Naar inhoud

Onderzoeken Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2024

Zoek binnen deze data in WooGLe

Plan van aanpak WOZO monitor niveau 3. Beweging in de maatschappij: zelf als het kan, thuis als het kan, digitaal als het kan | RIVM

Om de ouderenzorg toekomstbestendig te maken is het programma Wonen, Ondersteuning en Zorg voor Ouderen (WOZO) in 2022 van start gegaan. Het programma WOZO is erop gericht om ouderen te laten wonen in een omgeving die bij hen past, waar passende ondersteuning en zorg geboden kan worden. Dit programma moet een maatschappelijke beweging op gang brengen naar een nieuwe norm: ‘zelf als het kan, thuis als het kan en digitaal als het kan’. Het RIVM heeft in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) een plan van aanpak gemaakt met een advies over de inrichting van de WOZO monitor niveau 3, die in beeld brengt of er een beweging te zien is naar de nieuwe norm in de samenleving en hoe deze beweging eruitziet.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Monitoringrapportage MLK 2024. Stand van zaken luchtkwaliteit Nederland | RIVM

Het RIVM toetst elk jaar of de concentraties van stikstofdioxide en fijnstof in Nederland voldoen aan de Europese normen voor luchtkwaliteit. Het gaat om concentraties van deze stoffen langs wegen en de concentraties van fijnstof vlakbij veehouderijen. De resultaten laten overheden zien of de Europese grenswaarden worden gehaald. Overheden kunnen dan, waar nodig, extra maatregelen nemen. In deze rapportages kijkt het RIVM terug naar het jaar 2023 en blikt het vooruit. In 2023 voldeed Nederland voor wegverkeer bijna aan de Europese grenswaarden voor fijnstof. Alleen een klein stuk weg van 100 meter bij Velsen lag boven de grenswaarde. Voor stikstofdioxide voldeed Nederland voor wegverkeer aan de Europese grenswaarden. De grenswaarde van fijnstof is in gebieden met intensieve veehouderij bij zes woningen overschreden. Dat zijn er dertien minder dan in 2022. De concentraties stikstofdioxiden en fijnstof waren in 2023 veel lager dan in 2022. Dit komt voor een groot deel door de grote hoeveelheid regen en de hogere windsnelheid in 2023. Hierdoor ‘verdunnen’ de concentraties van deze stoffen. Daarnaast hebben overheden bijvoorbeeld gegevens van (ver)nieuw(d)e vergunningen over veehouderijen aangeleverd. De komende jaren ziet het ernaar uit dat de luchtkwaliteit verder verbetert. Verkeer, industrie en veehouderijen zullen naar verwachting minder stikstofdioxide en fijnstof uitstoten. Dat komt bijvoorbeeld doordat elk jaar oudere auto’s worden vervangen door nieuwe auto’s die schoner zijn. Deze auto’s stoten minder of zelfs geen stikstofoxiden uit. Toch zullen de grenswaarden in de toekomst naar verwachting vaker worden overschreden. Dat komt doordat er vanaf 2030 nieuwe, strengere Europese normen voor fijnstof en stikstofdioxide gaan gelden. Dat blijkt uit een toets met deze nieuwe grenswaarden. In de volgende rapportage gaat het RIVM daar verder naar kijken. De Monitoring Luchtkwaliteit volgt de monitoring op van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit ( NSL Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) ), dat met ingang van de Omgevingswet op 1 januari 2024 is afgerond.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Analyse van de relatie tussen EU-etmaalnormen en jaargemiddelden | RIVM

Het RIVM heeft onderzocht welke jaargemiddelde concentraties overeenkomen met de in de nieuwe Europese luchtkwaliteitsrichtlijn voorgestelde etmaalwaarden (i.e. de percentielen van de concentratieverdelingen). In het RIVM-rapport "Gevolgen van de voorgestelde Europese luchtkwaliteitsrichtlijn voor Nederland" (2023-0167) wordt hier al iets over gezegd. In dat rapport is alleen naar data van het jaar 2021 gekeken. Voor twee groepen jaren (2013-2023 en 2018-2023) zijn de gemeten jaargemiddelde concentraties van PM 10 , PM 2,5 en NO 2 vergeleken met het aantal overschrijdingen van de etmaalgemiddelde grenswaarden. De kortere periode lijkt representatiever voor de komende jaren dan de langere periode.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Screening of underlying measurement data in human exposure assessments of biocides | RIVM

In de blootstellingsbeoordeling voor werkers met biociden wordt doorgaans gebruik gemaakt van modellen, die gebaseerd zijn op meetstudies. Deze meetstudies zijn regelmatig uitgevoerd voor het jaar 2000, terwijl de ontwikkelingen in het biocidenveld niet stil hebben gestaan. De vraag is daarom of deze meetstudies nog steeds geschikt zijn als basis van de beoordeling van de blootstelling van werkers met biociden.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Analyse van incidenten met gevaarlijke stoffen bij Seveso-inrichtingen 2024 | RIVM

Het RIVM analyseert elk jaar de aard, omvang en oorzaak van incidenten bij bedrijven in Nederland die met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen werken. Deze bedrijven worden Seveso-inrichtingen genoemd (voorheen Brzo Besluit risico's zware ongevallen (Besluit risico's zware ongevallen) -bedrijven). Het RIVM heeft dit keer vijftien incidenten met gevaarlijke stoffen geanalyseerd. Net als de vorige analyses toonden, blijkt dat veel van de incidenten te voorkomen zijn. Bedrijven zijn ervoor verantwoordelijk dat installaties op orde zijn en werknemers de werkzaamheden veilig kunnen uitvoeren. Het is daarom belangrijk dat bedrijven leren van deze incidenten en maatregelen nemen om ze te voorkomen. Dit keer is ook een analyse gemaakt van twintig jaar incidentenonderzoek. Hieruit blijkt dat er niet één onderwerp is aan te wijzen waarmee alle incidenten zijn te voorkomen. Ze zijn dus ook niet te voorkomen met één groep maatregelen. Wel komen bepaalde zaken vaker terug: bij 50 procent van de incidenten worden afwijkingen niet opgemerkt. Ook worden procedures niet altijd opgevolgd zoals ze zijn bedoeld. Verder is het moeilijk om vooraf in te schatten wat er mis kan gaan. De database met geanalyseerde incidenten geeft wel inzicht daarin. Bij de vijftien nieuwste incidenten die dit jaar werden geanalyseerd, kwamen dertien keer gevaarlijke stoffen vrij. Eén keer explodeerde een installatie en één keer ontstond brand toen de stoffen vrijkwamen. Vier mensen raakten gewond: drie liepen chemische brandwonden op en één ademde een mengsel van giftige stoffen in. Bij tien incidenten was de toestand van de installatie niet in orde. Er is bijvoorbeeld materiaal gebruikt voor een installatieonderdeel dat daarvoor niet geschikt is. In de helft van de incidenten zijn afwijkingen van de veilige procesomstandigheden niet opgemerkt, waardoor gevaarlijke stoffen konden ontsnappen. Bij elf incidenten schoten plannen en procedures voor de werkzaamheden te kort. Soms waren deze niet gemaakt, omdat de gevaren van tevoren niet waren verwacht. Of hield het bedrijf niet goed in de gaten of instructies voor werkzaamheden waren uitgevoerd. Het ministerie van SZW Sociale zaken en werkgelegenheid (Sociale zaken en werkgelegenheid) gaf de opdracht om incidenten te analyseren. Bedrijven en de Arbeidsinspectie kunnen de resultaten gebruiken voor inspecties, en bedrijven om het veiligheidsbeleid met maatregelen te verbeteren.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Palliatieve zorg in 2050. Drie toekomstscenario’s | RIVM

Palliatieve zorg gaat over alle zorg en ondersteuning voor mensen met een ongeneeslijke ziekte en hun naasten. Het doel is om een zo goed mogelijke kwaliteit van leven van deze mensen te bereiken. Het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) werkt samen met betrokken partijen aan een toekomstvisie voor de palliatieve zorg in Nederland. Als discussiestuk hiervoor heeft het RIVM een toekomstverkenning van deze zorg richting 2050 gemaakt. Het RIVM onderzocht welke ontwikkelingen de meeste invloed hebben op de toekomst van de palliatieve zorg in Nederland. Dat zijn de vergrijzing, toenemende personeelstekorten in de zorg, digitalisering en andere technologische vernieuwing in de zorg, en de groeiende diversiteit in de samenleving. Door deze ontwikkelingen zullen in de toekomst meer mensen palliatieve zorg nodig hebben én verandert hun zorgvraag, terwijl het aantal mensen dat deze zorg kan verlenen afneemt. Dit leidt tot een aantal opgaven voor palliatieve zorg in 2050. Drie toekomstscenario’s beschrijven vanuit een verschillend perspectief de palliatieve zorg in 2050. In het eerste staan gemeenschappen in de samenleving centraal. Solidariteit en omzien naar elkaar staan voorop. Het tweede scenario legt de nadruk op het individu. Hierin bepalen mensen zelf wat goed voor ze is en wat kwaliteit van leven voor hen betekent. In het derde scenario staat de professional centraal. Deze regelt optimale en efficiënte zorg aan degenen die dat nodig hebben. De scenario’s maken duidelijk dat perspectieven op de toekomst van de palliatieve zorg verschillen. En dus ook dat er meerdere oplossingen mogelijk zijn. Dit vraagt om keuzes. De scenario’s maken mogelijkheden duidelijk en bieden zo handvatten om de discussie over de toekomst te voeren. Voor elk scenario is een illustratie gemaakt.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Gedragsscan voor Mobiliteitsbeleid. Inzichten in gedrag verwerken in beleid | RIVM

Beter begrip van menselijk gedrag kan helpen om beleid van de overheid effectiever te maken. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) ) wil daarom handvatten om kennis over gedrag in mobiliteitsbeleid te verwerken. Anders gezegd, inzicht krijgen in wat mensen nodig hebben om duurzamer te gaan reizen, zoals vaker de fiets nemen of het openbaar vervoer. Dat gaat verder dan alleen het verbeteren van de technologie en infrastructuur. Het RIVM heeft daarom de Gedragsscan voor Mobiliteitsbeleid ontwikkeld. Deze tool is een methode waarmee beleidsmakers inzichten in gedrag kunnen verwerken in mobiliteitsbeleid. Gedrag van mensen wordt niet alleen door rationele keuzes beïnvloed, maar vooral door andere factoren, binnen en buiten henzelf. Denk aan gewoonten en overtuigingen, invloeden vanuit de omgeving, en zowel kennis als vaardigheden om iets te kunnen doen. De scan helpt beleidsmakers beter te begrijpen of mensen het gewenste gedrag kunnen en willen uitvoeren, en of de fysieke en sociale omgeving hen hierbij helpt. Mensen moeten beleid, wet- en regelgeving niet alleen begrijpen, maar er ook naar kunnen handelen (hun ‘doenvermogen’). Bij te veel stress, bijvoorbeeld als er veel van mensen wordt gevraagd, komt dit onder druk te staan. De scan helpt ook om tegenstrijdigheden in het mobiliteitsbeleid in kaart te brengen. Wanneer maatregelen beter op elkaar aansluiten, is het voor mensen makkelijker om het gewenste gedrag uit te voeren in plaats van daarin te worden beperkt. De scan is zowel voor nationaal als lokaal beleid te gebruiken. Hij is speciaal ontwikkeld voor mobiliteitsbeleid, maar kan ook voor ander beleid worden gebruikt. Beleidsmakers wordt aanbevolen de scan met een gedragsexpert in te vullen, maar ze kunnen het ook zelf doen. Door de opzet in modules hoeven gebruikers niet de hele scan door te lopen en kunnen ze gericht kiezen welke onderdelen het beste passen bij hun specifieke beleid. De scan is getest met enkele casussen en verbeterd.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Safety research in biotechnology. Analysis of 10 NWO projects with results for research, policy and policy implementation | RIVM

Met moderne biotechnologie kunnen genen van organismen worden aangepast. Dat geeft mogelijkheden om maatschappelijke problemen op te lossen. Het maakt bijvoorbeeld medicijnen tegen kanker mogelijk (gentherapie) of draagt bij aan voedselzekerheid (kweekvlees). Maar niet iedereen vindt aanpassingen aan genen gewenst. In Nederland zijn daarom strenge eisen om te mogen werken met biotechnologie. Kennis over de veiligheid van de techniek helpt om innovaties veilig te ontwikkelen. Maar onderzoekers zijn vooral bezig met vernieuwing en minder met grondig onderzoek naar veiligheidsvragen. De Nederlandse overheid wil daarom meer wetenschappelijke kennis hebben over risico’s van biotechnologie. Onder leiding van het Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek ( NWO Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek) ) is dat in 10 onderzoeksprojecten uitgezocht. Het RIVM heeft nu geanalyseerd welke vragen over veiligheid in deze projecten zijn gesteld. Ook is gekeken hoe ze zijn onderzocht en wat dit voor kennis over veiligheid oplevert. Hieruit blijkt dat het zeker de moeite waard te zijn om bij de ontwikkeling van technieken en producten onderzoek te doen naar veiligheid. Het levert kennis over veiligheid op en methoden om dit te onderzoeken. Het is belangrijk om daarbij ook oog te hebben voor de vragen en opvattingen over veiligheid in de samenleving en vroegtijdig na te denken over een veilige productie en veilig gebruik (Safe-by-design). Wel zijn er hindernissen te nemen om dit soort onderzoek te doen. Die hebben bijvoorbeeld te maken met de organisatie en financiering van wetenschappelijk onderzoek in Nederland. Zo heeft onderzoek naar veiligheid weinig status, waardoor er nauwelijks geld voor beschikbaar is. Verder werken onderzoekers en risicobeoordelaars nog te weinig samen aan veiligheidsvragen. Ook is er vaak niet genoeg tijd en geld om lange termijneffecten te onderzoeken. Het RIVM geeft daarom aanbevelingen om de belemmeringen te verminderen. Bijvoorbeeld om bij de subsidie van onderzoek een verplichting op te nemen om veiligheidsonderzoek te doen. Dit rapport is een Engelse vertaling van: Veiligheidsonderzoek binnen de Biotechnologie. Analyse van tien NWO projecten met resultaten voor onderzoek, beleid en beleidsuitvoering
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Higher-valent pneumococcal vaccines for children. Information for the Health Council of the Netherlands | RIVM

Pneumokokken veroorzaken ernstige infecties zoals longontsteking, bloedvergiftiging en hersenvliesontsteking. Ernstige (invasieve) pneumokokkenziekte komt in Nederland elk jaar bij ongeveer 75 kinderen voor. Van hen overlijdt ongeveer 5 procent. Om dit zo veel mogelijk te voorkomen worden kinderen via het Rijksvaccinatieprogramma ( RVP Rijksvaccinatie programma (Rijksvaccinatie programma) ) tegen pneumokokken gevaccineerd. Sinds de herfst van 2024 wordt hiervoor een vaccin gebruikt dat tegen meer typen pneumokokken antistoffen opwekt dan daarvoor, een zogenoemd meer-valent vaccin: 15 in plaats van 10 (PCV15). Sinds 2024 is ook een vaccin beschikbaar dat tegen 20 typen pneumokokken antistoffen opwekt (PCV20). Beide vaccins zijn uitgebreid getest om te mogen worden gebruikt, maar de mate waarin ze in de praktijk beschermen is nog niet bekend. Het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) heeft de Gezondheidsraad gevraagd advies te geven over het gebruik van PCV20 bij kinderen. Als ondersteuning voor dit advies heeft het RIVM bestaande achtergrondinformatie verzameld voor de Gezondheidsraad. De informatie geeft aan hoe vaak ernstige pneumokokkenziekte voorkomt bij kinderen en andere leeftijdsgroepen, zoals ouderen. Ook staat erin van welke typen pneumokokken mensen ziek worden; er bestaan heel veel verschillende soorten. Verder is beschreven welke pneumokokkenvaccins er zijn, hoe veilig ze zijn, hoe ze werken en hoe vaak ze worden gegeven in het RVP. In het huidige vaccinatieprogramma krijgen kinderen PCV15 op de leeftijd van 3, 5 en 12 maanden. De vaccin-registratie autoriteit heeft PCV20 toegelaten op de markt bij een schema van vier prikken. De pneumokokkenvaccins voorkomen niet alleen dat het gevaccineerde kind ziek wordt. Ook zorgen ze ervoor dat kinderen minder pneumokokken verspreiden en ze zo hun omgeving indirect beschermen. Wel is het mogelijk dat andere typen waartegen de vaccinatie niet werkt, zich na de vaccinatie meer verspreiden. Deze typen kunnen soms ook ziekte veroorzaken. Dit heet typeverandering. Het RIVM heeft geschat hoeveel het kost en hoeveel zieken kunnen worden voorkomen wanneer kinderen voortaan PCV20 in plaats van PCV15 zouden krijgen. Hierbij is meegenomen dat ouderen vanaf 2025 PCV20 krijgen aangeboden. Volgens de schatting worden er minder kinderen ziek, maar zijn de kosten hoog ten opzichte van de voordelen voor de gezondheid. Ook blijkt dat meer ouderen ziek kunnen worden als kinderen PCV20 krijgen in plaats PCV15. Door typeverandering zullen dan meer mensen ziek worden van typen pneumokokken waartegen PCV20 niet beschermt.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Health effects of climate change. An update of the current risks of climate change for health | RIVM

Het klimaat verandert wereldwijd, en ook in Nederland. De gemiddelde temperatuur is de afgelopen eeuw gestegen. Er is meer neerslag, meer droogte en er komen vaker zomerse dagen voor (boven de 25 graden Celsius). Het RIVM heeft de gevolgen van klimaatverandering voor onze gezondheid in de afgelopen 30 jaar (1991-2020) in kaart gebracht. Er zijn nu al grote gevolgen voor de gezondheid te zien. Deze effecten zullen naar verwachting toenemen. Dit onderzoek focust zich op de effecten op de gezondheid van hitte, UV ultraviolet (ultraviolet) -straling, luchtkwaliteit, (pollen)allergieën en infectieziekten door klimaatverandering. Ook mentale gezondheidsgevolgen zijn meegenomen. Het blijkt mogelijk te zijn om aan te geven dát klimaatverandering de gezondheid verslechtert en op welke manier. Maar de mate waarin dat gebeurt is vaak nog niet aan te geven omdat ook andere oorzaken eraan bijdragen. Meer kennis is nodig om de impact van klimaatverandering beter in beeld te krijgen en goede adviezen voor beleid te kunnen maken die de gezondheid beschermen. Het best onderbouwde effect van klimaatverandering op gezondheid is het aantal extra sterfgevallen door de hogere gemiddelde jaartemperatuur: gemiddeld 250 doden per jaar. Door klimaatverandering zijn er onder andere meer warme dagen (boven de 20 graden). Ook komen er meer hittegolven voor, die langer duren en heter zijn. Hierdoor sterven meer mensen dan normaal. Hitte en droogte gaan vaak samen met veel pollen in de lucht en hoge concentraties ozon (zomersmog). Hierdoor kunnen mensen het benauwd krijgen, zeker als zij al aandoeningen aan de luchtwegen hebben. Het groeiseizoen duurt langer en er zijn meer pollen in de lucht. Meer mensen kunnen hooikoorts krijgen of hun klachten kunnen erger worden. Daarnaast staan mensen om verschillende redenen aan meer UV-straling bloot. Bijvoorbeeld omdat de zon meer uren schijnt, er minder wolken zijn en mensen meer buiten zijn met zonnig weer. Hierdoor is de kans op huidkanker groter. Verder komen bepaalde infectieziekten, zoals legionellose, door klimaatverandering nu vaker voor. De Legionella-bacterie, die deze ziekte veroorzaakt, vermeerdert zich in warm water en kan via nevel worden ingeademd. Bijvoorbeeld als het na een warme en droge periode hard regent. Verder zijn teken een langere periode in het jaar actief, waardoor de kans om de ziekte van Lyme te krijgen groter is geworden. Daarnaast kan klimaatverandering een negatief effect hebben op de mentale gezondheid door de dreiging die ervan uitgaat en ervaringen met extreem weer. Het RIVM heeft de bestaande kennis verzameld op verzoek van het Planbureau voor de Leefomgeving ( PBL Planbureau voor de Leefomgeving (Planbureau voor de Leefomgeving) ). Het PBL verzamelt kennis over de gevolgen van klimaatverandering voor de vernieuwing van de Nationale Adaptatie Strategie (NAS). Het PBL brengt de komende jaren ook de toekomstige gevolgen van klimaatverandering in beeld.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Inzicht in mensen die niet en weinig bewegen in Nederland | RIVM

De Nederlandse overheid maakt beleid dat mensen stimuleert om te bewegen. Bewegen is goed voor de gezondheid. De Beweegrichtlijnen adviseren mensen van 18 jaar of ouder bijvoorbeeld om per week ten minste 150 minuten matig- tot zwaar-intensief te bewegen, verspreid over meerdere dagen in de week. Matig- tot zwaar-intensief bewegen is bijvoorbeeld wandelen, de hond uitlaten, fietsen, tuinieren, intensief huishoudelijk werk en sporten. Een deel van de bevolking van 18 jaar of ouder voldoet aan de Beweegrichtlijn (44 procent). Een klein deel beweegt niet of nauwelijks (bijna twee procent). Daartussen ligt een grote groep mensen die weinig beweegt (ruim 53 procent). Dat gaat vaker om 65-plussers, mensen met een lichamelijke beperking of een langdurige ziekte of aandoening. Ook zijn het vaker mensen met basisonderwijs of een vmbo-diploma. Informatie over deze groepen kan beleidsmakers helpen om deze groepen meer in beweging te krijgen en aan de Beweegrichtlijnen te laten voldoen. Het blijkt dat een deel van deze groep mensen niet zozeer te weinig minuten beweegt, maar vaak niet voldoende beweegmomenten per week haalt. Degenen die al een paar keer per week bewegen, zouden de richtlijn wel halen als ze nog iets vaker bewegen. Bijvoorbeeld door vaker de fiets te pakken, of de trap te nemen in plaats van de lift of roltrap. Als dat lukt, zou 56 procent van de Nederlandse bevolking genoeg bewegen. Voor deze groep is dus een kleine verandering van gedrag nodig om aan de Beweegrichtlijnen te voldoen. De overheid streeft ernaar dat 75 procent van de bevolking in 2040 genoeg beweegt. Daar is meer voor nodig dan iets vaker bewegen. Een ‘systeemaanpak’ kan hierbij helpen. Hierin zorgen verschillende partijen (zoals overheid, maatschappelijke organisaties en bedrijfsleven) vanuit verschillende domeinen (zoals zorg, werk, onderwijs en leefomgeving) er samen voor dat mensen structureel meer bewegen. De meeste winst voor de gezondheid is te halen bij de mensen die niet tot nauwelijks bewegen. Dit zijn vaak mensen met dezelfde kenmerken als de mensen die weinig bewegen. Hun gezondheid kan verbeteren als zij gaan bewegen.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Stralingsniveaumetingen aan de terreingrens van de EPZ kerncentrale Borssele in 2023 | RIVM

Het RIVM meet elk jaar het niveau van gammastraling aan de terreingrens van de kerncentrale Borssele. Dit niveau was in 2023 lager dan het maximum van 10 microsievert per jaar waarvoor de vergunning is verleend. De hoogste dosis blijkt 1,0 microsievert per jaar. Hiermee voldoet de kerncentrale aan de eis uit de vergunning. Het RIVM rapporteert elk jaar in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) of de kerncentrale aan de vergunningseis voldoet. De kerncentrale moet ervoor zorgen dat de blootstelling van personen buiten de terreingrens zo laag als redelijkerwijs mogelijk is, onder het maximum van 10 microsievert per jaar. Dat is in de herziening van de kernenergiewetvergunning van 2016 vastgelegd. Om dit te monitoren meet het RIVM op de terreingrens van de kerncentrale met het zogenoemde MONET-meetnet. In 2023 is dat op acht plekken gedaan. Daarna wordt van de metingen de hoeveelheid gammastraling afgetrokken die van nature voorkomt (natuurlijke achtergrondwaarde). Ten slotte wordt de berekende dosis gecorrigeerd met de zogeheten Actuele Blootstelling Correctiefactor (ABC-factor). Een ABC-factor hangt samen met de bestemming van het gebied waar de effectieve stralingsdosis kan worden opgelopen. Rond het terrein van kerncentrale Borssele is de bestemming uitsluitend industrie, en daarvoor geldt een ABC-factor van 0,2. Met deze ABC-factor wordt de maximale effectieve dosis berekend.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Gammastralingsniveaumetingen aan de terreingrens van COVRA N.V. te Borsele in 2023 met het MONET-meetnet | RIVM

Het RIVM meet elk jaar het niveau van gammastraling aan de terreingrens van de Centrale Organisatie Voor Radioactief Afval ( COVRA Centrale Organisatie Voor Radioactief Afval (Centrale Organisatie Voor Radioactief Afval) N.V.) in Borsele. Dit niveau was in 2023 lager dan het maximum van 40 microsievert per jaar waarvoor de vergunning is verleend. De hoogste gemeten dosis blijkt 3,1 microsievert. Hiermee voldoet COVRA aan de eis uit de vergunning. Het RIVM rapporteert en toetst de gammastraling aan de terreingrens elk jaar in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS). COVRA moet ervoor zorgen dat mensen buiten de terreingrens aan een zo laag als redelijkerwijs mogelijke dosis worden blootgesteld, onder het maximum van 40 microsievert. Dat is in de kernenergiewetvergunning vastgelegd. Om de effectieve dosis te bepalen wordt het gammastralingsniveau op twaalf locaties langs de terreingrens gemeten. Het RIVM doet deze metingen met het zogenoemde MONET-meetnet. Daarna wordt van de metingen de hoeveelheid gammastraling afgetrokken die van nature voorkomt (natuurlijke achtergrondwaarde). Ten slotte wordt de meetwaarde gecorrigeerd met de zogeheten Actuele Blootstellings Correctiefactor (ABC-factor). Een ABC-factor hangt samen met de bestemming van het gebied waar mensen kunnen blootstaan aan de stralingsdosis. In dit rapport staan de daggemiddelden van de metingen van de twaalf MONET-monitoren aan de terreingrens van COVRA in 2023. Ook wordt uitgelegd hoe voor elk meetpunt de natuurlijke achtergrondwaarde is bepaald.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Updated transfer model for dioxins and dioxin-like PCBs in wild cattle – model documentation | RIVM

In enkele gebieden tussen de rivier en dijk (uiterwaarden) grazen wilde runderen als een vorm van natuurbeheer. Sommige dieren worden geslacht om de kudde goed te houden. Hierbij wordt gelet op het aantal dieren en de samenstelling van de kuddes, zoals verschillende leeftijden. Het vlees van de geslachte dieren wordt verkocht als 'wildernisvlees'. In 2020 zijn in het vlees van enkele wilde runderen te veel dioxinen gemeten. Dit komt doordat dioxinen en dioxine-achtige PCB’s polychloorbifenylen (polychloorbifenylen) in het gras en de grond in de uiterwaarden zitten. Daarom is in 2021 een overdrachtsmodel ontwikkeld om te berekenen hoeveel van deze stoffen via gras en grond in het vlees van runderen terechtkomen. Het RIVM en Wageningen Food Safety Research hebben dat gedaan. Zij hebben dit model nu verder ontwikkeld, waardoor de hoeveelheden dioxinen in het vlees beter kunnen worden geschat. Dat komt onder andere doordat er de afgelopen jaren meer metingen beschikbaar zijn gekomen. Ook houdt de nieuwe versie bijvoorbeeld rekening met de verschillen in eigenschappen van de verschillende dioxinen en dioxine-achtige PCB’s. Deze stoffen gedragen zich anders in het lichaam van het dier (kinetisch gedrag). Ze worden bijvoorbeeld met een andere snelheid uit gras en grond opgenomen en in onder andere melk uitgescheiden. Het model komt ook online beschikbaar voor gebruik. Deze technische rapportage beschrijft hoe het model in elkaar zit, welke aannames worden gebruikt en hoe bepaalde waarden (parameters) zijn geschat. Dioxinen en dioxine-achtige PCB’s ontstaan bij (vuil)verbranding. Hoewel deze stoffen de laatste 25 jaar veel minder worden uitgestoten, komen ze nog steeds voor in Nederland. Bijvoorbeeld in gras, de bodem en rivierslib. Door dierlijke producten te eten, kunnen mensen blootstaan aan dioxinen. Te veel dioxinen kunnen schadelijk zijn voor het immuunsysteem, de ontwikkeling van de hersenen, en de voortplanting. Dit model helpt om de risico’s in te schatten en ze met maatregelen te beperken.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Veiligheidsonderzoek binnen de Biotechnologie. Analyse van tien NWO projecten met resultaten voor onderzoek, beleid en beleidsuitvoering | RIVM

Met moderne biotechnologie kunnen genen van organismen worden aangepast. Dat geeft mogelijkheden om maatschappelijke problemen op te lossen. Het maakt bijvoorbeeld medicijnen tegen kanker mogelijk (gentherapie) of draagt bij aan voedselzekerheid (kweekvlees). Maar niet iedereen vindt aanpassingen aan genen gewenst. In Nederland zijn daarom strenge eisen om te mogen werken met biotechnologie. Kennis over de veiligheid van de techniek helpt om innovaties veilig te ontwikkelen. Maar onderzoekers zijn vooral bezig met vernieuwing en minder met grondig onderzoek naar veiligheidsvragen. De Nederlandse overheid wil daarom meer wetenschappelijke kennis hebben over risico’s van biotechnologie. Onder leiding van het Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek ( NWO Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek) ) is dat in 10 onderzoeksprojecten uitgezocht. Het RIVM heeft nu geanalyseerd welke vragen over veiligheid in deze projecten zijn gesteld. Ook is gekeken hoe ze zijn onderzocht en wat dit voor kennis over veiligheid oplevert. Hieruit blijkt dat het zeker de moeite waard te zijn om bij de ontwikkeling van technieken en producten onderzoek te doen naar veiligheid. Het levert kennis over veiligheid op en methoden om dit te onderzoeken. Het is belangrijk om daarbij ook oog te hebben voor de vragen en opvattingen over veiligheid in de samenleving en vroegtijdig na te denken over een veilige productie en veilig gebruik (Safe-bydesign). Wel zijn er hindernissen te nemen om dit soort onderzoek te doen. Die hebben bijvoorbeeld te maken met de organisatie en financiering van wetenschappelijk onderzoek in Nederland. Zo heeft onderzoek naar veiligheid weinig status, waardoor er nauwelijks geld voor beschikbaar is. Verder werken onderzoekers en risicobeoordelaars nog te weinig samen aan veiligheidsvragen. Ook is er vaak niet genoeg tijd en geld om lange termijneffecten te onderzoeken. Het RIVM geeft daarom aanbevelingen om de belemmeringen te verminderen. Bijvoorbeeld om bij de subsidie van onderzoek een verplichting op te nemen om veiligheidsonderzoek te doen. Van dit rapport is een Engelse vertaling verschenen: Safety research in biotechnology. Analysis of 10 NWO projects with results for research, policy and policy implementation
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Signaleringsoverleg Voedselveiligheid: Jaarrapportage 2023 | RIVM

Mensen kunnen ziek worden van bacteriën, parasieten of virussen in voedsel. Dat kan ook gebeuren door chemische stoffen in voedsel. Om nieuwe risico’s voor de voedselveiligheid zo vroeg mogelijk in beeld te brengen, hebben de ministeries van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) en LNV Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) in 2020 het Signaleringsoverleg Voedselveiligheid opgericht. Als nieuwe risico’s sneller in beeld zijn, kunnen sneller maatregelen worden genomen om de gezondheid van mensen te beschermen. Het Signaleringsoverleg bestaat uit twee onderdelen: een overleg over microbiologische risico’s (het SO- VM Verkennende Monitoring (Verkennende Monitoring) ) en een overleg over chemische risico’s (het SO- VC Voedingscentrum (Voedingscentrum) ). In beide onderdelen zitten experts op het gebied van voedselveiligheid van verschillende instituten en het bedrijfsleven. Deze experts verzamelen signalen die zij met elkaar bespreken en betekenis geven. In 2023 is elk onderdeel vier keer bij elkaar gekomen. In totaal hebben de experts 60 signalen besproken en uitgewerkt. Als een signaal volgens het Signaleringsoverleg reden is voor meer onderzoek of maatregelen, geeft het dat door aan het Coördinerend Overleg (CO). In dit overleg zijn de ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit ( NVWA Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit) ) vertegenwoordigd. Het CO besluit of en welke acties worden ondernomen. In 2023 heeft het SO-VM 2 signalen gemeld aan het CO en het SO-VC heeft 6 signalen gemeld.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Eindrapportage van de Lerende evaluatie Juiste Zorg Op de Juiste Plek | RIVM

Om de zorg toegankelijk, betaalbaar en van hoge kwaliteit te houden, is verandering nodig. Het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) is daarom in 2018 met verschillende organisaties die zorg en ondersteuning bieden de ‘beweging’ De Juiste Zorg Op de Juiste Plek (JZOJP) begonnen. Het doel is zorgen dat minder mensen zorg nodig hebben (voorkomen), de benodigde zorg dichter bij de patiënt aan te bieden (verplaatsen) en waar mogelijk online (vervangen). Het RIVM heeft in deze eindevaluatie in kaart gebracht wat de JZOJP tussen 2019 en 2023 heeft bereikt. Daaruit blijkt dat er goede stappen zijn gezet, maar ook dat er nog veel te doen is. Organisaties in zorg en ondersteuning merken bijvoorbeeld beperkingen in het zorgsysteem op, zoals wettelijke voorschriften en de manier waarop geldstromen zijn georganiseerd. Hierdoor loopt de uitvoering van de JZOJP in de praktijk tegen grenzen aan. Volgens de organisaties duurt het daarom lang voordat veranderingen zijn doorgevoerd. Rond 2019 zijn veel nieuwe samenwerkingsverbanden tussen zorg- en ondersteuningsaanbieders, gemeenten en zorgverzekeraars begonnen, maar grote veranderingen in zorg en ondersteuningsaanbod hebben meer tijd nodig. Ook blijkt dat inwoners nog beter betrokken kunnen worden bij de samenwerkingsverbanden om hun hulpvraag duidelijk in beeld te krijgen en het aanbod daarop aan te passen. Er is minder veranderd in het aanbod van zorg en ondersteuning dan samenwerkingsverbanden wensen. Het RIVM concludeert dat de JZOJP moet worden gezien als de eerste fase van een grote verandering in de zorg die veel tijd kost. Binnen deze verandering moet de focus zich verplaatsen van ziekte en zorg naar gezondheid. Zorg en medicijnen zijn bijvoorbeeld niet altijd het antwoord op een hulpvraag. Dat kan bijvoorbeeld ook een leefstijlcoach zijn of ondersteuning vanuit het sociale domein. Verder is het belangrijk om inwoners en patiënten duidelijk te informeren over de veranderingen in de zorg en welke zorg en ondersteuning zij kunnen verwachten. Ook hebben alle betrokkenen tijd nodig om van elkaar te kunnen leren en open te staan voor andere perspectieven dan alleen het medische. Ten slotte beveelt het RIVM aan deze grote verandering niet alleen aan de praktijk over te laten. De landelijke overheid is ook nodig om bijvoorbeeld de regels aan te kunnen passen voor de financiering van zorg en ondersteuning.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Risk assessment of food supplements containing N-acetylcysteine (NAC) | RIVM

In Nederland worden voedingssupplementen verkocht waar de stof Nacetylcysteïne, L-cysteïne en/of L-cystine in zit. De supplementen zijn bedoeld om het lichaam te helpen ontgiften. Het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) heeft het RIVM gevraagd om de veiligheid van deze voedingssupplementen te beoordelen. Volwassenen kunnen per dag maximaal 1200 milligram N-acetylcysteïne of 900 milligram L-cysteïne of L-cystine binnenkrijgen zonder schadelijke effecten. Voor kinderen van 2 tot 18 jaar is de maximale hoeveelheid lager. Als gebruikers meer dan de maximale hoeveelheid binnenkrijgen, kunnen ze er bijvoorbeeld maag-darmklachten van krijgen. Er zijn supplementen op de markt die een hogere dosering aanraden dan dit maximum. Daarom raadt het RIVM gebruikers aan om erop te letten dat ze niet te veel binnenkrijgen. Het RIVM raadt aan deze supplementen niet te gebruiken voor kinderen onder de twee jaar. N-acetylcysteïne is ook geregistreerd als slijmoplossend medicijn. Het wordt afgeraden om de voedingssupplementen tegelijk met dit medicijn te gebruiken, omdat mensen er dan te veel van kunnen binnenkrijgen. VWS heeft het RIVM gevraagd om de veiligheid van N-acetylcysteïne te beoordelen. NAC wordt in het lichaam omgezet tot de stoffen L-cysteïne of L-cystine. Omdat deze twee stoffen ook in de supplementen kunnen zitten, heeft het RIVM alle drie de stoffen beoordeeld.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Blootstelling-Responsrelaties vliegtuiggeluid. Geluidhinder en slaapverstoring rond Eindhoven Airport | RIVM

Op Eindhoven Airport vliegen vliegtuigen voor zowel burgers als militairen. De GGD Gemeentelijke Gezondheidsdienst (Gemeentelijke Gezondheidsdienst) Brabant-Zuidoost onderzoekt regelmatig hoe inwoners van 16 gemeentes in de omgeving van de luchthaven het vliegverkeer ervaren. Daarbij krijgen bewoners onder andere via een vragenlijst de vraag hoeveel hinder en slaapverstoring zij ervaren door vliegtuiggeluid. Voor het onderzoek heeft de GGD ook een zogeheten blootstelling-responsrelaties (BR-relaties) nodig voor Eindhoven Airport. Een BR-relatie geeft de relatie weer tussen blootstelling aan vliegtuiggeluid en de mate waarin omwonenden daarvan ernstige hinder of slaapverstoring ervaren. Het RIVM heeft deze BR-relaties voor Eindhoven Airport bepaald voor 2023. Voor de BR-relatie koppelt het RIVM de GGD-gegevens van de bewoners over hinder en slaapverstoring aan de hoeveelheid vliegtuiggeluid in de omgeving. Dat is het gemiddelde van het geluid over de periode van een jaar dat het Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum ( NLR Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium (Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium) ) berekent. Overdag was er een duidelijke BR-relatie tussen geluidsblootstelling van vliegverkeer en ernstige hinder. ’s Nachts stonden deelnemers aan weinig geluid bloot. Hierdoor was het moelijker om een BR-relatie tussen slaapverstoring en blootstelling aan nachtelijk geluid van vliegverkeer te bepalen. Die relatie was alleen te zien bij deelnemers die aan relatief veel geluid blootstonden. Dat gaat om 10 procent van de bewoners. Het NLR heeft ook aangegeven hoeveel geluid er komt van vluchten voor militairen en van vluchten voor burgers (civiele vluchten). De BR-relaties van militair en civiel vliegverkeer verschillen van elkaar. Wanneer het aantal decibellen ongeveer even hoog is, hebben mensen meer last van het geluid van militair vliegverkeer dan van civiele vluchten. De BR-relaties zijn een update van de BR-relaties uit 2014. Vergeleken daarmee blijken er nu meer mensen met ernstige hinder te zijn in gebieden met minder geluid. En minder mensen met ernstige hinder in gebieden met veel geluid. In 2026 worden weer nieuwe BR-relaties voor Eindhoven Airport bepaald voor het nationale beleid voor vliegvelden. De basis daarvoor zijn gegevens over bronnen van hinder en slaapverstoring uit de Gezondheidsmonitor, die inwoners van heel Nederland invullen.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Jaarrapportage monitor Gecombineerde leefstijl interventie (GLI) 2024 | RIVM

Een Gecombineerde Leefstijlinterventie (GLI) is een behandeling voor mensen met overgewicht en obesitas. Het doel is om via een gezondere leefstijl een gezonder gewicht te bereiken. Dit gebeurt door aandacht te besteden aan onder andere voeding, beweging, slaap en stress. Deelnemers werken hier twee jaar aan. Sinds 2019 volgt het RIVM de ontwikkelingen rondom de GLI en de resultaten bij de deelnemers. Dit is de derde jaarrapportage, met cijfers tot 1 juni 2024. Sinds 2019 zijn 121.000 Nederlanders begonnen met de GLI. Bij de analyse van de cijfers wordt vooral gekeken naar het effect op gewicht, buikomvang en kwaliteit van leven. Aan het einde van het GLI-traject hebben deelnemers gemiddeld 5 procent gewicht verloren en is de buikomvang gemiddeld met bijna 5 procent afgenomen. De kwaliteit van leven is flink verbeterd: deze is 13 punten hoger dan bij het begin van de GLI, op een schaal van 0 (meest ongezond) tot 100 (meest gezond). De kwaliteit van leven is hoger bij deelnemers die meer dan 5 procent gewicht verliezen dan bij deelnemers die minder gewicht verliezen (15 punten hoger versus 11 punten hoger dan bij de start). Het RIVM heeft voor het eerst ook gekeken naar het effect van medicijnen met een gewichtsverlagende werking die tijdens de GLI worden gebruikt. Het kan gaan om medicijnen voor diabetes, waardoor mensen ook gewicht verliezen, maar soms ook om medicijnen die specifiek bedoeld zijn om af te vallen. Ongeveer een op de acht deelnemers (12 procent) gebruikt medicijnen met een gewichtsverlagende werking, de meesten omdat ze diabetes hebben. Slechts 1 procent van de GLI-deelnemers gebruikt medicijnen die specifiek bedoeld zijn om af te vallen. Dat zijn er te weinig om conclusies te kunnen trekken over effecten van déze obesitasmedicijnen bij GLI-deelnemers. Wel hebben we gekeken of de gemiddelde resultaten van de GLI worden vertekend doordat sommige deelnemers medicijnen met gewichtsverlagende werking gebruiken. De deelnemers zonder deze medicijnen vielen gemiddeld iets minder af (4,4 procent) dan alle deelnemers (5 procent), dus inclusief de deelnemers die wel medicijnen gebruikten (zowel voor diabetes als obesitas). Dit verschil is klein. Dit betekent dus dat de GLI ervoor zorgt dat mensen afvallen, ook zonder het gebruik van (diabetes)medicatie. De kwaliteit van leven verbetert evenveel in de groepen met en zonder gebruik van (diabetes)medicijnen. Deelnemers aan de GLI ervaren dus een flinke verbetering van de gezondheid.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Surveillance zoönosen in schapen 2023 | RIVM

Dieren kunnen ziekteverwekkers bij zich dragen waarvan mensen ziek kunnen worden. De ziekten die hierdoor worden veroorzaakt, noemen we zoönosen. Elk jaar wordt in kaart gebracht welke ziekteverwekkers bij een diersoort in de veehouderij voorkomen. In 2023 is dat voor het eerst bij schapen onderzocht. Hiervoor is mest verzameld en zijn zogeheten neusswabs genomen van schapen op 161 Nederlandse bedrijven. Ook zijn 81 schapenhouders, hun gezinsleden en medewerkers onderzocht. Het onderzoek richt zich op vier ziekteverwekkende bacteriën: Campylobacter, STEC Shigatoxineproducerende E. coli-stammen (Shigatoxineproducerende E. coli-stammen) , Listeria en Salmonella. Daarnaast is gekeken naar ESBL Extended spectrum beta-lactamases (Extended spectrum beta-lactamases) -producerende bacteriën en MRSA Methicilline-resistente Staphylococcus aureus (Methicilline-resistente Staphylococcus aureus ) . Deze laatste zijn belangrijk omdat veel soorten antibiotica daar niet tegen werken. Bij mensen kunnen de meeste van deze ziekteverwekkers diarree veroorzaken, maar bij mensen met een kwetsbare gezondheid kunnen infecties ernstiger verlopen. De ziekteverwekkers zitten meestal in de darmen van de dieren en dus ook in de mest. Het vlees kan daardoor tijdens de slacht besmet raken. Het is daarom belangrijk om schapen- of lamsvlees goed gaar te eten. Ook is handen wassen na contact met schapen belangrijk. Campylobacter kwam het meeste voor en is bij de schapen op 86 procent van de bedrijven gevonden. Bij de veehouders en gezinsleden is deze bacterie niet gevonden. STEC-bacteriën kwamen ook vaak voor, op 52 procent van de bedrijven. Negen deelnemers droegen STEC bij zich. Dit is vaker dan bij veehouders die met andere diersoorten werken. Salmonella zijn op 45 procent van de bedrijven gevonden. Het ging hierbij meestal om Salmonella diarizonae, een type dat specifiek bij schapen lijkt voor te komen. Bij mensen wordt dit type Salmonella bijna nooit gevonden. Listeria kwam op 29 procent van de bedrijven voor bij de schapen. Salmonella en Listeria zijn niet bij de deelnemers gevonden. ESBL-producerende bacteriën zijn op 14 procent van de bedrijven bij de schapen gevonden, maar niet bij de deelnemers. MRSA is op 5 procent van de bedrijven gevonden, en bij 6 procent van de deelnemers. Dit is vaker dan bij de hele Nederlandse bevolking. Alle deelnemers met MRSA hebben ook contact gehad met andere diersoorten dan schapen. Ze kunnen dus ook via andere dieren zijn besmet. Het RIVM, de NVWA Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit) en WFSR Wageningen Food Safety Research (Wageningen Food Safety Research ) (Wageningen Food Safety Research) hebben dit onderzoek gedaan.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Versterking kennisbasis gezondheid, veiligheid en milieu in relatie tot de energietransitie | RIVM

Sinds 2023 werkt het RIVM aan het versterken van de kennisbasis voor het beoordelen van effecten van de energietransitie op gezondheid, veiligheid en milieu. Om zichtbaar te maken wat deze investering oplevert, wordt in deze kennisnotitie gerapporteerd over de afgeronde werkzaamheden sinds 2023. Het gaat om vier projecten: successen en valkuilen bij burgerparticipatie in de energietransitie, RIVM-kennisstrategie voor (chemische stoffen in) batterijen, risico's van waterstof en waterstofdragers en een risicoverkenning warmtepompen.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Rapportage GALA-monitor 2024. Eerste stand van zaken | RIVM

Begin 2023 is het Gezond Actief Leven Akkoord (GALA) getekend. In dit akkoord ligt de nadruk op preventie, oftewel gezondheidsproblemen voorkomen. Hiervoor zijn afspraken gemaakt om lokaal en regionaal te werken aan zeven thema’s om mensen gezonder en actiever te laten leven. Voorbeelden zijn: een gezonde leefomgeving, een gezonde leefstijl en vitaal ouder worden. Dat betekent dat het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) , gemeenten, zorgverzekeraars en GGD Gemeentelijke Gezondheidsdienst (Gemeentelijke Gezondheidsdienst) ’en samenwerken aan bestaande en nieuwe preventieve maatregelen. Het akkoord loopt tot en met 2026. Het RIVM volgt in deze periode wat de betrokken partijen voor de zeven gezondheidsthema’s doen en hoe de samenwerking zich hierbij ontwikkelt. Deze eerste rapportage van de GALA-monitor laat zien dat de betrokken partijen plannen hebben gemaakt om lokaal en regionaal te gaan samenwerken. De precieze uitwerking van die plannen is afhankelijk van wat er regionaal en lokaal nodig is, en is daarom maatwerk. Ook verschilt het tempo waarin de regio’s eraan werken. Dit hangt vaak af van wat er eerder al is gedaan aan samenwerking, preventie en programma’s die de gezondheid verbeteren. Het blijkt dat het GALA de samenwerking een impuls heeft gegeven. Bij de uitwerking van de plannen weten gemeente en zorgverzekeraar elkaar te vinden. De komst van het GALA heeft de samenwerking minder vrijblijvend gemaakt. Ook heeft het akkoord het urgenter en vanzelfsprekender gemaakt dat de verschillende partijen samenwerken aan gezondheid. Het is nu zaak om de ambities om te zetten in actie. Het kost tijd om de gezondheid te verbeteren. Concrete effecten van het GALA op gezondheid kunnen daarom in de monitor niet worden gegeven. Het RIVM benadrukt dat de activiteiten die in het GALA zijn afgesproken langer moeten doorgaan dan het akkoord duurt. Om de beweging die in gang is gezet gaande te houden, moeten knelpunten worden aangepakt. Het is bijvoorbeeld onzeker hoe lang de financiering voor de plannen van het GALA duurt. Ook zijn de partijen bezorgd of gemeenten genoeg personeel hebben om de extra vragen die op hen afkomen aan te kunnen. Tot slot is het belangrijk de gezondheidsthema’s uit het GALA meer met elkaar te verbinden.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Monitor Valpreventie. Stand van zaken ketenaanpak Valpreventie in 2023 en eerste half jaar 2024 | RIVM

Elk jaar komen ruim 110.000 65-plussers op de Spoedeisende Hulp terecht na een val. Naast het persoonlijke leed brengt dat veel medische kosten met zich mee. Thuiswonende ouderen kunnen een val voorkomen door aan valpreventie te doen. Ze leren dan hun spieren en balans te trainen, gezond te eten en regelmatig hun ogen te laten controleren. Een deel van de gemeenten werkt al jaren aan valpreventie. Om ouderen met een grotere kans om te vallen op te sporen en de kans op ongelukken te verkleinen, is in 2023 de ketenaanpak Valpreventie opgezet. Sindsdien werken de rijksoverheid, gemeenten en zorgverzekeraars hier samen aan. De ketenaanpak bestaat uit vier stappen: 1. Signaleren welke mensen kans lopen om te vallen, 2. Bekijken welke factoren bijdragen aan de kans om te vallen, 3. Deelnemen aan een valcursus en 4. Structureel sporten en bewegen. Het RIVM brengt elk jaar het proces, de voortgang en de resultaten van de ketenaanpak Valpreventie in kaart. Daaruit blijkt dat in 2023 in veel gemeenten een begin is gemaakt om de ketenaanpak samen op te zetten. Gemeenten, GGD Gemeentelijke Gezondheidsdienst (Gemeentelijke Gezondheidsdienst) ’en en zorgverzekeraars vinden dat positief. Maar niet alle stappen van de ketenaanpak worden al uitgevoerd. Ook is er nog niet genoeg informatie bekend om te weten of de doelen voor valpreventie in Nederland zijn gehaald. De monitor laat zien dat de ketenaanpak Valpreventie in 2023 in steeds meer gemeenten wordt aangeboden; van 271 gemeenten is dat bekend. Ook werken gemeenten en zorgverzekeraars met verschillende zorg- en welzijnspartijen samen om in kaart te brengen welke ouderen een grotere kans hebben om te vallen. Dat zijn mensen op hoge leeftijd met verschillende aandoeningen. In 265 gemeenten krijgen thuiswonende ouderen met een valrisico minstens een van de drie erkende valcursussen aangeboden. De betrokken partijen vonden het vooral lastig dat niet bekend was wie bij de mensen kan beoordelen welke factoren bijdragen aan de kans om te vallen. Dat komt onder andere doordat de betrokken partijen het niet eens zijn over welke professionals dit moeten beoordelen (huisartspraktijken of fysiotherapeut/ergotherapeuten).
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Advies tot monitoren van mogelijke risicovolle uitstoot door mestverwerkers - onderbouwd met microbiologische metingen en modellering | RIVM

In mest zitten micro-organismen, zoals bacteriën en virussen. Sommige micro-organismen kunnen mensen ziek maken als ze ermee in contact komen. Dit kan gebeuren door direct contact, door lucht in te ademen waarin deze micro-organismen zitten of door besmet water in te slikken, bijvoorbeeld tijdens het zwemmen in oppervlaktewater waar mest in is terechtgekomen. In Nederland wordt steeds meer mest verwerkt, onder andere omdat er minder mest op het land mag worden gebruikt. De mest wordt op veehouderijen in mestverwerkingsinstallaties verwerkt of door speciale mestverwerkingsbedrijven die mest van verschillende veehouderijen verwerken (gecentraliseerde mestverwerkingsinstallaties). Bij de verwerking van mest kunnen sommige micro-organismen doodgaan en andere juist blijven leven. De provincie Noord-Brabant wil dat mestverwerkingsinstallaties hun uitstoot van micro-organismen zo veel mogelijk verminderen. Ze wil daarom weten hoe micro-organismen in de lucht rondom mestverwerking efficiënt kunnen worden gemeten. Het RIVM heeft hiermee een begin gemaakt door bacteriën in de lucht te meten op verschillende afstanden van twee varkensbedrijven die zelf mest verwerken. Dit is om praktische redenen gedaan tot 100 meter van de mestverwerkingsinstallatie. Het RIVM heeft twee soorten bacteriën gekozen die de mestverwerking kunnen overleven en makkelijk zijn te meten (intestinale enterokokken en sporen van sulfiet-reducerende Clostridia). Het is te bewerkelijk om alle micro-organismen te meten. Met een model dat het RIVM heeft gemaakt kan worden berekend hoe de bacteriën zich over een grotere afstand door de lucht verspreiden. De gemeten soorten bacteriën zijn in zowel verse als verwerkte mest, en in de lucht gevonden. De modelberekeningen laten zien dat de concentraties steeds lager worden als de afstand tot het bedrijf groter wordt. Meer metingen in mest en lucht zijn nodig om zeker te weten hoeveel bacteriën door mestverwerking in de lucht komen. Ook is het belangrijk om meer luchtmetingen te hebben van gecentraliseerde mestverwerkingsinstallaties. Dan is pas zeker dat de uitstoot uit de mestverwerking komt en niet uit de stallen op een veehouderij die zelf aan mestverwerking doet.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

EURL-Salmonella Proficiency Test Live Bivalve Molluscs 2024. Detection of Salmonella in mussels | RIVM

In 2024 hebben 21 van de 22 Nationale Referentie Laboratoria voor Salmonella (NRL’s-Salmonella) een goede score gehaald in het ringonderzoek voor de Salmonella-bacterie. Eén laboratorium heeft wel de verwachte resultaten gehaald, maar gebruikte niet de voorgeschreven methode. Daarom is dit keer voor dit laboratorium geen score bepaald. Alle lidstaten van de Europese Unie hebben een NRL-Salmonella. Deze NRL’s zijn verplicht om elk jaar hun kwaliteit te laten toetsen met verschillende zogeheten ringonderzoeken. Een van de ringonderzoeken controleert of de NRL’s de Salmonella-bacterie in levende tweekleppige weekdieren kunnen aantonen; dit keer in mosselen. Elk lidstaat van de EU wijst hiervoor het NRL aan dat verantwoordelijk is voor deze testen in hun laboratorium. De 22 deelnemers in dit ringonderzoek kwamen uit 19 lidstaten van de Europese Unie en uit drie andere Europese landen. De laboratoria gebruikten een verplichte, internationaal erkende analysemethode om Salmonella in mossel monsters aan te tonen. Elk laboratorium moest volgens een protocol zelf de mosselen openmaken en besmetten met Salmonella. Het Europese Unie Referentie Laboratorium voor Salmonella (EURL-Salmonella) leverde zowel de mosselen als de Salmonella-materialen. Het EURL-Salmonella organiseerde het ringonderzoek. Het EURL-Salmonella ziet toe op de kwaliteit van de NRL’s-Salmonella in de Europese Unie en is gevestigd bij het RIVM.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Risk assessment of the mixture of cadmium and lead for people over fifty | RIVM

Cadmium en lood zijn zware metalen die in de bodem zitten. Via ons voedsel kunnen we cadmium en lood binnenkrijgen. Door hoge blootstellingen gaan de nieren minder goed werken, vooral bij oudere mensen. Eerder onderzoek van het RIVM toonde geen meetbaar negatief effect aan van cadmium op de werking van de nieren, maar wel van lood. Het effect op de nierfunctie is toen van elke stof apart bepaald. Het RIVM heeft nu gekeken wat het effect van de twee stoffen samen op de nierfunctie is (mengselrisicobeoordeling), omdat mensen allebei de metalen binnenkrijgen. Dit is onderzocht bij mensen van 50 jaar en ouder. De blootstelling is op twee manieren berekend. Bij de eerste manier is berekend hoeveel cadmium en lood mensen binnenkrijgen via voedsel. Daarna zijn deze hoeveelheden bij elkaar opgeteld en is het risico van dit mengsel berekend. Hieruit bleek dat mensen van 50 jaar en ouder te veel van deze zware metalen binnenkrijgen (de risico-index was hoger dan 1). Daardoor is er een kans dat hun nieren minder goed gaan werken. Dit geldt vooral voor lood, net als uit het eerdere RIVMonderzoek bleek. Bij de tweede manier is de hoeveelheid cadmium en lood in het bloed van deelnemers aan de Doetinchem Cohort Studie gemeten. Deze hoeveelheden zijn ook opgeteld. Door in bloed te meten wordt niet alleen de blootstelling aan de metalen via voedsel gemeten, maar ook via andere ’routes’. Bijvoorbeeld door ze in te ademen of door contact via de huid. Dit sluit beter aan bij het dagelijks leven. Ook deze aanpak toonde een te hoge blootstelling aan. Beide manieren laten zien dat het nodig blijft om te volgen hoeveel cadmium en lood mensen binnenkrijgen. Als laatste is bekeken in welke mate cadmium en lood bijdragen aan de kans op een minder goede nierfunctie. Hierbij is het verschil in de giftigheid van cadmium en lood meegenomen. Er bleken nog veel onzekerheden over de werking van deze stoffen op de nierfunctie. Daardoor kan het mengselrisico niet nauwkeurig worden bepaald. Om dat te kunnen doen is meer onderzoek nodig naar de precieze werking van beide stoffen op de nierfunctie.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Biomonitoring of cadmium and lead in adults | RIVM

