstoring. Ook maken zij zich zorgen over hun gezondheid door de nabijheid van het industrieterrein. Hinder kan gezondheidseffecten veroorzaken zoals stress en hart- en vaatziekten. De meeste winst voor de gezondheid is te bereiken door de uitstoot van stof, stank, geluid, fijnstof en stikstofoxiden te verminderen, zodat de blootstelling in de leefomgeving afneemt. Verder is er nog gezondheidswinst te halen door de uitstoot van PAK en lood te verminderen zodat ook deze stoffen minder in de leefomgeving terechtkomen. Om gezondheidsrisico’s te kunnen berekenen, heeft het RIVM de ‘keten’ van bron tot gezondheid bekeken. Hiervoor is onderzocht hoeveel chemische stoffen worden uitgestoten vanaf het terrein van Tata Steel, hoe deze zich via de lucht in de omgeving verspreiden en hoeveel ervan op de bodem terechtkomen. Daarna is gekeken wat dat betekent voor de kans op gezondheidseffecten onder omwonenden. De uitstoot van het terrein van Tata Steel draagt aanzienlijk bij aan de luchtvervuiling en de neerslag van lood en PAK in de omgeving. Deze komt voor omwonenden bovenop de blootstelling aan de stoffen van andere bronnen in Nederland, zoals scheepvaart, en uit het buitenland. Omwonenden van Tata Steel worden aan verschillende stoffen tegelijk blootgesteld, waardoor er kansen op uiteenlopende gezondheidseffecten kunnen ontstaan. Het RIVM vindt het belangrijk meer kennis over de mogelijke gevolgen van deze stapeling van risico’s te krijgen. Ook is meer inzicht nodig in de gevolgen van hinder voor de gezondheid. De resultaten van het onderzoek kunnen gebruikt worden om de gezondheid en de leefomgeving in de IJmond te verbeteren. De ketenaanpak (proof-of-concept) kan ook voor andere situaties worden gebruikt om gezondheidseffecten in een gebied in samenhang te bekijken.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Signaleringsoverleg Voedselveiligheid: Jaarrapportage 2022 | RIVM

Mensen kunnen ziek worden van bacteriën, parasieten of virussen in voedsel. Dat kan ook door chemische stoffen in voedsel. Om nieuwe risico’s voor de voedselveiligheid zo vroeg mogelijk in beeld te brengen, is in 2020 het Signaleringsoverleg Voedselveiligheid opgericht. Als nieuwe risico’s sneller in beeld zijn, kunnen sneller maatregelen worden genomen om de gezondheid van mensen te beschermen. Het Signaleringsoverleg heeft twee onderdelen: een overleg over microbiologische risico’s (het SO- VM Verkennende Monitoring (Verkennende Monitoring) ) en een overleg over chemische risico’s (het SO- VC Voedingscentrum (Voedingscentrum) ). In beide onderdelen zitten experts op het gebied van voedselveiligheid van verschillende instituten en het bedrijfsleven. Deze experts verzamelen signalen die zij met elkaar bespreken en betekenis geven. In 2022 zijn beide onderdelen elk vier keer bij elkaar gekomen. In totaal zijn 65 signalen ingebracht en uitgewerkt. Als er naar aanleiding van een signaal meer onderzoek of maatregelen nodig zijn, meldt het Signaleringsoverleg het signaal aan de NVWA Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit) of aan het Coördinerend Overleg. In dit overleg zijn de ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ( VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) ) en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ( LNV Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) ) en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) vertegenwoordigd. In 2022 heeft het SO-VM geen signalen gemeld. Het SO-VC heeft 14 signalen gemeld aan het Coördinerend Overleg en 2 signalen aan de NVWA.
Jaar: 2023 Onderzoek

Radioactieve rest- en afvalstoffen bij ontmanteling van cyclotrons in Nederland | RIVM

Cyclotrons zijn machines die deeltjes versnellen. De meeste cyclotrons in Nederland worden gebruikt om radioactieve stoffen te maken die kanker opsporen. Tijdens het gebruik van een cyclotron wordt al het materiaal in en om het apparaat bestraald en kan dan radioactief worden. Veel cyclotrons in Nederland zijn al een tijd in gebruik en sommige zijn aan vervanging toe. Bij de ontmanteling ervan komt het radioactieve metaal en beton vrij. De vraag is wat er met dit materiaal moet gebeuren. Het RIVM onderzocht daarom hoeveel restmateriaal er is en hoe radioactief dat is. Hierbij zijn alleen grote hoeveelheden materiaal (bulk) bekeken: de grote metalen onderdelen en het beton van de bunkers waarin cyclotrons staan. De hoeveelheid radioactief restmateriaal is per cyclotron anders. Voor alle cyclotrons in Nederland samen kan tot 7.000 ton radioactief restmateriaal vrijkomen. Een groot deel van het restmateriaal blijkt heel laagradioactief te zijn, waardoor het geen gevaar veroorzaakt voor mensen of de omgeving. Daarmee is het waarschijnlijk geschikt voor ‘specifieke vrijgave’. Dan mag het onder specifieke voorwaarden bijvoorbeeld worden gerecycled. Per geval moet worden beoordeeld of dat inderdaad kan. Recycling is wenselijk vanwege de circulaire economie. Als het radioactieve materiaal gerecycled kan worden, is opslag niet meer nodig. Normaal gesproken moet radioactief afval naar een specifieke plek worden afgevoerd: de Centrale Opslag Voor Radioactief Afval ( COVRA Centrale Organisatie Voor Radioactief Afval (Centrale Organisatie Voor Radioactief Afval) ) in Zeeland. De eigenaars van het afval – in dit geval de ondernemingen en ziekenhuizen die de cyclotrons hebben gebruikt – moeten de COVRA voor deze opslag betalen. Het kost 35 miljoen tot 50 miljoen euro om de 7.000 ton radioactief restmateriaal op te slaan. Deze kosten kunnen door recycling bijna helemaal wegvallen. Voor dit onderzoek verzamelde het RIVM informatie uit het buitenland. Ook sprak het RIVM met gebruikers van cyclotrons in Nederland.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Registratie voedselgerelateerde uitbraken in Nederland, 2022 | RIVM

Mensen kunnen ziek worden van voedsel. Als twee of meer mensen tegelijk ziek worden na het eten van hetzelfde voedsel, dan heet dat een uitbraak door een voedselgerelateerde ziekteverwekker. In 2022 zijn 1.165 uitbraken met 4.470 zieken gemeld; in 2021 waren er 838 meldingen en 3.517 zieken. Het aantal meldingen is daarmee sinds 2016 (594 meldingen met 2.731 zieken) verdubbeld. Vaak is de oorzaak van de gemelde uitbraken niet bekend. Dat komt omdat niet altijd duidelijk is welk voedselproduct besmet kan zijn geweest of omdat er geen ziekteverwekker wordt gevonden. Bekend is dat het norovirus, Salmonella en Campylobacter in 2022, net als in eerdere jaren, nog steeds het meest zijn aangetoond als oorzaak van een uitbraak. Wel zijn er voor het derde jaar achter elkaar veel minder uitbraken van het norovirus gezien dan in de jaren ervoor. Dit komt omdat er tegenwoordig minder snel op dit virus wordt getest. De informatie over deze uitbraken komt van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit ( NVWA Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit) ) en de GGD Gemeentelijke Gezondheidsdienst (Gemeentelijke Gezondheidsdienst) ’en. Zij registreren en onderzoeken voedselgerelateerde infecties en vergiftigingen. Daartoe proberen ze vanuit hun eigen werkveld te achterhalen waar mensen besmet zijn geraakt en door welke ziekteverwekker. De NVWA onderzoekt de plaats waar het voedsel is bereid of verkocht of waar het voedsel vandaan komt. Zij laat bij Wageningen Food Safety Research ( WFSR Wageningen Food Safety Research (Wageningen Food Safety Research ) ) onderzoeken of daar ziekteverwekkers in zitten. De GGD richt zich op de personen die mogelijk via voedsel een infectie hebben opgelopen en probeert via hen te achterhalen waardoor ze zijn besmet. Het doel van deze werkwijze is meer zieken te voorkomen door het product uit de handel te halen, of maatregelen te nemen om herhaling te voorkomen. Het RIVM voegt de meldingen van de twee instanties samen en analyseert ze als één geheel. Deze aanpak geeft inzichten in oorzaken van voedselgerelateerde uitbraken in Nederland, de mate waarin ze voorkomen en mogelijke veranderingen hierin door de jaren heen. De genoemde getallen zijn een onderschatting van het werkelijke aantal voedselgerelateerde uitbraken en zieken. Dit komt onder andere doordat niet elke zieke naar de huisarts gaat of de NVWA informeert. Ook is niet altijd duidelijk of besmet voedsel de oorzaak van een ziekte is geweest.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Evaluating the effectiveness of low-sulphur marine fuel regulations at improving urban ambient PM2.5 air quality: Source apportionment of PM2.5 at Canadian Atlantic and Pacific coast cities with implementation of the North American Emissions Control Area | RIVM

Evaluating the effectiveness of low-sulphur marine fuel regulations at improving urban ambient PM2.5 air quality: Source apportionment of PM2.5 at Canadian Atlantic and Pacific coast cities with implementation of the North American Emissions Control Area | RIVM
Jaar: 2023 Onderzoek

Review Nederlandse rekenmethode externe veiligheid luchtvaart. De overdraagbaarheid en wetenschappelijke waarde | RIVM

Vliegen is een relatief veilige vorm van vervoer. De kans dat een vliegtuig of helikopter toch neerstort, is het grootst tijdens de start en landing, dus dicht bij de luchthaven. Om slachtoffers in de omgeving van de luchthaven te voorkomen, wordt een veiligheidszone berekend tussen luchthavens en de omgeving. Binnen deze zone mogen bijvoorbeeld geen woningen staan. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) ) beheert sinds 2016 de methode om deze zone te berekenen. Het ministerie heeft het RIVM gevraagd dit beheer over te nemen. Voordat het RIVM daarover beslist, heeft het de kwaliteit van de rekenmethode onderzocht. Het RIVM heeft gekeken naar de kwaliteit van de software van het rekenprogramma en naar de wetenschappelijke kwaliteit (waarde) van de rekenregels. Uit dit onderzoek blijkt dat de rekenmethode niet meer actueel is. De technologie van de software is verouderd. Hierdoor kan het rekenprogramma niet goed meer worden veranderd. Wat de wetenschappelijke waarde betreft zijn de locaties en gevolgen van vliegtuigenongevallen uit de rekenregels de afgelopen jaren niet geactualiseerd. Ook zijn door een gebrek aan informatie voor helikopters alleen algemene kansen op een ongeval bepaald. De verschillende typen vluchten van helikopters (commerciële vluchten, medische vluchten, instructievluchten en dergelijke) zijn hierin niet verwerkt. Om de kwaliteit van de software en de wetenschappelijke waarde te verbeteren, zijn investeringen nodig. Het RIVM raadt het ministerie aan om af te wegen of het nodig is de veiligheidszones rond luchthavens te blijven berekenen. In de praktijk blijkt dat ook met vaste afstanden tussen luchthavens en bebouwing kan worden gewerkt. Dat gebeurt al in verschillende Europese landen, waaronder het Verenigd Koninkrijk. Als het ministerie de zones wil blijven berekenen, beveelt het RIVM aan de gehele rekenmethode bij te werken naar actuele inzichten. Ook wordt aanbevolen de rekenmethode structureel te beheren, zodat de kwaliteit op peil blijft.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Social cost-benefit analysis of field margins in the Hoeksche Waard, the Netherlands | RIVM

Akkerranden zijn stroken land met gras of bloemen waarop geen gewassen worden verbouwd. Ze liggen tussen akkers of tussen een akker en een sloot. Akkerranden ondersteunen de natuurlijke bestrijding van plagen door insecten. Hierdoor zijn er minder plagen, worden minder gewasbeschermingsmiddelen gebruikt en komen deze middelen minder in sloten terecht. Ook vergroten de akkerranden de biodiversiteit en de bestuiving. Verder zorgen ze ervoor dat er minder stikstof en fosfaat naar het oppervlaktewater wegspoelt. Daarnaast ontstaat er een aantrekkelijker landschap om te recreëren. De Europese Unie wil de aanleg van akkerranden stimuleren. Het RIVM heeft daarom berekend of de baten van akkerranden opwegen tegen de kosten in de loop van 30 jaar (2025-2055). Deze zogeheten maatschappelijke kosten-batenanalyse ( MKBA maatschappelijke kosten-batenanalyse (maatschappelijke kosten-batenanalyse) ) is gedaan in de Hoeksche Waard omdat daar veel akkerranden liggen. In deze MKBA zijn de effecten op acht thema’s berekend. Dat zijn onder andere gewasproductie, bestuiving, plaagbestrijding, waterkwaliteit, klimaat, recreatie en biodiversiteit. Op basis van de aspecten die in deze studie konden worden doorgerekend, blijkt dat de baten van akkerranden voor mens, natuur en milieu ongeveer even groot zijn als de kosten. Zo wegen een aantrekkelijker landschap en lagere kosten voor het waterschap om oppervlaktewater te zuiveren op tegen een lagere opbrengst en de kosten voor boeren om de randen aan te leggen. Twee baten die niet in geld kunnen worden uitgedrukt en daarom ecologisch zijn beoordeeld, zijn ook groter in de akkers met randen. Het gaat om biodiversiteit en het zelfreinigend vermogen van water en bodem. Daarnaast konden belangrijke baten, zoals de effecten op de gezondheid en minder gewasbeschermingsmiddelen in sloten, in deze MKBA niet worden meegenomen. Als dat wel was gedaan, waren de baten waarschijnlijk groter. Een bijkomend voordeel is dat de akkerranden langs de sloten helpen om de doelen van de Kaderrichtlijn Water voor gewasbeschermingsmiddelen te halen. Voor dit onderzoek zijn twaalf varianten doorgerekend om rekening te kunnen houden met onzekerheden. De uitkomsten van zeven van de twaalf varianten zijn positief. De kosten liggen nu vooral bij boeren en meebetalende bestuursorganen. Het RIVM ziet mogelijkheden om nieuwe verdienmodellen te maken waarbij de kosten en baten evenredig verrekend worden over betrokken partijen. Daarmee kan het voor boeren aantrekkelijker worden om akkerranden aan te leggen. Deze MKBA kan hiervoor worden gebruikt.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Vergelijkende metingen met betaalbare zelfbouwgeluidmeters | RIVM

In Nederland is naar schatting 10 procent van de bevolking ernstig bezorgd over de effecten van geluid rond hun huis op hun gezondheid. Steeds meer mensen meten zelf de hoogte van het geluid bij hun woning met betaalbare, zelfgebouwde geluidmeters. Deze meters kunnen langere tijd geluid in de omgeving meten. In principe kan iedereen die een beetje handig is de geteste zelfbouw-geluidmeters bouwen: de data, de bouwinstructies en software zijn openbaar. Het RIVM ondersteunt deze ontwikkeling omdat de metingen inzicht kunnen geven in lokale geluidoverlast. Het heeft daarom in samenwerking met een aantal bouwers de kwaliteit van 7 typen geluidmeters getest. Hieruit blijkt dat de kwaliteit van de zelfgebouwde geluidmeters de afgelopen jaren veel beter is geworden en ze het erg goed kunnen doen. De meters kunnen ook tekortkomingen hebben. Sommige meten bijvoorbeeld niet goed in de regen en andere wijken af bij lage geluidniveaus. Voor het onderzoek zijn de zelfbouwmeters zes maanden lang gevolgd in een situatie die lijkt op de praktijk. De resultaten zijn vergeleken met de metingen van een klasse 1 referentie geluidmeter, die naast de zelfbouwmeters is gehangen. De resultaten staan op de website van het RIVM zodat iedereen een beeld kan krijgen van hoe deze geluidmeters werken en wat de voor- en nadelen zijn. Het RIVM hoopt met dit onderzoek te laten zien dat eenvoudige geluidmeters een meerwaarde hebben. Zowel bij burgers als lokale overheden die geïnteresseerd zijn in het meten van het geluid in de omgeving.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Criteria voor lozingen van natuurlijke radioactiviteit in water en lucht | RIVM

Sommige materialen, zoals steenkool en bepaalde ertsen, zijn van nature licht radioactief. Bij bepaalde processen, waarbij ze bijvoorbeeld verbranden of opstuiven, kunnen de radioactieve stoffen vrijkomen in het milieu. Dat noemen we ‘lozen’. Bedrijven hebben een vergunning nodig om radioactieve stoffen te mogen lozen, tenzij het gaat om kleine hoeveelheden. Voor een aantal radionucliden, zoals uranium-238 en polonium-210, is in regelgeving bepaald welke geloosde hoeveelheden zonder vergunning in lucht en water zijn toegestaan. Het RIVM doet een voorstel voor grenswaarden voor lozingen van radionucliden die van nature voorkomen. Het gaat alleen om radionucliden waarvoor nog geen waarden waren bepaald en die dus nog niet in de regelgeving zijn opgenomen (C-14, K-40, Rb-87, La-138, Sm-147, Gd-152, Lu-176). De voorgestelde grenswaarden voor lozingen van nucliden in water en lucht zijn zo gekozen dat mensen maar aan een heel lage, veilige dosis blootstaan. Radionucliden kunnen op verschillende manieren worden geloosd. Hierdoor verspreiden ze zich ook op verschillende manieren in het milieu. Het RIVM heeft de grenswaarden voor verschillende scenario’s in Nederland bepaald. Dit onderzoek is in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) gedaan. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat bepaalt uiteindelijk de waarde die in de regelgeving gaat gelden. De gebruikte methode om de grenswaarden te bepalen is een update van de methode waarmee dat twintig jaar geleden voor de bestaande waarden is gedaan. In een vervolgonderzoek kunnen de bestaande grenswaarden met de nieuwe werkwijze worden geactualiseerd. Hierin zijn de nieuwste inzichten verwerkt over de manier van lozen, hoe nucliden zich in het milieu verspreiden en de mate waarin mensen eraan blootstaan.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Aanpassing omgevingsregeling ten behoeve van geluidsberekeningen van lage schermen bij wegverkeerslawaai | RIVM

In de jaren tachtig is een rekenvoorschrift ontwikkeld om het geluid van wegverkeer te berekenen. Geluid van wegverkeer ontstaat vooral door de interactie tussen het wegdek en de banden en door het geluid van de motor. Dit is in de rekenmethode samengevoegd tot één ‘bronhoogte’ van 75 centimeter van het wegdek. Het geluid van motoren is de afgelopen jaren stiller geworden. Ook is het bandwegdekgeluid veel lager te horen dan op 75 centimeter. Deze veranderingen zijn nog niet in de rekenmethode verwerkt. Hierdoor schermen lage geluidschermen in de praktijk geluid van wegverkeer meer af dan wordt berekend. Het RIVM heeft nu onderzocht of het berekende effect van het scherm op verkeersgeluid kan worden aangepast zodat het beter aansluit bij de metingen. Dat blijkt inderdaad te kunnen door niet één vaste bronhoogte te gebruiken maar deze aan te passen aan de hoogte van het scherm. Dan zijn er geen andere grote veranderingen in het modelleer- en rekenwerk nodig. Door deze aanpassing is het interessanter geworden om lagere geluidschermen te gebruiken. Het RIVM heeft het effect van geluidschermen bij verschillende bronhoogtes onderzocht. Het adviseert de bronhoogte te verlagen naar 10 centimeter. Voor hele lage geluidschermen (tot 1 meter hoog) werkt deze oplossing niet en wordt de bronhoogte minder verlaagd. Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) ). Aanleiding zijn de veranderingen die worden doorgevoerd omdat per 1 januari 2024 de Omgevingswet in werking zal treden.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Totstandkoming grenswaarden voor stoffen op de werkplek in Nederland | RIVM

Mensen mogen geen schade aan hun gezondheid oplopen tijdens werken met gevaarlijke stoffen. Daarom is voor veel stoffen een grenswaarde vastgesteld. Dat is een maximale hoeveelheid van een stof die in de lucht op de werkplek mag zitten. Werkgevers moeten maatregelen nemen om hun werknemers te beschermen. Deze maatregelen moeten zorgen dat de hoeveelheid van een stof in de lucht op de werkplek onder de grenswaarde blijft. In Nederland moeten werkgevers zelf grenswaarden vaststellen voor veel stoffen die zij gebruiken (bedrijfsgrenswaarden). De overheid vult deze aan met wettelijke, publieke grenswaarden voor sommige, erg gevaarlijke stoffen. Ook binnen Europa worden wettelijke grenswaarden vastgesteld. Deze grenswaarden moet de Nederlandse overheid invoeren in de nationale wetgeving. Deze notitie beschrijft de stappen voor het vaststellen van wettelijke, publieke grenswaarden voor chemische stoffen op de werkplek in Nederland en de relatie met Europese wettelijke grenswaarden. De notitie is opgesteld op verzoek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Duiding van PFAS in Forepark en Tedingerbroekpolder – vervolgadvies voor HH Delfland | RIVM

Op 21 juli 2023 gaf het RIVM advies over mogelijke gezondheidsrisico’s voor mensen en honden van PFOS perfluoroctaansulfonaten (perfluoroctaansulfonaten) in water in de Tedingerbroekpolder. Naar aanleiding van nieuwe metingen van PFOS en andere PFAS Per- en polyfluoralkylstoffen (Per- en polyfluoralkylstoffen ) in water op het industrieterrein en de aangrenzende woonwijk, heeft het RIVM een aanvullende inschatting gedaan van de risico’s voor mens en dieren. Het eten van zelf gevangen vis wordt afgeraden voor het hele gebied, het industrieterrein en de woonwijk. In de woonwijk Tedingerbroek is de hoeveelheid PFAS in het water lager dan in het water van het industrieterrein. Het RIVM verwacht dat zwemmen in de woonwijk weinig risico’s voor de gezondheid met zich meebrengt. Hetzelfde geldt voor het gebruik van het water voor de moestuin. Het RIVM adviseert om de concentratie PFAS in het water van de woonwijk te blijven volgen.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Combined EURL-Salmonella Proficiency Test for Primary Production Stage and Food, 2022. Detection of Salmonella in hygiene swab samples | RIVM

De Nationale Referentie Laboratoria (NRL’s) van de Europese lidstaten waren in 2022 in staat om Salmonella aan te tonen in hygiënesponsjes. Alle deelnemers konden hoge en lage concentraties Salmonella aantonen. In deze PT pertussis-toxine (pertussis-toxine) zijn ook Salmonella negatieve monsters verstuurd die alleen twee verschillende mengsel van stoorflora bevatten. Drieënveertig laboratoria hebben geen Salmonella aangetoond in deze 4 negatieve hygiënesponsjes. In totaal hebben 25 laboratoria toch Salmonella gevonden in een of twee van de 4 negatieve monsters. Omdat in ongeveer 10% van het totale aantal negatieve monsters toch Salmonella is gevonden, heeft het EURL-Salmonella besloten om deze negatieve monsters buiten beschouwing te laten. Dit blijkt uit het ringonderzoek dat het overkoepelende laboratorium in oktober 2020 organiseerde. Sinds 1992 zijn de NRL’s van de Europese lidstaten verplicht om elk jaar mee te doen aan kwaliteitstoetsen. Dit zijn de zogeheten ringonderzoeken voor Salmonella. Elke lidstaat wijst hiervoor een laboratorium aan, het NRL. Dit keer was het ringonderzoek verplicht voor de laboratoria die verantwoordelijk zijn voor testen van monsters uit de leefomgeving van dieren alsook voor laboratoria die verantwoordelijk zijn voor testen van monsters uit voedselproductie. In totaal hebben 68 NRL’s aan dit ringonderzoek deelgenomen: 34 NRL's leefomgeving van dieren voor voedselproductie en 34 NRL's voedsel, afkomstig uit 28 EU Europese Unie (Europese Unie) -lidstaten, 11 NRL’s uit andere Europese landen en een NRL uit een niet-Europees land. Het Europese Referentielaboratorium (EURL) Salmonella is gevestigd bij het Nederlandse Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Een belangrijke taak van het EURL-Salmonella is toezien op de kwaliteit van de nationale referentielaboratoria voor deze bacterie in Europa.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Risicoschatting van PFAS in recreatieplas Merwelanden in Dordrecht | RIVM

In juli heeft het RIVM voor 13 zwemlocaties in de omgeving van chemiefabriek Chemours PFAS Per- en polyfluoralkylstoffen (Per- en polyfluoralkylstoffen ) -meetgegevens omgerekend naar de totale PFAS-concentratie in het zwemwater per locatie. Voor 12 locaties concludeerde het RIVM dat zwemmen veilig is. Alleen voor Plas Merwelanden was aanvullend onderzoek nodig. Het RIVM publiceert nu de resultaten daarvan. Daaruit blijkt dat zwemmen in Plas Merwelanden substantieel bijdraagt aan de totale PFAS-blootstelling voor kinderen die hier regelmatig zwemmen en volwassenen die hier dagelijks zwemmen. Zeker gezien de potentieel hoge blootstelling voor kinderen is het onwenselijk dat PFAS in dergelijke concentraties voorkomt in zwemwater. De provincie Zuid-Holland heeft besloten dat het negatief zwemadvies voor Plas Merwelanden blijft gelden.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Zitgedrag in Nederland. Ontwikkelingen tussen 2015 en 2021 | RIVM

Als mensen lang zitten, hebben zij een grotere kans om eerder te overlijden, bijvoorbeeld aan hart- en vaatziekten. Het RIVM heeft daarom beschreven hoe veel uren verschillende groepen mensen in Nederland zitten per dag en wat ze dan doen. Mensen zijn door de jaren heen iets meer gaan zitten: van gemiddeld 8,7 uur per dag in 2015 naar gemiddeld 9,1 uur per dag in 2021. Op een doordeweekse dag zitten mensen meer dan op een weekenddag. Mensen zijn meer gaan zitten tijdens werk. Verder zijn mensen meer vrijetijdsactiviteiten gaan doen waarbij ze zitten, zoals een computer, tablet of smartphone gebruiken en televisiekijken. Voorbeelden van andere zittende vrijetijdsactiviteiten zijn kletsen, eten, lezen, puzzelen, handwerken, een muziekinstrument bespelen en naar de bioscoop gaan. Mensen zijn juist minder gaan zitten tijdens school/studie. Alleen de groep hoger opgeleide jongeren is tijdens school/studie meer gaan zitten. Groepen in de bevolking die door de jaren heen meer zijn gaan zitten, zijn onder andere vrouwen, ouderen vanaf 65 jaar, lager opgeleiden (ouder dan 25 jaar), mensen die minder dan 32 uur per week betaald werk doen, mensen met overgewicht en obesitas, en mensen die niet elke week sporten. Van alle Nederlanders zitten hoogopgeleide jongeren (van 12 tot en met 24 jaar) het meest, gemiddeld 11,5 uur per dag. De resultaten kunnen handvatten geven voor beleid om het zitgedrag bij onder andere deze doelgroep te veranderen.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

CPE uit de rioolwater surveillance en het nationale CPE surveillance programma; Een vergelijking van volledige genomen | RIVM

Carbapenemase-producerende Enterobacterales ( CPE Carbapenemase-producerende enterobacterales (Carbapenemase-producerende enterobacterales ) ) zijn bacteriën die moeilijk met antibiotica zijn te behandelen. Om maatregelen te kunnen nemen, is het belangrijk dat we weten hoeveel CPE in Nederland voorkomen en waar. Daarom wordt bijgehouden hoe vaak en bij wie CPE worden gevonden in ziekenhuizen, verpleeghuizen of bij huisartsen. Ook wordt onderzocht welke eigenschappen deze CPE hebben. Dit heet het nationale CPE surveillance programma. Maar niet iedereen die CPE bij zich draagt, wordt er ziek van of wordt hierop getest. Dus niet alle CPE worden via dit systeem gevonden. Daarom wordt ook in rioolwater gemeten of er CPE in zitten, de zogeheten rioolwatersurveillance. CPE zitten namelijk in de darmen en komen via de ontlasting in het rioolwater terecht. Zo kunnen ze ook worden opgemerkt als mensen ze ongemerkt in hun darmen hebben. Het RIVM heeft nu onderzocht in hoeverre de CPE die in de surveillance bij mensen zijn gevonden, dezelfde varianten zijn als de CPE in de rioolwatersurveillance. Het heeft hiervoor de genen van CPE uit rioolwater van 76 rioolwaterzuiveringsinstallaties ( RWZI Rioolwaterzuiveringsinstallatie (Rioolwaterzuiveringsinstallatie ) ’s) vergeleken met de CPE die bij mensen zijn gevonden. Er blijken overeenkomsten en verschillen te zijn. De rioolwatersurveillance is daarom een nuttige aanvulling op het nationale surveillance programma. Samen geven de surveillances een completer beeld van de CPE in heel Nederland. Soms bleken de CPE sterk genetisch verwant te zijn. Dit bevestigt dat er in rioolwater dezelfde CPE zitten die bij mensen zijn gevonden. Maar in het rioolwater zaten ook varianten van CPE die niet bij mensen waren gezien. Deze komen waarschijnlijk uit mensen die niet op CPE zijn getest in de surveillance van mensen. Aan de andere kant waren er CPE-varianten die wel bij mensen zijn gevonden maar niet in het rioolwater. Dit kan meerdere oorzaken hebben. Voor een deel komt het omdat de onderzochte RWZI’s op andere plekken in Nederland liggen dan de woonplaats of het ziekenhuis van de mensen die voor de humane surveillance zijn onderzocht. Het kan ook zijn dat de RWZI’s veel eerder of later zijn onderzocht dan het moment waarop er een patiënt in die regio was. Een CPE is gemiddeld na een half jaar uit een mens verdwenen, en is dan niet meer terug te zien in de rioolwatersurveillance.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Opzet voortgangsrapportage Preventie in het Zorgstelsel | RIVM

De voortgangsrapportage heeft als doel om een overzicht te geven en inzicht te bieden in de ontwikkelingen in de samenwerking tussen gemeente en zorgverzekeraar die relevant zijn voor het programma Preventie in het zorgstelsel voor de periode 2023 tot en met 2026. In het programma ligt de aandacht op preventie voor risicogroepen, de preventie-infrastructuur en de ketenaanpakken. De speerpunten van het programma staan beschreven in hoofdstuk 3G van het GALA ‘Domeinoverstijgende inzet vanuit een regionale preventie infrastructuur’. De focus van de voortgangsrapportage ligt niet op het evalueren van beleid of interventies, maar op het verkennen en signaleren van relevante ontwikkelingen en kansen voor het programma Preventie in het zorgstelsel. De rapportage bouwt voort op de evaluaties uit voorgaande jaren. Hierbij wordt gekeken of en hoe bekende belemmeringen, zoals het gebrek aan structurele financiering en vrijblijvendheid van verantwoordelijkheden en afspraken [2], worden weggenomen door de nieuwe afspraken in het GALA en IZA. In deze opzet wordt het plan van aanpak voor de voortgangsrapportage Preventie in het zorgstelsel beschreven. Er zal jaarlijks een rapportage uitkomen in de periode 2023-2026.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Advies voor monitor Gezond Actief Leven Akkoord | RIVM