Mensen kunnen onder andere via voedsel, lucht en drinkwater in aanraking komen met chemische stoffen. Als de blootstelling aan deze stoffen te hoog is, dan kan dat schadelijk zijn voor de gezondheid. Het RIVM onderzoekt in welke mate mensen aan deze stoffen worden blootgesteld. Een manier om dat te doen is om deze stoffen in bloed en urine te meten. We meten daarmee in het lichaam de totale hoeveelheid van een stof waaraan iemand via verschillende bronnen is blootgesteld. Dit type onderzoek heet humane biomonitoring (HBM). Het RIVM onderzocht met deze methode hoe hoog de totale blootstelling aan twee zware metalen, cadmium en lood, voor volwassenen is. En of mensen daar vooral via voedsel aan blootstaan. In het bloed en de urine van bijna alle deelnemers is cadmium en lood gevonden. De HBM-grenswaarde voor cadmium wordt nauwelijks overschreden. Voor lood is er nog geen HBM-grenswaarde bepaald. Voedsel is inderdaad de belangrijkste bron van de blootstelling. Het onderzoek bevestigt ook dat roken een andere belangrijke bron is voor zowel de blootstelling aan cadmium als aan lood. Hoge concentraties van deze stoffen kunnen schadelijk zijn voor, onder andere, de nieren. Daarom is onderzocht of er een relatie was tussen de gemeten metaalconcentraties en de nierfunctie. Het blijkt dat 15 procent van de deelnemers een minder goede nierfunctie heeft. Cadmium droeg daar niet aantoonbaar aan bij, maar de blootstelling aan lood wel. Dit is niet wenselijk omdat de nierfunctie van nature al afneemt naarmate mensen ouder worden. Dit onderzoek laat zien dat HBM een geschikte methode is om de totale blootstelling van cadmium en lood te meten. Deze totale blootstelling kan vervolgens worden vergeleken met de hoeveelheden waaraan mensen via voedsel blootstaan. Bovendien kan met HBM de relatie tussen blootstelling en gezondheid worden onderzocht. Het RIVM beveelt aan de concentratie van cadmium en lood in voedsel te blijven monitoren. Het onderzoek is in opdracht van het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) gedaan. Het RIVM kon hiervoor bloed en urine van deelnemers aan de Doetinchem Cohort Studie gebruiken. Deze studie volgt al ruim 30 jaar de gezondheid van een groep volwassenen uit Doetinchem.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Evaluatie luchtmeetnetten provincie Noord-Holland | RIVM

Drie gebieden van de provincie Noord-Holland hebben een eigen luchtmeetnet: Haarlemmermeer, westelijk havengebied Amsterdam en IJmond regio. In de IJmond wordt de luchtkwaliteit al sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw gemeten. De andere meetnetten zijn later opgezet. Het RIVM heeft op verzoek van de provincie Noord Holland onderzocht of de meetnetten nog geschikt zijn voor de vragen van nu, bijvoorbeeld of ze de goede stoffen op de goede plaatsen meten. Ook is aan verschillende betrokken partijen, zoals gemeenten en provincie en inwoners uit de omgeving gevraagd wat zij van de meetnetten verwachten. De meetnetten blijken geschikt te zijn om de luchtkwaliteit door de jaren heen te volgen (monitoren). Ook kan ermee worden getoetst of de concentraties van bepaalde stoffen onder de Nederlandse grenswaarden of de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie ( WHO World Health Organization (World Health Organization ) ) voor de luchtkwaliteit blijven. De meetnetten leveren veel informatie om vragen van betrokken partijen over de luchtkwaliteit te kunnen beantwoorden. Wel hebben deze partijen behoefte aan uitleg bij de ‘kale’ meetresultaten om beter te begrijpen wat ze betekenen. Verder geven inwoners aan niet altijd goed te weten waar ze de meetresultaten kunnen vinden. Het RIVM adviseert de provincie Noord-Holland dan ook om de meetresultaten en kennis over luchtkwaliteit actiever met hen te delen. Het is aan de provincie hoe dit het beste kan worden gedaan. Een luchtmeetnet is niet geschikt om formeel te toetsen of een bedrijf zich aan de vergunde uitstoot van verontreinigende stoffen naar de lucht houdt. Luchtkwaliteit wordt door veel meer dan de aanwezigheid van een bedrijf bepaald. Wel kunnen de metingen van een luchtmeetnet, samen met berekeningen, helpen om inzicht te krijgen hoeveel een bedrijf bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Voor deze berekeningen worden onder andere gegevens van het bedrijf over de uitstoot gebruikt. Als het verschil tussen metingen en berekeningen groot is, kan dat voor het bevoegd gezag aanleiding zijn om dit met het desbetreffende bedrijf te bespreken. Sommige inwoners willen dat er lokaal op meer plekken wordt gemeten. Metingen en modelberekeningen samen geven nu een goed beeld van de luchtkwaliteit in een regio. Meer meetpunten geven hier niet meer informatie over. Het RIVM raadt ook af om meetpunten die al lang bestaan te verplaatsen. Vaste meetpunten zijn belangrijk om ontwikkelingen door de tijd goed in kaart te kunnen brengen. Het RIVM geeft de provincie in overweging om bestaande meetlocaties in de meetnetten IJmond en Haarlemmermeer uit te breiden met metingen van ultrafijnstof. Deze metingen geven meer inzicht in de concentraties ultrafijnstof in de regio. Ook helpen ze om te bepalen hoeveel ultrafijnstof de Nederlandse bevolking via de lucht inademt. Deze kennis is belangrijk om meer inzicht te krijgen in mogelijke gezondheidseffecten van ultrafijnstof.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Kwalitatief gedragsonderzoek naar de motivaties en barrieres bij zonbeschermende maatregelen | RIVM

Er zijn verschillende initiatieven om mensen te informeren over de risico’s van een te hoge blootstelling aan UV ultraviolet (ultraviolet) -straling van de zon en hoe zij zich hiertegen kunnen beschermen. Het RIVM heeft mensen in diepte-interviews gevraagd hoe ze zich beschermen tegen de zon en waarom ze al dan niet kiezen voor de beschermingsmaatregelen weren, kleren, smeren. Het doel is inzicht te krijgen in motivatie en barrières om je tegen de zon te beschermen. De uitkomsten kunnen onder andere gebruikt in voorlichtingscampagnes over zonbescherming. Om mensen zich beter te laten beschermen tegen de zon is het belangrijk hen bewust te maken van de schadelijke effecten op de lange termijn, zoals huidveroudering en huidkanker. Aanbevolen wordt hierbij aandacht te besteden aan de momenten waarop de UV-blootstelling hoger is dan verwacht. Mensen laten zich ten onrechte leiden door de temperatuur in plaats van door zonkracht. Ook zijn ze zich niet genoeg bewust van de mogelijkheid om de schaduw op te zoeken als effectieve beschermingsmaatregel.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Aggregate exposure – exploring the use of an allocation factor in risk assessment | RIVM

In het dagelijks leven komen mensen op verschillende manieren in contact met chemische stoffen. Deze stoffen zitten bijvoorbeeld in voedsel, water, cosmetica of andere consumentenproducten. Om ervoor te zorgen dat mensen ze veilig kunnen gebruiken, wordt bepaald hoeveel er van een stof in een product mag zitten. Alleen wordt daarbij niet gekeken of mensen ook via andere ‘bronnen’ aan de stof blootstaan. Van vitamine A bijvoorbeeld is bekend dat het in zowel cosmetica als voedsel en voedingssupplementen zit. Als voor de risicobeoordeling naar één productgroep wordt gekeken, wordt geen rekening gehouden met de totale blootstelling aan de stof. Het is dus belangrijk om in de risicobeoordeling de blootstelling via verschillende producten mee te nemen. Het RIVM heeft daarom verkend of dat met een zogeheten allocatiefactor kan. Een allocatiefactor verdeelt de totale hoeveelheid van een stof waar mensen veilig aan kunnen blootstaan onder in de maximale blootstelling per bron. Volgens de richtlijn van de WHO World Health Organization (World Health Organization ) mag 20 procent van de totale blootstelling aan een stof via drinkwater komen. De allocatiefactor voor drinkwater is dan 20 procent. Het RIVM heeft de verkenning uitgevoerd op de productgroep cosmetica. Onder cosmetica vallen veel verschillende verzorgingsproducten, zoals make-up, zonnebrand, tandpasta en deodorant. Deze verkenning is gedaan om op Europees niveau te bespreken of een allocatiefactor in de wetgeving voor cosmetica kan worden opgenomen. Het RIVM stelt twee mogelijkheden voor om een allocatiefactor voor een risicobeoordeling voor cosmetica te gebruiken, met hun voordelen en nadelen. Bij de eerste mogelijkheid wordt de allocatiefactor altijd gebruikt, tenzij kan worden aangetoond dat cosmetica de enige bron is. Voor de tweede optie wordt de allocatiefactor alleen gebruikt wanneer er bewijs is dat mensen ook via andere bronnen aan de stof blootstaan.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

RSV-vaccinatie in ouderen. Achtergrondinformatie voor de Gezondheidsraad | RIVM

Het respiratoir syncytieel virus ( RSV Respiratoir Syncytieel Virus (Respiratoir Syncytieel Virus) ) is een virus dat infecties aan de luchtwegen veroorzaakt. RSV komt in de herfst en winter veel voor bij jonge kinderen. Een RSV-infectie geeft meestal milde klachten, maar kan ook ernstiger verlopen waardoor kinderen in het ziekenhuis moeten worden opgenomen. Maar ook ouderen kunnen ziek worden van RSV. Zij kunnen hierdoor in het ziekenhuis terechtkomen en er ook aan overlijden. Het Europees Medicijnagentschap ( EMA European Medicines Agency (European Medicines Agency) ) heeft drie vaccins goedgekeurd voor volwassenen vanaf 60 jaar om ziekte door RSV te voorkomen. Het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) heeft de Gezondheidsraad gevraagd om een advies te geven over RSV-vaccinatie bij ouderen. Als ondersteuning voor dit advies heeft het RIVM informatie verzameld voor de Gezondheidsraad. Deze informatie gaat vooral over het geschatte aantal ouderen met RSV in Nederland en hoe ernstig ziek ze daarvan worden (ziektelast). Om verschillende redenen blijkt dat moeilijk te schatten. Ten eerste wordt bij een luchtweginfectie meestal niet onderzocht wat de oorzaak van de infectie is. Dat is ook niet nodig omdat de meeste infecties vanzelf, dus zonder behandeling, overgaan. Ten tweede geeft de laboratoriumtest om RSV aan te tonen niet altijd de goede uitslag. Daardoor worden vooral bij oudere mensen niet alle infecties aangetoond. Ten derde verwerken ziekenhuizen een aangetoonde RSV-infectie niet altijd in hun gegevens (coderingen). Het RIVM heeft met deze beperkt beschikbare informatie geschat hoeveel mensen per jaar vanwege een RSV-infectie worden opgenomen in het ziekenhuis. Een voorzichtige schatting is dat in Nederland elk jaar ongeveer 3000 mensen van 65 jaar of ouder voor RSV worden opgenomen. Dit is ongeveer 1 op de 1000 65-plussers. De kans om door RSV in het ziekenhuis te worden opgenomen is groter naarmate mensen ouder zijn. In de (inter)nationale wetenschappelijke literatuur zijn dezelfde vergelijkbare resultaten te zien.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Tuberculose in Nederland 2023 | RIVM

In 2023 is in Nederland bij 710 mensen de ziekte tuberculose ( tbc Tuberculose (Tuberculose) ) vastgesteld. Dit is 10 procent meer dan in de jaren 2020 tot en met 2022 tijdens de coronapandemie (gemiddeld 643 patiënten), maar 9 procent lager dan in de jaren voor de pandemie (gemiddeld 777 patiënten). Al tientallen jaren daalt het aantal tbc-patiënten in Nederland, het laagste aantal is tijdens de coronapandemie bereikt. Na de pandemie zijn de coronamaatregelen, zoals afstand houden en contacten tussen personen beperken, afgebouwd en is de tbc-bacterie weer vaker aan mensen overgedragen. Na het einde van de reisbeperkingen nam het aantal immigranten en asielzoekers in Nederland weer toe, ook uit landen waar tuberculose veel voorkomt. Zij worden na aankomst in Nederland verplicht gescreend op tuberculose en zo kan de ziekte snel worden opgespoord en behandeld. Tuberculose in Nederland komt vaker voor bij personen die niet in Nederland zijn geboren; in 2023 was dat bij 4 van de 5 zieken het geval. De meesten kwamen uit Eritrea (90), gevolgd door Somalië (60) en Marokko (37). In Afrika en Azië komt tuberculose veel voor. De infectieziekte tuberculose wordt veroorzaakt door een bacterie en kan besmettelijk zijn. Van de 710 tbc-patiënten in 2023 had 66 procent tuberculose in de longen, de overige patiënten hadden tuberculose buiten de longen. Van alle patiënten had 30 procent de besmettelijkste vorm (open tuberculose). Als een persoon wel besmet is met de bacterie maar (nog) geen tuberculose heeft, dan wordt dat een tuberculose-infectie genoemd. Door een tuberculose-infectie vroeg op te sporen kunnen mensen worden behandeld voordat ze ziek worden. Dit zorgt ervoor dat minder mensen tuberculose krijgen. In 2023 zijn er, naast de 710 personen die ziek waren, meer dan 1400 personen met een tuberculose-infectie gemeld. Ruim 40 procent is opgespoord door immigranten en asielzoekers uit landen waar tuberculose veel voorkomt, te testen. Bijna 30 procent is gevonden door bron- en contactonderzoek in de omgeving van een tbc-patiënt. Het RIVM rapporteert elk jaar de cijfers over tuberculose en tuberculose-infectie om te zien welke effecten maatregelen hebben om tuberculose in Nederland terug te dringen. Deze maatregelen staan beschreven in het Nationaal plan tuberculosebestrijding 2021-2025.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Landbouwpraktijk en waterkwaliteit in Nederland; toestand (2020-2023) en trend (1992-2023) Resultaten van de monitoring van de effecten van de EU Nitraatrichtlijn actieprogramma’s, 2024 | RIVM

Stikstof en fosfor in mest zorgen ervoor dat gewassen beter groeien. Wanneer landbouwbedrijven mest gebruiken, spoelt stikstof en fosfor weg naar het grond- en oppervlaktewater waardoor dat vervuilt. Nitraat is een van de vormen waarin stikstof voorkomt in de bodem en het water. Het RIVM rapporteert met vijf andere kennisorganisaties elke vier jaar over de kwaliteit van grond- en oppervlaktewater, en ontwikkelingen daarin door de jaren heen. Schoon grond- en oppervlaktewater is belangrijk om er drinkwater van te kunnen maken. Ook kunnen meer verschillende planten en dieren leven in schoon oppervlaktewater. Sinds de jaren negentig is de hoeveelheid stikstof en fosfor in het grondwater en oppervlaktewater sterk gedaald. Hierdoor is de waterkwaliteit verbeterd. Dit kwam vooral doordat boeren minder mest mochten gebruiken. Sinds 2012 is de daling gestopt. Tussen 2020-2023 zijn de nitraatconcentraties gestegen ten opzichte van de vorige meetperiode (2016-2019). Dit komt zeer waarschijnlijk voor een deel door de droge zomers van 2018 tot 2020. Bij droogte nemen gewassen onder andere minder stikstof op, waardoor er meer in de bodem achterblijft. Sinds 2021 dalen de nitraatconcentraties weer, maar ze zijn in de Zand- en Lössregio nog steeds hoger dan voor de droge zomers. Onder meer dan 50 procent van de landbouwbedrijven in de Zand- en Lössregio is de nitraatconcentratie in het grondwater vaak nog te hoog voor schoon grond- en oppervlaktewater. Naarmate dieper wordt gemeten, nemen de concentraties af. Door te veel stikstof en fosfor in oppervlaktewater voldoet in veel wateren in Nederland de biologische waterkwaliteit niet. Dan leven er bijvoorbeeld te weinig verschillende soorten planten en dieren in. In 44 procent van de wateren in Nederland is de biologie hierdoor niet op orde. In 11 procent van de wateren zijn de concentraties stikstof en fosfor hoog, maar leven er nog genoeg soorten planten en dieren. Er is wel een kans dat de soorten in deze wateren op termijn last krijgen van de hoge concentraties. De waterkwaliteit is in de jaren 2020-2023 in een deel van de oppervlaktewateren verbeterd. Maar er zijn ook wateren waar de kwaliteit achteruit is gegaan.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

The essential use concept for accelerating the phase-out and substitution of most harmful chemicals. Requirements for horizontal implementation into EU legislations addressing chemicals | RIVM

De Europese Commissie wil dat er geen schadelijke chemische stoffen in consumentenproducten worden gebruikt. Ze stelt voor om in wet- en regelgeving vast te leggen dat het gebruik van deze stoffen zo snel mogelijk wordt verboden. Dit betekent een verbod, tenzij het gebruik van deze stof essentieel is voor de maatschappij (‘essential use’). Essentieel voor de maatschappij betekent dat het onmisbaar is voor maatschappelijke behoeften en waarden, zoals gezondheid en veiligheid. Daarom wil de Europese Commissie dat sommige schadelijke stoffen toegestaan blijven in bijvoorbeeld levensreddende medicijnen en brandwerende kleding. Het is dan ook belangrijk om te kunnen bepalen wanneer een gebruik van een chemische stof wel of niet essentieel is. Als er een ‘verantwoord alternatief’ is, kan een gebruik nooit essentieel zijn. Bijvoorbeeld als een andere stof of technologie even goed werkt en niet schadelijk is. Het RIVM heeft onderzocht hoe schadelijke stoffen met het voorgestelde essential use concept kunnen worden verboden en dit vergeleken met de huidige aanpak. Als voorbeelden zijn de Europese stoffenwetgeving REACH Registration, Evaluation, Authorisation and restriction of Chemicals (Registration, Evaluation, Authorisation and restriction of Chemicals ) en de Europese Biocidenverordening (BPR) beschreven. De bevindingen zijn input voor Nederlandse beleidsmakers en voor de internationale discussie hierover. Het RIVM heeft voor dit onderzoek op een rij gezet wat nodig is om het voorstel voor essential use te kunnen inzetten om gevaarlijke chemische stoffen sneller te verbieden. Allereest blijken de criteria om te bepalen of het gebruik van een stof essentieel is of niet, nog niet concreet genoeg. Het RIVM vindt het belangrijk dat duidelijkere en meetbare criteria worden bepaald. Ook is het belangrijk duidelijk te maken wanneer een andere stof als alternatief kan worden gezien. Een vraag daarbij is bijvoorbeeld of de maatschappij accepteert dat het alternatief veiliger is maar iets minder goed werkt. Dit onderzoek beschrijft ook hoe het voorgestelde essential use concept maatschappelijke behoeften en waarden bepaalt. Bij de keuze of het gebruik van een stof wel of niet essentieel is, wordt nu vooral naar de voordelen gekeken. Bijvoorbeeld voor de gezondheid. Om beter beleid te maken vindt het RIVM het belangrijk om zowel naar de voor- als de nadelen, zoals schade aan het milieu, te kijken en deze goed tegen elkaar af te wegen. Een manier om het voorstel goed te laten werken is door eerst de gebruiksvormen die niet essentieel zijn te bepalen. Om te bepalen dat een stof niet essentieel is zijn meestal minder criteria nodig. Wanneer er bijvoorbeeld een acceptabel alternatief voor bestaat is dat al genoeg om een schadelijke stof te verbieden.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2024. Kiezen voor een gezonde toekomst | RIVM

Het RIVM blikt elke vier jaar vooruit op ontwikkelingen in de volksgezondheid en zorg. Dit keer beschrijft de Volksgezondheid Toekomst Verkenning ( VTV Volksgezondheid Toekomst Verkenning (Volksgezondheid Toekomst Verkenning ) -2024) vijf grote opgaven op weg naar 2050. Ook schetst de VTV-2024 een aantal mogelijke maatregelen om deze opgaven aan te pakken. De VTV-2024 maakt duidelijk dat Nederland nog niet goed is voorbereid op deze opgaven. De VTV laat ook zien dat de opgaven met elkaar samenhangen, en dus gezamenlijk moeten worden aangepakt. De komende jaren is daarom een standvastig gezondheidsbeleid nodig, met concrete doelen. Kiezen voor een gezonde toekomst betekent dat beleid lange tijd wordt volgehouden. Het is ook belangrijk dat het beleid dat er al ís, zoals het anti-rookbeleid of beleid dat mensen stimuleert om te bewegen, blijft bestaan. En dat rekening wordt gehouden met bijvoorbeeld armoede of slechte woonomstandigheden. Ten slotte is het belangrijk dat het beleid wordt geëvalueerd om lessen te leren voor de toekomst. De vergrijzing is en blijft de belangrijkste maatschappelijke ontwikkeling voor de volksgezondheid. Meer nieuwe woonvormen zijn nodig waarin ouderen samen kunnen leven, elkaar kunnen helpen en aandacht krijgen. Verder is het belangrijk maatschappelijk de discussie te voeren welke behandelingen, zorg en beslissingen rondom het levenseinde nodig en gewenst zijn. Tegelijkertijd zijn veel ouderen na de pensioenleeftijd nog vitaal. Het is daarom belangrijk dat oudere mensen kunnen blijven meedoen in de samenleving. Deze punten vormen samen de eerste opgave. De grote gezondheidsverschillen in Nederland vormen de tweede opgave. Mensen met een betere maatschappelijke positie leven gemiddeld 14 jaar langer in een goede gezondheid dan groepen die het slechter hebben. Hierbij is financiële bestaansonzekerheid belangrijk, vaak in combinatie met slechtere woonsituaties of arbeidsomstandigheden. Het is dus nodig om de omstandigheden waarin deze mensen leven te verbeteren. Als derde hebben jongeren een steeds ongezondere leefstijl. Zo zullen meer jongeren overgewicht hebben, op steeds jongere leeftijd. Ook zullen jongeren steeds vaker problemen met hun mentale gezondheid hebben. Aangezien de jeugd de toekomst is, is het belangrijk te investeren in hun gezondheid, zowel fysiek als mentaal. De vierde opgave is hoe goede zorg geleverd kan worden, ook bij een grotere vraag naar zorg en steeds grotere personeelstekorten. Ook zullen er in verhouding niet genoeg mantelzorgers zijn voor de vraag. Hierdoor kunnen mantelzorgers overbelast raken. De vijfde opgave gaat over een gezonde inrichting van de leefomgeving, om beter voorbereid te zijn op de gevolgen van klimaatverandering. Denk aan hittestress en wateroverlast. Op veel plekken worden al maatregelen genomen om Nederland daartegen te beschermen, zoals meer groen en water in steden en dorpen. Een groene omgeving is ook goed voor de gezondheid: het stimuleert ontmoeten, ontspannen en bewegen. Bij de VTV-2024 horen drie themaverkenningen:
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Naar een gezonde leefomgeving in een veranderend klimaat. Themaverkenning bij de Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2024 | RIVM

Onze leefomgeving zal de komende jaren ingrijpend veranderen door klimaatverandering en bevolkingsgroei. Er is ruimte nodig voor woningbouw en een energievoorziening zonder fossiele brandstof. Ook moet de inrichting van steden en platteland aan klimaatverandering worden aangepast. De uitdaging is om deze veranderingen zo te sturen, dat ze bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving en de gezondheid van huidige en toekomstige generaties. De leefomgeving kan zowel een negatieve als positieve invloed hebben op gezondheid. Ongeveer 4,5 procent van het totale gezondheidsverlies komt door een ongezonde leefomgeving, vooral door luchtverontreiniging en geluid. In stedelijke gebieden en vlakbij grote industriegebieden en vliegvelden zijn meer mensen ziek dan gemiddeld in Nederland. Schonere lucht zal in de toekomst minder ziekte veroorzaken, maar klimaatverandering juist meer. Klimaatverandering zal meer hittegolven, droogte en extreme neerslag veroorzaken. Hittegolven en hoge temperaturen zorgen voor meer gezondheidsklachten, vooral bij ouderen, mensen met een chronische aandoening, zwangeren en (heel) jonge kinderen. De effecten zijn merkbaar in omgevingen met veel stenen en asfalt, en in slecht gekoelde woningen. Preventiebeleid, zoals het Nationaal Hitteplan, lijkt te werken: de sterfte door warmte is lager, nadat het plan is ingevoerd. Verder kunnen hogere temperaturen ervoor zorgen dat er andere infectieziekten in Nederland voorkomen. Bijvoorbeeld doordat muggen die infectieziekten overdragen, zoals knokkelkoorts, hier kunnen overleven. Het pollenseizoen begint eerder en duurt langer, waardoor mensen langer last kunnen hebben van hooikoorts. Door meer blootstelling aan uv ultraviolet (ultraviolet ) -straling, door minder bewolking en meer zomerse dagen zullen waarschijnlijk meer mensen huidkanker krijgen. Klimaatverandering heeft ook gevolgen voor de kwaliteit en beschikbaarheid van drinkwater en voedsel. Meer mensen zullen mentale problemen en zorgen hebben door extreme weersgebeurtenissen, zoals overstromingen en hittegolven. Groepen in financiële bestaansonzekerheid lijden het meest onder klimaatverandering. Ze wonen vaker in wijken met meer luchtverontreiniging, verkeerslawaai, weinig groen en meer verstening en in woningen die slecht te koelen zijn. Maar klimaatmaatregelen bieden ook kansen om de leefomgeving en gezondheid te verbeteren. Zo is vergroening van wijken nodig om hittestress te voorkomen en regenwater op te vangen. Een groene omgeving is ook goed voor de gezondheid: het stimuleert bewegen, ontspannen en ontmoeten. Minder gebruik van fossiele brandstoffen zal de luchtkwaliteit verbeteren en daarmee ook de gezondheid. Vaker de fiets pakken in plaats van de auto of minder vlees en zuivel eten, zorgt voor minder uitstoot van broeikasgassen en is goed voor de gezondheid. Aandacht voor gezondheid bij klimaat- en ruimtelijk beleid is daarom essentieel. Dit is een van de drie themaverkenningen die zijn gepubliceerd bij de VTV Volksgezondheid Toekomst Verkenning (Volksgezondheid Toekomst Verkenning ) -2024: Kiezen voor een gezonde toekomst .
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Zorg en sociaal domein. Themaverkenning bij de Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2024 | RIVM

Vroeg of laat krijgen we allemaal te maken met een zorgvraag, voor onszelf of onze naasten. De houdbaarheid van de zorg in Nederland komt steeds meer onder druk te staan door maatschappelijke ontwikkelingen, zoals het tekort aan personeel in de zorg en aan mantelzorgers (informele zorg). Met deze themaverkenning van de Volksgezondheid Toekomstverkenning ( VTV Volksgezondheid Toekomst Verkenning (Volksgezondheid Toekomst Verkenning ) ) verkennen we hoe brede maatschappelijke ontwikkelingen impact hebben op de toekomstige zorgvraag. In de vergrijzende samenleving zullen steeds meer mensen verschillende aandoeningen tegelijk hebben. Hierdoor komt er meer vraag naar zorg. Bovendien wordt die vraag steeds ingewikkelder omdat voor verschillende aandoeningen vaak andere vormen van zorg nodig zijn. Ook zullen zorgvragen vaker gaan over sociale problemen, zoals eenzaamheid en bestaansonzekerheid. Vanwege de personeelstekorten zal de zorgsector de grotere vraag maar voor een deel zelf kunnen opvangen. Veel mensen geven nu al mantelzorg en richting 2050 zijn nog veel meer mantelzorgers nodig. Door de vergrijzing zijn zij in verhouding minder beschikbaar. Als de groeiende vraag naar zowel formele als informele zorg niet kan worden geleverd, is er geen garantie dat de zorg in de toekomst even toegankelijk blijft als nu. Steeds meer mensen zijn tot op hoge leeftijd zelfredzaam. Zij wonen zelfstandig thuis en kunnen de zorg die ze nodig hebben goed regelen. Ook hebben ze een netwerk dat hen ondersteunt met informele zorg. In de toekomst zullen steeds meer mensen tot op hogere leeftijd voor hun naasten moeten zorgen. Deze zorg kan snel wegvallen wanneer deze mantelzorgers zelf ook zorg nodig hebben. Wanneer mensen niet genoeg informele zorg kunnen krijgen, kan de vraag naar formele zorg groter worden. Het verschil in de gezondheid en kwaliteit van leven tussen zelfredzame en niet-zelfredzame mensen kan hierdoor groter worden. In de toekomst zal de zorg steeds vaker digitaal worden ingezet, bijvoorbeeld met e-consulten en slimme sensoren. Door deze digitale toepassingen zal de zorg steeds meer op afstand plaatsvinden. Het voordeel is dat het zorgpersoneel op deze manier in contact blijft met mensen die op hoge leeftijd langer zelfstandig thuis wonen. Het nadeel is dat er minder ruimte is voor persoonlijk contact tussen zorgverlener en gebruiker. De data, zoals uitslagen van onderzoek, komen centraler te staan. Het is onzeker of meer digitalisering de druk op de zorg kan verlichten. Menselijke acties zullen altijd nodig zijn. Dit is een van de drie themaverkenningen die zijn gepubliceerd bij de VTV-2024: Kiezen voor een gezonde toekomst .
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Gezonde Generaties 2050. Themaverkenning bij de Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2024 | RIVM

Het RIVM verkent in dit onderdeel van de Volksgezondheid Toekomstverkenning ( VTV Volksgezondheid Toekomst Verkenning (Volksgezondheid Toekomst Verkenning ) ) hoe de mentale en lichamelijke gezondheid en leefstijl van twee generaties er in 2050 uitziet. Het gaat om de jongeren die nu 12-25 jaar zijn en om de vijftigplussers (50-67-jarigen) van nu. Bij beide generaties hebben maatschappelijke ontwikkelingen en grote veranderingen tijdens hun leven veel invloed op hun toekomstige gezondheid en leefstijl. De mentale gezondheid van de jongeren van nu zal in 2050 naar verwachting hetzelfde zijn, of iets verbeteren. Dit komt door een samenspel van positieve en negatieve invloeden. De negatieve effecten van de coronacrisis nemen naar verwachting langzaam af. Deze verbetering kan worden afgeremd door de effecten op de lange termijn van de psychische klachten en stoornissen die nu vaak voorkomen bij jongeren. Mogelijk werken de huidige psychische klachten door in hun mentale gezondheid in de toekomst. Veel jongeren hebben nu al overgewicht waardoor de kans groter is dat ze ook in de toekomst te zwaar zullen zijn. Verder is bekend dat jongeren minder bewegen en zwaarder worden na grote veranderingen in het leven, zoals gaan studeren, trouwen/samenwonen en een eerste kind krijgen. Dat is van alle tijden, maar het is vooral zorgelijk als ze al overgewicht hebben. Ook wordt overgewicht via sociaaleconomische omstandigheden en leefstijlvoorkeuren van generatie op generatie doorgegeven. De mentale gezondheid van de huidige vijftigplussers zal naar verwachting minder goed zijn in 2050. Dat komt omdat zaken die een negatieve invloed op de mentale gezondheid hebben, zoals eenzaamheid, mantelzorg geven en financiële bestaansonzekerheid, in de toekomst vaker zullen voorkomen. De positieve invloed op de mentale gezondheid van met pensioen gaan wordt mogelijk afgezwakt door de verhoging van de AOW Algemene ouderdomswet (Algemene ouderdomswet) -leeftijd. Nu al heeft ongeveer 60 procent van de vijftigplussers overgewicht, en in 2050 zal dat in deze groep nog vaker voorkomen. En daarmee komen ook chronische aandoeningen die met overgewicht te maken hebben, zoals hart- en vaatziekten vaker voor. Meer bewegen op middelbare leeftijd is goed voor de gezondheid later in het leven, maar nog niet de helft van deze generatie beweegt nu genoeg. Samen zullen deze zaken een grote stempel drukken op de gezondheid en het fysiek functioneren van de huidige vijftigplussers in 2050. Dit is een van de drie themaverkenningen die zijn gepubliceerd bij de VTV-2024: Kiezen voor een gezonde toekomst .
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Onderzoek naar luchtkwaliteit en beleving in een agrarisch gebied in Zuidoost-Brabant | RIVM

Er is meer kennis nodig over het effect van veehouderijen op de luchtkwaliteit. De vraag is hoe de concentratie luchtverontreinigende stoffen per dag, maand of seizoen verandert rondom een veehouderij. Daarom hebben enkele kennisorganisaties dit op verschillende plekken en met verschillende methoden in Zuidoost-Brabant onderzocht. Voor dit onderzoek is de luchtkwaliteit gemeten op het erf van een veehouderij in Hulsel en bij mensen die daarbij in de buurt wonen. Hierbij is naar zowel de gemiddelde luchtkwaliteit gekeken, als naar pieken in luchtvervuilende stoffen. De resultaten zijn vergeleken met de luchtkwaliteit op een plek in een gemeente met veel (Deurne) en weinig (Heeze) veehouderijen. Er was geen effect te zien van de veehouderij in Hulsel op de luchtkwaliteit bij omwonenden. Waarschijnlijk heeft het bedrijf daar wel invloed op, maar dat effect was niet te onderscheiden van het effect van andere bronnen in de directe omgeving en verder weg. Op basis van deze metingen op en rond één bedrijf zijn geen algemene conclusies te trekken. In Hulsel is ook onderzocht hoe omwonenden hun leefomgeving ervaren. Er deden weinig mensen aan mee, waardoor over hun beleving geen harde conclusies zijn te trekken. De deelnemers gaven aan dat ze hun gezondheid en de leefomgeving meestal als goed waarderen. Verschillende bewoners meldden regelmatig geur van stallen en geluid van wegverkeer. Ze meldden weinig 'ernstige hinder'. De gemeten concentraties ammoniak zijn laag, maar zorgen er wel voor dat er meer fijnstof in de lucht zit. Veel fijnstof in de lucht vergroot de kans op hart-, long- en vaatziekten. Het is niet te zeggen of de hoeveelheid fijnstof in dit gebied hoger is dan de advieswaarde van de Wereldgezondheidsorganisatie voor luchtkwaliteit. Daarvoor duurde het onderzoek te kort en moet minimaal een jaar worden gemeten. Verder is op de plekken in de gemeenten met veel en weinig veehouderijen gekeken naar de hoeveelheid endotoxinen in de lucht; kleine stukjes celwand van bacteriën. Zij kunnen ook klachten aan de luchtwegen veroorzaken. De concentraties zijn op beide plekken lager dan de advieswaarde van de Gezondheidsraad. Het RIVM, het Institute for Risk Assessment Sciences ( IRAS Institute of Risk Assessment Sciences (Institute of Risk Assessment Sciences) ) en de GGD Gemeentelijke Gezondheidsdienst (Gemeentelijke Gezondheidsdienst) hebben dit onderzoek gedaan. De opdracht hiervoor kwam van het Regionaal Meetnet lucht & geluid Zuidoost-Brabant.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Jaarverslag 2023. Netwerk Referentielaboratoria | RIVM

Om de gezondheid van de Nederlandse bevolking te beschermen sporen verschillende laboratoria binnen en buiten het RIVM ziekteverwekkers op. Ook brengen ze in kaart welke het precies zijn. Dit zijn de zogeheten medisch-microbiologische referentielaboratoria. Elk referentielaboratorium is gespecialiseerd in een bepaalde (groep) ziekteverwekker(s). De referentielaboratoria vormen sinds 2023 samen een netwerk, dat de laboratoria stimuleert om samen te werken en kennis te delen. Het jaarverslag Netwerk Referentielaboratoria beschrijft de taken en resultaten van de medisch-microbiologische referentielaboratoria in Nederland. Het netwerk van deze laboratoria is essentieel om ziekteverwekkers vroeg te signaleren. Met deze signalen kunnen zo snel mogelijk maatregelen worden genomen als dat nodig is. Op deze manier wordt zo goed mogelijk voorkomen dat veel mensen besmet raken. Elke vier jaar evalueert een ander onderdeel van het RIVM de taken van de referentielaboratoria; de eerste evaluatie is in 2026. Daarbij wordt gekeken of ze nog goed kunnen inspelen op nieuwe ontwikkelingen rondom ziekteverwekkers en voor welke de meeste aandacht nodig is.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Reactie op rapport Apollon contra-expertise WnB Schiphol | RIVM

Het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur ( LVVN Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur ) ) heeft het RIVM gevraagd om een inhoudelijke beoordeling te geven op een aantal analyses uit het Apollon Milieu rapport contra-expertise Wnb Schiphol (september 2024). Het RIVM heeft niet naar alle onderdelen gekeken. Het Apollon-rapport is opgesteld voor gebruik in de rechtszaak over de natuurvergunning van Schiphol. Deze zaak kwam op 19 november voor bij de rechtbank in Den Haag en werd aangespannen door MOB, Greenpeace en Milieudefensie.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

NethMap 2024. Consumption of antimicrobial agents and antimicrobial resistance among medically important bacteria in the Netherlands in 2023 | RIVM

Elk jaar wordt in Nederland per bacteriesoort geteld welk percentage resistent is tegen antibiotica. Een resistente bacterie is ongevoelig voor antibiotica. In Nederland was in 2023 het deel van de resistente bacteriën ongeveer even groot als in 2022. Bij sommige bacteriesoorten kwam resistentie in de afgelopen 5 jaar iets minder vaak voor. Vergeleken met andere Europese landen is de antibioticaresistentie in Nederland nog laag. Toch worden zeer resistente bacteriën steeds vaker gevonden. Dat zijn bacteriën die resistent zijn tegen verschillende antibiotica tegelijk en tegen antibiotica die in zeldzame gevallen als laatste redmiddel worden gebruikt. Deze zeer resistente bacteriën komen regelmatig voor bij mensen die in het buitenland in het ziekenhuis hebben gelegen. Infecties door deze bacteriën kunnen moeilijk worden behandeld. Alertheid op resistente bacteriën blijft daarom nodig. Maatregelen om infecties te voorkomen, zoals handen wassen en andere hygiënemaatregelen, zijn nodig om te voorkomen dat antibioticaresistente bacteriën zich verspreiden. Ook moet onjuist en onnodig gebruik van antibiotica zo veel mogelijk worden voorkomen, omdat bacteriën hierdoor antibioticaresistent worden. In 2023 hebben huisartsen ongeveer even vaak antibiotica voorgeschreven als in 2019, het jaar voor de coronapandemie. In de periode 2020-2022 gebeurde dat in Nederland minder vaak. In ziekenhuizen is in 2023 juist iets meer antibiotica gebruikt dan in de jaren voor de coronapandemie. Ook zijn in ziekenhuizen en verpleeghuizen in 2023 meer uitbraken gemeld van infecties door resistente bacteriën dan in 2022, maar nog altijd minder dan in de jaren voor de pandemie. De maatregelen die in Nederland zijn genomen om antibioticaresistentie te bestrijden, reiken verder dan de gezondheidszorg bij mensen (one health). Resistente bacteriën komen namelijk ook voor bij dieren, in voeding en in het milieu. Het antibioticumgebruik in de Nederlandse veehouderij is sinds 2009 flink gedaald, maar die daling vlakt nu af. Voor de antibioticaresistentie bij dieren geldt hetzelfde. De antibiotica die cruciaal zijn om infecties bij mensen te behandelen, worden alleen bij hoge uitzondering gebruikt voor landbouwhuisdieren. Hierdoor komt resistentie tegen antibiotica die voor mensen belangrijk zijn, weinig voor. Dit blijkt uit de jaarlijkse rapportage NethMap Consumption of antimicrobial agents and antimicrobial resistance among medically important bacteria in the Netherlands (Consumption of antimicrobial agents and antimicrobial resistance among medically important bacteria in the Netherlands) / MARAN Monitoring of antimicrobial resistance and antibiotic usage in animals in the Netherlands (Monitoring of antimicrobial resistance and antibiotic usage in animals in the Netherlands) 2024. Hierin presenteren verschillende organisaties samen de gegevens over het antibioticumgebruik en -resistentie in Nederland, voor mensen en dieren.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Radon in Nederlandse woningen, op reguliere werkplekken en voor het publiek toegankelijke gebouwen. Resultaten meetcampagne 2022-2023 | RIVM

In Nederland is de concentratie radon in bijna alle woningen en op werkplekken laag, zeker in vergelijking met de rest van Europa. Wel zijn de concentraties in 2022-2023 gemiddeld iets hoger dan in 2013-2014. Dit kan komen doordat mensen tijdens de energiecrisis in 2023 minder zijn gaan ventileren (ramen, deuren en ventilatieroosters gesloten hielden). Ventileren voorkomt dat radon zich in een ruimte ophoopt. Ook in bedrijfspanden en voor het publiek toegankelijke gebouwen is de radonconcentratie wat hoger dan bij de vorige meting in 2016-2017. Dit blijkt uit de meetronde van het RIVM in 2022 en 2023. Dit keer is in bijna 2.700 woningen gemeten, en op ruim 350 werkplekken en gebouwen die voor het publiek toegankelijk zijn in Nederland. De gemiddelde concentratie in woningen in Zuid-Limburg is ongeveer 2,5 keer zo hoog als die in de rest van Nederland. In het Gelderse Rivierengebied is deze ongeveer 1,5 keer zo hoog. Dat komt doordat er uit de bodem in het Gelderse Rivierengebied en vooral in Zuid-Limburg van nature meer radon vrijkomt dan in de rest van Nederland. De gemiddelde concentratie in Zuid-Limburg ligt in de buurt van het wereldwijde gemiddelde; in de rest van Nederland ligt deze daar ver onder. In bedrijven en voor het publiek toegankelijke gebouwen is de gemiddelde concentratie in de genoemde regio’s ongeveer 1,5 keer zo hoog als in de rest van Nederland. Verder zien we dat de gemiddelde radonconcentratie in woningen die gebouwd zijn vanaf 2013 lager is dan in oudere huizen. Sinds de jaren negentig van de vorige eeuw heeft het RIVM meerdere grote nationale onderzoeken gedaan naar de concentratie radon in woningen. In 2016-2017 is voor het eerst ook radon gemeten op werkplekken en in gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, zoals bibliotheken en bioscopen. Radon is een radioactief edelgas dat van nature ontstaat in de bodem en in bouwmaterialen die daarvan zijn gemaakt. Vandaaruit kan het gas in woningen en gebouwen terechtkomen. De radioactieve stoffen die ontstaan als radon vervalt, maken de kans op longkanker groter. Dat is vooral zo bij rokers, omdat roken de schadelijke effecten van radon versterkt. Continu ventileren is belangrijk voor het binnenmilieu en kan ook de concentratie radon in huis verlagen. Al blijft stoppen met roken het beste voor de gezondheid.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Verkenning Chemours en de Westerschelde; advies voor onderzoeken naar PFAS in deze regio’s | RIVM

In deze verkenning heeft het RIVM in kaart gebracht wat de behoeften zijn aan onderzoek naar PFAS Per- en polyfluoralkylstoffen (Per- en polyfluoralkylstoffen ) en gezondheid van omwonenden van Chemours en de Westerschelde. Dit met als doel om het ministerie van IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) te adviseren over mogelijke onderzoeken. Uit de verkenning onder ruim 4.300 omwonenden van Chemours en de Westerschelde blijkt dat zij meer duidelijkheid willen over hoeveel PFAS er in de leefomgeving en in het lichaam zit. Ook willen ze weten wat de mogelijke gevolgen zijn voor de gezondheid en wat de gezondheidssituatie in de regio nu is. De zorgen over PFAS in deze regio’s zijn niet nieuw. Wel maakt deze verkenning concreter welke vragen en zorgen dat zijn. Naast meer duidelijkheid over de huidige situatie van PFAS in de leefomgeving willen de meeste deelnemers ook dat er meer onderzoek gedaan wordt naar de effecten van PFAS op de gezondheid van mensen en het milieu. Daarnaast roepen veel deelnemers de overheid en bedrijven op om hun verantwoordelijkheid te nemen en de uitstoot en de lozingen van PFAS te stoppen. Ook de verwijdering van PFAS uit de leefomgeving en het lichaam wordt vaak genoemd. Er is behoefte aan begrijpelijke, betrouwbare en vindbare informatie over PFAS. Het RIVM heeft deze verkenning uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW). De ministeries van IenW en VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) bepalen op welke wijze de adviezen uit deze verkenning worden opgevolgd.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Beoordelingskader veilige recreatie op gesloten stortplaatsen | RIVM

Stortplaatsen voor afval die niet meer in gebruik zijn, kunnen worden gebruikt als gebied waar mensen kunnen recreëren. Daarvoor wordt onder andere een grondlaag aangelegd die het afval afdekt. Het is belangrijk dat deze recreatieplek veilig en gezond is. Het RIVM heeft daarom een methode ontwikkeld waarmee de gemeente of provincie, als bevoegd gezag, kan toetsen of recreatie op een stortplaats veilig en gezond is. De methode toetst of mensen via drie ‘routes’ worden blootgesteld aan schadelijke stoffen: via vervuilde grond, het water dat door het afval heen stroomt (percolaat) en de gassen uit het afval (stortgas). Als er risico’s zijn, moeten ze in kaart worden gebracht en worden aangepakt. Met het beoordelingskader wordt stap voor stap in kaart gebracht wat bekend is over de risico’s. Na elke stap wordt beoordeeld of er genoeg informatie is om risico’s te toetsen. Als er genoeg informatie is of als er niet meer informatie kan worden verzameld, is de conclusie: “risico aanvaardbaar” of “risico niet aanvaardbaar”. Concentraties stortgas worden getoetst aan grenswaarden. Dat gebeurt om schadelijke concentraties van stoffen in stortgas goed op te kunnen sporen voordat een gevaarlijke situatie kan ontstaan. De grenswaarden hiervoor staan in de bijlage van dit beoordelingskader. Het uitgangspunt van het beoordelingskader is dat de recreant niet in contact mag komen met water dat door het afval heen heeft gestroomd. Het is niet helemaal bekend welke vervuilende stoffen in de stortplaats zitten en hoe hoog de concentraties van deze stoffen in dit water zijn. Doordat de concentraties van stoffen op verschillende plekken en tijdstippen sterk verschillen, zijn metingen in het water niet betrouwbaar genoeg. Ook maakt dat de concentraties moeilijk te voorspellen. Er wordt daarom getoetst hoe de afschermende lagen zijn opgebouwd die contact met het water voorkomen. De grond waarmee het afval is afgedekt, mag niet te veel schadelijke stoffen bevatten. Daarom moeten de concentraties van stoffen in de grond in kaart gebracht worden. Daarmee wordt getoetst of kinderen veilig op deze grond kunnen spelen.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Veilige recreatie op stortplaats Nauerna. Locatiespecifieke risicobeoordeling | RIVM

Op de stortplaats Nauerna in Noord-Holland willen gemeente en provincie een park aanleggen om mensen te laten recreëren. De stortplaats is daarom voor een deel afgedekt met grond. Het andere deel wordt nog afgedekt. Het RIVM heeft een methode ontwikkeld waarmee kan worden beoordeeld of recreatie op stortplaatsen veilig is. Het RIVM heeft die methode gebruikt om te beoordelen of stortplaats Nauerna veilig is voor recreatie. Dat blijkt niet het geval te zijn. De beoordeling is nog niet definitief, omdat de stortplaats nog niet helemaal is afgedekt. Het plan is om op de hele stortplaats alleen een grondlaag aan te leggen, zonder waterdichte laag. Deze afdekking kan veilig zijn voor recreatie, maar moet wel worden gecontroleerd. Normaal gesproken wordt in de afdekking van de stortplaats een waterdichte laag gemaakt die ook gassen tegenhoudt. Dat voorkomt dat recreanten in contact komen met water dat in aanraking is geweest met het afval (percolaat) of met de gassen die uit het afval kunnen vrijkomen (stortgassen). Er is nu geen waterdichte laag aangelegd om duurzaam stortbeheer mogelijk te maken. Als het lukt om daarmee te voorkomen dat te veel schadelijke stoffen naar de bodem weglekken, is een dure waterdichte laag niet nodig. Dan hoeft deze laag ook niet na 50 tot 75 jaar te worden vervangen. Omdat het voorgestelde plan geen waterdichte afdeklaag heeft, is er een kans dat het giftige percolaat uit de grondlaag stroomt. Ook zijn op verschillende plekken te hoge concentraties methaan gemeten (hotspots). Verder zijn op enkele van deze plaatsen te hoge concentraties zwavelwaterstof en benzeen gemeten. Op weer andere plaatsen kan niet worden uitgesloten dat er stoffen worden uitgestoten. Het ontwerp van de afdekking moet worden aangepast om de locatie veilig te maken voor recreatie. Daarna moet met metingen worden aangetoond dat er geen onveilige hotspots zijn. Het RIVM biedt drie scenario’s aan die de stortplaats een kans geven om veilig te worden ingericht. De uitvoeringspartners (provincie, gemeente, bewoners en Afvalzorg) zijn verantwoordelijk voor de keuze hierover.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

‘De pandemie zou aan de deur moeten kloppen, dan pas ga ik zorgen voor dingen’ – Paraatheid van burgers voor pandemieën en andere rampen en crises | RIVM

Er is een kwalitatief onderzoek uitgevoerd naar hoe burgers aankijken tegen pandemische paraatheid van zichzelf en de overheid, evenals hun voorbereiding op mogelijke andere toekomstige rampen en crises. Uit het verkennende onderzoek blijkt dat een groot deel van de deelnemers afwijzend staat tegenover het treffen van maatregelen voor een pandemie. Daarnaast zijn er verschillende praktische barrières waardoor deelnemers niet overgaan tot concrete voorbereidingen. In de kennisnotitie worden de resultaten toegelicht en aanbevelingen gedaan om de motivatie te verhogen en burgers te ondersteunen bij hun voorbereiding.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Actualisatie rapport ‘Analyse ontwikkeling stikstofemissie en -depositie’ | RIVM

Greenpeace Nederland eist dat de natuur in Nederland beter beschermd wordt tegen stikstof. Daarvoor heeft het in juli 2023 de Nederlandse staat gedagvaard. In voorbereiding van deze rechtszaak heeft het RIVM in opdracht van het ministerie van LVVN Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur ) begin 2024 de belangrijkste kennis over stikstof overzichtelijk op een rij gezet. Dit is gepubliceerd in het RIVM-briefrapport 2024-0007 ‘Analyse ontwikkeling stikstofemissie en -depositie’. In november volgt de rechtszaak. Het ministerie van LVVN heeft het RIVM gevraagd om ook de inzichten sinds januari 2024 in een korte notitie te duiden. Hiervoor is een monitoringsrapportage gemaakt met een actueler basisjaar. Deze kennisnotitie bevat een samenvatting van de geactualiseerde cijfers, net als de recente herziening in de urgente en zeer urgente habitats. Beide leiden niet tot wijzigingen in de eerder gepresenteerde conclusies. De inschatting van het doelbereik uit de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) blijft onveranderd met de nieuwste cijfers: de doelen voor 2025 en 2030 zullen naar verwachting zeer waarschijnlijk niet, en voor 2035 vrijwel zeker niet gehaald worden. Dit is bepaald op basis van de verwachtingen uit de Klimaat- en Energieverkenning 2022, die is gebaseerd op het op 1 mei 2022 vastgestelde en voorgenomen beleid. Door de herziene urgentielijst zijn de resultaten van deze scenario’s niet verschillend. Wijzigingen in de urgentielijst werken niet direct door in gebieden die zwaar overbelast zijn. De berekende emissiereductie voor (zeer) urgente habitats blijft daardoor ongewijzigd.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Onzekerheid bij “Kosten van ziekten” | RIVM

In deze notitie wordt verkend of de mate van zekerheid van resultaten van de kosten van ziektenstudie met kleuren kan worden weergegeven. Met de huidige informatie kan dit op een globale manier. Als meer informatie beschikbaar komt over de zekerheid van zorguitgaven per sector is een meer systematische manier haalbaar. Dit zal mogelijk worden opgenomen in het te maken dashboard van de komende editie van de kosten van ziekten studie.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Berekening specifieke doelen voor urgentielijst | RIVM

Greenpeace Nederland eist dat de natuur in Nederland beter beschermd wordt tegen de negatieve effecten van stikstofdepositie. Daarvoor heeft het in juli 2023 de Nederlandse staat gedagvaard. Greenpeace heeft hiervoor als element in de rechtszaak de urgentielijst ingebracht: het beschermen van de staat van instandhouding van de (zeer) urgente habitats en leefgebieden uit het rapport “Herstelbaarheid van door stikstofdepositie aangetaste Natura 2000-habitattypen - Update urgentietabel 2023” van Bobbink en Tomassen. Eerder rekende RIVM al uit wat de benodigde emissiereducties zijn om voor 100 procent van het oppervlak van deze (zeer) urgente habitattypen en leefgebieden de stikstofdepositie onder de Kritische depositiewaarde (KDW) te krijgen. Nu beantwoordt het de recente vraag van LVVN Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur ) naar aanleiding van een verzoek aan de rechtbank vanuit Greenpeace welke extra emissiereductie vanuit Nederland nodig is om niet in 100 procent maar in een geringer aandeel van de (zeer) urgente habitattypen en leefgebieden de depositie onder de KDW te krijgen. Onderstaande tabel geeft een samenvatting van deze resultaten. Om 75 procent van het areaal aan zeer urgente habitattypen en leefgebieden in 2025 onder te KDW te brengen, is een emissiereductie bovenop het basispad nodig van ongeveer 63 procent. Om datzelfde te halen in 2030, is een emissiereductie van circa 56 procent nodig. Om in 2030 90 procent van de urgente habitattypen en leefgebieden onder de KDW te krijgen, is circa 47 procent emissiereductie nodig bovenop het basispad.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Surveillance van legionellose in Nederland. Overzicht van clusters, bronnen en omgevingsfactoren tussen 2013-2022 | RIVM

Als mensen met legionellabacteriën besmet raken, kunnen ze daar soms een longontsteking van krijgen. Sinds 2013 is het aantal meldingen van longontstekingen, bij mensen die in Nederland zijn besmet, meer dan verdubbeld: van 180 meldingen in 2013 naar 484 in 2022. In 2021 was er zelfs een piek van 555 meldingen. Mensen kunnen met legionellabacteriën besmet raken als zij deze bacterie inademen via hele kleine waterdruppeltjes. Een belangrijke verklaring van de stijging lijken de weersomstandigheden te zijn. Er zijn namelijk meer meldingen geweest in de jaren met warmere en nattere zomers. Tijdens vochtige, bewolkte weersomstandigheden kunnen legionellabacteriën namelijk langer overleven in de lucht en zich daardoor verder verspreiden. De laatste jaren komt de ziekte ook in de winter vaker voor dan tien jaar geleden. Het is waarschijnlijk dat dit ook in de winter met weersomstandigheden te maken heeft. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Mensen onder de 40 jaar worden zelden ziek van legionellabacteriën. Sommige groepen mensen hebben juist een grotere kans om een ernstige longontsteking te krijgen. Deze risicogroepen zijn ouderen, mensen met aandoeningen aan de luchtwegen, zoals COPD Chronic Obstructive Pulmonary Disease (chronische bronchitis of longemfyseem) (Chronic Obstructive Pulmonary Disease (chronische bronchitis of longemfyseem) ) , mensen met een lagere afweer en rokers. Een deel van de stijging van het aantal meldingen is te verklaren omdat er meer ouderen zijn. Er zijn verschillende typen van de legionellabacterie. De meeste mensen worden ziek door Legionella pneumophila. Het onderzoek laat zien dat patiënten tussen 2013 en 2022 vooral besmet zijn via bronnen die water vernevelen in de buitenlucht. Denk aan afvalwaterzuiveringsinstallaties en ‘natte koeltorens’ (waterinstallaties die nodig zijn voor de airconditioning in vooral grote gebouwen, zoals kantoortorens en ziekenhuizen). Meer onderzoek is nodig om helder te krijgen hoe groot de invloed is van bronnen in de buitenlucht op de gestegen meldingen. En of ook andere bronnen hier invloed op hebben. Het RIVM adviseert beleidsmakers om risicogroepen via voorlichting bewuster te maken van het risico op legionellabesmetting. Het is bijvoorbeeld belangrijk het warme water bij de CV-ketel of boiler in te stellen op minimaal 60 graden Celsius. Ook is het belangrijk bubbelbaden goed te onderhouden, omdat ze een bekende besmettingsbron zijn.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Try-out Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) | RIVM

De gezondheid van omwonenden van industrie wordt niet altijd voldoende beschermd door overheden en bedrijven. Dat concludeerde de Onderzoeksraad Voor Veiligheid (OVV) in 2023. Om dit te kunnen verbeteren, is kennis over gezondheidseffecten en risico’s van gevaarlijke stoffen belangrijk. Het RIVM en Omgevingsdienst NL hebben daarom een nieuwe samenwerkingsstructuur ingericht om kennis te delen. In eerste instantie als try-out Zeer Zorgwekkende Stoffen. Deze brochure is de evaluatie van deze try-out.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Waterkwaliteit in landbouwgebieden | RIVM

In 1987 werd de Meststoffenwet in Nederland ingevoerd om de kwaliteit van bodem, water en lucht te verbeteren door minder stikstof en fosfor uit mest in het milieu te laten komen. De wet verplicht de minister van LVVN Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur ) om eens in de vijf jaar een verslag aan de Tweede Kamer uit te brengen over de effectiviteit en impact van deze wet in de praktijk. Een belangrijk onderdeel van deze evaluatie is het rapporteren over de toestand en trend in de waterkwaliteit met betrekking tot nutriënten afkomstig uit de landbouw. Uit de evaluatie komen een aantal bevindingen naar voren. Het stikstofbodemoverschot en het fosfaatoverschot zijn indicatoren voor de milieudruk op lange termijn voor de waterkwaliteit. De belangrijkste bevindingen zijn: Het stikstofoverschot in de bodem is tussen 2006 en 2022 vrij stabiel gebleven. Alleen bij melkveebedrijven in de Veenregio is het stikstofoverschot sterk gedaald. Voor deze evaluatie zijn gegevens gebruikt uit drie meetnetten: het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM), het Meetnet Nutriënten in Landbouw Specifiek Oppervlaktewater (MNLSO) en het Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit (LMG). Het LMM Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid) meet het effect van het Nederlandse mestbeleid op nutriëntenemissies uit landbouwbronnen naar het grond- en oppervlaktewater en volgt veranderingen in de landbouwpraktijk. Het MNLSO Meetnet Nutriënten Landbouw Specifiek Oppervlaktewater (Meetnet Nutriënten Landbouw Specifiek Oppervlaktewater) kijkt naar de waterkwaliteit van oppervlaktewateren die alleen door landbouw worden beïnvloed. Het LMG Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit (Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit) meet de kwaliteit van het grondwater. Deze Kennisnotitie bevat alleen al gepubliceerde data voor de Evaluatie Meststoffenwet. Een nieuwere en uitgebreidere publicatie, de Nitraatrapportage, verschijnt medio november 2024 en bevat gegevens over het jaar 2023. In dit rapport worden gegevens uit meerdere waterkwaliteitsmeetnetten gepresenteerd, en niet alleen de waterkwaliteitsmeetnetten die gericht zijn op nutriënten in landbouwgebieden.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Specifieke vrijgave van radioactieve stoffen in Nederland. Regelgeving en toepassing | RIVM

Begin 2018 veranderde de regelgeving op het gebied van stralingsbescherming in Nederland vanwege een Europese verplichting. Hierdoor zijn onder andere de veilige grenswaarden voor radioactieve stoffen strenger geworden. Als gevolg hiervan moeten ondernemers nu een vergunning aanvragen voor afval dat eerder zonder vergunning kon worden gestort, verbrand of gerecycled. Radioactief afval waarvoor een vergunning nodig is, moet worden opgeslagen bij de Centrale Organisatie Voor Radioactief Afval ( COVRA Centrale Organisatie Voor Radioactief Afval (Centrale Organisatie Voor Radioactief Afval) ). Bij sommige activiteiten, zoals in de industrie en in ziekenhuizen, komt afval vrij met radioactieve stoffen. Voor een deel van dit afval geldt dat de radioactiviteit formeel boven de nieuwe grenswaarde zit, maar geen groot risico vormt voor mens en milieu. Sinds 2018 mag deze categorie afval in bepaalde situaties toch weer worden gestort, verbrand of gerecycled. Dat heet ‘specifieke vrijgave’. Specifiek vrijgegeven afval hoeft niet naar de COVRA. De Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) beoordeelt of bedrijven een vergunning krijgen voor een specifieke vrijgave. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( I&W Ministerie van Infrastructuur & Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur & Waterstaat) ) wil weten hoe specifieke vrijgave sinds 2018 in de praktijk wordt gebruikt en of specifiek vrijgegeven materialen kunnen worden gerecycled. Het RIVM heeft dit onderzocht door te kijken naar de vergunningen voor specifieke vrijgave, de wetgeving en de praktijk. Daaruit blijkt dat specifieke vrijgave heeft voorkomen dat veel radioactieve stoffen met een laag risico bij de COVRA moeten worden opgeslagen. De meeste mogen worden gestort of verbrand. Ook is specifieke vrijgave gebruikt om aangekoekte radioactieve stoffen in putten van de olie- en gasindustrie te mogen achterlaten wanneer bewezen is dat het risico laag is. Specifieke vrijgave wordt in Nederland nog niet gebruikt om afval met radioactieve stoffen te recyclen. Het onderzoek maakt duidelijk dat veel tijd en kennis nodig is om een vergunning voor specifieke vrijgave aan te vragen. Dat komt omdat per situatie moet worden bewezen dat het risico laag is. Ook is de wetgeving soms voor verschillende uitleg vatbaar. Zowel ondernemers als de ANVS zouden erbij gebaat zijn als de wetgeving voor specifieke vrijgave eenvoudiger en duidelijker wordt gemaakt.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Aircraft Engine Emissions (AEE): an overview of the available data on mutagenicity, carcinogenicity and other health effects | RIVM

Personeel op luchthavens kan blootstaan aan de uitstoot van vliegtuigmotoren (VME) wanneer zij vlak bij draaiende motoren aan het werk zijn. VME ontstaat als kerosine in vliegtuigmotoren verbrandt. Het is een complex mengsel van veel verschillende chemische stoffen en fijnstof. Maatschappelijk zijn er zorgen over de gezondheidseffecten van VME voor werknemers. Het RIVM heeft daarom een overzicht gemaakt van wetenschappelijke onderzoeken naar de samenstelling van VME. Dit is ook gedaan voor onderzoeken naar effecten op de gezondheid van werknemers. VME is nu niet geclassificeerd als mogelijk mutageen of kankerverwekkend. Mutageen betekent dat een stof schade aan het DNA deoxyribonucleic acid (deoxyribonucleic acid) veroorzaakt. De Gezondheidsraad gaat de informatie uit dit rapport gebruiken om te beoordelen of VME mutagene en kankerverwekkende eigenschappen heeft. De Gezondheidsraad zal het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ( SZW Sociale zaken en werkgelegenheid (Sociale zaken en werkgelegenheid) ) ook een advies geven over mogelijke classificatie van VME. Het RIVM heeft informatie gevonden over de samenstelling van VME en welke factoren daar invloed op hebben. Eenentwintig stoffen die in VME zijn gevonden, zijn volgens Europese wetgeving geclassificeerd als mutageen en/of kankerverwekkend. In het overzicht zijn ook Nederlandse onderzoeken samengevat voor wat betreft concentraties VME op luchthavens en de blootstelling van werknemers. Wat gezondheidseffecten van VME aangaat is vooral gekeken naar mutagene en kankerverwekkende effecten. Maar ook andere gezondheidseffecten die te maken hebben met blootstelling aan VME zijn meegenomen. Er blijkt nog maar weinig onderzoek te zijn gedaan naar effecten van VME op de gezondheid van werknemers. Het RIVM heeft dit overzicht gemaakt in opdracht van de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) en het ministerie van SZW.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

A DALY-based comparison of the health impacts of foodborne chemicals - a feasibility study | RIVM

In voedsel zitten soms chemische stoffen die schadelijke effecten kunnen hebben op de gezondheid. De ernst van deze effecten kan sterk verschillen, van allergieën en hoofdpijn tot ernstige ziekten. Het is daarom belangrijk om de verschillende effecten met elkaar te kunnen vergelijken. De kennis die dat oplevert kan beleidsmedewerkers helpen om, als dat nodig is, maatregelen te nemen waardoor mensen minder met schadelijke stoffen in voedsel in contact komen. Het blijkt mogelijk om gezondheidseffecten van chemische stoffen in voedsel weer te geven in het verlies van gezondheid (ziektelast). De ziektelast wordt uitgedrukt in zogenoemde DALY Disability Adjusted Life Year (Disability Adjusted Life Year) ’s (disability-adjusted life years). DALY’s geven het verlies van het aantal gezonde levensjaren aan door een ziekte of vroegtijdige sterfte. Op deze manier kunnen de effecten van chemische stoffen met elkaar worden vergeleken. Het is wel belangrijk dat hiervoor een standaardmethode wordt gebruikt, zodat iedereen de DALY’s op dezelfde manier berekent. In 2021 stelde de Wereldgezondheidsorganisatie ( WHO World Health Organization (World Health Organization ) ) een aanpak voor om de ziektelast van chemische stoffen in voedsel op een manier te berekenen, maar heeft niet in detail beschreven hoe deze methode moet worden gebruikt. In wetenschappelijke studies die zijn verschenen, zijn DALY's op verschillende manieren berekend. Hierdoor zijn de DALY’s uit deze studies moeilijk te vergelijken. Het RIVM stelt een standaard DALY-methode voor om de ziektelast voor verschillende chemische stoffen in voedsel stapsgewijs te berekenen. De methode is in lijn met de aanbevelingen van de WHO maar moet nog worden gevalideerd en getest in de praktijk. De methode is niet eenvoudig en er moeten genoeg gegevens zijn om de berekeningen te kunnen maken. De voorgestelde methode brengt een standaardberekening van de ziektelast van chemische stoffen in voedsel dichterbij.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Geluidmonitor 2023. Meting en validatie van geluidproductie door rijkswegen en spoorwegen | RIVM

De weg- en spoorbeheerders, Rijkswaterstaat en ProRail, berekenen sinds 2013 elk jaar hoeveel geluid het verkeer op de weg en het spoor maakt. Het RIVM toetst deze berekeningen met metingen. Dit is verplicht voor de Wet milieubeheer. Sinds 1 januari 2024 is deze wet voor geluid vervangen door de Omgevingswet. De verplichtingen uit de oude wet gelden nog wel voor de berekende waarden over 2022 en 2023. De Geluidmonitor 2023 vergelijkt het gemeten geluid met de berekende geluidniveaus op rijks- en spoorwegen voor het jaar 2022. Voor hoofdspoorwegen is in 2022 gemiddeld 0,2 decibel lager gemeten dan is berekend. Voor rijkswegen is er 2,3 decibel meer gemeten dan is berekend. Dit grote verschil is al jaren te zien. Daarom zijn de rekenregels voor rijkswegen die vallen onder de Omgevingswet aangepast. De belangrijkste aanpassing is dat de lang gebruikte compensatie voor stille banden is vervallen. Dat komt doordat stille banden het geluid minder hebben laten dalen dan verwacht. Op bepaalde locaties kan zowel op wegen als het spoor het verschil tussen meten en rekenen veel groter zijn. Bij rijkswegen komt dat vooral door de leeftijd en de conditie van het asfalt. Ouder asfalt maakt meer geluid, nieuwer asfalt minder. Bij hoofdspoorwegen zijn de belangrijkste oorzaken het aantal en type treinen, en de ruwheid van het spoor. De Geluidmonitor 2023 geeft ook de resultaten van de metingen van 2023. De weg- en spoorbeheerder levert uiterlijk 1 oktober de berekeningen over 2023 aan de minister van Infrastructuur en Waterstaat ( IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) ). De minister publiceert deze informatie daarna. De berekeningen over 2023 worden in de volgende geluidmonitor vergeleken met de gemeten geluidniveaus in 2023. De Geluidmonitor 2024 verschijnt in 2025.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Evaluatie Lekker naar buiten! Stimuleringsregeling Jong Leren Eten, ronde 5. Schooljaar 2022-2023 | RIVM

Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ( LNV Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) ) wil kinderen en jongeren via het onderwijs vaker in aanraking brengen met gezonde en duurzame voeding. Het wil hen zo op een praktische manier leren om gezonde en duurzame keuzes te maken. LNV heeft daarvoor de stimuleringsregeling Jong Leren Eten ‘Lekker naar buiten!’ opgezet. Sinds 2018 kunnen scholen uit het primair, speciaal, voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs elk schooljaar aan deze regeling deelnemen. Het RIVM evalueert deze regeling elk ronde. Uit de vijfde ronde blijkt dat scholen veel belangstelling hebben voor de stimuleringsregeling en er positief over zijn. De belangrijkste reden om mee te doen, is dat scholen zo aandacht kunnen schenken aan voeding/natuur. Bijvoorbeeld door materialen te kopen, hierover onderwijs te geven en gastlessen te organiseren. De regeling is vooral belangrijk als er nog niet genoeg geld is om deze wensen uit te voeren. Scholen konden activiteiten kiezen binnen drie categorieën: ‘moestuinieren’, ‘koken’ en ‘excursies en gastlessen’. In deze ronde was de vraag naar activiteiten per categorie ongeveer even groot. Voor ronde 5 hebben 851 scholen de bijdrage uit de stimuleringsregeling aangevraagd. Daarvan hebben 514 scholen een bijdrage ontvangen, omdat er een maximumbedrag voor de stimuleringsregeling beschikbaar was. Hiermee zijn 72.138 leerlingen en studenten bereikt. De meeste scholen voerden de activiteiten samen met andere lokale organisaties uit, zoals (stads)boerderijen, plaatselijke boeren, diëtisten/voedingscoach, moestuincoaches, restaurants of detailhandel in de regio. Van de deelnemende scholen wil 93 procent na afloop van de regeling aandacht blijven geven aan voeding. Scholen konden maximaal 2.000 euro per schoollocatie krijgen om de activiteiten uit te voeren. Gemiddeld is 1.749 euro per schoollocatie uitgekeerd. Volgens de meeste scholen dekte deze bijdrage de kosten voor de activiteiten. In ronde 5 heeft de stimuleringsregeling in totaal 983.502 euro gekost. Het geld is vooral besteed aan de activiteiten. Een klein deel was nodig om de stimuleringsregeling te ontwikkelen en uit te voeren.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Een gebiedsgerichte en samenhangende aanpak voor een leefbaar en gezond landelijk gebied – verkenning van mogelijkheden voor beleidsmonitoring en evaluatie | RIVM

De overheid streeft naar een duurzame toekomst voor het landelijk gebied in Nederland. Dit betekent dat de kwaliteit van het water en de natuur goed is en de gevolgen van klimaatverandering worden tegengegaan. Daarnaast wil de overheid dat het landelijk gebied een prettige omgeving is om te wonen en te werken. Ze heeft daarvoor in 2023 het Ontwerp-Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) voorgesteld. Dit beschrijft de bestaande nationale doelen en hoe zij met elkaar samenhangen. Omdat elk gebied anders is, moet de aanpak passen bij de eigenschappen van het gebied (gebiedsgericht). Op basis hiervan gaan de landelijke overheid en de provincies maatregelen nemen om de doelen zo veel mogelijk te halen. Vier kennisinstellingen hebben samen verkend wat nodig is om te weten of de doelen worden gehaald (monitoring) en hoe de effecten van de maatregelen zichtbaar kunnen worden gemaakt (evaluatie). De maatregelen hebben invloed op de manier waarop het landelijk gebied in Nederland wordt gebruikt en verdeeld, bijvoorbeeld voor landbouw, wonen en bedrijven. De maatregelen zullen daardoor ook effecten hebben op de welvaart, het welzijn van dier en mens en de leefbaarheid van het platteland. De overheid vraagt daarom naar mogelijkheden om de sociale en economische gevolgen van de maatregelen te evalueren, zoals voor werkgelegenheid en volksgezondheid. De verkenning laat onder andere zien dat bestaande methoden (zoals meetnetten en modellen) al veel inzichten geven in de effecten van maatregelen voor natuur, water en klimaat. Wel is meer en gedetailleerdere informatie nodig voor een volledige evaluatie. Verder is een overzicht nodig van alle maatregelen van de provincies. Bestaande methoden houden er onvoldoende rekening mee hoe maatregelen elkaar beïnvloeden. Ook brengen ze de sociale en economische gevolgen van maatregelen niet genoeg in beeld. Met een monitoring en evaluatie die meer op de samenhang tussen natuur, water en klimaat is gericht, kunnen beide wel. Met zo’n systeemgerichte benadering kan de overheid op een slimme manier maatregelen nemen die bijdragen aan verschillende doelen. De vier kennisinstellingen zijn het RIVM, het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), Wageningen University & Research (WUR) en Deltares. De verkenning is gedaan op verzoek van de ministeries van LVVN Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur ) , I&W Ministerie van Infrastructuur & Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur & Waterstaat) en BZK Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ) .
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Staat van Zoönosen 2023 | RIVM

De Staat van Zoönosen 2023 wordt op de website One Health gepubliceerd. Dieren kunnen ziekteverwekkers bij zich dragen waarvan mensen ook ziek kunnen worden. De ziekten die hierdoor worden veroorzaakt, noemen we zoönosen. Het RIVM(Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) maakt elk jaar in opdracht van de NVWA Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit) (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit) een overzicht van de belangrijkste zoönosen in Nederland en hoe vaak ze voorkomen. Het gaat vooral om zoönosen die artsen bij de GGD Gemeentelijke Gezondheidsdienst (Gemeentelijke Gezondheidsdienst) (Gemeentelijke gezondheidsdiensten) moeten melden en/of dierenartsen bij de NVWA. Beleidsmakers en andere professionals kunnen deze informatie gebruiken om als het nodig is maatregelen te nemen. In 2023 waren er in Nederland veel minder besmettingen met vogelgriep (variant H5N1) bij pluimvee dan in 2022 en 2021. Ook is in 2023 maar bij één zoogdier (een vos) een besmetting met vogelgriep aangetoond. Er zijn dat jaar geen mensen besmet geraakt met vogelgriep. Verder viel op dat er meer Salmonella-infecties door het serotype Enteritidis te zien waren en minder met het serotype Typhimurium; in de jaren ervoor was dat andersom. Dit betekent dat pluimvee (vooral via eieren) voor de mens een grotere bron voor besmettingen met Salmonella is geworden en varkens een kleinere. In de Staat van Zoönosen worden elk jaar bijzondere gevallen van zoönosen uitgelicht. Zo is in 2023 van 171 personen bekend dat ze ziek zijn geworden van Salmonella Enteritidis na het eten van besmette eieren. Deze eieren kwamen van kippen die besmet zijn geraakt via kippenvoer waar eierschalen van besmette eieren in zat. Verder zijn enkele katten ziek geworden en overleden door rundertuberculose. Via deze katten zijn ook enkele mensen besmet geraakt. Het is niet helemaal duidelijk wat de bron van deze infecties was; rauw vlees in diervoeding lijkt het meest waarschijnlijk. Ten slotte behandelt de Staat van Zoönosen elk jaar een thema. Dit jaar is dat ‘Regionale samenwerking in de bestrijding van zoönosen’. Het hoofdstuk beschrijft succesvolle voorbeelden van regionale samenwerking, bijvoorbeeld tussen het RIVM en de GGD bij de bestrijding van infectieziekten (Regionale artsconsulentenstructuur).
Jaar: 2024 Onderzoek

Verkenning risicogebieden van medische stralingstoepassingen voor patiënten op de afdeling Radiologie | RIVM

Voor sommige medische onderzoeken en behandelingen wordt straling gebruikt, zoals bij CT-scans. Wanneer deze met een te hoge dosis wordt gegeven, onnodig is, niet of te laat wordt gedaan, kan dat schadelijk zijn voor de patiënt. Regelgeving geeft voorwaarden om goede en veilige zorg te leveren bij het gebruik van straling. Het RIVM heeft in opdracht van IGJ Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd) op een rij gezet bij welke handelingen met straling op een afdeling Radiologie de meeste risico’s kunnen ontstaan. Dit helpt IGJ om risico gestuurd toezicht verder vorm te geven. Het RIVM heeft hieruit de indruk gekregen dat het gebruik van straling binnen de radiologie goed is geregeld en er naar verwachting weinig misgaat. Toch is het belangrijk meer overzicht en inzicht in het gebruik van straling te krijgen. Dan is het mogelijk om de onderzoeken en behandelingen met straling verder te optimaliseren en de kans op incidenten verder te beperken. Een goed overzicht van incidenten of andere onvolkomenheden ontbreekt nu. Om de grootste risico’s te kunnen achterhalen, benadrukt het RIVM de (inter)nationale richtlijnen te volgen. Deze schrijven namelijk voor naar de hele keten van onderzoeken met straling te kijken. Dus niet alleen naar de apparatuur en de dosis, maar ook naar de organisatie, het management, de manier waarop instellingen toezien op de kwaliteit, opleidingen, enzovoort. Al deze elementen dragen bij aan de veiligheid van patiënten bij het gebruik van straling. Verder is het belangrijk dat de verschillende beroepsgroepen die hierbij betrokken zijn, de radiologen, laboranten en klinisch fysici, met elkaar samenwerken. Zij kunnen dan van elkaars ervaringen leren. Dat helpt om incidenten te voorkomen. Ook kunnen zij inzicht geven in welke informatie ontbreekt om de richtlijnen voor de onderzoeken en behandelingen met straling actueel te houden. Daarnaast beveelt het RIVM aan om verschillende begrippen in de wetgeving, zoals ‘lage dosis’, concreter te beschrijven om onduidelijkheid te voorkomen. Tot slot beveelt het RIVM aan een overzicht te krijgen van alle informatie die op verschillende plekken staat en deze op een centrale plek te verzamelen.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Monitor stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden 2024 | RIVM

De lidstaten van de Europese Unie spraken af de kwaliteit van de natuur te verbeteren. Ze wezen daarvoor natuurgebieden aan die beschermd moeten worden (Natura 2000-gebieden). Te veel neerslag van stikstof (stikstofdepositie) is schadelijk voor bepaalde typen natuur. De Nederlandse overheid wil de kwaliteit van de natuur verbeteren door onder andere minder stikstof op natuur terecht te laten komen. In 2021 bepaalde de Nederlandse overheid wettelijke doelen op hoeveel oppervlak natuur de stikstofneerslag in de jaren 2025, 2030 en 2035 onder de kritische depositiewaarde ligt. Deze waarde geeft aan hoeveel stikstof de natuur aankan voordat er schade kan ontstaan. Het RIVM onderzoekt elk jaar hoe de neerslag van stikstof zich ontwikkelt. Tussen 2005 en 2022 kwam er in Natura 2000-gebieden ongeveer 20 procent minder op de natuur terecht. Dit komt vooral doordat landbouw en verkeer in Nederland en de landen eromheen minder stikstof uitstootten. Wel daalde de uitstoot van deze sectoren de laatste tien jaar minder dan in de jaren ervoor. De hoeveelheid stikstof die op de natuur terechtkomt, neemt daardoor de laatste jaren steeds minder af. Andere sectoren, zoals industrie en energievoorziening, stootten ook steeds minder stikstof uit, maar dragen weinig bij aan de stikstofdepositie. Hoe meer stikstof op de natuur terechtkomt en hoe langer dat duurt, hoe groter de kans is dat de natuur verslechtert. Deze monitor geeft daarom aan of de hoeveelheid stikstof boven de kritische depositiewaarde ligt en ook hoeveel stikstof erboven ligt. Doordat de stikstofneerslag daalt, was in 2022 de hoeveelheid stikstof boven de kritische depositiewaarde ongeveer 40 procent lager dan in 2005. Hierdoor komt in steeds meer delen van Natura 2000-gebieden de stikstofdepositie onder de kritische waarde: tussen 2005 en 2022 steeg dat oppervlak van ongeveer 20 naar 28 procent. Dit betekent dat de stikstofneerslag in veel natuurgebieden nog te hoog is. Elk jaar komen nieuwe gegevens en inzichten beschikbaar, waardoor de cijfers over stikstofneerslag veranderen. Ondanks de updates bevestigt deze rapportage de conclusies over de ontwikkeling van de stikstofneerslag van vorig jaar. Deze rapportage bevat geen nieuwe verwachtingen voor de toekomst; die maakt het RIVM om het jaar.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Actualisatie AERIUS Calculator 2024 | RIVM

In onder andere de landbouw, het verkeer en bij bouwprojecten komt stikstof vrij. Met AERIUS Calculator is te berekenen hoeveel stikstof deze projecten uitstoten en hoeveel daarvan via de lucht neerslaat in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Overheden en initiatiefnemers van projecten gebruiken deze berekeningen bij de aanvraag van vergunningen. Hierbij is het belangrijk dat de informatie die voor de berekeningen worden gebruikt, actueel is. Het RIVM actualiseert AERIUS Calculator daarom elk jaar. In dit rapport staan de nieuwste gegevens en inzichten over de uitstoot en neerslag die in het rekeninstrument zijn verwerkt. Om de uitstoot en neerslag van stikstof te berekenen werkt AERIUS Calculator met ‘kengetallen’ over de uitstoot, zoals emissiefactoren. Emissiefactoren geven bijvoorbeeld aan hoeveel stikstof een voertuig per kilometer uitstoot, of hoeveel een landbouwdier per type stal uitstoot. Deze cijfers kunnen door nieuwe gegevens en inzichten veranderen. Ook maken de provincies en de rijksoverheid kaarten die beschrijven welk type natuur waar voorkomt in de Natura 2000-gebieden (habitatkaarten). Met de laatste gegevens over de habitats in Natura 2000-gebieden geeft Calculator een actueel beeld van de locaties waar het bevoegd gezag kan beoordelen of een activiteit een vergunning kan krijgen. Door drie nieuwe inzichten werkt AERIUS Calculator anders dan de vorige versie. Zo komt relatief veel stikstof vrij als voertuigen met een koude motor starten (koude start). Omdat auto’s steeds schoner worden, wordt het aandeel van de koude start in de totale uitstoot van stikstof door verkeer steeds groter. Koude start en rijdend verkeer moeten daarom los worden ingevoerd, zodat de uitstoot van verkeer nauwkeuriger kan worden berekend. Door de invoering van de Omgevingswet gebruikt Calculator een andere methode om de emissie uit stallen te berekenen. De werkwijze is daarom voor gebruikers iets anders geworden, maar dit heeft meestal geen effect op de uitkomst van een berekening. Tot slot zijn gegevens toegevoegd over de gebieden waar de overheid de natuur wil herstellen (hersteldoelen).
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Emission of Microplastics to Water, Soil, and Air. What can we do about it? | RIVM

Microplastics komen in het milieu terecht via producten waar plastics in zitten. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) ) wil weten door welke bronnen de meeste microplastics in Nederland in het milieu terechtkomen. Op basis daarvan kan IenW maatregelen nemen om de uitstoot te verminderen. Dit is een update van een eerder onderzoek van het RIVM naar de uitstoot van microplastics. Het RIVM heeft nu een completer overzicht van de uitstoot van grootste bronnen in Nederland gemaakt. De meeste microplastics (80 procent) komen in de bodem terecht. Afhankelijk van de bron kunnen ze ook in water en lucht terechtkomen. Ook dat is nu in kaart gebracht met een vernieuwd rekenmodel. De drie grootste bronnen van microplastics zijn slijtage van banden op het wegdek, plastic korrels die de industrie gebruikt voor plastic producten, en plastic afval. Kleinere bronnen van microplastics zijn onder andere verf, kleding, rubber granulaat voor kunstgrasvelden en bepaalde pesticiden. Het RIVM heeft maatregelen in kaart gebracht om de uitstoot te verminderen. Deze maatregelen zijn met experts besproken. Alle maatregelen kunnen nuttig zijn. Wel is er verder onderzoek nodig om te kijken of ze haalbaar zijn, technisch zijn uit te voeren en of er draagvlak voor is in de samenleving en de industrie. Het grootste effect kan logischerwijs worden behaald door de uitstoot van de grootste bronnen te verminderen. Dat kunnen we door minder plastic te gebruiken. Verder zou extra regelgeving kunnen voorkomen dat de plastic korrels voor industrie weglekken tijdens transport of bij bedrijven. Tot slot kan bandenslijtage worden tegengegaan, bijvoorbeeld door betere banden te ontwikkelen. Verder kunnen deze slijtagedeeltjes worden opgevangen door afvoerwater bij wegen te zuiveren. Deze zuivering vindt al plaats rond steden maar niet rond wegen in gebieden daarbuiten.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Integrale Milieumonitoring in Natuur: meetresultaten 2020-2022, historisch perspectief en aanbevelingen | RIVM

Het RIVM beschrijft de meetresultaten van de eerste drie jaar van het meetnet Integrale Milieumonitoring in Natuur (IMN). Dit meetnet volgt sinds 2020 de effecten van luchtvervuilende stoffen, zoals ammoniak, stikstofoxiden en ozon, in natuurgebieden in Nederland. Het gaat bijvoorbeeld om de verzuring van de bodem en de hoeveelheid voedingsstoffen in het grondwater. Deze metingen zijn een Europese verplichting. De resultaten geven inzicht in de stand van de natuur in kleine gebieden in Nederland; niet van het hele land. Het IMN-meetnet geeft meer informatie dan de bestaande metingen van de luchtkwaliteit. Het meet niet alleen de concentraties van vervuilende stoffen in de lucht maar ook in de bovenste laag van de bodem, en het bovenste grondwater. Voor oppervlaktewater worden data uit andere bronnen gebruikt. Wel blijkt dat meer en andere metingen nodig zijn om een goed beeld van de kwaliteit van de natuur te geven. Bijvoorbeeld op meer plekken en op een andere manier gemeten, zodat ze te vergelijken zijn met de Europese standaard. Verder zijn andere data nodig: niet alleen over de chemische concentraties van stoffen in water, lucht en bodem, maar ook welke planten in gebieden groeien en de ontwikkeling daarin. Het meetnet heeft nu meetpunten verspreid over verschillende Natura2000-gebieden, vooral in Drenthe, Friesland en Noord-Brabant. Alle lidstaten rapporteren elke vier jaar een lijst van meetlocaties en de ‘kale' meetresultaten. Het RIVM heeft daar, voor zover mogelijk, een interpretatie aan toegevoegd. Het gebruikte daarvoor onder andere de laatste data van het TrendMeetnet Verzuring ( TMV Trendmeetnet Verzuring (Trendmeetnet Verzuring) ). Het meetnet Integrale Milieumonitoring in Natuur (IMN) meet voor een deel in dezelfde natuurgebieden als het TMV, dat tot 2014 actief was. In 2014 was de kwaliteit van het bovenste grondwater onder natuurgebieden beter dan in de jaren negentig van de vorige eeuw. Wel was er op de TMV-locaties nog steeds verzuring en vermesting te meten, maar deze processen gingen langzamer dan ervoor. De hoeveelheid stikstof die op de bodem viel was gedaald, al was deze nog steeds hoger dan de norm die daarvoor bestaat (Kritische Depositiewaarde, KDW). De metingen sinds 2020 op de IMN-locaties laten zien dat de KDW nog vaak wordt overschreden. Ook vindt er nog steeds verzuring en vermesting plaats.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

EURL-Salmonella Proficiency Test Primary Production Stage, 2023. Detection of Salmonella in chicken faeces samples | RIVM

Sinds 1992 zijn de Nationale Referentie Laboratoria (NRL’s) van de Europese lidstaten verplicht om elk jaar hun kwaliteit te laten toetsen met zogeheten ringonderzoeken. Het doel van een van de ringonderzoeken is Salmonella bacteriën opsporen in monsters uit de leefomgeving van dieren, zoals stallen. In 2023 waren alle NRL’s uit de EU Europese Unie (Europese Unie) -lidstaten in staat om Salmonella aan te tonen in de kippenmest monsters. Alle deelnemers konden hoge en lage concentraties Salmonella aantonen. Eén laboratorium had hiervoor een herkansing nodig. Een ander laboratorium haalde eerst een slechte score door een administratieve fout. Dit laboratorium kon daarna met ruwe data aantonen dat het twee monsters had verwisseld. Daardoor kon de score omhoog worden bijgesteld naar een matige score. Dit blijkt uit het ringonderzoek dat het overkoepelende Europese laboratorium in oktober 2023 organiseerde. In totaal hebben 37 NRL’s aan dit ringonderzoek meegedaan. Dat zijn de NRL’s uit de 27 EU-lidstaten, negen NRL’s uit andere Europese landen en één NRL uit een niet-Europees land. De laboratoria gebruikten een verplichte, internationaal erkende analysemethode om Salmonella in kippenmestmonsters aan te tonen. Elk laboratorium kreeg een pakket toegestuurd met monsters die kunstmatig waren besmet met twee verschillende concentraties Salmonella Typhimurium, of zonder deze bacterie. Het ringonderzoek is georganiseerd door het Europese Referentie Laboratorium voor Salmonella (EURL). Dit is gevestigd bij het RIVM. Een belangrijke taak van het EURL-Salmonella is toezien op de kwaliteit van de NRL’s-Salmonella in Europa.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Maagballonnen. Veiligheid, risico’s en effectiviteit | RIVM

Een maagballon wordt gebruikt bij mensen met obesitas die met een dieet of medicijnen niet genoeg hebben kunnen afvallen. Een maagballon is een zachte kunststof ballon, die via de slokdarm in de maag wordt geplaatst en met een zoutoplossing of lucht wordt gevuld. Door de ruimte die de ballon inneemt, is er minder plaats voor voedsel. Daardoor hebben mensen eerder een verzadigd gevoel, eten ze minder en zullen ze gewicht verliezen. Afhankelijk van het type maagballon wordt deze na 4 maanden uitgescheiden of na 6 tot 12 maanden via de slokdarm verwijderd. Uit het onderzoek van het RIVM blijkt dat het gebruik van een maagballon niet zonder risico’s is. Dat blijkt uit analyse van wetenschappelijke onderzoek naar de veiligheid en effectiviteit van maagballonnen. Deze risico’s zijn bekend en worden uitgebreid vermeld in de gebruiksaanwijzingen. Informatie over de risico’s is voor patiënten belangrijk om te kunnen afwegen of ze een maagballon willen. Het is daarom noodzakelijk dat de arts de risico’s van het gebruik van een maagballon bespreekt met de patiënt. De risico’s die kunnen ontstaan na plaatsing van een maagballon verschilt. Zo kunnen mensen in de eerste week na de plaatsing misselijk zijn en overgeven. Ook kan de ballon in de darmen terechtkomen en daar een verstopping veroorzaken. De ballon moet dan middels een operatie worden weggehaald. In zeldzame gevallen kan de ballon gaatjes in de darmen veroorzaken (perforaties). Heel soms kan de patiënt door deze complicaties overlijden. In de gebruiksaanwijzing staat wanneer een maagballon niet mag worden geplaatst, zoals bij een maagzweer. De meeste maagballonnen worden via een endoscoop geplaatst, waarmee dan standaard wordt gecontroleerd of de patiënt een maagzweer heeft. Er bestaat ook een maagballon die als een capsule wordt ingeslikt en zich in de maag ontvouwt. Verder blijkt dat de maagballon, als hulpmiddel bij een dieet en/of leefstijlinterventies, niet heel effectief is om af te vallen. Slechts een klein deel van de mensen wist het gewicht op langere termijn vast te houden. Een maagballon moet daarom gezien worden als slechts een hulpmiddel. Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de Inspectie voor Gezondheid en Jeugd ( IGJ Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd) ), na meldingen van complicaties.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Verkenning RSV-immunisatie in het eerste levensjaar. Verkenning van scenario's voor de uitvoering | RIVM

Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft het RIVM gevraagd te onderzoeken wat de rol kan zijn van verschillende uitvoerders bij het immuniseren van baby’s in hun eerste levensjaar tegen het RS-virus Respiratoir Syncitieel-virus (Respiratoir Syncitieel-virus) . Dit onderzoek is een stap die nodig is om alle baby’s in Nederland bescherming tegen het RS-virus aan te bieden via het Rijksvaccinatieprogramma. Het RIVM en de verschillende uitvoerders bevelen het ministerie aan om de jeugdgezondheidszorg de immunisatie tegen het RS-virus te laten toedienen en de jeugdgezondheidszorg en de verloskundig zorgverleners samen hierover voorlichting te laten geven
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Toevoeging van microvoedingsstoffen aan voedingsmiddelen en -supplementen. Evaluatie van de wetgeving geldend in Nederland | RIVM

Vitamines en mineralen zorgen ervoor dat het lichaam goed functioneert. Het lichaam kan de meeste van deze stoffen niet zelf maken en moeten we uit voeding halen. Daarnaast kunnen ze worden toegevoegd aan voedingsmiddelen of voedingssupplementen. Als mensen te weinig of te veel vitamines of mineralen binnenkrijgen, kan dit schadelijk zijn voor het lichaam. Daarom zijn voor de toevoeging van vitamines en mineralen in Europa en Nederland regels bepaald in de wet. Voor de meeste stoffen zijn deze regels bedoeld om te voorkomen dat mensen er te veel van binnenkrijgen. Voor een paar stoffen zijn er juist afspraken gemaakt om te zorgen dat mensen in Nederland er genoeg van binnenkrijgen, daarom wordt jodium bijvoorbeeld aan bakkerszout toegevoegd. De regels zijn voor een deel gebaseerd op wetenschappelijke inzichten. Deze inzichten kunnen in de loop van de tijd veranderen. Het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) heeft het RIVM daarom gevraagd om de regels te evalueren. De vraag was om te toetsen of de regels aansluiten op nieuwe inzichten en of er eventuele tegenstrijdigheden zijn. Het RIVM constateert veel verschillende aandachtspunten en geeft adviezen voor mogelijke aanpassingen. Zo constateert het RIVM dat voor een aantal vitamines of mineralen wel is bepaald hoeveel daarvan maximaal mag worden toegevoegd aan voedingsmiddelen, maar dat dit niet is bepaald voor voedingssupplementen. Het RIVM adviseert om dit ook voor voedingssupplementen te doen. Een andere signalering is dat informatie om te kunnen beoordelen of Nederlanders niet te veel voedingsstoffen binnenkrijgen soms ontbreekt. Bijvoorbeeld omdat de samenstelling van voedingsmiddelen en supplementen niet bekend is. Het RIVM adviseert om informatie over deze samenstelling te gaan verzamelen. Het is aan het ministerie van VWS om de regels eventueel te herzien. Om Europese regels te kunnen veranderen, is VWS afhankelijk van de Europese Commissie en andere lidstaten van de Europese Unie.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

PFAS-onderzoeksprogramma RIVM. Inventarisatie beschikbare informatie en afbakening onderzoek | RIVM

De Nederlandse bevolking krijgt op verschillende manieren PFAS Per- en polyfluoralkylstoffen (Per- en polyfluoralkylstoffen ) binnen, vanuit voedsel en drinkwater maar ook via andere routes. Het RIVM onderzoekt hoe dit verlaagd kan worden. Hiervoor bepalen we hoe hoog de blootstelling nu is in Nederland en wat hier de bronnen van zijn. Op basis van deze kennis zal bepaald worden welke kansrijke mogelijkheden er zijn voor aanvullende maatregelen. De eerste fase van het onderzoek is nu afgerond. Hierin is geïnventariseerd welke informatie over de bronnen en omvang van blootstelling er al is en welk onderzoek nog nodig is. Zo weten we nu beter wat de PFAS inname via voedsel en drinkwater is, maar blijkt ook dat veel nog onbekend is. Er bestaat nog geen beeld van de hoeveelheid PFAS die mensen in Nederland in hun lichaam hebben. Daarom gaan we bestaande bloedmonsters onderzoeken. We onderzoeken daarbij of het mogelijk is deze monsters aan te vullen met recente monsters. We nemen daarbij extra bloedmonsters mee uit de regio’s rondom Chemours en de Westerschelde. Ook onderzoeken we bestaande monsters moedermelk. Er zijn veel gegevens beschikbaar over PFAS in verschillende onderdelen van het Nederlandse milieu, zoals in bodem en oppervlaktewater. Daaruit blijkt dat we nog niet weten hoe PFAS in de bodem zich naar diepere lagen en naar het grondwater verplaatst. Drinkwater dat van oppervlaktewater is gemaakt geeft nu meer PFAS blootstelling dan drinkwater van grondwater. Het RIVM start bodemonderzoek of dat door ‘zakkende’ PFAS in de loop der tijd gaat veranderen. Verder gaat het RIVM uitzoeken hoe PFAS-verbindingen zich in mens en milieu gedragen en hoe deze inzichten kunnen worden gebruikt in de risicobeoordeling. Hiervoor werken we internationaal samen, bijvoorbeeld met de Wereldgezondheidsorganisatie ( WHO World Health Organization (World Health Organization ) ). Er is een eerste inventarisatie gemaakt van kansrijke aanvullende maatregelen om de blootstelling aan PFAS te verminderen. Deze inventarisatie zal met het opdoen van nieuwe kennis gedurende het programma aangevuld worden. Het onderzoek richt zich verder op het in beeld brengen van de (kosten-)effectiviteit van geselecteerde maatregelen. Het onderzoeksprogramma duurt tot 2026. Tussentijds wisselen we op verschillende manieren informatie uit over het onderzoek en nieuwe ontwikkelingen en inzichten, zoals via bijeenkomsten met belanghebbenden.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

De milieubelasting, eiwitinname en -ratio van de voedselconsumptie in Nederland (2019-2021) | RIVM

Het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur ( LVVN Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur ) ) wil dat de bevolking in Nederland minder dierlijk en meer plantaardig voedsel gaat eten en drinken. Dat is gezonder en beter voor het milieu. Het doel is dat mensen in 2030 evenveel dierlijk als plantaardig eiwit binnenkrijgen (50/50); nu is dat nog 59 versus 41 procent. Het RIVM brengt hiervoor in kaart hoeveel voedsel we in Nederland per dag eten en hoeveel dierlijke en plantaardige eiwitten we daarmee binnenkrijgen. Ook is berekend in welke mate de productie en consumptie van voedsel het milieu belast. Dit is gedaan voor de periode 2019-2021. In vergelijking met de vorige peiling van 2012-2016 hebben we minder vlees gegeten en meer plantaardig voedsel. Gemiddeld kregen we 59 procent dierlijke eiwitten binnen. Dit percentage is nog te hoog, maar gaat wel de goede kant op. De meeste mensen in Nederland kregen meer dan 50 procent dierlijke eiwitten binnen. Wel zijn er verschillen te zien tussen bepaalde groepen. Zo komen kinderen en mensen die minder of geen vlees eten, dichter bij het doel. Daarmee belasten ze het milieu ook minder. Meisjes en vrouwen krijgen minder dierlijke eiwitten binnen dan jongens en mannen. Volwassenen van 18-50 jaar krijgen minder dierlijke eiwitten binnen dan volwassenen van 65 tot 79 jaar. De milieubelasting van wat we elke dag eten is bepaald op basis van hoeveel broeikasgassen er door de productie en consumptie vrijkomen en hoeveel irrigatiewater en land ervoor nodig is. Ook is gekeken naar de vermesting van zoet en zout water en de verzuring van de bodem. De productie en consumptie van dierlijk voedsel (vlees, zuivel en kaas) belastten het milieu het meest. De productie en consumptie van fruit en olijven, noten en zaden en vlees droegen het meeste bij aan het waterverbruik. De milieubelasting is niet direct te vergelijken met de resultaten van de vorige peiling. Dat komt omdat de impact op het milieu met nieuwere informatie is berekend. Kijk voor meer informatie op: Milieubelasting van voedingsmiddelen .
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Ontsmetting van waswater van plantaardige producten | RIVM

De Nederlandse voedselsector vraagt of waswater van fruit, groente en verse kruiden hergebruikt mag worden, als het water wordt ontsmet met perazijnzuur, actief chloor, chloordioxide of ozon. De Nederlandse voedselsector hoopt daarmee de hoeveelheid waswater te verminderen. Ontsmettingsmiddelen voor waswater vallen in de groep van technische hulpstoffen. Voor deze stoffen is in Nederland niet vastgelegd onder welke voorwaarden ze mogen worden toegelaten. Het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ( VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) ) heeft daarom aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) gevraagd om te beoordelen of fruit, groente en verse kruiden veilig gegeten kunnen worden, als ze zijn gewassen in ontsmet hergebruikt waswater. De Nederlandse voedselsector geeft aan dat het voedsel na ontsmetting altijd nagespoeld wordt met schoon water. De voedselsector heeft gegevens aangeleverd over de hoeveelheid ontsmettingsmiddelresten die onder die condities achterblijven op fruit, groente of verse kruiden. Op basis van deze informatie heeft het RIVM een berekening uitgevoerd van de hoeveelheid ontsmettingsmiddelresten die kinderen en volwassenen kunnen binnenkrijgen als ze deze agrarische producten eten. Het RIVM concludeert dat het niet veilig is om fruit, groente en verse kruiden te eten als ze onder de aangeven condities zijn gewassen. Het RIVM raadt aan om ook andere aspecten, zoals de veiligheid voor het milieu en veiligheid voor de mensen die werken met de wasinstallaties, te (laten) onderzoeken.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Registratie voedselgerelateerde uitbraken in Nederland, 2023 | RIVM

Mensen kunnen ziek worden van voedsel. Als twee of meer mensen tegelijk ziek worden na het eten van hetzelfde voedsel, dan heet dat een uitbraak door een voedselgerelateerde ziekteverwekker. In 2023 zijn 911 uitbraken met 3.500 zieken gemeld; in 2022 waren er 1.173 meldingen en 4.505 zieken. Het aantal meldingen is daarmee gedaald, nadat het jarenlang was gestegen (met uitzondering van het coronajaar 2020). Vaak is de oorzaak van de gemelde uitbraken niet bekend. Dat komt omdat niet altijd duidelijk is welk voedselproduct besmet kan zijn geweest of omdat er geen ziekteverwekker wordt gevonden. Bekend is dat het norovirus, Salmonella en Campylobacter in 2023, net als in eerdere jaren, nog steeds het meest zijn aangetoond als oorzaak van een gemelde uitbraak. Wel blijft het aantal bewezen uitbraken van het norovirus laag. Dit komt omdat er tegenwoordig bij een verdenking niet meer standaard op dit virus wordt getest. De informatie over deze uitbraken komt van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en de GGD’en. Zij registreren en onderzoeken meldingen van voedselgerelateerde infecties en vergiftigingen. Daartoe proberen ze te achterhalen waar mensen besmet zijn geraakt en door welke ziekteverwekker. De NVWA onderzoekt de plaats waar het voedsel is bereid of verkocht of waar het voedsel vandaan komt. Zij laat bij Wageningen Food Safety Research (WFSR) onderzoeken of daarin ziekteverwekkers zitten. De GGD richt zich op de personen die mogelijk via voedsel een infectie hebben opgelopen en probeert via hen te achterhalen waardoor ze zijn besmet. Het doel van deze werkwijze is meer zieken te voorkomen door het besmette product uit de handel te halen, of maatregelen te nemen om herhaling te voorkomen. Het RIVM voegt de meldingen van de twee instanties samen en analyseert ze als één geheel. Deze aanpak geeft inzichten in oorzaken van voedselgerelateerde uitbraken in Nederland, de mate waarin ze voorkomen en mogelijke veranderingen hierin door de jaren heen. De genoemde getallen zijn een onderschatting van het werkelijke aantal voedselgerelateerde uitbraken en zieken. Dit komt onder andere doordat niet elke zieke naar de huisarts gaat of de NVWA informeert. Ook is niet altijd duidelijk of besmet voedsel de oorzaak van een ziekte is geweest.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Mentale gezondheid. Factoren die van invloed zijn, met handelingsperspectief voor de overheid | RIVM

Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ( VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) ) wil de mentale gezondheid van inwoners in Nederland verbeteren. Om beleid te kunnen maken, wil VWS weten welke factoren de meeste invloed hebben op de mentale gezondheid. Ook wil het ministerie weten welke factoren de meeste kans bieden om de mentale gezondheid te verbeteren. Hierover heeft het RIVM een kort literatuuronderzoek gedaan en met experts gesproken. Het RIVM vond in recente onderzoeksrapporten 34 factoren die van invloed zijn op de mentale gezondheid. Met experts is hieruit een selectie gemaakt van 15 factoren die de meeste invloed hebben. Maatregelen voor zes van deze factoren geven volgens de experts de grootste kans om de mentale gezondheid te verbeteren: vier individuele en twee omgevingsfactoren. De vier individuele factoren zijn bestaanszekerheid, meedoen in de samenleving, lichamelijke activiteit en sociaal-emotionele vaardigheden, zoals kunnen omgaan met tegenslag. Voorbeelden van maatregelen om de bestaanszekerheid te verbeteren zijn volgen experts: hulp bieden aan mensen met schulden en voorkomen dat mensen schulden krijgen. De twee omgevingsfactoren zijn de woon- en thuissituatie en de sociale omgeving. Veel verschillende factoren, die ook nog eens met elkaar samenhangen, hebben invloed op de mentale gezondheid. Het is daarom belangrijk om deze factoren in samenhang aan te pakken; alleen dan kunnen maatregelen effect hebben. Dit betekent dat er meerdere maatregelen vanuit verschillende beleidsdomeinen, zoals verschillende ministeries, nodig zijn. Het is daarbij belangrijk om niet alleen te kiezen voor maatregelen die snel resultaat hebben, maar juist ook voor structurele maatregelen. Als voorbeeld daarvan noemden experts de manier waarop toeslagen worden uitbetaald, verbeteren. Met maatregelen om de mentale gezondheid te verbeteren is veel te bereiken, maar het kan veel moeite kosten om ze te realiseren. Dat komt bijvoorbeeld omdat er politiek draagvlak voor nodig is. Maar ook omdat beleidsdomeinen of organisaties zaken samen moeten aanpakken en afstemmen terwijl mentale gezondheid niet hun hoofddoel is.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Adviesvraag bepalen doelgroep van de Maatregel Gerichte beëindiging (MGB) | RIVM

Het RIVM heeft in opdracht van het ministerie Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur ( LVVN Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur ) ) een inschatting gemaakt van de potentiële doelgroep voor een nieuwe regeling: de Maatregel Gerichte Beëindiging. Het gaat daarbij om alle veehouderijlocaties die op de volgende grondsoorten liggen: beekdalen, (hoge) zandgronden of veen- en moerige gronden. Daarnaast hebben de melk- of rundveebedrijven een uitstoot van minimaal 250 kg kilogram (kilogram) ammoniak per jaar. Veehouderijen met andere dieren hebben een uitstoot van minimaal 750 kg ammoniak per jaar.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Beoordelingskader voor gebruik stedelijk afvalwater in de landbouw. Fase 1: wettelijke inkadering en voedselveiligheid | RIVM

In droge zomers kan er te weinig water zijn om gewassen in de land- en tuinbouw te besproeien. Europese wetgeving stimuleert sinds 2020 om hiervoor gezuiverd stedelijk afvalwater te gebruiken. Maar hierin kunnen nog chemische stoffen en ziekteverwekkers (bacteriën en virussen) zitten die schadelijk zijn voor mensen, dieren en planten. Daarom zijn nu voor Nederland criteria bepaald om gezuiverd stedelijk afvalwater veilig te kunnen gebruiken voor gewassen. De criteria zijn voor chemische stoffen anders dan voor ziekteverwekkers. Voor veel chemische stoffen zijn bestaande normen gebruikt die aangeven hoeveel er van een stof in water mag zitten. Daarnaast zijn criteria ontwikkeld voor gezuiverd stedelijk afvalwater om gewassen en dierlijke producten veilig te kunnen eten. Dat was nodig omdat er voor afvalwater geen normen voor voedselveiligheid bestaan. Deze uitkomsten zijn met elkaar vergeleken en de strengste bepaalt het criterium. Voor ziektewekkers zijn risico’s in kaart gebracht voor soorten die schadelijk zijn voor mensen en voor gewassen. Mensen kunnen van veel soorten ziekteverwekkers ziek worden. Als ‘maat’ daarvoor is het aantal E. coli Escherichia coli (Escherichia coli) (oftewel poepbacteriën) in het afvalwater gekozen, omdat deze bacterie veel voorkomt. De hoeveelheid E. coli die in het water is toegestaan hangt af van het type groente (rauw te eten, zoals sla, of niet) en de methode van besproeien (wel of niet op blad). Voor gewassen blijken er van de toch al aanwezige ziekteverwekkers in de bodem slechts verwaarloosbare hoeveelheden via gezuiverd stedelijk afvalwater te worden toegevoegd. Er is alleen een risico bij de glastuinbouw, omdat hier gewassen in een steriele omgeving groeien. Kleine aantallen toegevoegde ziekteverwekkers kunnen dan meer schade veroorzaken in vergelijking met de steriele omgeving. Een aantal onzekerheden heeft geleid tot strenge criteria. Dit kan beperkend zijn voor gebruik van gezuiverd stedelijk afvalwater. Vervolgonderzoek naar deze onzekerheden kan zicht geven op hoe afvalwater beter kan worden benut, zonder afbreuk te doen aan veiligheid. In de volgende fase van dit onderzoek zal specifiek worden gekeken naar de invloed van chemische stoffen en ziekteverwekkers op drinkwaterbronnen. Ook is er aandacht voor omwonenden die waterdeeltjes kunnen inademen die bij het sproeien vrijkomen. Dit zal in 2025 gereed zijn. Het RIVM heeft de criteria en risico’s in samenwerking met Wageningen Environmental Research ( WUR Wageningen University &Research (Wageningen University &Research) ) en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit ( NVWA Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit) ) bepaald.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Bruikbaarheid van REACH-informatie over risico’s van huidblootstelling in het uitgebreide veiligheidsinformatieblad | RIVM

Werknemers kunnen ziek worden als zij via de huid in contact komen met gevaarlijke stoffen. Werkgevers zijn daarom wettelijk verplicht maatregelen te nemen zodat dit zo min mogelijk gebeurt. Ze moeten ook met een rekenmodel beoordelen of de huidblootstelling bij deze maatregelen minimaal en in elk geval veilig is. Binnen de Europese stoffenwetgeving REACH Registration, Evaluation, Authorisation and restriction of Chemicals (Registration, Evaluation, Authorisation and restriction of Chemicals ) zijn leveranciers van stoffen verplicht om bedrijven een zogeheten veiligheidsinformatieblad (VIB) te sturen. Hierin staat onder andere hoe werkgevers huidcontact van hun werknemers met stoffen kunnen voorkomen. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ( SZW Sociale zaken en werkgelegenheid (Sociale zaken en werkgelegenheid) ) wil weten hoe werkgevers deze informatie beter kunnen gebruiken. Het RIVM heeft daarom op een rij gezet welke informatie in het VIB hoort te staan en welke informatie er in de praktijk in staat. Het blijkt dat in de praktijk niet alle informatie in het VIB is opgenomen die nodig is om huidblootstelling te beoordelen en werknemers tegen huidcontact te beschermen. Met de informatie die er wel in staat, is het niet altijd mogelijk om te bepalen of een situatie op de werkplek veilig is. Dit komt onder andere doordat de REACH-voorschriften niet precies aangeven welke informatie in het VIB moet staan. Ook staat de voorgeschreven informatie er niet altijd in. Verder is het met de beschikbare rekenmodellen niet altijd mogelijk om huidblootstelling te beoordelen in specifieke werksituaties. Het RIVM adviseert het ministerie van SZW ervoor te zorgen dat de verantwoordelijke partijen de informatie over risico’s van huidblootstelling in het VIB verbeteren. Zo moeten de REACH-voorschriften duidelijker aangeven hoe gedetailleerd de informatie in het VIB hoort te staan. Ook moeten leveranciers de voorgeschreven informatie in het VIB zetten. Ten slotte zou het helpen als de rekenmodellen voor huidblootstelling verder worden ontwikkeld.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Wetgeving en praktijk: Mogelijkheden om arbeidsveiligheid in de bouwketen te verbeteren | RIVM