In dit advies beschrijft het RIVM opties om de monitor Gezond Actief Leven Akkoord (GALA) vorm te geven. Het gaat om contouren van hoe deze monitor eruit kan zien, waarbij wordt ingespeeld op de wensen van de ondertekenaars en zoveel gebruik gemaakt wordt van bestaande gegevens. Met dit advies kan een geïnformeerde keuze gemaakt worden uit welke aspecten de monitor GALA moet bestaan.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

De Risicotoolbox Grondwater. Een systeem om de kwaliteit te beoordelen | RIVM

Het RIVM heeft de Risicotoolbox grondwater (RTBgrondwater) ontwikkeld. Met dit instrument kunnen de gevolgen van schadelijke chemische stoffen in grondwater in beeld worden gebracht. Het gaat om de gevolgen voor de gezondheid van mensen, voor micro-organismen in het grondwater, voor de drinkwaterwinning in Nederland en voor het oppervlaktewater. Ook kan ermee worden gecheckt of een specifiek gebruik van grondwater veilig is, bijvoorbeeld voor drinkwater uit een eigen put. Het instrument is online beschikbaar voor provincies, waterschappen en gemeenten. Voor de gezondheid gaat de tool na hoe en in welke mate mensen via verschillende ‘routes’ in contact komen met schadelijke stoffen uit grondwater. Bijvoorbeeld wanneer ze grondwater als drinkwater gebruiken of groenten eten die schadelijke stoffen via de wortels uit grondwater hebben opgenomen. Of door groenten te eten die met grondwater zijn besproeid. Ook is het mogelijk dat stoffen vanuit het grondwater verdampen en in woningen terechtkomen. In drie stappen onderzoekt de tool of de hoeveelheid van de stoffen schadelijk is. In de eerste, eenvoudige stap wordt ‘grof en streng’ bepaald of de kwaliteit van het grondwater aan de norm voldoet. Als dat niet zo is, gebeurt dat in de volgende twee stappen steeds gedetailleerder. Hiervoor worden meer berekeningen en metingen gedaan en specifiekere informatie over de locatie gebruikt. Voor de tweede en derde stap is dan ook meer kennis nodig over hoe stoffen in de ondergrond verplaatsen en hoe mensen ze kunnen binnenkrijgen. Als de kwaliteit van het grondwater niet in orde is, bepaalt de verantwoordelijke provincie, het waterschap of de gemeente of en hoe zij moeten ingrijpen. Deze mogelijkheid om te kiezen past bij de Omgevingswet, die op 1 januari 2024 gaat gelden. Een belangrijke insteek van deze wet is namelijk dat lokale overheden keuzes kunnen maken om milieuproblemen aan te pakken. Nu gelden daar wettelijke verplichtingen voor.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Beoordeling mogelijke risico's van chemische stoffen en plastic deeltjes van windturbines op zee | RIVM

Windenergie is belangrijk om de overgang van fossiele naar duurzame energie mogelijk te maken. Daarom zullen er in de toekomst onder andere veel meer windturbines op zee komen. Zogeheten epoxy coatings en ‘opofferingsmetalen’ kunnen worden gebruikt om windturbines te beschermen tegen corrosie. Uit deze materialen kunnen chemische stoffen vrijkomen. Het RIVM heeft uitgezocht of dit schadelijk kan zijn voor mens en milieu. Daarnaast is een inschatting gemaakt hoeveel plastic deeltjes vrijkomen door slijtage van de turbinebladen. Op dit moment is niet bekend of bij Nederlandse windturbines op zee daadwerkelijk epoxy coatings en opofferingsmetalen worden gebruikt. Het RIVM heeft daarom een denkbeeldig scenario doorgerekend om inzicht te krijgen in mogelijke schadelijke effecten áls ze worden gebruikt. Om deze effecten niet te onderschatten heeft het RIVM gerekend met de ongunstigste aannames over de hoeveelheid stoffen die vrijkomen. Zeker is dat de uitstoot van zink, indium, lood en cadmium uit opofferingsmetalen bij windturbines op zee niet schadelijk zijn voor mens en milieu. Het gebruik van epoxy coatings kan mogelijk wel schadelijk zijn. Of dit in de praktijk ook echt zo is, hangt sterk af van de gebruikte coating. Het verschilt namelijk per coating hoeveel en welke stoffen er uit kunnen vrijkomen. Het is daarom belangrijk om een beter beeld te krijgen welke coatings bij de huidige windturbines op zee worden gebruikt. Ook beveelt het RIVM aan om bij nieuwe windturbines uit voorzorg coatings te gebruiken waar geen of weinig stoffen uit weglekken. Er is nog weinig informatie beschikbaar over hoeveel plastic deeltjes door slijtage van turbinebladen in de omgeving terechtkomen. Het RIVM schat dat de hoeveelheid plastic deeltjes die hierdoor in de zee komt kleiner is dan via andere bronnen, zoals de Nederlandse scheepvaart. Er bestaan tegenwoordig technieken om die slijtage zo veel mogelijk tegen te gaan. De precieze hoeveelheid deeltjes hangt onder andere sterk af van de gebruikte techniek. Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM). Het is een vervolg op een quickscan uit 2022 waarin verschillende aandachtspunten zijn benoemd. Zie ook de publicatie: Inzicht in emissies van chemische stoffen bij windturbines op zee (gepubliceerd op 13-06-2022)
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Meetresultaten bij branden. Analyse van MOD-incidentmeetgegevens 2008-2021 | RIVM

Bij branden ontstaan veel stoffen die schadelijk zijn als mensen ze inademen of ermee in contact komen. Deze stoffen kunnen zich verspreiden in de omgeving. Het hangt af van de materialen die verbranden, de weersomstandigheden en hoe de brand zich ontwikkelt, welke stoffen ontstaan, hoeveel en hoe ze zich verspreiden. Sommige schadelijke stoffen ontstaan bij elke brand, zoals roet en fijnstof. Andere stoffen ontstaan uit de verbranding van bepaalde materialen. Voorbeelden zijn dioxinen (uit bepaalde kunststoffen) en metalen (onder andere bij schrootbranden). De Milieuongevallen Dienst ( MOD Milieuongevallen Dienst (Milieuongevallen Dienst ) ) van het RIVM mat tussen 2008 en 2021 bij 132 branden of er schadelijke stoffen in de lucht zaten. Dat is vooral het geval op minder dan 300 meter van de brand. Op meer dan 1 kilometer van de brand meet het RIVM ze bijna nooit. Dat komt omdat de stoffen zich in de lucht verspreiden en verdunnen. De gezondheidsrisico’s zijn hierbij heel klein. Het is dan genoeg dat bewoners het advies krijgen om thuis te blijven, ramen en deuren dicht te doen en uit de rook te blijven. Extra metingen van het RIVM zijn niet altijd nodig. Deze conclusies zijn in 2007 getrokken en worden nu bevestigd in een uitgebreide analyse van de metingen. Het RIVM wil in bepaalde situaties de schadelijke stoffen blijven onderzoeken. Het gaat om branden die lang duren, waarbij lang moet worden nageblust, met veel rookontwikkeling, of waarbij de rook blijft ‘hangen’ en weinig opstijgt. Dit geldt vooral voor branden bij bedrijven in de afvalverwerking, sloop en recycling en in opslagloodsen en grote gebouwen. Meten kan ook nuttig zijn bij maatschappelijke onrust of als hulpdiensten of bevoegd gezag erom vragen. Verder is het wenselijk dat de MOD stoffen gaat meten in de rook die nu nog niet bij branden worden gemeten.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Prevention of respiratory syncytial virus (RSV) disease in infants. Background information for the Health Council of the Netherlands | RIVM

Het respiratoir syncytieel ( RS respiratoir syncytieel (respiratoir syncytieel) -)virus is een luchtwegvirus dat in Nederland veel voorkomt, vooral in de winter. De meeste kinderen krijgen vóór hun tweede jaar een eerste infectie met dit virus. Deze verloopt vaak mild, met vooral verkoudheidsklachten. Naar schatting gaat 1 op de 5 tot 10 kinderen met een RS-virus Respiratoir Syncitieel-virus (Respiratoir Syncitieel-virus) infectie naar de huisarts. Maar een deel van de kinderen wordt erg ziek: ongeveer 1 op de 100 baby’s moet door een RS-virus infectie naar het ziekenhuis. Een aantal van hen moet zelfs op de intensive care worden behandeld bijvoorbeeld omdat ze moeten worden beademd. De laatste jaren wordt gewerkt aan middelen om te voorkomen dat kinderen ernstig ziek worden van een infectie met dit virus. Het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) heeft de Gezondheidsraad gevraagd advies te geven over deze middelen. Het RIVM heeft als ondersteuning voor dit advies bestaande achtergrondinformatie verzameld voor de Gezondheidsraad. Sommige kinderen hebben een grotere kans om erg ziek te worden van het RS-virus. Dat zijn kinderen die te vroeg geboren zijn of een aangeboren ziekte hebben aan de longen of het hart. Zij krijgen daarom een medicijn dat de kans verkleint om erg ziek te worden (palivizumap). Maar de meeste kinderen die met het RS-virus in het ziekenhuis terechtkomen, horen niet bij deze risicogroepen. Zij komen daarom niet in aanmerking voor dit medicijn. In oktober 2022 heeft de EMA European Medicines Agency (European Medicines Agency) (Europees Geneesmiddelen Agentschap) een nieuw medicijn (nirsevimab) goedgekeurd voor Europa. Ook dit middel kan ervoor zorgen dat kinderen minder ziek worden, maar het werkt beter en langer dan palivizumap. Verder komt er mogelijk een vaccin voor zwangere vrouwen tegen het RS-virus. Zo’n ‘maternaal vaccin’ beschermt het kind vanaf de geboorte tegen ernstige ziekte doordat de moeder tijdens de zwangerschap antistoffen aan het kind doorgeeft. Naar verwachting adviseert de Food and Drug Administration ( FDA Food and Drug Administration (Food and Drug Administration ) ) binnenkort over de goedkeuring van dit vaccin in de Verenigde Staten. De verzamelde informatie gaat over zowel het RS-virus als nirsevimab en het maternale vaccin tegen dit virus. Bijvoorbeeld hoeveel jonge kinderen in Nederland een infectie met het virus krijgen, hoe het lichaam de afweer tegen het virus opbouwt en hoe goed de middelen werken.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Risk assessment of exposure to PFAS through food and drinking water in the Netherlands | RIVM

Het RIVM heeft berekend hoeveel per- en polyfluoralkylstoffen ( PFAS Per- en polyfluoralkylstoffen (Per- en polyfluoralkylstoffen ) ) mensen via voedsel en drinkwater binnenkrijgen. Hieruit blijkt dat de hoeveelheid PFAS die mensen via voedsel en drinkwater kunnen binnenkrijgen boven de zogeheten gezondheidskundige grenswaarde ligt. Als mensen lange tijd meer PFAS binnenkrijgen dan deze gezondheidskundige grenswaarde, zijn schadelijke effecten op de gezondheid mogelijk. Ook blijkt dat mensen in Nederland via voedsel meer dan drie keer zoveel PFAS binnenkrijgen als via drinkwater. Vis is een belangrijke bron van PFAS via voedsel, omdat er veel van deze stoffen in vis kunnen zitten. Daarnaast krijgen we PFAS binnen via koffie, thee, graanproducten, melkproducten, vlees, eieren, fruit en groenten. Bij drinkwater hangt de hoeveelheid PFAS af van het soort water waarvan het is gemaakt. Via drinkwater dat van grondwater is gemaakt, krijgen we minder PFAS binnen dan via drinkwater uit oppervlaktewater. Dat komt doordat er in oppervlaktewater meer PFAS zit dan in grondwater. Van de twintig onderzochte typen PFAS krijgen we vooral PFUnDA, PFOS perfluoroctaansulfonaten (perfluoroctaansulfonaten) en PFDA binnen, omdat deze typen veel in vis zitten. De berekening is een update van een eerdere schatting met gegevens over PFAS in voedsel uit 2009. Voor de update is nieuwe informatie over voedsel en drinkwater uit 2021 en 2022 gebruikt. Ook is er informatie over twintig in plaats van vier typen PFAS meegenomen. Hoewel er nu meer PFAS zijn meegenomen, is de hoeveelheid PFAS die mensen binnen kunnen krijgen ongeveer 40 procent lager dan eerder was berekend. PFAS zijn stoffen die door de mens zijn gemaakt en komen van nature niet in het milieu voor. Deze stoffen zitten in veel verschillende producten, zoals antiaanbaklagen, verpakkingsmaterialen voor voedsel en in kleding. Bij het proces om PFAS te maken en het gebruik van producten waar ze in zitten, kan PFAS in de lucht, het water en de bodem terecht komen. Vandaaruit komen ze in ons voedsel en drinkwater. De meeste PFAS breken niet af en blijven daardoor lang in het milieu zitten. Om te voorkomen dat je te veel PFAS binnenkrijgt, is het belangrijk om gevarieerd te eten. Op die manier eet je niet te vaak voedsel met een hoge hoeveelheid PFAS.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Evaluatie wetgeving toevoeging aminozuren aan voedingsmiddelen en -supplementen | RIVM

Aminozuren zijn onderdelen van eiwitten. In Nederland is het verboden om losse aminozuren toe te voegen aan eet- en drinkwaren, inclusief voedingssupplementen. Volgens Europese wetgeving is dat wel toegestaan. De Gezondheidsraad heeft in 1999 beoordeeld of aminozuren op een veilige manier in Nederland kunnen worden toegevoegd. De raad adviseerde om dit onder bepaalde voorwaarden toe te staan, bijvoorbeeld door te bepalen hoeveel aminozuren fabrikanten maximaal aan producten mogen toevoegen. De maxima die zij toen voorstelden, zijn tot nu toe niet in de Nederlandse wet opgenomen. Het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) heeft het RIVM gevraagd om de wetgeving over de toevoeging van aminozuren te evalueren. Een specifieke vraag is of het verbod op de toevoeging van aminozuren veilig kan worden opgeheven, en zo nodig kan worden vervangen door wettelijke maximum hoeveelheden. Het blijkt niet mogelijk te zijn om te bepalen hoeveel aminozuren mensen naast hun voeding veilig kunnen binnenkrijgen via supplementen, of via voedingsmiddelen waar aminozuren aan zijn toegevoegd. Dat komt omdat niet bekend is hoeveel eiwitten en aminozuren mensen maximaal mógen binnenkrijgen. Ook is niet bekend hoeveel aminozuren mensen binnenkrijgen via voedingsmiddelen die in Nederland worden gegeten. De database over de samenstelling van voedingsmiddelen (NEVO) geeft daar geen informatie over. Uit deze evaluatie blijkt dat het verbod alleen kan worden opgeheven als maximale hoeveelheden voor de toevoegingen, net als in het advies van de Gezondheidsraad uit 1999, worden vastgesteld. Het RIVM adviseert om dat op basis van de nieuwste kennis te doen. De waarden die Gezondheidsraad hiervoor heeft gebruikt, zijn namelijk verouderd. Bij het bepalen van de maxima moet er ook aandacht zijn voor de invloed van de veranderingen in het eetpatroon, zoals de verwachte toename van plantaardige eiwitten (eiwittransitie). Aangezien de kwaliteit van plantaardige eiwitten minder goed is dan die van dierlijke, kan deze transitie invloed hebben op de maxima.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie in 2021 | RIVM

Sinds 2006 mogen bepaalde agrarische bedrijven in Nederland meer dierlijke mest op hun land gebruiken dan de Europese Nitraatrichtlijn voorschrijft. Zij moeten hiervoor wel aan bepaalde voorwaarden voldoen, zoals minimaal 80 procent grasland hebben. Deze verruiming heet derogatie. Het RIVM en Wageningen Economic Research meten sindsdien elk jaar de gevolgen van de derogatie voor de waterkwaliteit op driehonderd bedrijven die van derogatie gebruikmaken. Uit de analyse sinds 2006 blijkt dat de derogatie geen negatieve effecten heeft op de waterkwaliteit. Wel stegen de concentraties nitraat de afgelopen jaren, vooral in de Zandregio. De stijging komt waarschijnlijk door de droogte van 2018 tot en met 2020. Door droogte wordt er onder andere minder stikstof afgebroken, waardoor de nitraatconcentratie in het grondwater stijgt. In 2022 daalde de nitraatconcentratie in alle regio’s, waarschijnlijk doordat 2021 een relatief nat jaar was. Bedrijfsvoering In 2021 hebben derogatiebedrijven gemiddeld 229 kilogram stikstof uit dierlijke mest per hectare gebruikt. Een derogatiebedrijf mag 230 of 250 kilogram stikstof per hectare uit mest van graasdieren gebruiken, afhankelijk van de bodemsoort en regio. Door verbeteringen in de bedrijfsvoering en door aanpassingen in wetgeving wordt dierlijke mest efficiënter gebruikt om gewassen te laten groeien. Het ‘stikstofbodemoverschot’ is daardoor gemiddeld over de hele meetperiode gedaald. Dit betekent dat er minder stikstof in de bodem overblijft dat als nitraat met regenwater wegzakt naar diepere lagen in de bodem, en uiteindelijk terechtkomt in het grondwater. Het gemiddelde stikstofbodemoverschot was 144 kilogram per hectare in 2021 en is daarmee het laagste van alle gemeten jaren. Grondwaterkwaliteit In het zuiden en oosten van de Zandregio was de gemiddelde nitraatconcentratie in de bovenste meter van het grondwater in 2022 51 milligram per liter. Dat is boven de norm van 50 milligram per liter. Na de sterke stijging in dit deel van de Zandregio sinds 2017, daalde de nitraatconcentratie in 2022 ten opzichte van 2021. In het noorden van de Zandregio bleef de concentratie onder de norm, en daalde deze naar 23 milligram per liter in 2022. In de Lössregio daalde de concentratie licht naar 51 milligram per liter in 2021, maar ook hier is deze nog hoger dan de norm. In de Kleiregio blijven de concentraties steeds onder de norm. Na een sterke stijging in de afgelopen jaren is de concentratie in de Kleiregio 18 milligram per liter in 2022. In de Veenregio worden de laagste concentraties gemeten, 9 milligram per liter in 2022. De monitoring wordt uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ( LNV Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) ). In september 2022 besloot de Europese Commissie de derogatie voor Nederland stapsgewijs af te bouwen. Vanaf 2026 zal Nederland geen derogatie meer hebben.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Impact van een getrapte verbruiksbelasting op de verkoop van suiker via alcoholvrije dranken. Mogelijke aanpassingen in de verbruiksbelasting doorgerekend | RIVM

Op 26 april 2024 is de kennisnotitie: Verbruiksbelasting alcoholvrije dranken gepubliceerd, met aanvullende berekeningen op dit rapport. Vanaf 1 januari 2024 gaat de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken omhoog van 8,83 euro per 100 liter naar 26,13 euro per 100 liter. Het gaat om limonade (inclusief frisdranken, siropen en alcoholvrij bier) en vruchten- en groentesap. Door de belastingverhoging zullen naar verwachting minder alcoholvrije dranken worden verkocht. Op mineraalwater wordt dan geen verbruiksbelasting meer geheven. Het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) wil weten of er bij andere vormen van verbruiksbelasting mogelijk nog minder alcoholvrije dranken worden verkocht. Dan zouden mensen nog minder suiker binnenkrijgen, wat kan helpen om overgewicht te verminderen. Het RIVM heeft daarom berekend wat het verwachte effect is van vier vormen van een zogeheten getrapte verbruiksbelasting op de verkoop van (suiker via) alcoholvrije dranken in 2025. Uit de berekeningen blijkt dat in 2025 in Nederland 11 tot 14 procent (244 tot 323 miljoen liter) minder alcoholvrije dranken worden verkocht bij een getrapte verbruiksbelasting. Dit is een extra daling ten opzichte van de daling die dat jaar bij de aangekondigde belastingverhoging wordt verwacht (384 miljoen liter). Door de getrapte verbruiksbelasting kopen mensen 15 tot 18 procent (18 tot 21 miljoen kilogram) minder suiker via alcoholvrije dranken. Het verschil tussen de extra dalingen bij de vier onderzochte vormen is vrij klein. Bij een getrapte verbruiksbelasting geldt niet één belastingtarief maar wordt de hoogte van de belasting bepaald op basis van de hoeveelheid suiker in de dranken. Dat betekent: hoe meer suiker, hoe hoger de belasting. Verschillende Europese landen hebben al een getrapte belasting voor alcoholvrije dranken ingevoerd, zoals het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk. De hoogte van een getrapte verbruiksbelasting kan op verschillende manieren aan het suikergehalte worden gekoppeld. Bij een van de vier onderzochte vormen wordt bijvoorbeeld de belasting per gram suiker per 100 milliliter drank steeds hoger. Het RIVM gaat in een volgende modelstudie onderzoeken hoe groot de impact van de getrapte verbruiksbelasting kan zijn op het aantal mensen met overgewicht.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Verkenning van voor- en nadelen van Aqua Nitrosa-extractie in het bodembeleid | RIVM

Bij grote bouwprojecten of onderhoud van waterwegen kan grond en bagger vrijkomen. Dit materiaal kan opnieuw worden gebruikt om bodems aan te vullen. Dit mag pas nadat is getoetst of de grond of bagger aan chemische normen voldoet. Op deze manier worden schadelijke effecten voor het milieu, bijvoorbeeld door een teveel aan zware metalen, voorkomen. Hiervoor wordt een methode gebruikt die meet hoeveel metaal er in totaal in de grond of bagger zit. Grond en bagger kan ook worden hergebruikt om plassen ondieper te maken. In 2015 is een andere werkwijze voorgesteld om schadelijke effecten hiervan te beoordelen voor planten en dieren die in het water leven: het Milieuhygiënisch Toetsingskader (MHT). De MHT gaat uit van de hoeveelheid metalen die uit het materiaal vrijkomt door een verdunde salpeterzuuroplossing (‘Aqua Nitrosa’) aan grond toe te voegen. Deze werkwijze komt beter in de buurt van de hoeveelheid metaal die in het water kan oplossen. Het RIVM heeft verkend of Aqua Nitrosa-methode ook geschikt is voor de beoordeling van hergebruik van grond en bagger op land. Het RIVM vindt dat er nog te veel onzekerheden zijn om dat te doen. De situatie in de landbodem is complexer en er spelen meer soorten risico’s. Zo is het nog niet duidelijk of deze methode kan beoordelen wat de effecten zijn voor de mens als metalen door het hergebruik in de landbodems terechtkomen. Bijvoorbeeld als de grond wordt gebruikt om voedsel te verbouwen. Deze effecten kunnen nu nog niet goed worden beoordeeld met de Aqua-Nitrosa methode doordat het benodigde onderzoek ontbreekt. Ook zouden andere normen nodig zijn als de methode voor landbodems wordt ingevoerd. Aan het gebruik van landbodems worden andere eisen gesteld dan aan de waterkwaliteit. Zo’n verandering van normen is ingrijpend en kost veel geld en tijd. Verder zou het betekenen dat Nederland gaat afwijken van nationale en internationale methodieken, modellen en toetsen. Deze gelden sinds de jaren negentig en gaan uit van totaalgehalten van metalen. Het RIVM vindt dat meer onderzoek nodig is om onzekerheden op te helderen en een goede beslissing te kunnen nemen.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Lessen uit de COVID-19-pandemie voor het Nederlandse klimaatbeleid | RIVM

Door de COVID-19-pandemie is de openbare buitenruimte in Nederland anders gebruikt. Veel meer mensen zijn thuis gaan werken en hebben zich minder of met een ander vervoermiddel verplaatst. Ook zijn ze de omgeving meer gaan gebruiken om bijvoorbeeld te wandelen of te sporten. De meeste veranderingen zijn tijdelijk, maar sommige behoeften en gedrag blijven bestaan, zoals meer thuiswerken. Deze ontwikkelingen raken aan het beleid van de overheid om klimaatverandering te verminderen. Want tijdens de pandemie zijn er minder broeikasgassen uitgestoten, was de lucht tijdelijk lokaal schoner en was er minder geluid van verkeer. Deze ervaringen bieden kansen en lessen om het Nederlands klimaatbeleid beter vorm te geven. Het RIVM heeft de veranderingen in drie sectoren op een rij gezet en mogelijke lessen in kaart gebracht. Het gaat om thuiswerken, het gebruik van de omgeving, en mobiliteit; activiteiten die nauw met elkaar verbonden zijn. Thuiswerken kan worden ingezet om de uitstoot van CO2 carbon dioxide (carbon dioxide) door verkeer te verlagen. Veel mensen willen in de toekomst thuis blijven werken en veel werkgevers vragen dit van hun medewerkers. Het hangt onder andere af van de mogelijkheden die de werkgever biedt in welke mate dat zal gebeuren. Verder hebben mensen die thuiswerkten meer gewandeld en gefietst en minder auto gereden. Een groene leefomgeving verbetert de lichamelijke en geestelijke gezondheid, en mensen zijn zich hier tijdens de pandemie bewuster van geworden. Klimaatadaptatiemaatregelen om steeds meer groen en water in de leefomgeving aan te leggen kunnen dus helpen om de volksgezondheid te verbeteren. Het is belangrijk dat mensen in hun omgeving kunnen wandelen en sporten. Om drukte te voorkomen moet de omgeving logistiek slim in worden gericht voor een groter publiek. Daarnaast kan de omgeving toegankelijker worden gemaakt door wandelgebieden, goede fietspaden en parkeervoorzieningen aan te leggen. Het herstel van de mobiliteit verschilt per sector: het gebruik van auto’s neemt sneller toe tot het niveau van voor de COVID-19-pandemie dan de terugkeer naar het openbaar vervoer. Vanwege het klimaatbeleid is aandacht nodig voor een veilig, toegankelijk en betaalbaar openbaar vervoer.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Meldingen van milieugerelateerde gezondheidsklachten (MGK) bij GGD'en. Periode 2021-2022 | RIVM

Wat de leefomgeving betreft nemen mensen vooral contact op met de GGD Gemeentelijke Gezondheidsdienst (Gemeentelijke Gezondheidsdienst) als zij klachten hebben over het milieu in huis of andere gebouwen. Ongeveer 60 procent van het totaal aantal meldingen gaat daarover. De meeste meldingen komen van bewoners van huurwoningen. Volgens hen zijn vooral schimmels, vocht en plaagdieren de reden van hun gezondheidsklachten. Klachten over het milieu buiten (25 procent) gaan het meest over houtrook, geluid en magneetvelden van bijvoorbeeld hoogspanningslijnen. Dit blijkt uit een analyse door het RIVM van de ruim vijfduizend meldingen die de GGD’en in Nederland in 2021 en 2022 hebben geregistreerd. De meeste meldingen (ongeveer 30 procent) gaan over bezorgdheid: mensen maken zich zorgen over zaken die schadelijk kunnen zijn voor hun gezondheid. Dat kan zowel in huis zijn als in de omgeving daarvan. Ze zijn vooral bezorgd over de gevolgen van schimmels en asbest. Op de tweede en derde plaats van de meldingen staan klachten aan de luchtwegen (20 procent) en hinder (16 procent), zoals geur- en geluidhinder. De aard van de meldingen in 2021 en 2022 zijn voor een groot deel hetzelfde als de meldingen in de afgelopen tien jaar. Wel zijn er minder meldingen geregistreerd dan de jaren ervoor. Het is niet goed aan te geven waarom dat zo is. De coronapandemie zou een verklaring kunnen zijn. Het kan ook komen doordat de GGD’en samen steeds meer informatie op de website ‘GGD Leefomgeving’ geven.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Ammonia deposition measured with Conditional Time-Averaged Gradient (COTAG) systems in the Netherlands. Methodological advances and results for 2012 – 2020 | RIVM

Voor het stikstofbeleid in Nederland zijn betrouwbare metingen nodig. Bijvoorbeeld metingen van hoeveel stikstof er op de planten en bodem neerslaat (depositie). Door te veel stikstofdepositie verdwijnen sommige plant- en diersoorten. Stikstofdepositie bestaat uit de droge en natte depositie van ammoniak en stikstofoxides. Bij natte depositie komen deze stoffen via regen op de grond terecht. Bij droge depositie slaan ze direct uit de lucht neer op planten en de bodem. Luchtwervels zorgen er dan voor dat de stoffen van en naar de grond bewegen (turbulentie). Dus hoe meer en intenser de luchtwervels, hoe meer droge depositie er kan zijn. In Nederland is droge depositie van ammoniak ongeveer de helft van de stikstofdepositie. Het RIVM bepaalt de droge depositie van ammoniak met de COTAGmethode (Conditional Time-Averaged Gradient). Een COTAG-mast meet op twee hoogtes boven de grond de concentratie ammoniak, en daarmee het verschil daartussen. Daarna wordt dit verschil gecombineerd met de hoeveelheid turbulentie. Op deze manier meet een COTAG-mast de droge depositie van ammoniak in een maand. Dit maakt de COTAG-methode geschikt om langere tijd op verschillende plekken de droge depositie van ammoniak te meten. Het RIVM heeft de COTAG-methode verder ontwikkeld en uitgebreider beschreven. Het RIVM rapporteerde tot nu toe de resultaten van de COTAG-masten met een boven- en ondergrens. Voor de bruikbaarheid van de meetresultaten is het handiger om elke maand één waarde voor de depositie te hebben. Met de nieuwe methode is dat mogelijk geworden. Ook zijn de onzekerheden in beeld gebracht. Het RIVM beschrijft in dit rapport de resultaten van COTAG-metingen tussen 2011 en 2020 in drie Natura 2000-gebieden: Bargerveen vanaf 2012, Oostelijke Vechtplassen vanaf 2014, en De Hoge Veluwe vanaf 2017. Er staan nu zes COTAG-masten in Nederland, en dat worden er de komende jaren tien.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Grootschalige concentratiekaarten Nederland. Rapportage 2023 | RIVM

Het RIVM maakt elk jaar kaarten van de luchtverontreiniging in Nederland. Dit gebeurt voor verschillende stoffen, waaronder stikstofdioxide en fijnstof . Het RIVM gebruikt zowel modelberekeningen als metingen om de kaarten te maken. Zo komen de concentraties het best overeen met de werkelijke situatie in het afgelopen jaar. Daarnaast maakt het RIVM kaarten van de verwachte concentraties voor de jaren 2025 en 2030. Dit keer zijn voor het eerst ook indicatieve kaarten gemaakt van de verwachtingen voor 2035 en 2040. Luchtverontreiniging is schadelijk voor de volksgezondheid. De GCNkaarten worden gebruikt om de ontwikkeling van de luchtkwaliteit in Nederland te volgen. Overheden gebruiken de toekomstverwachtingen om beleid te maken voor een betere luchtkwaliteit. De luchtkwaliteit was in 2022 over het algemeen iets slechter dan in 2021. De veranderingen zijn kleiner dan de jaarlijkse schommelingen door de weersomstandigheden, zoals de temperatuur en de droogte. In 2030 zijn de concentraties stikstofdioxiden en fijnstof naar verwachting weer gedaald. Concentraties stikstofdioxide en fijnstof De gemiddelde concentraties stikstofdioxide in de lucht waren in 2022 iets hoger (circa 4 procent) dan in 2021. Naar verwachting zullen de concentraties stikstofdioxide in 2030 ongeveer 26 procent lager zijn dan in 2021. Dat komt onder andere doordat er steeds meer schonere auto’s worden verkocht die minder stikstofoxiden uitstoten. Ook de gemiddelde concentraties fijnstof waren in 2022 iets hoger dan in 2021; de concentratie van de deeltjesgrootte PM10 fijnstof (fijnstof) steeg ten opzichte van 2021 met ongeveer 6 procent en die van PM2,5 fijnstof (fijnstof) ongeveer 3 procent. Verwacht wordt dat de concentraties in 2030 lager zullen zijn dan in 2021: ongeveer 9 procent voor PM10 en 15 procent voor PM2,5. Dat komt vooral omdat er naar verwachting steeds minder gassen worden uitgestoten waar concentraties fijnstof voor een deel uit ontstaan. Denk aan ammoniak, stikstofdioxide en zwaveldioxide. Dit jaar worden de gegevens over de stikstofdepositie ( GDN Grootschalige Depositiekaarten Nederland (Grootschalige Depositiekaarten Nederland) -kaarten) apart gepubliceerd.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Acute inhalation toxicity of quaternary ammonium compounds | RIVM