De bouwsector staat al jaren in de top drie van sectoren waar relatief veel (ernstige) ongevallen gebeuren. Het RIVM heeft mensen uit de praktijk, zoals opdrachtgevers en coördinatoren uitvoeringsfase, gevraagd wat nodig is om de arbeidsveiligheid in de bouwketen te verbeteren. Deze mensen geven knelpunten aan en mogelijkheden om arbeidsveiligheid te verbeteren. In deze sector wordt vaak in ketens gewerkt: verschillende partijen, zoals de hoofdaannemer en verschillende onderaannemers, werken tegelijk of na elkaar aan één bouwproject. Deze manier van werken kan voor extra gevaarlijke situaties zorgen, doordat verschillende werkzaamheden tegelijkertijd plaatsvinden. In een Europese richtlijn zijn regels gemaakt voor veilig en gezond werken op bouwplaatsen. Deze regels zijn naar Nederlandse wetgeving vertaald. Opdrachtgevers en aannemers in de bouw moeten deze wetgeving naleven. Opdrachtgevers moeten bijvoorbeeld bij grote bouwwerken een veiligheids- en gezondheidsplan (V&G-plan) maken. Volgens de geïnterviewden wordt werken niet automatisch veiliger en gezonder door alleen aan de wettelijke verplichting te voldoen. Om dit te verbeteren, vinden zij onder andere samenwerking en communicatie tussen alle lagen belangrijk. Verder vinden zij het belangrijk dat rollen, taken en verantwoordelijkheden in de praktijk duidelijk worden besproken en dat daarover afspraken worden gemaakt. Bijvoorbeeld over de rol van de coördinatoren voor de ontwerp- en uitvoeringsfase. Als de coördinator een dubbelrol heeft, bijvoorbeeld als hoofduitvoerder van een project, kan dat voor tegengestelde belangen zorgen, zoals veiligheid versus financiën. De coördinator ontwerpfase moet ook genoeg kennis hebben van de wetgeving. Tot slot blijkt dat opdrachtgevers de ‘vergewisplicht’ verschillend invullen. Dat komt onder andere doordat voor hen niet voldoende duidelijk is wat deze plicht inhoudt. Vanuit hun positie ‘vooraan’ in de keten is het wenselijk dat opdrachtgevers meer initiatief nemen rondom het V&G-plan en de vergewisplicht.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

De uitloging van PFAS uit grond en bagger verwerken in bodemnormen. Mogelijkheden verkend | RIVM

Wanneer grond en bagger op de bodem worden aangebracht, kunnen hieruit stoffen vrijkomen die na jaren in het grondwater terechtkomen. Dit heet: uitloging. De kans dat stoffen uitlogen en zo het grondwater vervuilen is niet voor alle stoffen even groot. Dit hangt vooral af van de concentraties en de mate waarin stoffen kunnen binden aan de bodemdeeltjes. De kans dat stoffen uitlogen in grond- en oppervlaktewater is nu niet in de normen voor grond en bagger verwerkt. Het RIVM heeft verkend of het mogelijk is om dit voor PFAS Per- en polyfluoralkylstoffen (Per- en polyfluoralkylstoffen ) wel te doen. De aanleiding is dat er steeds meer bekend wordt over PFAS in de bodem en hoe ze zich daar ‘gedragen’. Er bestaan heel veel verschillende PFAS. Een deel van de stoffen uit de groep PFAS kunnen vanuit de bodem vrij snel het grondwater bereiken. Dit kan gevolgen hebben voor de bereiding van drinkwater uit grondwater. Het RIVM heeft met modelberekeningen voorspeld hoe PFAS uitlogen uit grond en bagger. Dit is gedaan voor twee typen die bijna overal in Nederlandse bodem en bagger zitten: PFOS perfluoroctaansulfonaten (perfluoroctaansulfonaten) en PFOA perfluoroctaanzuur (perfluoroctaanzuur ) . Voor deze twee stoffen is een begin gemaakt om de concentraties (risicogrenzen) te berekenen die in bodem of bagger mogen voorkomen zonder de normen in grond- of oppervlaktewater te overschrijden. Dit is nadrukkelijk een eerste stap in deze berekeningen. Modelberekeningen over de kans dat stoffen uitlogen, versimpelen namelijk altijd de werkelijkheid. Dat komt omdat uitloging een ingewikkeld proces is dat van veel factoren afhangt. Ook weten we dat PFAS zich in de bodem anders gedragen dan veel andere stoffen. De keuzes die voor deze verkenning zijn gemaakt zijn daarom meestal voorzichtig. Om hier verder mee te komen zijn nog belangrijke keuzes nodig. Daarbij valt te denken aan het aantal te hanteren varianten en de risicogrenzen in grond- en oppervlaktewater die gehanteerd worden. Pas dan zijn de berekende waarden geschikt om beleid voor hergebruik van grond en bagger te onderbouwen. Het RIVM geeft daarom ook aanbevelingen om de modellering te verbeteren. Het ministerie is voornemens om het huidige normenkader voor bodem op termijn te herijken. Hierbij wordt onder andere ook gewerkt aan een evaluatie van de uitloognormering voor bouwstoffen. Voor de invulling van de hiervoor genoemde nog te maken keuzes kan waar mogelijk aansluiting gezocht worden bij de bredere herijking van het normenkader. Deze verkenning is in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) ) gemaakt.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Evaluatie normeringskader (her)gebruik secundaire bouwstoffen | RIVM

Steeds vaker worden ‘secundaire bouwstoffen’ opnieuw gebruikt. Dit is een belangrijk onderdeel van de circulaire economie die de overheid in 2050 wil bereiken. Het RIVM heeft de normen voor het gebruik van deze bouwstoffen geëvalueerd en verkend welke knelpunten er in de praktijk zijn. Het doet vier aanbevelingen voor vervolgonderzoek. Secondaire bouwstoffen zijn materialen die overblijven na productieprocessen. Denk aan staalslakken bij de productie van staal en beton bij de sloop van oude gebouwen. Er bestaan normen om deze bouwstoffen veilig te kunnen (her)gebruiken, maar deze zijn sinds 2007 niet meer veranderd. Ondertussen zijn er wel nieuwe soorten bouwstoffen ontstaan. Ook worden bouwstoffen op een andere manier gebruikt dan waarvoor de normen toen zijn bepaald. Hierdoor ontstond de vraag of de bestaande normen nog geschikt zijn. Deze vraag is onderdeel van de herijking van de bodemregelgeving waar het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) ) mee bezig is. De normen blijken nu niet genoeg rekening te houden met de bijzondere eigenschappen die sommige soorten bouwstoffen kunnen hebben. Ze worden nu te algemeen beoordeeld. Ook worden bouwstoffen in dikkere lagen en grotere hoeveelheden gebruikt dan was bedacht. Hierdoor kunnen bouwstoffen bij de toetsing wel aan de normen voldoen, maar in de praktijk toch ongewenste milieueffecten veroorzaken. De vier aanbevelingen voor vervolgonderzoek zijn: 1. Houd rekening met het effect van de zuurgraad van bouwstoffen. Sommige bouwstoffen hebben kort nadat ze zijn gemaakt een lage zuurgraad (of hoge pH). Na een tijd kan de zuurgraad door natuurlijke processen toenemen (de pH zakt), waardoor sommige metalen in grotere hoeveelheden uit bouwstoffen kunnen vrijkomen. 2. Ontwikkel een methode om nieuwe stoffen in bouwstoffen op tijd op te merken. 3. Breng opnieuw in kaart welke (nieuwe) stoffen in secondaire bouwstoffen kunnen zitten en bepaal hiervoor normen. 4. Ontwikkel een methode om te beoordelen of bouwstoffen meerdere keren veilig kunnen worden (her)gebruikt. Op basis van de resultaten van deze studie en de vervolgstudies kan de beoordeling van het (her)gebruik bouwstoffen worden verbeterd. Op termijn kan de normstelling hierop worden aangepast.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Gevoeligheidsanalyse parameters voor kritische emissiewaarden bij uitloging uit bouwstoffen | RIVM

Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) ) wil de bodemregelgeving actualiseren. Als onderdeel hiervan heeft het RIVM het normenkader voor het hergebruik van grond en secundaire bouwstoffen onderzocht. Ook is onderzocht welke informatie en keuzes van invloed zijn op de uitkomsten van het model dat gebruikt wordt om de wetenschappelijke grenswaarden (de emissiewaarde) voor bouwstoffen te bepalen. In deze kennisnotitie worden de resultaten daarvan gegeven.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Knelpuntenanalyse hergebruik grond en bagger | RIVM

Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) ) gaat de komende jaren de regelgeving voor de bodem aanpassen om deze geschikt te maken voor de toekomst. De regelgeving moet weer aansluiten bij de laatste wetenschappelijke inzichten. Daarnaast vinden gebruikers haar nu ingewikkeld. Ook zijn burgers bezorgd of het hergebruik van grond en bagger veilig is voor mens en milieu. De update geldt voor het hergebruik van grond en bagger op de bodem, in diepe plassen, onder wegen enzovoort. Het RIVM heeft daarom knelpunten in de regelgeving voor het hergebruik van grond en bagger geanalyseerd. Zo kan het gebruik van thermisch gereinigde grond aan de normen voldoen, maar toch impact hebben op het milieu. Bijvoorbeeld omdat er zouten vrijkomen waar geen normen voor bestaan. Verder kan grond materialen bevatten waarvoor geen normen bestaan, zoals plasticdeeltjes. Het RIVM reikt ook mogelijkheden voor oplossingen aan. Op basis van dit overzicht kan IenW kiezen welke knelpunten als eerste kunnen worden aangepakt binnen de huidige wettelijke regels en normen. Voor ingewikkelde knelpunten is meer onderzoek nodig. Ook kost het meer tijd om ze op te lossen als er aanpassingen in de wetgeving voor nodig zijn. Het RIVM heeft voor het onderzoek de normering van grond en bagger en de regels voor het gebruik beoordeeld. Normen en regels zijn nu vooral op chemische vervuilingen gericht. Volgens het RIVM is het ook belangrijk dat planten en dieren goed in het bodem- en watersysteem kunnen functioneren, (grond)water wordt beschermd en de biodiversiteit herstelt. Verder moeten problemen met nieuwe verontreinigingen zoals PFAS Per- en polyfluoralkylstoffen (Per- en polyfluoralkylstoffen ) en gewasbeschermingsmaatregelen onder controle worden gehouden. Dat kan onder andere door daar normen en regels voor op te stellen.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Potential emissions of chromium(VI) during processing of steel scrap with paint containing chromium(VI). An exploratory study | RIVM

Staalfabrieken maken staal van ruwijzer en staalschroot. Staalschroot kan vervuilingen bevatten, zoals roestwerende grondverven met chroom-6. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) ) heeft het RIVM gevraagd in te schatten hoeveel chroom-6 staalfabrieken naar de lucht uitstoten wanneer deze verf op het schroot zit. Dit is vergeleken met de hoeveelheid bij schroot zonder deze verf. Sinds 2017 mag er geen chroom6 meer in verf zitten, omdat deze stof schadelijk is voor de gezondheid. De hoeveelheid chroom-6 in het staalschroot dat is behandeld met grondverf met chroom-6, verschilt sterk. Volgens schattingen van het RIVM zit er gemiddeld 0,03 procent chroom-6 in dat staalschroot. Het is niet bekend hoeveel staalschroot er in Nederland is waar verf met chroom-6 op zit. Dat maakt onze schatting daarvan (rond de 1 procent van de totale hoeveelheid verwerkte schroot) onzeker. Hoeveel chroom-6 wordt uitgestoten hangt sterk af van waar het chroom-6 van verf in staalschroot tijdens de productie van staal terechtkomt. Wanneer dat in het ruwijzer en het gesmolten staalschroot blijft, zal het grootste deel in het staal of de staalslakken eindigen. Daarnaast kan het ook vooral met stofdeeltjes vrijkomen wanneer in de staaloven het ruwijzer over het schroot wordt gegoten. Een deel daarvan wordt afgevangen, de rest komt in de binnenlucht van de productiehal en de buitenlucht terecht. Het RIVM heeft daarom in verschillende scenario’s uitgewerkt hoe deze verhoudingen liggen en wat de gevolgen daarvan zijn voor de uitstoot. In het scenario van het gesmolten staalschroot is de uitstoot van chroom-6 tot enkele tientallen procenten groter dan bij schroot zonder verf met chroom-6. Wanneer het vrijkomt met stofdeeltjes bij het overgieten, kan de uitstoot veel groter zijn dan bij schroot zonder deze verf. Chroom-6 komt niet alleen via verf in de uitstoot terecht. Chroom zit ook als metaal in het staalschroot en in de grondstoffen voor staalproductie (zit in ijzererts). Tijdens het productieproces kan dat voor een deel worden omgezet in chroom-6 en in de uitstoot komen. Vanwege de schadelijke eigenschappen van chroom-6 beveelt het RIVM aan te meten hoeveel ervan in het stof in de binnenlucht van staalfabrieken zit en naar buiten wordt uitgestoten. Ook beveelt het RIVM aan om uit te zoeken hoeveel staalschroot met chroom-6 in Nederland beschikbaar komt voor recycling en waar dat wordt verwerkt. Veel Nederlands staalschroot wordt namelijk verkocht aan het buitenland.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Productgroep analyse kunststof verpakkingen en drankenkartons | RIVM

Er wordt steeds meer plastic gemaakt, het meeste wordt gebruikt voor verpakkingen. De productie en het gebruik van plastic verpakkingen dragen bij aan klimaatverandering, vervuiling (zwerfafval en microplastics) en minder biodiversiteit. De Nederlandse overheid wil daarom dat er in 2050 geen nieuwe plastic verpakkingen van nieuw gewonnen olie (primaire fossiele grondstoffen) worden gemaakt. Dat betekent dat alle plastic verpakkingen in 2050 alleen nog maar zijn gemaakt van gerecycled materiaal en ‘hernieuwbare bronnen’, zoals mais en suikerriet. Het doel voor 2050 kan niet worden gehaald met de manier waarop plastic verpakkingen nu worden gemaakt en met het huidige beleid. Op dit moment is maar 7 procent van de plastic verpakkingen gemaakt van gerecycled materiaal. Dit concludeert het RIVM in onderzoek dat het met de Universiteit Utrecht ( UU Universiteit Utrecht (Universiteit Utrecht) ), Rijkswaterstaat en TNO heeft gedaan. Om het doel voor 2050 te halen moet de manier waarop plastic wordt gemaakt, gebruikt en verwerkt (van ontwerp tot recyclen), worden verbeterd. Beleid en maatregelen zijn nu vooral op recycling gericht, dus op het hergebruik van afval. Extra beleid is nodig om de verpakkingsketen helemaal circulair te maken. Bijvoorbeeld beleid dat er voor zorgt dat er minder plastic verpakkingen worden gebruikt en verpakkingen opnieuw gebruikt worden. Hiermee is veel winst te halen op weg naar een circulaire verpakkingsketen. Een visie vanuit de rijksoverheid op alle onderdelen van de verpakkingsketen kan helpen de overgang naar een circulaire economie te versnellen en concreet uit te voeren. Dit geeft bedrijven duidelijkheid over noodzakelijke innovaties en mogelijke markten/verdienmodellen in de toekomst. Ook buiten de keten van verpakkingen is beleid nodig. Het is daarbij belangrijk om het gebruik van verpakkingen te bekijken als onderdeel van de manier waarop de maatschappij is georganiseerd. Het gebruik van verpakkingen hangt bijvoorbeeld samen met het landbouwsysteem in Nederland: voor lokale en seizoensgebonden producten zijn minder verpakkingen nodig. Voor voedsel dat on the go wordt verkocht, is juist veel verpakkingsmateriaal nodig met hoge veiligheidseisen. Dit onderzoek gaat over mogelijkheden om de verpakkingsketen in 2050 circulair te krijgen. Het is een onderdeel van onderzoek van het Planbureau voor de Leefomgeving ( PBL Planbureau voor de Leefomgeving (Planbureau voor de Leefomgeving) ) naar de circulaire economie.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Actualisatie rekenmethode omgevingsveiligheid windturbines | RIVM

Ongelukken met windturbines kunnen gevaarlijk zijn voor mensen in de omgeving. Bijvoorbeeld wanneer een windturbine omvalt of een blad afbreekt. De kans op een ongeval is klein. Uit voorzorg heeft Nederland beleid gemaakt om de risico’s hiervan te beperken. De risico’s voor de omgeving worden met een rekenmethode ingeschat. Het RIVM heeft de rekenmethode opnieuw bekeken en aangepast, waardoor deze weer beter past bij de windturbines die nu worden geplaatst. Hiermee is Nederland voorbereid op de toekomst. Dat is extra belangrijk, omdat er vanwege de energietransitie steeds meer windturbines nodig zijn. De aanpassingen zijn nodig omdat de oude rekenmethode niet meer goed aansloot bij de technische ontwikkelingen van de nieuwste windturbines. Ze zijn bijvoorbeeld groter geworden en hebben meer beveiligingssystemen om ongevallen te voorkomen. Hierdoor is de kans op een ongeval kleiner geworden, maar kunnen de gevolgen soms groter zijn. Bijvoorbeeld omdat een afgebroken blad nu groter is. Het RIVM adviseert het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat de aangepaste rekenmethode te gebruiken in het beleid voor veilige plaatsing van windturbines en omgevingsveiligheid. De rekenmethode is relevant voor mensen die werken aan plannen voor de ruimtelijke ordening, zoals nieuwe woonwijken. Voor dit onderzoek heeft het RIVM informatie verzameld en geanalyseerd over windturbines en welke ongevallen er zijn gebeurd. Op basis daarvan zijn kansen op een ongeval en de effecten daarvan bepaald.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Signalen waterstoftransitie | RIVM

Waterstof is een van de cruciale energiedragers voor het energiesysteem van de toekomst. Daarom zijn keuzes nodig over productie, import, opslag, vervoer en gebruik van waterstof en waterstofdragers. Deze keuzes hebben invloed op de risico’s van de veiligheid en gezondheid van de waterstofketen. Het RIVM heeft op basis van inzichten uit eerdere projecten aandachtspunten voor veiligheid en gezondheid samengevat.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Warmte, pluimstijging en depositie bij brand. Advies voor de uitbreiding van Pluimradar | RIVM

Bij grote branden komen schadelijke stoffen vrij die in de omgeving kunnen terechtkomen. Deze stoffen kunnen schadelijk zijn voor de gezondheid, bijvoorbeeld als iemand er veel van inademt. Ook kunnen ze op de bodem en oppervlakken terechtkomen waarna mensen ermee in contact kunnen komen. De brandweer meet daarom op verschillende plaatsen in de omgeving van het ongeval de concentraties van schadelijke stoffen. De Milieuongevallen Dienst ( MOD Milieuongevallen Dienst (Milieuongevallen Dienst ) ) van het RIVM kan hierbij helpen. Het is belangrijk de metingen op de juiste plaats te doen. Met Pluimradar, een online tool, kan snel worden berekend waar concentraties schadelijke stoffen in de lucht relatief hoog zijn. De tool berekent ook waar relatief veel gevaarlijke stoffen op de bodem terechtkomen. Deze informatie is nodig om omwonenden en hulpverleners goed te kunnen adviseren bij een brand. Het RIVM stelt voor Pluimradar uit te breiden met een berekening van de ‘pluimstijging’. Rook stijgt namelijk op door de warmte. Dat heeft invloed op de rookconcentraties in de omgeving en op de hoeveelheid stoffen die neerdalen op de bodem. Bij een brand in een gebouw is een extra berekening nodig omdat niet alle rook opstijgt. Dit komt omdat een deel van de rook rond het gebouw blijft hangen en afkoelt. Het RIVM heeft uitgezocht hoe dat verschijnsel in de tool kan worden meegenomen. De gebruiker van Pluimradar moet nu bij branden nog zelf opgeven hoe hoog de rookpluim komt. Vanaf de grond is dat lastig in te schatten. Door de uitbreiding van Pluimradar hoeft de gebruiker dit niet meer te doen. De tool wordt op dit moment aangepast naar een nieuwe versie en wordt daarna beschikbaar gesteld. De MOD en Adviseurs Gevaarlijke Stoffen ( AGS Adviseur Gevaarlijke Stoffen (Adviseur Gevaarlijke Stoffen ) ’en) van de brandweer gebruiken de tool Pluimradar. Het RIVM heeft Pluimradar ongeveer 10 jaar geleden samen met het KNMI Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut) ontwikkeld.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Energy and nutrient intake in the Netherlands. Results of the Dutch National Food Consumption Survey 2019-2021 | RIVM

De Nationale Voedselconsumptiepeiling 2019-2021 ( VCP Voedselconsumptiepeiling (Voedselconsumptiepeiling) ) geeft inzicht in wat, waar en wanneer Nederlanders eten en drinken. Dit rapport gaat in op de hoeveelheid energie en voedingsstoffen die mensen binnenkrijgen. De resultaten van ruim 3500 kinderen en volwassenen zijn vergeleken met de eerdere peilingen in 2007-2010 en 2012-2016. Hierbij is onderscheid gemaakt naar verschillende leeftijdsgroepen en geslacht. Het blijkt dat inwoners van Nederland de laatste jaren gemiddeld minder suiker en zout en meer vezels binnenkrijgen dan bij de vorige peiling in 2012-2016. Wel krijgen mensen nog te veel zout en te weinig vezel binnen. Ook drinken mensen, vooral mannen, minder alcohol. De gevonden ontwikkelingen zijn gunstig voor de gezondheid. Aangezien minder suiker en meer vezel in eten en drinken kan helpen om overgewicht en chronische ziekten te voorkomen. Minder zout is belangrijk voor een goede bloeddruk. Daarnaast krijgen alle leeftijdsgroepen meer vitamine D binnen. Ouderen in de leeftijd van 70-79 jaar krijgen nog steeds vaak te weinig van deze vitamine binnen. Voor hen is het belangrijk om het advies om vitamine D-supplementen te slikken, beter op te volgen. Genoeg vitamine D in combinatie met voldoende calcium maakt de kans op botbreuken kleiner. Er zijn nog andere voedingsstoffen die mensen nog veel of weinig binnenkrijgen in vergelijking met de voedingsnormen. Zo krijgen sommige bevolkingsgroepen weinig vitamines A, B2, B6, B11, C, calcium en ijzer binnen. Dit verschilt per leeftijdsgroep en geslacht. Als mensen weinig van zo’n voedingstof binnenkrijgen, hoeft dat niet meteen zorgelijk te zijn. Verder onderzoek, bijvoorbeeld naar hoeveel voedingsstoffen in het lichaam zitten en gezondheidsklachten, is wenselijk om hier meer inzicht in te krijgen en zo nodig maatregelen te kunnen nemen. Dit geldt ook voor vitamines en mineralen waar mensen veel van binnenkrijgen, zoals magnesium. Met gegevens van de VCP kunnen beleidsmakers en professionals werken aan een gezond en duurzaam voedingspatroon, productinnovatie, voorlichting en onderzoek. De resultaten zijn ook gepubliceerd op www.wateetnederland.nl .
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Gezondheidseffecten van interventies voor actieve mobiliteit: een verkennend literatuuronderzoek | RIVM

Er bestaat geen twijfel over het positieve effect van lopen en fietsen als vervoerswijze (actieve mobiliteit) op de gezondheid. Mede daarom nemen overheden, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties maatregelen en initiatieven die actieve mobiliteit stimuleren. Denk aan de aanleg van fietspaden en scholieren onder begeleiding laten fietsen. In verschillende internationale wetenschappelijke onderzoeken is het effect van dit soort maatregelen op de gezondheid geëvalueerd. Ook zijn er verschillende literatuurstudies (reviews) verschenen die de resultaten daarvan hebben samengevat. Het gaat om evaluatieonderzoeken van maatregelen voor scholieren, werknemers en de hele bevolking. Het RIVM heeft de resultaten van deze literatuurstudies beschreven. De maatregelen voor werknemers laten vaak positieve gezondheidseffecten zien, zoals lichamelijke fitheid. Er is niet veel evaluatieonderzoek gedaan naar deze effecten bij werknemers, maar de kwaliteit van deze onderzoeken is wel vaak goed. In de evaluatieonderzoeken is niet goed terug te zien welke gezondheidseffecten de maatregelen voor actieve mobiliteit hebben op scholieren en de hele bevolking. Een deel van de onderzoeken laat een positief effect op de gezondheid zien, maar niet alle onderzoeken. Volgens de literatuurstudies kan nog geen duidelijke conclusie worden getrokken over de effecten op de gezondheid. De opzet van de onderzoeken verschilt vaak veel waardoor de resultaten moeilijk met elkaar te vergelijken zijn. Ook is de kwaliteit van de onderzoeken niet altijd goed. De meeste voldoen niet aan de belangrijkste kwaliteitsnormen. Wel is duidelijk dat de maatregelen stimuleren dat mensen meer gaan bewegen. Bij alle doelgroepen richten de onderzoeken zich vaak op effecten als gewicht, bloeddruk en lichamelijke fitheid. Er is weinig evaluatieonderzoek gedaan naar andere effecten op de gezondheid van de maatregelen, zoals ziekteverzuim en arbeidsproductiviteit en effecten op de lange termijn, zoals hart- en vaatziekten. Onderzoek van goede kwaliteit is nodig om de kennis die nu nog ontbreekt, te krijgen. Ook is meer onderzoek nodig naar maatregelen die in Nederland effectief zouden kunnen zijn.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Support for the "Vancouver call for action to strengthen expertise in radiological protection worldwide": the position of organisations in formal relations with the International Commission on Radiological Protection (ICRP) | RIVM

Support for the "Vancouver call for action to strengthen expertise in radiological protection worldwide": the position of organisations in formal relations with the International Commission on Radiological Protection (ICRP) | RIVM
Jaar: 2024 Onderzoek

Surveillance van enterale, vector-overdraagbare en zoönotische infecties. Jaarrapportage 2023 | RIVM

Infecties aan maag en darmen, zogeheten enterale infecties, worden veroorzaakt door verschillende bacteriën, parasieten of virussen. Meestal krijgen mensen daarvan maag-darmklachten, zoals overgeven, buikpijn en/of (bloederige) diarree. In sommige gevallen kunnen de klachten ernstig zijn, zoals hepatitis, bloedvergiftiging of hersenvliesontsteking. Mensen raken meestal besmet via voedsel of water dat in contact is gekomen met ontlasting van mensen of dieren. Als de ziekteverwekker via dieren wordt overgedragen, spreken we van zoönosen. Goede hygiëne in toiletten en keukens en bij de bereiding van vlees is heel belangrijk om een besmetting te voorkomen. In 2022 was het aantal mensen met maag-darminfecties veel lager door de coronapandemie, in 2023 was dat effect bijna niet meer te zien. Het aantal infecties was vergelijkbaar met de jaren voor de pandemie. Wel viel in 2023 het hoge aantal infecties op met Shigella, Shiga toxine-producerende E. coli Escherichia coli (Escherichia coli) ( STEC Shigatoxineproducerende E. coli-stammen (Shigatoxineproducerende E. coli-stammen) ), norovirus en Cryptosporidium. De stijging van shigellose is vooral te zien onder mannen die seks hebben met mannen ( MSM mannen die seks hebben met mannen (mannen die seks hebben met mannen) ). Voor de andere ziekteverwekkers is geen duidelijke oorzaak bekend. In 2023 is bij verschillende uitbraken onderzocht welke bron de oorzaak was: een uitbraak door de Campylobacter-bacterie, vier uitbraken door de Salmonella-bacterie en één door de STEC-bacterie. Alleen van twee salmonellose-uitbraken is de bron gevonden. Dat waren eieren van leghenbedrijven die besmet waren via besmet voer; en droge worst die niet genoeg was gerijpt. Ook geleedpotigen, zoals muggen en teken, kunnen bacteriën, parasieten en virussen bij zich dragen waar mensen ziek van worden. Hersen(vlies)infecties door het tekenencefalitisvirus zijn in 2023 in drie nieuwe gebieden in Nederland vastgesteld. Tot slot liepen dat jaar een recordaantal reizigers een dengue (knokkelkoorts) infectie op. Deze toename is in de hele wereld te zien. Het RIVM houdt bij hoe vaak dit soort infecties in Nederland voorkomen en brengt uitbraken in kaart. Bij een uitbraak zijn twee of meer mensen besmet door dezelfde bron. Het RIVM probeert dan de bron op te sporen. Bij enterale en voedselgerelateerde infecties werkt het RIVM samen met partners als de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit ( NVWA Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit) ) en Wageningen Food Safety Research ( WFSR Wageningen Food Safety Research (Wageningen Food Safety Research ) ).
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Signalen leefomgeving en omgevingsveiligheid 2024 | RIVM

Het RIVM verzamelt doorlopend gegevens om risico's voor een gezonde, schone en veilige leefomgeving vroegtijdig te signaleren. We doen dit voor het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) en andere departementen. De veelheid en diversiteit aan signalen maken het niet eenvoudig om hier rode draden uit te halen. Met deze rapportage geeft het RIVM een samenhangend beeld van de aandachtspunten voor de leefomgeving en omgevingsveiligheid voor IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) . Dit kan helpen om mogelijke risico’s voor mens en milieu proactief te voorkomen of te verminderen. Dit overzicht is gebaseerd op bestaande signaleringsnetwerken, rapportages en lopende onderzoeken en biedt bouwstenen voor de onderzoeksprogrammering voor de komende jaren. Het wordt gebruikt in de bestaande gesprekscyclus met het ministerie
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

De risico's van PFAS (inclusief F-gassen) emissies - samenvatting van de onderbouwing van het REACH restrictievoorstel | RIVM

Veel per- en polyfluoralkylstoffen ( PFAS Per- en polyfluoralkylstoffen (Per- en polyfluoralkylstoffen ) ) zijn schadelijk voor mens en milieu en kunnen door de industrie worden uitgestoten. Vijf Europese landen, waaronder Nederland, hebben in 2023 een voorstel ingediend om Europees de productie, handel en het gebruik van deze stoffen zoveel mogelijk te beperken. Dit heet het PFAS restrictiedossier voor de Europese stoffenwetgeving REACH Registration, Evaluation, Authorisation and restriction of Chemicals (Registration, Evaluation, Authorisation and restriction of Chemicals ) . Hiervoor is onder andere een technisch wetenschappelijke beoordeling gemaakt van de risico’s van deze stoffen voor mens en milieu. De risicobeoordeling is in het Engels geschreven. Het RIVM heeft daar nu een Nederlandse samenvatting van gemaakt. Dit is gedaan om de verzamelde kennis in het restrictiedossier beter toegankelijk te maken, bijvoorbeeld voor vergunningverlening. Het voorstel richt zich op de hele groep van PFAS om te voorkomen dat de ene PFAS door een andere wordt vervangen. Onder deze groep vallen ook een aantal gefluoreerde gassen die bijdragen aan klimaatverandering: F-gassen. Dit document vat onder andere de gevaarlijke eigenschappen van PFAS samen, evenals de schadelijke effecten als mens en milieu blootstaan aan deze stoffen. Een belangrijke eigenschap van PFAS is dat ze niet of nauwelijks afbreken in mens en milieu (persistent). Verder kunnen de stoffen schadelijk zijn voor de gezondheid van de mens: ze kunnen onder andere invloed hebben op de hormoonhuishouding, het immuunsysteem en op verschillende organen, zoals de lever. Het restrictievoorstel geeft ook genoeg wetenschappelijke informatie om de PFAS als één groep te beschouwen. Dat betekent dat niet voor elke PFAS een aparte risicobeoordeling nodig is. De wetenschappelijke informatie in het voorstel maakt volgens de vijf landen het belang duidelijk om ervoor te zorgen dat de blootstelling aan PFAS niet groter wordt. Want met elke uitstoot groeit de hoeveelheid PFAS in het milieu, wat uiteindelijk zorgt voor onomkeerbare schade voor mens en milieu.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Risk assessment of herbal preparations containing seed extracts of Mucuna pruriens | RIVM

In Nederland worden kruidenpreparaten (voedingssupplementen) met extract van zaden van Mucuna pruriens verkocht. Deze kruidenpreparaten zijn vooral online verkrijgbaar. Volgens fabrikanten kan Mucuna pruriens het immuunsysteem ondersteunen en ervoor zorgen dat mensen meer energie hebben. Het RIVM onderzocht of kruidenpreparaten met extract van zaden van Mucuna pruriens schadelijk zijn voor de gezondheid. Er is over M. pruriens heel weinig openbare wetenschappelijke informatie beschikbaar. Daarom is het niet mogelijk te bepalen wat een veilige dosis van dit extract is. Wel zijn er aanwijzingen dat het extract negatieve effecten heeft op de lever, nieren en de ontwikkeling van het ongeboren kind. Daarom adviseert het RIVM uit voorzorg om deze kruidenpreparaten niet te gebruiken tijdens de zwangerschap en borstvoeding, of bij lever- of nierproblemen. In andere gevallen is het advies er voorzichtig mee te zijn. Het RIVM adviseert daarbij goed in de gaten te houden of er bijwerkingen optreden en met het product te stoppen als dat gebeurt. Áls mensen ervoor kiezen kruidenpreparaten met Mucuna pruriens te gebruiken, moeten ze de aanwijzingen op de verpakking volgen. En het gebruik met hun arts of apotheker bespreken wanneer ze medicijnen slikken. Ook is bekend dat een van de stoffen in Mucuna pruriens (levodopa) de werkzame stof is in medicijnen voor de behandeling van de ziekte van Parkinson. De hoeveelheid levodopa die iemand via deze kruidenpreparaten binnenkrijgt is vergelijkbaar met of hoger dan de hoeveelheid voor mensen met Parkinson die het medicijn beginnen te slikken. De bijwerkingen bij dit medicijn, zoals maagdarmklachten, ongewilde bewegingen (dyskinesie) en psychische klachten, kunnen ook optreden bij gebruikers van het kruidenpreparaat.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Essure®-sterilisatieveertjes. Een literatuuronderzoek | RIVM

Essure® is een implantaat om vrouwen te steriliseren. Kleine metalen veertjes worden in de eileiders gezet, waardoor ze dichtgroeien. Sommige vrouwen met Essure® melden gezondheidsklachten. Bijvoorbeeld pijn, vermoeidheid, hevige bloedingen en geheugenverlies. Soms zijn de klachten zo ernstig dat de gynaecoloog het implantaat verwijdert. In Nederland hebben sinds 2002 naar schatting 30.000 vrouwen dit implantaat gekregen. Sinds juli 2017 wordt Essure® niet meer in Nederland verkocht. Het RIVM onderzocht of metalen die uit Essure® kunnen vrijkomen mogelijk schadelijk zijn voor de gezondheid. Gekeken is wat hierover in de wetenschappelijk literatuur bekend is en zijn experts en interne deskundigen bevraagd. Het is onwaarschijnlijk dat deze metalen schadelijk zijn voor de gezondheid, concludeert het RIVM. Veel implantaten, zoals heupimplantaten en stents, zijn net als Essure® gemaakt van metalen. Als metaal in het lichaam wordt gebracht, is het normaal dat daar metaaldeeltjes uitkomen. Doordat Essure® een klein implantaat is, gaat het om kleine hoeveelheden metalen. Verder blijkt dat er weinig wetenschappelijk onderzoek naar is gedaan. De literatuur die er is, wijst er niet op dat deze metalen schadelijke effecten voor de gezondheid kunnen hebben. Grotere studies met een goede studieopzet zijn nodig om een verband tussen metalen uit Essure® en deze gezondheidsklachten echt uit te sluiten. Het RIVM heeft ook gekeken naar de mogelijkheden om Essure® te verwijderen en of daarmee de klachten verminderen. De klachten blijken in dezelfde mate te verminderen bij de verschillende operatietechnieken om Essure® te verwijderen. Volgens experts is er daarom geen reden om de behandeling in Nederland aan te passen. In Nederland worden bij voorkeur beide eileiders met de Essure®-implantaten weggehaald. Dat is naar schatting bij ruim 4000 vrouwen in Nederland gedaan. Dit onderzoek is in opdracht van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd ( IGJ Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd) ) uitgevoerd.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Minerals Policy Monitoring Programme report 2019–2022. Methods and procedures | RIVM

Het RIVM beschrijft elke vier jaar de werkwijze van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid ( LMM Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid) ). De metingen van het LMM geven de Nederlandse overheid onder andere inzicht in de effecten van het mestbeleid op de bedrijfsvoering en de kwaliteit van water onder en op landbouwbedrijven. Het meetnet is daarmee belangrijk voor de evaluatie van het Nederlandse en Europese beleid over meststoffen (nitraat en fosfaat). Dit rapport gaat over de werkwijze tussen 2019 en 2022. Het LMM houdt ook bij wat de effecten van de zogeheten derogatie zijn op de waterkwaliteit, de bedrijfsvoering en de oogst. Derogatie houdt in dat Nederland, onder voorwaarden, meer stikstof met dierlijke mest op het land mag gebruiken dan volgens de Europese Nitraatrichtlijn is toegestaan. Landen met derogatie zijn verplicht om de effecten van een hogere hoeveelheid stikstof uit dierlijke mest elk jaar bij te houden. Het Derogatiemeetnet is een onderdeel van het LMM. De derogatieregeling wordt vanaf 2023 afgebouwd en stopt in 2026. Tussen 2019 en 2022 is de opzet van het LMM iets veranderd. De grootste aanpassing is dat enkele bedrijven die mee deden aan twee onderzoeksprogramma’s, niet meer worden gebruikt voor het Derogatiemeetnet. Verder analyseert een ander laboratorium sinds 2020 de kwaliteit van het water. Wageningen Economic Research en het RIVM verzamelen voor het meetnet informatie over de bedrijfsvoering en waterkwaliteit op landbouwbedrijven in Nederland. Wageningen Economic Research verzamelt financiële, economische en milieudata van ruim 600 landbouwbedrijven. Het RIVM meet de kwaliteit van het grondwater, bodemvocht, slootwater en/of drainagewater op ongeveer 450 van de bedrijven. Deze bedrijven zijn verdeeld over grondsoortregio’s (Zand, Klei, Veen en Löss) en bedrijfstypen (melkvee-, akkerbouw-, staldier- en overige bedrijven). Ze vertegenwoordigen ongeveer 85 procent van alle landbouwgrond in deze regio’s.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie in 2022 | RIVM

Sinds 2006 mogen bepaalde agrarische bedrijven in Nederland meer dierlijke mest op hun land gebruiken dan de Europese Nitraatrichtlijn voorschrijft. Zij moeten hiervoor een vergunning hebben en aan bepaalde voorwaarden voldoen, zoals minimaal 80 procent grasland hebben. Deze verruiming heet derogatie. Het RIVM en Wageningen Economic Research meten elk jaar de invloed van de waterkwaliteit bij driehonderd bedrijven die van derogatie gebruikmaken. Op de derogatiebedrijven daalde de concentratie nitraat in het grondwater tussen 2006 en 2017. In de jaren daarna steeg de concentratie, vooral in de Zandregio. Deze stijging komt waarschijnlijk door de droge jaren van 2018 tot en met 2020. Door droogte wordt er minder nitraat in de bodem afgebroken, waardoor de nitraatconcentratie in het grondwater stijgt. Sinds 2021 daalde de nitraatconcentratie weer in alle regio’s en deze daling zet door in 2022, waarschijnlijk door een aantal nattere jaren. In 2023 lag in de meeste regio's de gemiddelde concentratie nitraat in het bovenste grondwater op derogatiebedrijven onder de norm van 50 milligram per liter grondwater. Alleen in het zuiden en midden van de Zandregio was de concentratie nitraat gemiddeld genomen even hoog als de norm. In deze regio had 47 procent van de derogatiebedrijven een concentratie boven de norm. Door veranderingen in het mestbeleid en de bedrijfsvoering gebruiken boeren minder stikstof uit dierlijke mest. Het ‘stikstofbodemoverschot’ is daardoor gemiddeld gedaald, vooral tussen 2006 en 2017. Dit betekent dat er minder stikstof in de bodem overblijft dat als nitraat met regenwater kan wegzakken naar diepere lagen in de bodem, en uiteindelijk in het grondwater terechtkomt. Vanaf 2018 tot 2022 schommelde het stikstofbodemoverschot. In 2022 hebben derogatiebedrijven gemiddeld 228 kilogram stikstof uit dierlijke mest per hectare gebruikt. Dat is minder dan de 230 of 250 kilogram stikstof per hectare die, afhankelijk van de bodemsoort en regio, is toegestaan. De monitoring wordt uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ( LNV Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) ). In september 2022 heeft de Europese Commissie besloten de derogatie voor Nederland stapsgewijs af te bouwen. Vanaf 2026 zal Nederland geen derogatie meer hebben.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Gezondheidsvaardigheden in een pandemie. Uitdagingen en strategieën voor organisatie en beleid | RIVM

Tijdens de coronapandemie informeerde de Nederlandse overheid inwoners over maatregelen om de verspreiding van het virus tegen te gaan. Voorbeelden zijn een mondkapje dragen, je laten vaccineren, afstand houden en handen wassen. Deze informatie was voor iedereen hetzelfde (one size fits all) en werd aangeboden via informatiebronnen van de overheid. Denk aan persconferenties en de website van het RIVM. Om deze informatie te vinden, te begrijpen, te beoordelen en te gebruiken voor het nemen van beslissingen, hebben mensen zogeheten gezondheidsvaardigheden nodig. In Nederland heeft 25 tot 30 procent van de inwoners daar moeite mee. Het RIVM onderzocht daarom hoe overheidsbeleid en de communicatie erover beter kunnen worden afgestemd op gezondheidsvaardigheden. Ook is in kaart gebracht hoe deze vaardigheden kunnen worden verbeterd. Het is belangrijk dat beleidsmakers weten dat een one size fits all-beleid niet iedereen bereikt. Door meer in gesprek te gaan met inwoners kan beleid beter aansluiten bij veel verschillende doelgroepen. Ook is het belangrijk inwoners bij de ontwikkeling van de communicatie over beleid te betrekken omdat deze interactief, persoonlijk en respectvol moet zijn. Ook moet informatie via kanalen worden gegeven die mensen gebruiken en vertrouwen. Ook zonder pandemie is het belangrijk om met de opgebouwde netwerken en tussenpersonen te blijven samenwerken. Bijvoorbeeld over andere onderwerpen zoals leefstijl. Bij een nieuwe gezondheidscrisis kunnen deze contacten dan makkelijker worden ingezet. Om meer grip te krijgen op het leven tijdens een pandemie helpt het als mensen betere gezondheidsvaardigheden hebben. Een manier hiervoor is mensen te leren herkennen wat betrouwbare informatie is. Daardoor zullen zij beter weten wanneer ze te maken hebben met misinformatie. Om gezondheidsvaardigheden blijvend te verbeteren, zou dit een vast onderdeel moeten zijn in het (basis)onderwijs en op het werk. Dit onderzoek is gedaan om beter voorbereid te zijn op een eventuele volgende pandemie. Het RIVM heeft professionals geïnterviewd die het beleid voor de coronapandemie hebben helpen ontwikkelen en uitvoeren. In de literatuur is gezocht naar onderzoeken over gezondheidsvaardigheden, gedragsmaatregelen en misinformatie.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Gedragswetenschappelijke analyse van de persconferenties tijdens de coronapandemie | RIVM

Tijdens de coronacrisis waren persconferenties een belangrijk middel voor de overheid om het publiek te informeren. De overheid kondigde er maatregelen en adviezen over gedrag in aan, zoals afstand nemen, thuiswerken en de sluiting van de scholen. Ook legde ze daarin uit wanneer maatregelen werden afgeschaft. Het RIVM heeft een overzicht gemaakt welke technieken uit de sociale wetenschappen tijdens persconferenties zijn gebruikt. Daarbij hebben onderzoekers gekeken naar communicatietechnieken die kunnen helpen om draagvlak te creëren voor het coronabeleid en het gewenste gedrag te ondersteunen. Op basis hiervan stelt het RIVM voor om bij een volgende gezondheidscrisis meer te benoemen wanneer en hoe de mening van burgers is meegewogen bij bepaalde beslissingen. Bij de introductie van nieuwe maatregelen, die nieuw of ander gedrag van mensen vragen, is het altijd belangrijk om duidelijk te maken wat mensen moeten doen, waarom en hoe. Dit gebeurde tijdens de persconferenties niet altijd. Verder is het belangrijk om ook voor andere zaken dan gezondheid aandacht te hebben als een crisis invloed heeft op verschillende aspecten van het leven. Denk aan de economie en het maatschappelijk welzijn. Andere communicatietechnieken die kunnen helpen om draagvlak voor beleid te ondersteunen zijn vaak ingezet. Bijvoorbeeld uitleggen met welke informatie een besluit is genomen, of welke dilemma’s er waren. Ook zijn verschillende gedragsveranderingstechnieken ingezet om nieuw gedrag te ondersteunen. Bijvoorbeeld door te benoemen wat de gevolgen zijn als het gedrag wordt uitgevoerd (‘minder besmettingen’), of door steun en waardering uit te spreken voor het naleven van de maatregelen. Het overzicht van helpende communicatietechnieken kan gebruikt worden voor toekomstige persconferenties. De technieken kunnen ook worden ingezet voor andere communicatiemiddelen.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Monitoringsrapportage Doelbereik Schone Lucht Akkoord. Tweede voortgangsmeting | RIVM

De Nederlandse overheid wil de luchtkwaliteit verbeteren omdat minder luchtvervuiling beter is voor de gezondheid. Ze heeft hiervoor in 2020 het Schone Lucht Akkoord (SLA) gesloten met inmiddels meer dan 100 gemeenten en alle provincies. Afgesproken is om in 2030 50 procent minder gezondheidseffecten te hebben van luchtvervuiling door Nederlandse bronnen dan in 2016. De SLA-partners hebben begin 2023 hun jaarlijkse plannen ingeleverd waarin staat hoe zij de uitstoot van stikstofoxiden en fijnstof in Nederland gaan verminderen. Het RIVM heeft berekend dat de gezondheidseffecten als gevolg van luchtvervuiling in 2030 met 46 procent afnemen ten opzichte van 2016. Voorwaarde daarvoor is dat deze plannen volledig worden uitgevoerd. Als ook de effecten van maatregelen tegen klimaatverandering en stikstofneerslag worden meegerekend is een gezondheidswinst van 50 procent haalbaar. Een gezondheidswinst van 50% betekent dat mensen in Nederland gemiddeld per persoon 2,5-3,5 maanden langer leven. De SLA-partners willen ook dat de luchtkwaliteit gaat voldoen aan de WHO World Health Organization (World Health Organization ) -advieswaarden uit 2005 voor fijnstof en stikstofdioxide. Deze advieswaarden zijn strenger dan de normen die nu in Nederland gelden. De Europese Unie gebruikt deze advieswaarden om de wettelijke normen voor fijnstof en stikstofdioxide Europees aan te scherpen. Deze normen zullen naar verwachting gaan gelden vanaf 2030. RIVM berekeningen laten nu zien dat deze advieswaarden in 2030 bijna overal in Nederland kunnen worden gehaald als de plannen voor het SLA worden uitgevoerd. In een paar gebieden zullen extra maatregelen nodig zijn om in 2030 aan de nieuwe EU Europese Unie (Europese Unie) -wetgeving te voldoen. Dit blijkt uit de tweede voortgangsmeting van het RIVM. Hierin staat alle informatie om te kunnen berekenen of de doelen van het SLA worden gehaald. Bijvoorbeeld hoeveel de uitstoot en de concentraties van stikstof(di)oxiden en fijnstof dalen bij verschillende pakketten van maatregelen. Adviesbureau TAUW heeft berekend hoeveel de uitstoot daarbij daalt. Met deze resultaten heeft het RIVM de gezondheidseffecten berekend.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Fairplay4Food. A first step towards a weighing system for the effects of different protein sources on health, environment and society | RIVM

In Nederland bestaat voldoende aanbod van gezond en veilig voedsel. Hoewel ons voedsel in het algemeen veilig is, draagt ons huidige eetpatroon bij aan een aantal chronische ziekten, zoals hart- en vaatziekten en overgewicht. Ook het milieu ondervindt problemen. De productie van al ons voedsel, met name van dierlijke producten, gaat gepaard met de productie van broeikasgassen, land-, water- en fosfaatgebruik, verontreiniging van bodem en oppervlaktewater met nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen, en met de productie van veel mest en afval. De Nederlands overheid heeft als doel gesteld om in Nederland minder producten van dierlijke oorsprong en meer van plantaardige oorsprong te consumeren en produceren. Met het minder produceren en consumeren van dierlijke producten als vlees, eieren en zuivel, zou een belangrijke bijdrage geleverd kunnen worden aan het verminderen van een aantal ziekten en van de zojuist genoemde milieuproblemen. Maar zo’n verandering heeft meer gevolgen, bijvoorbeeld voor de koopkracht van consumenten en voor de handelsbalans van Nederland. We verdienen bijvoorbeeld veel geld aan de export van dierlijke producten. Aan de andere kant genieten we misschien wel meer van onze omgeving als er stallen verdwijnen en als de stankoverlast minder wordt. Maar hoe kun je het gedrag van consumenten veranderen, hoe kun je ze minder vlees, zuivel of eieren laten kopen? En wat gebeurt er als we in Nederland stoppen met het eten en produceren van bijvoorbeeld varkens? In Fairplay4Food (Fp4F) beschrijven we de ontwikkeling van een methode waarmee we de effecten van een aantal scenario’s (waarin we minder dierlijke producten kopen, eten en/of produceren) kunnen vergelijken. Verschillende experts op het gebied van gezondheid, milieu en economie is gevraagd om de gevolgen van die scenario’s te beoordelen. Wat zijn de gevolgen voor onze gezondheid, voor ons milieu, voor onze economie als we in Nederland geen varkens meer produceren en/of eten? Ten slotte hebben we met deze methode verschillende (virtuele) beleidsmakers het optimale scenario laten selecteren. En wat blijkt? Hoe je er ook naar kijkt, als vertegenwoordiger van het Ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) , van Milieu of van Economische zaken: minder vlees produceren en minder vlees consumeren is gunstig voor de volksgezondheid, gunstig voor het milieu én gunstig voor de economie: Minder vlees? Een afgewogen keuze! Dit afwegingskader kan dus erg nuttig zijn in discussies over complexe onderwerpen als de eiwittransitie.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Herziening criteria Stookwijzer. Afleiden Criteria Stookwijzer op basis van overlastmeldingen | RIVM

De Stookwijzer uit 2017 informeert inwoners van Nederland wanneer ze wel of niet houtvuur kunnen stoken. Het instrument geeft voor elke postcode per uur een advies (code geel, oranje of rood). De criteria voor de adviezen zijn met de kennis van toen bepaald op basis van de windsnelheid en luchtkwaliteit. Het RIVM adviseert het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) ) nu de criteria van de Stookwijzer te herzien. Met de nieuwe criteria kan de overlast door houtrook minder worden wanneer mensen zich bij code rood aan het advies houden om niet te stoken. De nieuwe criteria zijn onderbouwd met informatie van ruim 5.000 meldingen van overlast door houtrook tussen 2020 en 2022. Het aantal overlastmeldingen bleek sterk samen te hangen met de windsnelheid. Hoe lager de windsnelheid, hoe meer meldingen. Dan wordt houtrook namelijk minder verdund. De Beaufort-schaal voor windkracht is bij de bevolking bekender dan de windsnelheid in meter per seconde. Daarom adviseert het RIVM om bij een windkracht van 2 Beaufort of minder geen hout te stoken (code rood). Boven een windkracht van 2 Beaufort kijkt de nieuwe Stookwijzer ook naar de luchtkwaliteit. Voorgesteld wordt dit criterium te richten op de concentratie fijnstof PM2,5 fijnstof (fijnstof) in de lucht, de fijnstofdeeltjes kleiner dan 2,5 micrometer. Houtstook draagt namelijk veel bij aan de concentratie PM2,5 in de lucht. Tot slot adviseert het RIVM om een stookadvies te geven voor tijdblokken van 6 uur en niet meer per uur. Door het advies al te geven vóórdat het volgende blok van 6 uur begint, weten mensen al vroeg waar ze aan toe zijn. Op basis van de voorgestelde criteria zal vaker een code geel en een code rood worden gegeven. Code oranje zal met de nieuwe criteria veel minder voorkomen dan nu. Deze code wordt dan alleen nog maar gegeven bij een matige luchtkwaliteit door PM2,5. Dat komt niet vaak voor. Code geel geeft aan: ‘Let op: stoken zorgt voor overlast en luchtverontreiniging’. Oranje betekent ‘Het is beter geen hout te stoken’, en rood houdt in: ‘Stook geen hout’.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Sexually transmitted infections in the Netherlands in 2023 | RIVM

In 2023 heeft 4 procent meer mensen zich bij een Centrum voor Seksuele Gezondheid ( CSG Centrum Seksuele Gezondheid (Centrum Seksuele Gezondheid) ) laten testen op seksueel overdraagbare aandoeningen ( soa seksueel overdraagbare aandoening (seksueel overdraagbare aandoening ) ) dan in 2022. Het percentage dat een soa had (21 procent) was hetzelfde als in 2022. Mensen die via een partner een melding ontvingen voor een soa of zelf klachten hadden, hadden het vaakst een soa. Het RIVM beschrijft in dit overzicht de ontwikkelingen van soa in Nederland, waaronder het aantal testen en diagnoses per soa bij de CSG’s. In 2023 waren er in totaal 172.113 consulten. Bij CSG’s kunnen mensen met een grotere kans op soa, zich gratis laten testen. Sinds augustus 2019 bieden deze centra ook zorg aan mannen die seks hebben met mannen ( MSM mannen die seks hebben met mannen (mannen die seks hebben met mannen) ) die een geneesmiddel krijgen dat hiv humaan immunodeficientievirus (humaan immunodeficientievirus) voorkomt (Pre-Expositie Profylaxe, PrEP pre-expositie profylaxisis (pre-expositie profylaxisis) ). Dit is een pilot van vijf jaar, waarin PrEP-gebruikers elke drie maanden worden getest op soa (MSM-PrEP). Chlamydia In 2023 waren er 24.048 chlamydia-diagnoses, iets minder dan in 2022 (24.684). Het percentage vrouwen met chlamydia daalde van 17,9 procent in 2022 naar 16,8 procent in 2023. Het percentage heteroseksuele mannen met chlamydia daalde van 21,2 procent in 2022 naar 19,6 procent in 2023. De percentages MSM en MSM-PrEP met chlamydia daalden naar respectievelijk 10,2 en 9,1 procent in 2023 (respectievelijk 10,9 en 9,4 procent in 2022). Gonorroe Het aantal diagnoses gonorroe (13.853) was veel hoger dan in 2022 (10.600), een stijging van 31 procent. De percentages vrouwen en heteroseksuele mannen met gonorroe zijn in 2023 toegenomen naar respectievelijk 4,1 en 3,5 procent (dat waren respectievelijk 2,3 en 2,4 procent in 2022). Dit is het hoogste percentage onder vrouwen en heteroseksuele mannen sinds 2014. De toename begon in de tweede helft van 2022 en zette heel 2023 door. Het percentage onder MSM steeg van naar 14,1 procent in 2023 (12,8 procent in 2022). Onder MSM-PrEP steeg het percentage van 9,8 procent in 2022 naar 11,7 procent in 2023. Er is geen antibioticaresistentie tegen het huidige ‘eerste keus’ antibioticum voor gonorroe (ceftriaxon) gemeld. Syfilis Ook waren er in 2023 meer syfilis-diagnoses (1.693) dan in 2022 (1.574). Het percentage MSM met syfilis was 2,3 procent in 2023, hetzelfde als in 2022. Onder MSM-PrEP was dit percentage 1,8 procent in 2023, een lichte stijging in vergelijking met 1,7 procent in 2022. Het aantal diagnoses onder vrouwen en heteroseksuele mannen bleef in 2023 laag: respectievelijk 38 en 43. Hiv In 2023 kregen 141 personen een hiv-diagnose, iets minder dan in 2022 (144). Hiervan waren 122 diagnoses bij MSM (87 procent). Het aantal mensen met hiv dat in 2023 voor het eerst naar een hiv-behandelcentra kwam (‘in zorg’) was 987; ongeveer evenveel als in 2022 (997). PrEP In de PrEP-pilot hebben 13.715 personen (96 procent MSM) een eerste PrEP-consult gehad, van wie 1.521 in 2023. Op 31 december 2023 deden ongeveer 8.496 mee aan deze pilot.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Bereikbaarheidsanalyse SEH’s en acute verloskunde 2024. Analyse gevoelige ziekenhuizen | RIVM

Deze Kennisnotitie bevat een erratum d.d. 03-09-2024 op pagina 16 Het RIVM analyseert in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ( VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) ) periodiek het aanbod en de bereikbaarheid van de spoedeisende zorg in Nederland. Deze analyse omvat onder andere de spreiding en bereikbaarheid van de Spoedeisende Hulp afdelingen ( SEH Spoedeisende hulp (Spoedeisende hulp) ’s) en acute verloskundige zorg afdelingen van de Nederlandse ziekenhuizen.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Seksuele gezondheid in Nederland monitoren. Een verkenning van relevante onderwerpen en huidige metingen | RIVM