Dit rapport bevat een addendum d.d. 03-06-2024 op pagina 35 Door schadelijke of ongewenste organismen kan een leefomgeving niet meer veilig en gezond zijn voor mensen, dieren of het milieu. Om deze organismen te bestrijden, gebruiken bedrijven en huishoudens biociden. Voorbeelden zijn biociden met quaternaire ammoniumstoffen. Deze werken tegen bacteriën en worden, vooral door professionals, als ontsmettingsmiddel gebruikt. Biociden worden pas toegestaan als uitgebreid is beoordeeld of ze veilig zijn en goed werken. Dit voorkomt dat ze onbedoelde schadelijke effecten hebben. Eerder bleek bij de toelatingsprocedure van één bepaalde quaternaire ammoniumbiocide dat deze schadelijk kan zijn als mensen haar in een bepaalde hoeveelheid inademen. Er zijn nog andere quaternaire ammoniumstoffen die als biocide worden gebruikt. Daarom heeft het RIVM uitgezocht of de quaternaire ammoniumstoffen die in Nederland als biocide worden gebruikt, schadelijk kunnen zijn als ze worden ingeademd. Hiervoor is een overzicht gemaakt van wat daarvan mogelijke gezondheidseffecten zijn. Daaruit blijkt dat alle toegelaten quaternaire ammoniumstoffen bijtende eigenschappen hebben. Het RIVM adviseert daarom hiervoor te waarschuwen op de verpakking van biocideproducten met stoffen die deze bijtende eigenschappen hebben. Daardoor zijn gebruikers op de hoogte van het mogelijke schadelijke effect na inademen en zullen ze veilig met deze producten omgaan. De waarschuwing is niet altijd nodig, bijvoorbeeld bij producten waarin de concentraties van deze stoffen sterk zijn verdund. De voorgestelde formulering is ‘bijtend voor de luchtwegen’. Deze waarschuwing is volgens Europese regels verplicht voor bijtende stoffen die kunnen worden ingeademd en die vanwege deze eigenschap niet op dieren mogen worden getest. Dit overzicht is gemaakt op verzoek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ( SZW Sociale zaken en werkgelegenheid (Sociale zaken en werkgelegenheid) ). De meeste quaternaire ammoniumstoffen hebben nu geen waarschuwingszin. Het is niet bekend hoe vaak biociden met deze stoffen worden gebruikt.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Vaccinatiegraad en jaarverslag Rijksvaccinatieprogramma Nederland 2022 | RIVM

In Nederland krijgen kinderen vaccinaties tegen twaalf besmettelijke ziekten die ernstig kunnen verlopen. Het RIVM beschrijft elk jaar het percentage kinderen dat is gevaccineerd (vaccinatiegraad). Ook beschrijft het RIVM de ontwikkelingen binnen het Rijksvaccinatieprogramma ( RVP Rijksvaccinatie programma (Rijksvaccinatie programma) ). Vaccinatiegraad De vaccinatiegraad is lager dan vorig jaar. Het RIVM maakt zich zorgen om deze daling. Een hoge vaccinatiegraad is belangrijk om mensen tegen ernstige ziekten te kunnen blijven beschermen en om uitbraken van deze ziekten te voorkomen. Het RIVM vindt het daarom belangrijk dat alle betrokken partijen uitzoeken welke maatregelen mogelijk zijn om de vaccinatiegraad zo hoog mogelijk te krijgen. Het RIVM weet niet precies hoeveel lager de vaccinatiegraad is. Dat komt doordat het sinds 1 januari 2022 de gegevens van een deel van de vaccinaties anoniem ontvangt. Dat gebeurt als mensen geen toestemming geven om hun gegevens met het RIVM te delen. Anonieme vaccinaties kunnen niet worden meegeteld voor de vaccinatiegraad, waardoor deze lager wordt gerapporteerd dan hij daadwerkelijk is. Het aantal vaccinaties dat niet kan worden meegeteld, is nu nog vrij klein. Een groot deel van de kinderen heeft namelijk al vóór 2022 de RVP-vaccinaties vaccinaties in het Rijksvaccinatieprogramma (vaccinaties in het Rijksvaccinatieprogramma) gehad. Ontwikkelingen 2022 Door de coronamaatregelen kregen minder mensen een ziekte waartegen het RVP beschermt dan voor de coronapandemie. In 2022 is dat effect nog steeds te zien. Nieuw in het RVP is dat sinds 2022 ook jongens tegen HPV humaan papillomavirus (humaan papillomavirus) worden gevaccineerd en dat de leeftijd voor de HPV-vaccinatie is verlaagd van 13 naar 10 jaar. Verder is er een HPV-inhaalcampagne gestart voor degenen die deze vaccinatie eerder niet kregen aangeboden of hebben gehaald. Op advies van de Gezondheidsraad krijgt iedereen die voor de HPV-vaccinatie in aanmerking komt vanaf september 2022 nog maar 2 in plaats van 3 vaccinaties. In het voorjaar van 2022 bleek dat minder tieners een vaccinatie halen, zoals voor BMR bof, mazelen,rodehond (bof, mazelen,rodehond) en HPV. Een peiling van het RIVM liet zien dat iets meer ouders van jonge kinderen in 2022 negatiever denken over vaccineren dan in 2013; de meesten zijn er nog steeds positief over.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Reference Manual Bevb Risk Assessment. Guidelines for calculating external risk for transporting hazardous substances through pipelines | RIVM

Voor het transport van gevaarlijke stoffen via buisleidingen heeft de Nederlandse overheid normen bepaald. Deze staan in het Besluit externe veiligheid buisleidingen ( Bevb Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen (Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen) ). De normen moeten ervoor zorgen dat de risico’s van ongevallen met gevaarlijke stoffen bij buisleidingen binnen acceptabele grenzen blijven. Het Bevb bevat regels voor het ontwerp en de bedrijfsvoering van de buisleidingen. Ook legt het beperkingen op aan de ruimtelijke ordening in de omgeving van de buisleidingen, zodat de gevolgen van een eventueel ongeval beperkt blijven. Eigenaren van leidingen moeten met risicoberekeningen aantonen dat de risico’s van incidenten met gevaarlijke stoffen binnen de gestelde grenzen blijven. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten overheden met een berekening de toelaatbaarheid van de ontwikkeling verantwoorden. In beide gevallen worden de risico’s berekend met de Handleiding Risicoberekeningen Bevb. De Handleiding Risicoberekeningen Bevb beschrijft de methode om het risico voor de omgeving te berekenen van het vervoer van gevaarlijke stoffen via buisleidingen. De handleiding bevat modules voor verschillende typen gevaarlijke stoffen. In die modules is ook beschreven welk rekenpakket gebruikt moet worden om de risico’s te berekenen. Het rekenvoorschrift voor buisleidingen is in 2020 bijgewerkt met oog op de komst van de nieuwe Omgevingswet. Het nieuwe rekenvoorschrift is beschikbaar op de website van RIVM en bevat de meest recente inzichten.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Reference Manual Bevt Risk Assessment. Guidelines for calculating external risk for transporting hazardous substances by road, rail and water | RIVM

Voor het transport van gevaarlijke stoffen via weg, water en spoor heeft de Nederlandse overheid normen bepaald. Deze staan in het Besluit externe veiligheid transportroutes ( Bevt Besluit externe veiligheid transportroutes (Besluit externe veiligheid transportroutes) ) en de Regeling Basisnet. Het Basisnet geeft de risicoplafonds aan waaraan het transport moet voldoen. Ook legt het beperkingen op aan de ruimtelijke ordening in de omgeving van transportroutes, zodat de gevolgen van een eventueel ongeval beperkt blijven. Adviesbureaus voeren in opdracht van overheden risicoberekeningen uit om te bepalen of het transport binnen de risicoplafonds blijft. Dit gebeurt ook om nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van transportroutes te verantwoorden. Verder worden risicoberekeningen gemaakt om risico’s te bepalen bij nieuwe of gewijzigde transportroutes. De risico’s van het vervoer van gevaarlijke stoffen worden berekend met de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) en het rekenprogramma RBM II Risk Based Maintainance II (Risk Based Maintainance II) . HART beschrijft de methode om het risico voor de omgeving te berekenen van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Het hoofddocument beschrijft kort de wet- en regelgeving over omgevingsveiligheid, voor zover dat van belang is voor het gebruik van de rekenmethode HART, en de benodigde modelparameters en invoergegevens voor risicoberekeningen. In de bijlage staan onder andere vuistregels en worden de modellen beschreven. Het rekenvoorschrift is in 2020 en in 2022 bijgewerkt. Het nieuwe rekenvoorschrift is beschikbaar op de website van RIVM en bevat de meest recente inzichten. Verder zijn HART en RBMII RisicoBerekeningsMethodiek 2 (RisicoBerekeningsMethodiek 2 ) niet geschikt om het risico te berekenen van vaarwegen met meer dan 10 procent zeevaart.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Rekenmethode om de risico’s te berekenen van het vervoer van samengeperste gassen en tot vloeistof gekoelde gassen | RIVM

Sommige stoffen die in de chemische industrie worden gebruikt, zijn brandbaar of giftig. Wanneer deze stoffen van en naar de chemische industrie worden vervoerd, kan dat risico’s hebben voor de omgeving. Nederland heeft daarom beleid gemaakt om de risico’s van dit vervoer te beperken. De risico’s voor de omgeving worden met een rekenmethode ingeschat. Deze methode is gemaakt in de jaren negentig van de vorige eeuw. Toen werden er nog bijna geen samengeperste gassen vervoerd of gassen die tot vloeistof zijn gekoeld. Daarom zijn deze stoffen nog geen onderdeel van de rekenmethode. Door de energietransitie zullen de komende jaren steeds meer samengeperste gassen en tot vloeistof gekoelde gassen worden vervoerd. Denk aan waterstof en vloeibaar aardgas. Het RIVM heeft daarom de rekenmethode uitgebreid zodat ook voor deze stoffen de risico’s kunnen worden berekend. Op deze manier is Nederland goed voorbereid op de toekomst. De aanpassing is relevant voor mensen die werken aan plannen voor de ruimtelijke ordening, zoals nieuwe woonwijken. Met de nieuwe methode kunnen nu de risico’s worden berekend voor het vervoer van alle gevaarlijke gassen en vloeistoffen. Het RIVM adviseert het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat daarom de uitgebreide rekenmethode te gebruiken in het beleid voor veilig vervoer van gevaarlijke stoffen en omgevingsveiligheid. Voor dit onderzoek heeft het RIVM informatie verzameld en geanalyseerd over hoe de stoffen vervoerd worden en welke ongevallen er zijn gebeurd. Op basis daarvan zijn kansen op een groot ongeval en de effecten daarvan bepaald.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Stand van zaken ammoniak van zee. Tussenrapportage april 2023 | RIVM

Het RIVM brengt elk jaar kaarten uit waarop staat aangegeven hoeveel stikstof in Nederland op de bodem neerslaat (depositie). Deze kaarten kunnen gebruikt worden om het stikstofbeleid te monitoren. Bekend is dat de concentratie ammoniak aan de kust volgens berekeningen lager is dan volgens metingen. Dit verschil wordt gecorrigeerd door aan de berekeningen een extra ammoniakbron toe te voegen in de vorm van ammoniak uit de zee. Maar deze toegevoegde hoeveelheid ammoniak blijkt veel groter te zijn dan de hoeveelheid die in theorie uit zee kan verdampen. Het RIVM onderzoekt daarom verder naar de oorzaken van het verschil tussen de berekende en gemeten ammoniakconcentraties aan de kust. Daartoe zijn drie mogelijke oorzaken onderzocht: metingen, modelberekeningen en ontbrekende bronnen. Uit deze tussenrapportage blijkt dat het verschil niet aan de metingen kan liggen. Er zijn een paar kleine invloeden gevonden die de metingen kunnen verstoren, maar deze hebben geen groot effect. Ook zijn er geen grote bronnen over het hoofd gezien die vanuit zee grote hoeveelheden ammoniak uitstoten, zoals de scheepvaart. De bijdrage van de scheepvaart is heel klein en kan het verschil tussen de berekeningen en metingen niet verklaren. Waarschijnlijk is de oorzaak van het verschil dat het rekenmodel niet helemaal rekening kan houden met de complexe weersituatie en de aard van het landschap aan de kust. Dit heeft mogelijk invloed op de hoeveelheid ammoniak die in de kuststrook neerslaat. Hoe groot die invloed precies is, wordt verder onderzocht. Het is nog niet zeker of deze inzichten zo kunnen worden gebruikt om tot een betere modellering te komen en daarmee kan leiden tot aanpassingen in de berekende concentratie- en de depositiekaarten. Elk jaar wordt het AERIUS-model aangepast aan nieuwe inzichten. Eventuele aanpassingen zullen in deze cyclus worden meegenomen zodra duidelijk is hoe dat het beste kan worden gedaan. Tot die tijd wordt het huidige model gebruikt. Over uiterlijk een half jaar wordt een update gegeven van de voortgang van het onderzoek.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Ontwikkeling van herkenbare en aanspreekbare wijkverpleging. Ervaringen van cliënten, mantelzorgers en betrokkenen bij regionale projecten | RIVM

De vraag naar wijkverpleging groeit en zal dat blijven doen. Niet alleen door de vergrijzing, maar ook omdat ouderen steeds langer thuis blijven wonen. De afgelopen jaren is de wijkverpleging sterk versnipperd geraakt en zijn er in een regio vaak veel aanbieders. Het is hierdoor niet altijd duidelijk welke organisaties in welke wijk werken, welke zorg ze leveren en of ze plek hebben voor een nieuwe patiënt. Het kost huisartsen, ziekenhuizen, toekomstige patiënten en naasten daarom veel tijd om de juiste zorg te vinden. Het RIVM heeft onderzocht welke ervaringen patiënten en mantelzorgers hebben met het regelen van wijkverpleging. Een kwart van de mensen dat voor zichzelf of voor een naaste wijkverpleging heeft aangevraagd, had daarmee moeite. Het was voor hen niet duidelijk hoe het aanvragen werkt of waarop zij moeten letten. Ze willen hierbij graag geholpen worden, bijvoorbeeld bij hun huisartspraktijk of gemeente. De helft van de bevraagde mensen vindt het belangrijk dat zij zelf kunnen kiezen van welke organisatie zij zorg krijgen. Bijvoorbeeld om de kwaliteit die ze bieden of omdat ze hetzelfde geloof hebben. Maar in de praktijk blijkt dat de helft van de mensen die dit belangrijk vindt, geen keuze had. Deze groep kwam terecht bij de organisatie die op dat moment plek had. Op verschillende plekken in Nederland kunnen zorgvragen sneller worden opgepakt omdat wijkverpleegkundigen hierbij met elkaar samenwerken. Ook is in sommige regio’s afgesproken dat alle aanvragen voor wijkverpleging bij één centraal aanmeldpunt worden gedaan. Volgens degenen die zorg aanvragen is het op deze manier makkelijker. Om de groeiende zorgvraag en personeelstekorten op te kunnen vangen is er nog meer samenwerking nodig met de huisarts, ziekenhuizen en het sociale domein in gemeenten. Dat vinden betrokkenen bij samenwerkingsverbanden, zoals projectleiders. Zij vinden het belangrijk dat daarbij wordt afgesproken welke zorg de wijkverpleging moet leveren en welke zorg anders kan worden georganiseerd. Ten slotte vinden managers van zorgorganisaties dat zorgverzekeraars lokale en regionale samenwerking actiever kunnen stimuleren.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Sexually transmitted infections in the Netherlands in 2022 | RIVM

In 2022 hebben meer mensen zich bij een Centrum voor Seksuele Gezondheid ( CSG Centrum Seksuele Gezondheid (Centrum Seksuele Gezondheid) ) laten testen op seksueel overdraagbare aandoeningen ( soa seksueel overdraagbare aandoening (seksueel overdraagbare aandoening ) ) dan in 2021. Het percentage dat een soa had (21 procent) was hoger dan in 2021. Mensen die via een partner een melding ontvingen voor een soa of zelf klachten hadden, hadden het vaakst een soa. Bij CSG’s kunnen mensen met een grotere kans op soa, zich gratis laten testen. Sinds augustus 2019 bieden deze centra ook zorg aan mannen die seks hebben met mannen ( MSM mannen die seks hebben met mannen (mannen die seks hebben met mannen) ) die een geneesmiddel krijgen dat hiv humaan immunodeficientievirus (humaan immunodeficientievirus) voorkomt (Pre-Expositie Profylaxe, PrEP pre-expositie profylaxisis (pre-expositie profylaxisis) ). Deze groep wordt elke drie maanden getest op soa (MSM-PrEP pilot). In dit overzicht staat per soa aangegeven hoeveel testen en diagnoses er bij de CSG’s zijn geregistreerd. In 2022 waren er in totaal 164.715 consulten. Chlamydia In 2022 waren er 24.684 chlamydia-diagnoses, een stijging van 21 procent in vergelijking met 2021 (20.465). Het percentage vrouwen met chlamydia was in 2022 hoger dan in 2021: het steeg van 16,2 naar 17,9 procent. De percentages heteroseksuele mannen en MSM met chlamydia zijn licht gedaald naar respectievelijk 21,2 en 10,9 procent. Onder MSM-PrEP pilot is dit percentage gedaald van 10 procent in 2021 naar 9,4 procent in 2022. Gonorroe Het aantal diagnoses gonorroe (10.600) was hoger dan in 2021 (7.964), een stijging van 33 procent. De percentages vrouwen en heteroseksuele mannen met gonorroe zijn in 2022, na een lichte daling in 2021, sterk toegenomen naar respectievelijk 2,3 en 2,4 procent. Dit is het hoogste percentage onder vrouwen sinds 2013; de toename was vooral in de tweede helft van 2022 te zien. Het percentage onder MSM steeg van 12,4 procent in 2021 naar 12,8 procent in 2022. Onder MSM-PrEP pilot steeg het percentage van 9,2 procent in 2021 naar 9,8 procent in 2022. Er is geen antibioticaresistentie tegen het huidige ‘eerste keus’ antibioticum voor gonorroe (ceftriaxon) gemeld. Syfilis In 2022 was het aantal syfilis-diagnoses (1.574) hoger dan in 2021 (1.398). Het percentage MSM met syfilis was 2,3 procent in 2022, een lichte daling in vergelijking met 2021 (2,6 procent). Onder MSM-PrEP pilot was dit percentage stabiel op 1,7 procent in 2022. Het aantal diagnoses onder vrouwen en heteroseksuele mannen bleef in 2022 laag, voor beide groepen was dit 34. Hiv In 2022 kregen 144 personen een hiv-diagnose, iets meer dan in 2021 (138). Hiervan waren 103 diagnoses bij MSM en 10 diagnoses bij deelnemers aan de PrEP pilot. Het aantal diagnoses bij vrouwen was 11 en bij heteroseksuele mannen 8. Het aantal mensen met hiv dat in 2022 voor het eerst naar een hiv-behandelcentra kwam (‘in zorg’) was 997. Dat was 26 procent meer dan in 2021 (794). PrEP n de nationale PrEP pilot hebben 12.195 personen (97 procent MSM) een eerste PrEP-consult gehad, van wie 2.413 in 2022. Op 31 december 2022 had het PrEP pilot-programma naar schatting 8.558 deelnemers. Het percentage deelnemers met een soa was in 2022 18,1 procent. Mpox In mei 2022 zijn in Nederland de eerste gevallen van mpox (eerder bekend als apenpokken) gemeld. In totaal zijn dat jaar bij het RIVM 1.259 mpox-infecties gemeld, waarvan 92 procent onder MSM.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Corrigendum: Characterization of the degree of food processing in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition: application of the Nova classification and validation using selected biomarkers of food processing | RIVM

Corrigendum: Characterization of the degree of food processing in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition: application of the Nova classification and validation using selected biomarkers of food processing | RIVM
Jaar: 2023 Onderzoek

EURL-Salmonella Proficiency Test Typing 2021 | RIVM

Sinds 1992 zijn de Nationale Referentie Laboratoria (NRL’s) van de lidstaten van de Europese Unie verplicht om elk jaar hun kwaliteit te laten toetsen met zogeheten ringonderzoeken. Een van de ringonderzoeken is de typering van Salmonella-bacteriën. In 2021 scoorden alle NRL’s van de 27 EU Europese Unie (Europese Unie) -lidstaten goed bij deze kwaliteitscontrole op typering van Salmonella. Eén laboratorium had hiervoor een herkansing nodig. Als groep konden de deelnemende laboratoria aan 98 procent van de geteste stammen de juiste naam geven. De laboratoria zijn verplicht om Salmonella met een standaardmethode te typeren (serotypering). Daarnaast mochten zij in 2021 zelf aangeven of ze extra typeringen op DNA- Desoxy nucleinezuur (Desoxy nucleinezuur) niveau wilden doen, bijvoorbeeld met Whole Genome Sequencing ( WGS whole genome sequencing (whole genome sequencing) ). Deze preciezere typering kan soms nodig zijn om de bron van een besmetting op te sporen. Voor de kwaliteitstoetsen wijst elke lidstaat een laboratorium aan, het Nationale Referentie Laboratorium (NRL). Dit NRL is namens dat land verantwoordelijk om Salmonella in monsters van levensmiddelen of dieren aan te tonen en te typeren. Om te controleren of de laboratoria hun werk goed doen, moeten zij onder andere twintig Salmonella-stammen de juiste naam kunnen geven. Soms doen er ook NRL’s van landen buiten de EU vrijwillig aan mee. In 2021 waren dat er acht: het Verenigd Koninkrijk, de EU (potentiële) kandidaat-lidstaten Kosovo, Noord-Macedonië, Servië, en Turkije en de European Free Trade Association (EFTA) landen IJsland, Noorwegen en Zwitserland. Het Europese Unie Referentie Laboratorium voor Salmonella (EURL-Salmonella) organiseert het jaarlijkse ringonderzoek Salmonella-typering. Dit laboratorium is gevestigd bij het RIVM in Nederland.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Bepalen drempelwaarde piekbelastersaanpak | RIVM

Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ( LNV Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) ) neemt gerichte maatregelen om ervoor te zorgen dat er minder stikstof neerslaat (depositie) op overbelaste beschermde natuurgebieden. Als onderdeel van de maatregelen wil het kabinet 3000 zogeheten piekbelasters een aanbod doen om vrijwillig te stoppen, innoveren, extensiveren, omschakelen of verplaatsen. Deze bedrijven dragen door hun ligging en stikstofuitstoot relatief veel bij aan de hoge depositie in deze natuurgebieden. Veetelers van een aantal diercategorieën die als de piekbelaster worden aangemerkt, kunnen via de piekbelasters-regeling (LBV-plus) 120 procent het waardeverlies van hun bedrijf krijgen. Het ministerie van LNV zocht naar een maat om te bepalen welke bedrijven onder de piekbelasters aanpak vallen zoals die in februari 2023 door het kabinet is voorgesteld. Het ministerie heeft daarvoor het RIVM gevraagd de stikstofdepositie van alle veetelers en industriële bedrijven in Nederland van hoog naar laag te sorteren. De depositie van het 3001ste bedrijf bepaalt de maat. Het RIVM stelt op basis hiervan een 'drempelwaarde' voor van 2500 mol stikstofdepositie per jaar. Elk bedrijf die voor een hogere depositievracht zorgt, wordt als piekbelaster aangemerkt. Het RIVM heeft de drempelwaarde bepaald op basis van de stikstofmonitoring die het elk jaar uitvoert. Hiervoor wordt de totale depositie in de natuur berekend, en ook de stikstofdepositie van elk bedrijf in Nederland (de vracht). Het RIVM heeft de officiële depositiegegevens gebruikt van de laatste twee jaar die beschikbaar zijn (2019 en 2020). Deze data zijn geschikt om een drempelwaarde voor te kunnen stellen, maar zijn niet actueel genoeg om individuele bedrijven aan te wijzen als piekbelaster. Dat kan alleen op basis van de huidige situatie. Deze actuele gegevens zijn belangrijk, omdat elk jaar een percentage van de bedrijven stopt, fuseert, of verschoont. Wel maakt de rangorde duidelijk dat, naast een klein aantal industriële bedrijven, vooral veetelers zorgen voor een hoge depositie: houders van melkvee en vleeskalveren. Daarna volgen varkens- en pluimveehouders.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Risicobeoordeling van kortdurende blootstelling aan hoge concentraties kwik via het gebruik van aardgas tijdens koken en gebruik van een waterboiler | RIVM

Aardgas kan van nature kwik bevatten. Mensen staan aan kwik bloot als ze op gas koken of, wat niet zo vaak meer voorkomt, in de keuken een waterboiler gebruiken. Dit zijn in de praktijk kortdurende ‘pieken’. Het RIVM is gevraagd om te beoordelen of de blootstelling aan kwik veilig is tijdens dagelijkse piekmomenten die de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) heeft berekend. Daaruit blijkt dat deze blootstelling niet schadelijk is voor de gezondheid. Daarvoor zijn de concentraties kwik in aardgas (veel) te laag. De NAM berekende de blootstelling in 2014. Vanwege onrust onder consumenten is het RIVM gevraagd om de kwaliteit van de NAM-berekeningen te toetsen en te beoordelen of de piekblootstelling aan kwik risico’s heeft. De NAM ging ervan uit dat mensen elke dag op drie piekmomenten blootstaan aan kwik, tijdens het koken op gas of het gebruik van de waterboiler in de keuken. Het RIVM concludeert dat de piekblootstelling aan kwik goed is berekend en voor zijn risicobeoordeling kan worden gebruikt. Voor de risicobeoordeling heeft het RIVM de wetenschappelijke literatuur over de schadelijke effecten van kwik op de gezondheid bekeken. De belangrijkste effecten die een te hoge piekblootstelling aan kwik kan veroorzaken, zijn neurologisch van aard, waaronder effecten op de hersenen, trillende lichaamsdelen, motorische effecten en effecten op gedrag(sontwikkeling). Deze effecten worden dus niet verwacht bij de onderzochte piekblootstellingen van kwik in aardgas. Dit onderzoek is gedaan in opdracht van het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM).
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Surveillance van enterale infecties en zoönosen. Jaarrapportage 2022 | RIVM

Enterale infecties worden veroorzaakt door verschillende bacteriële, parasitaire en virale ziekteverwekkers. Meestal krijgen mensen daarvan maag-darmklachten, zoals overgeven, buikpijn en/of (bloederige) diarree. In sommige gevallen kunnen ernstige klachten ontstaan, zoals hepatitis, bloedvergiftiging of hersenvliesontsteking. Mensen raken meestal besmet via voedsel of water dat in contact is gekomen met ontlasting van mensen of dieren. Bij een overdacht via dieren spreken we van zoönosen. Goede hygiëne in toiletten en keukens en bij de bereiding van vlees is heel belangrijk om een besmetting te voorkomen. Het RIVM monitort hoe vaak dit soort infecties in Nederland voorkomen. Ook brengt het RIVM uitbraken in kaart, waarna het de bronnen opspoort. Het doet dat samen met partners als de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit ( NVWA Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit) ) en Wageningen Food Safety Research ( WFSR Wageningen Food Safety Research (Wageningen Food Safety Research ) ). In het algemeen was het aantal enterale infecties in 2022 hoger dan tijdens de COVID19 jaren 2020 en 2021. Het aantal mensen dat ziek werd van Campylobacter en Salmonella was nog wel lager dan vóór de pandemie. Het aantal infecties met Shiga toxine-producerende E. coli Escherichia coli (Escherichia coli) ( STEC Shigatoxineproducerende E. coli-stammen (Shigatoxineproducerende E. coli-stammen) ) was in 2022 het hoogst sinds 2016. De oorzaak is niet duidelijk. Het aantal mensen dat ziek werd door de Listeria-bacterie was net iets hoger dan in de jaren voor de COVID19 pandemie. Dit was een van de weinige ziekteverwekkers die tijdens de pandemie niet minder vaak voorkwam dan daarvoor. Dit komt waarschijnlijk doordat besmettingen bijna altijd via (rauw) voedsel verlopen. Het rotavirus- en norovirusseizoen 2021/2022 begon, net als in 2020/2021, eerder in het jaar (oktober) dan in de gebruikelijke wintermaanden. Dit komt waarschijnlijk doordat meer mensen vatbaarder zijn geworden voor deze virussen. In de COVID19 jaren kwamen deze virussen namelijk bijna niet voor en bouwden mensen er geen afweer tegen op. Het totaal aantal mensen met het rotavirus in 2022 was veel hoger dan in 2016-2019. In 2022 werden in totaal evenveel mensen ziek van het norovirus als voor de pandemie. De opvallendste uitbraak in 2022 was dat 72 mensen met buiktyfus (Salmonella Typhi) kregen op een schip in Nederland waar asielzoekers werden opgevangen. Vrij zeker zijn ze via de drinkwatervoorziening van het schip besmet. Deze was verouderd en lag vlak bij de rioolleidingen.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

De succesfactoren van het project Boeren en Buren. Samen luchtkwaliteit meten in landelijk gebied | RIVM

In ‘Boeren en Buren’ hebben 4 boeren en 26 omwonenden uit Venray een jaar lang (2019-2020) samen luchtkwaliteit gemeten. Het RIVM heeft dit project begeleid en leverde deskundigheid op het gebied van meten en luchtkwaliteit. In dit document schetsen we kort de resultaten van het project en noemen we de belangrijkste succesfactoren. Met deze geleerde lessen krijgen initiatiefnemers, projectleiders, procesbegeleiders en medewerkers van overheden handvatten om met tegengestelde belangen om te gaan.
Jaar: 2023 Onderzoek

Rapportage 2022. Nationale Adviesgroep Cabinelucht | RIVM

Piloten en cabinepersoneel in vliegtuigen kunnen gezondheidsklachten hebben, zoals duizeligheid, misselijkheid, desoriëntatie en trillende ledematen. De vraag is of dat komt omdat zij via de cabinelucht blootgesteld worden aan chemische stoffen. De afgelopen jaren zijn hier verschillende onderzoeken naar gedaan. De oorzaak van de klachten is nog niet duidelijk. In 2015 heeft het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) ) de Nationale Adviesgroep Cabinelucht (NAC) opgericht. Aanleiding waren de internationale discussies over de oorzaak van de klachten. De adviesgroep adviseert de minister van IenW over het onderwerp. Ook informeert de NAC alle betrokken partijen over internationale onderzoeken naar de kwaliteit van cabinelucht in vliegtuigen. De NAC rapporteert elk jaar de voortgang en resultaten van bijeenkomsten en onderzoeken. Zo is in november 2022 een Europees technisch rapport over luchtkwaliteit in de cabine van burgervliegtuigen uitgekomen. Ook is een Europees onderzoek begonnen naar de mogelijke schadelijke effecten van met motorolie vervuilde cabinelucht tijdens een zogenoemd fume event. Op zulke momenten komen gassen, dampen en/of rook vrij. Het is niet duidelijk hoe vaak dat voorkomt omdat deze gassen niet altijd te zien zijn. Sinds 2022 maakt de NAC ook adviesnotities voor de minister. In een daarvan worden concrete adviezen gegeven om cabine-, cockpit- en technisch personeel te trainen om vreemde geuren te kunnen herkennen en waar ze dat kunnen melden. Een andere adviesnotitie beschrijft hoe onderhoudspersoneel deze geuren kan opmerken tijdens het algehele onderhoud van vliegtuigen, dus ook buiten de cockpit. Geadviseerd wordt om verder te onderzoeken of sensoren en meetinstrumenten kunnen worden gebruikt om vreemde geuren op te sporen. Beide notities worden naar verwachting in 2023 aan de minister aangeboden. In de NAC zitten vertegenwoordigers van werkgevers: KLM Koninklijke Luchtvaart Maatschappij (Koninklijke Luchtvaart Maatschappij) en Corendon, werknemersvertegenwoordigers: VNV, NVLT, VNC en FNV Dutch Organisation of Trade Unions (Dutch Organisation of Trade Unions) Cabine en onderzoeksinstituten: het RIVM, TNO en NLR Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium (Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium) . Vertegenwoordigers vanuit de ministeries van IenW en Sociale Zaken en Werkgelegenheid ( SZW Sociale zaken en werkgelegenheid (Sociale zaken en werkgelegenheid) ) zijn waarnemend lid. Het RIVM voert sinds 2020 het secretariaat.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

An overview of the available data on the mutagenicity and carcinogenicity of styrene | RIVM

De stof styreen wordt gebruikt om polystyreen te maken. Polystyreen wordt bijvoorbeeld gebruikt als verpakkingsmateriaal (piepschuim). Daarnaast worden een aantal soorten rubbers en plastics op basis van styreen gemaakt. Het RIVM heeft in de wetenschappelijke literatuur onderzocht wat er bekend is over twee schadelijke eigenschappen van de stof. De vraag is of styreen kankerverwekkend is en erfelijke veranderingen kan veroorzaken door schade aan het DNA deoxyribonucleic acid (deoxyribonucleic acid) (mutageen). Het RIVM deed dat in opdracht van de Gezondheidsraad. De Gezondheidsraad gaat een voorstel doen om de stof in een bepaalde ‘gevarenklasse’ in te delen. Als voorbereiding daarop gebruikt de Gezondheidsraad het overzicht van het RIVM om te beoordelen of styreen een mutagene of kankerverwekkende stof is. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ( SZW Sociale zaken en werkgelegenheid (Sociale zaken en werkgelegenheid) ) heeft om dit advies gevraagd. Het RIVM heeft de bevindingen van in totaal 73 studies in proefdieren en mensen samengevat.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Voedselverkooppunten in beeld. Een inventarisatie van mogelijke indicatoren en databronnen | RIVM

De voedselomgeving bepaalt voor een groot deel wat mensen kopen, en dus of mensen gezond of ongezond eten. De voedselomgeving is alles wat kan bepalen wat we eten: van aanbod, prijzen, aanbiedingen, informatie en verkooppunten, tot sociale normen, culturele eetgewoonten en wettelijke afspraken. Ongezonde voeding vergroot de kans op overgewicht en chronische ziekten als hart- en vaatziekten en diabetes type 2. De Nederlandse overheid werkt daarom aan een voedselomgeving die mensen helpt om gezondere keuzes te maken. Om beleid te kunnen maken, is inzicht nodig in de verschillende onderdelen van de voedselomgeving. Het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) wil daarom onder andere inventariseren hoe de verkooppunten van voedsel in kaart kunnen worden gebracht. Hieronder vallen alle verkooppunten van alle soorten voedsel, dus van groenteboer en supermarkt tot restaurant en snackbar. Het RIVM geeft voorbeelden hoe de verkooppunten in kaart kunnen worden gebracht (indicatoren) en welke informatie (databronnen) hierover in Nederland beschikbaar is. De twee belangrijkste indicatoren zijn: de ‘dichtheid’ en ‘nabijheid’ van verkooppunten. Met dichtheid bedoelen we hoeveel verkooppunten er in een bepaald gebied zijn, bijvoorbeeld hoeveel verkooppunten in een wijk. Bij nabijheid gaat het erom hoe ver een verkooppunt ligt van bijvoorbeeld een school of woonwijk. Om te kunnen bepalen welke indicatoren en databronnen te gebruiken zijn, moet eerst het doel van de monitor van de hele voedselomgeving duidelijk worden. Zo moet worden bepaald of de monitor nodig is om beleid over de voedselomgeving op landelijk niveau te ontwikkelen. Of juist om beleid over specifieke vraagstukken voor een gemeente te evalueren. Ook kan de mate waarin het voedselaanbod gezond en duurzaam is onderdeel van de monitor zijn. Het monitoren van de verkooppunten kan onderdeel zijn van een brede monitor van de voedselomgeving.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Evaluatie stimuleringsregeling Gezonde Relaties & Seksualiteit. Ronde 3 & 4, schooljaar 2021-2022 | RIVM

Het is belangrijk om al bij jonge kinderen aandacht te hebben voor relaties en seksualiteit, zowel thuis als op school. Hierdoor krijgen zij op tijd informatie over onderwerpen als gezonde relaties, fijn en veilig vrijen en grensoverschrijdend gedrag. Ook durven zij dan makkelijker vragen te stellen over seksuele en genderdiversiteit, sexting, wensen en grenzen. Dit draagt bij aan een positieve en gezonde seksuele ontwikkeling. Het thema ‘Relaties en seksualiteit’ wordt aangeboden vanuit het programma Gezonde School. Sinds 2019 bestaat er voor dit onderwerp een speciale stimuleringsregeling voor zowel het basis-, voortgezet- en speciaal onderwijs als het middelbaar beroepsonderwijs. Met de regeling krijgt de school geld om lespakketten te kopen die zijn afgestemd op de leeftijd en bijvoorbeeld een gastdocent in te huren. Ook krijgt de school advies van een expert zodat de school een veilige omgeving wordt waar iedereen zichzelf mag zijn en seksueel grensoverschrijdend gedrag wordt beperkt. Ook wordt leraren geleerd signalen van bijvoorbeeld seksueel grensoverschrijdend gedrag beter te herkennen. Door de stimuleringsregeling is het aantal aanvragen voor werken aan het thema Relaties en Seksualiteit bij alle onderwijsniveaus sterk gestegen: van 21 aanvragen in 2017 zonder de regeling, naar 820 in 2021. Het geld en het advies maken het voor scholen mogelijk om aandacht te besteden aan het thema ‘Relaties en seksualiteit’. In het schooljaar 2021-2022 hebben 567 scholen de stimuleringsregeling gekregen. Ze hebben vooral behoefte aan lespakketten, gastlessen en scholing voor docenten. De meeste scholen zijn tevreden over de regeling. Ruim een derde van de scholen geeft aan dat de sfeer op school is verbeterd. Iets meer dan een kwart van de scholen heeft het thema ‘Relaties en seksualiteit’ vastgelegd in het schoolbeleid. De helft van de scholen heeft hiermee een begin gemaakt. Een derde van de scholen is beter in staat om seksueel grensoverschrijdend gedrag te signaleren. En 40 procent van de scholen is bezig om dat beter te doen. Een grote meerderheid van de scholen (80 procent) heeft dankzij de stimuleringsregeling lespakketten kunnen kopen en inzetten.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Risico’s van Vibrio-besmetting in zwemwater, schelpdierproductiewater en schelpdieren | RIVM

Vibrio-bacteriën komen van nature in zout en brak oppervlaktewater voor. Er zijn veel Vibrio-soorten, die verschillende gezondheidsklachten kunnen veroorzaken. Mensen kunnen infecties met Vibrio oplopen door te zwemmen in besmet oppervlaktewater. Ze krijgen dan vooral oor- en wondinfecties door Vibrio alginolyticus. Mensen kunnen ook infecties oplopen door schelpdieren te eten, zoals oesters. Als daar Vibrio parahaemolyticus in zitten, krijgen ze vooral maagdarmklachten. Uit eerder onderzoek van het RIVM in 2009–2012 bleek dat er verschillende Vibrio-soorten zaten in Nederlands zwemwater en in Nederland gekweekte schelpdieren. Bekend is dat het aantal Vibrio-bacteriën in water toeneemt bij hogere watertemperaturen (18 tot 25 graden Celsius). Hierdoor komen er naar verwachting in de toekomst door klimaatverandering meer Vibrio-bacteriën in het oppervlaktewater. Om te onderzoeken of dat gaat gebeuren, heeft het RIVM het eerdere onderzoek in 2019–2021 herhaald. Daaruit bleek dat het aantal Vibrio-bacteriën nu nog niet is gestegen. De watertemperatuur verschilde tussen 2009 en 2021 wat per jaar, maar werd per saldo niet steeds hoger. Op alle zwemlocaties zijn dezelfde Vibrio-soorten gevonden als in het eerdere onderzoek. Dat was ook zo op de meeste schelpdierkweeklocaties en in de meeste opgeviste schelpdieren. Net als in het vorige onderzoek kwam Vibrio alginolyticus het meest voor, gevolgd door Vibrio parahaemolyticus. De aantallen bacteriën waren ook ongeveer hetzelfde. Voor de toekomst (2030 en 2050) zijn de aantallen Vibrio-bacteriën berekend voor verschillende klimaatscenario’s. Als het water warmer wordt, zullen de aantallen in zwemwater en schelpdieren toenemen. Omdat de bacteriën van nature in zout en brak water zitten, is deze stijging niet te voorkomen. Het is daarom belangrijk dat zwemwaterbeheerders mensen zo nodig informeren over de risico’s bij zwemmen in zeewater. Ook moeten mensen zich bewust zijn van de risico’s die ze lopen bij het eten van rauwe oesters. Nu en in de toekomst. In de twee onderzoeken zijn zwemlocaties in de Noordzee, Waddenzee en Oosterschelde en schelpdierkweeklocaties in de Noordzee, Waddenzee, Oosterschelde en het Veerse Meer onderzocht. Verder zijn schelpdieren (oesters, mosselen) van deze kweeklocaties onderzocht.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Evaluatie ondersteuningsaanbod programma Gezonde School. Ronde 2021, schooljaar 2021-2022 | RIVM

Gezonde School helpt om een gezonde leefstijl op scholen in Nederland vanzelfsprekend te maken. De scholen kiezen zelf aan welk thema zij willen werken. Elk jaar kunnen zij daarvoor ook financiële en praktische begeleiding aanvragen. Dat kan voor de thema’s ‘Bewegen en sport’, ‘Voeding’, ‘Welbevinden’ en ‘Roken, alcohol- en drugspreventie’. Voor het basisonderwijs zijn ook de thema’s ‘Milieu en natuur’ en ‘Fysieke veiligheid’ beschikbaar. Gezonde School is er voor alle scholen in Nederland in het basis, speciaal en voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs. Elk jaar kunnen 550 scholen deelnemen aan het ondersteuningsaanbod. Een school krijgt dan 10 uur advies en begeleiding van een Gezonde School-adviseur van de GGD Gemeentelijke Gezondheidsdienst (Gemeentelijke Gezondheidsdienst) . Daarnaast wordt de school geleerd om te werken aan een gezonde leefstijl op school en in de lessen. Ook is er aandacht voor gezondheid in het schoolbeleid en omgeving van de school. Scholen krijgen hiervoor 3.000,- euro. Het RIVM evalueert elk jaar het ondersteuningsaanbod. Scholen blijken behoefte te hebben aan de financiële en praktische ondersteuning. Ze kunnen daarmee aandacht geven aan de thema’s die zij naast het reguliere onderwijs belangrijk vinden. In het schooljaar 2021-2022 voldeden 517 scholen aan de voorwaarden. Van hen was driekwart een basisschool. De deelnemende scholen kozen het meest voor de thema’s ‘Voeding’, ‘Bewegen en sport’ en ‘Welbevinden’. In het voortgezet onderwijs is vaker gekozen voor het thema ‘Roken, alcohol- en drugspreventie’ in plaats van ‘Bewegen en sport’; in het middelbaar beroepsonderwijs was meer behoefte aan het thema ‘Welbevinden’. Ruim driekwart van de scholen heeft van het budget Gezonde School-activiteiten gekocht, zoals lespakketten. Ruim de helft van de scholen gebruikte het voor de personeelskosten van degene die de Gezonde School-activiteiten coördineert. Meer dan 70 procent van de scholen heeft aandacht voor het gekozen thema vastgelegd in het beleid van de school. 89 procent van de deelnemende scholen was tevreden of zeer tevreden over het advies en de ondersteuning van de Gezonde School-adviseur van de GGD.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Reply to Kaminski, N.E.; Cohen, S.M. Comment on "Bischoff et al. The Effects of the Food Additive Titanium Dioxide (E171) on Tumor Formation and Gene Expression in the Colon of a Transgenic Mouse Model for Colorectal Cancer. Nanomaterials 2022, 12, 1256" | RIVM

Reply to Kaminski, N.E.; Cohen, S.M. Comment on "Bischoff et al. The Effects of the Food Additive Titanium Dioxide (E171) on Tumor Formation and Gene Expression in the Colon of a Transgenic Mouse Model for Colorectal Cancer. Nanomaterials 2022, 12, 1256" | RIVM
Jaar: 2023 Onderzoek

Veiliger vervoer van gevaarlijke stoffen door te leren van incidenten. Onderzoek naar ervaringen van veiligheidsadviseurs met het leren van (bijna-)incidenten met vervoer van gevaarlijke stoffen | RIVM

Er kunnen ongelukken of bijna-ongelukken gebeuren als gevaarlijke stoffen worden vervoerd over het spoor, wegen of binnenwater. Dit kan gevolgen hebben voor het milieu, het bedrijf dat erbij betrokken is, medewerkers en mensen in de omgeving. Het is daarom belangrijk om deze ongelukken zo veel mogelijk te voorkomen. Dat kan door beter te leren van ongelukken en bijna-ongelukken met dit type vervoer. Er bestaat hiervoor een leerprocesmodel van melden, onderzoeken, acties benoemen, communiceren en evalueren. Het RIVM heeft met veiligheidsadviseurs in kaart gebracht hoe bedrijven hiermee omgaan. Het blijkt dat veel bedrijven wel bezig zijn met leren van ongelukken en bijna-ongelukken, maar niet altijd het hele leerproces doorlopen. Om effectief van (bijna-)ongelukken te kunnen leren, is het belangrijk dat wel helemaal te doen. Ook kunnen veel bedrijven meer leren van bijna-ongelukken. Verder is het belangrijk dat veiligheidsadviseurs leren van elkaars ervaringen door knelpunten en oplossingen met elkaar te delen. Een voorbeeld van een knelpunt is dat bedrijven een bijna-ongeluk niet altijd melden, omdat ze dat niet nuttig vinden. Een ander knelpunt is dat bedrijven niet evalueren of acties effectief zijn, omdat ze dat moeilijk kunnen beoordelen. Veel knelpunten kunnen worden opgelost door te horen hoe andere veiligheidsadviseurs ermee omgaan. Dat geldt niet voor alle knelpunten. Daarom noemen veiligheidsadviseurs ook een aantal verbeterpunten. Voorbeelden zijn meer aandacht voor leren van incidenten tijdens de opleiding tot veiligheidsadviseur. En stimuleren dat bedrijven die bij het vervoer samenwerken, vaker met elkaar het gesprek aangaan over veiligheid. De Vereniging van Veiligheidsadviseurs (VVA), brancheverenigingen en de overheid kunnen het gesprek over knelpunten en oplossingen faciliteren. Deze partijen zouden ook met elkaar in gesprek moeten gaan over de taken van veiligheidsadviseur bij het leren van incidenten. In de praktijk vullen veiligheidsadviseurs hun taak bij het leren van ongelukken anders in. Dat heeft bijvoorbeeld te maken met de grootte van het bedrijf en de tijd die ervoor is. Dit onderzoek is in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) ) uitgevoerd.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Voorstel voor het meten en modelleren van ultrafijnstof in Nederland | RIVM

In 2021 concludeerde de Gezondheidsraad dat er nog weinig bekend is over de risico’s voor de gezondheid van de kleinste deeltjes fijnstof (ultrafijnstof, UFP ultrafine particles (ultrafijne deeltjes) (ultrafine particles (ultrafijne deeltjes)) ) in de buitenlucht. De raad adviseerde ultrafijnstof structureel te gaan meten en modelleren. Daarmee kan worden bepaald hoeveel ultrafijnstof de Nederlandse bevolking via de lucht inademt. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) ) heeft het RIVM gevraagd of het mogelijk is om metingen van ultrafijnstof in het landelijk meetnet voor luchtkwaliteit op te nemen. Het RIVM denkt dat het kan en gaat meetstations inrichten om er ervaring mee op te doen. Het is nog wel te vroeg om een groot meetnet met veel meetpunten op te zetten. Dat komt omdat er nog veel kennis over UFP ontbreekt. Ultrafijnstof is een mengsel van extreem kleine deeltjes (kleiner dan 0,1 micrometer) die verschillen in grootte, van verschillende bronnen komen en verschillende stoffen bevat. Daardoor kan de concentratie niet zoals fijnstof worden gemeten, maar moeten de deeltjes worden geteld. Het RIVM stelt voor om op (minimaal) zeven vaste stations de aantallen ultrafijne deeltjes te meten en op enkele stations ook de grootte van de deeltjes. Kennis over de grootte van de deeltjes is nodig om meer inzicht in gezondheidseffecten te krijgen. Daar is nog weinig over bekend. Om een beeld van de blootstelling aan UFP in heel Nederland te krijgen, wordt deze naast de metingen berekend met rekenmodellen. Het is namelijk te duur om veel meetpunten te plaatsen. Met genoeg meetgegevens is het mogelijk om in Nederland verschillen in de concentraties te berekenen en op kaarten aan te geven. Voor dit onderzoek heeft het RIVM gesproken met experts in België en Groot-Brittannië en deskundigen van de regionale meetnetten over instrumenten en toekomstige plannen. Daarnaast is gezondheidsdeskundigen in Nederland gevraagd wat hun wensen zijn over het meten en modelleren van UFP. Op verzoek van het RIVM heeft TNO beschreven wat nodig is om kenmerken van de uitstoot op te nemen in de Emissieregistratie.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Afbraak van polyacrylamide en mogelijke vorming acrylamide in diepe plassen. Een literatuurverkenning | RIVM

Zogeheten flocculanten worden steeds vaker gebruikt om zwevend stof en water sneller en beter van elkaar te scheiden. De flocculanten worden gebruikt om bagger, afvalwater of waswater uit (industriele) productieprocessen te verwerken. Bij dit proces ontstaan producten zoals slib- en filterkoek. Daarin kunnen nog restanten van de flocculanten zitten. De producten worden onder andere gebruikt om de bodem van diepe plassen op te hogen. Dat is nodig om het ecosysteem in de plas te herstellen nadat daar zand of grind uit is gewonnen. Een van de gebruikte flocculanten is polyacrylamide. Als deze stof afbreekt, kan het giftige acrylamide ontstaan. Dit is een Zeer Zorgwekkende Stof ( ZZS Zeer Zorgwekkende Stoffen (Zeer Zorgwekkende Stoffen ) ). Deze stoffen zijn gevaarlijk voor mens en milieu. De Nederlandse overheid wil daarom zo veel mogelijk voorkomen dat deze stoffen in het milieu terechtkomen. Het RIVM heeft nu in de wetenschappelijke literatuur verkend of polyacrylamide wordt afgebroken tot acrylamide in diepe plassen. Daarnaast is verkend of acrylamide kan worden afgebroken in een diepe plas. Er blijkt nog onvoldoende bekend te zijn over de vorming en het vrijkomen van acrylamide in diepe plassen. Hierdoor is niet duidelijk of er risico’s zijn voor planten en dieren die in de plassen leven. Of voor de mens als zij vis eten uit deze plassen. Wel blijkt dat acrylamide al in polyacrylamide zit en kan vrijkomen als polyacrylamide wordt gebruikt. Het is daarom niet uitgesloten dat acrylamide ook op deze manier in de plassen terecht kan komen. Vanwege deze onzekerheden adviseert het RIVM om meer onderzoek te doen naar de vorming van acrylamide in diepe plassen. Ook moet onderzocht worden of acrylamide dat in polyacrylamide zit, vrij kan komen wanneer het in diepe plassen terecht komt. Tot slot adviseert het RIVM om voorzorgsmaatregelen te nemen als in diepe plassen producten worden gebruikt die zijn behandeld met polyacrylamide. Dat kan bijvoorbeeld door andere flocculanten te gebruiken, producten met flocculanten van te voren te onderzoeken op acrylamide of de kwaliteit van het oppervlaktewater te bepalen nadat het product erin is gebruikt.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Op weg naar gezonder en duurzamer kort woon-werkverkeer. Pak de fiets of het OV! | RIVM

In 2022 ging 44 procent van de mensen die op minder dan 7,5 kilometer van hun werk woont, met de auto daarnaar toe. Maar het is beter voor de gezondheid, het milieu en het klimaat als mensen minder met de auto reizen en zich actief naar hun werk verplaatsen. Bijvoorbeeld op de fiets, lopend en/of met het openbaar vervoer. Het RIVM onderzocht op basis van gedragspsychologie waarom mensen voor een bepaald vervoersmiddel kiezen. Ook heeft het RIVM onderzocht welke maatregelen, zowel vanuit de overheid als van werkgevers, werkenden stimuleren om op een actieve manier naar het werk te gaan. Dit onderzoek is gedaan in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) ). Om reisgedrag te veranderen, is het belangrijk actieve manieren van reizen te stimuleren en tegelijkertijd het autogebruik minder aantrekkelijk te maken. Het is van belang dat zowel de overheid als werkgevers een mix van maatregelen inzetten. Deze maatregelen moeten niet alleen voor meer kennis en bewustzijn zorgen, maar ook voor een omgeving waarin mensen voor de actieve vervoerswijzen kunnen kiezen. Dat kan bijvoorbeeld door deze het gemakkelijkst en best betaalbaar te maken. Verder is de timing van maatregelen heel belangrijk, namelijk op momenten dat mensen gewoonten aanleren. Bijvoorbeeld als zij beginnen met een nieuwe baan of gaan verhuizen. Reisgedrag is namelijk routinematig gewoontegedrag dat lastig te veranderen is als het eenmaal is gevormd. De overheid kan bijvoorbeeld ervoor zorgen dat duurzaam vervoersbeleid op orde is, met goed bereikbaar OV openbaar vervoer (openbaar vervoer) , en goede, veilige en prettige fiets- en wandelpaden. Verder is het belangrijk dat de overheid werknemers overzichtelijke informatie geeft over reiskosten en reistijden van alternatieve vervoersvormen. Daarnaast kan de overheid werkgevers via wet- en regelgeving en een digitaal informatiepunt faciliteren en stimuleren om een duurzaam mobiliteitsbeleid te voeren. Ook is meer kennis nodig over regelingen en vergoedingen voor actieve vervoerswijzen, zowel onder werkgevers als werknemers. Verder kunnen werkgevers ontmoedigen dat werknemers met de auto komen, bijvoorbeeld via parkeerbeleid. En ze kunnen zorgen voor voldoende vergoedingen en voorzieningen voor actieve vervoerswijzen en hun werknemers hierover informeren.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Het effect van Maatschappelijk Verantwoord Inkopen door de Nederlandse overheid in 2019-2020 | RIVM

Dit rapport bevat een erratum d.d. 12-05-2023 op pagina 161. De Nederlandse overheid, zowel de rijksoverheid, als provincies en gemeenten, koopt elk jaar voor 85 miljard euro aan diensten, producten en werken in. Met dit bedrag wil de overheid niet alleen producten en diensten aanschaffen, maar ook het milieu minder belasten en sociale ontwikkelingen in relatie tot werk stimuleren. Dit heet Maatschappelijk Verantwoord Inkopen ( MVI maatschappelijk verantwoord inkopen (maatschappelijk verantwoord inkopen) ). Het RIVM volgt sinds 2015 elke twee jaar het effect van MVI op milieu en klimaat en sociale ontwikkelingen. In 2019 en 2020 zijn hierdoor minder broeikasgassen uitgestoten en zijn er minder grondstoffen gebruikt. Meer nog dan in de vorige monitoringsperioden. Dit blijkt uit een analyse van het effect van MVI in deze twee jaar. Deze stijgende lijn maakt duidelijk dat Maatschappelijk Verantwoord Inkopen een geschikt instrument is waarmee de overheid duurzame inkoop kan stimuleren. Aanbestedende diensten hebben er steeds meer oog voor. Wel zou meer effect mogelijk kunnen zijn als zij zich hier nog meer voor zouden inspannen. Door meer duurzame producten en diensten uit te vragen, wordt het ook voor de markt aantrekkelijker om erin te investeren. Door maatschappelijk verantwoord inkopen in 2019 en 2020 is naar schatting minstens 6,8 Mton megaton (megaton) CO2 carbon dioxide (carbon dioxide) -equivalent minder broeikasgasemissies uitgestoten en is er 0,3 Mton CO2-equivalent gecompenseerd door bossen aan te planten. Dit is ongeveer hetzelfde als de hoeveelheid broeikasgassen die 345.000 Nederlandse huishoudens elk jaar uitstoten. Ook is er 1433 kilogram minder stikstofoxiden uitgestoten. Voor fijnstof is dat 91 kilo minder. Daarnaast is 292 ton aan grondstoffen bespaard. Verder is er 1203 fte aan werk gecreëerd mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt en stagiairs. Het RIVM heeft zes clusters van producten en diensten bekeken met in totaal zestien productgroepen. Het gaat om de volgende clusters, met productgroepen tussen haakjes: Automatisering ( ICT Informatie- en communicatietechnologie (Informatie- en communicatietechnologie ) ), Energie (Elektriciteit, Zonnepanelen, Gas), Grond-, weg- en waterbouw (Wegen, Openbare Verlichting), Kantoorfaciliteiten (Bedrijfskleding, Catering, Schoonmaak, Kantoormeubilair, Kantoorgebouwen (Nieuwbouw, Renovatie) en Transport (Buitenlandse dienstreizen, Verhuisdiensten, Transportdiensten, Dienstauto’s). Deze clusters en productgroepen zijn gekozen omdat daarbij het meeste effect van deze manier van inkopen wordt bereikt.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Mesh implants intended to treat patients with pelvic organ prolapse. Laboratory analysis for market surveillance | RIVM

Bekkenbodemmatjes zijn implantaten die in het lichaam kunnen worden geplaatst om verzakkingen van organen in het gebied van de bekkenbodem te behandelen. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd ( IGJ Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd) ) heeft het RIVM gevraagd om laboratoriumonderzoek te doen naar bekkenbodemmatjes die artsen in 2018 in Nederland hebben geplaatst. De vraag was om verschillende eigenschappen van de producten te onderzoeken. In dit laboratoriumonderzoek zijn geen resultaten gevonden die aangeven dat de producten onveilig zijn voor patienten. Het laboratoriumonderzoek bestond uit verschillende typen analyses. Zo is van zes bekkenbodemmatjes van verschillende fabrikanten onderzocht van welke materialen ze gemaakt zijn. Ook is gekeken naar de opbouw en afmetingen van verschillende onderdelen van de matjes. De resultaten hiervan kloppen met wat de fabrikanten beschrijven in de technische documentatie over hun producten. Met een ander soort analyse is gekeken of bekkenbodemmatjes een schadelijke reactie veroorzaken in cellen die in het laboratorium zijn gekweekt. Ook deze resultaten komen overeen met wat de fabrikanten in de technische documentatie vermelden. Bij vijf van de zes producten was er geen reactie te zien in de cellen waarmee ze werden getest. Bij een product was een milde reactie in de cellen te zien. Dit product is zo gemaakt dat het voor een deel in het lichaam wordt afgebroken, terwijl dit bij de andere producten niet het geval is. Dat kan een verklaring zijn voor de milde reactie in de cellen bij dit ene product. De test die is gedaan, is onderdeel van een standaardpakket van testen die worden voorgeschreven om te testen of implantaten mogelijk nadelige effecten op het lichaam hebben. Voor de toelating op de markt heeft de fabrikant dit product veel uitgebreider getest. De gecombineerde resultaten van het hele pakket aan laboratoriumtesten gaven geen aanwijzingen voor schadelijke effecten. Het RIVM vraagt zich wel af of de test met cellen in het laboratorium geschikt is voor materiaal van bekkenbodemmatjes dat voor een deel wordt afgebroken in het lichaam. Het RIVM adviseert om dit punt mee te nemen bij de periodieke herziening van het internationale document dat deze testmethode beschrijft.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Assessing antibiotic resistance of microbial plant protection products using whole genome sequencing | RIVM

Gewasbeschermingsmiddelen beschermen planten tegen organismen waar ze ziek van kunnen worden, zoals schimmels en insecten. De laatste jaren worden steeds meer gewasbeschermingsmiddelen gebruikt waar micro-organismen in zitten. Dit kunnen zowel virussen als bacteriën zijn die ziekmakers van planten doden maar niet schadelijk zijn voor mensen. Om te zorgen dat gewasbeschermingsmiddelen veilig zijn voor mens, dier en milieu worden ze uitgebreid getest. Het RIVM heeft nu een aanbeveling geschreven voor instanties die de veiligheid van microbiologische gewasbeschermingsmiddelen beoordelen. In de beoordeling van middelen met bacteriën wordt onder andere onderzocht of deze resistent zijn tegen antibiotica. Resistentie betekent dat een bacterie ongevoelig is voor antibiotica waardoor die minder goed werken. Deze resistentie kan soms worden overgedragen op andere bacteriesoorten. Als dat gebeurt naar bacteriën waar mensen ziek van kunnen worden, kan die ziekte minder goed worden behandeld met antibiotica. Daarom mogen bacteriën die de resistente eigenschap tegen antibiotica kunnen overdragen op andere soorten bacteriën, niet als gewasbeschermingsmiddel worden gebruikt. De aanbeveling beschrijft hoe met uitgebreide DNA- Desoxy nucleinezuur (Desoxy nucleinezuur) analyses (Whole Genome Sequencing) kan worden onderzocht of bacteriën die bedoeld zijn om als gewasbeschermingsmiddelen te worden gebruikt, resistent zijn tegen antibiotica. Daarnaast wordt beschreven hoe kan worden onderzocht of die resistentie kan worden overgedragen op andere bacteriesoorten.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Immunogenicity of bivalent omicron (BA.1) booster vaccination after different priming regimens in health-care workers in the Netherlands (SWITCH ON): results from the direct boost group of an open-label, multicentre, randomised controlled trial | RIVM

Immunogenicity of bivalent omicron (BA.1) booster vaccination after different priming regimens in health-care workers in the Netherlands (SWITCH ON): results from the direct boost group of an open-label, multicentre, randomised controlled trial | RIVM
Jaar: 2023 Onderzoek

Environmental risk limits for free cyanide in fresh- and marine surface water. Proposal for water quality standards according to the methodology of the Water Framework Directive | RIVM