De Tweede Kamer pleit voor een brede en positieve benadering van seksuele gezondheid in Nederland. Een onderdeel daarvan is seksuele gezondheid vollediger en structureler in beeld te brengen. Dat betekent dat de focus niet alleen moet liggen op seksueel overdraagbare aandoeningen ( soa seksueel overdraagbare aandoening (seksueel overdraagbare aandoening ) ’s) en hiv humaan immunodeficientievirus (humaan immunodeficientievirus) . De benadering van seksuele gezondheid moet ook aansluiten bij maatschappelijke ontwikkelingen, zoals de aandacht voor grensoverschrijdend gedrag en genderidentiteit. Het RIVM heeft daarom verkend welke onderwerpen van seksuele gezondheid wel en niet al worden gemonitord in Nederland. Uitgangspunt hierbij was de brede definitie van seksuele gezondheid van de Wereldgezondheidsorganisatie ( WHO World Health Organization (World Health Organization ) ). Om deze definitie concreter te maken, heeft het RIVM deskundigen gevraagd welke onderwerpen relevant zijn om seksuele gezondheid breed in beeld te brengen. Hierbij is een onderscheid gemaakt tussen onderwerpen op fysiek, emotioneel en sociaal gebied. Over de meeste onderwerpen is informatie beschikbaar in de huidige metingen van seksuele gezondheid in Nederland. Informatie die nog ontbreekt gaat bijvoorbeeld over een gevoel van veiligheid en zekerheid op seksueel gebied, een positief beeld over de eigen seksuele oriëntatie / genderidentiteit en seksueel zelfvertrouwen. Het RIVM beveelt aan om met deskundigen tot een definitieve set van onderwerpen te komen om seksuele gezondheid in Nederland volledig in beeld te hebben en te volgen. Deze deskundigen kunnen aangeven welke metingen we daarvoor moeten gebruiken, hoe vaak en bij wie. Door de deskundigen nu alvast te betrekken, heeft het RIVM een eerste stap gezet naar een breed gedragen set van onderwerpen met metingen van seksuele gezondheid. De huidige informatie over seksuele gezondheid is verspreid over verschillende organisaties en databronnen. Het RIVM beveelt daarom aan de informatie op hoofdpunten op één plek te bundelen in een ‘Monitor Seksuele Gezondheid’.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Rapportage 2023. Nationale Adviesgroep Cabinelucht | RIVM

Piloten en cabinepersoneel in vliegtuigen kunnen gezondheidsklachten hebben, zoals duizeligheid, misselijkheid, desoriëntatie en trillende ledematen. Ondanks veel onderzoek is de oorzaak van de klachten nog steeds niet duidelijk. Naar aanleiding van de internationale discussie hierover heeft het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) ) in 2015 de Nationale Adviesgroep Cabinelucht (NAC) opgericht. De adviesgroep adviseert de minister van IenW over dit onderwerp. Ook informeert de NAC alle betrokken partijen over internationale onderzoeken naar de kwaliteit van cabinelucht in vliegtuigen. De NAC rapporteert elk jaar de voortgang en resultaten van bijeenkomsten en onderzoeken. In augustus 2023 heeft de NAC zijn eerste adviesnotitie aan de minister aangeboden. Hierin staan concrete adviezen om cabine-, cockpit- en technisch personeel te trainen om vreemde geuren te kunnen herkennen en waar ze dat kunnen melden. Naar aanleiding van de notitie heeft IenW actie ondernomen. Zo werkt het ministerie aan de eisen voor deze training en de inhoud. Ook wordt gezocht naar een manier om fume events beter te registreren om meer zicht te krijgen in de aard en omvang ervan. Bij een fume event lekken chemische stoffen uit motorolie de cabine in. Verder onderzoekt een werkgroep de mogelijkheden om een medisch protocol op te zetten voor vliegend personeel dat klachten blijft houden. Als eerste stap is onder andere verkend hoe zo’n protocol kan worden opgezet en wie daarvoor nodig is. Er blijken criteria nodig te zijn om een diagnose te kunnen stellen, wat medisch gezien moeilijk is. In 2024 wordt hier verder aan gewerkt. Voor een kennissessie voor NAC-leden hebben twee onderzoekers hun publicaties toegelicht. Dit leverde concrete punten op waar de NAC mee aan de slag is gegaan. Onder andere wordt uitgezocht of erfelijke factoren of persoonlijke omstandigheden invloed hebben op het ontstaan van aanhoudende klachten. In de NAC zitten vertegenwoordigers van werkgevers: KLM Koninklijke Luchtvaart Maatschappij (Koninklijke Luchtvaart Maatschappij) en Corendon, werknemersvertegenwoordigers: VNV, NVLT, VNC en FNV Dutch Organisation of Trade Unions (Dutch Organisation of Trade Unions) Cabine en onderzoeksinstituten: het RIVM, en NLR Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium (Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium) . Vertegenwoordigers vanuit de ministeries van IenW en Sociale Zaken en Werkgelegenheid ( SZW Sociale zaken en werkgelegenheid (Sociale zaken en werkgelegenheid) ) zijn waarnemend lid. Het RIVM voert sinds 2020 het secretariaat.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Uitvoeringstoets Vaccinatiestelsel | RIVM

Het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) wil het aanbod aan vaccinaties voor volwassenen makkelijker en duidelijker aanbieden. Dan kunnen volwassenen beter van het hele aanbod gebruikmaken. Het is dan bijvoorbeeld mogelijk om de griep- en de coronaprik tegelijk te halen. Ook wil VWS nieuwe vaccinaties in de toekomst makkelijker, toegankelijker en sneller kunnen toevoegen. Het RIVM heeft daarom verkend of het mogelijk is in Nederland alle vaccinaties voor volwassenen bij de GGD Gemeentelijke Gezondheidsdienst (Gemeentelijke Gezondheidsdienst) ’en te organiseren. Dit houdt in dat er één organisatie is die alle vaccinaties voor volwassenen aanbiedt. Dat blijkt te kunnen. Het RIVM zou dan de landelijke regie over deze ‘vaccinatievoorziening’ hebben en de 25 GGD’en voeren de vaccinaties in hun regio uit. De voorziening zal in fases worden opgezet, omdat niet alle vaccinaties voor volwassenen tegelijk kunnen worden opgenomen. Een aantal voorwaarden zijn belangrijk om deze vaccinatievoorziening mogelijk te maken. Zo moet deze goed worden voorbereid, moeten de gegevens goed worden geregistreerd en gedeeld met het RIVM, en moet er structureel geld voor zijn. Dit blijkt uit een verkenning van het RIVM, in samenwerking met GGD GHOR Nederland Gemeentelijke / Gemeenschappelijke GezondheidsDienst – Geneeskundige HulpverleningsOrganisatie in de Regio (Gemeentelijke / Gemeenschappelijke GezondheidsDienst – Geneeskundige HulpverleningsOrganisatie in de Regio) en de 25 GGD’en. Nu bieden verschillende instanties deze vaccinaties aan, zoals de GGD en de (huis)artsen. Al deze partijen selecteren de doelgroep op een andere manier. Dat geldt ook voor de manier waarop de doelgroep wordt uitgenodigd en de vaccinaties worden geregistreerd. In deze zogeheten uitvoeringstoets beschrijft het RIVM op hoofdlijnen hoe zo’n vaccinatievoorziening eruit kan komen te zien. Deze beschrijving bevat de stappen om daartoe te komen, van besluitvorming en advies tot nazorg en toezicht. Het is een eerste onderzoek en geen plan om het uit te voeren. Zo’n plan wordt pas opgesteld nadat VWS een definitief besluit heeft genomen over het toekomstige vaccinatiestelsel. De vaccinaties voor kinderen vallen buiten deze verkenning. Deze zijn goed georganiseerd in het Rijksvaccinatieprogramma ( RVP Rijksvaccinatie programma (Rijksvaccinatie programma) ).
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Adviesrapport: vernieuwde set Kernindicatoren Sport en Bewegen | RIVM

In 2014 heeft de toenmalige minister van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) 20 kernindicatoren benoemd om de ontwikkelingen van sport en bewegen op lange termijn te volgen. Deze kernindicatoren geven inzicht in de meest relevante cijfers over het sport- en beweeggedrag in Nederland en alles wat daarbij komt kijken. Denk aan sportfaciliteiten, werkgelegenheid in de sport, en een leefomgeving die uitnodigt om te bewegen. De 20 kernindicatoren zijn geëvalueerd en aangepast om de ontwikkelingen op het gebied van sport en bewegen nu en in de toekomst beter te kunnen volgen. Het advies is om 25 kernindicatoren te gaan gebruiken: 18 van de 20 kernindicatoren blijven bestaan, 7 nieuwe zijn toegevoegd, 1 is geschrapt en 1 is samengevoegd met een bestaande kernindicator. Daarnaast is het advies om voor twee kernindicatoren een andere databron te gebruiken of de definitie te veranderen. Voor de meeste kernindicatoren zijn cijfers direct beschikbaar. Voor 7 kernindicatoren zijn die er nog niet. Daarvoor is het nodig om data te gaan verzamelen of een meetinstrument of rekenmethode te ontwikkelen. Het RIVM geeft dit advies vanuit het Netwerk Kernindicatoren Sport en Bewegen. In dit Netwerk zitten CBS Centraal Bureau voor de Statistiek (Centraal Bureau voor de Statistiek) , VeiligheidNL, NOC*NSF Nederlands Olympisch Comité * Nederlandse Sport Federatie (Nederlands Olympisch Comité * Nederlandse Sport Federatie) , het Mulier Instituut, Kenniscentrum Sport & Bewegen en het RIVM. Zij hebben samen bepaald welke kernindicatoren nog relevant zijn en behouden kunnen blijven, welke moeten worden aangepast en welke ontbraken. Ook beleidsmedewerkers van het ministerie van VWS, onderzoekers en medewerkers uit het werkveld van sport en bewegen zijn hierbij nauw betrokken geweest. Hierdoor is er veel draagvlak voor de vernieuwde set kernindicatoren. Het actuele overzicht van de kernindicatoren en de kengetallen die daarbij horen, is gepubliceerd op www.sportenbewegenincijfers.nl . Het netwerk blijft de kernindicatoren regelmatig meten, zodat ze door de jaren heen te vergelijken zijn en de kwaliteit hoog blijft.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Vaccinatiegraad Rijksvaccinatieprogramma Nederland. Verslagjaar 2024 | RIVM

In Nederland krijgen kinderen vaccinaties tegen dertien besmettelijke ziekten die ernstig kunnen verlopen. Het RIVM beschrijft elk jaar het percentage kinderen dat is gevaccineerd (vaccinatiegraad). Ook beschrijft het RIVM de ontwikkelingen binnen het Rijksvaccinatieprogramma ( RVP Rijksvaccinatie programma (Rijksvaccinatie programma) ). Vaccinatiegraad Het lijkt erop dat de vaccinatiegraad bij zuigelingen en kleuters hetzelfde is als het jaar ervoor. Voor BMR bof, mazelen,rodehond (bof, mazelen,rodehond) (bof, mazelen, rodehond) en meningokokkenziekte ACWY is deze misschien zelfs iets hoger geworden. Bij oudere leeftijdsgroepen (vanaf 9 jaar) lijkt de vaccinatiegraad voor de meeste vaccinaties verder te zijn gedaald. De veranderingen in de vaccinatiegraad zijn zo goed als mogelijk ingeschat. Hierbij is rekening gehouden met anonieme vaccinaties. Sinds 2022 ontvangt het RIVM een deel van de vaccinaties anoniem. Hierdoor weet het RIVM niet meer precies hoe hoog de vaccinatiegraad is. Het is namelijk niet mogelijk om anonieme vaccinaties mee te tellen. Dat komt doordat de informatie die nodig is om de vaccinatiegraad te bepalen dan niet bekend is. Bijvoorbeeld in welk jaar het gevaccineerde kind is geboren. De geregistreerde vaccinatiegraad is daarom lager dan de werkelijke vaccinatiegraad. Ontwikkelingen 2023 Besmettelijke ziekten kwamen door de maatregelen tijdens de coronacrisis minder vaak voor, ook de ziekten waartegen vanuit het RVP wordt gevaccineerd. In 2023 zijn er weer meer mensen die bof, meningokokkenziekte of kinkhoest kregen dan tijdens de pandemie. Nieuw is dat de Jeugdgezondheidszorg ( JGZ Jeugdgezondheidszorg (Jeugdgezondheidszorg) ) vanaf griepseizoen 2023/2024 ook de griepvaccinatie voor zwangeren zonder medische indicatie uitvoert. Verder kregen de nog niet (volledig) gevaccineerde jongeren tot en met 26 jaar de kans om zich nog tegen HPV humaan papillomavirus (humaan papillomavirus) te laten vaccineren. Een peiling van het RIVM in 2023 liet opnieuw zien dat de meeste ouders positief denken over vaccineren. Dat jaar waren iets minder ouders van kinderen van 9 tot en met 14 jaar positief over vaccineren dan in 2022. Bij ouders van kinderen die jonger zijn dan 3,5 jaar was dat niet te zien.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Effects of a multicomponent communication training to involve older people in decisions to DEPRESCRIBE cardiometabolic medication in primary care (CO-DEPRESCRIBE): protocol for a cluster randomized controlled trial with embedded process and economic evalu | RIVM

Effects of a multicomponent communication training to involve older people in decisions to DEPRESCRIBE cardiometabolic medication in primary care (CO-DEPRESCRIBE): protocol for a cluster randomized controlled trial with embedded process and economic evalu | RIVM
Jaar: 2024 Onderzoek

Grootschalige concentratiekaarten Nederland. Rapportage 2024 | RIVM

Het RIVM maakt elk jaar kaarten van de luchtverontreiniging in Nederland. Dit gebeurt voor verschillende stoffen in de lucht, waaronder stikstofdioxide en fijnstof. Het RIVM gebruikt zowel modelberekeningen als metingen om deze GCN Grootschalige Concentratiekaarten Nederland (Grootschalige Concentratiekaarten Nederland) -kaarten te maken. Zo komen de concentraties het best overeen met de werkelijke situatie in het afgelopen jaar. De luchtkwaliteit was in 2023 beter dan in 2022. De veranderingen komen vooral door de weersomstandigheden. Omdat het meer regende dan in afgelopen jaren, kwamen meer luchtverontreinigende stoffen met de regen op de grond terecht. Daarnaast waaide het harder, waardoor de stoffen zich meer door de lucht verspreiden. De gemiddelde concentraties stikstofdioxide in de lucht waren in 2023 lager (ruim 23 procent) dan in 2022. Ook de gemiddelde concentraties fijnstof waren in 2023 lager dan in 2022. De concentratie van de deeltjesgrootte PM10 fijnstof (fijnstof) daalde ten opzichte van 2022 met bijna 13 procent en die van PM2,5 fijnstof (fijnstof) met bijna 15 procent. In elk onderzoek kijken we hoe zeker we zijn van onze berekeningen. In dit onderzoek zijn er ook onzekerheden in de berekenende concentraties. De onzekerheden zijn voor het Nederlands gemiddelde ongeveer 10 procent. Dat betekent dat de berekende waarde zeer waarschijnlijk niet meer dan 10 procent afwijkt van de hoeveelheid stoffen die er in de lucht zit. Op specifieke locaties zijn de onzekerheden in de concentraties groter. Slechte luchtkwaliteit is schadelijk voor de gezondheid. De GCN-kaarten worden gebruikt om de ontwikkeling van de luchtkwaliteit in Nederland te volgen. Overheden gebruiken de toekomstverwachtingen om beleid te maken voor een betere luchtkwaliteit. Dit keer maakte het RIVM geen nieuwe kaarten van de verwachte concentraties voor de jaren tot en met 2040. Deze worden voortaan om het jaar gemaakt. Dat past bij de Klimaat- en Energieverkenning van het Planbureau voor de Leefomgeving, die de verwachte effecten van het Nederlandse klimaat- en energiebeleid op de luchtkwaliteit beschrijft. De kaarten die vorig jaar over de toekomst zijn gemaakt, gelden nog steeds. De gegevens over de stikstofdepositie (de GDNkaarten) publiceert het RIVM sinds 2023 niet meer samen met de GCNkaarten.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Schadelijkheid stoffen tankwassingen | RIVM

Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) ) heeft RIVM gevraagd om onderzoek te doen naar de schadelijkheid van vloeibare chemicaliën die over zee getransporteerd mogen worden. Op basis van de analyse zijn tientallen van deze vloeibare chemicaliën geclassificeerd als Zeer Zorgwekkende Stof ( ZZS Zeer Zorgwekkende Stoffen (Zeer Zorgwekkende Stoffen ) ). ZZS zijn stoffen die gevaarlijk zijn voor mens en milieu. Bij een incorrecte voorwas of bij wassingen op zee kunnen deze stoffen in het mariene milieu terechtkomen.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Validatie achtergrondnotities aanpak stikstof van het Ministerie van Financiën | RIVM

Het Ministerie van Financiën (FIN) heeft sinds 2021 analyses uitgevoerd op een aantal thema’s binnen de stikstofopgave. Het RIVM heeft hiervoor invoerdata beschikbaar gesteld aan FIN, en de toepassing daarvan eerder al cijfermatig gevalideerd. De cijfermatige validatie geeft echter geen uitsluitsel over de toepasbaarheid van de berekeningen voor beleidsontwikkeling. Een aanvullende validatie is volgens de ministeries van FIN en LNV Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) noodzakelijk om de toepasbaarheid van de berekeningen en juistheid van de conclusies te kunnen beamen. De Minister van Financiën heeft deze validatie in haar brief van 10 februari 2023 aan de Kamer toegezegd. Op basis van de informatie uit de zes achtergrondnotities of notebooks zijn de hierin gepresenteerde getallen in veel gevallen niet door RIVM te valideren: hiervoor zijn de gebruikte kentallen, referenties en aannames te summier beschreven. Om dezelfde reden kan het RIVM de verschillende conclusies over natuurherstel, vergunningverlening en stikstofreductie door klimaatmaatregelen niet valideren. Wel was het mogelijk om het gebruik van de door RIVM aangereikte emissies op bedrijfsniveau (stal- en veldemissies) te controleren en deze zijn op een correcte manier gebruikt. De effecten van stalinnovaties zijn maximaal ingeschat – ook eigen opmerkingen van FIN stellen dat dit waarschijnlijk te positief is. RIVM meent dit ook maar vindt dit niet altijd terug in de gepresenteerde stikstofreducties.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Effect van nieuwe inzichten op het bereiken van de NPLG stikstofdoelen | RIVM

De Nederlandse overheid wil de kwaliteit van de natuur herstellen in gebieden die gevoelig zijn voor stikstof. In de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) staat dat er op minimaal 74 procent van de stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden niet te veel stikstof mag neerslaan in 2035. Om dit wettelijke doel te halen is in 2022 met de provincies het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) opgesteld. Het NPLG geeft onder andere aan hoeveel de uitstoot van stikstof per provincie moet dalen. Het RIVM berekende in 2021 voor het eerst hoeveel minder stikstof de landbouw moet uitstoten om het wettelijke doel te halen. Het deed dat op verzoek van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ( LNV Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) ). Volgens deze berekening kon het doel worden gehaald als de landbouw 40 procent minder ammoniak uitstoot in 2035. Sindsdien zijn naar aanleiding van Europees onderzoek de normen voor stikstofdepositie (de KDW: kritische depositiewaarde) strenger geworden. Daarnaast zijn de wetenschappelijke inzichten over de uitstoot en neerslag van stikstof veranderd. Elk jaar worden namelijk de nieuwste gegevens over onder andere de uitstoot en metingen van stikstof gebruikt voor de berekeningen. Het RIVM heeft met al deze nieuwe inzichten berekend in hoeverre het wettelijke stikstofdoel wordt gehaald als de doelen van het NPLG worden bereikt. Berekend met de nieuwste inzichten wordt meer natuur met te veel stikstof belast dan in 2021 was berekend. In slechts 40 procent van de kwetsbare natuur wordt in 2035 de norm voor stikstof gehaald met de in het NPLG opgenomen gewenste daling in de provincies. Met deze daling zal het teveel aan stikstof dat op de natuur neerslaat wel veel lager (67 procent) zijn dan in 2021. Om het wettelijke doel van 74 procent alsnog te halen, is een forse aanvullende daling van de uitstoot nodig. Het RIVM heeft uitgerekend hoeveel minder stikstof hiervoor moet neerslaan. Gericht reduceren van emissies is daarbij efficiënter dan generiek reduceren.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

In de luwte van de coronapandemie: het belang van het monitoren van welzijn tijdens toekomstige pandemieën | RIVM

De acute fase van de coronapandemie is voorbij en de collectieve blik richt zich op de nasleep en de toekomst. Juist op dit moment is het belangrijk om stil te staan bij wat 3 jaar monitoring van de brede gezondheidsimpact van de pandemie heeft opgeleverd en hoe dat bij kan dragen aan pandemische paraatheid. Dat doen we in deze tussentijdse synthese van de Integrale Gezondheidsmonitor COVID-19 ‘In de luwte van de coronapandemie: het belang van het monitoren van welzijn tijdens toekomstige pandemieën. ’
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Gedragseffecten van de accijnsverhoging op tabak in 2023 | RIVM

Tabak duurder maken is een van de effectiefste maatregelen om rokers te laten stoppen met roken. De Nederlandse overheid heeft daarom de accijns op tabak twee keer flink verhoogd: op 1 april 2023 en op 1 april 2024. Het RIVM heeft in 2023 aan ruim 1300 rokers gevraagd of deze maatregel invloed heeft gehad op hun gedrag. Dat blijkt zo te zijn. De bevraagde rokers zijn gevoelig voor de prijs van tabaksproducten. Zij verwachtten vóór de accijnsverhoging dat zij ander rookgedrag zouden vertonen door een prijsstijging. Een flink deel van hen heeft dat ook echt gedaan. 28 procent van de ondervraagden heeft een poging gedaan om te stoppen met roken. Bij 10 procent is het gelukt om te stoppen. 18 procent zegt minder te zijn gaan roken door de maatregel. Gezondheid blijft de belangrijkste reden om te stoppen met roken. Maar de hogere kosten kunnen net een extra zetje geven om het ook echt te gaan doen. Dit geldt zeker voor mensen die al het idee hadden om op korte termijn (binnen zes maanden) te gaan stoppen. Zij passen hun gedrag vaker aan dan mensen die dat idee niet hadden. Accijnsverhogingen hebben dus vooral effect op mensen die al het idee hadden om te stoppen met roken. Het blijft daarom belangrijk beleid te maken dat mensen op dat idee brengt, zoals voorlichting, rookwaren minder beschikbaar maken en rookvrije omgevingen. Verder blijkt dat mensen meer tabaksproducten in het buitenland zijn gaan kopen, als deze producten daar een stuk goedkoper zijn. Denk aan Duitsland en België. Ook al zeiden ze van tevoren dat ze dat niet zouden doen. Het RIVM leidt hieruit af dat mensen waarschijnlijk voor zichzelf meer producten kopen als ze in het buitenland zijn. Of ze nemen dan vaker rookwaren voor andere rokers mee. Na de accijnsverhoging kwam in totaal ongeveer 10 tot 11 procent meer rookwaren uit het buitenland. Het onderzoek richt zich op vier vormen van gedragsverandering door een prijsmaatregel. Dat zijn: stoppen met roken, minder sigaretten roken, rookwaren kopen in het buitenland en overstappen op een goedkoper product. 33 procent van de ondervraagde rokers veranderde het rookgedrag, waarvan stoppen met roken (of een poging daartoe) het meeste voorkwam.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Environmental emission estimation of cooling water biocides. Update of the Emission Scenario Document for open recirculating cooling towers | RIVM

Onder andere de industrie en elektriciteitscentrales hebben koelwater nodig. In koeltorens wordt opgewarmd koelwater weer afgekoeld om het opnieuw te kunnen gebruiken. In koeltorens en warmtewisselaars kunnen organismen zoals bacteriën gaan groeien, waardoor de installaties slechter gaan werken. Om dat zo veel mogelijk te voorkomen, wordt het koelwater behandeld met biociden. Een biocide is een middel met een werkzame stof die ongewenste organismen doodt. Voordat biociden in Europa op de markt mogen komen, wordt beoordeeld of ze schadelijke effecten kunnen hebben. In Nederland doet het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden ( Ctgb Board for the Authorisation of Plant Protection Products and Biocides (Board for the Authorisation of Plant Protection Products and Biocides) ) dat. Hiervoor berekent het Ctgb hoeveel er van een werkzame stof bij een bepaald gebruik in het milieu terechtkomt. Dit gebeurt met zogeheten emissiescenario’s. Voor het emissiescenario voor gebruik van biociden in koeltorens stelt het RIVM nu enkele aanpassingen voor. Hierdoor kan preciezer worden berekend hoeveel werkzame stof uit de koeltorens naar de lucht vervluchtigt. Met de aanpassingen kan beter worden ingeschat hoeveel werkzame stof er in het milieu terechtkomt en of dat schadelijk kan zijn. De werkzame stoffen komen in het milieu terecht via het geloosde koelwater. Ook kunnen ze naar de lucht worden uitgestoten. De uitstoot naar lucht gaat via twee routes: via druppeltjes koelwater die door de luchtstroom in de koeltoren worden meegenomen, en doordat de stoffen vanuit het koelwater naar de lucht vrijkomen (vervluchtiging). Tot nu toe werd de vervluchtiging voor alle chemische stoffen met één waarde berekend. Door de voorgestelde aanpassingen kan dit nu per stof worden berekend. Hoeveel er van een stof vervluchtigt, is afhankelijk van bepaalde eigenschappen van die stof. Aanleiding voor de voorstellen zijn vragen over de rekenmethode van het Ctgb en biocidenexperts van Europese lidstaten. De aanpassingen zijn met deze experts afgestemd. Het European Chemicals Agency ( ECHA European Chemicals Agency (European Chemicals Agency) ) moet ze nog wel in de rekenmethode verwerken, zodat alle lidstaten van de Europese Unie ermee kunnen gaan werken.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Assessing the role of the graphene family nanomaterials (GFNs: Graphene, GO, rGO) in modifying the toxicity potential and environmental risk of flame retardant, tetrabromobisphenol-A (TBBPA) in the marine microalgae Chlorella sp. | RIVM

Assessing the role of the graphene family nanomaterials (GFNs: Graphene, GO, rGO) in modifying the toxicity potential and environmental risk of flame retardant, tetrabromobisphenol-A (TBBPA) in the marine microalgae Chlorella sp. | RIVM
Jaar: 2024 Onderzoek

Epidemiologische impact en effectiviteit van COVID-19 maatregelen | RIVM

De Nederlandse maatregelen tijdens de coronacrisis werkten goed om het aantal besmettingen met het virus SARS severe acute respiratory syndrome (severe acute respiratory syndrome) -Cov-2 te verminderen. Dat blijkt uit onderzoek van het RIVM. Dit waren maatregelen die ervoor zorgden dat mensen het virus zo min mogelijk aan elkaar doorgaven. Bijvoorbeeld door anderhalve meter afstand van elkaar te houden en de sluiting van scholen. De resultaten van dit onderzoek helpen het RIVM om bij een volgende grote ziekte-uitbraak snel te adviseren over maatregelen en beleid. Hoe goed de contactmaatregelen werkten, is niet per losse maatregel te onderzoeken. Dat komt omdat er vaak meerdere tegelijk golden. Wel kun je kijken naar de effecten van verschillende pakketten van maatregelen. Voor Nederland bleek: hoe zwaarder het pakket aan maatregelen als geheel, hoe effectiever. Ook is het moment waarop de maatregelen ingingen heel belangrijk. Hoe sneller ze na het begin van de eerste coronagolf werden ingevoerd, hoe meer sterfgevallen zijn voorkomen. Uit het onderzoek komen een aantal adviezen over maatregelpakketten. Een daarvan is om bepaalde gegevens van besmette personen te verzamelen. Zoals wie de meest waarschijnlijke besmetter is, wat het meest waarschijnlijke moment van de besmetting is en de eerste ziektedag. Met deze informatie kan worden bepaald hoeveel tijd er zit tussen besmet raken en ziek worden. En hoe lang het duurt voordat een besmet persoon iemand anders besmet. Een ander advies is om zo snel mogelijk goed inzicht te krijgen hoe vaak mensen contact hebben met anderen in een samenleving en hoe mensen zich verplaatsen. Dit is nodig om beter te kunnen bepalen welke maatregelen het beste de verspreiding van een virus kunnen tegengaan. Vanaf januari 2021 is in Nederland gestart met vaccinatie tegen COVID19. In binnen- en buitenland is onderzocht in hoeverre de vaccins mensen hebben beschermd tegen COVID-19, de ziekte die het virus veroorzaakt. Daaruit blijkt dat gevaccineerde mensen minder vaak besmet raken dan ongevaccineerde mensen. Daarnaast worden gevaccineerde mensen minder vaak ziek na een besmetting met het coronavirus dan ongevaccineerde mensen. Ze geven het virus ook minder vaak door. Verder hebben gevaccineerden een veel kleinere kans om door COVID-19 in het ziekenhuis terecht te komen of te overlijden.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Lange-termijn-indicatoren voor monitoring van Sportakkoord II | RIVM

In december 2022 is het Sportakkoord II (SAII) ondertekend. Het SAII wordt gemonitord door het Mulier Instituut , in samenwerking met het RIVM. Hoe zij dit doen staat voor de eerste vijf thema’s beschreven in het Monitorplan SAII . Deze publicatie vormt een aanvulling op het monitorplan. In het monitorplan zijn potentiële lange-termijn-indicatoren benoemd (de basislijst). In deze publicatie wordt de uiteindelijke set lange-termijn-indicatoren weergegeven.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Risicobeoordeling van PFAS in particuliere eieren uit de regio Zuid-Holland Zuid en de gemeente Altena | RIVM

Het RIVM blijft adviseren om in de regio Zuid-Holland Zuid en de gemeente Altena geen particuliere eieren te eten. Dit advies is eerder op 21 december 2023 uit voorzorg gegeven omdat in deze eieren veel PFAS Per- en polyfluoralkylstoffen (Per- en polyfluoralkylstoffen ) zit. Particuliere eieren komen van kippen die als hobby worden gehouden. Bijvoorbeeld in achtertuinen, moestuinen, dierenweitjes en zorg- en kinderboerderijen. Inwoners kunnen wel eieren uit een winkel en van de markt eten omdat daar minder PFAS in zit. Het is nog niet duidelijk hoe de PFAS in deze eieren komt. Dat wordt nu onderzocht. Het advies kan veranderen als de concentratie PFAS in de particuliere eieren daalt. Het RIVM heeft het risico beoordeeld van PFAS in particuliere eieren van 31 locaties in acht gemeenten rondom het chemiebedrijf Chemours in Dordrecht. We hebben hiervoor berekend hoeveel PFAS mensen kunnen binnenkrijgen via deze particuliere eieren. Dit is gedaan voor verschillende aantallen eieren per week. Via de eieren van 22 locaties krijgen mensen meer PFAS binnen dan de gezondheidskundige grenswaarde voor deze groep stoffen als zij één ei per week eten. Bij de andere locaties kunnen mensen maximaal één tot vier eieren per week eten zonder deze grenswaarde te overschrijden. Op één locatie is dat maximaal 15 eieren per week. Door de particuliere eieren te eten krijgen mensen veel PFAS binnen. Die hoeveelheid komt boven op de hoeveelheid PFAS die mensen in Nederland via andere voedingsmiddelen en drinkwater binnenkrijgen. Via deze voedingsmiddelen en drinkwater krijgen mensen al meer PFAS binnen dan de gezondheidskundige grenswaarde van PFAS. Als mensen een langere tijd meer PFAS binnenkrijgen dan de grenswaarde, kan dat schadelijk zijn voor de gezondheid. De omgeving rond Chemours is vervuild met PFAS. In de particuliere eieren is vooral PFOS perfluoroctaansulfonaten (perfluoroctaansulfonaten) gevonden, een type PFAS dat Chemours – voor zover bekend – niet heeft uitgestoten tijdens de productieprocessen. Ook buiten de onderzochte regio kan veel PFAS in particuliere eieren zitten. Het RIVM vindt het daarom belangrijk te achterhalen door welke bron of bronnen PFAS in de eieren terechtkomt. Op basis van het huidige onderzoek kan het RIVM geen uitspraken doen over het eten van particuliere eieren in de rest van Nederland.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Eindrapport Herkenbare en Aanspreekbare wijkverpleging. Ontwikkelingen en lessen 2021-2023 | RIVM

De wijkverpleging in Nederland is sterk versnipperd. Daardoor is niet altijd duidelijk welke organisaties in welke wijk werken, welke zorg ze leveren en of ze plek hebben voor een nieuwe patiënt. Hierdoor kost het huisartsen, ziekenhuizen, patiënten en naasten veel tijd om de juiste zorg te vinden. Om dit te verbeteren, zijn organisaties die wijkverpleging aanbieden de afgelopen jaren meer gaan samenwerken. Dat maakt het in een wijk duidelijker waar deze zorg te vinden is en welke zorg ze precies leveren (herkenbaarheid). Zij delen de verantwoordelijkheid om de juiste zorg te organiseren met de huisarts, het ziekenhuis en het sociaal domein bij gemeenten (aanspreekbaarheid). Het RIVM onderzocht hoe de herkenbaarheid en aanspreekbaarheid zich hebben ontwikkeld tussen 2021 en 2023. Deze eindevaluatie toont aan dat zorgvragen beter en sneller worden opgepakt als organisaties voor wijkverpleging meer samenwerken. Dat helpt onderling en in de samenwerking met de huisarts, ziekenhuizen en het sociaal domein. Ook kunnen wijkverpleegkundigen hierdoor efficiënter met andere zorgprofessionals samenwerken. Als wijkverpleegkundigen samen de aanvragen bespreken, kunnen ze beter bepalen wie welke zorg kan leveren. In sommige regio’s kunnen aanvragen voor wijkverpleging bij één centraal aanmeldpunt worden gedaan. Zorgaanvragers kunnen zo de zorg beter vinden. Ook is het duidelijker welke zorg zij kunnen verwachten als betrokken organisaties op dezelfde manier werken. De meeste wijkverpleegkundigen vinden deze samenwerking dan ook heel belangrijk. Niet alleen om efficiënter te kunnen werken, maar ook vanwege de stijgende vraag naar zorg en de personeelstekorten. Ook kunnen zorgprofessionals dan beter van elkaars kennis en ervaringen leren. De samenwerking wordt onder andere nog bemoeilijkt doordat gegevens van patiënten niet makkelijk uit te wisselen zijn. Dat komt doordat ICTsystemen van zorgorganisaties niet op elkaar aansluiten. In de zorgakkoorden die zijn opgesteld, is hiervoor aandacht.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

IZA-deelmonitor. Naar meer hybride zorg: nulmeting | RIVM

Eind 2022 hebben 14 partijen het Integraal Zorgakkoord (IZA) ondertekend om de zorg goed, toegankelijk en betaalbaar te houden. De partijen hebben hierin onder andere afgesproken om waar dat kan meer digitale zorg en ondersteuning aan te bieden. Dit noemen we hybride zorg: zowel fysiek als digitaal. Voor het IZA houdt het RIVM tot 2027 bij of hybride zorg de werkdruk van zorgverleners verlicht en welk deel van het aanbod aan zorg en ondersteuning geschikt is voor hybride zorg. Ook kijkt het RIVM of hybride zorg gemakkelijk te gebruiken is en hoeveel van het geschikte aanbod al digitaal is. In deze nulmeting heeft het RIVM nu in kaart gebracht hoe hybride zorg er in aanloop naar 2024 voor stond in Nederland. 45 procent van de werknemers in de zorg vindt de werkdruk (veel) te hoog ( CBS Centraal Bureau voor de Statistiek (Centraal Bureau voor de Statistiek) ). Vooral verpleegkundigen denken dat digitale zorg en ondersteuning de werkdruk kan verminderen. Volgens huisartsen verhoogt digitale zorg de werkdruk juist, met uitzondering van telemonitoring. Daarmee kunnen ze op afstand de gezondheid van patiënten in de gaten houden. Artsen die in een ziekenhuis werken zijn verdeeld over digitale zorg: ongeveer de helft vindt dat het voor meer werkdruk zorgt, en de andere helft juist voor minder of is neutraal. Artsen vinden dat bijvoorbeeld een instructievideo voor patiënten, of hen voorafgaand aan een bezoek een digitale vragenlijst laten invullen, de werkdruk verlaagt. Falende techniek en (structurele) financiering vinden voor digitale zorg, verhogen de werkdruk. In het IZA is afgesproken dat ongeveer 70 procent van het zorgaanbod eind 2026 hybride is, en dat ongeveer 50 procent van de zorggebruikers dan hybride zorg krijgt. De meeste zorgverleners denken nu dat maximaal 50 procent van het zorgaanbod hybride kan worden gemaakt. Zowel zorgverleners als zorggebruikers vinden digitale zorg redelijk gemakkelijk te gebruiken. Wel zijn er grote verschillen te zien tussen de verschillende opleidings- en leeftijdsgroepen binnen zorggebruikers. Mensen met een praktische opleiding en ouderen maken nu minder gebruik van digitale zorg. Het is nu nog niet te bepalen welk deel van het zorg- en ondersteuningsaanbod al hybride is, omdat hier nog geen gegevens over verzameld zijn. Het RIVM gaat hier in 2024 gegevens over verzamelen en zal daarover in 2025 rapporteren.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

IZA-deelmonitor. Naar meer regionale samenwerking Nulmeting | RIVM

Eind 2022 hebben 14 partijen het Integraal Zorgakkoord (IZA) ondertekend om de zorg goed, toegankelijk en betaalbaar te houden. De partijen hebben daarin onder andere afgesproken om meer te gaan samenwerken in de regio. Dit geldt voor samenwerking tussen verschillende onderdelen van de zorg, zoals de huisarts, het ziekenhuis en de thuiszorg. Maar ook voor samenwerking tussen medische zorg en sociale ondersteuning, bijvoorbeeld vanuit gemeenten. Voor het IZA monitort het RIVM hoe dit onderwerp zich tot 2027 ontwikkelt. Deze nulmeting laat zien hoe de regionale samenwerking er in Nederland in aanloop naar 2024 voorstond. Er wordt gekeken of de juiste zorg op de juist plek wordt gegeven en of gemeenten goed met elkaar en andere organisaties samenwerken. Ook wordt in kaart gebracht of het medische en het sociale domein goed samenwerken en hoever de regio’s zijn in de ontwikkeling van hun samenwerkingsverbanden. Op basis van deze nulmeting kan nog niet bepaald worden of de juiste zorg altijd op de juist plek wordt gegeven. Er zijn nu nog weinig gegevens over hoe vaak zorgverleners uit verschillende onderdelen van de zorg naar elkaar doorverwijzen. En hoe vaak dat tussen medische zorg en sociale ondersteuning gebeurt. Ook zijn er nog weinig gegevens over het aantal mensen dat gebruikmaakt van verschillende vormen van ondersteuning vanuit gemeenten, zoals maatschappelijk werk. Het RIVM verwacht in 2025 wel meer inzicht te kunnen geven in de samenwerking met en tussen gemeenten. Daarvoor komen gegevens beschikbaar uit ander onderzoek van het RIVM naar het Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA). De samenwerkingsverbanden vinden zelf dat zij hun doelen redelijk (score 3 uit 5) bereiken. Deze 5 doelen zijn: hogere kwaliteit van zorg en ondersteuning, betere gezondheid van inwoners, lagere (zorg)kosten, meer werkplezier voor zorgverleners, gelijkheid tussen inwoners in zorg en ondersteuning. De monitor gebruikt deze doelen als maat voor het succes van de samenwerking. Het is nu nog niet mogelijk om aan te geven hoever de IZA-regio’s zijn in de ontwikkeling van hun samenwerking. Het RIVM verzamelt in 2024 gegevens hierover, en zal hierover in 2025 rapporteren.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Gendergelijkheidsplan 2024 | RIVM

Het RIVM doet mee aan het onderzoeks- en innovatieprogramma van de Europese Unie, Horizon Europe. Dit programma verplicht organisaties om vanaf 2022 een gendergelijkheidsplan te hebben om voor een subsidie in aanmerking te komen. Het RIVM heeft daarom zo’n plan opgesteld. Daarin laat het onder andere zien te streven naar een gelijke verhouding tussen het aantal mannen en vrouwen dat er werkt. Ook steunt het RIVM het idee om gendergelijkheid een onderdeel te laten zijn van een bredere ambitie om de diversiteit en inclusie (D&I) te verbeteren. Deze ambitie is in 2022 concreter vertaald naar en onderdeel van, een strategisch meerjarenplan D&I voor 2022–2025. Het streven is een organisatie te zijn waar de werkvloer zoveel mogelijk lijkt op de samenleving. Bij alles wat we doen, intern en extern, hechten we belang aan kansengelijkheid en het voorkomen van (onbedoelde) discriminatie en uitsluiting. Een gendergelijkheidsplan heeft vier verplichte elementen. Als eerste moet het een openbaar document zijn, waaruit blijkt dat de organisatie zich inspant voor gendergelijkheid. Dit document is inmiddels zichtbaar op de RIVM-website: Gendergelijksplan (gepubliceerd december 2022). Als tweede moet blijken welke middelen worden ingezet om de doelen op te zetten, in te voeren en te monitoren. Hiervoor is in juni 2022 een projectplan opgesteld. Ons doel is het bewustzijn voor diversiteit en inclusie binnen het RIVM te vergroten en er meer op te sturen. Daarnaast worden onder leiding van de projectgroep organisatieprocessen aangepast. De projectgroep ondersteunt ook initiatieven zoals trainingen, lezingen en presentaties om omgangsvormen inclusiever te maken. Inmiddels zijn er ambassadeurs diversiteit en inclusie actief die zich inzetten om het onderwerp beter bespreekbaar en zichtbaarder te maken. Als derde moet de dataverzameling en monitoring zijn beschreven. Met die informatie wordt gendergelijkheid gemeten en zo nodig bijgestuurd. Ook is er in 2021 een nulmeting gedaan over inclusiviteit onder medewerkers. Hierbij zijn bijvoorbeeld het aantal mannen en vrouwen geteld in leidinggevende posities. Maar ook de aantallen medewerkers binnen een salarisschaal. De resultaten geven inzicht hoe we dit verder kunnen verbeteren. Ten slotte moet het RIVM laten zien hoe het investeert om gendergelijkheid te ontwikkelen en onder de aandacht te brengen. Het biedt hiervoor trainingen en opleidingen aan die te maken hebben met diversiteit en inclusie.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Impregneermiddelen in planten- en moestuinbakken. Een kennisnotitie over de mogelijke (gevolgen van) migratie van impregneermiddelen uit planten- en moestuinbakken. | RIVM

Naar aanleiding van een vraag uit de Tweede Kamer is een verkennend literatuuronderzoek uitgevoerd. Het onderwerp is de overdracht van stoffen uit geïmpregneerde houten planten- en moestuinbakken via de grond naar voedselgewassen en (het risico op) gezondheidseffecten door consumptie van de gewassen uit deze bakken.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Counter-expertise on dose calculations for Pallas during normal operation | RIVM

Eind 2022 zijn de voorbereidingen voor de bouw van een nucleaire reactor op het terrein van de Energy & Health Campus in Petten begonnen. Deze reactor, Pallas genaamd, is speciaal ontworpen om medische isotopen te maken en vervangt de huidige reactor. Deze isotopen zijn nodig voor medische diagnoses en behandelingen, zoals bij kanker. Wanneer de reactor in bedrijf gaat, zullen er via de schoorsteen radionucliden worden geloosd. Het RIVM heeft berekend wat de blootstelling aan deze radionucliden is voor omwonenden, en wat dan de stralingsdosis is. De stralingsdosis voor omwonenden blijkt heel laag te zijn: lager dan het zogeheten secundaire niveau van 10 microsievert per jaar. De stralingsdosis voor volwassenen aan de rand van het terrein is het hoogst ten oosten van de schoorsteen naast de hoofdweg (Westerduinweg). Deze bedraagt 0,15 microsievert per jaar. Ook is de stralingsdosis berekend voor de twee dichtstbijzijnde woonkernen, die op ongeveer twee kilometer van de schoorsteen liggen. De dosis is 0,011 microsievert per jaar in Petten en 0,014 in Sint Maartensvlotbrug, dit is minder dan een tienduizendste van de dosis door natuurlijke achtergrondstraling. Ongeveer 70 procent van de stralingsdosis komt van het edelgas isotoop Argon-41. Tritium draagt ongeveer 25 procent bij aan de stralingsdosis. De overige 5 procent betreft andere nucliden. Het RIVM heeft deze berekeningen in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) uitgevoerd. De berekeningen zijn gebaseerd op de informatie van de ANVS over de verwachte uitstoot. De opdracht is een ‘contra-expertise’ op de berekeningen van het bouwconsortium.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Samen meten aan geluid en beleving rond de luchthaven Schiphol. Een verkennend citizen science-onderzoek naar kortetermijnhinder in het kader van de Programmatische Aanpak Meten Vliegtuiggeluid | RIVM

Met citizen science doen burgers en wetenschappers samen onderzoek. Burgers doen bijvoorbeeld zelf metingen of verzamelen informatie. Dit kan een aanvulling zijn op gangbare onderzoeken om hinder door vliegtuiggeluid te bepalen. In deze onderzoeken wordt vooral gekeken naar de gevolgen van langdurige blootstelling. Citizen science geeft waardevol inzicht in hinder op de korte termijn (per dagdeel). Het RIVM heeft met citizen science-onderzoek de invloed van andere onderdelen van de blootstelling onderzocht. Dit geeft meer inzicht in de kortetermijnhinder. Het onderzoek bevestigt dat de mate van hinder door vliegtuigen niet alleen wordt bepaald door het geluidniveau. Ook andere factoren hebben daar invloed op, zoals het aantal vliegtuigpassages per uur of het aantal luide passages van vliegtuigen. Vernieuwend aan het onderzoek is dat gegevens met een app worden verzameld. Hiermee kunnen burgers makkelijk gegevens doorgeven, waardoor snel veel gegevens verzameld kunnen worden. De app maakt het mogelijk om op een efficiënte manier onderzoek met korte vragenlijsten te herhalen. Dit kan beleidsmakers veel waardevolle inzichten geven. Er blijken mogelijkheden te zijn om de kwaliteit van de door de deelnemers verzamelde data te verbeteren. In dit onderzoek is er maar bij een beperkte groep deelnemers onderzoek gedaan. Met meer deelnemers kan hinder nog beter onderzocht worden. Daarnaast moet de plaats waar de meetpunten van de deelnemers staan zorgvuldiger worden gekozen. Want het is belangrijk dat andere geluidbronnen, zoals auto’s, de metingen van vliegtuiggeluid zo min mogelijk beïnvloeden. Voor het onderzoek gaven twee groepen van veertien mensen vier keer per dag informatie door over de mate waarin zij, terugkijkend op een dagdeel, gehinderd waren. Bovendien gaven zij onder meer het aantal vliegtuigen aan en hoe hoog het geluidniveau naar hun idee was. Deze resultaten zijn vergeleken met data van overkomende vluchten. Het onderzoek is gedaan met mensen die aan hard geluid door vliegtuigen blootstaan of daar gevoeliger op reageren.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Westnijlvirus in Nederland. Surveillance en Respons 2021-2023 Eindrapport | RIVM

Het westnijlvirus veroorzaakt westnijlkoorts. Dit virus komt voor bij vogels en wordt overgebracht door muggen die zich voeden met bloed van besmette vogels. Deze muggen verspreiden het virus naar andere vogels, en soms ook naar mensen en zoogdieren, zoals paarden. In 2020 zijn enkele mensen in Nederland besmet geraakt. Dat was de aanleiding om een ‘surveillance’-project op te zetten om inzicht te krijgen hoe vaak het westnijlvirus in Nederland voorkomt. Wanneer een mens besmet raakt, worden artsen en bewoners van gebieden waar het virus is gevonden geïnformeerd. Vanwege de dier op mens besmetting is belangrijk dat artsen uit de gezondheidszorg en dierenartsen met elkaar samen werken (one health). Het virus is tussen 2021 en 2023 in de gaten gehouden. In deze jaren zijn in Nederland geen infecties bij mensen aangetoond, wel bij enkele dieren (kippen, een paard en een blauwe reiger). Het type virus waarmee de reiger was geïnfecteerd, was bijna hetzelfde als het virus uit 2020. Dit toont aan dat het westnijlvirus tussen 2021 en 2023 nog wel in Nederland circuleerde. Het is belangrijk om dit virus ook de komende jaren in Nederland in de gaten te houden. Dan kan snel worden gehandeld mocht iemand van dit virus ziek worden. Een werkgroep gaat uitwerken hoe dat de komende jaren het beste kan worden georganiseerd. Het is in ieder geval belangrijk de samenwerking tussen de verschillende betrokken partijen te behouden. De meeste mensen worden niet ziek van een infectie met het virus. Ongeveer 1 op 5 van de besmette mensen krijgt milde griepachtige symptomen zoals koorts, hoofdpijn en spierpijn. Slechts een klein deel (1 procent) van de besmette mensen krijgt een ernstige ziekte zoals hersenvliesontsteking of hersenontsteking.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Programmatische Aanpak Meten Vliegtuiggeluid (PAMV): Toepassingsbereik metingen en berekeningen van vliegtuiggeluid | RIVM

In Nederland zijn alle normen over vliegtuiggeluid gebaseerd op berekeningen. Metingen van vliegtuiggeluid zijn vooral informatief. Maar burgers hebben meer vertrouwen in metingen en willen dat de overheid ze meer gebruikt. Alleen kunnen metingen worden verstoord waardoor ze beperkingen hebben. Ook zijn ze verder weg van het vliegveld minder betrouwbaar. Daarom is onderzocht tot welke afstand van een vliegveld en geluidbelasting de metingen én berekeningen betrouwbaar zijn; in jargon heet dat het toepassingsbereik. Dit is gedaan door te bepalen tot welke hoogte van het geluid het toepassingsbereik betrouwbaar is. Uit het onderzoek bleek dat de geluidbelasting beter aangeeft welke hoeveelheid geluid te horen is dan de afstand tot het vliegveld. Daarom is het toepassingsbereik uiteindelijk in geluidbelasting bepaald. Voor berekeningen is het geluid berekend dat vliegtuigen een jaar lang gemiddeld rond Schiphol produceren. Hieruit blijkt dat het rekenmodel betrouwbare resultaten geeft bij een hoge geluidbelasting, tot ongeveer 50 decibel Lden Level day-evening-night (Level day-evening-night) . De geluidbelasting is het geluidniveau van vliegtuigen keer het aantal overvliegende vluchten. De geluidbelasting in Lden is de gemiddelde geluidbelasting over een jaar gewogen over een periode van 24 uur. Voor lage geluidniveaus is niet duidelijk hoe betrouwbaar de berekende resultaten zijn. Er zijn namelijk niet genoeg metingen van lage geluidniveaus om de berekeningen mee te kunnen vergelijken. Voor metingen is een toepassingsbereik bepaald van 40 tot 45 decibel Lden. Het toepassingsbereik kan niet preciezer worden bepaald omdat er weinig gegevens over lage geluidniveaus zijn. De analyse van de metingen is gedaan voor twee luchthavens: Schiphol en Eindhoven Airport. Een van de aanbevelingen is te onderzoeken welk effect de beperkte meetdata van lage geluidniveaus heeft op de resultaten. Ook wordt geadviseerd uit te zoeken hoe deze geluidniveaus beter kunnen worden gemeten. Een consortium van het RIVM, het Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum ( NLR Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium (Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium) ) en adviesbureau To70 heeft dit onderzoek gedaan. Zij deden dat voor de Programmatische Aanpak Meten Vliegtuiggeluid (PAMV), in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) ).
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Toelichting over RIVM onderzoek LD-staalslakken | RIVM

Op 19 april 2023 publiceerde het RIVM een rapport over een literatuurstudie van de milieuhygiënische kwaliteit van LD-staalslakken. LD-staalslakken ontstaan als reststroom bij de staalproductie. Dit gebeurt op wereldwijde schaal en in Nederland bij Tata Steel IJmuiden. Adviesbureau TAUW heeft (in opdracht van Pelt & Hooykaas) een second opinion gedaan op deze literatuurstudie. Op verzoek van de Inspectie Leefomgeving en Transport is het RIVM om een schriftelijke reactie daarop gevraagd. Deze reactie staat in dit document beschreven.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Programmatische Aanpak Meten Vliegtuiggeluid (PAMV): Validatie Doc.29-model voor Schiphol | RIVM

In Nederland zijn alle normen over vliegtuiggeluid gebaseerd op berekeningen. Omwonenden willen dat de overheid meer gebruikmaakt van metingen, omdat zij die meer vertrouwen. Dit vertrouwen kan worden vergroot door met metingen te controleren of de rekenmodellen kloppen (valideren). Om te kijken hoe zo’n systeem ingericht kan worden, zijn in dit onderzoek de uitkomsten van berekeningen en metingen van vliegtuiggeluid rond Schiphol vergeleken. Bij een hoge geluidbelasting blijken de berekeningen en metingen vrij goed overeen te komen. De geluidbelasting is het geluidniveau van vliegtuigen keer het aantal overvliegende vluchten. De geluidbelasting in Lden Level day-evening-night (Level day-evening-night) is de gemiddelde geluidbelasting over een jaar gewogen over een periode van 24 uur. Bij een hoge geluidbelasting bleek het verschil tussen meten en rekenen per meetpost minder dan 2 decibel Lden. Dat maakt de berekeningen voor een hoge geluidbelasting betrouwbaar. De Lden is een geluidmaat voor de jaargemiddelde geluidbelasting. Het geeft in principe een waarde voor de gewogen jaargemiddelde etmaal belasting. Bij lage geluidbelasting is het verschil tussen meten en rekenen groter. Dat komt onder andere omdat er weinig betrouwbare meetdata van lage geluidniveaus zijn. De meetpunten rond Schiphol meten veel vluchten met een laag geluidniveau namelijk niet. Hierdoor wordt een flink aantal vliegbewegingen met een laag geluid niet geregistreerd. Dit geldt bijvoorbeeld voor plaatsen die verder weg van Schiphol liggen. In dit onderzoek zijn de berekeningen gedaan met het zogeheten Doc.29-rekenmodel. De resultaten van de metingen zijn verzameld via meetposten van Schiphol (het NOMOS-meetnetwerk). Van alle meetposten van dit netwerk is gekeken welke geschikt zijn voor de validatie. Hiervoor zijn criteria gebruikt die eerder zijn bepaald voor de nationale meetstrategie PAMV (Programmatische Aanpak Meten Vliegtuiggeluid). Meer onderzoek is nodig om de oorzaken van de gevonden verschillen te verklaren. Aanbevolen wordt te onderzoeken welk effect de beperkte meetdata van lage geluidniveaus heeft op de resultaten. Ook adviseren we uit te zoeken hoe deze geluidniveaus beter kunnen worden gemeten. Een consortium van het RIVM, het Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum ( NLR Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium (Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium) ) en adviesbureau To70 heeft dit onderzoek gedaan. Aanleiding was een aanbeveling uit 2019 om de kwaliteit van de berekeningen van vliegtuiggeluid te beoordelen. Met de uitkomsten van dit onderzoek is ook de eerste stap gezet om een validatieprogramma op te zetten dat lange tijd en structureel de rekenresultaten met metingen controleert.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Aanvullende indicatoren van geluid van civiele luchtvaart voor de voorspelling van hinder en slaapverstoring. Een verkenning van langdurige (1 jaar) blootstelling en ernstige hinder en slaapverstoring | RIVM

Omwonenden van vliegvelden worden blootgesteld aan vliegtuiggeluid. Deze ‘geluidbelasting’ wordt berekend en gebruikt om te voorspellen hoeveel mensen hierdoor ernstig hinder of slaapverstoring ervaren. De geluidbelasting van overvliegende vliegtuigen wordt sinds 2004 aangegeven met twee Europese geluidmaten: Lden Level day-evening-night (Level day-evening-night) en Lnight het over alle nachtperioden van een jaar gemiddelde geluidniveau (het over alle nachtperioden van een jaar gemiddelde geluidniveau) . Omwonenden vragen zich af of deze geluidmaten goed aansluiten bij de manier waarop zij ernstige hinder en slaapverstoring door vliegtuiggeluid ervaren. Geluidpieken zien zij te weinig hierin terug. Het RIVM onderzocht daarom of drie extra geluidmaten de ervaren hinder en slaapverstoring van omwonenden beter kunnen weergeven. Uit dit onderzoek blijkt dat een berekening met drie extra geluidmaten de geluidbelasting iets preciezer kan weergeven. Door Lden en Lnight met deze geluidmaten te combineren, sluiten de resultaten iets beter aan bij de beleving (hinder, slaapverstoring) van omwonenden. Alleen zijn ze ingewikkeld en bewerkelijk om uit te voeren. Dat komt onder andere omdat moeilijke statistische vergelijkingen en meer geluidgegevens nodig zijn om de relatie met hinder en slaapverstoring weer te geven. Afgewogen moet worden of de preciezere weergave opweegt tegen de bewerkelijke uitvoering en interpretatie. Om ernstige hinder en ernstige slaapverstoring van een langdurige (jaargemiddelde) blootstelling aan vliegtuiggeluid te voorspellen, lijkt de huidige werkwijze met alleen Lden en Lnight de voorkeur te hebben. Lden geeft een gemiddelde waarde voor de geluidbelasting op een bepaald punt over 24 uur (overdag, ‘s avonds en ’s nachts, gemiddeld over een jaar). Lnight geeft de geluidbelasting tijdens de nacht aan (tussen 23.00 en 7.00 uur, gemiddeld over een jaar). Een van de extra indicatoren is het aantal overvliegende vliegtuigen dat meer geluid geeft dan een bepaalde hoeveelheid decibel, bijvoorbeeld 65, 75 of 80 (NAx). De tweede is hoe lang vliegtuigen boven een bepaald geluidniveau uitkomen (TAx). De derde is de oude Nederlandse ‘maat’, de kosteneenheid (Ke, vernoemd naar de bedenker Kosten). Deze geluidgegevens zijn gekoppeld aan informatie van omwonenden uit de Gezondheidsmonitor 2020 over de beleving van hinder en slaapverstoring door vliegtuiggeluid. De verschillen tussen de geluidindicatoren zijn onderzocht voor vijf (vooral civiele) luchthavens in Nederland: Schiphol, Rotterdam, Maastricht/Geilenkirchen, Eindhoven en Groningen. Dit onderzoek is uitgevoerd voor de Programmatische Aanpak Meten Vliegtuiggeluid (PAMV). In dit kader wordt ook onderzoek gedaan om de kortetermijn-hinder beter weer te geven. In een apart project over ‘Citizen Science’ wordt onderzocht hoe dit voor vliegtuiggeluid kan. PAMV is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) ).
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Inventory of reusable food contact materials on the Dutch market as alternatives to single-use plastics and an evaluation of possible safety issues | RIVM