Cyanide is een natuurlijke stof die ook door de mens veel wordt gemaakt en gebruikt. Zo wordt de stof gebruikt bij de verwerking van ijzer, staal en olie. Ook wordt de stof veel in de mijnbouw en de energiesector gebruikt. De stof kan daarbij in het milieu terechtkomen. Cyanide komt in verschillende vormen voor. De giftigste vorm is ‘vrij cyanide’. Een hoge concentratie vrij cyanide in water kan bijvoorbeeld schadelijk zijn voor de voortplanting van planten en dieren die daarin leven. In Nederland bestaat er al een norm voor vrij cyanide in oppervlaktewater, maar deze is verouderd. In de afgelopen jaren is de methode om de norm te bepalen verbeterd. Ook is er veel nieuwe kennis over de giftigheid van cyanide in de wetenschappelijke literatuur gepubliceerd. Met deze inzichten heeft het RIVM opnieuw de normen voor vrij cyanide in zoet en zout oppervlaktewater bepaald. De resultaten zijn vergelijkbaar met de normen uit 2001 maar zijn nu beter onderbouwd. Zo kunnen waterbeheerders beter inschatten of de concentraties cyanide die ze meten in het oppervlaktewater schadelijk zijn voor het waterleven. Voor planten en dieren die in zoet water leven, heeft het RIVM een veilige concentratie van vrij cyanide berekend van 0,22 microgram per liter water. Voor zeewater is er een iets lagere concentratie van 0,044 microgram per liter berekend. Kortdurend mag de concentratie vrij cyanide op lopen tot 1,7 microgram per liter voor zoet en zout water. Ook dan worden er geen effecten op het waterleven verwacht. Meer landen en onderzoekers hebben een norm voor vrij cyanide berekend. Ze hebben dat niet overal op precies dezelfde manier gedaan. Het RIVM heeft naar deze verschillen en de uitkomsten van hun berekeningen gekeken. Hun resultaten blijken sterk overeen te komen met die van Nederland. Vrij cyanide is moeilijk te meten. In Nederland wordt daarom ‘totaal’ cyanide gemeten, waar vrij cyanide een onderdeel van is. Het RIVM adviseert te kijken naar de mogelijkheden om wel vrij cyanide te meten.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Alternative food contact materials on the Dutch market after implementation of the Single Use Plastic Directive and prioritisation of potential migrating chemical substances | RIVM

De Europese Unie wil de schadelijke effecten voor het milieu van plastic zwerfafval tegengaan. Sinds de zomer van 2021 worden daarvoor stap voor stap maatregelen ingevoerd. Zo zijn sinds 2021 verschillende soorten plastic producten verboden die gemaakt zijn om één keer te gebruiken en daarna weg te gooien - de zogeheten Single Use Plastics (SUP). Veel van deze producten worden gebruikt om eten en drinken te verpakken, te serveren of te consumeren. Dat zijn bijvoorbeeld rietjes, roerstaafjes of wegwerpbordjes. Vanwege het verbod op het gebruik van plastic voor deze producten worden ze nu van andere materialen gemaakt, zoals papier, tarwemeel of bamboe. Het RIVM heeft geïnventariseerd welke materialen worden gebruikt en welke stoffen in die materialen zouden kunnen zitten. Daarna is gekeken welke van deze stoffen mogelijk schadelijk zijn voor de gezondheid en of deze stoffen in voedsel kunnen terechtkomen. De inventarisatie laat zien dat er in de gebruikte materialen heel veel stoffen zouden kunnen zitten. Om gerichter onderzoek te kunnen doen naar mogelijke risico’s heeft het RIVM aangegeven naar welke stoffen en materialen het eerst onderzoek zou moeten worden gedaan. Het RIVM heeft dit onderzoek in opdracht van de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit ( NVWA Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit) ) gedaan.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Indicatieve milieurisicogrenzen voor lithium in oppervlaktewater | RIVM

De afgelopen jaren is steeds meer lithium gewonnen. Dit komt vooral doordat er steeds meer accu’s en batterijen nodig zijn, bijvoorbeeld voor elektrische auto’s en fietsen. Bij de winning, de verwerking in producten en de verwerking van afval kan de stof in het milieu terechtkomen, zo ook in oppervlaktewater. Dit kan schadelijk zijn voor planten en dieren in het water. Er bestaat in Nederland nog geen goed onderbouwde norm voor een veilige concentratie voor lithium in oppervlaktewater. De risico’s van lithium voor planten en dieren in water kunnen daardoor niet goed worden ingeschat. Het RIVM heeft daarom ‘indicatieve risicogrenzen’ bepaald voor lithium in zoet en zout oppervlaktewater. Deze indicatieve risicogrenzen worden in korte tijd bepaald om snel informatie te kunnen geven over mogelijke risico’s. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) ) kan dit advies gebruiken om ‘indicatieve waterkwaliteitsnormen’ te bepalen. De indicatieve normen voor lithium zijn bedoeld voor vergunningverleners. Het RIVM heeft berekend dat een concentratie van 11 microgram per liter water veilig is voor planten en dieren als zij langere tijd in aanraking komen met lithium in zoet water. Voor een korte blootstelling berekent het RIVM een maximale concentratie van 210 microgram per liter als veilige waarde. Het is niet mogelijk om met de methode die voor zoet water is gebruikt, een realistische concentratie te berekenen die veilig is voor planten en dieren in zeewater. De concentraties die volgens de standaardberekening veilig zouden zijn, zijn namelijk veel lager dan de hoeveelheid die van nature in zout water zit. Het is aannemelijk dat planten en dieren die hierin leven geen last hebben van de natuurlijke concentratie. Het RIVM adviseert daarom uitgebreider onderzoek te doen naar de veilige concentratie van lithium in zout water. Lithiumverbindingen kunnen bij mensen een effect hebben op de voortplanting. Om die reden is er ook een risicogrens voor oppervlaktewater nodig die aangeeft dat mensen veilig vis uit dat water kunnen eten. Op basis van de beperkte gegevens die er zijn, verwacht het RIVM dat de voorgestelde risicogrens van 11 microgram per liter water ook veilig is voor de mens. Meer onderzoek is nodig om deze conclusie steviger te onderbouwen.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

De impact van de coronapandemie op de huisartsenzorg – ervaringen van en geleerde lessen door huisartsen | RIVM

Tijdens de coronapandemie moesten huisartsen hun zorg aanpassen. Zo konden door de coronamaatregelen minder mensen naar de huisartsenpraktijk komen. Daarom zijn huisartsen meer digitale zorg gaan geven, zoals videobellen en schriftelijke digitale zorg via chat en e-mails. Vanwege de drukte in ziekenhuizen en de geestelijke gezondheidszorg moesten huisartsen zorg van hen overnemen. Daarnaast zijn huisartsen hun zorg voor chronisch zieken anders gaan organiseren. Zo lieten ze deze patiënten minder vaak op controle komen. Ook werd bij een deel van deze patiënten het contact digitaal. Huisartsen hebben deze veranderingen zowel positief als negatief ervaren. Volgens hen waren online schriftelijke consulten geschikt voor korte, simpele vragen of overleg. Bijvoorbeeld over een plekje op de huid of over een aanpassing van medicijnen. Ook hebben huisartsen gemerkt dat meer maatwerk voor chronisch zieke patiënten wenselijk is. Bijvoorbeeld door per patiënt te bekijken hoe vaak iemand moet komen en of de zorg ook digitaal kan worden geleverd. Minder positief waren huisartsen over videobellen als vervanging van een consult in de huisartsenpraktijk. Ze konden de klacht dan moeilijker beoordelen omdat ze de patiënt niet in het echt zagen. Wanneer huisartsen zorg overnamen van andere zorgverleners vonden ze dat soms zinvol, maar meestal niet wenselijk. Het verzwaart hun werk en ze zijn er niet altijd voor opgeleid. Voor de toekomst vinden ze het belangrijk dat als ze zorg overnemen, dat dit in goed overleg gebeurt. Ook moeten dan duidelijke afspraken worden gemaakt wie waarvoor verantwoordelijk is. Verder blijkt dat huisartsen niet goed weten welke patiënten niet zijn gekomen tijdens de coronapandemie en waarom. Het kan zijn dat klachten vanzelf over gingen maar het kan ook zijn dat mensen de zorg hebben gemeden en nog steeds klachten hebben. Huisartsen maken zich daarom zorgen over verborgen leed bij hun patiënten, vooral bij kwetsbare ouderen. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM naar de lessen die huisartsen geleerd hebben tijdens de coronapandemie. Hiervoor heeft het RIVM in het najaar van 2022 gesproken met 27 huisartsen uit heel Nederland.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Wat eten we in Nederland (2012-2016): De verhouding dierlijk en plantaardig voedsel, eiwitten en milieubelasting | RIVM

De productie en consumptie van voedsel belasten het milieu. Een van de manieren om het milieu minder te belasten is om minder dierlijk voedsel te eten, zoals vlees, kaas en zuivel en meer plantaardig voedsel zoals (volkoren) graanproducten, peulvruchten, groenten, fruit en noten en zaden. Dit is ook goed voor de gezondheid. Een voedingspatroon met veel plantaardig voedsel beschermt namelijk tegen overgewicht en ziekten zoals diabetes type 2, hart- en vaatziekten en kanker. Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ( LNV Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) ) wil dat de bevolking in Nederland evenveel dierlijk als plantaardig eiwit binnenkrijgt in 2030. Het RIVM heeft daarom in kaart gebracht hoeveel dierlijk en plantaardig voedsel we eten. Ook is berekend hoeveel dierlijke en plantaardig eiwitten we via dat voedsel binnenkrijgen. Ten slotte is berekend in welke mate de productie en consumptie van voedsel het milieu belast, zoals via de uitstoot van broeikasgassen. Dit is bepaald voor de totale bevolking en voor groepen daarin, naar leeftijd en geslacht, opleidingsniveau en gewicht. Tussen 2012 en 2016 aten we in Nederland ongeveer evenveel plantaardig als dierlijk voedsel. Dierlijk voedsel bevat per kilogram meer eiwit dan plantaardig voedsel. De Nederlandse bevolking kreeg in die periode per dag meer dierlijke eiwitten binnen (61 procent) dan plantaardige (39 procent). De belangrijkste eiwitbronnen waren vlees, brood, granen, pasta en rijst en zuivel. Meer dan de helft van de plantaardige eiwitten kregen we binnen via brood en andere graanproducten. Zes procent van de plantaardige eiwitten kregen we binnen via groenten, noten en zaden, peulvruchten en vlees- en zuivelvervangers. Wat er werd gegeten en hoeveel eiwitten we daarbij binnenkregen verschilde tussen de onderzochte groepen. Wat de milieubelasting betreft waren de consumptie van vlees, kaas en zuivel de belangrijkste bronnen voor de uitstoot van broeikasgassen, landgebruik, verzuring en vermesting van zoet- en zoutwater. De consumptie van fruit en olijven, vruchten- en groentesappen, koffie en thee en vlees waren de belangrijkste bronnen voor het waterverbruik. Het RIVM heeft voor dit onderzoek informatie uit de Voedselconsumptiepeiling ( VCP Voedselconsumptiepeiling (Voedselconsumptiepeiling) ) van 2012-2016 en de database milieubelasting voedingsmiddelen van het RIVM gebruikt. In 2023 krijgt dit onderzoek een update met VCP-gegevens uit 2019-2021.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Data-infrastructuur Sport en Bewegen: de totstandkoming van een thematische indeling voor indicatoren | RIVM

Verschillende organisaties willen weten hoeveel mensen in Nederland sporten en bewegen en hoe dit kan worden verbeterd. Hierover is al veel informatie in cijfers beschikbaar, maar deze cijfers zijn niet altijd goed te vergelijken. Ook zijn niet over alle gewenste onderwerpen informatiebronnen beschikbaar of ze zijn moeilijk te vinden. Het RIVM is daarom met het Netwerk Kernindicatoren Sport en Bewegen een traject begonnen om bestaande data over sport en bewegen in een overzichtelijke infrastructuur onder te brengen. Op die manier kunnen de data nu en in de toekomst worden gebruikt. Dit onderzoek gaat over de eerste van drie fases waarin dit traject wordt uitgewerkt. In deze eerste fase zijn met experts uit onderzoek, praktijk en beleid onderwerpen in thema’s ingedeeld. Daar zijn 12 thema’s uit voortgekomen. Deze thema’s gaan onder andere over: wat doen mensen aan sport en bewegen en hoe vaak, welke vaardigheden hebben ze nodig om te leren bewegen, hoe ziet de leefomgeving eruit, wie werkt er in de sportwereld, en integriteit. Onder de 12 thema’s zijn bijna 400 ‘indicatoren’ geplaatst waarmee de thema’s in beeld kunnen worden gebracht. Denk aan: het percentage mensen dat sport, het aantal uren bewegingsonderwijs op school en de score die de leefomgeving krijgt voor beweegvriendelijkheid. Sommige indicatoren zijn al bekend, andere zijn nieuw. Van de nieuwe indicatoren is nog niet zeker of de benodigde informatie om een betrouwbaar cijfer te bepalen beschikbaar is. Experts hebben per thema aangegeven welke indicatoren zij het belangrijkste vinden. In totaal zijn 99 experts uit 27 organisaties betrokken geweest bij het opstellen van de thematische indeling. Dit is zo opgezet om ervoor te zorgen dat het hele werkveld sport en bewegen zich erin herkent. In het Netwerk Kernindicatoren Sport en Bewegen zitten verschillende organisaties die bijdragen aan kennis over sport en bewegen: het Kenniscentrum Sport en Bewegen, NOC*NSF Nederlands Olympisch Comité * Nederlandse Sport Federatie (Nederlands Olympisch Comité * Nederlandse Sport Federatie) , RIVM, het Mulier Instituut, het Kenniscentrum letselpreventie VeiligheidNL en het Centraal Bureau voor Statistiek ( CBS Centraal Bureau voor de Statistiek (Centraal Bureau voor de Statistiek) ). In de volgende fase worden definities van indicatoren bepaald en methodes geselecteerd waarmee cijfers voor de verschillende indicatoren kunnen worden verzameld. Ook wordt dan duidelijk welke (potentiële) dataverzamelingen als bron voor deze cijfers kunnen worden ingezet en welke organisatie de bijbehorende bronhouder is.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Monitor mentale gezondheid. Advies voor het monitoren van mentale gezondheid als ondersteuning van landelijk en lokaal gezondheidsbeleid | RIVM

Voor het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) is een advies gemaakt om de mentale gezondheid van de Nederlandse bevolking door de jaren heen te volgen. Naast de hele bevolking is er aandacht voor specifieke groepen: kinderen, adolescenten, jongvolwassenen, volwassenen, ouderen, studenten, werkenden en mensen in een lage sociaaleconomische positie. Ook gaat deze monitor over oorzaken van mentale gezondheid en de gevolgen ervan. Aanleiding voor de monitor is de landelijke aanpak ‘Mentale gezondheid: van ons allemaal’ van het ministerie van VWS om de mentale gezondheid te verbeteren. VWS wil de informatie die de monitor oplevert gebruiken om te zien hoe mentale gezondheid zich ontwikkelt. Het advies is geschreven door het RIVM, Trimbos-instituut, GGD GHOR Nederland Gemeentelijke / Gemeenschappelijke GezondheidsDienst – Geneeskundige HulpverleningsOrganisatie in de Regio (Gemeentelijke / Gemeenschappelijke GezondheidsDienst – Geneeskundige HulpverleningsOrganisatie in de Regio) , met medewerking van het Nederlands Jeugdinstituut. De onderzoekers stellen 18 ‘indicatoren’ voor waarmee ontwikkelingen in de mentale gezondheid van de algemene bevolking en de specifieke groepen in de tijd zijn te volgen. Indicatoren gaan bijvoorbeeld over psychische klachten, veerkracht en levenstevredenheid. Over de mentale gezondheid van kinderen blijkt weinig of geen informatie beschikbaar. Oorzaken van mentale gezondheid die een plek in de monitor krijgen zijn onder andere bestaanszekerheid, kwaliteit van leven en sociale leefomgeving. Voorbeelden van gevolgen van mentale ongezondheid zijn wachttijden voor specialistische GGZ geestelijke gezondheidszorg (geestelijke gezondheidszorg) en ziekteverzuim door psychische klachten. Voor de monitor worden gegevens gebruikt uit bestaande bronnen die over meerdere jaren informatie hebben en de komende tijd nog blijven bestaan. Hierdoor is er al informatie beschikbaar over de jaren vóór de start van de monitor. De monitor wordt zo opgezet dat hiermee ook in de toekomst de mentale gezondheid van de Nederlandse bevolking kan worden gevolgd. Dat is ook nodig omdat verbeteringen in de mentale gezondheid naar verwachting niet binnen een paar jaar te zien zijn.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Invloed van de corona-epidemie op de gezondheid en leefstijl van Nederlandse volwassenen | RIVM

Er zijn duidelijke aanwijzingen dat de corona-epidemie een negatieve invloed heeft gehad op de mentale gezondheid van de Nederlandse bevolking. Zo gaven mensen aan zich door de epidemie eenzamer (31 procent), gestrester (29), angstiger (29) of depressiever (24) te voelen. De grootste negatieve invloed was te zien bij jongvolwassenen en vrouwen. Veel kleinere percentages mensen ervaarden een positief effect op de mentale gezondheid (rond de 4,5 procent). Het is minder duidelijk wat de invloed van de corona-epidemie op roken, alcohol drinken en bewegen is geweest. Verder blijkt dat mensen die in het begin van de epidemie corona hebben gehad, meer last hadden van stress en angst en depressieve gevoelens. Bij eenzaamheid was dit verband niet zo duidelijk. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM naar de invloed van de corona-epidemie op gezondheid en leefstijl. Voor het onderzoek zijn drie bestaande databronnen gebruikt: de Gezondheidsmonitor van de GGD Gemeentelijke Gezondheidsdienst (Gemeentelijke Gezondheidsdienst) 'en, GGD GHOR Nederland Gemeentelijke / Gemeenschappelijke GezondheidsDienst – Geneeskundige HulpverleningsOrganisatie in de Regio (Gemeentelijke / Gemeenschappelijke GezondheidsDienst – Geneeskundige HulpverleningsOrganisatie in de Regio) , RIVM en CBS Centraal Bureau voor de Statistiek (Centraal Bureau voor de Statistiek) , het Lifelines cohort- en coronaonderzoek in het noorden van Nederland, en het vragenlijstonderzoek onder leiding van de RIVM Corona Gedragsunit. Deze bronnen hebben informatie van voor en of tijdens de epidemie. Om het effect van een epidemie beter in beeld te kunnen brengen, is het belangrijk om gegevens over leefstijl en gezondheid te hebben van voor, tijdens en na de epidemie. Het is aan te raden om dit langere tijd meerdere keren per jaar te meten. Dan is ook beter het onderscheid aan te tonen tussen effecten van seizoenen op gezondheid en leefstijl en van de beperkende maatregelen.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Milieuhygienische kwaliteit LD-staalslakken. Literatuurstudie | RIVM

Staalslakken ontstaan bij de productie van staal en lijken op steen. Nederland gebruikt dit materiaal in grote hoeveelheden als bouwstof. Bijvoorbeeld als ondergrond van wegen en om dijken, geluidwallen en stortplaatsen op te vullen of op te hogen. Als staalslakken in contact komen met regen- of grondwater, komen er schadelijke stoffen uit die in dat water terechtkomen. Vrijwel alle denkbare zware metalen komen dan via dit “uitspoelwater” in de bodem of het oppervlaktewater terecht. Het uitspoelwater heeft ook een heel lage zuurgraad. Deze effecten zijn schadelijk voor het milieu. De hele lage zuurgraad verstoort chemische, biologische en ecologische processen in de bodem en het oppervlaktewater. Zandbodems zijn er het gevoeligst voor als de zuurgraad verandert, omdat zij deze verandering minder goed kunnen neutraliseren. Al deze milieueffecten kunnen tientallen jaren optreden. Dit blijkt uit literatuuronderzoek van het RIVM in opdracht van de Inspectie Leefomgeving en Transport ( ILT Inspectie Leefomgeving en Transport (Inspectie Leefomgeving en Transport) ). De effecten zijn vooral te zien wanneer met grotere hoeveelheden staalslakken wordt gewerkt. Het onderzoek maakt ook duidelijk dat de gevolgen voor het milieu in de bodem nog onbekend zijn. Verder blijkt dat de gemeten concentraties schadelijke stoffen in het uitspoelwater van laboratoriumtesten anders zijn dan op locaties waar de staalslakken in de praktijk zijn gebruikt. De laboratoriumtesten zijn ontwikkeld voor het gebruik van staalslakken in minder dikke lagen en hoeveelheden dan nu in de praktijk gebeurt. Het is daarom belangrijk om te onderzoeken of de testen die hiervoor wettelijk zijn voorgeschreven, nog geschikt zijn.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Greenhouse gas emissions in the Netherlands 1990–2021 | RIVM

In 2021 zijn in Nederland in totaal 1,8 procent meer broeikasgassen uitgestoten dan in 2020. Deze stijging komt vooral doordat huishoudens meer aardgas verstookt hebben door de relatief koude winter. In 2021 ligt het aandeel onuitputtelijke bronnen, zoals zon- en windenergie, op 13 procent van het totale energieverbruik. In 2020 was dit 11,5 procent. De totale hoeveelheid broeikasgassen die naar de lucht is uitgestoten, wordt uitgedrukt in CO2 carbon dioxide (carbon dioxide) -equivalenten en bedroeg in 2021 172 miljard kilogram. Het jaar 1990 is het referentiejaar (basisjaar) voor de te halen doelen. In 1990 was de uitstoot 228,9 miljard kilogram CO2-equivalenten. Ten opzichte van het basisjaar is de uitstoot gedaald met 24,9 procent. De uitstoot van CO2 alleen ligt 14,8 procent onder het niveau van het basisjaar. De uitstoot van de andere broeikasgassen (methaan, distikstofoxide en gefluoreerde gassen) is sinds 1990 met 53,7 procent gedaald. Dit blijkt uit de definitieve inventarisatie van broeikasgasemissies die het RIVM elk jaar op verzoek van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat ( EZK Economische Zaken en Klimaat (Economische Zaken en Klimaat) ) opstelt. Met deze inventarisatie voldoet Nederland aan de nationale rapportageverplichtingen voor 2023 van het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties (UNFCCC), van het Akkoord van Parijs en van het Bewakingsmechanisme Broeikasgassen van de Europese Unie. De voorlopige emissiecijfers over 2021 zijn al in het najaar van 2022 gepubliceerd. De inventarisatie bevat verder analyses van ontwikkelingen in de uitstoot van broeikasgassen tussen 1990 en 2021. Ook bevat het een analyse van de belangrijkste bronnen die broeikasgassen uitstoten (sleutelbronnen), net als de onzekerheid in de berekening van deze uitstoot. Daarnaast zijn de gebruikte berekeningsmethoden en databronnen beschreven. Ten slotte bevat het een overzicht van het kwaliteitssysteem en de manier waarop de Nederlandse Emissieregistratie de berekeningen controleert.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Methodology for the calculation of emissions to air from the sectors Energy, Industry and Waste | RIVM

Nederland rapporteert elk jaar nationaal en internationaal hoeveel stoffen door de sectoren Industrie, Energieopwekking en Afvalverwerking (ENINA) worden uitgestoten naar de lucht. Het gaat om alle stoffen die in de Emissieregistratie voorkomen en voor deze sectoren moeten worden gerapporteerd. Denk aan broeikasgassen, verzurende stoffen en stoffen die grootschalige luchtverontreiniging veroorzaken. Het RIVM heeft de methoden waarmee de uitstoot wordt berekend, geactualiseerd en beschreven. De methoden worden elk jaar bijgesteld volgens de meest actuele wetenschappelijke inzichten. De emissieberekeningen worden uitgevoerd op basis van internationale richtlijnen. De emissiegegevens zijn openbaar via de website emissieregistratie.nl. De gegevens worden gebruikt voor de rapportages die vanwege internationale verdragen verplicht zijn, zoals het verdrag van Parijs, de EU Europese Unie (Europese Unie) -Emissieplafonds ( NEC national emission ceiling (national emission ceiling) -Directive) en de Convention on Long-range Transboundary Air Pollution ( CLRTAP Convention on Long-Range Transboundary air Pollution (Convention on Long-Range Transboundary air Pollution) ). De rapportage is ook de basis voor de (internationale) reviewers die de Nederlandse rapportages aan de EU en VN Verenigde Naties (Verenigde Naties) valideren.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Methodology for the calculation of emissions from agriculture. Calculations for methane, ammonia, nitrous oxide, nitrogen oxides, non-methane volatile organic compounds, fine particles and carbon dioxide emissions using the National Emission Model | RIVM

Nederland rapporteert elk jaar nationaal en internationaal hoeveel stoffen de landbouw uitstoot naar de lucht. Het gaat om alle stoffen die in de Emissieregistratie voorkomen en voor deze sector moeten worden gerapporteerd. Denk aan broeikasgassen en stoffen die luchtverontreiniging veroorzaken, zoals ammoniak en fijnstof. De emissieberekeningen worden uitgevoerd op basis van internationale richtlijnen. De uitstoot wordt berekend met het National Emission Model for Agriculture (NEMA), dat in Nederland is ontwikkeld. Het NEMA berekent de uitstoot van stoffen voor bijvoorbeeld stallen, mestopslag, en het gebruik van mest. Het NEMA wordt ook gebruikt om emissies zoals methaan uit verschillende dieren en mest te berekenen. Dit model wordt elk jaar aangepast aan de nieuwste wetenschappelijke inzichten. De methoden die voor verschillende stoffen worden gebruikt zijn beschreven, plus de wijzigingen die in het model zijn doorgevoerd. De gegevens over de uitstoot zijn openbaar via de website emissieregistratie.nl. Ze worden gebruikt voor rapportages die vanwege internationale verdragen verplicht zijn, zoals het verdrag van Parijs, de Europese Emissieplafonds ( NEC national emission ceiling (national emission ceiling) -Directive) en de Convention on Longrange Transboundary Air Pollution ( CLRTAP Convention on Long-Range Transboundary air Pollution (Convention on Long-Range Transboundary air Pollution) ). Dit rapport is ook de basis voor de reviewers die de Nederlandse rapportages aan de Europese Unie en Verenigde Naties valideren.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Methodology for the calculation of emissions from product usage by consumers, construction and services | RIVM

Nederland rapporteert elk jaar nationaal en internationaal welke verontreinigende stoffen in de lucht terechtkomen door het gebruik van producten. Het gaat bijvoorbeeld om oplosmiddelen uit cosmetica, luchtverfrissers, spuitbussen, verf, en stoffen die vrijkomen bij het stoken van hout en het afsteken van vuurwerk. Het gaat om alle stoffen die in de Emissieregistratie voorkomen en voor deze sector moeten worden gerapporteerd. De Emissieregistratie berekent op basis van internationale richtlijnen voor de relevante stoffen hoeveel ervan in de lucht vrijkomt. Het RIVM heeft de methoden die de Nederlandse Emissieregistratie gebruikt, geactualiseerd en beschreven. De methoden worden elk jaar bijgesteld volgens de meest actuele wetenschappelijke inzichten. De emissiegegevens zijn openbaar via de website emissieregistratie.nl. De gegevens worden gebruikt voor de rapportages die vanwege internationale verdragen verplicht zijn, zoals het verdrag van Parijs, de EU Europese Unie (Europese Unie) -Emissieplafonds ( NEC national emission ceiling (national emission ceiling) -Directive) en de Convention on Long-range Transboundary Air Pollution ( CLRTAP Convention on Long-Range Transboundary air Pollution (Convention on Long-Range Transboundary air Pollution) ). Deze rapportage vormt ook de basis voor de (internationale) reviewers die de Nederlandse rapportages aan de EU en VN Verenigde Naties (Verenigde Naties) valideren.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Informative Inventory Report 2023. Emissions of transboundary air pollutants in the Netherlands 1990–2021 | RIVM

Deze Informative Inventory Report rapportage (IIR) beschrijft onder andere de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen in 2021 ten opzichte van 2020 en de reden van veranderingen. Ook geeft het aan in hoeverre Nederland de Europese verplichtingen heeft gehaald om de uitstoot te laten dalen ten opzichte van 2005, het zogeheten basisjaar. Uit deze inventarisatie blijkt dat, net als in 2020, in 2021 aan al deze doelen ( EU Europese Unie (Europese Unie) NEC national emission ceiling (national emission ceiling) -Directive) is voldaan. In 2021 is 121,9 kiloton ammoniak uitgestoten, 1,4 kiloton minder dan in 2020. Daarmee is de uitstoot 21 procent minder dan in het basisjaar (het NEC-doel is 13 procent minder). Dit komt vooral doordat er in de landbouw minder dieren (rund- en pluimvee en varkens) zijn gehouden en het voer van melkvee minder eiwit bevatte De uitstoot van fijnstof PM2,5 fijnstof (fijnstof) is verder gedaald tot 14,2 kiloton in 2021, een daling van 51 procent ten opzichte van het basisjaar (het NEC-doel is 37 procent minder). De uitstoot van stikstofoxiden is in 2021 met 4,1 kiloton afgenomen en is 55 procent minder dan in het basisjaar (het NEC-doel is 45 procent minder). De daling komt doordat auto’s steeds schoner worden. Er waren wel activiteiten die iets meer stikstofoxiden uitstoten dan tijdens het begin van de coronapandemie in 2020. Zo steeg de uitstoot van vliegverkeer met 0,4 kiloton licht. Personenauto’s reden 4 procent meer kilometers, wat nog steeds 12 procent minder is dan voor de pandemie. De uitstoot van zwaveloxiden is in 2021 1,2 kiloton hoger dan in 2020. Dat komt doordat raffinaderijen meer procesgassen hebben gestookt waar meer zwavel in zat. Daarnaast is er voor de elektriciteitsproductie meer steenkool gestookt. Ten opzichte van het basisjaar is de uitstoot van zwaveloxiden met 69 procent gedaald (het NEC-doel is 28 procent minder). De uitstoot van vluchtige organische stoffen is in 2021 met 7,8 kiloton gestegen ten opzichte van 2020. Dit komt vooral doordat sinds de coronapandemie steeds meer handdesinfectiemiddelen worden gebruikt . Deze middelen bestaan onder andere uit vluchtige organische stoffen. Ten opzichte van het basisjaar is de uitstoot met 8 procent gedaald (het NEC-doel is 8 procent minder). Dat komt omdat het in andere sectoren minder vrijkomt. De Nederlandse overheid gebruikt de analyses in haar nationale beleid en om internationaal over de ontwikkeling van de uitstoot te rapporteren. Het RIVM stelt dit rapport elk jaar met diverse partnerinstituten op voor het ministerie voor Infrastructuur en Waterstaat ( IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) ).
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Advieslijst met verboden toegevoegde stoffen in tabaksproducten en e-sigaretten | RIVM