De Europese Unie wil de schadelijke effecten van plastic zwerfafval voor het milieu stap voor stap tegengaan. Zo zijn sinds 2021 verschillende soorten plastic producten verboden die één keer worden gebruikt en daarna weggegooid - de zogeheten Single Use Plastics (SUP). In plaats van deze producten zijn er nu veel herbruikbare producten op de Nederlandse markt, zoals rietjes, drinkflessen en koffiebekers van siliconen, roestvrijstaal (RVS) of herbruikbaar plastic. Het RIVM heeft geïnventariseerd welke herbruikbare voedselcontactmaterialen in Nederland op de markt zijn en van welke materialen ze zijn gemaakt. Daarna is op een rij gezet welke stoffen uit deze materialen zouden kunnen vrijkomen. Ook is gekeken hoe hygiënisch het is om bijvoorbeeld een koffiebeker verschillende keren te gebruiken. Verder is gekeken of het type materiaal het lichaam kan beschadigen. Uit het onderzoek blijkt dat plastic, RVS en siliconen de meest gebruikte materialen zijn. Literatuuronderzoek laat zien dat uit deze materialen onder bepaalde omstandigheden verschillende stoffen kunnen vrijkomen. Het RIVM adviseert om gerichter onderzoek te doen naar mogelijke schadelijke effecten van 20 stoffen, zoals melamine en dibutylftalaat. Deze stoffen zijn geselecteerd op basis van hun schadelijke eigenschappen en de kans dat ze ook echt uit het materiaal vrijkomen. Het RIVM heeft daarbij aangegeven welke materialen en stoffen het eerst moeten worden onderzocht. Als je een herbruikbaar product regelmatig schoonmaakt, is de kans klein om bijvoorbeeld ziek te worden van bacteriën. Als mensen een drinkfles delen met anderen, is dat wel mogelijk. Goede hygiëne is dan belangrijk. Lopen of rennen met een herbruikbaar product als metalen rietjes kan, vooral bij jonge kinderen, letsel veroorzaken. Het RIVM heeft dit onderzoek in opdracht van de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit ( NVWA Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit) ) gedaan.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Evaluatie Actieplan Nederland Beweegt - Plan van Aanpak | RIVM

Met het Actieplan Nederland Beweegt beoogt het Ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) de juiste voorwaarden te creëren om bewegen gedurende de hele dag te stimuleren (onder andere via een gezonde leefomgeving) en het in beweging krijgen van Nederlanders zelf. Het RIVM is door de directie Sport van het Ministerie van VWS gevraagd om het beweegbeleid (2022-2025) zoals beschreven in het Actieplan te evalueren. Als eerste stap is hiervoor een Plan van Aanpak opgesteld. In dit plan staat het doel van de evaluatie, de evaluatieactiviteiten per actielijn en cijfers over beweeggedrag die ten behoeve van de evaluatie worden meegenomen beschreven. Ook worden de verwachte producten en samenwerkingen toegelicht. Tot en met eind 2025 zal het RIVM dit Plan van Aanpak gaan uitvoeren. In januari 2025 staat de eerste voorgangsrapportage gepland
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Evaluatie maatregelen bescherming drinkwaterbronnen. Landelijke beeld van de uitvoeringsprogramma’s bij gebiedsdossiers drinkwaterwinningen | RIVM

In Nederland halen we ons drinkwater uit twee bronnen: grondwater en rivierwater. Als de kwaliteit daarvan goed is, is weinig zuivering nodig om schoon drinkwater te maken. Maar in veel gebieden is de waterkwaliteit niet goed genoeg, bijvoorbeeld doordat er resten van bestrijdingsmiddelen of meststoffen in zitten. De provincies en Rijkswaterstaat werken daarom met drinkwaterbedrijven, waterschappen en boeren aan maatregelen om de waterkwaliteit rondom drinkwaterwinningen te verbeteren. Uit RIVM-onderzoek blijkt dat deze maatregelen de problemen waarschijnlijk niet gaan oplossen. Daarvoor zijn verschillende redenen. De meeste maatregelen brengen risico’s in kaart of helpen de samenwerking tussen betrokken partijen verbeteren. Bijvoorbeeld door af te spreken wie wat doet bij onderhoud van leidingen of door samen noodplannen te oefenen. Deze maatregelen zijn belangrijk, maar zorgen er niet meteen voor dat er minder vervuilende stoffen naar het grond- en oppervlaktewater wegspoelen. Ook zijn er maar weinig maatregelen die dat wel direct verminderen. Denk aan herzieningen van vergunningen voor bedrijven om vervuilende stoffen te lozen. Of minder mest en bestrijdingsmiddelen gebruiken bij landbouw rondom drinkwaterwinningen. Meedoen aan maatregelen is vaak vrijwillig. Door tegengestelde belangen, worden maatregelen vaak afgezwakt. Ook zijn sommige maatregelen die wel goed werken voor provincies te duur om uit te voeren. Verder is voor bepaalde problemen niet duidelijk of de rijksoverheid dit moet oplossen of juist provincies en waterschappen. Bovendien is de monitoring te weinig erop ingericht om de effecten van maatregelen te volgen. Het RIVM doet aanbevelingen voor een effectiever waterbeheer. Dit kan door meer maatregelen te nemen die vervuilende activiteiten aanpakken. Daarbij is het belangrijk de structurele taakverdeling tussen de rijksoverheid en provincies te verduidelijken. Ten slotte wordt aangeraden beter te volgen welk effect maatregelen hebben.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Recycling of solar panels. Comparison of scenarios for a more circular and safe product chain | RIVM

Nederland streeft naar een circulaire economie in 2050. Een onderdeel daarvan is grondstoffen en materialen recyclen, zoals zonnepanelen. Op dit moment worden grondstoffen uit zonnepanelen na gebruik nog niet teruggewonnen. Naar verwachting zullen over ruim vijf jaar de eerste grote hoeveelheden zonnepanelen als afval vrijkomen. Het is belangrijk om hierop voorbereid te zijn en ze veilig en duurzaam te kunnen recyclen. Er zijn verschillende technologieën in ontwikkeling om zonnepanelen te recyclen. Het RIVM heeft vier mogelijkheden uitgewerkt om het glas, de zonnecellen en het achterblad ervan te recyclen. De teruggewonnen materialen uit zonnepanelen kunnen opnieuw worden gebruikt als grondstof voor verschillende toepassingen. In dit onderzoek is gekeken is welke mogelijkheden in de praktijk uitvoerbaar lijken en hoe milieuvriendelijk ze zijn. De vier varianten zijn vergeleken met de huidige situatie (de basisvariant). Daarin wordt vermalen glas van zonnepanelen als schuurmiddel in de metaalindustrie gebruikt en daarna verwerkt in bijvoorbeeld funderingsmateriaal voor wegen. Uit de analyse blijkt dat alle vier de varianten meer circulair en milieuvriendelijker zijn dan de basisvariant. Het energiegebruik verschilt iets per variant maar is veel lager dan dat van de basisvariant. Dat komt onder andere doordat het meer energie kost om nieuwe grondstoffen voor zonnepanelen te maken dan met gerecyclede grondstoffen te werken. Het meest circulair is de variant waarin van glas nieuw glas voor zonnepanelen wordt gemaakt. In deze variant kan ook de grondstof silicium worden herwonnen voor nieuwe zonnecellen. Dit is technologisch ingewikkeld maar wel mogelijk. Bij de recycling is aandacht nodig voor gevaarlijke stoffen in zonnepanelen: lood, antimoon en PFAS Per- en polyfluoralkylstoffen (Per- en polyfluoralkylstoffen ) . Lood zit in het soldeermateriaal en antimoon zorgt voor de helderheid van het glas. PFAS zitten als fluorpolymeren in het achterblad van zonnepanelen, waardoor bij verbranding PFAS kunnen vrijkomen. De manier van recyclen bepaalt of en hoe de stof vrijkomt en mens en milieu eraan kunnen worden blootgesteld. Het RIVM raadt het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) ) aan de technologische ontwikkelingen om zonnepanelen te recyclen, te stimuleren. Dan zijn over vijf jaar deze of vergelijkbare recyclingmogelijkheden haalbaar. Het RIVM beveelt IenW ook aan te stimuleren dat bij het ontwerp rekening wordt gehouden met recycling. Dit geldt bijvoorbeeld voor de manier waarop de zonnecellen aan het glas en het achterblad worden gelijmd. Verder is het belangrijk om gevaarlijke stoffen zo min mogelijk te gebruiken. Zonnepanelen zonder lood en zonder PFAS zijn al te koop.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Gezondheidseffecten van klimaatverandering. Actualisatie van de huidige klimaatrisico's voor gezondheid | RIVM

Het klimaat verandert wereldwijd, en ook in Nederland. De gemiddelde temperatuur is de afgelopen eeuw gestegen. Er is meer neerslag, meer droogte en er komen vaker zomerse dagen voor (boven de 25 graden Celsius). Het RIVM heeft de gevolgen van klimaatverandering voor onze gezondheid in de afgelopen 30 jaar (1991-2020) in kaart gebracht. Er zijn nu al grote gevolgen voor de gezondheid te zien. Deze effecten zullen naar verwachting toenemen. Dit onderzoek focust zich op de effecten op de gezondheid van hitte, UV ultraviolet (ultraviolet) -straling, luchtkwaliteit, (pollen)allergieën en infectieziekten door klimaatverandering. Ook mentale gezondheidsgevolgen zijn meegenomen. Het blijkt mogelijk te zijn om aan te geven dát klimaatverandering de gezondheid verslechtert en op welke manier. Maar de mate waarin dat gebeurt is vaak nog niet aan te geven omdat ook andere oorzaken eraan bijdragen. Meer kennis is nodig om de impact van klimaatverandering beter in beeld te krijgen en goede adviezen voor beleid te kunnen maken die de gezondheid beschermen. Het best onderbouwde effect van klimaatverandering op gezondheid is het aantal extra sterfgevallen door de hogere gemiddelde jaartemperatuur: gemiddeld 250 doden per jaar. Door klimaatverandering zijn er onder andere meer warme dagen (boven de 20 graden). Ook komen er meer hittegolven voor, die langer duren en heter zijn. Hierdoor sterven meer mensen dan normaal. Hitte en droogte gaan vaak samen met veel pollen in de lucht en hoge concentraties ozon (zomersmog). Hierdoor kunnen mensen het benauwd krijgen, zeker als zij al aandoeningen aan de luchtwegen hebben. Het groeiseizoen duurt langer en er zijn meer pollen in de lucht. Meer mensen kunnen hooikoorts krijgen of hun klachten kunnen erger worden. Daarnaast staan mensen om verschillende redenen aan meer UV-straling bloot. Bijvoorbeeld omdat de zon meer uren schijnt, er minder wolken zijn en mensen meer buiten zijn met zonnig weer. Hierdoor is de kans op huidkanker groter. Verder komen bepaalde infectieziekten, zoals legionellose, door klimaatverandering nu vaker voor. De Legionella-bacterie, die deze ziekte veroorzaakt, vermeerdert zich in warm water en kan via nevel worden ingeademd. Bijvoorbeeld als het na een warme en droge periode hard regent. Verder zijn teken een langere periode in het jaar actief, waardoor de kans om de ziekte van Lyme te krijgen groter is geworden. Daarnaast kan klimaatverandering een negatief effect hebben op de mentale gezondheid door de dreiging die ervan uitgaat en ervaringen met extreem weer. Het RIVM heeft de bestaande kennis verzameld op verzoek van het Planbureau voor de Leefomgeving ( PBL Planbureau voor de Leefomgeving (Planbureau voor de Leefomgeving) ). Het PBL verzamelt kennis over de gevolgen van klimaatverandering voor de vernieuwing van de Nationale Adaptatie Strategie (NAS). Het PBL brengt de komende jaren ook de toekomstige gevolgen van klimaatverandering in beeld.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Kiezen tussen twee kwaden | RIVM

Dilemma’s van burgers in de coronapandemie. Draagvlak voor beleid hangt samen met de mate van solidariteit. In vier focusgroepen met burgers met verschillende sociaaleconomische achtergronden exploreerden we in hoeverre de zorg voor coronapatiënten het openhouden van scholen en de maatschappij en de doorgang van reguliere zorg volgens burgers mag beïnvloeden, en wat ze bereid zijn om hieraan zelf bij te dragen.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Houd de maatschappij open voor jongeren en geef duidelijke uitleg over de maatregelen | RIVM

Deze kennisupdate dient als aanvulling op een preferentiestudie van de Corona Gedragsunit over de voorkeuren van burgers ten aanzien van het toekomstig coronabeleid (Preferentiestudie RIVM Gedragsunit). Daarin zijn laaggeletterden, mensen met een migratie achtergrond, jongeren, en mensen met een kritische houding ten opzichte van de overheid ondervertegenwoordigd. Wij verkenden hun voorkeuren ten aanzien van het coronabeleid in kwalitatieve interviews.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Handreiking beoordeling PFAS in zwemwater | RIVM

Iedereen die zwemt krijgt onbedoeld water binnen, en daarmee kleine beetjes PFAS Per- en polyfluoralkylstoffen (Per- en polyfluoralkylstoffen ) . Deze kennisnotitie bevat een praktische handreiking voor een eerste inschatting van de risico’s van zwemwater waarin PFAS zijn aangetroffen. Deze handreiking hanteert de recent door het RIVM afgeleide advieswaarden voor zwemwater. De conclusies van het Landelijk Zwemwater Overleg over het gebruik van deze advieswaarden door overheden zijn als bijlage opgenomen in deze handreiking.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Handreiking beoordeling PFAS in irrigatiewater | RIVM

Groenten in een moestuin kunnen (meer) PFAS Per- en polyfluoralkylstoffen (Per- en polyfluoralkylstoffen ) bevatten wanneer deze besproeid worden met oppervlaktewater waarin PFAS zit. Deze kennisnotitie bevat een praktische handreiking voor een eerste inschatting van de risico’s van irrigatie van moestuinen met oppervlaktewater waarin PFAS zijn aangetroffen. Deze handreiking hanteert een voorlopige, pragmatisch door het RIVM afgeleide risicogrens voor PFAS in irrigatiewater. Deze risicogrens is een advieswaarde van het RIVM en heeft geen formele status.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Handreiking beoordeling PFAS in oppervlaktewater: consumptie van vis en andere waterdieren | RIVM

Mensen vissen in oppervlaktewater en eten deze vis en andere waterdieren, zoals rivierkreeften. Door het eten van de (zelf gevangen) vis, kunnen mensen PFAS Per- en polyfluoralkylstoffen (Per- en polyfluoralkylstoffen ) binnenkrijgen. Deze kennisnotitie bevat een praktische handreiking voor een eerste inschatting van de risico’s van consumptie van vis en andere waterdieren uit oppervlaktewater waarin PFAS zijn aangetroffen. Deze handreiking hanteert de eerder door het RIVM afgeleide risicogrenzen voor oppervlaktewater . Deze risicogrenzen zijn advieswaarden van het RIVM en hebben geen formele status.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Visuele informatie voor veilig gedrag. Een onderzoek naar de toepassingen en richtlijnen voor symbolen, markeringen en belijning op de werkplek | RIVM

Elk jaar onderzoekt de Nederlandse Arbeidsinspectie ongeveer 2.000 ongevallen die zijn gebeurd op het werk. Arboprofessionals nemen in bedrijven al veel maatregelen om deze ongevallen te voorkomen. Een mogelijkheid om te zorgen dat werkenden zich veilig gedragen, is het gebruik van symbolen, belijningen en markeringen op de werkplek. Dit heet visuele informatie. Het RIVM onderzocht hoe visuele informatie op de werkplek wordt gebruikt en of dat volgens wetenschappelijke richtlijnen gebeurt. Hieruit blijkt dat visuele informatie voor een groot deel al goed wordt ingezet. Wel zijn er nog aandachtspunten om visuele informatie beter te gebruiken. Medewerkers begrijpen de meeste informatie op de werkvloer goed, maar niet alles. Ook letten de meeste werkenden die het RIVM voor dit onderzoek heeft gesproken er niet op tijdens het werk. Zij vinden bijvoorbeeld dat het niet nodig is. Bij het inzetten van symbolen, markeringen en belijningen, moet met verschillende dingen rekening worden gehouden. Het gaat hierbij zowel over de persoon voor wie de informatie is bedoeld, als de omgeving, en hoe de informatie eruitziet. Het is bijvoorbeeld belangrijk dat een boodschap op elke plek hetzelfde eruitziet. Anders ontstaat verwarring over de betekenis ervan. Ook krijgen mensen niet alles mee als er teveel informatie op één plek staat. Het RIVM heeft de aandachtspunten overzichtelijk op een rij gezet. Er is nog weinig onderzoek gedaan naar het effect van visuele informatie op het gedrag van medewerkers. Wel is bekend dat aandacht, begrip en motivatie om te doen wat de informatie aangeeft, belangrijke voorwaarden zijn om het gewenste gedrag te bereiken. Voor dit onderzoek sprak het RIVM met arboprofessionals en medewerkers. Ook heeft het gekeken of visuele informatie wordt ingezet volgens richtlijnen in de wetenschappelijke literatuur.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Verbruiksbelasting alcoholvrije dranken | RIVM

Aanvullende berekeningen bij het RIVM rapport 2023-0314: Impact van een getrapte verbruiksbelasting op de verkoop van suiker via alcoholvrije dranken - Mogelijke aanpassingen in de verbruiksbelasting doorgerekend .
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Radionucliden in het Nederlandse rioolwater. Een pilotstudie | RIVM

In Nederland mogen ondernemers onder bepaalde voorwaarden radioactieve stoffen lozen op het openbare riool. Dat zijn vooral ziekenhuizen met een afdeling nucleaire geneeskunde. Via patiënten komen de gebruikte radionucliden in het toilet terecht en dus in de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Maar ook onderzoeksinstellingen en industrie lozen deze stoffen. Radioactieve stoffen die in het afvalwater van bedrijven of industrie zitten, zijn op te sporen in de watermonsters van de rioolwaterzuiveringsinstallaties ( RWZI Rioolwaterzuiveringsinstallatie (Rioolwaterzuiveringsinstallatie ) ’s). Dat blijkt uit deze pilot van het RIVM. Dit was tot nu toe niet onderzocht in Nederland. De pilot geeft een eerste indruk welke radionucliden in het rioolwater aantoonbaar zijn. In deze metingen zijn jodium-131 en lutetium-177 gevonden. Deze radionucliden komen van ziekenhuizen met een afdeling nucleaire geneeskunde. Deze informatie geeft handvatten voor meer onderzoek. Bijvoorbeeld of RWZI-medewerkers onbedoeld aan radionucliden blootstaan. En of daarvoor beschermende maatregelen nodig zijn. Verder zou een meetnet kunnen worden opgezet door structureel bij alle RWZI’s in Nederland radionucliden in rioolwater te meten. Met dit soort informatie kunnen onverwachte lozingen of een ongeval met straling worden opgespoord. Voor de pilot is het systeem gebruikt dat tijdens de corona-epidemie in Nederland is opgezet om via de rioolwaterzuiveringsinstallaties te volgen hoeveel mensen er besmet zijn met het virus. Op basis van dit beperkte onderzoek is niet bekend in welke hoeveelheden radionucliden in Nederland in het riool te vinden zijn. Het is nuttig om rioolwater op radioactieve stoffen te onderzoeken, omdat de nucleaire geneeskunde groeit en verandert. Dit komt onder andere door technologische ontwikkelingen. Ook zijn andere radionucliden in opkomst voor nieuwe medische behandelingen. Een voorbeeld is de inwendige bestraling van prostaatkanker met lutetium-177. Jodium-131 wordt al lange tijd gebruikt om aandoeningen van de schildklier te behandelen.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Duurzaam borgen van Welzijn op Recept. Lessen uit de literatuur en actieonderzoek | RIVM

De overheid wil meer verbinding leggen tussen het medisch en het sociaal domein. Een voorbeeld daarvan is Welzijn op Recept. Hierbij verwijst de huisarts mensen met lichte psychosociale klachten, zoals eenzaamheid, naar een welzijnscoach in het sociale domein. Deze coach zoekt samen met de cliënt naar een activiteit om het welbevinden te vergroten. Voorbeelden zijn verschillend, variërend van een buurtcentrum bezoeken tot vrijwilligerswerk doen. Het blijkt alleen lastig om het contact tussen de huisarts en de welzijnscoach een vast onderdeel te laten zijn van het lokale zorg- en ondersteuningsaanbod. RIVM en TNO hebben daarom onderzocht wat nodig is om dit beter te realiseren. Het RIVM en TNO adviseren een kernteam op te zetten, waarin alle betrokken partijen zitten. Dat zijn zowel de huisarts en de welzijnscoach, als een vertegenwoordiger uit het management van het gezondheidscentrum of de huisartspraktijk, en de gemeente voor een breed draagvlak. In dit team moet eerst duidelijk worden wat Welzijn op Recept is, voor wie, en wie welke rollen en taken heeft. Daarnaast is blijvende financiering belangrijk en moet de professional genoeg tijd hebben om de patiënt goed te kunnen helpen. Goede samenwerking tussen de betrokken partijen is daarvoor essentieel, net als genoeg aanbod van activiteiten. Om Welzijn op Recept een vaste plek te laten krijgen, is het belangrijk dat zowel de patiënt als professionals de interventie kennen. Ook moet de patiënt bereid zijn om aan activiteiten deel te nemen. Verder is het belangrijk dat de welzijnscoach zichtbaar is in de praktijk, om zo een vertrouwd gezicht te zijn en met wie het makkelijk contact maken is. Daarnaast is het belangrijk dat de huisarts en de welzijnscoach met elkaar in contact blijven, zodat duidelijk is hoe het met de cliënt gaat. Hierdoor krijgt de patiënt vertrouwen in de aanpak. Tot slot is het belangrijk inzicht te krijgen in de effecten van deze interventie en de aanpak onder de aandacht te blijven brengen.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Beschouwing toekomst bevolkingsonderzoeken en pre- en neonatale screenings. Onderdeel van de Ontwikkelagenda | RIVM

Het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) en het RIVM werken samen aan een strategie om te zorgen dat de bevolkingsonderzoeken naar kanker en pre- en neonatale screenings voorbereid zijn op de toekomst. Dit heet de Ontwikkelagenda: een routekaart met projecten, gekoppeld aan ambities van VWS. Het doel van de Ontwikkelagenda is om effectief en proactief in te spelen op innovaties en ontwikkelingen in de toekomst. Het RIVM geeft in deze Beschouwing inzichten en aanbevelingen voor de toekomst; als voorbereiding op de Ontwikkelagenda. Uitgangspunt is dat de kwaliteit van de bevolkingsonderzoeken en screenings hoog blijft. Daarnaast is het belangrijk dat alle betrokken partijen zo goed mogelijk samenwerken om snel en effectief in te kunnen spelen op nieuwe ontwikkelingen. Het is daarom belangrijk actief zicht te hebben en te houden op ontwikkelingen. Dan kan de organisatie van de bevolkingsonderzoeken en screenings goed inspelen op bedreigingen, zoals personeelstekorten en cyberaanvallen. Tegelijkertijd is het belangrijk kansen te benutten, zoals technologische ontwikkelingen en screenings op maat aanbieden. Technologische ontwikkelingen maken het mogelijk om aandoeningen in een vroeg stadium op te sporen en zo de kans om te genezen te vergroten. Als voorbeeld van screening op maat worden personen die een grotere kans hebben kanker te krijgen vaker uitgenodigd. Bij screening op maat zijn de (gezondheids-)voordelen groter en de nadelen kleiner. Ook is het kostenefficiënter. Een heldere visie op preventie is belangrijk om doordachte keuzes te maken voor de toekomst van de bevolkingsonderzoeken en screenings. Ook is het belangrijk vernieuwingen snel te kunnen invoeren. Verder is meer en gerichter onderzoek nodig waarbij onderzoek en de haalbaarheid in de praktijk zo veel mogelijk op elkaar aansluiten.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Eten en drinken op en rondom middelbare scholen. De keuzes van scholieren | RIVM

In dit onderzoek is de voedselomgeving van middelbare scholieren in kaart gebracht en de keuzes die zij daarin maken. Scholieren kunnen (vrijwel) altijd eten en drinken rondom school kopen. Hier wordt vooral in tussenuren en samen met vrienden gebruik van gemaakt. De supermarkt is daarbij populair. Scholieren hebben er maximaal 9 minuten voor over om bij een verkooppunt te komen. Dit blijkt uit een vragenlijstonderzoek van het RIVM onder bijna 1.400 Nederlandse middelbare scholieren tussen de 12 en 18 jaar oud.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Tools for the implementation of integrated water and sanitation safety planning in small systems | RIVM

Wereldwijd halen veel kleine dorpen en gemeenschappen hun drinkwater uit verschillende waterbronnen. Het is niet zeker dat het drinkwater dan schoon is. Verder zijn hier sanitaire voorzieningen die vaak minder goed worden beheerd, waardoor ziekteverwekkers in drinkwaterbronnen of de omgeving kunnen terechtkomen. Dat kan ook in Nederland of Europa het geval zijn. Mensen kunnen ziek worden als zij bijvoorbeeld via drinkwater, of gewassen in contact komen met deze ziekteverwekkers Goed en veilig beheer is dan ook belangrijk om de kans via water ziek te worden zo klein mogelijk te maken. Daarom hebben het RIVM en de Duitse organisatie UBA in 2021 een werkwijze ontwikkeld die veilig beheer van kleinschalig drinkwater en sanitaire voorzieningen combineert. Deze werkwijze, integrated Water and Sanitation Safety Planning (iWSSP) geheten, brengt besmettingsroutes van drinkwater in kaart. Zo kunnen maatregelen worden genomen om besmettingen te voorkomen. Deze aanpak draagt bij aan zowel schoon drinkwater als veilige sanitaire voorzieningen. In dit rapport geven het RIVM en UBA handvatten voor mensen die werken met kleine systemen en de werkwijze voor hun gemeenschap willen invoeren. De gecombineerde werkwijze is vooral gewenst wanneer dorpen of gemeenschappen weinig geld of kennis hebben. De aanpak kan wereldwijd worden gebruikt. Voor de iWSSP zijn de aanpakken samengevoegd die de Wereldgezondheidsorganisatie ( WHO World Health Organization (World Health Organization ) ) voor beide systemen apart heeft ontwikkeld. iWSSP bestaat uit zes stappen om de mogelijke risico’s van drinkwater en sanitaire voorzieningen te herkennen en te beperken. De zes stappen van iWSSP worden kort uitgelegd. Verder geeft het rapport ondersteunen praktische tips en kant-en-klare documenten de invoering van de aanpak in kleine drinkwater- en sanitaire systemen. Alle zes stappen moeten worden doorlopen om iWSSP in kleine systemen in te voeren.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Vijf jaar integrale bekostiging van de geboortezorg: effecten op zorggebruik, gezondheidsuitkomsten en zorguitgaven | RIVM

Het RIVM onderzoekt het effect van integrale bekostiging van de geboortezorg op zorggebruik, de gezondheidsuitkomsten en zorguitgaven. De bedoeling van deze vorm van bekostiging is het verbeteren van de kwaliteit van de geboortezorg door de samenwerking tussen verschillende zorgverleners te versterken. Hiervoor zijn in diverse regio’s zogeheten integrale geboortezorgorganisaties (igo’s) opgezet. In de igo’s is de zorg zo georganiseerd dat alle aangesloten zorgaanbieders, zoals verloskundigen, gynaecologen en kraamzorg, meer met elkaar afstemmen en samenwerken. De igo krijgt nu een bedrag voor het hele traject van de zwangerschap en geboorte en verdeelt daarna het geld over de verschillende zorgverleners. Vóór die tijd werden alle zorgverleners apart betaald. Tussen 2017 en 2022 blijken de verschillen in het zorggebruik tussen de igo’s klein te zijn. Ook stegen de kosten van de geboortzorg iets minder voor deze periode. Verder blijkt dat de gezondheidseffecten niet zijn veranderd, als gekeken wordt naar de resultaten bij alle igo’s samen. Het gaat daarbij onder andere om het aantal vroeggeboortes, kinderen met een laag geboortegewicht of vrouwen met een ernstige bloeding na de bevalling. Wel verschillen deze uitkomsten sterk per igo. Zo zijn bij sommige igo’s minder kinderen geboren met een laag geboortegewicht en bij anderen juist meer. De verschillen in effecten tussen de igo’s komen onder andere doordat igo’s zelf kiezen welke interventies en veranderingen ze invoeren om de zorg te verbeteren. Dit maakt het moeilijk om het effect van integrale bekostiging op verschillende gezondheidseffecten van alle igo’s samen te meten. Daarnaast geven de igo’s zelf aan dat zij niet goed weten welke effectieve interventies er zijn en wanneer die nuttig zijn. Daarom adviseert het RIVM de igo’s te helpen de lokale problemen beter in beeld te krijgen en hen beter te informeren welke effectieve interventies daarvoor bestaan. In 2017 begon in opdracht van het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) integrale bekostiging als een experiment. Sinds 1 januari 2023 is het onderdeel geworden van de reguliere bekostiging. Er bestaan daardoor nu twee bekostigingsmodellen voor de geboortezorg; regio’s kiezen zelf welke zij gebruiken.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Monitor Kansrijke Start 2023 | RIVM

De meeste kinderen in Nederland worden gezond geboren en groeien gezond op in een veilige en beschermde omgeving. Maar niet alle kinderen. Het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) is in september 2018 het actieprogramma ‘Kansrijke Start’ begonnen om meer kinderen een goede start te geven. Gemeenten en zorgverleners kunnen hiermee initiatieven opzetten om ouders vóór, tijdens, en na de zwangerschap te ondersteunen. Het RIVM volgt sinds 2019 in hoeverre gemeenten zulke initiatieven hebben opgezet en hoe de gezondheid van jonge kinderen zich ontwikkelt. De monitor Kansrijke Start van 2023 laat zien dat steeds meer gemeenten aandacht besteden aan een goede start van een kind. In 2023 had 62 procent van de gemeenten een ‘lokale coalitie’, ongeveer 15 procent meer dan in 2022. In lokale coalities werken professionals uit alle betrokken ‘domeinen’ samen, zoals uit de geboortezorg, jeugdgezondheidszorg en gemeenten. Deze partijen werken steeds beter samen, waardoor ze snel naar elkaar kunnen doorverwijzen. Dit is belangrijk om problemen vroeg te signaleren en (aanstaande) ouders te kunnen ondersteunen. Ook heeft meer dan de helft van de gemeenten een plan van aanpak Kansrijke Start gemaakt. Verder bieden ze steeds meer initiatieven aan, zoals Nu Niet Zwanger, VoorZorg en CenteringZwangerschap. Dit keer was er in de monitor extra aandacht voor (aanstaande) ouders en kinderen die onder moeilijke omstandigheden leven, zoals armoede. Het vermoeden dat deze kinderen een minder goede start hebben dan kinderen die niet in armoede opgroeien, is nu met cijfers onderbouwd. Gezinnen in een kwetsbare situatie maken bijvoorbeeld minder vaak gebruik van kraamzorg. Ook worden kinderen in kwetsbare situaties vaker te vroeg geboren of hebben ze een laag geboortegewicht. Het is nog niet duidelijk of de gezondheid van kinderen door Kansrijke Start verbetert. Gezondheid hangt van veel zaken af en het kost tijd voordat maatregelen effect hebben.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Effecten van waterstofexplosies | RIVM

Gevaarlijke stoffen, zoals waterstof, kunnen branden of ontploffen. Voor de veiligheid van omwonenden kunnen gemeenten eisen stellen aan nieuwbouw als er in de buurt bedrijven liggen die met gevaarlijke stoffen werken. Dat geldt ook voor transportroutes van dit soort stoffen. Het RIVM beschrijft welke effecten te verwachten zijn bij een explosie van tanks waar waterstof in zit. De effecten zijn beschreven bij tanks van verschillende groottes. Op basis daarvan is berekend tot welke afstanden de opslag van waterstof en het transport ervan veilig zijn. Gemeenten en omgevingsdiensten hebben deze informatie nodig om veiligheidsmaatregelen te kunnen bedenken en kiezen. Zij beoordelen of extra veiligheidsmaatregelen nodig zijn, bijvoorbeeld door gebouwen sterker te maken of er een andere plek voor te kiezen. Ook kunnen gebouwen worden afgeschermd van branden of ontploffingen (explosies) door wallen of muren aan te leggen. Voor een goed advies is het nodig om te weten waartegen een maatregel moet beschermen. Het onderzoek beschrijft daarom wat explosies zijn, hoe een explosie van waterstof verloopt en welke schade explosies kunnen veroorzaken. De effecten zijn berekend met een internationaal model dat ook in Nederland wordt gebruikt. De rekenresultaten komen grofweg overeen met ervaringen met ongevallen met waterstof en veldproeven in de praktijk. In vergelijking met explosies van LNG Liquefied Natural Gas (Liquefied Natural Gas) (aardgas) en LPG Liquefied Petroleum Gas (Liquefied Petroleum Gas) (propaan) zijn de effecten van een waterstofexplosie zijn per kilo waterstof krachtiger. Toch is een ontploffing van een LNG of LPG-opslagtank krachtiger dan een explosie van een even grote tank waterstof. Dat komt omdat waterstof moeilijker is samen te persen. Daarom zit er in opslagtanks die even groot zijn minder kilo waterstof dan kilo LNG of LPG. Dit onderzoek is gedaan omdat het gebruik van waterstof relatief nieuw is en belangrijk is om de overgang van fossiele naar duurzame brandstof mogelijk te maken. Het RIVM heeft de inzichten uit dit onderzoek gebruikt voor een brochure over de effectiviteit van explosiebarrières zoals muren en wallen.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Informative Inventory Report 2024. Emissions of transboundary air pollutants in the Netherlands 1990–2022 | RIVM

Deze Informative Inventory Report rapportage (IIR) beschrijft de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen in 2022 ten opzichte van 2021. Verder geeft het aan in hoeverre Nederland de Europese verplichtingen heeft gehaald om de uitstoot te laten dalen ten opzichte van 2005, het zogeheten basisjaar. Uit deze inventarisatie blijkt dat in 2022, net als in 2020 en 2021, alle doelen ( EU Europese Unie (Europese Unie) NEC national emission ceiling (national emission ceiling) -Directive) zijn gehaald. In 2022 is 121,2 kiloton ammoniak uitgestoten, 2,3 kiloton minder dan in 2021. Daarmee is de uitstoot 22 procent minder dan in het basisjaar (het NEC-doel is 13 procent minder). Dit komt vooral doordat er in de landbouw minder dieren (rund- en pluimvee en varkens) zijn gehouden en het voer van melkvee minder eiwit bevatte. De uitstoot van fijnstof PM2.5 is verder gedaald tot 14,3 kiloton in 2022, een daling van 50 procent ten opzichte van het basisjaar (het NEC-doel is 37 procent minder). De uitstoot van stikstofoxiden is in 2022 met 11,0 kiloton afgenomen en is 59 procent minder dan in het basisjaar (het NEC-doel is 45 procent minder). De daling komt doordat auto’s steeds schoner worden. Wel zijn door vliegverkeer meer stikstofoxiden uitgestoten, 1,2 kiloton dan in 2021. Personenauto’s reden 5 procent meer kilometers dan in 2021, wat nog steeds 6 procent minder is dan voor de coronapandemie. De uitstoot van zwaveloxiden is in 2022 1,3 kiloton lager dan in 2021. Dat komt vooral omdat de industrie er minder van uitstoot. Raffinaderijen hebben wel meer procesgassen gestookt waardoor zij meer zwaveloxiden uitstootten. Ten opzichte van het basisjaar is de uitstoot ervan met 71 procent gedaald (het NEC-doel is 28 procent minder). De uitstoot van vluchtige organische stoffen is in 2022 met 2,4 kiloton gedaald ten opzichte van 2021. Deze uitstoot is in alle sectoren gedaald, met uitzondering van de sector Handel, Diensten en Overheid. Ten opzichte van het basisjaar is de uitstoot met 24 procent gedaald (het NEC-doel is 8 procent minder). De Nederlandse overheid gebruikt de analyses in haar nationale beleid en om internationaal over de ontwikkeling van de uitstoot te rapporteren. Het RIVM stelt dit rapport elk jaar met verschillende partnerinstituten op voor het ministerie voor Infrastructuur en Waterstaat ( IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) ).
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Greenhouse gas emissions in the Netherlands 1990–2022. National Inventory Report 2024 | RIVM

In 2022 zijn in Nederland in totaal 7,6 procent minder broeikasgassen naar de lucht uitgestoten dan in 2021. Deze daling komt vooral doordat industrie, huishoudens en landbouw minder aardgas hebben verbruikt vanwege de hogere aardgasprijzen. In 2022 steeg ook het aandeel ‘onuitputtelijke’ energiebronnen, zoals zonne- en windenergie. In totaal is dit 15 procent van het energieverbruik in Nederland. In 2021 was dit 13 procent. De totale hoeveelheid uitgestoten broeikasgassen wordt uitgedrukt in CO2 carbon dioxide (carbon dioxide) -equivalenten en bedroeg in 2022 158,4 miljard kilogram. De uitstoot wordt vergeleken met het basisjaar 1990. Ten opzichte van het basisjaar is de uitstoot gedaald met 30,5 procent. In 1990 was de uitstoot 228,1 miljard kilogram CO2-equivalenten. Hiermee is het zogeheten Urgenda-doel (een minimale afname van 25 procent ten opzichte van 1990) ruim gehaald. De uitstoot van het broeikasgas CO2 is 21,6 procent lager dan die in het basisjaar. De uitstoot van de andere broeikasgassen (methaan, distikstofoxide en gefluoreerde gassen) is sinds 1990 met 55,8 procent gedaald. Dit blijkt uit de definitieve inventarisatie van broeikasgasemissies in 2022 die het RIVM elk jaar op verzoek van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat ( EZK Economische Zaken en Klimaat (Economische Zaken en Klimaat) ) maakt. Hiermee voldoet Nederland aan de nationale rapportageverplichtingen voor 2024 van het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties (UNFCCC), van het Akkoord van Parijs en van het Bewakingsmechanisme Broeikasgassen van de Europese Unie. De voorlopige emissiecijfers over 2022 zijn in het najaar van 2023 gepubliceerd. In de inventarisatie staan ook analyses van ontwikkelingen in de uitstoot van broeikasgassen tussen 1990 en 2022. Ook bevat het een analyse van de belangrijkste bronnen die broeikasgassen uitstoten (‘sleutelbronnen’), net als de onzekerheid in de berekening van deze uitstoot. Daarnaast zijn de gebruikte berekeningsmethoden en databronnen beschreven. Ten slotte bevat het een overzicht van het kwaliteitssysteem en de manier waarop de Nederlandse Emissieregistratie de berekeningen controleert.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Methods for calculating the emissions of transport in the Netherlands | RIVM

Nederland rapporteert elk jaar nationaal en internationaal hoeveel stoffen de sector transport uitstoot naar de lucht. Het gaat om alle stoffen die in de Emissieregistratie voorkomen en voor deze sectoren moeten worden gerapporteerd. Denk aan broeikasgassen en stoffen die grootschalige luchtverontreiniging veroorzaken. Het RIVM actualiseert en beschrijft elk jaar de methoden waarmee de uitstoot wordt berekend. De methoden worden elk jaar bijgesteld volgens de meest actuele wetenschappelijke inzichten. De emissieberekeningen worden uitgevoerd op basis van internationale richtlijnen. De emissiegegevens zijn te vinden op www.emissieregistratie.nl . De gegevens worden gebruikt voor de rapportages die vanwege internationale verdragen verplicht zijn. Zoals het verdrag van Parijs, de EU Europese Unie (Europese Unie) -Emissieplafonds ( NEC national emission ceiling (national emission ceiling) -Directive) en de Convention on Long-range Transboundary Air Pollution ( CLRTAP Convention on Long-Range Transboundary air Pollution (Convention on Long-Range Transboundary air Pollution) ). De rapportage is ook de basis voor de (internationale) reviewers die de Nederlandse rapportages aan de Europese Unie en Verenigde Naties goedkeuren.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Methodology for the calculation of emissions to air from the sectors Energy, Industry and Waste | RIVM

Nederland rapporteert elk jaar nationaal en internationaal hoeveel stoffen door de sectoren Industrie, Energieopwekking en Afvalverwerking (ENINA) worden uitgestoten naar de lucht. Het gaat om alle stoffen die in de Emissieregistratie voorkomen en voor deze sectoren moeten worden gerapporteerd. Denk aan broeikasgassen, verzurende stoffen en stoffen die grootschalige luchtverontreiniging veroorzaken. Het RIVM heeft de methoden waarmee de uitstoot wordt berekend, geactualiseerd en beschreven. De methoden worden elk jaar bijgesteld volgens de meest actuele wetenschappelijke inzichten. De emissieberekeningen worden uitgevoerd op basis van internationale richtlijnen. De emissiegegevens zijn openbaar via de website emissieregistratie.nl. De gegevens worden gebruikt voor de rapportages die vanwege internationale verdragen verplicht zijn, zoals het verdrag van Parijs, de EU Europese Unie (Europese Unie) -Emissieplafonds ( NEC national emission ceiling (national emission ceiling) -Directive) en de Convention on Long-range Transboundary Air Pollution ( CLRTAP Convention on Long-Range Transboundary air Pollution (Convention on Long-Range Transboundary air Pollution) ). De rapportage is ook de basis voor de (internationale) reviewers die de Nederlandse rapportages aan de EU en VN Verenigde Naties (Verenigde Naties) valideren.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Methodology for the calculation of emissions from agriculture | RIVM

Nederland rapporteert elk jaar nationaal en internationaal hoeveel stoffen de landbouw uitstoot naar de lucht. Het gaat om alle stoffen die in de Emissieregistratie voorkomen en voor deze sector moeten worden gerapporteerd. Denk aan broeikasgassen en stoffen die luchtverontreiniging veroorzaken, zoals ammoniak en fijnstof. De emissieberekeningen worden uitgevoerd op basis van internationale richtlijnen. De uitstoot wordt berekend met het National Emission Model for Agriculture (NEMA), dat in Nederland is ontwikkeld. Het NEMA berekent de uitstoot van stoffen voor bijvoorbeeld stallen, mestopslag, en het gebruik van mest. Het NEMA wordt ook gebruikt om emissies zoals methaan uit verschillende dieren en mest te berekenen. Dit model wordt elk jaar aangepast aan de nieuwste wetenschappelijke inzichten. De methoden die voor verschillende stoffen worden gebruikt zijn beschreven, plus de wijzigingen die in het model zijn doorgevoerd. De gegevens over de uitstoot zijn openbaar via de website emissieregistratie.nl. Ze worden gebruikt voor rapportages die vanwege internationale verdragen verplicht zijn, zoals het verdrag van Parijs, de Europese Emissieplafonds ( NEC national emission ceiling (national emission ceiling) -Directive) en de Convention on Long-range Transboundary Air Pollution ( CLRTAP Convention on Long-Range Transboundary air Pollution (Convention on Long-Range Transboundary air Pollution) ). Dit rapport is ook de basis voor de reviewers die de Nederlandse rapportages aan de Europese Unie en Verenigde Naties valideren.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Advieswaarden PFAS in zwemwater | RIVM

Het RIVM heeft nieuwe advieswaarden voor per- en polyfluoralkylstoffen ( PFAS Per- en polyfluoralkylstoffen (Per- en polyfluoralkylstoffen ) ) in zwemwater bepaald. Deze waarden zijn bepaald op basis van de effecten van deze stoffen op de gezondheid (gezondheidskundige advieswaarden). De nieuwe advieswaarden zijn berekend voor PFAS in water van zwembaden en in oppervlaktewater van bijvoorbeeld recreatieplassen. Overheden die verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit van zwemwater, kunnen deze advieswaarden gebruiken om de kwaliteit ervan te beoordelen. Voor zwembaden stelt het RIVM een gezondheidskundige advieswaarde voor PFAS voor van 71 nanogram PEQ per liter (PEQ staat voor PFOA perfluoroctaanzuur (perfluoroctaanzuur ) -equivalenten; de som van meerdere soorten PFAS, uitgedrukt in PFOA-eenheden). Per liter oppervlaktewater is dat 280 nanogram PEQ. Deze advieswaarde is anders omdat mensen minder vaak in oppervlaktewater zwemmen dan in zwembaden. Aanleiding voor de update is de nieuwe gezondheidskundige grenswaarde voor deze stoffen die de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid EFSA Europese Voedselveiligheidsautoriteit (Europese Voedselveiligheidsautoriteit) in 2020 heeft bepaald. Deze nieuwe grenswaarde is lager, en dus strenger. Dit betekent dat de stoffen al bij een lagere blootstelling schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid. Het RIVM heeft daarna een methode ontwikkeld om de gezondheidskundige grenswaarde van EFSA te vertalen naar een bredere groep PFAS. PFAS komen namelijk bijna nooit als enkele stof voor, maar meestal in mengsels met verschillende soorten PFAS. Deze methode is nu gebruikt voor zwemwater. PFAS zijn chemische stoffen die door mensen gemaakt zijn en van nature niet voorkomen in het milieu. Als ze eenmaal in het milieu zitten, blijven ze daar vanwege hun eigenschappen (forever chemicals). Een van de mogelijkheden om aan deze stoffen bloot te staan, is door te zwemmen in vervuild zwemwater. Het RIVM heeft de advieswaarden bepaald in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) ).
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Monitor Onbedoelde Zwangerschappen: Cijferoverzicht 2023 | RIVM

Wanneer vrouwen onbedoeld zwanger worden, kan dat een ingrijpende en emotionele gebeurtenis zijn. Het komt niet alleen bij tieners voor, maar ook op andere leeftijden. Het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) wil met integraal beleid helpen om onbedoelde zwangerschappen te voorkómen en ervoor zorgen dat vrouwen die onbedoeld zwanger zijn en hun partner/verwekker beter begeleid worden. Ook wil VWS meer aandacht voor personen in een kwetsbare situatie, zoals mensen met psychische problemen, een laag inkomen of een verslaving. Voor hen is de kans groter dat een onbedoelde zwangerschap grote gevolgen heeft, bovenop bestaande zorgen. Met de monitor Onbedoelde Zwangerschappen verzamelt het RIVM hiervoor cijfers. Dit is het cijferoverzicht 2023, waarin we de meest recente cijfers presenteren (veelal uit 2022). Voor het eerst zijn nu cijfers bekend over onbedoelde zwangerschappen. In de eerdere cijferoverzichten 2020, 2021 en 2022 werden als alternatief cijfers over ongeplande zwangerschappen gepresenteerd. Een onbedoelde zwangerschap is ontstaan zonder dat dit de wens of planning was. Toch kan zij (in de loop van de zwangerschap) wel gewenst zijn. Net als in het cijferoverzicht 2022 hadden op basis van huisartsenregistraties 3,3 op de 1.000 vrouwen in 2022 een ongewenste zwangerschap. Het aantal tienermoeders is ongeveer hetzelfde als een jaar eerder (1385). Het aantal abortussen nam iets toe: in 2022 waren er 9,9 zwangerschapsafbrekingen per 1.000 vrouwen. In 2021 waren dat er 8,7. De reden daarvan is niet bekend. Er is iets meer hulp gezocht bij de keuze om de zwangerschap al dan niet voort te zetten (keuzehulp). In 2022 zijn 1052 keuzehulptrajecten gevoerd, in 2021 waren dat er 918. In 82 procent van de gemeenten werken hulpverleners met het programma Nu Niet Zwanger. Met dit programma helpen zij mensen bewuster na te denken over hun kinderwens en het gebruik van anticonceptie.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Methodology for the calculation of emissions from product usage by consumers, construction and services | RIVM

Nederland rapporteert elk jaar nationaal en internationaal welke verontreinigende stoffen in de lucht terechtkomen door het gebruik van producten. Het gaat bijvoorbeeld om oplosmiddelen uit cosmetica, luchtverfrissers, spuitbussen, verf, en stoffen die vrijkomen bij het stoken van hout en het afsteken van vuurwerk. Het gaat om alle stoffen die in de Emissieregistratie voorkomen en voor deze sector moeten worden gerapporteerd. De Emissieregistratie berekent op basis van internationale richtlijnen voor de relevante stoffen hoeveel ervan in de lucht vrijkomt. Het RIVM heeft de methoden die de Nederlandse Emissieregistratie gebruikt, geactualiseerd en beschreven. De methoden worden elk jaar bijgesteld volgens de meest actuele wetenschappelijke inzichten. De emissiegegevens zijn openbaar via de website emissieregistratie.nl. De gegevens worden gebruikt voor de rapportages die vanwege internationale verdragen verplicht zijn, zoals het verdrag van Parijs, de EU-Emissieplafonds (NEC-Directive) en de Convention on Long-range Transboundary Air Pollution (CLRTAP). Deze rapportage vormt ook de basis voor de (internationale) reviewers die de Nederlandse rapportages aan de EU en VN valideren.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Behoeften en ervaringen van mensen met digitale zelfzorgprogramma’s. Verdiepend onderzoek naar digitale zelfhulp onder twee doelgroepen | RIVM

Sinds 2013 wordt elk jaar gemeten hoe het gaat met digitale zorg in Nederland. Ook wordt een onderdeel ervan uitgebreider onderzocht. In 2023 is gekeken naar hoe specifieke groepen mensen digitale zelfhulp kunnen gebruiken en ervaren. Het gaat om mensen met een grotere kans op diabetes type 2 (prediabetici) en mensen die de behandeling van kanker hebben afgerond. Uit dit onderzoek blijkt dat mensen graag zelf aan de slag gaan voor hun gezondheid. Beide groepen zijn ook positief over de toevoeging van digitale zelfhulp aan de zorg. Wel is voor hen een aantal zaken belangrijk bij het gebruik van digitale programma’s om leefstijl (eten, bewegen, stress en slapen) te veranderen of in de zorg na kanker. Zo moet het gebruik van digitale zelfhulp, bijvoorbeeld adviezen in een app, in verbinding staan met de sociale omgeving van die persoon, zoals familie of buren. Of is het belangrijk dat de programma’s gratis zijn of worden vergoed. Beide groepen willen dat hun zorgverlener hen helpt bij een keuze te maken uit digitale programma’s. Voor prediabetici zijn er zoveel leefstijlprogramma’s dat mensen niet meer weten wat te kiezen. Overlevenden van kanker weten juist niet dat er digitale programma’s voor nazorg bestaan en waar ze die kunnen vinden. Het is belangrijk dat zorgverleners daaraan meer aandacht besteden. Wanneer mensen de juiste digitale programma’s hebben gevonden, willen sommigen graag dat een ondersteuner hen helpt bij het gebruik ervan. Bij prediabetici kunnen dat bijvoorbeeld huisartsen, diëtisten en GLI (Gecombineerde Leefstijl Interventie)-coaches zijn. Bij de zorg na kanker kunnen dat oncologen, verpleegkundigen en de praktijkondersteuner van huisartsen-Geestelijke Gezondheidszorg ( POH Praktijkondersteuners huisartsen (Praktijkondersteuners huisartsen) - GGZ geestelijke gezondheidszorg (geestelijke gezondheidszorg) ) zijn. Het is belangrijk dat ondersteuners de ruimte hebben om deze hulp te kunnen geven. Het E-healthmonitor-onderzoek wordt gedaan op verzoek van het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) . RIVM doet dit onderzoek sinds 2020 met het Nivel en het National eHealth Living Lab (NeLL, LUMC Leids Universitair Medisch Centrum (Leids Universitair Medisch Centrum) ). Zorgaanbieders, makers van digitale programma’s, beleidsmakers en patiënten kunnen dit onderzoek gebruiken om de digitale zorg te verbeteren.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

E-healthmonitor 2023. Stand van zaken digitale zorg | RIVM

De zorg staat onder druk door de vergrijzing, personeelstekorten en de hoge kosten. Digitale zorg kan eraan bijdragen dat iedereen zorg kan blijven krijgen waarvan de kwaliteit op peil blijft. Sinds 2013 wordt elk jaar gemeten hoe het in Nederland gaat met deze ‘zorg op afstand’. Zorgverleners zijn in 2023 niet veel meer digitale zorg gaan gebruiken dan het jaar daarvoor. Een paar digitale middelen worden wel meer gebruikt. Voorbeelden zijn apparaten waarmee verpleegkundigen op afstand kunnen aangeven welk medicijn een patiënt op welk moment moet innemen. Of waarmee ze in de gaten kunnen houden of iemand thuis in gevaar is. Doordat deze apparaten een deel van het werk van verpleegkundigen overnemen, hebben zij meer tijd voor andere zorgtaken. Sommige digitale middelen waren in 2022 al bij bijna alle zorgverleners in gebruik, zodat het gebruik in 2023 hetzelfde bleef. Denk aan het patiëntportaal waarin patiënten uitslagen van onderzoek kunnen zien, en een e-mail naar de dokter kunnen sturen, het e-consult. De meeste zorgverleners zijn positief over digitale zorg, maar denken ook dat het niet alle problemen in de zorg kan oplossen. Digitale zorg kan volgens hen een klein beetje helpen om de zorg niet te duur te maken, de werkdruk te verminderen en het werkplezier te verbeteren. Verpleegkundigen zijn iets positiever geworden over de mogelijkheden om de zorg voor patiënten met digitale zorg te verbeteren, bijvoorbeeld doordat patiënten hiermee meer zorg op maat krijgen. Vergeleken met 2021 zijn iets meer patiënten digitale middelen, zoals het patiëntportaal, gaan gebruiken. Mensen met een praktische opleiding en ouderen maken nog steeds minder gebruik van digitale middelen. Verder valt op dat patiënten niet al het digitale zorgaanbod ook gebruiken, zoals het e-consult. De meningen van zorggebruikers over digitale zorg zijn verdeeld: ongeveer de helft van hen wil het meer gaan gebruiken, de andere helft is juist terughoudend. Het aantal zorggebruikers dat heel negatief is over digitale zorg is sinds 2021 gelijk gebleven. Voor de toekomst is het nodig digitale zorg meer een onderdeel te maken van de zorg als geheel. Als onderdeel van het dagelijkse werk van zorgverleners, kan het taken vervangen zonder dat het extra werk oplevert. Ook moeten zowel zorgverleners als patiënten ervaren dat het hen helpt. Verder is het belangrijk dat patiënten makkelijk digitale zorg kunnen gebruiken.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Analyse ontwikkeling stikstofemissie en -depositie | RIVM

Greenpeace Nederland eist een beter stikstofbeleid en heeft daarvoor in juli 2023 de Nederlandse staat gedagvaard Als voorbereiding op deze rechtszaak heeft het RIVM de belangrijkste kennis over stikstof overzichtelijk op een rij gezet. Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ( LNV Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) ) heeft het RIVM daarom gevraagd. Die kennis gaat onder andere over hoeveel stikstof in Nederland wordt uitgestoten: nu, in het verleden en in de toekomst. Hetzelfde geldt voor de hoeveelheid stikstof die hierdoor op de natuur terechtkomt (depositie). Ook beschrijft het RIVM door welke maatregelen die Nederland en de omliggende landen sinds 1990 hebben genomen, de uitstoot en depositie lager zijn geworden. De depositie in Nederland is hierdoor sterk gedaald. De reductie is nog onvoldoende om de depositie voor het gewenste oppervlak van de Natura2000-gebieden onder de kritische depositiewaarde te krijgen. Het RIVM heeft voor het overzicht met name gebruikgemaakt van de laatste onderzoeken en data die het heeft gepubliceerd. De verwachte stikstofdepositie voor de toekomst is berekend met maatregelen die tot 1 mei 2022 zijn uitgewerkt. De effecten van stikstofmaatregelen die daarna zijn ingevoerd, zoals het afbouwen van de derogatieregeling en de maatregelen voor piekbelasters, zijn nu nog niet bekend. Daarom zijn ze niet in deze berekeningen meegenomen. Nieuw in dit overzicht zijn berekeningen van de mate waarin ‘zeer urgente’ en ‘urgente’ habitattypen met stikstof worden belast. Dat zijn stukken land en water in Natura2000-gebieden waar veel stikstof op terechtkomt én die heel gevoelig zijn voor stikstof. Hiervoor is berekend hoeveel minder stikstof er moet worden uitgestoten om ervoor te zorgen dat de natuur niet te veel wordt belast (kritische depositiewaarde). Deze waarden zijn sinds 2023 vanwege de nieuwste internationale inzichten strenger geworden.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Luchtkwaliteit en COVID-19. Een onderzoek naar de mogelijke relaties tussen luchtverontreiniging en de incidentie en ernst van COVID-19 in Nederland | RIVM

Luchtverontreiniging is schadelijk voor de gezondheid. Het RIVM heeft onderzocht of blootstelling aan luchtvervuiling door fijnstof en stikstofdioxide invloed heeft op de kans om besmet te raken met het coronavirus en op de kans om daar ernstig ziek van te worden. Onder ernstig ziek verstaan we dat iemand in het ziekenhuis moet worden opgenomen of aan de ziekte overlijdt. Mensen die aan hoge concentraties luchtverontreiniging blootstonden, blijken een grotere kans te hebben om besmet te raken. Ook was hierdoor de kans groter dat mensen door corona in het ziekenhuis moesten worden opgenomen omdat ze erg ziek werden. Ten slotte was de kans dat ze aan corona stierven groter. Deze effecten zijn te zien kort (een tot twee weken) na een periode van meer luchtverontreiniging. Dat is ook zo wanneer mensen jaren wonen op een plek met meer luchtverontreiniging. Deze resultaten bevestigen eerdere conclusies uit internationaal onderzoek. Ook blijkt dat bij een langdurige blootstelling aan luchtverontreiniging de kans op een corona-infectie hetzelfde is als die op andere luchtwegaandoeningen. Denk aan andere luchtweginfecties met klachten die lijken op corona. Dat luchtverontreiniging in het algemeen een grotere kans geeft op luchtwegaandoeningen was al bekend. In het onderzoek is gekeken naar drie belangrijke bronnen van fijnstof in Nederland: landbouw, wegverkeer en industrie. Deze bronnen hebben invloed op de luchtkwaliteit. Ook verschilt per bron de samenstelling van fijnstof, en daarmee de schadelijkheid. Fijnstof van de veehouderij draagt bij aan zowel de kans op besmetting als de ernst van de ziekte. Fijnstof van wegverkeer lijkt meer invloed te hebben op de ernst van de ziekte en minder op de kans om met het virus besmet te raken. Fijnstof van industrie lijkt niet bij te dragen. De resultaten van het onderzoek ondersteunen het beleid van de Nederlandse overheid om de luchtkwaliteit te verbeteren. Het RIVM heeft dit onderzoek gedaan met de Universiteit Utrecht, Wageningen Bioveterinary Research en GGD GHOR Nederland Gemeentelijke / Gemeenschappelijke GezondheidsDienst – Geneeskundige HulpverleningsOrganisatie in de Regio (Gemeentelijke / Gemeenschappelijke GezondheidsDienst – Geneeskundige HulpverleningsOrganisatie in de Regio) . De aanleiding was dat er in het begin van de corona-epidemie in Nederland meer besmettingen, ziekenhuisopnames en sterfte waren in gebieden met een relatief slechtere luchtkwaliteit. Effects of long-term exposure to outdoor air pollution on COVID-19 incidence: A population-based cohort study accounting for SARS-CoV-2 exposure levels in the Netherlands - ScienceDirect Short-term exposure to ambient air pollution and mortality and hospital admission in the Netherlands | Research Square Outdoor air pollution as a risk factor for testing positive for SARS-CoV-2: a nationwide test-negative case-control study in the Netherlands | ScienceDirect
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Effectiviteit en aandachtspunten van legionellabeheerstechnieken toegepast in leidingwaterinstallaties | RIVM

In leidingwaterinstallaties kunnen legionellabacteriën zitten. Mensen kunnen een longontsteking krijgen als ze deze bacteriën inademen, vooral boven de 60 jaar en rokers. In Nederland worden daarom verschillende technieken gebruikt om mensen zo min mogelijk aan deze bacteriën bloot te stellen. Het RIVM heeft op een rij gezet welke technieken dat zijn, hoe effectief ze zijn in de praktijk en welke aandachtspunten ze hebben. Dit is een vervolg op onderzoek uit 2012. Het onderzoek bevestigt de conclusies uit 2012 dat de effectiviteit van de techniek per locatie kan verschillen. Alle technieken werken in principe, maar of dat in de praktijk zo is hangt van verschillende omstandigheden af. Bijvoorbeeld van de manier waarop de leidingwaterinstallatie is aangelegd en wordt onderhouden. Ook moet de techniek zelf goed worden gebruikt en onderhouden. Voorbeelden van technieken in Nederland zijn: automatische spoelsystemen (thermisch beheer), membraanfilters en UV-lampen (fysisch beheer) en koper/zilver-ionisatie (elektrochemisch beheer). Nieuw ten opzichte van 2012 is dat in Nederland chloor aan het leidingwater mag worden toegevoegd (chemisch beheer). Het voordeel van chloor is dat het Legionella in de hele leidingwaterinstallatie kan doden. Regelmatig spoelen is belangrijk om voldoende chloor in alle leidingen te hebben. Nadeel is dat legionellabacteriën er resistent tegen kunnen worden als het lang wordt gebruikt. De techniek werkt dan minder goed. Ook kunnen bij het gebruik van chloor schadelijke stoffen in het water ontstaan. Vanwege de nadelen van het gebruik van biociden adviseert het RIVM om in de regelgeving duidelijker aan te geven onder welke voorwaarden chemisch en elektrochemisch beheer mag worden gebruikt. Het RIVM adviseert om deze technieken alleen in prioritaire locaties toe te staan, zoals sauna’s en ziekenhuizen. Ook zouden adviseurs die de beheersplannen maken duidelijker moeten aangeven waarom het aantal legionellabacteriën niet op een andere manier kan worden beperkt. De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) kan dan beter toetsen of de (elektro)chemische techniek terecht mag worden gebruikt.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Data-infrastructuur Sport en Bewegen: beschikbaarheid van cijfers en preferente databron voor 164 indicatoren | RIVM

Verschillende organisaties willen weten hoe het gaat met sporten en bewegen in Nederland. Daar is al veel informatie over beschikbaar, maar het is vaak lastig om bijvoorbeeld resultaten uit verschillende onderzoeken te vergelijken. Dat kan komen doordat onderzoeken op verschillende manieren worden opgezet. Ook zijn niet over alle gewenste onderwerpen informatiebronnen beschikbaar of zijn deze moeilijk te vinden. Het RIVM is daarom een traject begonnen om een overzicht te maken van bestaande data over sport en bewegen, voor nu en in de toekomst. Het doet dat samen met het Netwerk Kernindicatoren Sport en Bewegen en veel andere experts. In de (tweede) fase van dit traject heeft het RIVM op een rij gezet welke landelijke cijfers structureel worden gemeten. Hiervoor is ook informatie verzameld over de databronnen en meetmethoden. Bij de databronnen is gekeken naar de kwaliteit en of ze langere tijd beschikbaar blijven. Verder is het belangrijk dat de cijfers de doelgroepen in heel Nederland vertegenwoordigen. Het overzicht staat zowel in het rapport als op de website www.sportenbewegenincijfers.nl/methode . De beschikbaarheid van cijfers is uitgezocht voor 164 indicatoren. Deze indicatoren geven inzicht in het sport- en beweeggedrag in Nederland en alles wat daar bij komt kijken, zoals sportfaciliteiten, werkgelegenheid en onderwijs. Indicatoren zijn bijvoorbeeld het percentage mensen dat sport, het aantal uren gym op school en een score of de leefomgeving beweegvriendelijk is. Voor 75 indicatoren is er structureel representatieve informatie beschikbaar. Voor 35 indicatoren is een onderwerp één keer onderzocht en voor 20 indicatoren wordt al wel informatie verzameld, maar is deze nog niet geanalyseerd. Voor 34 indicatoren is geen informatie beschikbaar. Het overzicht geeft aan welke gegevens in januari 2024 beschikbaar zijn. Het is belangrijk deze informatie actueel te houden. De betrokken partijen worden aangemoedigd om transparant te blijven over de gebruikte methode en data van hoge kwaliteit te verzamelen.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

De impact van maatschappelijke ontwikkelingen op de 'psychosociale arbeidsbelasting’ van werkenden | RIVM

Steeds meer werkenden ervaren stress door hun werk. Het RIVM en TNO hebben daarom in kaart gebracht welke ontwikkelingen de komende twintig jaar invloed hebben op de PSA van werkenden in Nederland. PSA gaat over factoren op het werk die stress veroorzaken, zoals werkdruk, en ingrijpende gebeurtenissen of ongewenst gedrag. Wanneer deze factoren langere tijd aanhouden, wordt de werkstress groter, en daarmee de kans op verzuim en arbeidsongeschiktheid. Acht ontwikkelingen zijn relevant: de vergrijzende beroepsbevolking, de combinatie van werk en mantelzorg, de tekorten op de arbeidsmarkt, flexibele contracten, werken voor online platforms zoals Uber of Thuisbezorgd, artificiële intelligentie, hybride werken en ervaren prestatiedruk. Naar verwachting veroorzaken de meeste van deze ontwikkelingen meer stress op de werkvloer. Hoe dat precies uitpakt, is nog niet duidelijk. Veel ontwikkelingen zijn onzeker en hangen ook nog eens met elkaar samen. Ze kunnen elkaar versterken, versnellen of juist afzwakken. Dit maakt het belangrijk om PSA vanuit verschillende beleidsterreinen tegelijk te bekijken. Alleen dan kan werkstress zo veel mogelijk worden voorkomen. Neem de vergrijzing, waardoor een grote groep werkenden de komende jaren met pensioen gaat. Tegelijkertijd blijven tekorten aan personeel bestaan. Ook gaan de mensen die werken vaker mantelzorg geven, en vinden mantelzorgtaken ook onder werktijd plaats. Dat betekent minder tijd om te pauzeren, te herstellen van intensieve werkdruk of altijd een hoge werkdruk ervaren. Verder hebben mensen met flexibele of tijdelijke contracten minder contact met collega’s. Daardoor kunnen ze minder steun ervaren. Jonge werkenden zijn juist op zoek naar steun omdat zij prestatiedruk ervaren. In andere situaties, zoals bij mantelzorg, hebben werkenden ook meer behoefte aan steun en begrip vanuit het werk. Dit verdiepende onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van SZW Sociale zaken en werkgelegenheid (Sociale zaken en werkgelegenheid) . Het geeft een gedetailleerder overzicht in de ontwikkelingen en hoe ze op PSA inwerken. Ondanks alle onzekerheden geven de resultaten aanknopingspunten om tijdig integraal beleid te ontwikkelen om uitval door werkstress te voorkomen. Het onderzoek is onderdeel van de ‘Toekomstverkenning Gezond en Veilig Werken’.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Onderzoek relevantie energieopslagsystemen voor omgevingsveiligheid | RIVM

Steeds vaker wordt energie opgewekt met duurzame energiebronnen, zoals windturbines en zonnepanelen. Het hangt af van het weer of dat mogelijk is. De tijd waarop de meeste energie wordt opgewekt, is vaak niet de tijd waarop mensen, kantoren en bedrijven de meeste energie gebruiken. Daarom zijn systemen nodig om energie op te kunnen slaan. Die energieopslagsystemen kunnen zo groot zijn als een zeecontainer. Vanwege de overgang naar duurzame energie zullen de komende jaren steeds meer van die systemen geplaatst worden. Er is nu geen landelijke beleid om energieopslagsystemen veilig te plaatsen. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat het gevaarlijk kan zijn om veel energie op één plek op te slaan. Bij een ongeval met een energieopslagsysteem met lithium-ion batterijen kan een brand, explosie of gifwolk ontstaan. Dat is al een paar keer gebeurd, in het buitenland en een enkele keer in Nederland. Vooral de explosie en gifwolk kunnen groot zijn, waardoor in de buurt van het ongeval slachtoffers kunnen vallen. De kans dat er slachtoffers zijn is klein, maar vraagt wel om voorzorgsmaatregelen. Het RIVM raadt het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) ) aan om hiervoor beleid te maken waarbij rekening wordt gehouden met mogelijke ongevallen. Dit kan bijvoorbeeld door energieopslagsystemen niet dichtbij andere gebouwen te plaatsen. Voor dit onderzoek zijn de effecten van een ongeval berekend om een eerste idee te krijgen tot hoe ver die gevolgen kunnen optreden. Het RIVM gaat een rekenvoorschrift maken om deze afstand precies te kunnen bepalen. Het RIVM heeft dit onderzoek in opdracht van IenW gedaan.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

COVID-19-vaccinatie. Achtergrondinformatie voor de Gezondheidsraad | RIVM

Dit rapport bevat een erratum d.d. 03-05-2024 op pagina 53 Bepaalde groepen mensen in Nederland kregen in 2023 het advies om in het najaar een prik te halen. Het doel ervan was om hen beter te beschermen tegen ernstige ziekte en sterfte door corona. Het ging om mensen met een grotere kans om heel erg ziek te worden door corona (COVID-19), zoals ouderen en mensen met een medische aandoening. Dit advies gold ook voor zorgmedewerkers en zwangeren. De coronaprik was beschikbaar van 2 oktober tot en met 22 december 2023. De Gezondheidsraad gaat, net als in 2023, het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) adviseren over de coronavaccinatie. Als voorbereiding daarop heeft het RIVM de nieuwste gegevens over corona in Nederland verzameld in dit basisdocument. Hierin staat onder andere hoeveel mensen de coronaprik bij de najaarsronde van 2023 hebben gehaald, de mate waarin het virus aanwezig was, het aantal ziekenhuisopnames en wat de beschermende werking van de vaccinatie was. Tijdens de najaarsronde 2023 hebben ruim 2.731.000 mensen een coronaprik gehaald. Mensen die in aanmerking komen voor de griepprik konden ook een coronaprik halen. De vaccinatiegraad verschilde per leeftijdsgroep en regio: hoe ouder mensen zijn, hoe vaker ze een prik haalden. De vaccinatiegraad was een stuk lager onder mensen met een migratieachtergrond, vooral bij mensen die in Turkije en Marokko zijn geboren. De kans om ernstig ziek te worden of door corona in het ziekenhuis terecht te komen blijft het grootst bij personen die ouder zijn dan 60 jaar. Dat geldt ook voor mensen die al een andere ziekte hebben. De effectiviteit van het vaccin tegen ziekenhuisopname was hoog dit najaar (70 procent). Dat betekent dat de kans om in het ziekenhuis te worden opgenomen vanwege corona, bij gevaccineerden drie keer kleiner is dan mensen die niet zijn gevaccineerd. Vanaf eind juni 2023 kwam het coronavirus in Nederland weer veel voor. Het aantal virusdeeltjes dat in het riool is gemeten, is nooit zo hoog geweest als in de laatste twee weken van 2023. Toch bleef het gemiddeld aantal ziekenhuisopnames ongeveer hetzelfde als tijdens de pieken in de tweede helft van 2022 en begin 2023. Dit komt voor een groot deel doordat de bevolking een betere afweer tegen het virus heeft gekregen. Dankzij de combinatie van vaccinaties en doorgemaakte coronabesmettingen.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Synthetic Pyrethroids and Water Quality | RIVM

Synthetische pyrethroïden zijn chemische stoffen die insecten en parasieten doden. Ze worden gebruikt in gewasbeschermingsmiddelen, in biociden (zoals spuitbussen voor in huis en mierenlokdozen), en in medicijnen voor mensen en dieren (zoals vlooienbanden). Synthetische pyrethroïden kunnen op verschillende manieren in het water terechtkomen. Synthetische pyrethroïden zijn een probleem voor de kwaliteit van het oppervlaktewater. Ze zijn erg giftig voor de organismen die in water leven. De veilige concentraties van deze stoffen voor het milieu zijn erg laag maar lage concentraties zijn moeilijk om in water te meten. Daarom is vaak niet duidelijk hoeveel ervan in oppervlaktewater zit. Als deze stoffen wel worden gevonden, zijn de hoeveelheden vaak hoger dan de norm. Daarbij komt dat er voor deze stoffen verschillende wetten bestaan met verschillende normen. Hierdoor kan de concentratie voor de ene wet voldoen, maar voor een andere niet. De toegestane concentraties bij de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden zijn in het algemeen minder streng dan de algemene normen voor de kwaliteit van oppervlaktewater. Hierdoor kunnen de normen voor de waterkwaliteit worden overschreden, terwijl de stof wel aan eisen voldoet om toegelaten te worden. Een oplossing hiervoor kan zijn om alle nationale en Europese wetten voor deze stoffen naast elkaar te leggen en daar één veilige concentratie voor te bepalen. Bekend is dat drie van de synthetische pyrethroïden (deltamethrin, esfenvaleraat en lambda-cyhalothrin) 90 procent van de effecten op de waterkwaliteit veroorzaken terwijl ze maar 0,1 procent van het gebruik vormen. Het gaat hier om alle gewasbeschermingsmiddelen voor gewassen die in de open lucht worden geteeld. Minder gebruik van deze synthetische pyrethroïden verbetert de waterkwaliteit in Nederland dus sterk. Het RIVM beveelt in ieder geval aan om waar mogelijk milieuvriendelijker alternatieven voor deze stoffen te gebruiken. Dit onderzoek vat uit verschillende studies samen wat bekend is over de verkoop van synthetische pyrethroïden, hoeveel ervan wordt uitgestoten, hoe ze zich in het milieu gedragen, hun giftigheid en hun aanwezigheid in oppervlaktewateren en rioolwaterzuiveringsinstallaties in Nederland. Met deze kennis kunnen de overheid, waterbeheerders, fabrikanten en gebruikers van deze stoffen verder werken aan maatregelen om de waterkwaliteit te verbeteren.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Consumer products with health, environmental and/or sustainability claims: indications for adverse health effects? | RIVM

Op steeds meer producten staan woorden als ‘natuurlijk’, ‘biologisch’ of ‘vegan’. Dit zijn zogenoemde gezondheids-, milieu- en/of duurzaamheidsclaims. Consumenten denken vaak dat producten met zo’n claim gezonder en/of veiliger zijn. De vraag is of dat klopt, of dat ze toch schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid. Voor het menselijk lichaam maakt het namelijk niet uit of een chemische stof door de mens (synthetisch) of de natuur gemaakt is. Vanwege het grote aanbod aan producten heeft het RIVM zich gericht op persoonlijke verzorgingsproducten waarop woorden als ‘natuurlijk’, ‘biologisch’ of ‘vegan’ staan. Denk aan shampoo en zeep. Het heeft in kaart gebracht welke chemische stoffen (ingrediënten) erin zitten. De 35 ingrediënten die het meeste voorkomen, zijn verder onderzocht. Voor de meeste van deze ingrediënten geldt dat normaal gebruik van de producten waar ze in zitten geen schadelijke gezondheidseffecten heeft. Wel heeft het RIVM zorgen over ‘plantaardige ingrediënten’ in persoonlijke verzorgingsproducten. Deze ingrediënten komen uit planten en kunnen stoffen zoals linalool en limoneen bevatten. Linalool en limoneen kunnen een allergische reactie veroorzaken. Ook zijn er zorgen omdat botanische ingrediënten resten van bestrijdingsmiddelen en zware metalen kunnen bevatten. En van veel botanische ingrediënten is weinig bekend over hun gevaarseigenschappen. Meer onderzoek moet duidelijk maken of deze zorgen terecht zijn. Het RIVM heeft ook op een rij gezet welke keurmerken vaak staan op consumentenproducten met gezondheids-, milieu- en/of duurzaamheidsclaims en wat ze betekenen. Voor persoonlijke verzorgingsproducten zijn dat vooral COSMetic Organica and Natural Standard (COSMOS), NATRUE en Vegan. Van claims als ‘non toxic’, ‘vrij van…’ of ‘hypoallergeen’ is vaak niet duidelijk wat ze betekenen of wat de fabrikant ermee bedoelt. Bovendien lijken de claims soms niet te voldoen aan de regels en wetten die hiervoor gelden. Meer onderzoek is nodig om te kijken of de producten voldoen. Het RIVM vindt het belangrijk dat het voor consumenten duidelijker wordt welke keurmerken en claims waarvoor staan. Het raadt daarom onder andere aan meer informatie hierover te geven op de website waarzitwatin.nl. Op Europees niveau wordt gewerkt aan een richtlijn over claims op producten en regels waar milieu-keurmerken aan moeten voldoen.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Onzekerheden bij metingen van radioactiviteit in vaten met specifiek ziekenhuisafval | RIVM

In veel ziekenhuizen ontstaat afval dat gevaarlijke stoffen bevat; dat heet Specifiek Ziekenhuis Afval, SZA. Voorbeelden zijn spuiten of urine van mensen die een chemokuur krijgen. Dit afval mag niet op de normale manier worden afgevoerd om verbrand te worden. De verwerker van medisch afval Zavin moet dit apart verwerken. Zavin accepteert geen vaten die radioactief besmet zijn. Grote ziekenhuizen en Zavin controleren daarom of een vat met SZA radioactiviteit bevat. Ondanks deze controles komt er heel soms een vat met te veel radioactief materiaal bij Zavin terecht. Wanneer Zavin dat ontdekt, wordt het RIVM gevraagd te bepalen hoeveel radioactiviteit er in het afvalvat zit, maar daar bestond geen algemeen geaccepteerde methode voor. Het RIVM heeft deze nu ontwikkeld, in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS). Met de methode kunnen dit soort vaten worden gemeten zonder het vat te openen. Dat is belangrijk, omdat mensen niet aan gevaarlijk biologisch materiaal uit het afval mogen worden blootgesteld. Een belangrijk onderdeel van de methode is dat het vat tijdens de meting moet worden gedraaid. Ook moet het vat op ongeveer 1 meter afstand van de meetapparatuur staan. In dat geval is de foutmarge van de meting klein genoeg. Als het nodig is, kan het vat ook dichter bij de detector worden geplaatst, bijvoorbeeld als er maar weinig radioactiviteit in het afvalvat zit. Dan wordt de onzekerheid wel wat groter. Het RIVM heeft de beschreven methode getest door een bron met een bekende activiteit in een afvalvat te plaatsen. Als het vat niet gedraaid wordt, wordt de activiteit niet correct bepaald. Pas bij het draaien van het vat vinden we de correcte activiteit terug. Dit geeft aan dat de methode goed werkt en geschikt is.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Amfetamines in digestaat. Risico’s voor de volksgezondheid en het milieu | RIVM

Dit advies gaat over de risico’s van een eenmalige toepassing van digestaat met amfetamine en methamfetamine op de landbouwbodem. Voor de volksgezondheid moet het totale gehalte aan amfetamine en methamfetamine in het digestaat kleiner of gelijk aan 1 mg/ kg kilogram (kilogram) versgewicht zijn, om de indicatieve risicogrens niet te overschrijden. Voor het bodemleven moet het totale gehalte in het digestaat kleiner of gelijk aan 0,33 mg/kg versgewicht zijn.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Vaccinatiegraad COVID-19 vaccinatie Nederland, 2022 | RIVM

Het RIVM beschrijft hoe de vaccinatiecampagnes tegen het coronavirus in 2022 zijn verlopen in Nederland. Dit is inclusief de eilanden Aruba, Bonaire, Sint Eustatius, Saba, Curaçao en Sint Maarten. Vaccinatie tegen COVID-19 begon op 6 januari 2021 met de zogeheten basisserie met meestal twee vaccinaties. Het belangrijkste doel van de vaccinatie was om de kans te verkleinen dat mensen ernstig ziek zouden worden van het virus of erdoor zouden overlijden. In 2022 volgden verschillende campagnes om mensen hier nog beter tegen te beschermen. Zo liep begin 2022 de boostercampagne, die eind 2021 was begonnen, nog door. Vanaf eind februari 2022 startte de campagne voor de herhaalprik voor specifieke risicogroepen, zoals mensen van 60 jaar en ouder. Op 19 september 2022 begon de volgende herhaalprikronde. Hiervoor zijn eerst mensen van 60 jaar en ouder, mensen met een medisch risico en zorgmedewerkers uitgenodigd. Daarna kon iedereen vanaf 12 jaar een herhaalprik halen. Er zijn in 2022 zeven verschillende COVID-19-vaccins gebruikt, gemaakt door vier producenten: BioNTech/Pfizer, Moderna, Janssen en Novavax. Aan het eind van 2022 had 80,4 procent van iedereen vanaf 12 jaar de basisserie gekregen (vaccinatiegraad). Voor de booster voor iedereen vanaf 18 jaar was dat 62,1 procent. De vaccinatiegraad van de herhaalprik in het voorjaar voor risicogroepen was bij 60-plussers 52,1 procent. In het najaar was dat 59 procent voor deze leeftijdsgroep. De vaccinaties zijn gegeven door de GGD Gemeentelijke Gezondheidsdienst (Gemeentelijke Gezondheidsdienst) ’en, huisartsen en overige uitvoerders, zoals zorginstellingen. Net als in 2021 hebben meer oudere mensen zich laten vaccineren dan jongeren. Verder hebben in het oosten en zuidoosten van Nederland meer mensen zich laten vaccineren dan in het westen en noorden. In enkele gemeenten, zoals in de Biblebelt en grote steden, is de vaccinatiegraad lager dan gemiddeld.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Risk assessment of herbal preparations containing Tabernanthe iboga | RIVM

In Nederland worden producten met extracten van het kruid Tabernanthe iboga vooral online verkocht. Ze worden soms gebruikt als hulpmiddel om af te kicken van drugs, maar ook als geestverruimend middel. Het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) heeft het RIVM gevraagd om de veiligheid van dit kruidenpreparaat te beoordelen. Het RIVM heeft hiervoor onderzocht of producten met Tabernanthe iboga schadelijk zijn voor de gezondheid. Op basis daarvan adviseert het RIVM consumenten geen kruidenpreparaten met Tabernanthe iboga te gebruiken. De belangrijkste bijwerking is verstoring van het hartritme. In het ernstigste geval kunnen mensen hieraan overlijden. Wereldwijd, zijn tientallen doden gemeld na het gebruik van dit kruid, waaronder enkele gevallen in Nederland. Andere schadelijke effecten die vaak voorkomen zijn misselijkheid, overgeven, of ernstiger: acute psychoses, epileptische aanvallen en hallucinaties. Deze effecten kunnen al ontstaan bij de algemeen gebruikte hoeveelheden.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Risk assessment of herbal preparations containing Huperzia serrata | RIVM

In Nederland worden kruidenpreparaten (voedingssupplementen) met extracten van het kruid Huperzia serrata verkocht. Deze kruidenpreparaten zijn vooral online verkrijgbaar. Volgens fabrikanten kan Huperzia serrata het geheugen ondersteunen en de concentratie verbeteren. Kruidenpreparaten met dit kruid blijken schadelijk te zijn voor de gezondheid. Het RIVM adviseert consumenten daarom geen kruidenpreparaten met Huperzia serrata te gebruiken, vooral niet tijdens de zwangerschap. Het is niet bekend hoeveel mensen dit product gebruiken. Mensen kunnen last krijgen van wat we noemen acute ongewenste effecten op het cholinergische systeem. Voorbeelden daarvan zijn meer speekselproductie, zwakke spieren, buikkrampen, diarree, wazig zicht, tranende ogen en verlamming. Er zijn ook aanwijzingen dat Huperzia serrata schadelijk is voor het ongeboren kind tijdens de zwangerschap. Deze gezondheidseffecten kunnen al ontstaan als mensen de aanbevolen hoeveelheid gebruiken. De effecten worden veroorzaakt door de stoffen in het kruid; huperzine A is daarvan de meest onderzochte stof. Mensen die kruidenpreparaten met Huperzia serrata gebruiken, krijgen genoeg huperzine A binnen om schadelijke effecten te kunnen ervaren. Over andere stoffen in Huperzia serrata is geen informatie bekend, behalve een aanwijzing dat acht stoffen, net als huperzine A, de werking van het enzym acetylcholinesterase remmen. Daarom is het mogelijk dat deze acht stoffen het effect van huperzine A kunnen versterken.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Risk assessment of herbal preparations containing Withania somnifera (Ashwagandha) | RIVM

In Nederland worden kruidenpreparaten met Withania somnifera verkocht. Het kruid is beter bekend onder de naam Ashwagandha. In de vorm van voedingssupplementen zijn ze zowel in drogisterijen als online verkrijgbaar. Withania somnifera thee is vooral online verkrijgbaar. Withania somnifera wordt gebruikt bij bijvoorbeeld stress, vermoeidheid of om beter te slapen. Het RIVM onderzocht of kruidenpreparaten met Withania somnifera schadelijk zijn voor de gezondheid. Het kruid kan schadelijke effecten veroorzaken bij mensen die er gevoelig voor zijn. Het is onbekend om welke mensen dat gaat. Het RIVM adviseert daarom uit voorzorg om geen kruidenpreparaten met Withania somnifera te gebruiken, en vooral niet tijdens de zwangerschap. Internationaal onderzoek bij mensen is meestal gericht op de positieve effecten van het kruid. Daarin zijn geen schadelijke effecten gevonden bij mensen die voedingssupplementen met Withania somnifera gebruikten. Wel hebben artsen vergiftigingen gemeld bij mensen die deze supplementen hadden ingenomen. Zij melden schadelijke effecten in de lever en op de concentraties van schildklierhormonen en cortisol. Deze mensen hadden voedingssupplementen gebruikt met ongeveer evenveel Withania somnifera als de supplementen die in Nederland te koop zijn. Withania somnifera kan ook als thee worden gebruikt. Het is niet bekend of de gebruiker hiervan dezelfde hoeveelheid schadelijke stoffen binnenkrijgt als bij het gebruik van voedingssupplementen. Er is geen wetenschappelijk onderzoek gedaan naar het effect van Withania somnifera thee. Bij gebrek aan informatie wordt aangenomen dat de conclusie voor voedingssupplementen ook geldt voor het gebruik van het kruid in de vorm van thee. In traditionele gebruiken in oosterse landen, zoals China en India, is Withania somnifera onder andere gebruikt om abortus op te wekken. Het is niet bekend hoe vaak dit is gedaan en of dat nog steeds gebeurt. Dit effect is niet onderzocht. Daarom wordt uit voorzorg geadviseerd om tijdens de zwangerschap geen producten met dit kruid te gebruiken.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Indicatoren voor veilige arbeid | RIVM

Om het aantal ongelukken tijdens het werk te verminderen, is het belangrijk om te weten hoe veilig arbeid is. Het aantal ernstige arbeidsongevallen kan daar inzicht in geven, maar (on)veilige arbeid is meer dan dat. Denk aan de veiligheidsmaatregelen om ongevallen te voorkomen en aan technologische, organisatorische, en sociale factoren die invloed hebben op veilig werk. Het RIVM heeft daarom in kaart gebracht wat wel en niet bekend is over veilige arbeid in Nederland (indicatoren). Deze informatie wordt regelmatig verzameld en daarna opgenomen in verschillende databronnen. Het RIVM heeft de eigenschappen en beperkingen van deze bronnen in kaart gebracht. Alle bronnen hebben beperkingen. Vragenlijsten zijn onder meer afhankelijk van de bereidheid van mensen om mee te werken en van hoe goed zij de vragen begrijpen en situaties herinneren. Registratiesystemen zijn onder andere afhankelijk van de bereidheid (van werkgevers) om een gebeurtenis te melden. De inventarisatie maakt duidelijk dat we veel over veiligheid op het werk weten, maar ook dat kennis ontbreekt. Door de manier waarop we in Nederland informatie verzamelen, zijn data versnipperd en geven ze niet op alle vragen antwoord. Het RIVM raadt daarom onder andere aan om verschillende databronnen in samenhang te analyseren. Hierbij is het belangrijk om aandacht te hebben voor groepen werkenden die nu weinig in de bestanden zijn terug te zien. Voorbeelden daarvan zijn grenswerkers, arbeidsmigranten en ZZP Zelfstandige zonder personeel (Zelfstandige zonder personeel) ’ers. Het RIVM heeft 11 verschillende databronnen gevonden met daarin 49 verschillende indicatoren. Voorbeelden van een indicator zijn tellingen van het aantal dodelijke arbeidsongevallen in een bepaald jaar en hoe vaak iemand gevaarlijk werk doet. Een deel van de bronnen is gebaseerd op een registratiesysteem. De Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) registreert en onderzoekt bijvoorbeeld meldingsplichtige arbeidsongevallen. Andere bronnen zijn gebaseerd op vragenlijstonderzoek onder werkenden in Nederland. In de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA) van TNO en het CBS Centraal Bureau voor de Statistiek (Centraal Bureau voor de Statistiek) bijvoorbeeld wordt onderzocht onder welke omstandigheden werknemers werken.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

De naleving van adviezen voor het gebruik van supplementen in Nederland. Fase 1: inventarisatie van kennis en advies voor vervolgstappen | RIVM

Microvoedingsstoffen (vitaminen, mineralen en spoorelementen) zijn nodig om het lichaam te laten groeien, ontwikkelen en functioneren. Het lichaam kan bijna al deze voedingstoffen niet zelf aanmaken en moet ze daarom via voeding binnenkrijgen. Een aantal groepen mensen in Nederland krijgen waarschijnlijk, ondanks een gezond en gevarieerd voedingspatroon, te weinig van bepaalde voedingsstoffen binnen. De Gezondheidsraad adviseert daarom deze groepen een supplement te nemen. Zo is het advies voor vrouwen die zwanger willen worden om foliumzuur te slikken. Verschillende groepen mensen wordt geadviseerd vitamine D in te nemen, zoals voor kinderen van 0 tot en met 3 jaar, zwangeren en 70+’ers. Daarnaast is er een vitamine K-advies voor baby’s en voor veganisten om vitamine B12 te gebruiken. Er is weinig informatie of deze groepen de suppletie-adviezen goed opvolgen. Dat blijkt uit onderzoek van het RIVM. Bekend is dat een deel van de zwangeren foliumzuur slikt en dat sommige andere groepen vitamine D slikken. Het is alleen niet duidelijk in welke dosis ze dat doen, en hoe vaak en hoe lang. Over de andere vitaminen is geen informatie bekend. Ook is weinig bekend welke factoren stimuleren of juist belemmeren dat de groepen de suppletie-adviezen opvolgen. Deze informatie is essentieel om te weten of mensen de adviezen goed opvolgen. Dit onderzoek is gedaan in opdracht van het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) . Het is het eerste onderdeel van een groter onderzoek naar inzicht in hoeverre mensen in Nederland de adviezen opvolgen. In vervolgonderzoek gaat het RIVM verkennen hoe de benodigde informatie kan worden gekregen. Op basis daarvan kunnen oplossingen worden bedacht om groepen de adviezen beter te laten opvolgen. Of op een andere manier ervoor te zorgen dat ze meer van deze voedingsstoffen binnenkrijgen. Adviezen aan zwangeren voor calcium, jodium en visvetzuren zijn niet onderzocht, onder andere omdat ze pas kort geleden zijn ingevoerd.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Environmental risks of scrubber discharges in Dutch waters. A follow-up study | RIVM

Scrubbers halen zwavel uit de uitlaatgassen van schepen en verzamelen deze in afvalwater. Dit gebeurt om te voorkomen dat er meer zwavel in de lucht komt dan is toegestaan. De meeste schepen gebruiken een open systeem waarmee ze het afvalwater op zee of in een haven lozen. Hierbij komen ook andere vervuilende stoffen uit de uitlaatgassen in het water terecht. Het RIVM heeft berekend of de lozing van dit afvalwater in de haven van Amsterdam schadelijk is voor het milieu. Hierbij is gekeken naar polycyclische aromatische koolwaterstoffen ( PAK Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen ) ’s) en metalen. De berekende concentraties blijven ruim onder de milieunormen. Deze resultaten zijn in lijn met het onderzoek dat het RIVM eerder deed over drie andere gebieden. Dat waren de haven van Rotterdam, een drukbevaren deel van de Noordzee, en een gebied in de Caraïben met kwetsbare natuur, zoals de Sababank. Daarna is de bijdrage van het afvalwater van schepen vergeleken met de vervuiling die al in het water zit. Want ook door andere bronnen dan zeevaart, zoals de industrie, komen PAK’s en metalen in het water terecht. Het afvalwater blijkt relatief weinig bij te dragen aan de totale vervuiling. Toch zijn dit soort lozingen niet wenselijk, omdat daardoor slecht afbreekbare stoffen in het milieu terechtkomen. Alle verontreinigende stoffen samen kunnen gevolgen hebben voor het milieu. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) ). De aanleiding is dat steeds meer zeeschepen scrubbers gebruiken. Hierdoor komt er meer geloosd afvalwater in de zee. Internationaal is er veel discussie over het gebruik van scrubbers en de eisen waar ze aan moeten voldoen.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Verkenning van gevaarlijke stoffen in de energietransitie | RIVM

Nederland wil de klimaatverandering beperken door minder CO2 carbon dioxide (carbon dioxide) en andere broeikasgassen uit te stoten. Dit kan onder andere door ‘hernieuwbare energie’ op te wekken. Dit is energie uit wind, waterkracht, zon, bodem en buitenluchtwarmte. Maar in materialen en technologieën die hiervoor nodig zijn, kunnen chemische stoffen zitten die schadelijk zijn voor mens en milieu. Zo wordt lood gebruikt als soldeermateriaal in zonnepanelen en zware metalen in accu’s en batterijen. Of deze stoffen schadelijk zijn, hangt af van de eigenschappen die ze hebben en of deze vrijkomen in het milieu. Volgens het RIVM is meer kennis nodig over de mate waarin gevaarlijke stoffen, waaronder Zeer Zorgwekkende Stoffen ( ZZS Zeer Zorgwekkende Stoffen (Zeer Zorgwekkende Stoffen ) ) worden gebruikt. Met die informatie kunnen mogelijke risico’s van deze stoffen beter worden ingeschat. Bestaande energietechnologieën, als zon- en windenergie, zullen namelijk de komende jaren op steeds grotere schaal worden ingezet. Daarnaast worden veel nieuwe materialen en technologieën ontwikkeld, zoals het gebruik van waterstof en batterijen om energie op te slaan. Het RIVM heeft een eerste inventarisatie gemaakt van energietechnologieën en materialen waar Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) in kunnen zitten. Bij een deel van de materialen en technologieën blijkt dat inderdaad zo te zijn, bij andere is er geen informatie over beschikbaar. Het is dus mogelijk dat er nog meer ZZS worden gebruikt maar nu nog niet in beeld zijn. Veel materialen en technologieën worden nu buiten Nederland gemaakt. Het RIVM vindt het belangrijk dat mogelijke risico’s van nieuwe materialen vroeg in beeld komen en niet pas nadat ze in gebruik zijn. Dat geldt bijvoorbeeld voor waterstofdragers en geavanceerde materialen. Ook is het belangrijk om materialen die niet meer kunnen worden gebruikt, veilig te kunnen verwerken of recyclen. Hiervoor is informatie over de samenstelling van materialen nodig. Voor overheden die beslissen over vergunningen is het bijvoorbeeld belangrijk te weten of er gevaarlijke stoffen, waaronder ZZS, in zitten. Veel betrokken partijen hebben al initiatieven genomen om milieurisico’s beter in kaart te brengen, bijvoorbeeld voor windturbines en zonnepanelen. Dit biedt kansen om ook meer aandacht te besteden aan het gebruik van ZZS in de hele keten en daar waar mogelijk veiligere alternatieven te gaan gebruiken.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Verkenning ervaringen met vermijdings- en reductieprogramma’s (VRP’s) voor de minimalisatie van Zeer Zorgwekkende Stoffen | RIVM

De Nederlandse overheid wil dat bedrijven zo min mogelijk Zeer Zorgwekkende Stoffen ( ZZS Zeer Zorgwekkende Stoffen (Zeer Zorgwekkende Stoffen ) ) naar lucht en water uitstoten. Sinds 2016 moeten de desbetreffende bedrijven daarom elke vijf jaar bevoegde gezagen informeren welke maatregelen ze kunnen nemen om geen of minder ZZS uit te stoten. Dat heet een Vermijdings- en reductieprogramma (VRP). Onderdeel daarvan is een plan van aanpak met concrete maatregelen. Zowel bevoegde gezagen als bedrijven geven aan meer duidelijkheid te willen over hoe ze dit instrument moeten beoordelen of invullen. De wet geeft nu alleen een algemene omschrijving. Dat blijkt uit een verkenning van het RIVM. De kwaliteit van de VRP’s is heel wisselend. Bedrijven hebben behoefte aan criteria om een VRP te maken. Bevoegde gezagen willen duidelijker hebben hoe ze een VRP kunnen beoordelen en handhaven. Het RIVM adviseert een landelijke handreiking te maken zodat alle betrokken partijen op dezelfde manier te werk gaan. Hiervoor zijn criteria voor de gewenste inhoud nodig en afspraken over het proces. In de handreiking kan onder andere worden uitgewerkt hoe maatregelen tegen elkaar worden afgewogen om een zo goed mogelijk resultaat te bereiken. Bijvoorbeeld het effect van maatregelen op de uitstoot van CO2 carbon dioxide (carbon dioxide) en stikstof versus de kosten en het energieverbruik ervan. Een ander advies is te onderzoeken of het gebruik van de handreiking minder vrijblijvend kan worden gemaakt. Een belangrijk knelpunt voor bevoegde gezagen is dat ze te weinig technische kennis hebben om informatie in de VRP’s te beoordelen. Ze willen daar meer ondersteuning bij. Ook is niet duidelijk of ze kunnen handhaven of de maatregelen uit het VRP worden uitgevoerd. Voor bedrijven is een belangrijk knelpunt dat er geen duidelijke afspraken zijn hoe emissies worden bepaald. Ook willen bedrijven de noodzaak van maatregelen liever bepalen op basis van risico’s in plaats van de uitstoot altijd zo veel mogelijk tot nul te verlagen. De verkenning is in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ) ) gedaan.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Cumulatie ZZS en vergunningverlening (vervolgonderzoek 2023) | RIVM

Bedrijven krijgen van de overheid een vergunning voor de hoeveelheid chemische stoffen, waaronder Zeer Zorgwekkende Stoffen ( ZZS Zeer Zorgwekkende Stoffen (Zeer Zorgwekkende Stoffen ) ), die ze mogen uitstoten. De industrie stoot vaak mengsels van verschillende stoffen tegelijk uit naar water en lucht, maar de vergunningverlener beoordeelt meestal de risico’s per stof en niet van het hele mengsel. Mensen en het milieu kunnen aan zulke mengsels worden blootgesteld. De schadelijke effecten van een mengsel kunnen groter zijn dan de effecten van één stof (cumulatie). Hoe groot die kans is, hangt af van de samenstelling, de concentraties en de schadelijkheid van de stoffen. In een eerder onderzoek heeft het RIVM verkend welke mogelijkheden er zijn om bij de vergunningverlening meer rekening te houden met het effect van een mengsel. Die mogelijkheden zijn nu verder uitgewerkt. Het RIVM heeft onder andere methoden ontwikkeld om de effecten van stoffenmengsels voor mens en milieu te kunnen inschatten bij de vergunningverlening. Uitvoeringsinstanties, zoals omgevingsdiensten, kunnen deze methoden gebruiken. Het RIVM beveelt aan de voorstellen met uitvoeringsinstanties verder uit te werken, zodat ze in de praktijk goed zijn uit te voeren. Ook heeft het RIVM een methode ontwikkeld om in kaart te brengen waar in Nederland ZZS het meest voorkomen en/of effecten hebben op mens en milieu. Deze informatie kan bijvoorbeeld helpen bij het al dan niet toestaan van uitstoot in een gebied waar al veel schadelijke stoffen in het milieu zitten. Het RIVM benadrukt dat er nog onzekerheden zijn in deze methode en kaarten. Dat komt voor een groot deel door een gebrek aan gegevens over ZZS. Het RIVM werkt aan een database die meer gegevens over de uitstoot van ZZS door bedrijven op gaat leveren. Zo ontstaat naar verwachting een beter beeld van ZZS-mengsels in het milieu. In algemene zin benadrukt het RIVM om zo min mogelijk ZZS naar de leefomgeving uit te stoten. Dat verkleint de mogelijke cumulatieve effecten van ZZS voor mens en milieu.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Kennisupdate ‘Ammoniak van zee’ | RIVM

In deze kennisupdate wordt de status besproken van lopend onderzoek naar de verschillen tussen modelberekeningen en metingen langs de kust. Uit eerder onderzoek is gebleken dat de zee-emissies, die het RIVM tot dusverre gebruikte om voor het geconstateerde verschil te corrigeren, te hoog zijn in vergelijking met een theoretische schatting van de bijdrage uit zee. Daarom is er onderzoek gestart om mogelijke oorzaken te vinden die de verschillen zouden kunnen verklaren.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

A survey-based assessment of rates and covariates of mpox diagnosis and vaccination provides evidence to refine eligibility criteria for mpox vaccination among gay, bisexual and other men who have sex with men in the Netherlands | RIVM

A survey-based assessment of rates and covariates of mpox diagnosis and vaccination provides evidence to refine eligibility criteria for mpox vaccination among gay, bisexual and other men who have sex with men in the Netherlands | RIVM
Jaar: 2024 Onderzoek

The burden of disease of food-related pathogens in the Netherlands in 2022 | RIVM

Het RIVM brengt elk jaar in kaart hoeveel jaren mensen een slechte gezondheid hebben of eerder overlijden (ziektelast) door een infectie van de maag of darm. We hebben hiervoor naar 14 ziekteverwekkers gekeken die deze infecties kunnen veroorzaken. Ze worden vooral via voedsel overgedragen (ongeveer 41 procent). Mensen kunnen er ook via het milieu, zoals via oppervlaktewater, via dieren of andere mensen mee in aanraking komen. De ziektelast door de 14 ziekteverwekkers was hoger dan in 2021 en 2020, maar nog wel iets lager dan in 2019, het jaar voordat de coronapandemie begon. Deze stijging geeft aan dat de ziektelast bijna terug is op het niveau van vóór COVID-19. Voor de ziektelast wordt een internationale maat gebruikt: DALY Disability Adjusted Life Year (Disability Adjusted Life Year) ’s (Disability Adjusted Life Years). De bijdragen van de verschillende routes waardoor mensen besmet raken, verschillen per ziekteverwekker. Het totaal aantal DALY’s dat deze 14 ziekteverwekkers in 2022 (10.000 DALY’s) veroorzaakten, was hoger dan in 2021 (9.100 DALY’s) en in 2020 (7.300 DALY’s). Het was wel iets lager dan in 2019 (11.000 DALY’s). Het deel van de ziektelast dat in 2022 aan voeding wordt toegeschreven, is geschat op 4.300 DALY’s. Dat is wat hoger dan in 2021 (4.200 DALY’s) en in 2020 (3.600 DALY’s), maar iets lager dan in 2019 (4.600 DALY’s). De totale kosten van deze ziektelast in 2022 zijn geschat op 478 miljoen euro. Dat is veel hoger dan in 2021 (397 miljoen euro) en in 2020 (317 miljoen euro), maar iets lager dan in 2019 (480 miljoen euro). De geschatte kosten omvatten de directe medische kosten, zoals voor ziekenhuisopname, en de indirecte kosten die de patiënten en families maken, zoals reiskosten. Hieronder vallen ook de kosten die in andere sectoren worden gemaakt, bijvoorbeeld door ziekteverzuim. De kosten als gevolg van maag-darminfecties via voeding waren in 2022 (201 miljoen euro) hoger dan de 189 miljoen euro in 2021 en de 173 miljoen euro in 2020 maar iets lager dan in 2019 (208 miljoen euro). Het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) heeft de opdracht voor dit onderzoek gegeven. De resultaten bieden beleidsmakers handvatten om meer zicht te krijgen op de ziektelast en de manieren waarop mensen met de ziekteverwekkers in contact komen. Ook geeft het een beeld hoe de ziektelast van voedselinfecties en kosten ervan zich door de jaren heen ontwikkelen.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

GALA in de gemeentelijke plannen. Een eerste blik op de plannen van aanpak voor de Brede SPUK-regeling | RIVM

Het RIVM volgt vanaf 2024 in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ( VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) ) de ontwikkelingen rond het Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA) in de GALA-monitor. Als onderdeel van deze monitor is een steekproef van 60 gemeentelijke plannen van aanpak geanalyseerd die zijn ingediend in het kader van de Regeling specifieke uitkering sport en bewegen, gezondheidsbevordering, cultuurparticipatie en de sociale basis 2023–2026, ook wel ‘de Brede SPUK’ genoemd. De Brede SPUK stelt gemeenten in staat om bestaand beleid te intensiveren en om nieuwe initiatieven te starten en nieuwe samenwerkingen te initiëren. De resultaten van de analyse geven een eerste beeld van de ambities van gemeenten voor de doorontwikkeling van lokaal beleid in relatie tot de diverse afspraken die zijn vastgesteld in het GALA. De informatie uit deze verkennende analyse vormt daarmee het vertrekpunt van de GALA-monitor.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

De gevolgen van de coronapandemie voor de gezondheid en het welzijn van de bevolking: deel 3. Een systematische literatuurstudie | RIVM

Voor de derde keer is de wetenschappelijke literatuur naar de gezondheidseffecten van de coronapandemie verzameld. In deze literatuurstudie hebben de onderzoekers de nadruk gelegd op vier gevolgen van de pandemie die de vorige keer opvielen. De resultaten bevestigen de inzichten uit de vorige rondes. De onderzoeken gaan vooral over (de eerste helft van) 2021. Er is weinig informatie gevonden over 2022, waardoor er nog weinig bekend is over de langetermijneffecten van de pandemie. Zo bevestigt het onderzoek dat een groep mensen na een coronabesmetting lange tijd klachten houdt, waardoor zij niet of niet helemaal kan werken. Deze klachten kunnen lang blijven bestaan, tot twee jaar na een besmetting. Het aantal mensen met klachten wordt wel met de jaren minder. Verder is duidelijk dat de mentale gezondheid van de jeugd ook na het eerste jaar van de pandemie is afgenomen, vergeleken met de periode voor de pandemie. Depressieve klachten en angstklachten kwamen vaker voor. Dat was vooral te zien tijdens lockdowns. Hoewel de klachten tijdens versoepelingen van de maatregelen verminderden, herstelde de mentale gezondheid van de jongeren niet helemaal. Het is niet bekend hoe dit zich op langere termijn ontwikkelt. De pandemie had meestal een negatief effect op het sociale functioneren van mensen. Ze namen minder vaak deel aan sociale activiteiten en voelden zich sociaal geïsoleerd. Ook was de ervaren kwaliteit van sociale contacten lager, bijvoorbeeld omdat ze online waren. Tot slot had uitgestelde zorg een negatief effect. Hierdoor was de gezondheid van bijvoorbeeld mensen met een hartinfarct na behandeling meer afgenomen dan gebruikelijk. Ook hadden ze meer complicaties. Patiënten met kanker hadden meer uitzaaiingen door latere diagnoses en behandelingen. Ook hadden mensen door uitgestelde operaties een lagere kwaliteit van leven dan voor de pandemie. Het literatuuronderzoek bevestigt opnieuw dat bepaalde groepen harder zijn geraakt door de coronapandemie. Dit geldt in het bijzonder voor jongeren, mensen met een lager inkomen en mensen met bestaande gezondheidsproblemen. Kennis over deze effecten en kwetsbare groepen is voor beleidsmakers essentieel om de juiste zorg en ondersteuning te organiseren bij een eventuele nieuwe pandemie, maar is ook los van de pandemie relevant voor de gezondheidsbevorderingstaak.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Naleving van Covid-19 gedragsmaatregelen door mensen in een kwetsbare positie - geleerde lessen voor pandemische paraatheid | RIVM

Een gezondheidscrisis, zoals de coronapandemie, heeft voor sommige mensen grotere gevolgen dan voor anderen. Mensen die de meeste gevolgen ervaren zitten vaak in een kwetsbare maatschappelijke positie. Het RIVM heeft in de internationale wetenschappelijke literatuur gezocht wat bekend is over naleving van de coronamaatregelen door deze mensen. Voor de meeste groepen in een kwetsbare maatschappelijk positie was geen informatie beschikbaar. Wel is informatie gevonden specifiek over mensen die dakloos zijn, mensen met een migratieachtergrond, ouderen (met dementie), en mensen met een minder goede fysieke of mentale gezondheid. Deze informatie ging over de naleving van maatregelen en adviezen over hygiëne, mondkapjes, afstand houden tot anderen (ook isolatie of quarantaine) en testen bij klachten. De naleving varieerde per groep en studie. Maar er zijn geen aanwijzingen gevonden dat mensen in een kwetsbare positie de maatregelen en adviezen niet probeerden na te leven. Wel bleek naleving voor hen lastiger te zijn dan voor de algemene bevolking. Mensen met een migratie achtergrond ervaarden bijvoorbeeld problemen door onduidelijke informatie. En door hun woon-, werk- of financiële situatie hadden ze bijvoorbeeld geen ruimte om in isolatie te gaan. Dit laatste gold ook voor mensen die dakloos zijn. Mensen met een minder goede mentale gezondheid leken zich minder vaak, of korter, aan de maatregelen en adviezen te houden. Wantrouwen in de overheid of maatregelen leek hier invloed op te hebben. De naleving leek ook minder te zijn bij ouderen met dementie. Dat kwam vooral omdat zij zich door hun aandoening minder bewust waren van de coronapandemie. Mensen met een minder goede fysieke gezondheid leken zich vaker aan de maatregelen te houden dan de algemene bevolking. Het RIVM heeft dit uitgezocht om beter voorbereid te zijn op een volgende pandemie. Daarvoor is het belangrijk beter te begrijpen wat bij wie werkt, wat niet en waarom. Met deze informatie kan beleid meer rekening houden met mogelijkheden om mensen in een kwetsbare positie te ondersteunen bij de naleving. Hierdoor kan iedereen zichzelf zo goed mogelijk beschermen en verspreidt het virus zich zo min mogelijk.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Cumulatie metalen en vergunningverlening | RIVM

Bedrijven krijgen van de overheid een vergunning voor de hoeveelheid chemische stoffen, waaronder metalen, die ze mogen uitstoten. Rond bepaalde industrieën, zoals de staalindustrie, worden combinaties van metalen in onder andere de bodem en lucht gevonden. Omwonenden van deze bedrijven kunnen daardoor aan verschillende metalen tegelijk blootstaan. Dit kan gaan via verschillende ‘routes’, bijvoorbeeld door lucht in te ademen of door neergedaald stof in te slikken. Bij vergunningen wordt tot nu toe per stof beoordeeld hoeveel een bedrijf ervan mag uitstoten. Maar de mogelijk schadelijke effecten van een mengsel kunnen groter zijn dan de effecten van één stof (cumulatie). Hoe groot die kans is, hangt af van de samenstelling, de concentraties en de schadelijkheid van de stoffen in het mengsel. Ook maakt het uit hoe lang en hoe vaak mensen aan het mengsel blootstaan. Wetenschappelijke inzichten over cumulatie ontwikkelen zich. Het RIVM heeft in kaart gebracht wat de belangrijkste effecten op de gezondheid zijn van 25 metalen. Het is nadrukkelijk geen risicobeoordeling. Het RIVM heeft gekeken op welke organen deze metalen schadelijke effecten kunnen hebben. Het blijkt dat verschillende metalen effect kunnen hebben op eenzelfde orgaan. Ook kan de blootstellingsroute, inademen of inslikken, uitmaken op welk orgaan een metaal effect heeft, maar dat effect kan ook door allebei de routes ontstaan. Als mensen langere tijd grote hoeveelheden metalen inslikken, kan dat vooral schadelijk zijn voor het ongeboren kind en de vruchtbaarheid, de nieren, het bloed en bloedvormende weefsels, het zenuwstelsel en het maagdarmkanaal. Na inademen blijken een groot aantal metalen vooral effecten te hebben op de luchtwegen, het immuunsysteem en/of kanker te kunnen veroorzaken. Het blijkt daarom belangrijk te zijn om bij de vergunningverlening rekening te houden met de gelijktijdige blootstelling aan meerdere metalen. Ook blijkt dat het effect van mengsels van metalen kan worden geschat met een methode die het RIVM al eerder heeft ontwikkeld. Alleen is nog niet alle informatie beschikbaar die daarvoor nodig is. Dat geldt vooral voor de gezondheidskundige grenswaarden voor metalen die voor de vergunningverlening nodig zijn, zogeheten MTR’s (Maximaal Toelaatbaar Risiconiveau). Het RIVM geeft enkele handvatten om die te kunnen bepalen voor metalen waar nog geen MTR voor bestaat. Het RIVM heeft dit onderzoek gedaan in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW).
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Risk assessment of plant protection products based on dsRNA/RNAi | RIVM