Er worden veel stoffen aan sigaretten en e-sigaretten toegevoegd die schadelijk of verslavend zijn. Of ze maken roken en vapen aantrekkelijker. Europese regels voor tabaksproducten moeten ervoor zorgen dat sigaretten en e-sigaretten minder schadelijk, verslavend en aantrekkelijk zijn. De Europese richtlijn geeft aan welke stoffen er wel en niet in tabaksproducten en e-sigaretten mogen zitten. De richtlijn is vrij algemeen en noemt, behalve cafeïne en taurine, geen concrete stoffen. Er staat bijvoorbeeld in dat er geen stoffen in tabaksproducten en e-sigaretten mogen zitten die de gebruiker het idee geven dat roken of vapen voordelen heeft voor de gezondheid, zoals vitaminen. Ook mogen er geen kankerverwekkende stoffen aan het product worden toegevoegd. Daarbij geldt voor e-sigaretten dat er geen stoffen in de vloeistof of damp mogen zitten die gevaarlijk zijn voor de gezondheid. In opdracht van het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) heeft het RIVM een concrete lijst gemaakt van stoffen die volgens de richtlijn niet aan tabaksproducten of e-sigaretten mogen worden toegevoegd. Op dit moment staan er 149 stoffen en stofgroepen op deze lijst. Deze lijst is een advies voor het ministerie van VWS, dat over een verbod gaat beslissen. De lijst is bedoeld om de richtlijn te verduidelijken. De lijst helpt ook om te controleren of deze stoffen in tabaksproducten en e-sigaretten zitten, nu en in de toekomst. Het RIVM adviseert om de lijst regelmatig uit te breiden als er nieuwe stoffen in beeld komen die onder de Europese regels vallen. De basis voor de lijst zijn de stoffen van de lijsten die Duitsland en België al hebben gemaakt van verboden toevoegingen aan tabaksproducten en e-sigaretten. Het RIVM is het meestal eens met hun onderbouwing voor een verbod. Een paar stoffen zijn niet opgenomen omdat het RIVM de onderbouwing niet sterk genoeg vond. Het RIVM heeft ook drie stoffen toegevoegd: nicotinezouten, vitamine E acetaat en titaniumdioxide. Van deze stoffen was al bekend dat ze schadelijk of verslavend zijn. De meeste stoffen van de lijst zitten voor zover bekend in een klein aantal van de tabaksproducten en e-sigaretten. Ook zonder toevoegingen blijven roken en vapen slecht voor de gezondheid.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Gevolgen van de voorgestelde Europese luchtkwaliteitsrichtlijn voor Nederland | RIVM

Op 26 oktober 2022 stelde de Europese Commissie voor om de Europese luchtkwaliteitsrichtlijn 2008/50/ EC European Commission (European Commission) uit 2008 aan te passen. Doel was om de luchtkwaliteitsrichtlijn meer te laten aansluiten op de nieuwe, strengere advieswaarden voor de luchtkwaliteit van de Wereldgezondheidsorganisatie ( WHO World Health Organization (World Health Organization ) ) uit 2021. De voorgestelde luchtkwaliteitseisen gaan minder ver dan de WHO-advieswaarden. Als ze worden gehaald, dan zou de Nederlandse bevolking wel aan veel minder vervuilende stoffen worden blootgesteld. Dit is beter voor de gezondheid, vooral voor mensen met aandoeningen aan luchtwegen zoals astma en COPD Chronic Obstructive Pulmonary Disease (chronische bronchitis of longemfyseem) (Chronic Obstructive Pulmonary Disease (chronische bronchitis of longemfyseem) ) . Het RIVM heeft voor het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) ) berekend of de nieuwe grenswaarden haalbaar zijn. Uit deze berekeningen blijkt dat in 98 procent van Nederland de nieuwe normen voor de luchtkwaliteit in 2030 met bestaande beleidsmaatregelen kunnen worden gehaald. Op enkele plaatsen (de IJmond, Schiphol en de Maasvlakte) zouden extra maatregelen nodig zijn. Over deze maatregelen spreekt de Nederlandse regering al om de klimaatdoelen voor 2030 te kunnen halen. Ook vlak langs drukke wegen kan de voorgestelde grenswaarde voor stikstofdioxide van 20 microgram per kubieke meter in 2030 met maximaal 2 microgram per kubieke meter worden overschreden. De Europese Commissie stelt strengere Europese normen voor de uitstoot van voertuigen voor. Als deze worden ingevoerd, dan zal de overschrijding van de grenswaarde naar verwachting lager worden. Verder kunnen extra maatregelen om de Nederlandse klimaatdoelen en stikstofdoelen te halen, ervoor zorgen dat de overschrijding van de nieuwe luchtkwaliteitsnormen lager wordt. Als de Nederlandse regering de voorgenomen beleidsmaatregelen concreter invult, kan met meer zekerheid worden berekend of de nieuwe normen worden gehaald.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Enzymes in consumer products. An inventory of non-food products, regulatory frameworks, hazards and considerations for risk assessment | RIVM

Enzymen worden steeds vaker toegevoegd aan producten voor consumenten, zoals schoonmaakmiddelen en persoonlijke verzorgingsproducten. Dit wordt gedaan om bijvoorbeeld vuil of vlekken op te lossen. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit ( NVWA Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit) ) wil weten of het gebruik van enzymen veilig is, vooral in nieuwe soorten producten. Het RIVM heeft daarom een overzicht gemaakt van de producten waar ze in zitten en welke wetten daarvoor gelden. Ook is gekeken of het mogelijk is om te bepalen of het gebruik veilig is. Het overzicht maakt duidelijk dat er onvoldoende informatie beschikbaar is over de hoeveelheid enzymen in bepaalde producten en welke hoeveelheid voor specifieke enzymen veilig is. Ook is niet duidelijk in welke mate consumenten aan enzymen blootstaan. Daardoor is er ook niet genoeg informatie om te kunnen beoordelen of het gebruik van producten met enzymen veilig is. Dit onderzoek helpt om aanbevelingen te doen voor een toekomstige evaluatie van enzymen in producten voor consumenten. In ons marktonderzoek zijn er 184 schoonmaakproducten met enzymen gevonden, 46 producten voor persoonlijke verzorging, 12 veterinaire hygieneproducten en 2 huisdierverzorgingsproducten. De producten vallen onder verschillende wetten, zoals voor persoonlijke verzorgingsproducten of voor schoonmaakmiddelen. Het gebruikte type enzymen en de hoeveelheid stonden meestal niet op de verpakking vermeld. Ook bleek uit een enquete onder producenten dat de meeste hun enzymenconcentraties niet konden delen. Wel verwachten ze in de toekomst meer enzymen te gaan gebruiken. Het belangrijkste effect op de gezondheid dat enzymen kunnen veroorzaken is sensibilisatie van de luchtwegen. Dit effect kan bijvoorbeeld ontstaan als consumenten bij het gebruik van sprays via de lucht aan enzymen worden blootgesteld. Het RIVM heeft dit onderzoek gedaan in opdracht van de NVWA. Het is een vervolg op de eerdere studie naar microbiele reinigingsmiddelen.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Eerste inzicht in emissies van chemische stoffen bij wind op land. Resultaten quickscan | RIVM

Windenergie is een belangrijk alternatief voor energie uit fossiele grondstoffen. In Nederland wordt deze energie opgewekt met windturbines op zee en op land. Voor de productie van windturbines worden materialen en chemische stoffen gebruikt. Zo zit er een beschermende verflaag (coating) op de mast en de bladen waar chemische stoffen in zitten. Dit kunnen stoffen zijn die schadelijk zijn voor het milieu. Deze stoffen, en de microplastics uit de verflaag op de bladen, kunnen door wind en regen ervan af slijten. Het is aannemelijk dat deze stoffen en microplastics hierdoor in de bodem en het water terechtkomen. Er is alleen nog weinig bekend over de stoffen waarover het precies gaat en hoeveel van elke stof vrij komt. Deze kennis is nodig om te kunnen bepalen of emissies van stoffen uit windturbines schadelijk zijn voor mens en milieu. Ook is het belangrijk om de schatting van de vrijgekomen hoeveelheid microplastics te verfijnen. Meer onderzoek is daarom nodig. Dit blijkt uit een verkenning van het RIVM, naar de uitstoot van chemische stoffen en microplastics bij windturbines op land. Deze quickscan is gedaan in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat ( EZK Economische Zaken en Klimaat (Economische Zaken en Klimaat) ). In de coatings zitten chemische stoffen die volgens Europese wetgeving als gevaarlijk voor mens en milieu zijn beoordeeld. Deze stoffen kunnen met regenwater in het milieu terechtkomen. Laboratoriumonderzoek naar ‘slijtagevocht’ van bouwwerken voor water en wegen laat zien dat de stoffen inderdaad schadelijk kunnen zijn voor organismen. En dat dit per type coating sterk kan verschillen. Het is nog niet duidelijk of dit in de praktijk geldt voor slijtagevocht van de coatings op windturbines. Naar schatting komen er per jaar per turbine tussen de 3,1 gram tot 14 kilogram microplastics vrij. Het hangt er onder andere van af of technieken worden gebruikt die slijtage kunnen beperken. Het is nu niet bekend in welke mate de sector deze technieken gebruikt op de bladen van windturbines in Nederland. Ook heeft het RIVM gekeken naar het gas zwavelhexafluoride (SF6) dat in de generator van windturbines zit. Dit isolatiegas is bedoeld om stroomvonken tegen te gaan. SF6 is een broeikasgas waarvoor strenge wettelijke regels gelden om de uitstoot te beperken. Door lekkage kan, naar verwachting, een kleine hoeveelheid SF6 vrijkomen uit de windturbines. De effecten op het klimaat hiervan lijken klein ten opzichte van de winst van de verminderde CO2 carbon dioxide (carbon dioxide) uitstoot door het gebruik van windturbines.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Textile recycling in the Netherlands. Considerations for ensuring chemical product safety | RIVM

De Nederlandse overheid streeft naar een circulaire economie in 2050. Daarin worden producten, materialen en grondstoffen steeds hergebruikt in dezelfde of nieuwe toepassingen. Dit betekent onder andere dat in 2030 in textielproducten minimaal 30 procent gerecycled materiaal moet zitten. Producten die gemaakt zijn van gerecycled textiel moeten voldoen aan Europese wetgeving voor chemische stoffen ( REACH Registration, Evaluation, Authorisation and restriction of Chemicals (Registration, Evaluation, Authorisation and restriction of Chemicals ) ). De laatste jaren zijn steeds meer stoffen verboden in textielproducten voor consumenten, zoals weekmakers voor prints. Het RIVM heeft de ontwikkelingen van hergebruik van textielproducten en recycling van textiel in kaart gebracht. Ook heeft het onderzocht of er door recyclen verboden chemische stoffen in een product kunnen terechtkomen. Het RIVM denkt dat de kans nu groot is dat kleding gemaakt van gerecycled (consumenten)textiel, voldoet aan de wettelijke grenswaardes voor stoffen. Het RIVM concludeert dat op basis van beschikbare gegevens over stoffen in nieuw en ingezameld textiel. Het grootste deel van het ingezamelde textiel uit Nederland wordt nu naar het buitenland geëxporteerd, waar het opnieuw wordt gedragen. Het textiel dat niet herbruikbaar is, bijvoorbeeld omdat het kapot is, wordt vooral gerecycled. Daar worden bijvoorbeeld poetslappen van gemaakt voor in de industrie of isolatiemateriaal. Van het ingezamelde textiel kan ook nieuwe kleding worden gemaakt. Dat wordt nu nog op kleine schaal gedaan bijvoorbeeld voor spijkerbroeken van katoenvezels uit ingezamelde jeans. Deze vezels worden gemengd met nieuwe katoenvezels omdat gerecyclede vezels minder sterk zijn dan nieuwe. Er is nu nog weinig bekend of er gevaarlijke chemische stoffen zitten in producten die van gerecycled textiel zijn gemaakt. Het RIVM beveelt aan om een standaard protocol te maken om deze stoffen te meten. Dat is belangrijk om de veiligheid te kunnen blijven waarborgen. Ook heeft het van verschillende soorten vezeltypes in nieuw en gerecycled textiel, zoals katoen en polyester, in kaart gebracht welke chemische stoffen erin kunnen zitten. Dat geeft producenten en gebruikers van gerecycled textiel handvatten waar ze bij welke materialen op moeten letten. Om het doel voor 2030 te halen, is het belangrijk dat kleding zo wordt gemaakt dat het goed te recyclen is. Dat betekent onder andere dat ontwerpers minder soorten textielvezels voor een product gebruiken. Ook moeten zij ervoor te zorgen dat verschillende materialen makkelijker te sorteren zijn.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Waterbeschikbaarheid voor de bereiding van drinkwater tot 2030 - knelpunten en oplossingsrichtingen | RIVM

Naar verwachting zal de vraag naar drinkwater in Nederland in 2030 veel groter zijn dan in 2020. Dat komt onder andere doordat de economie dan is gegroeid, net als het aantal inwoners. Door klimaatverandering (warme zomers) is er meer drinkwater nodig maar is er minder beschikbaar. Naar verwachting moet er in 2030 circa 100 miljoen kubieke meter meer drinkwater worden gemaakt dan in 2020. Drinkwater wordt gemaakt van oppervlakte- en grondwater. Het is nu niet zeker of er in 2030 genoeg water is voor de productie van drinkwater. Om meer drinkwater te kunnen maken, zoeken drinkwaterbedrijven nieuwe bronnen in grond- of oppervlaktewater. Volgens het RIVM gaat dat alleen lukken als alle waterpartijen (de drinkwaterbedrijven, provincies, rijksoverheid, waterschappen en gemeenten) met elkaar samenwerken. Drinkwaterbedrijven krijgen vergunningen om bepaalde hoeveelheden oppervlakte- en grondwater te mogen gebruiken. Zij houden daarbij het liefst een bepaalde reserve aan om ook genoeg drinkwater te kunnen maken als er onverwacht meer vraag naar is, bijvoorbeeld in warme zomers. In 2020 was er voor heel Nederland genoeg water beschikbaar voor de drinkwaterproductie (ongeveer 1,4 miljard kubieke meter). Maar per provincie zijn er soms nu al niet genoeg reserves direct beschikbaar. Dat is bijvoorbeeld zo in Gelderland, Overijssel, Groningen, en in het westelijk deel van Zuid-Holland. Hierdoor kunnen problemen ontstaan bij een onverwacht grotere vraag naar drinkwater. In andere provincies hebben drinkwaterbedrijven al binnen enkele jaren extra bronnen voor drinkwater nodig om in 2030 of eerder aan de vraag te kunnen blijven voldoen. Daarom moeten waterpartijen nu al beginnen met zoeken naar nieuwe winningen. Een knelpunt is dat drinkwaterbedrijven nu al vaak de hele hoeveelheid oppervlakte- of grondwater gebruiken waarvoor ze een vergunning hebben. Ze hebben daardoor niet genoeg reserves. Ook kan door recentere afspraken met de overheid om de natuur te beschermen, vaak niet de hele hoeveelheid water worden gebruikt die in oudere vergunningen was toegestaan. Om de tekorten tegen te gaan, is het belangrijk dat het Nederlandse watersysteem zowel droogte als langere natte perioden aankan. Bijvoorbeeld door regenwater minder snel af te voeren en grotere voorraden in de duinen en het IJsselmeer aan te leggen. Daarnaast stimuleren de waterpartijen dat mensen en bedrijven bewust en zuinig water gebruiken. Ook worden nieuwe winlocaties gezocht of bestaande vergunningen uitgebreid. Dit kunnen ook andere soorten bronnen zijn, zoals brak (grond)water.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Waar gaat het mis? Een verkennend onderzoek naar oorzaken van consumentenongevallen met machines en draagbaar klimmaterieel | RIVM

Veel mensen klussen in en om het huis met behulp van producten als een ladder of een elektrische zaag. Daarbij kunnen ongelukken gebeuren. Over de oorzaak van deze ongelukken is nog weinig bekend. Er is wel informatie over wat er op het laatste moment misging. Zo reiken slachtoffers van ongelukken met een ladder nogal eens te ver van de ladder, waardoor zij hun balans verliezen. Er is echter nog niet onderzocht wat daaraan vooraf ging, waardoor het mis ging. Om daar een beter beeld van te krijgen, heeft het RIVM een overzicht gemaakt van mogelijke oorzaken van dit soort ongevallen. Het RIVM heeft daarvoor gesproken met producenten van producten en met experts op het gebied van veiligheid, risico-inschatting, psychologie en gedrag. Ook sprak het RIVM met klussers zelf. Veel factoren blijken te kunnen bijdragen aan het ontstaan van een ongeluk in en om het huis met machines of ladders/trapjes. De meeste oorzaken die door experts werden genoemd, hebben te maken met het gedrag van de klusser. Aan dat gedrag liggen bijvoorbeeld verkeerde inschattingen van de situatie en de denkwijze van de klusser zelf ten grondslag. Ook het gereedschap of de omgeving kunnen het gedrag beinvloeden. Volgens experts gaan klussers bijvoorbeeld aan het werk zonder genoeg over het product te weten. Klussers willen een taak snel en makkelijk doen. Verder schatten klussers volgens de experts de kans op een ongeluk laag in. Ze gebruiken daarnaast soms een product dat niet geschikt is voor de klus of dat is verouderd. Ook kan het ontwerp van een product bijdragen aan onveilig gebruik. Verder kan er in huis weinig ruimte zijn om te bewegen, en kunnen de mensen om de klusser heen onveilig werken stimuleren. In de gesprekken met klussers kwamen vaak dezelfde dingen terug, zoals het laag inschatten van de kans op een ongeluk, en de behoefte een klus even snel te willen afmaken. Het overzicht in dit onderzoek kan worden gebruikt voor vervolgonderzoek naar oorzaken van ongelukken in en om het huis. Het is de bedoeling dat er adviezen mee worden ontwikkeld om deze ongelukken te voorkomen.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Indicatoren om de verandering naar de Juiste Zorg Op de Juiste Plek te volgen: een Delphi-studie | RIVM

De zorg staat steeds meer onder druk. Dit komt onder meer door personeelstekorten, vergrijzing en stijgende zorgkosten. Een manier om deze problemen op te vangen, zijn veranderingen in de organisatie van zorg en ondersteuning om vaker de ‘Juiste Zorg op de Juiste Plek’ (JZOJP) te krijgen. Het doel van dit veranderproces is zorg voorkomen (preventie), verplaatsen naar de juiste hulpverlener, of vervangen, bijvoorbeeld door digitale zorg. Dit gebeurt lokaal, regionaal en landelijk. De bedoeling van JZOJP is om te zorgen dat mensen kunnen blijven doen wat ze belangrijk vinden. Het is hiervoor onder meer nodig dat verschillende organisaties, zoals zorg- en welzijnsorganisaties, samenwerken. Bijvoorbeeld door mensen met schulden die bij de huisarts komen ook door te verwijzen naar de schuldhulpverlening. Of de juiste hulp te regelen voor ouderen die herstellen na een operatie. Er zijn al veel initiatieven ontstaan voor JZOJP in verschillende regio’s in Nederland. Het RIVM onderzoekt in opdracht van het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) wat nodig is om de verandering naar JZOJP verder te brengen. Het RIVM onderzocht op welke onderwerpen dit veranderproces het beste kan worden gevolgd, en of daarvoor nog nieuwe informatie nodig is. Hieruit bleek onder meer dat er voor veel onderwerpen nog geen (goede) gegevens (indicatoren) beschikbaar zijn om de voortgang te kunnen meten. Dat geldt bijvoorbeeld voor het vertrouwen tussen professionals en de samenwerking tussen organisaties. In totaal hebben veertig medewerkers van zorg-, welzijns-, en kennisorganisaties meebeslist hoe de verandering naar JZOJP moet worden gemeten. Eerst werd een groep deelnemers het met elkaar eens welke onderwerpen hiervoor allemaal belangrijk zijn. Hieruit zijn de 25 belangrijkste onderwerpen gekozen. Enkele voorbeelden zijn hoe inwoners hun eigen gezondheid ervaren, de uitwisseling van digitale gegevens tussen zorgverleners en met patiënten, en de zorgkosten. Daarna koos een groep deelnemers voor elk onderwerp uit een lijst van bestaande indicatoren de meest relevante; de basislijst. Tot slot heeft een groep deelnemers een wensenlijst met indicatoren voor de toekomst gemaakt, zodat er voor alle belangrijke onderwerpen goede indicatoren kunnen zijn.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Depositie onderzoek IJmond najaar 2022. Monstername en analyse van PAK en metalen in neergedaald stof in de IJmond regio | RIVM

Het RIVM heeft in het najaar van 2022 voor de derde keer gemeten hoeveel polycyclische aromatische koolwaterstoffen ( PAK Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen ) ) en metalen in stof in de omgeving van Tata Steel op de grond neerdalen. Dit stof veroorzaakt overlast in de buurt van het Tata Steel terrein. De resultaten uit 2022 bevestigen de bevindingen van de twee eerdere onderzoeken: in de IJmond zitten grotere hoeveelheden PAK en metalen in neergedaald stof dan elders in Nederland. Dit is vooral in Wijk aan Zee het geval. Deze hoeveelheden zijn ongewenst voor de gezondheid van kinderen. Wel is de hoeveelheid neergedaald ijzer in het hele gebied gedaald sinds het eerste onderzoek in 2020. Dit kan erop wijzen dat er minder ijzer wordt uitgestoten. Voor de meeste andere metalen en PAK kan op basis van dit onderzoek niet worden bepaald of de uitstoot vanaf het Tata Steel-terrein hoger of lager is dan tijdens het onderzoek in 2020. De verschillen die zijn gevonden, waren te klein om van een structurele verandering te kunnen spreken. Om daar meer duidelijkheid over te krijgen, moeten de metingen nog enkele jaren achter elkaar worden herhaald. Het RIVM adviseerde na het eerste onderzoek om dat te doen. Het RIVM overlegt met de opdrachtgevers hoe dat het beste kan worden vormgegeven. Het RIVM heeft het onderzoek gedaan in het najaar van 2022 in verschillende dorpen rond het terrein van Tata Steel. Daarnaast zijn monsters genomen op achtergrondlocaties. In deze gebieden zijn er niet zoveel bronnen die veel stof uitstoten, zoals zware industrie, grote verkeerswegen en scheepvaart. De metingen van nu zijn vergeleken met metingen die in 2020 en in het voorjaar van 2022 op dezelfde plekken zijn uitgevoerd. Op basis van dit onderzoek is niet te bepalen wat de afzonderlijke bijdrage van de verschillende bronnen is, zowel op het terrein van Tata Steel als daarbuiten. Dit onderwerp komt aan de orde in het onderzoek van het RIVM over de invloed van Tata Steel Nederland op de gezondheid van omwonenden en de kwaliteit van hun leefomgeving. Dit resultaten van dit onderzoek verschijnen in het voorjaar van 2023 .
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Plan van aanpak monitor Mondgezondheid | RIVM

Het is niet duidelijk hoe gezond de mond van de inwoners van Nederland is. Om goede beleidskeuzes over mondzorg te kunnen maken, heeft de minister van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) besloten een monitor Mondgezondheid op te zetten. Het RIVM heeft nu een plan van aanpak gemaakt om de monitor op te zetten. Welke informatie de monitor moet gaan opleveren, de zogeheten indicatoren, is al eerder onderzocht. Voorbeelden zijn het aantal gaatjes dat niet is behandeld, of mensen naar een mondzorgverlener, zoals de tandarts, gaan en of ze tandpijn hebben. Het RIVM beschrijft in het plan van aanpak welke informatie beschikbaar is voor de indicatoren. Hiervoor zijn 25 gesprekken gevoerd met partijen die mogelijk informatie kunnen aanleveren. Ook is gekeken welke informatie nog ontbreekt. Voor een deel van de indicatoren blijkt er alleen informatie te zijn die een keer is verzameld. Een monitor wil juist de ontwikkelingen door de jaren heen laten zien, waardoor er informatie over meerdere jaren nodig is. Het RIVM heeft verder onderscheid gemaakt tussen informatie die beschikbaar is voor de eerste monitor in 2023 en informatie die in de jaren daarna beschikbaar kan worden gemaakt. Ook hebben de geinterviewde partijen benoemd onder welke voorwaarden de informatie kan worden gebruikt. Voor een aantal indicatoren kan een vragenlijstonderzoek waarin mensen zelf hun ervaringen aangeven, informatie leveren. Bijvoorbeeld hoeveel mensen een kunstgebit hebben. Verder kunnen anonieme declaratiegegevens van behandelingen onder andere informatie geven over wie wel en niet naar een mondzorgverlener gaat. Voor bepaalde informatie, bijvoorbeeld over onbehandelde gaatjes en tandvleesontsteking, is mondonderzoek nodig. Dit kan bijvoorbeeld door mensen in een speciale onderzoeksbus te onderzoeken. Naast de invulling van de indicatoren adviseert het RIVM regelmatig een onderwerp verder uit te diepen. Bijvoorbeeld de mondgezondheid van ouderen of van mensen met een lage sociaaleconomische positie.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Ervaringen van nachtwerkers, werkgevers en bedrijfsartsen. Inzicht in de impact van nachtwerk en mogelijke oplossingen | RIVM

In Nederland werken 1,2 miljoen mensen soms of regelmatig in de nacht. Vooral in de zorg, productie of logistiek. Nachtwerk vergroot het risico op diabetes type 2, hart – en vaatziekten en slaapproblemen, concludeerde de Gezondheidsraad ( GR groepsrisico (groepsrisico) ) in 2017. Ondanks de bewezen gezondheidsrisico’s is er beperkt onderzoek gedaan naar de ervaren impact van nachtwerkers zelf. Ook is onbekend wat de redenen zijn voor het uitvoeren van nachtwerk. Met subsidie van Instituut Gak hebben het RIVM en TNO ervaringen van nachtwerkers opgehaald. De ervaringen zijn erg wisselend: nachtwerkers zien zowel positieve (extra toeslag of sfeer) als negatieve aspecten (gezondheidsklachten of minder ruimte voor sociale activiteiten) van werken in de nacht. Resultaten uit een enquête laten zien dat nachtwerkers meer risico hebben op een verstoorde werk-privébalans. Begrip en steun vanuit de omgeving kunnen helpen om negatieve ervaringen met nachtwerk te verminderen. Zowel werkgevers als werknemers geven aan dat de meest voorkomende redenen voor nachtwerk zijn: werk dat direct gedaan moet worden, economische redenen en praktische redenen. In gesprekken met werkgevers, bedrijfsartsen en nachtwerkers komt naar voren dat veel van het nachtwerk niet te verminderen is. Daarom is het extra belangrijk dat er meer kennis komt over mogelijke oplossingen om de negatieve gezondheidsgevolgen van nachtwerk te beperken en over hoe deze goed gerealiseerd kunnen worden. Meer aandacht voor het nachtwerk en de mogelijke gezondheidsgevolgen bij werkgevers kan het startpunt zijn om de negatieve gevolgen te verminderen. Nachtwerkers hebben verschillende voorkeuren, dus maatwerk is belangrijk. Ook zal niet voor elke organisatie dezelfde oplossing of maatregel werken.
Jaar: 2023 Onderzoek

Digitaal kennis- en communicatie platform (KCP) Arbeidsgerelateerde zorg. Een verkenning naar de wensen en mogelijkheden | RIVM

Arbeidsgerelateerde zorg betekent zorg om de gezondheid van werkenden te behouden, herstellen en te verbeteren. Sinds 2016 bestaat het ‘Platform Arbeidsgerelateerde Zorg’, waarbinnen zorgprofessionals en andere betrokken partijen kennis en informatie over projecten delen. Bij het platform zijn onder andere beroepsverenigingen van medisch specialisten, huisartsen en bedrijfsartsen aangesloten. Zij komen twee keer per jaar samen. Het RIVM is voorzitter van dit platform en verstuurt een nieuwsbrief. Uit een evaluatie van het Platform in 2021 bleek dat de leden behoefte hebben aan een plek waar zij alle informatie kunnen terugvinden: een digitaal kennis- en communicatieplatform (KCP). Om dit KCP in te richten, is in 2022 een werkgroep gevormd met zes vertegenwoordigers van beroepsverenigingen. Het RIVM is ook voorzitter van deze werkgroep. De werkgroep heeft de doelen, doelgroepen, inhoud voor het platform en randvoorwaarden bepaald. Het doel is om informatie over arbeidsgerelateerde zorg te verzamelen en beschikbaar te stellen voor de betrokken partijen, zodat zij de zorg voor werkenden kunnen verbeteren. Dit kan gaan om informatie over onderzoeken, ervaringen uit de praktijk en een agenda. Daarnaast heeft het RIVM gesproken met platforms met een soortgelijk thema (arbeid of gezondheid) en doel (kennis delen) om te leren van hun ervaringen. Verder bleek uit gesprekken met de werkgroep en communicatie- en informatieadviseurs dat een online community platform het meest geschikte middel is. Dit biedt namelijk mogelijkheden om de verschillende beroepsgroepen vaker met elkaar in contact te laten komen. Ook kunnen hiermee kennis en ervaringen interactief worden gedeeld. In 2023 gaat het RIVM met de werkgroep verder werken aan het platform. Het RIVM gaat onder andere gesprekken voeren met de Dienst Publiek en Communicatie (DPC) van het Rijk over de mogelijkheden om een digitaal KCP te bouwen.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Beweeggedrag in 2021. Door verschillende groepen in de Nederlandse bevolking | RIVM

De Nederlandse overheid wil dat 75 procent van de Nederlandse bevolking in 2040 aan de Beweegrichtlijnen voldoet. Bewegen verkleint de kans op zowel lichamelijke als geestelijke gezondheidsproblemen. Dat staat in het Nationaal Preventieakkoord. Om dit te bereiken is in 2022 de Beweegalliantie ingesteld. Het RIVM geeft nu uitgebreid inzicht in de verschillen in het beweeggedrag tussen verschillende groepen van de Nederlandse bevolking in 2021. Ook wordt voor het eerst gekeken welke activiteiten er het meest voor zorgen dat mensen volgens de richtlijn genoeg bewegen. In 2021 voldeed 47 procent van de Nederlandse bevolking van 4 jaar of ouder aan de Beweegrichtlijnen. Kinderen van 4 tot en met 11 jaar haalden het vaakst de Beweegrichtlijnen (62 procent). Groepen die minder vaak aan de Beweegrichtlijnen voldeden waren jongeren van 12 tot en met 17 jaar, mensen met een lager opleidingsniveau, mensen met een lager huishoudinkomen, mensen met een niet-westerse migratieachtergrond, mensen die in sterk stedelijke gebieden wonen, mensen met zowel een langdurige aandoening als een lichamelijke beperking, en mensen met ernstig overgewicht. De verschillende groepen in de bevolking hebben verschillende voorkeuren voor het type activiteiten om te bewegen en om te sporten. Zo wandelen vrouwen en mensen met een hoger opleidingsniveau bijvoorbeeld vaker, en doen kinderen vaker aan voetbal. Over het algemeen zijn wandelen in de vrije tijd, sporten en fietsen in de vrije tijd de belangrijkste activiteiten waardoor mensen voldoen aan de Beweegrichtlijnen. Voor enkele groepen in de bevolking is dit anders. Bijvoorbeeld voor kinderen zijn dat vooral buitenspelen op school en in de vrije tijd en sporten. Voor jongeren zijn dit sporten, fietsen naar school of werk en gymles op school. De beweegrichtlijnen houden in dat volwassenen elke week ten minste twee en een half uur matig intensief bewegen, zoals wandelen en fietsen, verdeeld over meerdere dagen. Voor kinderen is dat elke dag minstens een uur. Daarnaast worden spier- en botversterkende activiteiten aanbevolen, minimaal 2 keer per week voor volwassenen en 3 keer per week voor kinderen.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