Gewasbeschermingsmiddelen beschermen landbouwgewassen tegen ziekten en plagen. Binnen Europa willen lidstaten de landbouw verduurzamen, onder andere door minder chemische middelen te gebruiken. Daarom worden nieuwe gewasbeschermingsmiddelen ontwikkeld die minder schadelijk zijn voor het milieu, de gebruikers van de middelen en voor consumenten. Zo zijn gewasbeschermingsmiddelen op basis van dubbelstrengs RNA ribonucleic acid (ribonucleic acid) (dsNA) in ontwikkeling. Dit zijn natuurlijke alternatieven voor chemische bestrijdingsmiddelen die specifiek tegen bepaalde ziekten en plagen werken. Deze producten worden beoordeeld op hun veiligheid voor mens en milieu, voordat ze op de markt worden toegelaten. Alleen blijkt dat de bestaande risicobeoordeling niet geschikt is om mogelijke schadelijke effecten van dit type gewasbeschermingsmiddelen te beoordelen. Deze is nu vooral gericht op effecten van chemische stoffen. Het RIVM doet aanbevelingen om de beoordeling van dsRNA-middelen mogelijk te maken. Het adviseert onder andere aan risicobeoordelaars welke data uit de bestaande testen voor de beoordeling nodig zijn. Ook raadt het RIVM aan het hele product te beoordelen om de effecten op het milieu te kunnen onderzoeken. dsRNA breekt namelijk snel af in het milieu, waardoor het milieu er weinig aan wordt blootgesteld. Maar in een product kan het stabieler zijn. Voor dit onderzoek heeft het RIVM in kaart gebracht welke toepassingen op basis van dsRNA in ontwikkeling zijn. Ook is gekeken welke risico's van dsRNA er voor mens en milieu zouden kunnen zijn.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

CPE afvalwatersurveillance bij een vleeskuikenslachterij | RIVM

Het RIVM heeft bij een slachterij van vleeskuikens onderzocht of er CPE Carbapenemase-producerende enterobacterales (Carbapenemase-producerende enterobacterales ) (carbapenemase-producerende Enterobacterales) in het afvalwater zaten. Dit zijn bijzonder resistente bacteriën waartegen nog maar weinig soorten antibiotica werken. In het afvalwater zijn geen CPE gevonden. Dit betekent dat CPE niet bij de geslachte vleeskuikens voorkomen. Deze resultaten zijn hetzelfde als de reguliere monitoring van CPE laat zien. Deze monitor onderzoekt darmmateriaal van vleeskuikens bij verschillende slachterijen. Op basis van de resultaten van de twee monitors concludeert het RIVM dat CPE niet bij Nederlandse vleeskuikens voorkomen, of maar heel weinig. Via afvalwater kan van veel meer dieren tegelijk worden achterhaald of ze schadelijke bacteriën bij zich dragen. De reguliere monitoring van vleeskuikens onderzoekt dat bij individuele dieren van meer verschillende bedrijven. Het precieze voordeel van beide vormen is nu nog onduidelijk. Voor dit onderzoek is het afvalwater van een slachterij tussen 6 september 2022 en 1 februari 2023 onderzocht op CPE. Dat gebeurde op 33 dagen, verspreid over 20 weken. Tijdens de metingen zijn in totaal 150.000 á 170.000 vleeskuikens geslacht van 103 verschillende bedrijven, waarvan ongeveer de helft Nederlands. In de gewone monitor worden voor vleeskuikens elk jaar darmmateriaal van 3000 dieren van ongeveer 300 verschillende Nederlandse bedrijven onderzocht.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

PFAS verontreinigingen: een overzicht van beschikbare risicobeoordelingsinstrumenten voor gebruiksfuncties van oppervlaktewater | RIVM

Het RIVM heeft een overzicht gemaakt van de methoden die er zijn om de risico’s van PFAS Per- en polyfluoralkylstoffen (Per- en polyfluoralkylstoffen ) te beoordelen in oppervlaktewater. Het RIVM beschrijft voor verschillende vormen van gebruik welke methode het meest geschikt is. Met dit overzicht kunnen waterbeheerders in heel Nederland zelf een start maken om vragen hierover te beantwoorden. Bijvoorbeeld of zwemmen in een recreatieplas veilig is. Dit overzicht is een eerste stap. Hierna gaat het RIVM ook voorbeeldberekeningen opstellen.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Liquid hydrogen carriers: an overview of technical aspects and SVHC properties | RIVM

Waterstof is een belangrijke en duurzame energiebron. Naar verwachting zal in 2030 10 megaton duurzaam opgewekte waterstof in de EU Europese Unie (Europese Unie) worden geproduceerd. Dezelfde hoeveelheid zal worden geïmporteerd, waarvan een groot deel via de Nederlandse havens. In de jaren erna wordt een verdere stijging verwacht. Vervoer en opslag van waterstof is mogelijk met behulp van stoffen die waterstof chemisch binden en weer vrijgeven. Wanneer de stoffen vloeibaar zijn, worden ze vloeibare waterstofdragers genoemd. Als ze koolstof bevatten heten ze LOHC, en zonder koolstof heten ze LIHC. Onderzoek naar de veiligheid van vloeibare waterstofdragers richtte zich tot nu toe vooral op omgevingsveiligheid, zoals explosiegevaar. Het RIVM vindt het belangrijk om ook aandacht te besteden aan de effecten van Zeer Zorgwekkende Stoffen ( ZZS Zeer Zorgwekkende Stoffen (Zeer Zorgwekkende Stoffen ) ) op mens en milieu. ZZS kunnen schadelijk zijn doordat ze bijvoorbeeld kankerverwekkend zijn, de voortplanting belemmeren of in het milieu en voedselketens ophopen. In dit onderzoek zijn acht LOHC’s en twee LIHC’s geselecteerd, onder andere omdat ze veelbelovend zijn. Hun technische aspecten zijn uitgewerkt en ook is gekeken of ze stoffen met ZZS-eigenschappen bevatten. De LIHC ammoniak bevat deze stoffen niet. Bij gebrek aan gegevens kon niet onderzocht worden of de LIHC siliconenhydridederivaten dergelijke stoffen bevatten. Alle LOHC’s hebben één of meerdere stoffen met ZZS-eigenschappen. Methanol en mierenzuur vormen de ZZS koolmonoxide als bijproduct. De aromatische LOHC tolueen vormt drie bijproducten die ZZS zijn, waaronder benzeen. Bij de overige (hetero)aromatische LOHC’s heeft ten minste de waterstofarme drager ZZS-eigenschappen. Vanwege de schadelijke effecten van ZZS is het beleid erop gericht om ze zoveel mogelijk uit de leefomgeving te weren. Het liefst door ze door veiligere stoffen te vervangen, en anders door de uitstoot ervan te minimaliseren. Bij nieuwe toepassingen, is het beter om geen ZZS te gebruiken. Het RIVM raadt aan om vanaf het ontwerp van vloeibare waterstofdragers tot en met het gebruik aandacht te hebben voor schadelijke effecten voor mens en milieu (Safe and Sustainable by Design). Dit is belangrijk vanwege de grote schaal waarop waterstof in de toekomst zal worden gebruikt. Dan kan de energietransitie veilig en duurzaam vorm krijgen.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO-III). Actualisatie epidemiologische studies 2014-2019. Onderzoek naar longontstekingen rond geitenhouderijen 2018-2024 | RIVM

In gebieden met veel veehouderijen, zoals in Noord-Brabant en Noord-Limburg, hebben meer mensen een longontsteking dan in gebieden met minder veehouderijen. De kans op een longontsteking blijkt vooral hoger te zijn als mensen binnen 500 tot 2000 meter van een geitenhouderij wonen. Dit bleek uit eerder onderzoek naar het verband tussen veehouderij en de gezondheid van omwonenden ( VGO Livestock farming and the health of local residents (Livestock farming and the health of local residents) ), en is nu bevestigd. In dit derde VGO-onderzoek blijkt deze conclusie ook te gelden voor de provincies Utrecht, Overijssel en Gelderland. Daarna is bij verschillende groepen mensen (patiënten, omwonenden en geitenhouders) en op geitenbedrijven gekeken wat de oorzaken hiervan kunnen zijn. Meer dan 30 verschillende bacteriën waarvan bekend is dat ze bij mensen een longontsteking kunnen veroorzaken, kwamen voor in de stallucht van minstens 25 procent van de onderzochte geitenbedrijven. Van deze bacteriën zijn er 23 gevonden bij patiënten, omwonenden, geitenhouders en/of in de buitenlucht rondom deze bedrijven. Veel van de bacteriën in de stallucht kwamen ook voor in de stalmest en het strooisel waar de geiten in de stal op lopen. Het is moeilijk te bewijzen dat de longontstekingen bij mensen rondom geitenhouderijen direct worden veroorzaakt door de bacteriën uit de geitenstallen. Wel zijn de gevonden bacteriën een mogelijke verklaring voor het feit dat de longontstekingen vaker voorkomen. Dat komt doordat ze zowel bij mensen, in de geitenstallen als in de omgeving zijn gevonden. In dit onderzoek is op verschillende manieren onderzocht of geitenhouderijen de bron zijn van een of meer ziekteverwekkers (bacteriën, schimmels of virussen) die longontsteking kunnen veroorzaken. Eerst is in de wetenschappelijke literatuur onderzocht welke ziekteverwekkers bij geiten voorkomen en bij mensen longontsteking kunnen veroorzaken. Daarna is bij patiënten, omwonenden en geitenhouders gekeken welke ziekteverwekkers zij bij zich droegen. In de stallen van de geitenbedrijven zijn onder andere mest, strooisel en lucht onderzocht om te kijken of de ziekteverwekkers daar zijn gevonden. Ook de buitenlucht bij woningen rond geitenstallen is onderzocht. Het RIVM, de Universiteit Utrecht, Wageningen Universiteit en het Nivel hebben het VGO-onderzoek gedaan.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Brede toekomstverkenning screening en vroege opsporing | RIVM

De Nederlandse overheid biedt de bevolking onderzoeken aan om ziekten vroegtijdig op te sporen, en zo beter te kunnen behandelen. Het gaat om bevolkingsonderzoeken naar verschillende vormen van kanker en de screenings van ongeboren en pasgeboren kinderen op bepaalde ziekten. Allerlei ontwikkelingen hebben invloed op het aanbod van deze onderzoeken in de toekomst: de vergrijzing, economische en technologische ontwikkelingen en maatschappelijke opvattingen. Het is alleen onzeker hoe deze ontwikkelingen zullen verlopen. De overheid wil inzicht krijgen in de mogelijke ontwikkelingen om beter voorbereid te zijn op de toekomst van screening en vroege opsporing. Het RIVM heeft daarom de belangrijkste ontwikkelingen op een rij gezet. Dit kan VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) helpen om een visie te vormen over de toekomst van screening en vroege opsporing en keuzes te maken over mogelijke acties. Een voorbeeld is het groeiende tekort aan personeel en de druk die dit zal leggen op de uitvoering van bevolkingsonderzoeken naar kanker. Dit betekent dat misschien op een andere manier zal worden bepaald wie een uitnodiging voor een screening krijgt en op welk moment. Nu zijn leeftijd en geslacht daar de basis voor, maar in de toekomst kunnen ook andere kenmerken mee gaan spelen. Zo zouden mensen met een kleine kans op kanker minder vaak gescreend kunnen worden, en blijft het aanbod voor mensen met een hoog risico behouden. Technologische vernieuwing op het gebied van screening en vroege opsporing gaan snel. Mogelijk kan de techniek helpen om ze in de toekomst in een andere, eenvoudigere vorm aan te bieden. Denk aan een bloedtest voor de bevolkingsonderzoeken naar kanker. Maar nieuwe vormen van screening en vroege opsporing roepen ook vragen op over het beheer van persoonlijke gegevens en de rol van de overheid. Bedrijven zullen vaker dan nu gezondheidsonderzoeken aanbieden. De vraag is hoe de overheid zich daartoe gaat verhouden. Bovendien denkt niet iedereen hetzelfde over een wenselijke toekomst voor screening en vroege opsporing. Het RIVM heeft daarom verschillende ideeën uit de samenleving op een rij gezet. Bijvoorbeeld dat iedereen toegang moet krijgen tot de onderzoeken of dat er juist behoefte is aan een aanbod op maat. Het antwoord hangt af van wat mensen het belangrijkst vinden: effectiviteit, toegang voor iedereen, betaalbaarheid of keuzevrijheid.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

An overview of the available data on the reproductive toxicity of ethylene glycol | RIVM

De stof ethyleenglycol wordt gebruikt om polyestervezels, polymeren en harsen van polyethyleentereftlaat (PET) te maken. Het wordt ook gebruikt omdat het antivries- en koeleigenschappen heeft, bijvoorbeeld als antivriesvloeistof voor de voorruiten van vliegtuigen. Verder wordt het bijvoorbeeld gebruikt als oplosmiddel in verf en als weekmaker in plastics. Dit literatuuroverzicht is gemaakt in opdracht van de Gezondheidsraad. De Gezondheidsraad gebruikt het overzicht van het RIVM als startpunt om te beoordelen of ethyleenglycol gevaarlijk is voor de vruchtbaarheid en het ongeboren kind. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ( SZW Sociale zaken en werkgelegenheid (Sociale zaken en werkgelegenheid) ) heeft de Gezondheidsraad om dit advies gevraagd. Het RIVM heeft een samenvatting gemaakt van de relevante wetenschappelijke literatuur die is geselecteerd door de Gezondheidsraad. Het RIVM heeft de bevindingen van in totaal 29 studies in proefdieren en in cellen samengevat.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Monitor Valpreventie 2020-2022. Terug- en vooruitblik | RIVM

Een val kan grote impact hebben op het leven van ouderen. Gemeenten en zorgverleners werken sinds 2023 samen om risicofactoren te verminderen. Dit doen ze door activiteiten voor valpreventie aan te bieden, waarbij er onder andere aandacht is voor zicht, balans en spierkracht. In opdracht van het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) heeft het RIVM een monitor opgezet. Het RIVM volgt daarmee vanaf 2023 elk jaar het proces, de voortgang en resultaten van de ‘ketenaanpak’ van gemeenten en zorgverleners. Het doel is meer zicht te krijgen op het aanbod van valpreventie activiteiten voor thuiswonende 65-plussers, hoeveel mensen eraan meedoen en de toe- of afname van het aantal ziekenhuisopnames door valongelukken. Het RIVM presenteert nu de eerste resultaten. Als voorbereiding op de monitor is de beschikbare informatie verzameld over de jaren 2020 tot en met 2022. Hieruit blijkt dat het aantal 65-plussers dat na een val in het ziekenhuis terechtkomt is gestegen in de periode 2020-2022. In totaal kwamen in deze drie jaren 325.000 65-plussers na een val op de spoedeisende hulp terecht en bijna 124.000 in het ziekenhuis. Ruim 16.000 65-plussers zijn in deze periode overleden na een val. Ook blijkt uit de beschikbare informatie dat er 414 trainers voor valpreventie zijn opgeleid. De komende jaren komen er meer data beschikbaar. Een overzicht van de beschikbare informatie is opgenomen in dit rapport. Dit rapport beschrijft ook uit welke onderdelen de monitor Valpreventie vanaf 2024 bestaat. Zo wordt via vragenlijsten informatie gevraagd bij gemeenten en zorgverzekeraars. Bijvoorbeeld of en hoe zij 65-plussers met een grotere kans om te vallen opsporen en hoeveel 65-plussers eraan meedoen. Daarnaast gaat het RIVM zorg- en welzijnsmedewerkers en ouderen interviewen over hun ervaringen met de ketenaanpak Valpreventie. Gemeenten hebben vanaf 2024 de taak gekregen om de ketenaanpak valpreventie in te richten. Voor de monitor gaan zij onder andere registreren hoeveel interventies voor valpreventie zij aanbieden, hoeveel ouderen daaraan meedoen en of zij ‘doorstromen’ naar beweegprogramma’s binnen de gemeente.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Rapportage pilot Varkensinfluenza surveillance | RIVM

Varkensgriep bij varkens komt veel voor in West-Europese landen. Sommige varkensgriepvirussen kunnen overgaan van varken naar mens. Dat gebeurt niet vaak en meestal alleen bij mensen die veel in contact komen met varkens. De klachten zijn over het algemeen mild, maar griepvirussen van varkens en mensen kunnen ook vermengen en dan tot ernstigere klachten leiden. Het is niet bekend welke griepvirussen voorkomen bij varkens in Nederland. De ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ( VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) ) en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ( LNV Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) ) willen daarom meer inzicht krijgen welke varianten van varkensgriep op Nederlandse varkensbedrijven voorkomen. Deze varianten kunnen dan zo nodig worden vergeleken met de varianten van griepvirussen die bij mensen zijn gevonden. Hiervoor is in 2022 in nauwe samenwerking met varkensdierenartsen een pilot opgezet. In de pilot zijn bij 90 varkenshouderijen monsters getest op griepvirussen die kunnen voorkomen bij zoogdieren, mensen en vogels. Er zijn verschillende varianten van varkensgriepvirussen van het subtype H1 en één van het subtype H3 gevonden. De zeer besmettelijke variant van vogelgriep (H5) is niet aangetoond bij varkens. De medicijnen, die bij mensen werken tegen griepvirussen, bleken ook te werken tegen de gevonden varkensgriepvirussen. In de pilot is onder andere veel kennis verzameld over de erfelijke eigenschappen van varkensgriepvirussen. Met deze informatie kan beter worden achterhaald waar het virus vandaan komt als mensen met een varkensgriepvirus zijn besmet. Ook kan zo worden achterhaald of varkens-, vogel- en menselijke griepvirussen vermengen. Het onderzoek is anoniem gedaan op verschillende soorten varkensbedrijven: bij reguliere varkenshouderijen, enkele varkensbedrijven waar varkens buiten lopen en bij bedrijven waarbij naast varkens ook pluimvee, koeien of paarden aanwezig zijn. De monsters zijn op de bedrijven genomen door in een hok met varkens met griepachtige verschijnselen een touw op te hangen om aan te kauwen. Ook zijn uitstrijken genomen uit de neus bij een ziek dier. Daarnaast zijn monsters onderzocht van dode varkens waarbij het vermoeden was dat ze griep hadden. Dit is ook gedaan bij een groep controlevarkens zonder griepverschijnselen. De pilot is uitgevoerd door een samenwerkingsverband van het RIVM, de Gezondheidsdienst voor dieren (Royal GD Gezondheidsdienst voor Dieren (Gezondheidsdienst voor Dieren) ), het Erasmus Medisch Centrum ( EMC Erasmus Medisch Centrum (Erasmus Medisch Centrum) ) en de Wageningen Bioveterinairy Research ( WBVR Wageningen Bioveterinary Research (Wageningen Bioveterinary Research) ). Dit consortium beveelt aan om dit onderzoek meerdere jaren te blijven doen. Dat geeft meer inzicht hoe de varkensvirussen zich verspreiden op de varkensbedrijven, of er nog meer varianten zijn, en of er besmettingen zijn met vogel- en menselijke griepvirussen.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Measurement results from fires. Analysis of Environmental Incident Service measurement data from 2008–2021 | RIVM

Bij branden ontstaan veel stoffen die schadelijk zijn als mensen ze inademen of ermee in contact komen. Deze stoffen kunnen zich verspreiden in de omgeving. Het hangt af van de materialen die verbranden, de weersomstandigheden en hoe de brand zich ontwikkelt welke stoffen ontstaan, hoeveel en hoe ze zich verspreiden. Sommige schadelijke stoffen ontstaan bij elke brand, zoals roet en fijnstof. Andere stoffen ontstaan uit de verbranding van bepaalde materialen. Voorbeelden zijn dioxinen (uit bepaalde kunststoffen) en metalen (onder andere bij schrootbranden). De Milieuongevallen Dienst ( MOD Milieuongevallen Dienst (Milieuongevallen Dienst ) ) van het RIVM mat tussen 2008 en 2021 bij 132 branden of er schadelijke stoffen in de lucht zaten. Dat is vooral het geval op minder dan 300 meter van de brand. Op meer dan 1 kilometer van de brand meet het RIVM ze bijna nooit. Dat komt omdat de stoffen zich in de lucht verspreiden en verdunnen. De gezondheidsrisico’s zijn hierbij heel klein. Het is dan genoeg dat bewoners het advies krijgen om thuis te blijven, ramen en deuren dicht te doen en uit de rook te blijven. Extra metingen van het RIVM zijn niet altijd nodig. Deze conclusies zijn in 2007 getrokken en worden nu bevestigd in een uitgebreide analyse van de metingen. Het RIVM wil in bepaalde situaties de schadelijke stoffen blijven onderzoeken. Het gaat om branden die lang duren, waarbij lang moet worden nageblust, met veel rookontwikkeling, of waarbij de rook blijft ‘hangen’ en weinig opstijgt. Dit geldt vooral voor branden bij bedrijven in de afvalverwerking, sloop en recycling en in opslagloodsen en grote gebouwen. Meten kan ook nuttig zijn bij maatschappelijke onrust of als hulpdiensten of bevoegd gezag erom vragen. Verder is het wenselijk dat de MOD stoffen gaat meten in de rook die nu nog niet bij branden worden gemeten.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Uncertainty in the determined nitrogen deposition in the Netherlands. Status report 2023 | RIVM

Elk jaar maakt het RIVM kaarten die aangeven hoeveel stikstof in Nederland op de bodem neerslaat. Dit noemen we stikstofdepositie. Het RIVM bepaalt de stikstofdepositie door modelberekeningen met metingen te combineren. Modelberekeningen zijn nodig omdat niet overal in Nederland kan worden gemeten. Het weer, de ruwheid van het land en eigenschappen van de begroeiing beïnvloeden de depositie en zorgen voor een bepaalde onzekerheid. In dit technische rapport beschrijft het RIVM hoe de onzekerheden in de depositiewaarden worden bepaald. De grootte van de onzekerheden zijn vergelijkbaar met de eerdere schattingen uit 2004 en 2010, maar zijn nu beter onderbouwd. De onzekerheid in de berekende depositiewaarde drukken we uit in de kans dat de berekende waarde een bepaalde afwijking heeft van de werkelijke waarde. Landelijk gezien is de kans groot (95 procent betrouwbaarheidsinterval) dat de berekende waarde minder dan 30 procent afwijkt van de werkelijke waarde. Op een specifieke locatie in Nederland is de kans groot (95 procent betrouwbaarheidsinterval) dat de berekende waarde minder dan 70 procent afwijkt van de werkelijke waarde. Deze onzekerheid geldt wanneer de depositie wordt berekend voor een heel klein gebied, zoals een hectare of een vierkante kilometer. De kleinere onzekerheid in de landelijke stikstofdepositie komt omdat onzekerheden in processen die invloed hebben op de depositie, op landelijke schaal uitmiddelen. De onzekerheden hebben geen betrekking op berekeningen voor specifieke projecten maar uitsluitend voor de totale depositie. De resultaten laten ook zien waar de grootste onzekerheden in de totale stikstofdepositie door komen. De onzekerheid in de droge depositie is daar het belangrijkste onderdeel van. Bij droge depositie komt stikstof direct via de lucht op de bodem of in de vegetatie terecht. De hoeveelheid kan van plek tot plek sterk verschillen en er is weinig informatie beschikbaar om dit proces te kwantificeren.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Berekening mengsel-toxische druk voor oppervlaktewateren bij immissietoetsen-Twee casussen | RIVM

Met de zogenoemde immissietoets beoordelen waterbeheerders of bedrijven een vergunning krijgen voor het lozen van gevaarlijke stoffen naar oppervlaktewater. In deze toets wordt nu alleen gekeken naar de risico's van individuele stoffen of stofgroepen, maar niet naar het mengsel van de stoffen in de lozing. Het RIVM beschreef eerder methodieken om mengsels (cumulatie) te kunnen beoordelen, waaronder de zogenoemde ms-PAF methode. We hebben ter illustratie twee casussen doorgerekend om te laten zien hoe deze ms-PAF methode gebruikt kan worden bij de immissietoets water.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Validatie analyse piekbelasters | RIVM

Met de landelijke aanpak piekbelasting wil het kabinet stikstofdepositie in kwetsbare natuurgebieden terugdringen. Onder de aanpak piekbelasting vallen verschillende regelingen, waaronder de ‘landelijke regeling om veehouderijen met piekbelasting te beëindigen’ (Lbv-plus). Voor de Lbv-plus liet het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ( LNV Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) ) eerder vijf varianten doorrekenen om te bepalen onder welke voorwaarden bedrijven voor de regeling in aanmerking kunnen komen. Gekozen is voor de variant met bedrijven die de hoogste vracht aan stikstofdepositie veroorzaken op de overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, binnen een straal van 25 kilometer rond het bedrijf. Er wordt dan ingegrepen op zo min mogelijk bedrijven om de grootste daling in de stikstofdepositie te bereiken. Op verzoek van LNV heeft het RIVM nu deze vijf varianten gecontroleerd. Het RIVM heeft dit met eigen berekeningen gedaan en hiervoor actuelere gegevens gebruikt. Hieruit blijkt dat de gekozen variant inderdaad de grootste stikstofwinst geeft. LNV verwacht dat 20 procent van de bedrijven die voor de aanpak piekbelasting in aanmerking komen, meedoen met de Lbv-plus. Dit zijn ongeveer 600 bedrijven. Als dat gebeurt, dan daalt de gemiddelde stikstofdepositie in de kwetsbare natuur naar schatting met ongeveer 40 mol stikstof per hectare per jaar, op een gemiddelde overbelasting van de kritische depositiewaarde (KDW) van 385 mol stikstof per hectare per jaar. Het werkelijke effect kan pas berekend worden als bekend is welke bedrijven er meedoen. Hun emissie en ligging ten opzichte van de natuur zijn hierbij bepalend en geven een marge van tientallen procenten op het resultaat. Daarnaast is natuurlijk het aantal deelnemers bepalend. LNV gaat uit van 600 bedrijven maar een range van 100 tot 700 bedrijven levert een depositiereductie van 7 tot 47 mol stikstof per hectare per jaar. Met de door het RIVM gebruikte actuelere gegevens daalde de geschatte depositie iets meer dan LNV eerder had laten berekenen. Dit heeft verschillende oorzaken. Het RIVM gebruikte bijvoorbeeld de emissiefactoren uit de Emissieregistratie om de depositie te bepalen, terwijl LNV eerder emissiefactoren uit de wettelijke ‘Rav-richtlijn’ gebruikte. Emissiefactoren uit de dagelijkse praktijk zijn hoger dan die in de Ravrichtlijn. Ook was in de nieuwere cijfers het aantal dieren hoger omdat het aantal dieren per bedrijf gemiddeld toeneemt.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Risico’s van pijnstillers in het oppervlaktewater. Keuzes voor gebruik op basis van milieueffecten | RIVM

Resten van medicijnen kunnen via de urine en ontlasting in het oppervlaktewater terechtkomen. Daar kunnen ze schadelijk zijn voor de organismen die erin leven. Het is daarom belangrijk dat er minder medicijnresten in het oppervlaktewater terechtkomen. Bijvoorbeeld door te kiezen voor medicijnen die het oppervlaktewater het minst belasten. Zowel de zorgsector als de watersector heeft behoefte aan informatie hierover. De zorgsector en patiënten kunnen daarmee bewuste keuzes maken. Het RIVM heeft onderzocht in hoeverre vijf pijnstillers die zonder recept te koop zijn het oppervlaktewater belasten. Hierbij is gekeken wat het voor het oppervlaktewater betekent als een pijnstiller door een andere wordt vervangen. Vooral de hoeveelheden diclofenac in oppervlaktewater kunnen schadelijk zijn voor dieren in water. Dit komt vooral door het gebruik van dit middel als gel op de huid. Het grootste deel van de gel spoelt namelijk weg via douchen of het wassen van kleding, waarna het in het oppervlaktewater terecht komt. Wanneer het niet nodig is om NSAID pijnstillers (diclofenac, ibuprofen of naproxen) te gebruiken én kan worden gekozen voor paracetamol of aspirine, heeft dat vanuit het oogpunt van milieurisico’s de voorkeur. Uitgezocht moet nog worden hoe deze keuze kan worden meegenomen in bijvoorbeeld de richtlijn voor de behandeling van pijn. Deze informeert zorgprofessionals over de keuze van pijnstillers. Daarnaast moet worden uitgezocht hoe de voorlichting over milieurisico’s eruit kan zien voor medicijnen in de vrije verkoop. Voor dit onderzoek heeft het RIVM berekend hoeveel van de werkzame stoffen van vijf pijnstillers via het riool in het oppervlaktewater terechtkomen. Er is niet gekeken naar andere graadmeters voor milieubelasting zoals de hoeveelheid broeikasgassen die vrijkomt bij de productie van de middelen.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

De link tussen extra-intestinale infecties en voedsel. Een literatuurstudie | RIVM

Extra-intestinale infecties zijn infecties die buiten de darmen ontstaan, vooral in urinewegen en de bloedbaan. Er zijn steeds meer aanwijzingen dat extra-intestinale infecties door voedsel kunnen worden veroorzaakt. Een infectie kan dan ontstaan doordat bacteriën uit de ontlasting in de urinewegen terechtkomen. Het RIVM zocht daarom in de wetenschappelijke literatuur of er een verband is. Daar zijn aanwijzingen voor, maar er is geen hard bewijs dat voedsel een directe oorzaak van deze infecties is. Voor dit onderzoek heeft het RIVM eerst gekeken welke ziekteverwekkers in Nederland het vaakst urineweginfecties en bloedbaaninfecties veroorzaken. De extra-intestinale pathogene E. coli Escherichia coli (Escherichia coli) (ExPEC) bacterie blijkt de belangrijkste ziekteverwekker te zijn van deze twee soorten infecties. In de wetenschappelijke literatuur is daarom vooral gezocht naar een verband tussen infecties door deze bacterie en voedsel. Het blijkt moeilijk te zijn om aan te tonen of bacteriën die urineweginfecties veroorzaken, uit voedsel komen. Daarvoor moet worden gekeken of de bacteriestam bij de mens hetzelfde is als in voedsel of landbouwdieren. Daarna moet worden onderzocht of mensen daadwerkelijk dit voedselproduct hebben gegeten voordat ze een extraintestinale infectie kregen. Het kost veel tijd en geld om dit soort onderzoek te doen.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Doorrekening scenario’s accijnsverhoging op tabak | RIVM

In 2018 werd het Nationaal Preventie Akkoord (NPA) ondertekend, met de ambitieuze doelstelling dat in 2040 niet meer dan 5 procent van de bevolking zou roken en dat in dat jaar geen enkele jongere meer rookt (“rookvrije generatie”). In 2014 rookte nog 25,7 procent van de volwassen bevolking. In 2018, bij de ondertekening van het NPA, rookte 22,4 procent van de Nederlanders en in 2022 was dat percentage gedaald tot 18,9 procent. Deze cijfers zijn afkomstig uit de Gezondheidsenquête (Trimbos instituut, 2023). Rokers worden hier gedefinieerd als dagelijkse en gelegenheidsrokers (nietdagelijkse rokers) en deze cijfers zijn gebaseerd op zelfrapportage.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Doorrekening impact Nationaal Preventieakkoord: deelakkoord problematisch alcoholgebruik. Worden de ambities voor 2040 bereikt? | RIVM

De Nederlandse overheid wil dat er minder mensen roken, overgewicht hebben of te veel alcohol drinken. Om dat te bereiken is in 2018 het Nationaal Preventieakkoord afgesloten met doelen voor 2040. Hiervoor heeft de overheid met meer dan zeventig partijen afspraken gemaakt. Het RIVM heeft berekend of de doelen in 2040 worden gehaald met de afspraken zoals ze nu worden uitgevoerd. Het RIVM heeft daarvoor berekend hoe de situatie in 2040 zal zijn met én zonder afspraken. Uit de berekening blijkt dat de doelen voor problematisch drinken met de afspraken niet worden gehaald. Het aantal problematische drinkers zal nauwelijks dalen. Van veel van de afspraken in het NPA zoals ze nu worden uitgevoerd, is weinig effect te verwachten. Het doel is dat het aantal volwassenen dat problematisch drinkt vijf procent is in 2040. Het aantal jongeren dat zegt de afgelopen maand gedronken te hebben moet naar 15 procent. Extra en stevigere maatregelen zijn nodig om deze doelen te bereiken. Dit zijn bijvoorbeeld maatregelen om alcoholhoudende dranken duurder te maken, alcoholhoudende dranken minder beschikbaar te maken en reclame voor alcoholhoudende dranken te beperken.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Contra-expertise op bepalingen van radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht van Urenco Nederland B.V. Periode 2022 | RIVM

De fabriek van Urenco URanium ENrichment COmpany (URanium ENrichment COmpany) Nederland, die uranium verrijkt, meet hoeveel radioactiviteit het naar de omgeving loost via het eigen afvalwater en de ventilatielucht. Urenco neemt de te analyseren monsters verspreid over het jaar 2022. Het RIVM controleert deze metingen acht keer per jaar. Met deze 'contra-expertise' controleert RIVM of de analyses die Urenco zelf uitvoert, betrouwbaar zijn. RIVM concludeert dat dit inderdaad het geval is. De totaal-alfa, totaal-bèta resultaten en de gamma-analyses van afvalwater uit de contra-expertise komen goed overeen. Uit de metingen blijkt dat de activiteitsconcentraties in afvalwater doorgaans laag zijn op een enkele uitzondering na. De radioactiviteit in ventilatielucht ligt zeer dicht bij het niveau van de hoeveelheid radon die van nature in de buitenlucht aanwezig is. De resultaten van de meetwaarden van Urenco in ventilatielucht kwamen redelijk overeen met de RIVM-analyses. In buitenlucht wordt de natuurlijke totaal-alfa en bèta-activiteit veroorzaakt door radon-dochters, net als de verhouding tussen de totaal-alfa - en totaal-bèta-activiteit. De verhouding zou heel anders zijn wanneer uranium vrijkomt. Daarom is het aannemelijk dat er in 2022 geen uranium via ventilatielucht is vrijgekomen. RIVM voert de contra-expertises jaarlijks uit in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Doorrekening impact Nationaal Preventieakkoord: deelakkoord roken. Worden de ambities voor 2040 bereikt? | RIVM

De Nederlandse overheid wil dat er minder mensen roken, overgewicht hebben of te veel alcohol drinken. Om dat te bereiken, is in 2018 het Nationaal Preventieakkoord met doelen voor 2040 afgesloten. Hiervoor heeft de overheid met meer dan zeventig partijen afspraken gemaakt. Het RIVM heeft berekend of de doelen in 2040 worden gehaald met de afspraken zoals ze nu worden uitgevoerd. Het RIVM heeft hiervoor berekend hoe de situatie in 2040 zal zijn met én zonder de afspraken. Uit de berekening blijkt dat het aantal mensen dat rookt in 2040 iets verder zal zijn gedaald met de afspraken dan zonder de afspraken. Maar de gestelde doelen worden met de afspraken niet gehaald. Extra en stevigere maatregelen zijn nodig om deze doelen te bereiken. Denk bijvoorbeeld aan extra prijsverhogingen, naast de verhogingen die al zijn afgesproken. Het doel is dat in 2040 minder dan vijf procent van de volwassenen en geen enkele jongere meer rookt. Volgens de berekeningen zal door de afspraken naar schatting ongeveer 10 procent van de volwassenen roken. Zonder afspraken zou dat 13 procent zijn. Het aantal jongeren (12 t/m 16 jaar) dat rookt, zal in 2040 door de afspraken ongeveer vier procent zijn, in plaats van vijf procent zonder de afspraken. Het duurder maken van sigaretten en shag bleek het meest effectieve middel om mensen te laten stoppen met roken of te voorkomen dat ze ermee beginnen. In dit onderzoek is niet gekeken naar het roken van elektronische sigaretten (vapen).
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Contra-expertise op bepalingen van radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht van COVRA NV. Periode 2022 | RIVM

De Centrale Organisatie voor Radioactief Afval ( COVRA Centrale Organisatie Voor Radioactief Afval (Centrale Organisatie Voor Radioactief Afval) ) meet hoeveel radioactiviteit zij in afvalwater en ventilatielucht loost. Het RIVM controleert elk jaar deze metingen. COVRA neemt de monsters verspreid over het jaar. Met deze 'contra-expertise' controleert het RIVM of de analyses die COVRA zelf uitvoert, betrouwbaar zijn. RIVM concludeert dat dit inderdaad het geval is. Net als in voorgaande jaren kwamen de analyses van afvalwater uit de contra-expertise in 2022 goed overeen met de resultaten van COVRA. Het gamma-spectrometrische resultaat, de resultaten van de totaal-alfa bepaling, en de tritiumbepaling kwamen redelijk tot goed overeen. Ook de totaal bèta-meetwaarden van het RIVM en de rest bèta-meetwaarden van COVRA kwamen goed overeen ondanks de verschillende meetprincipes. Ook het resultaat in de 14C-bepaling in afvalwater kwam eveneens goed overeen. Verder kwamen de resultaten van het RIVM en COVRA van de ventilatieluchtmonsters van het Afvalverwerkingsgebouw ( AVG algemene verordening gegevensbescherming (algemene verordening gegevensbescherming) ) en het Hoogradioactief Afval Behandelings- en Opslag Gebouw (HABOG) goed overeen voor tritium en 14C. Er is in geen enkel monster een gammaactiviteit, of een totaal-alfa of totaal-bèta activiteit in ventilatielucht gevonden. Het RIVM voert de contra-expertises jaarlijks uit in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Doorrekening impact Nationaal Preventieakkoord: deelakkoord overgewicht. Worden de ambities voor 2040 bereikt? | RIVM

De Nederlandse overheid wil dat er minder mensen roken, overgewicht hebben of te veel alcohol drinken. Om dat te bereiken, is in 2018 het Nationaal Preventieakkoord afgesloten met doelen voor 2040. Hiervoor heeft de overheid met meer dan zeventig partijen afspraken gemaakt. Het RIVM heeft berekend of de doelen in 2040 worden gehaald met de afspraken zoals ze nu worden uitgevoerd. Het RIVM heeft daarvoor berekend hoe de situatie in 2040 zal zijn met én zonder afspraken. Uit de berekening blijkt dat de doelen niet worden gehaald met de afspraken. Ondanks de afspraken zal het aantal mensen met overgewicht blijven stijgen. Door de afspraken neemt het aantal mensen met overgewicht wel iets minder sterk toe dan zonder de afspraken. Extra en stevigere maatregelen zijn nodig om de doelen te bereiken. Dit zijn bijvoorbeeld: gezond voedsel goedkoper maken, ongezond voedsel duurder maken, of reclame voor ongezond voedsel verder beperken. Het doel is dat in 2040 maximaal 38 procent van de volwassenen en 9,1 procent van de kinderen (4 t/m 17 jaar) overgewicht heeft. Volgens de berekeningen zal met de huidige afspraken ongeveer 56 procent van de volwassenen overgewicht hebben. Zonder afspraken zou dat 58 procent zijn. Het aantal kinderen met overgewicht zal ongeveer 14 procent zijn in plaats van 15 procent.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Contra-expertise op bepalingen van radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht van de kernenergiecentrale Borssele. Periode 2022 | RIVM

De kerncentrale Borssele (KCB) meet hoeveel radioactiviteit de centrale loost via het nucleair afvalwatersysteem en het nucleair ventilatiesysteem. Het RIVM controleert deze metingen acht keer per jaar. Met deze 'contra-expertise' controleert het RIVM of de analyses die de kerncentrale zelf uitvoert, betrouwbaar zijn. RIVM concludeert dat dit inderdaad het geval is. De KCB neemt de te analyseren monsters verspreid over het jaar. De gamma-analyses van afvalwater uit de contra-expertise in 2022 kwamen op hoofdlijnen overeen met de resultaten van de kerncentrale. De overeenkomst in de 3H-data in afvalwater was voor 7 van de 8 monsters goed, en voor 1 monster matig. De KCB en het RIVM hebben geen strontium-isotopen en alfa-activiteit in het afvalwater gevonden. In zeven ventilatieluchtmonsters vonden het RIVM en KCB geen activiteit. In het tweede monster vonden ze een zeer geringe activiteit van I-131 jodium isotoop 131 (jodium isotoop 131) . Dit betekent voor een denkbeeldig persoon die een week lang 8 uur per dag aan het hek van het terrein staat een verwaarloosbare dosisbijdrage van 0,0004 microsievert (in Nederland is de gemiddelde jaardosis door achtergrondstraling voor één persoon ongeveer 1700 microsievert). De hoeveelheden 3H en 14C in ventilatielucht, bemonsterd met een zeolietpatroon, kwamen redelijk overeen. Het RIVM voert de contra-expertises jaarlijks uit in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Contra-expertise op bepalingen van radioactiviteit in afvalwater en ventilatielucht van NRG. Periode 2022 | RIVM

Het nucleair bedrijf Nuclear Research and Consultancy Group ( NRG Nuclear Research and consultancy Group (Nuclear Research and consultancy Group) ) in Petten meet hoeveel radioactiviteit het in het eigen afvalwater en de ventilatielucht naar de omgeving loost. De monsters hiervoor worden verspreid over het jaar genomen. Het RIVM controleert deze metingen acht keer per jaar. Met deze 'contra-expertise' controleert het RIVM of de analyses die NRG zelf uitvoert, betrouwbaar zijn. RIVM stelt vast dat de meetdata van NRG betrouwbaar zijn. Net als in eerdere jaren komen de gamma-analyses van afvalwater uit de contra-expertise in 2022 goed overeen. De totaal-alfa resultaten in afvalwater stemmen redelijk tot goed overeen. De overeenstemming in de totaal-bèta resultaten is matig en kan veel worden verbeterd. Dit resultaat wordt verklaard door de verschillen in de meetmethoden van NRG en het RIVM. De overeenstemming in de 3H-resultaten in afvalwater is redelijk. De resultaten in ventilatielucht komen goed overeen. Het RIVM heeft in een aantal monsters een lage activiteitsconcentratie van 131I, 133Xe, 191Os en 203Hg gevonden. Deze waarden vallen ruim onder de detectiegrens van NRG, waardoor ze niet worden opgemerkt. Het RIVM heeft zes keer een zeer lage totaal-alfa activiteit in ventilatielucht aangetroffen, waar NRG niets vond. De meetwaarden voor zowel totaal-alfa als totaal-bèta in ventilatielucht liggen in de range van wat er in buitenlucht zit en hebben waarschijnlijk een natuurlijke oorsprong. Het RIVM voert de contra-expertises elk jaar uit in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Geluidmonitor 2022. Meting en validatie van geluidproductie door rijkswegen en hoofdspoorwegen | RIVM

De weg- en spoorbeheerders, Rijkswaterstaat en ProRail, berekenen sinds 2013 elk jaar hoeveel geluid het verkeer op de weg en het spoor maakt. Het RIVM toetst als onafhankelijke partij deze berekeningen met metingen. Dit is verplicht in het kader van de Wet milieubeheer. De Geluidmonitor 2022 vergelijkt de gemeten geluidniveaus op rijks- en spoorwegen voor het jaar 2021. Voor hoofdspoorwegen is in 2021 gemiddeld 0,5 decibel meer gemeten dan berekend. Voor rijkswegen is dit 2,7 decibel. Vanwege dit grote verschil, dat al jaren is te zien, zijn de rekenregels voor rijkswegen aangepast zodat ze meer overeenkomen met de werkelijkheid. De belangrijkste verandering is dat de lang toegepaste compensatie voor stille banden in de berekeningen vervalt. Stille banden hebben het geluid minder laten dalen dan verwacht. Deze nieuwe rekenregels gaan gelden onder de Omgevingswet, die op 1 januari 2024 ingaat. Lokaal kan zowel op wegen als op het spoor het verschil tussen meten en rekenen veel groter zijn. Bij rijkswegen komt dat bijvoorbeeld vooral door de leeftijd en de conditie van het asfalt. Ouder asfalt maakt meer geluid, nieuwer asfalt minder. Bij hoofdspoorwegen kunnen het aantal treinen, het treintype en de ruwheid van het spoor lokaal voor afwijkingen zorgen. De Geluidmonitor 2022 geeft ook de resultaten van de metingen van 2022. De berekeningen over dat jaar, die per 1 oktober 2023 beschikbaar komen, worden in de volgende geluidmonitor vergeleken met de gemeten geluidniveaus. De Geluidmonitor 2023 verschijnt in 2024.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Geluidmonitor – Nader Onderzoek 2020-2022 | RIVM

De weg- en spoorbeheerders Rijkswaterstaat en ProRail berekenen sinds 2013 elk jaar hoeveel geluid het verkeer op de weg en het spoor maakt. Het RIVM toetst als onafhankelijke organisatie deze berekeningen met metingen. Dit is op basis van de Wet milieubeheer verplicht. De resultaten verschijnen elk jaar in de Geluidmonitor. Over het algemeen blijken de berekeningen en metingen goed overeen te komen. Lokaal bestaan er wel verschillen tussen meten en rekenen. Het RIVM beschrijft in dit rapport drie onderzoeken naar mogelijke oorzaken van de verschillen. Zo blijkt dat het geluid van lichte motorvoertuigen de laatste jaren iets is toegenomen. Op dit moment is de reden daarvoor niet duidelijk. De ontwikkeling wordt ook de komende jaren gevolgd. In de berekeningen wordt verkeer ingedeeld in drie klassen: lichte, middelzware en zware motorvoertuigen. Zwaardere voertuigen, zoals vrachtwagens, maken meer geluid. Verder blijkt dat de correctiefactoren in de berekening van geluid van stiller asfalt in lijn zijn met de metingen. In Nederland ligt er op rijkswegen over het algemeen Zeer Open Asfalt Beton (ZOAB) of een variant daarvan. Een ZOAB-wegdek is veel stiller dan een traditioneel wegdek. Gemiddeld genomen wordt bij alle soorten ZOAB op rijkswegen evenveel geluid gemeten als berekend. Dit is een gemiddelde: bij ouder asfalt wordt meer geluid gemeten, bij nieuwer asfalt minder. Tot slot blijkt ook de berekende hoeveelheid geluid op het spoor over het algemeen goed overeen te komen met de gemeten hoeveelheid. Lokaal kan er wel een groot verschil zijn tussen meten en rekenen. Het RIVM heeft geprobeerd deze verschillen te verklaren maar vond er geen algemene verklaringen voor. Zo is het spoor soms stiller nadat het in het kader van onderhoud is geslepen.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Background report on UV radiation and sunscreen products | RIVM

Blootstelling aan UV ultraviolet (ultraviolet) -straling heeft positieve en negatieve effecten op de gezondheid. Positief zijn de aanmaak van vitamine D en een lagere bloeddruk die beschermt tegen hart- en vaatziekten. Negatieve gezondheidseffecten zijn: verbranding van de huid, huidveroudering en huidkanker. Dit en meer blijkt uit dit overzichtsdocument van het RIVM over gezondheidseffecten van UV-straling en de werking van zonnebrandproducten. Zonnebrandproducten zorgen ervoor dat minder UV-straling de huid bereikt. Hoe hoger de SPF sun protection factor (sun protection factor) (Sun Protection Factor) en hoe dikker de op de huid aangebrachte laag, hoe meer een product beschermt tegen huidverbranding. Het blijkt dat bij de test waarmee in het laboratorium de SPF wordt bepaald een veel dikkere laag zonnebrand wordt gebruikt dan de hoeveelheid die consumenten smeren (namelijk 2 in plaats van 0,5 milligram per vierkante centimeter). Hierdoor beschermen zonnebrandproducten in de praktijk veel minder dan staat aangegeven. SPF50, SPF30 en SPF20 geeft aan dat mensen 50, 30 of 20 maal langer in de zon kunnen zitten zonder te verbranden dan zonder te smeren. In de praktijk is dit maar 7, 4 en 2 maal langer. UV-straling wordt, afhankelijk van de golflengte, onderverdeeld in UVA, UVB en UVC straling. Huidverbranding wordt vooral veroorzaakt door UVB. Een verbrande huid vergroot de kans op melanoom, de gevaarlijkste vorm van huidkanker. Hierdoor was lange tijd de gedachte dat alleen UVB huidkanker veroorzaakt. De laatste jaren vinden wetenschappers steeds meer bewijs dat ook UVA hieraan kan bijdragen. Sommige zonnebrandproducten beschermen ook in enige mate tegen UVA. Maar hoe goed ze dit doen staat niet duidelijk op de verpakking. Er zijn nu geen Europese voorschriften om consumenten goed te informeren over de beschermende werking van zonnebrandproducten tegen UVA.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Burgermeetnetwerk Spoor America - Geluidhinder door treinverkeer met citizen science in kaart gebracht | RIVM

Met citizen science doen burgers en wetenschappers samen onderzoek. Dat is nu ook gebeurd bij een onderzoek naar geluidhinder door treinverkeer in het dorp America (Limburg). Daaruit bleek dat citizen science onderzoek een gedetailleerd lokaal beeld kan geven van geluidniveaus en acute geluidhinder. De onderzoeksaanpak hielp om vragen en zorgen van lokale inwoners over hun leefomgeving te beantwoorden. Dit gaf hen vertrouwen in het wetenschappelijke onderzoek. Citizen science kan daarmee een goede aanvulling zijn op hoe geluidniveaus nu volgens de wet worden vastgesteld. Het onderzoek bevestigde dat voorbijkomende treinen geluidpieken veroorzaken waar inwoners acute ernstige hinder van hebben. Dit gebeurt zowel overdag als ’s nachts. Over het algemeen toonde het onderzoek aan dat inwoners die volgens berekeningen meer blootstaan aan geluid van treinverkeer, inderdaad hogere geluidniveaus meten. Daarnaast ervaren zij relatief meer hinder en slaapverstoring dan mensen die aan lager geluid blootstaan. Inwoners wilden actief meedenken over het onderzoek. Een reden hiervoor was dat ze de gebruikelijke manier om geluidniveaus te berekenen, volgens landelijke regels, niet geschikt vinden voor hun situatie. Bijvoorbeeld omdat geluidpieken en het aantal treinen dat ‘s nachts rijdt, niet genoeg zijn terug te zien in de berekende geluidniveaus. Ook wilden ze meer aandacht voor de beleving van geluid in de omgeving, in plaats van alleen te kijken hoe hard het geluid is in decibellen. Bij de inwoners is frustratie en soms ook wantrouwen ontstaan door de manier waarop (overheid)instanties omgaan met geluidhinder door treinen. De inwoners van America hebben dit onderzoek samen met het RIVM uitgevoerd. Met geluidmeters hebben ze zelf gemeten hoeveel geluid de voorbijkomende goederen- en passagierstreinen maakten. Deze meetgegevens waren meteen zichtbaar op een openbare website. Via een vragenlijst en een app lieten ze weten hoe ze het treinverkeer beleefden en hoe dit hun welzijn en gezondheid beïnvloedde. Ook gaven de onderzoekers uitleg over de resultaten. Het RIVM heeft dit onderzoek met eigen geld betaald. Het wil meer ervaring opdoen met citizen science om meer kennis over een gezonde leefomgeving te ontwikkelen vanuit maatschappelijke zorgen en vragen.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Concentratiegrenswaarde voor ZZS in afval – update 2023 | RIVM

Nederland streeft naar een circulaire economie waarin we afval als grondstof inzetten. Met wetten en regels wordt voorkomen dat er in de materialen of producten die hiervan worden gemaakt, stoffen zitten die schadelijk zijn voor mens en milieu. Voor afval waar zeer zorgwekkende stoffen ( ZZS Zeer Zorgwekkende Stoffen (Zeer Zorgwekkende Stoffen ) ) in zitten, gelden extra strenge regels. Op basis daarvan bepalen bedrijven en overheden of het afval geschikt is om te recyclen of moet worden vernietigd. Een deel van deze regels staan in het Circulair Materialenplan (CMP), dat Rijkswaterstaat nu voor de overheid aan het maken is. Voor dit plan heeft het RIVM uitgezocht bij welke concentratie aan ZZS een extra beoordeling nodig is om te bepalen of recycling veilig is. Het RIVM adviseert hiervoor een algemene grenswaarde voor de concentratie van ZZS in afval te gebruiken. Dit is 1 gram ZZS per kilogram afval (0,1 gewichtsprocent). Deze regel geldt tenzij er voor een stof een strengere concentratiegrenswaarde bestaat. Onder de 0,1 procent is geen extra risicoanalyse verplicht om het afval te kunnen gebruiken. Dit advies is hetzelfde als het RIVM in 2017 gaf en is nu met meer kennis onderbouwd. Met het advies sluit Nederland aan op verschillende Europese wetten over het veilig omgaan met schadelijke stoffen. Met een algemene grenswaarde worden ingewikkelde en tijdrovende procedures voorkomen. Ook voor het product waar het gerecyclede materiaal in wordt gebruikt, gelden grenswaarden voor ZZS. Voor speelgoed en cosmetica gelden bijvoorbeeld strenge productnormen. Dan zijn maar kleine hoeveelheden ZZS toegestaan of ze zijn helemaal verboden. Het kan zijn dat deze normen strenger zijn dan de voorgestelde algemene grenswaarde. Tot slot adviseert het RIVM de algemene concentratiegrenswaarde ook te gebruiken voor slecht afbreekbare stoffen. Dit geldt ook voor mengsels van meerdere ZZS in afvalstromen.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

Environmental monitoring in the vicinity of the Borssele nuclear power plant. Results in 2022 | RIVM

Het RIVM controleert elk jaar de metingen die de kerncentrale Borssele (KCB) in de directe omgeving van de centrale laat uitvoeren. Hiervoor zijn de monsters geanalyseerd die in 2022 zijn genomen van gras, water, luchtstof, sediment en zeewier. Er is geen radioactiviteit gevonden als gevolg van de bedrijfsvoering van de kerncentrale. In de meeste gevallen vindt het RIVM geen radioactiviteit of een lage hoeveelheid van natuurlijke activiteit. Of het vindt sporen van cesium137 in een grondmonster. Dit is een bekende besmetting en komt hoogstwaarschijnlijk van het kernongeval bij Chernobyl in 1986. In juli 2022 was er een matige overeenstemming tussen de RIVM- en NRG Nuclear Research and consultancy Group (Nuclear Research and consultancy Group) -data voor totaal-bèta in water van de Westerschelde en zwevend slib. Dit heeft te maken met verschillen in de methode waarmee de waarden worden bepaald. Het RIVM heeft in 2022 in enkele watermonsters van de Westerschelde een zeer lage hoeveelheid van tritium (3H) aangetroffen. Het is niet bekend waar dat vandaan komt omdat tritium van kerncentrale Doel eveneens langs KCB stroomt. Sinds de jaren negentig van de vorige eeuw laat de KCB de monsters elke maand uitvoeren door de Nuclear Research and Consultancy Group (NRG). NRG neemt elk jaar ook een grondmonster. NRG analyseert deze monsters op gammastralers, totaal-alfa en totaal-bèta activiteit, en tritium in het watermonster. De bemonstering van luchtstof behoort niet tot het controleprogramma van RIVM. Het RIVM controleert de metingen in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1

An overview of the available data on the reproductive toxicity of molybdenum and its compounds | RIVM

Het RIVM heeft onderzocht wat er in de wetenschappelijke literatuur bekend is over de mogelijke schadelijke eigenschappen op de voortplanting van de stof molybdeen en de verbindingen daarvan. Deze stoffen worden gebruikt in verschillende consumentenproducten. Voorbeelden zijn antivriesproducten, kunstmest en sommige plastics. Professionele en industriële werknemers gebruiken ze in onder andere metaalbewerkingsvloeistoffen. De beschikbare informatie is samengevat. De Gezondheidsraad gebruikt dit overzicht om de schadelijke effecten op de voortplanting te beoordelen. Ook gebruiken zij het overzicht om het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ( SZW Sociale zaken en werkgelegenheid (Sociale zaken en werkgelegenheid) ) te adviseren over de classificatie van de stof. Producenten moeten hun werknemers beschermen tegen stoffen die schadelijk zijn voor de voortplanting. Daarom heeft dit soort stoffen de aandacht van SZW.
Jaar: 2024 Onderzoek Documenten: 1