(Cost-)effectiveness of a personalized multidisciplinary eHealth intervention for knee arthroplasty patients to enhance return to activities of daily life, work and sports - rationale and protocol of the multicentre ACTIVE randomized controlled trial | RIVM

(Cost-)effectiveness of a personalized multidisciplinary eHealth intervention for knee arthroplasty patients to enhance return to activities of daily life, work and sports - rationale and protocol of the multicentre ACTIVE randomized controlled trial | RIVM
Jaar: 2023 Onderzoek

Procesevaluatie rol Centrale Zorgverlener binnen de aanpak Kind naar Gezonder Gewicht | RIVM

De aanpak Kind naar Gezonder Gewicht is ontwikkeld om ondersteuning en zorg voor kinderen met (ernstig) overgewicht in gemeenten te organiseren. Een belangrijk kenmerk van de aanpak is de brede blik op overgewicht en obesitas. Verschillende oorzaken kunnen het overgewicht namelijk in stand houden, zoals armoede, werkeloosheid, problemen in het gezin of pesterijen op school. Het is daarom belangrijk dat professionals uit de zorg en het sociale domein met elkaar samenwerken. Het traject voor ondersteuning en zorg wordt begeleid door één centrale zorgverlener. Deze bouwt een vertrouwensband op met het kind en het gezin en is het aanspreekpunt voor andere professionals. Deze rol wordt meestal vervuld door een jeugdverpleegkundige, die daar een speciale scholing voor heeft gevolgd. Uit de evaluatie van het RIVM blijkt dat de rol van de centrale zorgverlener vaak nieuw is maar binnen gemeenten steeds meer vorm krijgt. Bijvoorbeeld in de samenwerking met andere professionals en de lokale projectleider, en het aantal gezinnen dat wordt begeleid. Wel verschilt het per gemeente hoe ver deze rol is ontwikkeld. Het is belangrijk dat de centrale zorgverlener genoeg tijd en ruimte krijgt om aan deze rol aandacht te geven, naast het dagelijkse werk als bijvoorbeeld jeugdverpleegkundige. Dat is niet altijd het geval. Verder moet de centrale zorgverlener kennis hebben over overgewicht en mogelijke achterliggende problemen. Scholing en onderlinge uitwisseling van informatie en ervaringen tussen centrale zorgverleners is daarom belangrijk. Voor goede zorg en ondersteuning van kind en gezin werkt de centrale zorgverlener samen met een lokaal netwerk van zorg- en welzijnsprofessionals, zoals een diëtist, kinderarts of wijkprofessional. Het is belangrijk dat zowel de centrale zorgverlener als de zorg- en welzijnsprofessionals zich actief inzetten voor deze samenwerking. De doorverwijzing naar en tussen de professionals met speciale vakkennis kan nog beter. Ook kunnen professionals over de hele breedte van het lokale netwerk beter worden ingezet. Belangrijk hierbij is dat de rol van de centrale zorgverlener bij de andere professionals bekend is en dat zij begrijpen welke taken en verantwoordelijkheden erbij horen. Een belemmerende factor voor de samenwerking is dat de verschillende professionals met andere informatiesystemen werken. Ook het huidige gebrek aan structurele financiering is een belemmering. Verder wordt meer capaciteit en prioriteit voor deze rol aanbevolen. Deze en andere aanbevelingen aan gemeenten, lokale projectleiders, centrale zorgverleners en het landelijk programma Kind naar Gezonder Gewicht zijn terug te vinden in de rapportage ‘Kind naar Gezonder Gewicht. Procesevaluatie centrale zorgverlener’.
Jaar: 2023 Onderzoek

De Toekomst van Gezond en Veilig Werken. Een brede horizonscan | RIVM

Dit rapport bevat een erratum d.d. 02-05-2023 op pagina 171 De wereld van werk verandert snel. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ( SZW Sociale zaken en werkgelegenheid (Sociale zaken en werkgelegenheid) ) wil daarom weten welke ontwikkelingen de komende twintig jaar belangrijk zijn voor gezond en veilig werken. Het RIVM en TNO hebben daarom verkend welke ontwikkelingen op Nederland afkomen en wat die betekenen voor gezond en veilig werken. De verkenning laat zien dat verschillende ontwikkelingen invloed gaan hebben op gezond en veilig werken. Voorbeelden zijn een vergrijsde beroepsbevolking, globalisering, individualisering, robotisering, de energietransitie en de toename van regels (juridisering). Alle ontwikkelingen staan niet op zichzelf, maar hangen met elkaar samen. RIVM en TNO hebben de verwachte gevolgen van die ontwikkelingen op gezond en veilig werken in kaart gebracht. Daarnaast zijn er vijf strategische thema’s benoemd. Zo geven veel technologische ontwikkelingen zowel kansen als bedreigingen voor gezond en veilig werken. De invloed op gezond en veilig werken is nu nog onduidelijk, omdat het er van afhangt hoe technologieën worden ingezet. Een tweede thema is dat de mentale belasting van werkenden waarschijnlijk groter wordt. Dit komt onder meer door de combinatie van werk met zorgtaken en een hoge werkdruk door bijvoorbeeld personeelstekorten. Een derde thema is dat de autonomie van werkenden verandert. Deze kan afnemen door juridisering, of als technologie het werk eentoniger maakt. Maar de autonomie kan juist toenemen door hybride werken, of als technologie het werk uitdagender maakt. Een vierde thema is dat werkenden moeten blijven ‘leren’. Dat komt omdat werktaken snel kunnen veranderen door onder meer nieuwe technologieën en de energietransitie. Ten vijfde stapelt het aantal risico’s zich op bij kwetsbare groepen werkenden, zoals flexwerkers en werkenden met een lager inkomen. Nieuwe risico’s, zoals de blootstelling aan hogere temperaturen tijdens werk en langdurig werken op grote hoogte, treffen waarschijnlijk deze groepen werkenden. Deze horizonscan is een eerste stap. De komende jaren worden verdiepende studies uitgevoerd naar de toekomst van gezond en veilig werken.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Accounting for Adverse Events Following Immunization in Economic Evaluation: Systematic Review of Economic Evaluations of Pediatric Vaccines Against Pneumococcus, Rotavirus, Human Papillomavirus, Meningococcus and Measles-Mumps-Rubella-Varicella | RIVM

Accounting for Adverse Events Following Immunization in Economic Evaluation: Systematic Review of Economic Evaluations of Pediatric Vaccines Against Pneumococcus, Rotavirus, Human Papillomavirus, Meningococcus and Measles-Mumps-Rubella-Varicella | RIVM
Jaar: 2023 Onderzoek

Improving laboratory-based surveillance of infectious diseases in the Netherlands | RIVM

In Nederland testen speciale laboratoria of mensen een infectieziekte hebben. Dit geeft inzicht in hoeveel mensen ziek worden en van welke variant van een virus of bacterie. Het RIVM doet deze analyse in samenwerking met deze ‘medisch microbiologische laboratoria’ en met de GGD Gemeentelijke Gezondheidsdienst (Gemeentelijke Gezondheidsdienst) ’en. Tijdens de coronapandemie werd duidelijker dat laboratoria, inclusief die van het RIVM, goed in staat moeten zijn om op grote schaal op infectieziekten te testen. Ook moeten zij kunnen bepalen om welke varianten van een ziekteverwekker het gaat, zoals de delta- en omikronvarianten van het virus SARS severe acute respiratory syndrome (severe acute respiratory syndrome) - CoV coronavirus (coronavirus) -2. Daarnaast moeten de gegevens van de laboratoria veilig en efficiënt met RIVM kunnen worden uitgewisseld om te kunnen bepalen hoe een pandemie in Nederland verloopt. Ook voor andere infectieziekten dan COVID-19 is het belangrijk om via laboratoriumtesten in kaart te kunnen brengen hoe ze zich ontwikkelen. Op dit moment worden voor verschillende ziekten verschillende technische systemen gebruikt. Een deel van deze systemen is verouderd. Om een eventuele nieuwe epidemie beter aan te kunnen, gaat het RIVM hiervoor een nieuw technisch platform opzetten. Hiermee kan het toezicht op verschillende infectieziekten op dezelfde manier technisch worden ondersteund, zowel bij de opslag als de analyse van de data. Zo kunnen de gegevens op dezelfde manier worden uitgewisseld. Dat is efficiënter en voor alle laboratoria overzichtelijker. Verder moet het systeem beter in staat zijn om grote hoeveelheden testresultaten te kunnen verwerken. Ook wordt het makkelijker om data van nieuwe ziekteverwekkers op te slaan en te analyseren. Als voorbereiding op deze verbeterslag heeft het RIVM de juridische context beschreven voor de uitwisseling van de gegevens, zoals de privacywetgeving. Het heeft ook de eerste volledige versie beschreven van de technische specificaties en functionaliteiten waaraan het platform moet voldoen. Vanaf 2023 ontwikkelt en verfijnt het RIVM de belangrijkste delen van het platform. Om het platform zorgvuldig te kunnen ontwikkelen, worden losse onderdelen een voor een aangepakt. Zo kan het RIVM telkens leren van de ervaringen. Deze aanpak is gunstig voor zowel de kwaliteit als de kostprijs van het uiteindelijke platform.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

DNA-technologie voor de Nederlandse bevolking. Een veldconsultatie voor een DNA-visie en strategisch beleidsplan van het ministerie van VWS | RIVM

DNA- Desoxy nucleinezuur (Desoxy nucleinezuur) technologie ontwikkelt zich snel en veelzijdig. Zo wordt er steeds meer bekend over het verband tussen DNA deoxyribonucleic acid (deoxyribonucleic acid) en ziekten en/of behandelingen. DNA-technologie wordt al gebruikt bijvoorbeeld om mensen te behandelen en om ziekten te voorkomen, maar het is nog niet duidelijk hoe DNA-technologie en ontwikkelingen daarin beter kunnen worden gebruikt. Het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) gaat daarom een visie en een strategisch beleidsplan maken voor het gebruik van DNA-technologie. Het RIVM heeft aan betrokkenen, zoals zorgverleners, onderzoekers, patiëntvertegenwoordigers en productontwikkelaars, gevraagd wat zij hierin belangrijk zouden vinden. Hen is gevraagd waarvoor DNA-technologie het beste in Nederland kan worden gebruikt en onder welke voorwaarden. Zij zien veel mogelijkheden om de volksgezondheid met deze technologie te verbeteren. DNA-technologie kan bijvoorbeeld meer worden gebruikt om eerder en beter (erfelijke vormen van) kanker (vroeg) op te sporen en te behandelen. Wel is meer kennis nodig over de relatie tussen DNA en gezondheid, en dus wat nieuwe ontwikkelingen in DNA-technologie aan gezondheid kunnen toevoegen. Ook moet duidelijk worden hoeveel dat kost. Verder zijn de voorwaarden voor het gebruik belangrijk. Dat komt omdat DNA-technologie bijvoorbeeld raakt aan maatschappelijke vraagstukken over risico’s op ziekten. Zo wil niet iedereen worden geconfronteerd met DNA-kenmerken van zichzelf en van zijn familie. Ook wil niet iedereen informatie over zijn gezondheid beschikbaar stellen voor onderzoek. De ondervraagde betrokkenen vinden het daarom belangrijk dat het gebruik van DNA-technologie aansluit bij de behoeften in de samenleving. De bevolking staat centraal in hun antwoorden en mensen moeten zelf kunnen kiezen welke toepassingen ze wel en niet wenselijk vinden. Daar komt bij dat DNA-technologie niet losstaat van andere ontwikkelingen in de zorg en samenleving, zoals digitalisering, en meer aandacht voor preventie. Het gebruik van de technologie moet daar goed op worden afgestemd.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Aggregate exposure to parabens in personal care products and toys | RIVM

Parabenen zijn conserveermiddelen. Ze zorgen ervoor dat een product niet bederft en dus langer houdbaar blijft. De stoffen worden gebruikt in persoonlijke verzorgingsproducten, zoals zonnebrand en shampoo, en in ‘waterig’ speelgoed, zoals klei, slijm en vingerverf. In Europa zijn vier parabenen toegelaten in bepaalde verzorgingsproducten en vingerverf: methyl-, ethyl-, propyl- en butylparabeen. Parabenen kunnen schadelijk zijn voor de gezondheid. Of dat zo is, hangt af van de hoeveelheid waarin mensen ermee in contact komen. Daarom is per product wettelijk bepaald hoeveel parabenen erin mogen zitten. Hierdoor komen mensen per product maar met een kleine hoeveelheid parabenen in contact. Maar als mensen meer dan één product met parabenen gebruiken, worden ze aan grotere hoeveelheden blootgesteld. Het RIVM berekende daarom de hoeveelheid parabenen waaraan volwassenen en kinderen gemiddeld per dag worden blootgesteld als zij verschillende van deze producten gebruiken. Als mensen verschillende producten gebruiken met één soort parabeen, blijkt de totale blootstelling lager te zijn dan de hoeveelheid die naar verwachting een gezondheidseffect veroorzaakt. Alleen voor de mogelijk hormoonverstorende werking van parabenen is nog niet bekend of de gecombineerde blootstelling veilig is. In Europees verband wordt daar nu veel onderzoek naar gedaan en gekeken bij welke blootstelling deze effecten zouden kunnen optreden. Ook is nog onduidelijk wat de gezondheidsrisico’s zijn als mensen verschillende soorten parabenen uit verschillende producten tegelijk binnenkrijgen. Het RIVM heeft de blootstelling berekend met de hoeveelheden parabenen die de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit ( NVWA Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit) ) heeft gemeten in veel verschillende verzorgingsproducten en speelgoed. De blootstelling is onder andere berekend met twee computermodellen: ConsExpo en PACEM. Het computermodel ConsExpo kan een eerste inschatting van de blootstelling geven als iemand één product gebruikt. Met PACEM kan de blootstelling worden berekend als mensen meerdere producten gebruiken. Ook gebruikt dit model concrete gegevens over hoe vaak mensen een product gebruiken en in welke hoeveelheid. Het geeft daardoor een realistischer schatting van de blootstelling.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Het aanbod van desinfectiemethoden tegen het coronavirus in 2021. Een verkenning met het oog op werkzaamheid, veiligheid en effectiviteit | RIVM

Door de coronapandemie zijn er meer en nieuwe desinfectiemethoden op de markt gebracht. De verschillende methoden vallen onder verschillende wetgeving, met andere eisen voor de werkzaamheid en de veiligheid. Het RIVM heeft een overzicht gemaakt van de methoden en de bijbehorende wetgeving. Bij biociden, geneesmiddelen en medische hulpmiddelen beoordeelt altijd een onafhankelijke instantie de werkzaamheid en de veiligheid. Bij desinfectiemethoden die onder de Warenwet vallen, is alleen de fabrikant daarvoor verantwoordelijk. Zonder zo’n onafhankelijke beoordeling is het minder zeker of een methode werkzaam en veilig is. In 2021 waren er bijvoorbeeld desinfectiemethoden op de markt die werken op basis van uv ultraviolet (ultraviolet ) -C-straling en onder de Warenwet vallen. Het RIVM raadt het gebruik van apparaten met uv-C-straling voor desinfectie af als de kans bestaat dat mensen of dieren worden blootgesteld aan deze straling. Zo zijn er in 2021 draagbare lampen, plafondlampen en polsbandjes met uv-C-straling aangeboden die het RIVM niet als veilig beschouwt. Ook ozon, gebruikt om lucht en ruimtes te desinfecteren, valt nu nog onder de Warenwet en is dus niet onafhankelijk beoordeeld op werkzaamheid en veiligheid. Zodra ozon is goedgekeurd onder de Biocidenverordening, gaat dit wel gebeuren. Verder bleken desinfectiemethoden op de markt te zijn waarvoor een toelating nodig is omdat deze onder de biocideregelgeving vallen. Het gaat om bijvoorbeeld biocide coatings en bepaalde desinfectiemethoden voor lucht en ruimtes. Deze methoden zijn tot nu toe niet toegelaten, en zijn dus illegaal op de markt. Hun werkzaamheid en veiligheid is daardoor niet onafhankelijk beoordeeld. Cosmetica, zoals reinigende handgels, en schoonmaakmiddelen kunnen op desinfectiemiddelen lijken, maar zijn dat niet. Dit soort producten moeten dus niet als zodanig worden gebruikt. Desinfecterende handgels zijn wel desinfectiemiddelen. Het RIVM adviseert nader te onderzoeken welke desinfectiemethoden aantoonbaar helpen om het coronavirus minder te verspreiden. De belangrijkste besmettingsroute van het coronavirus blijft namelijk de verspreiding via de lucht binnen anderhalve meter. Door onnodig en onjuist gebruik van desinfectiemiddelen kunnen bacteriën er resistent tegen worden. Het RIVM adviseert daarom ook te onderzoeken hoe consumenten en professionele gebruikers gestimuleerd kunnen worden om desinfectiemiddelen alleen op de juiste manier te gebruiken en alleen wanneer dat echt nodig is.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Relaties vliegtuiggeluid – hinder en slaapverstoring 2020. Civiele en militaire vliegvelden in Nederland | RIVM

Dit rapport bevat een erratum d.d. 02-06-2023 op pagina 106. Het RIVM heeft bij omwonenden van 14 luchthavens onderzocht aan hoeveel geluid ze blootstaan en welke invloed dit had op de (mate van) hinder en slaapverstoring. De relatie tussen de blootstelling aan vliegtuiggeluid en de mate van hinder of slaapverstoring heet een blootstelling-responsrelatie (BR-relatie). De luchthavens waren Schiphol, Groningen, Rotterdam, Lelystad, Eindhoven en Maastricht en 8 militaire luchthavens. In 2002 deed het RIVM al onderzoek om BR-relaties voor hinder en slaapverstoring te bepalen, maar toen alleen voor de luchthaven Schiphol. De BR-relaties van Schiphol werden daarna ook voor de andere luchthavens gebruikt. In het huidige onderzoek zijn de BR-relaties opnieuw bepaald op basis van gegevens uit 2020. Dit is voor elke luchthaven apart gedaan. De uitkomsten zijn vergeleken met de BR-relaties voor Schiphol uit 2002. Hieruit blijkt dat de blootstelling-respons relatie voor Schiphol uit 2002 geen goede beschrijving meer is voor de huidige relatie tussen vliegtuiggeluid en hinder en slaapverstoring rond Schiphol. Datzelfde geldt ook voor de beschrijving voor de regionale luchthavens. Meer omwonenden van vrijwel alle luchthavens ervaren bij dezelfde hoeveelheid geluid in 2020 ernstige hinder en ernstige slaapverstoring dan in 2002. Uit het onderzoek blijkt dat de relatie tussen de blootstelling aan vliegtuiggeluid en de mate van hinder of slaapverstoring per luchthaven anders is dan die van Schiphol en dat daarom per (regionale) luchthaven een eigen BR-relatie nodig is. Het RIVM gebruikt voor dit onderzoek gegevens uit de Gezondheidsmonitor 2020 van de GGD Gemeentelijke Gezondheidsdienst (Gemeentelijke Gezondheidsdienst) . Deze monitor gaat over hoe omwonenden hun gezondheid ervaren. De Gezondheidsmonitor vraagt niet naar andere omstandigheden dan de mate van hinder en slaapverstoring. Meer inzicht in deze omstandigheden is nodig om nauwkeuriger in beeld te brengen waardoor mensen gehinderd of slaapverstoord zijn. Voorbeelden zijn de houding van mensen ten opzichte van de luchthaven en de individuele gevoeligheid voor geluid. De corona-epidemie heeft mogelijk invloed gehad op de resultaten van het onderzoek uit 2020. Bewoners van de gemeenten rond luchthavens hebben in 2020 meer ernstige hinder ervaren dan in 2016, terwijl er bij de meeste luchthavens minder is gevlogen. Een mogelijke verklaring is dat mensen vanwege de coronamaatregelen meer thuis werkten en daardoor meer of vaker vliegtuiggeluid hebben gehoord. Het RIVM heeft dit keer ook een andere methode (spline-methode) gebruikt om een BR-relatie te maken. Deze methode is ingewikkelder om uit te voeren maar laat de relatie tussen de blootstelling en ervaren ernstige hinder preciezer zien. Het RIVM beveelt aan vaker BR-relaties rondom luchthavens te updaten. Daarnaast beveelt het RIVM aan om voor elke luchthaven een eigen BR-relatie te gebruiken en deze in de toekomst met de spline-methode te bepalen. Dit onderzoek is uitgevoerd als onderdeel van de Programmatische Aanpak Meten Vliegtuiggeluid (PAMV) in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) ).
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Meldingen over gezondheidsklachten bij borstimplantaten | RIVM

In 2020 bracht MEBI een eerste factsheet uit over meldingen van gezondheidsklachten bij borstimplantaten. Daarin stonden 476 meldingen ontvangen van juli 2017 (start MEBI) tot en met december 2019. Sindsdien zijn er nog eens 501 meldingen over borstimplantaten binnengekomen. Deze nieuwe publicatie bevat informatie over alle meldingen over gezondheidsklachten bij borstimplantaten, ontvangen van juli 2017 tot en met december 2022.
Jaar: 2023 Onderzoek

E-healthmonitor 2022. Stand van zaken digitale zorg | RIVM

De gezondheidszorg staat onder druk door onder andere de vergrijzing, het stijgende tekort aan personeel en hoge zorgkosten. E-health, oftewel digitale zorg, geeft mogelijkheden om de zorg betaalbaar en toegankelijk te houden en goede kwaliteit te blijven bieden. Daarom wordt sinds 2013 elk jaar in kaart gebracht welke digitale zorg beschikbaar is, hoe het wordt gebruikt en wat zorgverleners en patienten ervan vinden. Uit het onderzoek van 2022 blijkt dat meer zorgverleners digitale middelen gebruiken dan in 2021. Waarschijnlijk droeg de coronapandemie daaraan bij. Zo zette zorgverleners vaker beeldbellen in en kwamen er meer digitale patiëntportalen waarmee patiënten toegang hebben tot hun medische gegevens, herhaalrecepten mee kunnen aanvragen of een afspraak kunnen maken. Verder zijn vaker technieken gebruikt om de veiligheid van de patiënt te bewaken, zoals een dubbele digitale controle op het gebruik van medicijnen. Hoe vaak zorgverleners digitale middelen gebruikten en voor welke patiëntengroepen, is moeilijk te zeggen met de informatie uit deze monitor. Wel is duidelijk dat digitale middelen nog geen vast onderdeel van de zorg zijn. Door de jaren heen denken meer zorgverleners dat digitale zorg meerwaarde heeft en zijn ze er steeds positiever over. Wel zijn meningen verdeeld over of het de problemen in de zorg kan helpen oplossen. Zorgverleners zijn bijvoorbeeld neutraal tot licht positief over de mogelijkheden om de zorgkosten en de werkdruk te verlagen en het werkplezier te verbeteren. De meerderheid van de zorgverleners is gematigd positief over de mogelijkheden om met digitale middelen de kwaliteit van de zorg en de eigen regie van de patiënt te verbeteren. Om digitale middelen in de zorg vaker en beter in te kunnen zetten, moeten deze een logischer onderdeel worden van de manier van werken in de zorg. Ook de voordelen voor patiënten en zorgverleners moeten duidelijker worden. Voor de zorgverleners is het belangrijk dat digitale zorg de werkdruk vermindert, zodat ze tijd overhouden voor patiënten. Verder is het essentieel dat digitale zorg voor zowel patiënten als zorgverleners makkelijk is in het gebruik. Tot slot moet de financiering van digitale zorg anders worden geregeld, ook in de toekomst.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Onzichtbaar en onbekend. Een verkenning naar de beleving van het ondergrondse transport van waterstof door buisleidingen | RIVM

Duurzaam geproduceerde waterstof kan worden gebruikt om energie op te slaan en te vervoeren. Ook kan de chemische industrie het als grondstof gebruiken. Op deze manier kan waterstof helpen om minder fossiele brandstoffen te gebruiken, en dus minder CO2 carbon dioxide (carbon dioxide) uit te stoten. De overheid wil daarom bestaande leidingen waarmee aardgas wordt vervoerd, gaan gebruiken om waterstof te verplaatsen. Bijvoorbeeld naar gebieden met veel industrie. De kans op een ongeval bij het transport is klein en ongeveer hetzelfde als bij aardgasleidingen: er kan waterstof vrijkomen waardoor een fakkelbrand ontstaat. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) ) wil weten hoe mensen die in de buurt van aardgasleidingen wonen, over dit plan denken. Het ministerie wil ook inzicht krijgen aan welke informatie deze omwonenden behoefte hebben. Het RIVM heeft hierover vier groepsgesprekken georganiseerd, met in totaal 31 mensen. De deelnemers hebben nog geen beeld gevormd over waterstof en het vervoer ervan door ondergrondse leidingen. Voor velen was het een nieuw onderwerp. Ze stelden vragen over wat waterstof is, hoe het wordt gebruikt en waarom waterstof nodig is naast zon- of windenergie. De deelnemers kregen hierover informatie. Daarna hadden ze nog vragen en zorgen over waterstof, waaronder over de veiligheid ervan. Zo was er weerstand tegen productiewijzen van waterstof waarbij nog CO2 vrijkomt. Vooral het idee om vrijgekomen CO2 op te slaan, riep vragen op over de risico’s ervan. Bijvoorbeeld wat er kan gebeuren als CO2 vrijkomt. Ook vroegen deelnemers zich af of er door de productie van waterstof meer tekorten aan water kunnen ontstaan. De deelnemers zagen ook kansen voor waterstof. Duurzaam geproduceerde waterstof kan volgens hen bijdragen aan een duurzaam energiesysteem, waarmee Nederland ook minder afhankelijk is van andere landen. Verder vonden deelnemers het hergebruik van bestaande leidingen duurzaam. Dit kan bovendien de overlast van de aanleg van nieuwe leidingen voorkomen. De meeste deelnemers gaven aan dat zij zich even veilig of veiliger zouden voelen als zij in de buurt van een waterstofleiding in plaats van een aardgasleiding zouden wonen. Wel stelden de deelnemers voorwaarden om waterstof veilig te vervoeren. Ze verwachten van de overheid dat deze vooraf onderzoekt en test of het vervoer van waterstof via bestaande buisleidingen veilig is. Ook vinden de deelnemers het belangrijk dat ze tijdig en eerlijk worden geïnformeerd wanneer dat bij hen in de buurt zou gebeuren. Als dat gebeurt, verwachten ze dat hun eventuele vragen en zorgen serieus worden genomen en worden beantwoord.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

E-healthmonitor 2022: in gesprek met zorgprofessionals en zorggebruikers over de rol van digitale middelen in het verbeteren van de zorg | RIVM

Digitale middelen worden steeds meer toegepast in de zorg, maar zijn er vaak nog geen vast onderdeel van. Een breed gestelde vraag is hoe digitale zorg kan helpen om processen in de zorg te verbeteren. De hoop is dat de kwaliteit van de zorg daarmee kan worden verhoogd, en dat digitale zorg kan helpen om problemen als gevolg van vergrijzing en personeelstekorten op te lossen. Onderzoekers zijn hierover in gesprek gegaan met verschillende betrokkenen binnen de zorg. Zij kunnen aangeven waar mogelijkheden liggen om de zorg met digitale middelen te verbeteren. Zij weten immers hoe het zorgproces eruit ziet, welke behoeftes er zijn en waar het knelt. Er is gesproken met zowel zorgverleners, managers, en bestuurders van zorgorganisaties (zorgprofessionals), als met patiënten en mantelzorgers. Deze verkenning is voor twee typen zorg (darmkanker en dementie) gedaan, en leverde een schat aan informatie op. Dit rapport is bedoeld om zorginstellingen handvatten te bieden hoe ze hun processen in kaart kunnen brengen. Ook kunnen zorginstellingen de handvatten in het rapport gebruiken om te inventariseren welke concrete kansen er zijn om digitale middelen structureel in te zetten. De geïnterviewden zien bij beide typen zorg mogelijkheden om de zorg met digitale middelen patiëntgerichter, efficiënter en flexibeler te maken. Een aandachtspunt daarbij is dat sommige groepen, zoals ouderen of anderstaligen, digitale middelen minder makkelijk gebruiken. Voor de darmkankerzorg liggen de mogelijkheden vooral in de ‘hybride zorg’, waarbij patiënten verschillende zaken thuis kunnen doornemen, voorbereiden of meten. Zo zou het intakegesprek in het ziekenhuis als voorbereiding op een kijkonderzoek kunnen worden vervangen door een digitale intake. Hierdoor kan de tijd in het ziekenhuis efficiënter worden gebruikt en heeft de patiënt thuis alle benodigde informatie beschikbaar. Dit bespaart de zorg tijd en geld. Ook zou de patiënt zich beter op het onderzoek kunnen voorbereiden. Volgens de geïnterviewden zouden voorgestelde verbeteringen in de dementiezorg de veiligheid en het welzijn van patiënten kunnen vergroten en besparen de verbeteringen daarnaast ook tijd. Zo kan een trainings- en coaching-module in het patiëntportaal patiënten en mantelzorgers ondersteunen. Een andere mogelijkheid is het verbeteren van de communicatie tussen zorgverleners en mantelzorgers via een online communicatiemiddel, bijvoorbeeld een app.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

E-healthmonitor 2022: hulp bij digitale zorg vanuit de bibliotheek als onderdeel van het sociaal domein | RIVM

Zorgverleners bieden hun zorg steeds vaker digitaal aan, maar het aantal patiënten dat hier gebruik van maakt is nog laag. Vooral ouderen, mensen met lage inkomens of weinig opleiding maken relatief het minst gebruik van digitale zorg. Ze weten niet altijd wat er mogelijk is of hoe ze met bepaalde digitale middelen om moeten gaan. Een cursus kan hierbij helpen. Deze moet dan wel aansluiten bij hun vaardigheden en behoeften. Er zijn verschillende redenen waarom mensen hulp zoeken bij het gebruik van digitale middelen in de zorg. De drie belangrijkste zijn: voorbereid willen zijn op de toekomst, zelfredzaam willen zijn, en het willen leren omdat ze er in de zorg mee te maken hebben gekregen. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM, onderzoeksinstituut Nivel en het National eHealth LivingLab (NeLL). Bibliotheken bieden cursussen aan om te leren omgaan met digitale middelen. Een voorbeeld is de cursus DigiVitaler, die is opgezet voor het leren omgaan met digitale zorg. Door mensen kennis te laten maken met digitale zorg en ermee te laten oefenen, kunnen deze cursussen helpen om de digitale zorg toegankelijker te maken. Vooral ouderen komen op zo’n cursus af omdat zij de bibliotheek weten te vinden. De ervaringen met de cursus zijn positief. Mensen krijgen meer zelfvertrouwen en vaardigheden om digitale middelen te gebruiken. Volgens docenten van DigiVitaler helpt de cursus, maar maakt deze nog niet iedereen zelfredzaam. Er is meer ondersteuning op maat nodig zoals een informatiepunt in de bibliotheek waar mensen vragen kunnen stellen over het gebruik van digitale middelen. Verder is het belangrijk op meer plekken een cursus aan te bieden zodat meer mensen de kans krijgen eraan deel te nemen. Mede omdat vanuit de bibliotheek nog niet alle groepen uit de samenleving bereikt worden, zoals anderstaligen, laaggeletterden en jongeren. Ook moeten meer ouderen worden bereikt. Om dat mogelijk te maken is samenwerking nodig tussen bibliotheken en andere organisaties binnen het sociaal domein, zoals welzijnsorganisaties, gemeenten en het onderwijs. Daarnaast is er meer samenwerking nodig met het medisch domein zoals zorgorganisaties, huisartsen en apothekers.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Arbeidsgerelateerde zorg voor zzp’ers. Opzet voor een pilot | RIVM

Zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) worden in de toekomst verplicht zich te verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid. Voor zzp’ers heeft het gevolgen voor hun inkomsten als zij door ziekte niet meer kunnen werken. Hierdoor werken zzp’ers vaak langer door bij gezondheidsproblemen, wat de kans groter maakt dat zij lange tijd uitvallen of arbeidsongeschikt raken. De verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV) beschermt hen tegen een verlies van inkomsten. Werknemers in loondienst hebben recht op arbeidsgerelateerde zorg, maar voor zzp’ers is dat niet standaard beschikbaar. Arbeidsgerelateerde zorg kan voorkomen dat werkenden ziek worden door werk, bijvoorbeeld door advies over leefstijl of een goed ingerichte werkplek. Daarnaast krijgen werkenden begeleiding aangeboden als zij door gezondheidsproblemen niet of minder inzetbaar zijn. Het RIVM gaat onderzoeken hoe zzp’ers in verschillende sectoren het ervaren als zij toegang krijgen tot arbeidsgerelateerde zorg wanneer zij een AOV afsluiten. Deze ervaringen kunnen worden gebruikt om arbeidsgerelateerde zorg voor zzp’ers te koppelen aan de verplichte AOV. De inbreng, ervaringen en betrokkenheid van de verschillende partijen zijn essentieel om hier draagvlak voor te krijgen. Het RIVM heeft daarom gesproken met sectororganisaties, zzp-belangenorganisaties, een verzekeraar en arbodiensten. Het onderzoek is een pilot, duurt een half jaar en gaat naar verwachting in 2023 van start. Het RIVM heeft nu met betrokken partijen een opzet voor deze pilot gemaakt en het proces en de inhoud daarvan beschreven. Zo wordt zzp’ers via een vragenlijst gevraagd of zij arbeidsgerelateerde zorg hebben gebruikt en hoe tevreden ze daarover zijn. Andere vragen zijn of de gekregen arbeidsgerelateerde zorg (hun beeld van) veilig en gezond werken heeft beïnvloed en wat hun ervaren fysieke en mentale gezondheid is. Daarnaast worden zzp’ers en betrokken partijen geïnterviewd, onder andere over welke factoren stimuleren of belemmeren om arbeidsgerelateerde zorg te gebruiken. Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van SZW Sociale zaken en werkgelegenheid (Sociale zaken en werkgelegenheid) .
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Mentale gezondheid van (mantel)zorgverleners tijdens de coronapandemie | RIVM

Het RIVM deed in verschillende studies onderzoek naar de gevolgen van de coronapandemie voor werkenden. Dit onderzoek richtte zich op de 1 miljoen Nederlanders die in de zorg werken en de 4 miljoen mensen die mantelzorg geven en de impact van de coronacrisis op hun mentale gezondheid. De resultaten laten zien dat er, tijdens de eerste anderhalve jaar van de pandemie, geen relevante verschillen in mentale gezondheid van zorgverleners of mantelzorgers zijn vergeleken met andere werkenden. Ook bleek geen afstand kunnen houden niet samen te hangen met een slechtere mentale gezondheid.
Jaar: 2023 Onderzoek

Thuiswerken tijdens de coronapandemie | RIVM

Het RIVM deed in verschillende studies onderzoek naar de gevolgen van de coronapandemie voor werkenden. Dit onderzoek richtte zich op de effecten van het thuiswerken op het beweeg – en zitgedrag, het bewegingsapparaat (spieren en gewrichten) en op gevoelens van sociale isolatie onder werkenden. De resultaten laten zien dat thuiswerkers minder matig tot zwaar intensief bewogen, meer zaten, en vaker klachten aan het bewegingsapparaat hadden dan locatiewerkers. Ook verklaart het zitgedrag voor een deel de klachten aan het bewegingsapparaat onder thuiswerkers. Daarnaast blijkt uit het onderzoek zien dat thuiswerkers tijdens de coronapandemie zich vaker sociaal geïsoleerd voelden dan locatiewerkers.
Jaar: 2023 Onderzoek

Risicogrenzen voor gewasbeschermingsmiddelen in oppervlaktewater | RIVM

Het RIVM heeft nieuwe risicogrenzen bepaald voor een aantal bestrijdingsmiddelen. Resten van deze middelen kunnen na gebruik namelijk in oppervlaktewater terechtkomen. De nieuwe waarden zijn bepaald omdat er voor sommige stoffen nog geen normen bestaan. Voor andere stoffen zijn de normen verouderd of zijn er aanwijzingen dat ze het ecosysteem niet genoeg beschermen. De risicogrenzen zijn advieswaarden. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) ) kan ze gebruiken om ‘indicatieve waterkwaliteitsnormen’ te bepalen. Deze normen geven waterbeheerders een eerste indruk of zij zich zorgen moeten maken over stoffen die zij in hun gebied vinden. De risicogrenzen zijn gebaseerd op effecten van de stoffen op planten en dieren die in water leven. Ook is gekeken naar de mate waarin mensen aan de stoffen worden blootgesteld als zij vis en visproducten eten. Bij een aantal stoffen is een extra veiligheidsfactor gebruikt om de risicogrens te bepalen. Dit is gedaan omdat er niet genoeg informatie is over de mate waarin ze schadelijk zijn voor het ecosysteem. Dit geldt vooral voor stoffen tegen schimmels (fungiciden) en mijten (acariciden). Voor meer dan de helft van de stoffen van dit onderzoek is het moeilijk om de concentraties in oppervlaktewater met de gangbare meetmethode precies te meten. Vaak kan dat wel met een extra inspanning worden verbeterd. Voor de stof milbemectine, die werkt tegen insecten en mijten, kan dat niet. Daardoor is het niet mogelijk om te controleren of de concentraties van deze stof in het oppervlaktewater onder de risicogrens blijven of niet. Voor vier stoffen adviseert het RIVM om na te gaan of het zinvol is ze te blijven meten zoals dat nu gebeurt (folpet, tefluthrin, fluroxypyr-MHE en topramezone). Topramezone is niet meer toegelaten in Nederland. Voor de andere stoffen is het de vraag of ze in het water zitten. Ze worden snel in andere stoffen omgezet of binden aan sediment, wat het lastig maakt om ze in het water op te sporen. De waterkwaliteitsnormen zijn indicatief omdat ze worden bepaald op basis van informatie uit een beperkt aantal gegevensbronnen. De kwaliteit van de informatie wordt niet uitgebreid gecontroleerd. Wanneer indicatieve normen worden overschreden, kan een uitgebreidere evaluatie van de wetenschappelijke literatuur helpen om een beter beeld van het probleem te geven.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

An overview of the available data on the reproduction toxicity of tin and inorganic tin compounds | RIVM

Het RIVM heeft in de wetenschappelijke literatuur onderzocht of er schadelijke eigenschappen van tin en anorganische tinverbindingen bekend zijn. Het gaat om schadelijke effecten op de voortplanting van mensen, zoals effecten op vruchtbaarheid, de ontwikkeling van ongeboren kinderen en borstvoeding. Deze stoffen worden onder andere gebruikt om twee metalen (legering) aan elkaar te lassen. Ook worden ze gebruikt voor allerlei elektrische toepassingen zoals in lithium-ion accu’s. Verder is het een beschermlaag voor andere metalen, zoals in voedselblikken. De gevonden informatie is samengevat. De Gezondheidsraad gebruikt de samenvattingen om de voortplantingstoxiciteit te beoordelen. Op verzoek van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ( SZW Sociale zaken en werkgelegenheid (Sociale zaken en werkgelegenheid) ) stelt de Gezondheidsraad een advies op voor de classificatie van de stof.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Rolverdeling, verbinding en cliëntvertegenwoordiging binnen Netwerken Integrale Ouderenzorg. Verdiepende casestudie in de regio’s Drenthe, Zoetermeer en de Mijnstreek | RIVM

Op veel plekken in Nederland zijn netwerken opgericht die de zorg voor thuiswonende ouderen willen verbeteren. Dit doen deze netwerken door voor meer samenwerking te zorgen tussen verschillende zorgorganisaties en zorgverleners, zoals het ziekenhuis, de huisarts, wijkverpleegkundige en casemanager. Hierdoor is de zorg voor ouderen efficiënter georganiseerd en is de kwaliteit beter. Deze netwerken integrale ouderenzorg bestaan vaak uit verschillende lagen: een overkoepelende laag met bestuurders van betrokken organisaties en een uitvoerende laag dat zich richt op bepaalde thema’s of knelpunten. Het RIVM heeft onderzocht wat een goede rolverdeling tussen de lagen is en gekeken hoe de lagen goed met elkaar in verbinding kunnen staan. Het RIVM verzamelde hiervoor ervaringen van enkele netwerken die goed werken. Een duidelijke rolverdeling tussen de verschillende lagen blijkt belangrijk. De bestuurders bepalen de overkoepelende doelen, projectgroepen op de uitvoerende laag werken deze doelen uit in concrete projecten. Daarnaast hebben de onderzochte netwerken een tussenlaag ingesteld, als schakel tussen de bestuurlijke en uitvoerende laag. Deze tussenlaag blijkt goed te werken. Van daaruit wordt belangrijke informatie van de bestuurlijk laag en de uitvoerders met elkaar gedeeld. De tussenlaag overziet alle projecten die aan een netwerk verbonden zijn en kan snel(ler) handelen. Ook kunnen mensen die op meer lagen tegelijk in het netwerk zitten (linking pins) ervoor zorgen dat belangrijke informatie bij de juiste laag terechtkomt. Het RIVM onderzocht ook hoe netwerken ervoor kunnen zorgen dat ouderen en mantelzorgers mee kunnen denken en praten binnen het netwerk. Dit kan bijvoorbeeld met cliëntvertegenwoordigers. Door hen standaard op zowel de bestuurlijke als uitvoerende laag te betrekken, blijven alle partijen zich bewust van het perspectief van ouderen en mantelzorgers. Tegelijkertijd is het belangrijk dat de cliëntvertegenwoordigers in contact staan met hun achterban. Dit alles kost tijd en geld, waarmee netwerken rekening moeten houden in planning en budget.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Desinfectiemethoden in de zorg. Ontwikkelingen sinds de coronapandemie (maart 2020) | RIVM

Sinds de uitbraak van het coronavirus zijn meer Nederlandse zorginstellingen desinfectiemiddelen voor handen gaan aanbieden aan bezoekers en bewoners of patiënten dan in de jaren ervoor. Regelmatig ontbreekt een gebruiksaanwijzing bij deze producten. Het is belangrijk dat desinfectiemiddelen goed worden gebruikt omdat het product bij verkeerd gebruik, bijvoorbeeld door een te korte inwerktijd, minder goed kan werken. Dat vergroot de kans dat infectieziekten zich verspreiden. Dit en meer blijkt uit de antwoorden op een vragenlijst onder zorginstellingen naar het gebruik van desinfectiemethoden in Nederland sinds maart 2020. Ook blijkt dat meer zorginstellingen oppervlakken zijn gaan desinfecteren, zoals tafels. Het gaat dan bijvoorbeeld om zorginstellingen voor ouderen of gehandicapten, huisartsenpraktijken en de thuiszorg. In ziekenhuizen gebeurde dit bijna altijd al. De pandemie heeft in zorginstellingen minder invloed gehad op de mate waarin en de manier waarop ruimtes, lucht en medische instrumenten worden gedesinfecteerd. Dat geldt ook voor het desinfecteren van personen, vervoersmiddelen of goederen met behulp van een ‘desinfectietunnel’. Uit de antwoorden komen ook enkele signalen naar voren. Zo blijkt dat zorginstellingen behoefte hebben aan nieuwe richtlijnen voor desinfectie. Daarbij willen zij aandacht voor desinfecteren met uv ultraviolet (ultraviolet ) -straling, omdat de WIP Werkgroep Infectiepreventie (Werkgroep Infectiepreventie) -richtlijnen (Werkgroep Infectie Preventie) daar geen informatie over geven. Daarnaast hebben zorginstellingen behoefte aan meer toegelaten desinfectiemiddelen die tegen verschillende typen virussen werken. Verder zijn er zorgen dat het toegenomen gebruik van desinfectiemiddelen sinds de coronapandemie schadelijk kan zijn voor de gezondheid van zorgmedewerkers. Ook zijn sommige instellingen bezorgd dat micro-organismen door het toegenomen gebruik resistent zouden kunnen worden tegen de middelen. Aan een aantal van de genoemde signalen wordt gewerkt, zoals nieuwe richtlijnen. Het RIVM raadt het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) aan deze ontwikkelingen te volgen en ook de andere signalen aandacht te geven. Het RIVM raadt zorginstellingen aan informatie te geven hoe desinfectiemiddelen juist en dus veilig kunnen worden gebruikt. Het RIVM beveelt de verantwoordelijke ministeries ook aan in kaart te brengen hoe desinfectiemiddelen worden gebruikt in andere situaties dan in de zorg. Zo komt mogelijk onveilig of onjuist gebruik van desinfectiemiddelen in beeld.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Actualisatie AERIUS Calculator en Monitor 2022 | RIVM

Het RIVM berekent en volgt hoeveel stikstof er in de Nederlandse Natura 2000-gebieden neerkomt. Het rekeninstrument AERIUS maakt deze informatie toegankelijk. Met AERIUS Calculator berekenen overheden en initiatiefnemers van projecten hoeveel stikstof deze uitstoten en hoeveel ervan neerslaat in Nederlandse Natura 2000-gebieden. AERIUS Monitor geeft overheden inzicht in de actuele en verwachte stikstofneerslag in deze gebieden. Ook geeft het de mate waarin de natuur erdoor wordt belast aan. Calculator en Monitor ondersteunen de toestemmingverlening en de ontwikkeling van beleid. De berekeningen en inzichten moeten zo precies en actueel mogelijk zijn zodat deze informatie bruikbaar is om de juiste beslissingen op te baseren. Regelmatig komen nieuwe gegevens over de uitstoot en verspreiding van stikstof beschikbaar. Het RIVM verwerkt elk jaar deze nieuwste gegevens en inzichten in AERIUS. In dit rapport beschrijft het RIVM wat in AERIUS is geactualiseerd en wat dat betekent voor de uitkomsten in Calculator en Monitor. Dit keer zijn onder andere de zogeheten emissiefactoren, achtergrondconcentraties en het landgebruik geactualiseerd. AERIUS Calculator gebruikt deze gegevens om te bepalen hoeveel stikstof door (bedrijfs)activiteiten wordt uitgestoten en in de natuurgebieden neerslaat (depositie). Daarnaast heeft het RIVM in Calculator de methode om de depositie door wegverkeer te bepalen verbeterd. Verder zijn de gegevens over de stikstofgevoelige natuur in de Natura 2000-gebieden geactualiseerd (de habitatkaart en doelstellingen). Door deze aanpassing veranderen de locaties waar AERIUS Calculator standaard rekent. Het RIVM maakt elk jaar depositiekaarten op basis van de laatste gegevens over de uitstoot van stikstof en metingen. Deze kaarten bepalen in AERIUS Calculator de plekken die al (bijna) zijn overbelast door stikstof. Dit heeft invloed op de vergunningverlening. In deze kaarten worden elk jaar onder andere de effecten van de ontwikkelingen in de sectoren, zoals veranderingen in het aantal dieren, en het beleid in binnen- en buitenland verwerkt. Daardoor verandert de berekende stikstofdepositie. Ook zijn de kaarten veranderd door aanpassingen in de achtergrondgegevens, bijvoorbeeld over het landgebruik. De nieuwe kaarten zijn beschikbaar in AERIUS Monitor.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Literatuurstudie naar de detectie van Legionella in (drink)water | RIVM

Als mensen Legionellabacteriën inademen, kunnen ze een longontsteking krijgen. Er zijn meer dan 60 legionellasoorten bekend. In Nederland worden de meeste mensen, ongeveer 90 procent van alle legionellose-meldingen, ziek van Legionella pneumophila. Mensen kunnen via verschillende bronnen met deze bacteriën besmet raken. Legionellabacteriën kunnen bijvoorbeeld in drinkwater zitten, maar dat is meestal een andere legionellasoort dan Legionella pneumophila. De wetgeving schrijft een methode voor die alle legionellabacteriën in drinkwater kan aantonen. Hoewel bijna nooit mensen ziek worden van de meeste legionellasoorten in drinkwater, moeten ze volgens de wet wel allemaal worden verwijderd. Er is daarom al enkele jaren discussie om voor bepaalde instellingen, zoals hotels en zwembaden, niet alle legionellabacteriën in drinkwater aan te tonen maar alleen Legionella pneumophila. Het RIVM heeft in dit verband uitgezocht welke methoden bestaan om legionellabacteriën, en vooral Legionella pneumophila, in drinkwater op te sporen. Veel verschillende methoden in de wetenschappelijke literatuur zijn veelbelovend. Vijf van deze methoden hebben kunnen aantonen dat ze even goed of beter zijn dan methode die de wet nu voorschrijft. Van alle beschreven methoden kan het RIVM er niet één als de beste aanwijzen. Dat komt omdat ze op een andere manier de legionellabacteriën aantonen dan de wet voorschrijft. Ook moet onderzocht worden of de methoden in de praktijk goed en betaalbaar zijn uit te voeren. Het RIVM adviseert het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) ) dat het onder de bestaande voorwaarden wettelijk mogelijk moet blijven om een andere methode te gebruiken. Verder wordt aanbevolen om te onderzoeken hoe de juridische omschrijving voor de wettelijke norm van legionellabacteriën in drinkwaterinstallaties kan worden aangepast zodat er ook ruimte is voor nieuwe methoden. Zo moet een methode volgens de wet onder andere aantonen of er een kolonie van legionellabacteriën kan ontstaan. Dat kan niet met alle gevonden methoden. Het RIVM heeft dit onderzoek gedaan in opdracht van het ministerie van IenW. Het heeft de wetenschappelijke literatuur onderzocht en gesproken met de drinkwaterlaboratoria en het Nederlands Normalisatie Instituut.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Inspiratiedocument Bouwstenen voor een toekomstbestendige visie op de bodem | RIVM

In Nederland wordt de bodem intensief gebruikt en dit zal de komende jaren verder toenemen. De bodem kan bijvoorbeeld een belangrijke bijdrage leveren om klimaatverandering tegen te gaan, de effecten van klimaatverandering te verzachten, en de landbouw te verduurzamen. Dat is ook zo om de energietransitie te ondersteunen, de biodiversiteit te herstellen en grondwater schoon te houden. Dat betekent dat de bodem gezond moet zijn en al zijn functies goed moet kunnen uitvoeren. Daarom moet er bij het beheer van de bodem van Nederland meer rekening worden houden met de gezondheid van de bodem. Dit vraagt om verstandig beleid voor het gebruik van de bodem en voor duurzaam bodembeheer. Want niet alles kan tegelijk of op dezelfde plaats. Wanneer er te veel gevraagd wordt van de bodem, put deze uit en zullen veel belangrijke functies van de bodem verminderen. Het RIVM beschrijft bouwstenen die gebruikt kunnen worden voor een brede visie op het gebruik van de bodem en duurzaam bodembeheer. Een brede visie maakt het mogelijk om de opgaven voor klimaat, biodiversiteit en de energietransitie in samenhang te realiseren. Een brede visie is ook nodig om bedreigingen voor de bodemkwaliteit te beperken, zoals de bodem afdekken, vermesten, verontreinigen en uitputten. De bodem gaat iedereen aan. De betrokkenheid van burgers, boeren, industrie en overheid is daarom noodzakelijk om de voordelen van de gezonde bodem eerlijk te verdelen. Dat zorgt voor draagvlak en overeenstemming over maatregelen voor bodemgebruik en duurzaam bodembeheer. Ook is het belangrijk dat kennis wordt gedeeld zodat we samen de ruimtelijke ontwikkeling en het bodembeheer in Nederland duurzaam kunnen realiseren.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Monitor valpreventie – advies voor een plan van aanpak | RIVM

Het is belangrijk dat ouderen langer gezond blijven en daardoor ook langer thuis kunnen blijven wonen. Valongelukken zijn een risico. In 2021 zijn 105.000 ouderen van 65+ na een val opgenomen op de Spoedeisende Hulp. Als er geen maatregelen worden genomen, zullen dit er in 2035 naar verwachting meer dan 150.000 worden. De verwachting is dan ook dat de medische kosten door een valongeval de komende tien jaar zullen verdubbelen. Vanaf januari 2023 start het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) met een Landelijk Programmaplan Valpreventie. Het doel is voorkomen dat ouderen vallen en hen leren op de goede manier te vallen. Een van de onderdelen van dit programma is een monitor. Het is de bedoeling dat de monitor de komende jaren inzicht gaat geven over de uitvoering van het Landelijk Programmaplan Valpreventie en wat dat oplevert. Het RIVM maakte daar, in opdracht van het ministerie van VWS, een plan van aanpak voor. In het plan van aanpak staat in welke onderwerpen de monitor precies inzicht moet gaan geven. Ook staat erin welke partijen de benodigde informatie kunnen geven, zoals het Centraal Bureau voor Statistiek ( CBS Centraal Bureau voor de Statistiek (Centraal Bureau voor de Statistiek) ), VeiligheidNL, en GGD Gemeentelijke Gezondheidsdienst (Gemeentelijke Gezondheidsdienst) - GHOR Geneeskundige Hulpverleningsorganisatie in de Regio (Geneeskundige Hulpverleningsorganisatie in de Regio) . Verder staat beschreven welke data er al zijn, hoe ze kunnen worden verzameld, en welke gegevens nog ontbreken. Het RIVM sprak hiervoor met verschillende partijen en zette een werkgroep op. In 2023 wordt een eerste rapportage van de monitor verwacht op basis van de gegevens die dan beschikbaar zijn. Dat jaar zal ook de inhoud van de monitor verder worden bepaald. Vanaf 2024 krijgt de monitor een vastere opzet. Het streven is om de monitor in twee onderdelen op te bouwen. Een deel bevat actuele cijfers voor de gekozen maatstaven (indicatoren). Een tweede deel beschrijft de ervaringen van zowel ouderen als professionals die te maken hebben met valpreventie.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Wat weten we over microplastics in het milieu? Kennisagenda Microplastics in het milieu | RIVM

Microplastics zijn kleine kunststofdeeltjes, kleiner dan 5 millimeter. Ze zitten bijna overal in het milieu. Het is bekend dat ze in experimenten in het laboratorium schadelijke effecten kunnen hebben op planten en dieren. Maar het is nog niet bekend of deze effecten ook echt in het milieu optreden. Dat komt onder meer omdat de vorm, grootte en samenstelling van het materiaal sterk verschillen. Zeker is dat er steeds meer microplastics in het milieu bij komen. Oplossingen zijn nodig om dit te beperken en schadelijke effecten te voorkomen. Meer onderzoek naar microplastics is hiervoor cruciaal. Er is al veel onderzoek naar microplastics gedaan, maar daarvan is geen goed overzicht. Hierdoor is niet duidelijk welke kennis ontbreekt om tot goede oplossingen te komen. Het RIVM heeft daarom een overzicht gemaakt van de kennis die nog nodig is om te kunnen bepalen of microplastics in het milieu schadelijk zijn. Met dit overzicht kunnen onder andere beleidsmakers gericht kiezen welk onderzoek als eerste moet worden gedaan om bijvoorbeeld meer inzicht in schadelijke effecten te krijgen. Met de resultaten daarvan kan beter worden bepaald welke maatregelen het meest effectief zijn. Het RIVM heeft voor dit onderzoek gesproken met hoogleraren en experts. Zij gaven aan dat het moeilijk is om te bepalen welke kennis als eerste nodig is, omdat er nog zoveel onbekend is. Wel is duidelijk dat de kennis in samenhang moet worden beoordeeld om schadelijke milieu-effecten te kunnen bepalen en effectieve oplossingen te bedenken. Informatie die nu nog ontbreekt voor een goede risicobeoordeling voor het milieu is bijvoorbeeld hoe snel microplastics afbreken in kleinere plastic deeltjes en andere stoffen in bodem en water, en het verschil daarin per bron. Ook is niet voldoende bekend bij welke grootte en hoeveelheid microplastics schadelijk zijn. Naast maatregelen vanuit beleid, is aandacht nodig voor hoe gedragsverandering en innovatie kunnen zorgen dat er minder microplastics in het milieu terechtkomen. ZonMw ZorgOnderzoek Nederland Medische Wetenschappen (ZorgOnderzoek Nederland Medische Wetenschappen ) heeft in 2020 een kennisagenda opgesteld om beter zicht te krijgen op risico’s van microplastics voor de gezondheid van de mens. Samen met deze kennisagenda geeft dat de kennisbehoeften aan voor microplastics.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Ervaringen en behoeften van ouderen tijdens de corona-epidemie. Verder kijken dan virusbestrijding | RIVM

De overheid stelde tijdens de corona-epidemie maatregelen in om kwetsbare groepen, zoals ouderen, te beschermen. Deze maatregelen hadden grote gevolgen voor het dagelijks leven van ouderen. Het RIVM onderzocht hoe zij de corona-epidemie hebben ervaren en welke behoeften ze hadden. De overheid, gemeentes en organisaties voor ouderen kunnen deze informatie gebruiken als er een nieuwe golf komt, of een nieuwe epidemie. Het RIVM sprak met 26 ouderen en met professionals die veel met ouderen werken. Volgens meerdere ouderen lag tijdens de coronaperiode de nadruk te veel op de lichamelijke gezondheid. Hierdoor is de menselijke maat in de knel gekomen. Er was bijvoorbeeld te weinig aandacht voor sociale contacten, mee kunnen doen met activiteiten en eigen keuzes kunnen maken over gezondheid. Een aantal zaken viel op. Ouderen gaven aan dat de communicatie over het virus en de maatregelen soms onduidelijk was. Zij begrepen bijvoorbeeld niet waarom sommige maatregelen waren ingevoerd. Ouderen noemden verder het gemis aan sociaal contact. Zij vonden ook dat de menselijke maat miste in de maatregelen. Tegelijkertijd viel op dat ze aangaven een gevoel van berusting te ervaren en de situatie konden accepteren zoals die was.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Footprint luchtvaart Schiphol op luchtkwaliteit 2022 | RIVM

Elk jaar stelt de Inspectie Leefomgeving en Transport ( ILT Inspectie Leefomgeving en Transport (Inspectie Leefomgeving en Transport) ) de Staat van Schiphol op. Dit overzicht geeft vanuit verschillende perspectieven inzicht in de veiligheid en duurzaamheid op en rond de luchthaven. Voorbeelden zijn het aantal aanrijdingen, botsingen met vogels en geluidniveaus. Een van de perspectieven waar inzicht in wordt gegeven is luchtkwaliteit. De ILT gebruikt cijfers van het RIVM om de bijdrage van Schiphol aan de luchtkwaliteit in de regio te bepalen. Het RIVM heeft deze gegevens digitaal aangeleverd en geen beschouwing gemaakt van de aangeleverde gegevens. Het RIVM heeft voor de ILT berekend in welke mate acht sectoren bijdragen aan de concentraties van zes luchtverontreinigende stoffen. De sectoren zijn: industrie, weg- en railverkeer, luchtvaart, scheepvaart, landbouw, diensten, consumenten en het buitenland. Op deze manier wordt de bijdrage van de luchtvaart aan de luchtkwaliteit rond Schiphol naast die van andere sectoren geplaatst. Het gaat om de stoffen: stikstofoxiden, stikstofdioxide, fijnstof ( PM10 fijnstof (fijnstof) en PM2,5 fijnstof (fijnstof) ), zwaveldioxide en roet. De berekeningen zijn gedaan voor een gebied van 20 bij 20 vierkante kilometer rondom Schiphol. De concentraties zijn berekend voor de jaren 2015 tot en met 2020. Dit levert een beeld op van de mate waarin Schiphol door de jaren heen aan de luchtkwaliteit bijdraagt. Voor de berekeningen zijn de uitgangspunten gebruikt van de berekening van de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland ( GCN Grootschalige Concentratiekaarten Nederland (Grootschalige Concentratiekaarten Nederland) ) van 2021.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1

Chemische recycling van kunststoffen van voertuigen: Naar een veilige en circulaire economie | RIVM

Op dit moment wordt 85% van de plastics uit een afgedankte auto verbrand. Slechts 15% van de plastics keert terug als grondstof. Uit een inventarisatie door het RIVM blijkt dat er mogelijkheden zijn om het materiaalbehoud in 2030 te verviervoudigen. Met technologische ontwikkeling is in de toekomst 65% van de plastics te recyclen tot nieuwe grondstof. Vooral met chemische recycling kan de circulariteit flink stijgen. Om deze technologische ontwikkeling te realiseren, zijn echter wel nieuwe wettelijke en economische prikkels noodzakelijk. Zoals minimale recyclingspercentages van afgedankt kunststof uit auto’s en een wettelijke minimale hoeveelheid recyclaat in nieuwe auto’s. Ook moet er nagedacht worden over het financieren van innovaties en hoe het economisch lonend wordt om meer gerecyclede plastics toe te passen.
Jaar: 2023 Onderzoek

Do-It-Yourself Products Fact Sheet. Default parameters for estimating consumer exposure – Updated version 2022 | RIVM

Om mogelijke risico’s van chemische stoffen in consumentenproducten te kunnen beoordelen, is een goede schatting nodig van de mate waarin mensen eraan blootstaan als zij het product gebruiken. Voor deze schatting heeft het RIVM het computerprogramma ConsExpo ontwikkeld, waarvoor recentelijk een webapplicatie is gemaakt (ConsExpo Web). Hiermee kan bijvoorbeeld de blootstelling van een bepaalde chemische stof binnenshuis tijdens het gebruik van bijvoorbeeld verf, schoonmaakmiddelen of cosmetica worden berekend. Voor de gebruikers van ConsExpo Web zijn Factsheets geschreven waarin standaardmodellen en standaardwaarden (defaults) staan voorgeschreven. Door deze modellen en waarden te gebruiken, wordt de blootstellingsschatting op een transparante en gestandaardiseerde manier uitgevoerd. Er zijn meerdere Factsheets, waarvan nu de Factsheet over doe-het-zelfproducten is herzien. In de Factsheet over doe-het-zelfproducten staan standaardwaarden die bruikbaar zijn om de blootstelling aan een stof in een doe-het-zelfproduct te schatten. Voorbeelden van die waarden zijn de frequentie van het gebruik en hoeveelheden van het gebruikte product. In de herziene versie staan de nieuwste beschikbare databronnen beschreven, is de nieuwe informatie beoordeeld en waar nodig zijn de standaardwaarden aangepast. Parallel aan de publicatie van de herziene doe-het-zelfproducten Factsheet zullen ook de gepubliceerde standaardwaarden in de ConsExpo-database van onder meer lijmen, kitten, vullers, en coatings worden vernieuwd.
Jaar: 2023 Onderzoek Documenten: 1